CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Onderzoek natuurwetgeving.pdf

Politieke Markt 27 augustus 2019, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Blokzijl - Muggenbeet 312.853 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De bruine kiekendief is zeer gevoelig voor verstoring, vooral in de vestigingsfase. Tijdens eerdere inventarisaties (Eelerwoude 2012, BMP natuurmonumenten 2007 en 2013) zijn geen broedsels van deze soort tussen de N333 en de weg Muggenbeet vastgesteld. Wel is ten zuiden van Geertien, ten westen van het Giethoorns e meer al enkele jaren een broedsel bekend van Bruine Kiekendief in een grootschaliger en open landschap van riet- en graslanden. Het doel is behoud van omvang en kwaliteit van leefgebied om tenminste draagkracht te bieden voor 20 broedparen bruine kieke ndief in de Wieden. In de periode 2003 -2005 zijn 7-12 paar bruine kiekendief vastgesteld voor het gebied . In 2013 was het aantal broedparen 9. Daarmee zijn de doelen voor deze soort nog niet gehaald. Het realiseren van dit instandhoudingsdoel is onderdeel van de kernopgave Overjarig Riet , Compleetheid in ruimte en tijd en Plas-dras situaties. Dit is de afgelopen jaren ingezet. De soort heeft een sterke voorkeur voor grootschalige, uitgestrekte, rustige gebieden. Op basis van de kleinschalige landschapsschaal (ingeklemd tussen de N333 en Muggenbeet) en de aanwezigheid van hoog opgaande begroeiing (schietwilgen), moet gesteld worden dat het plangebied en de directe omgeving niet geschikt is als broedgebied voor de bruine kiekendief.

Mede gezien de gunstige alternatieven in de weide omgeving maken het ook niet aannemelijk dat de soort hier tot broeden komt. Het plangebied kan mogelijk wel dienst doen als foerageergebied. Van verslechterende of significant verstorende effecten op bruine kiekendief is met de invulling van de ontwikkeling geen sprake. Paapje De soort heeft een voorkeur voor kleinschalig cultuurlandschap en wordt aangetroffen in extensief gebruikte graslanden met ruige stroken en enig struweel. De soort broedt op de grond. In de peri ode 2003 -2005 zijn in de Wieden totaal 0-1 broedpaar vastgesteld. Tijdens de broedvogelmonitoring van 2007 en 2013 voor dit gebied zijn geen broedparen vastgesteld. Doelstelling voor de totale Wieden is > 5 broedparen. Op basis van de voorkomende habitats moet ook geconcludeerd worden dat het plangebied ongeschikt is voor de soort. De tussen de rietkragen gelegen grasstroken zijn te smal en de aangrenzende rietvegetatie in relatie tot de smalle stroken gras te hoog om als geschikt broedgebied voor de soort te fungeren. Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 33 Definitief Van verslechterende of significant verstorende effecten op paapje is geen sprake. Watersnip Watersnip is voor haar broedgelegenheid gebonden aan randen van rietvegetaties (verdroogde en verzuurde rietlanden) en ruige graslanden.

De Natura-2000 doelen voor deze soort (>120) broedparen is in de periode 2003 -2005 reeds gehaald (210 broedparen). Ondanks dat suboptimaal broedbiotoop op de overgang van rietkraag naar grasbanen aanwezig is, is ten tijde van de broedvogelmonitoringen in d it gebied in 2007 en 2013 de soort niet vastgesteld. Dit is ook niet aannemelijk gezien de hoogopgaande begroeiiing met schietwilgen en struweel. Van verslechterende of significant verstorende effecten op watersnip is geen sprake. Kwartelkoning Kwartelkoning komt voor in soortenrijke, licht verruigde, extensief beheerde (tot 15 aug niet gemaaide) graslanden zoals in de randgebieden en de omliggende polders van De Wieden. Het territorium is groot (enkele hectaren). Doelstelling voor deze soort zijn >20 broedparen. In de periode 2003-2007 zijn slechts 0-8 broedparen vastgesteld. Gezien het ontbreken van geschikt broed biotoop in het plangebied en de directe omgeving worden met de voorgenomen ingreep geen verslechterende of significant verstorende effecten op kwartelkoning verwacht. 6.6 Effecten niet-broedvogels Een groot deel van de aangewezen niet-broedvogels zijn gebonden aan grotere, open wateren (fuut, aalscholver, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, smient, krakeend, tafeleend, kuifeend, nonnetje en grote zaagbek).

