CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Actualisatie quickscan.pdf

Politieke Markt 27 augustus 2019, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Blokzijl - Muggenbeet 312.209 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Actualisatie quickscan flora en fauna Geertien, Muggenbeet Opdrachtgever Geertien Muggenbeet 3 8356 VK Blokzijl 0527 - 291245 Opdrachtnemer Eelerwoude Postbus 53 7470 AB Goor 0547 - 263515 0547 - 263315 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl Projectgegevens: Projectnummer: 2691.3 Datum: 25-9-2017 Projectleider: Mark Elshof Opgesteld: Sharon Boekhout Gecontroleerd: Gerard Lubbers Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het Ministerie van Economische Zaken stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. De opmaak van dit rapport gaat uit van dubbelzijdig afdrukken. Actualisatie quickscan flora en fauna Geertien, Muggenbeet Concept INHOUD 1 INLEIDING ...........................................................................................................

6 1.1 Aanleiding ............................................................................................................ 6 1.2 Leeswijzer ............................................................................................................ 6 2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING ......................................................... 8 2.1 Huidige situatie .................................................................................................... 8 2.2 Ambitie ontwikkeling ............................................................................................ 8 2.3 Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................. 9 3 NATUURWETGEVING EN BELEID ................................................................. 11 3.1 Bescherming van Soorten ................................................................................. 11 3.2 Bescherming van Natura 2000-gebieden .......................................................... 17 3.3 Bescherming Houtopstanden ............................................................................ 17 3.4 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................. 19 3.5 Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000 ............................................

21 3.6 Rode lijst ............................................................................................................ 21 4 METHODE ......................................................................................................... 23 4.1 Bureauonderzoek............................................................................................... 23 4.2 Terreinbezoek .................................................................................................... 23 5 BESCHERMDE SOORTEN .............................................................................. 25 5.1 Planten en (korst)mossen .................................................................................. 25 5.2 Zoogdieren ......................................................................................................... 25 5.3 Vogels ................................................................................................................ 30 5.4 Amfibieën ........................................................................................................... 31 5.5 Reptielen ............................................................................................................ 32 5.6 Vissen ................................................................................................................

33 5.7 Beschermde soorten ongewervelden ................................................................ 34 6 CONCLUSIE EN VERVOLG ............................................................................. 35 6.1 Conclusie Natura 2000 ...................................................................................... 35 6.2 Conclusie Natuurnetwerk Nederland ................................................................. 35 6.3 Conclusie Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000 ........................... 35 6.4 Conclusie Houtopstanden .................................................................................. 35 6.5 Conclusie Soortbescherming ............................................................................. 36 6.6 Eindconclusie ..................................................................................................... 36 6.7 Geldigheid onderzoek ........................................................................................ 37 LITERATUURLIJST .......................................................................................................... 39 BIJLAGE 1. INRICHTINGSCHETS .................................................................................. 40 BIJLAGE 2. SOORTENLIJSTEN ..................................................................................... 41 4 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept

Geertien, Muggenbeet 5 Concept Figuur 1. Ligging van het plangebied. Figuur 2. Begrenzing van het plangebied.

6 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept 1 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Het horecabedrijf Geertien te Muggenbeet is een goed draaiend, ambitieus bedrijf met een toekomstvisie. Het hotel, het café en het restaurant worden gerund door twee gezinnen en trekken hoge bezoekersaantallen, voornamelijk in het vaarseizoen. De bezoekers maken gebruik van de parkeerplaats die deels niet is bestemd als parkeerplaats en eveneens niet landschappelijk is ingepast en verdient een kwaliteitsimpuls. Daarnaast is voor een duurzame, gezonde en toekomstgerichte bedrijfsvoering een bedrijfsuitbreiding van Geertien noodzakelijk. Er is gekozen voor een branche-verbreding met vergaderruimte in een nieuw bebouwingsvolume. Ten behoeve van de plannen is reeds een toetsing natuurwetgeving uitgevoerd (Eelerwoude, 2015). Het veldbezoek wat ten grondslag ligt aan de betreffende toetsing is echter in 2012 uitgevoerd en het rapport in 2015 aangepast. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Vanwege deze nieuwe wetgeving en de houdbaarheid van het rapport is een actualisatie dan ook gewenst. Het betreft hier het onderdeel Soortenbescherming. Daarnaast is het gebied aangemerkt als subcategorie ‘uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000’ binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Ook hier dient de ontwikkeling aan getoetst te worden.