Op deze grote open wateren foerageert een deel van deze dieren zoals de grote zaagbek, fuut en eendensoorten (foerageren respectievelijk op vis en plantaardig materiaal maar ook wel mosselen). De gras-etend soorten zoals ganzen en smienten gebruiken de wateren juist om op te overnachten (veilige slaapplaats). Vooral smienten foerageren vaak in grote groepen op de oevers dicht bij water. Ganzen foerageren ook op grotere afstand van waterelementen. Visarend is een soort die gebonden is aan grote open wateren om te kunnen foerageren. Binnen h et plangebied zelf komt geen geschikt biotoop voor dat als leefgebied of foerageergebied voor een van de hierboven genoemde soorten kan dienen. Het terrein is daarvoor te besloten (geen zicht op vijanden), bevat geen open water en is sterk verruigd door riet en struweel. Van een directe afname van leefgebied is met de nieuwe invulling dan ook geen sprake. Als we kijken naar de ruimtelijke ligging van het plangebied, is te zien dat op enkele honderden meters waterelementen (watergangen en waterplassen) van enige omvang aanwezig zijn. Hierbij vallen vooral De wetering en het Giethoornse meer op. Beide waterelementen kunnen door een deel van de aangewezen broedvogelsoorten worden gebruikt als foerageergebied en rustgebied.

34 Toetsing Natuurwetgeving Definitief In de autonome situatie is reeds s prake van een bepaalde mate van verstoring door verkeersbewegingen over Muggenbeet (tientallen verkeersbewegingen per dag) . Of je hier moet spreken over verstoring is echter twijfelachtig. Er is namelijk ook sprake van gewenning aan gemotoriseerd verkeer en beweging van mensen op afstand. Daarnaast moet gesteld worden dat de weg Muggenbeet volledig is afgeschermd van “De Wet ering” door de aanwezigheid van een dichte houtsingel met goede ondergroei. De toename van het wegverkeer met 4 verkeersbewegingen per dag heeft dan ook geen verslechterende of significant negatieve effecten op de aanwezige niet-broedvogels in het gebied. 6.7 Cumulatie Gelet op de bepalingen in artikel 19f van de wet dient beoordeeld te worden of een plan of project afzonderlijk en in samenhang of in combinatie met andere plannen of projecten cumulatieve effecten heeft. Onder cumulatieve effecten wordt vers taan de effecten van het voorgestelde eigen project op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in combinatie met de effecten van andere activiteiten en plannen.

Op grond van jurisprudentie hoeven alleen effecten betrokken te worden va n projecten waarvoor vergunning op grond van de wet is verleend en die nog niet in bedrijf zijn gesteld en van projecten waarvoor verlening van een dergelijke vergunning op korte termijn te verwachten is. Onzekere, toekomstige gebeurtenissen kunnen bij de beoordeling van cumulatieve effecten buiten beschouwing blijven. Er is sprake van een beperkt verlies van leefgebied voor de Rietzanger door een beperkte afname van het areaal riet. Opgemerkt dient te worden dat het hier om suboptimaal leefgebied en het feit dat het zeer goed gaat met de soort in de Wieden. De doelstellingen uit het concept beheerplan t.a.v. deze soort zijn inmiddels ruimschoots gehaald. Binnen de plannen wordt ook weer een beperkt areaal rietvegetatie her- ontwikkeld. Deze rietvegetatie kan onderdeel uit maken van het leefgebied van de rietzanger en andere aan riet gebonden soorten , maar naar verwachting niet als broedbiotoop gezien de randinvloeden van de parkeerplaats . Uiteindelijk is er sprake van een afname van suboptimaal rietbiotoop van: 398 m 2 (exclusief verstoringszone). Met de realisatie van de natuurverbindingen De Weerribben - De Wieden, waarvoor een vergunning is afgegeven op 9 -11-2012 (Z -HZ_NB-2012-006149) gaa t ongeveer 900m2 geschikt biotoop verloren.

Deze cumulatief beperkte afname is gezien de reeds uitgevoerde realisatieprojecten in de periode 2010 -2013 minimaal te noemen. De broedvogelmonitoringen laten m.b.t. de rietvogels een overwegend positief patroon zien t.a.v. de aantalsontwikkelingen , mede dankzij de realisatieprojecten . Ook d oor cumulatieve effecten zijn de voorgenomen werkzaamheden niet alsnog aan te perken als verslechterend of significant verstorend. Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 35 Definitief 7 7 CONCLUSIES EN ADVIES 7.1 Conclusies 7.1.1 Flora- en faunawet Op basis van het onderzoek wordt geconstateerd dat in het onderzoeksgebied potentieel geschikt habitat aanwezig is voor een aantal algemene beschermde soorten en zwaarder beschermde soorten. Tabel 1-soorten De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van enkele soorten van tabel 1 van de Flora - en faunawet. Dit heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling. Een ontheffing Flora- en faunawet is daarom niet noodzakelijk voor tabel 1-soorten. Tabel 2 en 3-soorten In het plangebied zij n geen verblijfplaatsen aangetroffen of te verwachten van zwaarder beschermde soorten.

Mogelijk dat het plangebied wel onderdeel uitmaakt van het leefgebied (foerageergebied) van tabel 2 en 3 -soorten als steenmarter en vleermuizen. Met de voorgenomen werkz aamheden blijft leefgebied grotendeels behouden en worden negatieve effecten op individuen en populaties niet verwacht. Broedvogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Flora - en faunawet een verbod o p handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust - of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoe n uitgevoerd mogen worden , tenzij nader onderzoek heeft uitgewezen dat broedende vogels ontbreken. Werken buiten de kwetsbare periode van vissen, amfibieën en reptielen Het plangebied kan potentieel (suboptimaal) leefgebied zijn voor beschermde vissen, amfibieën en reptielen. Door de werkzaamheden (verwijderen riet, plaatsen fundering vergaderruimte) uit te voeren in de periode augustus tot en met oktober, kunnen negatieve effecten op deze soortgroepen volledig worden uitgesloten. 36 Toetsing Natuurwetgeving Definitief 7.1.2 Natuurbeschermingswet Habitattypen M.b.t.

de habitattypen moet geconcludeerd worden dat deze niet binnen de invloedsfeer liggen van de werkzaamheden en dat de werkzaamheden ook geen invloed hebben op de kwaliteit van de omliggende habitattypen. Wel gaat een beperkt oppervlak rietvegetatie verloren, welke vergelijkbaar habitat vormt als het habitattype Ruigte en zomen en welke een suboptimale functie kan vervullen als broedhabitat voor de rietzanger. Er zijn echter geen significant negatieve effecten op habitattypen te verwachten. Habitatsoorten De aangewezen habitatsoorten zijn voor een groot deel gebonden aan waterelementen of zeer natte terreincondities. Deze elementen/biotopen zijn niet binnen het plangebied aanwezig of voldoen qua habitat niet aan de habitateisen die de soo rten stellen. Van verslechterende of significant verstorende effecten is dan ook geen sprake. Broedvogels Voor de meeste broedvogels geldt da t het plangebied geen optimaal broedgebied/leefgebied is door het ontbreken van waterelementen langs de te verwijderen rietruigtes. Wel moet geconstateerd worden dat bijv. rietzanger in de nabijheid broedt in soortgelijk habitat. Doelstelligen t.a.v. het aantal broedparen voor de Wieden komen echter niet in gevaar, aangezien in de jaren 2010-2013 vele hectaren riet- habitat is ontwikkeld in het gebied. Hierdoor zijn de aantal -ontwikkelingen van vele soorten met sprongen vooruit gegaan.

Door afname van een beperkte oppervlakte suboptimaal leef/foerageergebied is geen sprake van een verslechterend of significant verstorend effect. Niet-broedvogels Omdat geschikt foerageergebied en (rust)slaapgebied niet binnen het plangebied voorkomt en de op afstand liggende wateren geen hinde r ondervinden van een beperkte toename van verkeer , zijn verslechterende of significant verstorende effecten niet aannemelijk te maken. Cumulatie Er is geen sprake van cumulatieve effecten waardoor geconcludeerd moet worden dat er alsnog sprake is van sig nificant negatieve effecten op beschermde natuurwaarden van het Natura-2000 gebied De Wieden. 7.2 Advies Op basis van deze toetsing wordt geadviseerd om voor de voorgenomen ontwikkeling voor te leggen aan het bevoegd gezag (Provincie Overijssel). Gezien het feit dat e.e.a. ontwikkeld wordt in Natura-2000 gebied De Wieden zal een vergunning noodzakelijk zijn. LITERATUURLIJST Dobben, H.F. van, R. Bobbink, D. Bal, A. van Hinsberg, 2012, Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000, Alterrarapport 2397, Wageningen Eelerwoude, 2012a, Ontwikkelingsplan Geertien, Muggenbeet 3 Blokzijl, Gemeente Steenwijkerland, Eelerwoude/Team 2, Goor. Eelerwoude, 2012b, Flora- en faunaonderzoek en Projectplan Natuurverbinding Wieden- Weerribben, Eelerwoude, Goor.