Deze rapportage gaat hier verder op in. Vanuit de Provincie Overijssel is er reeds een vergunning afgegeven voor het onderdeel Gebiedsbescherming (Natura 2000). Deze rapportage gaat dan ook niet verder in op dit onderdeel. 1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft de huidige situatie en de voorgestane ontwikkeling. Op basis van deze informatie is voorliggende toets uitgevoerd. Hoofdstuk 3 geeft een beknopte beschrijving van de natuurwetgeving en -beleid. De gehanteerde methodiek is beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de bescherming van soorten. Aangegeven wordt welke beschermde soorten verwacht worden, wat de effecten van de ontwikkeling op deze soorten zijn en of een ontheffing noodzakelijk is. Hoofdstuk Fout! erwijzingsbron niet gevonden. gaat in op de effecten op het Natuurnetwerk Nederland. Hoofdstuk 7 geeft de conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek weer. De snelle lezer kan volstaan met het lezen van hoofdstuk 2 en de conclusie in hoofdstuk 7. Geertien, Muggenbeet 7 Concept Figuur 3. Gebiedsimpressie van het plangebied met de huidige parkeerplaats (linker foto’s) en de omliggende gebieden (rechter foto’s).

8 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept 2 2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING 2.1 Huidige situatie Geertien ligt langs De Wetering, een ongeveer 30 meter brede watergang die vanuit de Wetering-West richting het plassengebied van de Wieden stroomt. Net ten noorden van de planlocatie bevinden zich rietvelden en kleine graslanden die een agrarische- en natuurbestemming hebben. De rietvelden en graslanden zijn deels in eigendom van Natuurmonumenten en worden extensief beheerd. Ten noorden hiervan ligt de N333, de provinciale weg van Steenwijk naar Blokzijl. Vanaf de afrit ter hoogte van de Weteringbrug kan men over de Muggenbeet bij Geertien komen. Aan de weteringzijde van deze weg wordt de Wetering door een doorlopende houtsingel afgeschermd. Ten noorden en westen van de parkeerplaats van Geertien liggen grillige, open bosstructuren hoofdzakelijk bestaande uit opslag van schietwilg en zwarte els. Het plangebied zelf bestaat uit een bestaande parkeerplaats met halfverharding welke met beplanting is aangekleed. In het noorden gaat het plangebied over in een rietvegetatie welke ten tijd e van het veldbezoek was gemaaid. 2.2 Ambitie ontwikkeling Voor een duurzame, gezonde en toekomstgerichte bedrijfsvoering is een bedrijfsuitbreiding van Geertien noodzakelijk. Er is gekozen voor een branche -verbreding met vergaderruimte in een nieuw bebouwingsvolume.

Het idee hierachter is jaarrond bezoekers te trekken, zodat de inkomstenstroom beter wordt verdeeld en de arbeidskrachten een solide contract aangeboden krijgen. Men is nu namelijk nog te sterk aangewezen op seizoensarbeid. Geertien bevindt zich aan een (waterweg)slagader in Noordwest-Overijssel. Meer vergaderruimte zal het seizoen verlengen en daarmee de arbeidsfilm gunstiger maken. In het nieuwe bebouwingvolume wordt vergaderruimte gecombineerd met opslag. Ook de parkeergelegenheid bij Geertien verdient een kwaliteitsimpuls, omdat het nu een sobere uitstraling en geen duidelijke indeling heeft. De parkeerplaats blijft deels in z’n huidige vorm in gebruik. De parkeerplaats wordt geschikt en groot genoeg voor bezoekers van Geertien en tevens voor recreanten die gebruiken maken van de parkeerplaats als recreatief opstappunt. De nieuwe ontwikkeling op de locatie Geertien draagt op een positieve manier bij aan de doelstelling van provincie en gemeente om de recreatieve sector in Steenwijkerland te stimuleren. Daarnaast sluit de ontwikkeling aan bij het huidige unieke en bijzondere karakter van Geertien. Dit betekent kleinschalig, ingetogen en onderscheidend ondernemerschap. Dit geldt voor zowel de nieuwe vergader- en opslagruimte als ook Geertien, Muggenbeet 9 Concept voor de parkeerplaats.

Met de ontwikkeling wordt een meerwaarde gecreëerd voor de gemeente Steenwijkerland in recreatief en economisch opzicht. 2.3 Voorgenomen ontwikkeling Op het parkeerterrein te Muggenbeet is het succesvolle horecabedrijf voornemens een vergaderruimte met parkeerplaats te realiseren. Als gevolg van de ingreep zal het bestaande parkeerterrein worden uitgebreid en de begroeiing aan de waterkant worden gesnoeid. De ontwikkeling in het plangebied worden hieronder concreet weergegeven. De afbeelding in bijlage 1 betreft een referentiebeeld van de toekomstige situatie van de parkeervoorziening en vergaderruimte. De vormgeving van de vergaderruimt e zal enigszins afwijken omdat een bootoverkapping wordt gebouwd met staanders in het water. Vergaderruimte - Met betrekken tot de realisatie van de vergaderruimte zijn de plannen nog niet concreet uitgewerkt. Vooralsnog is alleen de locatie en afmeting van de toekomstige vergaderruimte bepaald. De bouw van een vergaderruimte vindt plaats op de locatie van de huidige parkeerplaats. Bij de invulling van de vergaderruimte wordt bij deze toetsing dan ook uitgaan van realisatie op land. - Het gebouw wordt deels in gebruik genomen als hoogwaardige vergaderruimte(s) (voor 40-50) en deels voor opslag van o.a. terrasmeubilair, boten en huurfietsen. Het gebouw wordt aan de zuidzijde van het plangebied op vaste bodem gerealiseerd.

- Om overlast op onder andere vissoorten in de omgeving te voorkomen worden de palen ten behoeve van de vergaderruimte niet geheid, maar worden de palen de grond in gedrukt. - Ten noorden en ten westen van de huidige parkeerplaats staan verspreid enkele groot uitgegroeide schietwilgen en is opslag van grauwe wilg aanwezig. T en behoeve van de realisatie van de parkeerplaats wordt alleen begroeiing verwijderd die een overlap vormt met de uitbreidingsplannen. - Bij het ontwerp van de vergaderruimte wordt rekening gehouden met het beperken van lichtuitstraling naar de omgeving vanwege fauna en landschappelijke inpassing. Dit wordt onder andere gedaan door kleine ramen toe te passen en doordat het dak ver naar beneden toe doorloopt, met name aan de zuidkant nabij de watergang. Aan de oost- en westzijde evenals gedeeltelijk aan noordzijde is gebruik gemaakt van een lambrisering die naar beneden toe is gericht waardoor lichtuitstraling wordt beperkt. De voornaamste (beperkte) uitstraling zal naar het noordoosten gericht zijn richting parkeerplaats vanuit de centrale hal. Door de nieuwe rietzomen en enkele bomen rond de nieuwe parkeerplaats wordt uitstraling zoveel mogelijk beperkt. Voorts zal het niet zo zijn dat de vergaderlocatie elke avond in gebruik – en dus verlicht – is. Er wordt geen gebruik gemaakt van gevelverlichting.

10 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept Parkeerplaats - het aanleggen van een landschappelijk in te richten parkeerplaats die aansluit bij de omgeving. Op de parkeerplaats wordt ruimte gecreëerd voor 150 auto’s, 2 touringcars en 3 invalidenplaatsen. Hiervan zijn 22 parkeerplaatsen voor personenauto’s gekoppeld aan de vergaderruimte. Dit aantal is gebaseerd op de vergunning van het restaurant en het verhuurbaar oppervlak. - De overige parkeerplaatsen worden gerealiseerd om parkeeroverlast ten tijde van hoogtijdagen te reguleren. Deze verkeersbewegingen (m.u.v. de verkeersbewegingen voor de vergaderruimte) zijn ook in de huidige situatie al in het gebied aanwezig. Met de realisatie van deze goede parkeervoorziening wordt het probleem van foutief geparkeerde auto’s in het Natura 2000-gebied en de overlast die dat met zich meebrengt (voor omwonenden en Natura 2000- natuurwaarden) verminderd en geconcentreerd - De parkeerplaats zal alleen op piekdagen geheel in gebruik zijn. - Het terrein dat niet eerder in gebruik is geweest als parkeervoorziening zal uit een halfverharding bestaan. Het gedeelte dat in de huidige situatie in gebruik is als parkeervoorziening wordt opnieuw ingericht en voorzien van rietvegetatie. - De ondergrond ter plaatse van de parkeerplaatsuitbreiding is venig. De bovenste 40 cm is humeus zand (bron: Dinoloket) en daarmee niet draagkrachtig.

Aanbrengen van dikke pakketten stabilisatie lagen onder de parkeerplaats is niet gewenst aangezien deze zware lagen extra druk op de veenbodem geven. Om de parkeerplaats toch enige stabiliteit te geven is er voor gekozen om de bovengrond (wortelzone) maximaal 10 cm te ontgraven. - Vervolgens wordt een geo-textiel aangebracht over de bodem. (Dit heeft als voordeel dat bij eventuele toekomstige omvorming naar natuur gebiedsvreemd materiaal goed verwijderd kan worden). De ontgraven 10 cm wordt opgevuld met stabilisatiezand. Daarboven op komt een halfverhardingslaag van ongeveer 20 cm dik. Het exacte materiaalgebruik is op dit moment nog niet bekend, maar is gericht op een neutrale kleur en optimale inzijging van regenwater (Eelerwoude, 2012a). - Vrijkomend materiaal bij de ontgraving wordt verwerkt binnen het terrein van de toekomstige parkeerplaats (geleidelijk aflopende randen van het parkeervak en op de plekken waar rietvegetaties worden gerealiseerd). Gezien de huidige grondwaterstandspijlen (bron: dinoloket + veldgegevens) is geen sprake van verdrogingeffecten. - T.b.v. in de grond aan te brengen verlichting dienen sleuven gegraven te worden voor de elektriciteitskabel. De ontgraven grond wordt na leggen van de kabe l weer op dezelfde plek teruggebracht. Er is geen sprake van een aanpassing van de grondwaterkwantiteit.

- De verlichting zelf zal zeer subtiel op de parkeerplaats aanwezig zijn (lage, op de grond gerichte verlichting). Deze zal tevens voorzien worden van een bewegingsmelder. Achterop de parkeerplaats (het halfverharde deel) wordt deze bewegingsmelder alleen ingeschakeld op piekdagen. Als beweging wordt gedetecteerd gaat de verlichting pas aan. Gezien de gerichte, lage verlichting is uitstraling naar de omgeving minimaal. Geertien, Muggenbeet 11 Concept 3 3 NATUURWETGEVING EN BELEID Sinds 1 januari 2017 is in Nederland de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Met het van kracht worden van de nieuwe wet worden de provincies het bevoegd gezag. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk (Ministerie van Economische Zaken) het bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van bosopstanden. Naast de natuurwetgeving bestaat het natuurbeleid, waarbij de kern wordt gevormd door het Natuur Netwerk Nederland, afgekort de NNN. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid.

3.1 Bescherming van Soorten 3.1.1 Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten - en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. 3.1.2 Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn) 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd*). 3. Beschermingsregime andere soorten (soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven). Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Voor een overzicht welke soorten onder welk beschermingsregime vallen, wordt verwezen naar bijlage 1.

12 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept 3.1.3 Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (zie overzicht verbodsbepalingen). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): - een vrijstelling geldt; - er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); - een ontheffing is verkregen. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Figuur 5. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Geertien, Muggenbeet 13 Concept Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Bovenstaande afbeelding geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden (in de Flora en faunawet nog wel). Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsr egime opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en).

Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Figuur 6. Toelichting op de definitie van ‘opzettelijkheid) (Bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016). 3.1.4 Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn.

In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”. 14 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept 3.1.5 Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. Onderstaande weergave ‘Toelichting op het aspect ‘wettelijk belang’ per beschermingsregime’ geeft een overzicht van deze belangen. 3.1.6 Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort.

De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van de ze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime (Zie onderstaand: Toelichting op de definitie ’staat van instandhouding binnen de verschillende beschermingsregimes’). Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. de SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied; 2. het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Figuur 7. Toelichting op de definitie ‘Staat van instandhouding binnen de verschillende beschermingsregimes) (Bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3.  Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

 Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.  Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”. Geertien, Muggenbeet 15 Concept Figuur 8. Toelichting op het aspect ‘wettelijk belang’ per beschermingsregime) (Bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016). Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;  ter bescherming van flora en fauna;  voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;  om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;  ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;  in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;  voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of  om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere, ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;  in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;  ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;  ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;  ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;  in het algemeen belang van de betreffende soort.

16 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept 3.1.7 Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). 3.1.8 Vrijstellingen Inleiding Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak.

Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling. Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Gedragscodes Voor regelmatig terugkerende activiteiten kan mogelijk gebruik gemaakt worden van een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onder de Flora en faunawet zijn diverse gedragscodes opgesteld voor (sectoren van) organisaties als natuurbeheerders, waterschappen of Rijkswaterstaat. Gedragscodes worden goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken, in overleg met de provincies en zijn na goedkeuring maximaal vijf jaar geldig. In de gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt en welke voorwaarden en maatregelen daarbij gelden. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht (vooral de voormalige. ‘tabel 1-soorten’ uit de Flora en faunawet).

Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provin cies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en Geertien, Muggenbeet 17 Concept plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes. 3.2 Bescherming van Natura 2000-gebieden In Nederland zijn verscheidene natuurgebieden die een beschermde status hebben als Natura 20000-gebied. Tot 1 januari 2017 kenden we ook nog de Beschermde natuurmonumenten. Deze zijn met de komst van de nieuwe natuurwet hun beschermde status kwijtgeraakt.

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied De ontwikkeling is reeds getoetst aan de Natuurbeschermingswet 1998 en een vergunning verleend door de provincie Overijssel (kenmerk: 2016/0517468). Het is dan ook niet noodzakelijk de ontwikkeling opnieuw te toetsen. De werkzaamheden zijn niet veranderd, evenals de begrenzing van het gebied en er zijn geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen opgetreden. Wel valt het uitbreidingsgebied binnen het ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000’. In §3.5 wordt hier dieper op ingegaan.

3.3 Bescherming Houtopstanden De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantingsplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom (ihkv Boswet) indien kap plaatsvindt in een houtopstand van 10 are of meer of een bomenrij van 20 bomen. Er geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen 18 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht. Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de wet natuurbescherming. Onder bos wordt verstaan: - alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Indien een bos wordt gekapt, dient een melding te worden gedaan bij de betreffende provincie. Dit geldt ook voor het bij rooien en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd.

De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenzijdige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. i. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; j. het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; k.

het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode; Geertien, Muggenbeet 19 Concept De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen aangeplant worden. De provincie kan hiervoor ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Misschien is er ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar gedaan worden. Voorwaarden Als er bos gekapt mag worden, dan moet meestal dezelfde grond herbeplant worden. Dit: - op een bosbouwkundige manier; - binnen 3 jaar na het kappen van het bos; - volgens de regels van de provinciale verordening (als de provincie die hiervoor heeft opgesteld). De provincie kan een verordening hebben opgesteld voor: - de gegevens die bij de melding verstrekt moeten worden; - de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan; - de wijze waarop de melding wordt gedaan; - de situatie waarin een bos niet gekapt mag worden; - de voorwaarden voor een herplantingsplicht, de vrijstelling en ontheffing daarvan. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.4 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Voorheen heette de NNN de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In deze situatie de provincie Overijssel. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN: de natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteit en de beleving van rust. Daarbij houd de provincie Overijssel zoveel mogelijk rekening met de andere belangen in het gebied. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang waar niet op een andere manier aan voldaan kan worden (het ‘nee, tenzij’ - principe). Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Er is door toepassing van de NNN-spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kun nen worden bereikt.

Realisatie en bescherming van het NNN is belangrijk voor het behoud en de ontwikkeling van plant- en diersoorten (biodiversiteit): met de realisatie van het natuurnetwerk wordt 20 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept bijgedragen aan een (inter)nationaal vitaal en samenhangend stelsel van natuurgebieden. Het NNN is ook van betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken én voor de regionale economie in Overijssel (denk aan toerisme). Gevolgen plangebied Het NNN is in de provinciale Omgevingsvisie op perceelsniveau begrensd en zichtbaar in de Atlas van Overijssel. Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland, zie figuur 9. Figuur 9. Ligging van het plangebied (rode arcering) nabij het Natuurnetwerk Nederland (bron Atlas van Overijssel). Op de kaart zijn gebieden te vinden die gemarkeerd zijn als:  Zoekgebied natuur NNN; Deze gebieden maken deel uit van het natuurnetwerk, maar de exacte begrenzing moet nog bepaald worden in een gebiedsgerichte uitwerking.  Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000: De provincie Overijssel heeft de (landbouw)gronden, die nodig zijn om de doelen te halen voor Natura 2000, opgenomen binnen de begrenzing van het NNN. Een deel van de doelen wordt bereikt met maatregelen in verband met de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

In een gebiedsproces wordt bepaald of deze gebieden landbouwgebied met beperkingen blijven of dat deze gebieden een andere functie krijgen, zoals een natuur- of recreatiefunctie.  Overig te realiseren natuur; Binnen de begrenzing van het natuurnetwerk liggen landbouwgebieden waar verbetering van de condities voor natuur gewenst is, maar de noodzakelijke maatregelen niet altijd goed samen gaan met een blijvende hoofdfunctie landbouw. Het doel is om deze gronden om te vormen tot natuurgebied zodat hierdoor de kwaliteit en samenhang in het NNN versterkt wordt.

Geertien, Muggenbeet 21 Concept  Bestaande NNN: Het bestaande NNN (natuur/water) betreft bestaande en recent gerealiseerde nieuwe natuur. Het plangebied grenst wel aan het NNN, maar hier vindt verder geen ontwikkeling plaats. Het betreft hier ‘bestaande natuur NNN (land)’. Het aangrenzende gebied is in de huidige situatie een parkeerplaats en blijft een parkeerplaats, met alleen een andere inrichting. De wezenlijke waarden en kenmerken blijven gehandhaafd. Een nadere toetsing aan de NNN is niet noodzakelijk. Het uitbreidingsgebied is echter wel aangewezen als ‘Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000’. In §3.5 wordt hier dieper op ingegaan. 3.5 Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000 Gebieden die zijn aangewezen als uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000 betreffen gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om de natuurwaarden in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden te beschermen of te vergroten. Op de EHS-kaart Atlas van Overijssel staan deze gebieden aangegeven als ‘Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000’. In de uitwerkingsgebieden worden (herstel)maatregelen getroffen om de juiste terreincondities voor de gestelde Natura 2000-doelen te realiseren. Het gaat hier vooral om (herstel)maatregelen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

Dit programma is een instrument om Natura 2000-doelstellingen te realiseren en tegelijk ruimte te scheppen voor bestaande en nieuwe economische ontwikkelingen. De overheid heeft voor elk Natura 2000-gebied een zogenaamde PAS-gebiedsanalyse opgesteld. In deze onderzoeksrapporten staat wat de doelen zijn voor het betrokken gebied en welke herstelmaatregelen waar, wanneer nodig zijn in drie perioden van zes jaar. Bij de PAS- gebiedsanalyses zit een kaart waarop staat waar welke maatregelen, in én naast het natuurgebied, getroffen moeten worden. Veel maatregelen buiten het natuurgebied richten zich op het verhogen van de grondwaterstand en/of het tegengaan van bemestingseffecten. Gevolgen plangebied Het uitbreidingsgebied is aangewezen als uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. Bij de verlening van de vergunning in het kader van de (toenmalige) Natuurbeschermingswet 1998 is met dit onderdeel rekening gehouden en reeds getoetst. Indien de aanvrager de werkzaamheden uitvoert binnen de contouren zoals in de aanvraag is uitgewerkt, zijn er geen verdere verplichtingen rondom het uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. Dit is eveneens bevestigd en gecontroleerd door het vertrouwenspersoon voor grondeigenaren of langjarige pachters in De Wieden en Weerribben welke vanuit de provincie Overijssel is aangesteld voor dit onderwerp.

3.6 Rode lijst De Rode Lijst bevat een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. Een vermelding op een Rode Lijst geeft dus een indicatie over hoe het een soort 22 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept vergaat, het is geen indicatie over de zeldzaamheid. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de staatssecretaris van het Ministerie van Economische Zaken. In totaal zijn 18 Rode Lijsten aanwezig waarop 3.363 soorten zijn vermeld. Rode lijsten hebben geen juridische status. Als een soort op de lijst komt, is deze niet automatisch beschermd. Daarvoor moet de soort worden aangewezen onder de Wet natuurbescherming. Binnen deze rapportage wordt alleen ingegaan op soorten die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en worden Rode Lijst-soorten niet aangehaald. Geertien, Muggenbeet 23 Concept 4 4 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek. 4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie.;  Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen.

Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied.  Daarnaast is de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De NDFF is de meest complete natuurdatabank van Nederland. De NDFF geeft informatie over de verspreiding van alle in Nederland levende planten- en diersoorten. De NDFF is gevuld met gegevens uit databanken van verschillende organisaties die deze gegevens op professionele wijze verzamelen (zoals SOVON Vogelonderzoek Nederland, de Zoogdiervereniging, RAVON en de Vlinderstichting). Ook de gegevens van verschillende gemeenten, waterschappen, provincies en terreinbeherende organisaties zijn hierin toegevoegd. Steeds meer partijen sluiten zich bij de NDFF aan. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen die via invoerportalen binnen komen. Op dit moment bevat de NDFF meer dan 100 miljoen waarnemingen. De NDFF bevat uitsluitend gevalideerde gegevens.  Verder is gebruikt gemaakt van de verspreidingsgegevens die reeds zijn beschreven in de eerdere toetsing (Eelerwoude, 2015). Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.

4.2 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door Ninja Blok en Sharon Boekhout uitgevoerd, beide werkzaam als ecologisch adviseur bij Eelerwoude. Beide personen voldoen aan de eisen van een ‘ecologisch deskundige’ (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 29 maart 2017 bij 15ºC, regenachtig weer en lage windsnelheden. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke 24 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept gesteldheid van het terrein (biotopen onderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten ook genoteerd. Kader – ecologisch deskundige Bron: RVO / Ministerie van Economische Zaken Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie.

De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: - op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of - op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of - als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of – bescherming. Geertien, Muggenbeet 25 Concept 5 5 BESCHERMDE SOORTEN Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit literatuur en andere informatiebronnen. Tevens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikke ling.

5.1 Planten en (korst)mossen Voorkomen en functie Het plangebied is grotendeels verhard met een halfverharding. Kruidachtige planten hebben hier vrijwel geen kans om tot ontwikkeling te komen. De begroeiing is in hoofdzaak beperkt tot straatgras. Langs de randen van het plangebied zijn voornamelijk ruigten aanwezig welke gedomineerd worden door riet en brandnetel. De oevers van het waterelement zijn beschoeid. Het noordelijk deel bestaat uit een rietvegetatie en is vrij nat. Gezien de vastgestelde terrei ncondities (verhard , verruigd en riet ) worden beschermde plantensoorten niet binnen het plangebied verwacht. Ook aanvullende floragegevens uit de NDFF leveren geen extra informatie over beschermde soorten in het plangebied. Effecten en ontheffing Binnen het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, dan wel te verwachten. Met de voorgenomen ontwikkelingen zijn dan ook geen negatieve effecten op beschermde plantensoorten te verwachten. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor beschermde flora niet noodzakelijk. 5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In 2012 zijn ten behoeve van het project Natuurverbinding Wieden-Weerribben een aantal avondbezoeken gebracht aan de planlocatie en de directe omgeving.

Hoewel het geen recent onderzoek betreft kunnen deze gegevens wel gebruikt worden om een indicatie te krijgen van het gebied en de omgeving. Hieruit is naar voren gekomen dat het plangebied en de omgeving gebruikt wordt door verschillende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis en meervleermuis. Vooral langs de weg Muggenbeet zijn een aantal foeragerende gewone dwergvleermuizen, gewone grootoorvleermuis en laatvliegers waargenomen. Boven De Wetering vliegen watervleermuizen en de meervleermuizen. 26 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept Verblijfplaatsen Binnen het plangebied zijn geen gebouwen of bomen aanwezig welke kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. De aangrenzende bebouwing en bomen (woonhuizen, café e.d.) daarentegen bieden wel mogelijkheden voor vleermuizen om te verblijven. Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouwbewonende en/of boombewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouwbewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boombewonend en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering.

Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand. Foerageergebied en vliegroutes Uit het onderzoek van 2012 is naar voren gekomen dat vooral rondom de landschappelijke beplanting langs de Wetering gefoerageerd werd. Hier werd ook een vliegroute van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het terrein zelf wordt in mindere mate geschikt geacht als foerageergebied en vliegroute door het ontbreken van lijnvormige elementen en begroeiing. Er zijn ook geen grote aantallen ter plaatse vastgesteld. Een foerageergebied of vliegroute die essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de aanwezige soorten wordt niet verwacht. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn.

Het opzettelijk verjagen, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het verstoren of vernielen van vaste verblijfplaatsen (inclusief de functionele leefomgeving) is verboden vanuit wet Natuurbescherming. De functionaliteit van verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Binnen het plangebied zijn geen gebouwen of grotere en dikkere bomen aanwezig die een functie kunnen hebben als verblijfplaats voor vleermuizen. Met de voorgenomen ingreep worden negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten. Foerageergebied en vliegroutes Met de invulling van de parkeerplaats en de bouw van de vergaderruimte gaat geen essentieel foerageergebied of vliegroute van vleermuizen verloren. Bij de uitbreiding van de parkeerplaats wordt er rekening gehouden met de verlichting: de verlichting zelf zal zeer subtiel op de parkeerplaats aanwezig zijn (lage, op de grond gerichte verlichting). Geertien, Muggenbeet 27 Concept Deze zal tevens voorzien worden van een bewegingsmelder. Achterop de parkeerplaats (het halfverharde deel) wordt deze bewegingsmelder alleen ingeschakeld op piekdagen. Als beweging wordt gedetecteerd gaat de verlichting pas aan. Gezien de gerichte, lage verlichting is uitstraling naar de omgeving minimaal.

Ook bij de vormgeving van de vergaderruimte wordt rekening gehouden met de verlichting vanuit de vergaderruimte. Zo wordt voorkomen dat de vergaderruimte een verstorende werking heeft op vleermuizen. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor vleermuizen niet noodzakelijk. Kader - Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden: - verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; - verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); - verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; - beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur; - geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

Figuur 10.Voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen 5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn ondermeer de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: haas, mol, ree, vos, egel en diverse algemene muizen. Deze soorten gebruiken het plangebied als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast zullen een aantal van deze soorten het plangebied gebruiken om doorheen te trekken. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het

28 Actualisatie quickscan flora en fauna Concept beschermingsregime andere soorten. In de provincie Overijssel is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling opgesteld. Andere grondgebonden soorten, waarvoor geen vrijstelling is opgesteld, maar die mogelijk in het plangebied of omgeving voor kunnen komen betreffen; boommarter, otter, steenmarter en waterspitsmuis. De boommarter, steenmarter en waterspitsmuis vallen onder het beschermingsregime overige soorten en de otter onder het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Boommarter Van boommarter zijn recente verkeersslachtoffers bekend van de N333 ter hoogte van Muggenbeet, van 2014 tot 2016. De meest recentste waarneming van boommarter van 2016 betreft op circa 800 meter hemelsbreed afstand (bron; NDFF). Het dichtste bij betreft een waarneming op 250 meter hemelsbreed afstand. Daarnaast is het bekend dat deze soort in de bosgebieden van de Wetering-Oost voorkomt. Het is mogelijk dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de boommarter. De soort wordt in Nederland in steeds meer gebieden aangetroffen. In hoeverre er sprake is van een duidelijke toename van de soort of dat dit een gevolg is van intensiever en specifiek veldonderzoek, is op dit moment nog onduidelijk. Verblijfplaatsen van boommarter bevinden zich vooral in boomholten.

Aanwezigheid van verblijfplaatsen in de te kappen bomen kan worden uitgesloten door de beperkte grootte van de aanwezige bomen (opschot). Als het plangebied al onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de boommarter, dat vele tientallen hectares omvat, zal het gaan om een enkel foeragerend dier. Het betreft hier dan ook echter geen essentieel onderdeel van het leefgebied. Otter In de afgelopen jaren zijn rond het plangebied een groot aantal waarnemingen gedaan van otters of sporen (spraints) hiervan. Veelal gaat het hier om de spraints (keutels) van otters en op een aantal locaties om individuen. In 2016 is op 100 meter afstand een otter waargenomen (bron; NDFF). Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages, maar ook in kunstmatige holten. De otters maken hierbij gebruik van boomstronken en wortelstelsels, oude holen van bijvoorbeeld muskusratten of konijnen, constructies van takken en modder gemaakt door bevers, nissen onder bruggen of betonpijpen. Deze plek kan per dag verschillen. De nesten waar de jongen worden geworpen, liggen vaak in overstromingsvrije oeverholtes in een rustig gebied en worden regelmatig door de moeder verplaatst. (bron; Zoogdiervereniging).

Dergelijke verblijfplaatsen zijn niet binnen het plangebied aanwezig, mede doordat er veel verstoring van mensen aanwezig is (recreatie). Het plangebied kan echter wel onderdeel uitmaken van het leefgebied van de otter, maar het betreft hier geen essentieel onderdeel. De otter heeft een groot leefgebied (1-40 km oeverlengte of enkele tot tientallen km² moerasgebied). Steenmarter In de directe omgeving van het plangebied zijn afgelopen jaar acht meldingen gemaakt van steenmarters. Net als bij boommarter ging het ook bij deze soort voornamelijk om verkeersslachtoffers. Het dichtstbij en meest recentste waarneming betrof op circa 250 meter hemelsbreed afstand uit 2016 (bron; NDFF). Ook voor steenmarter geldt dat deze Geertien, Muggenbeet 29 Concept soort het plangebied kan gebruiken als onder van hun leefgebied. Mede doordat deze soort een groot territorium (80-700 ha) heeft en er veel alternatief leefgebied in de omgeving voorhanden is betreft het hier geen essentieel onderdeel. Ook worden geen verblijfplaatsen verwacht in het plangebied. Dit kunnen bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes zijn. Maar ook spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. Gebouwen ontbreken in het gebied en hoewel er wel begroeiing aanwezig is biedt dit deze soort te weinig dekking en/of is er te veel verstoring aanwezig van mensen (recreatie).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/2597b3db-fe30-429e-b8ca-fbeca1e05009?agendaItemId=531ca6ce-7e64-43f4-bc64-9f3cd7bcda2a