Eelerwoude 2012c, Toetsing Natuurbeschermingswet 1998 Natuurverbinding Wieden- Weerribben Rapport P5835, Eelerwoude, Goor Miedema en van der Heijden, 2009, Onderzoek natuurwaarden Bestemmingsplan Buitengebied Gemeente Steenwijkerland, A&W-rapport 1316, Altenburg & Wymenga, Veenwouden Ravon, 2010, Kennisdocument Vissen & amfibieën Natura 2000 Overijssel, Ravon, Nijmegen Werkgroep toekomstvisie Wetering e.o, 2008, Toekomstvisie Wetering en omstreken 2008-2012, Plaatselijk Nut Wetering e.o., Muggenbeet BIJLAGE 1: INRICHTINGSSCHETS

BIJLAGE 2: FLORA- EN FAUNAWET Inleiding Per 1 april 2002 is de Flora - en faunawet in werking getreden. In deze wet, gepubliceerd op 14 juli 1998 in het Staatsblad 402, is de soortbescherming geregeld van in Nederland inheemse in het wild voorkomende dier - en plantensoorten. De wet sluit aan op d e Europese natuurregelgeving (Natura 2000). De wet is in plaats gekomen voor de Jachtwet, de Vogelwet 1936, de soortenparagraaf uit de Natuurbeschermingswet, de Wet bedreigde uitheemse dier - en plantensoorten en de soortbeschermingscomponent uit de Europes e Habitatrichtlijn en de Europese Vogelrichtlijn. Deze Europese soortenbescherming heeft met de Flora - en faunawet dus een Nederlandse vertaling gekregen. Zorgplicht De Flora- en faunawet gaat over de bescherming van ongeveer 500 planten - en diersoorten, van de 36.000 soorten die in Nederland voorkomen. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij -principe’). Centraal staat hierbij de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoen de zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier - en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit.

Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden. Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat d oor zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier - of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mo gelijk te beperken of ongedaan te maken. Beschermde soorten Via de Flora- en faunawet worden de volgende planten- en diersoorten beschermd: ruim 100 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen; alle soorten vogels die van nature op het grondgebied van de lidstaten van de EU in het wild voorkomen; alle zoogdieren die van nature in Nederland in het wild voorkomen, met uitzondering van bruine rat, zwarte rat en huismuis; alle amfibieën en reptielen die van nature in Nederland in het wild voorkomen; vissen, en schaal- en schelpdieren voorzover ze niet onder de Visserijwet vallen; bepaalde soorten insecten (bijvoorbeeld vlinders, libellen en mieren); Als beschermde inheemse soort kunnen door middel van algemene maatregel van bes tuur worden aangewezen.

Het gaat om soorten die van nature in Nederland voorkomen en: die in hun voortbestaan bedreigd of gevaar lopen in hun voortbestaan bedreigd worden; mogelijk in hun voortbestaan bedreigd worden door overmatige benutting en die uit Ne derland zijn verdwenen, maar waarvan de kans op terugkeer reëel is. Verbodsbepalingen Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat pr ecies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn een aantal voor planten en dieren schadelijke handelingen als verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet opgenomen. De belangrijkste artikelen zijn: Artikel 8: het is verboden beschermde planten te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei wijze van hun groeiplaats te verwijderen. Artikel 9: het is verboden beschermde diere n te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Artikel 10: het is verboden beschermde dieren opzettelijk te verontrusten. Artikel 11: het is verboden nesten, holen of andere voortplantings - of vaste rust - of verblijfplaatsen van beschermde dieren te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Artikel 12: het is verboden eieren van beschermde dieren te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen. Ontheffing Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten, is een ontheffing of vrijstelling nodig op de in de wet gestelde verbodsbepalingen (artikel 8 tot en met 18). In artikel 75 van de Flora- en faunawet wordt de mogelijkheid geboden om ontheffing aan te vragen op de verbodsbepalingen. De bevoegdheid om een ontheffing te verlenen in het kader van artikel 75 van de Flora- en faunawet ligt bij de Staatssecretaris van Economische Zaken. Een aanvraag tot ontheffing kan worden ingediend bij Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken. Bij de ontheffingverlening gelden, afhankelijk van de status van de soort, verschillende voorwaarden waaraan voldoen moet worden. Onderscheid wordt gemaakt in een lichte toets en een uitgebreide toets. De lichte toets geldt voor algemene soorten en overige soorten (categorie 1 en 2; zie vrijstelling). De lichte toets houdt in dat de werkzaamheden het voortbestaan van de soort niet in gevaar mogen brengen (doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding). De uitgebreide toets geldt voor soorten die in bijlage IV van de Habitatrichtlijn zijn opgenomen, voor soorten van bijlage 1 AMvB artikel 75 en voor beschermde vogelsoorten (categorie 3; zie vrijstelling).

De uitgebreide toets houdt in dat: de werkzaamheden het voortbestaan van de soort niet in gevaar mogen brengen (doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding) en er geen alternatief is voor de activiteiten en er sprake is van groot maatschappelijk belang (zoals volksg ezondheid, openbare veiligheid et cetera) en de werkzaamheden zodanig worden uitgevoerd dat er sprake is van zorgvuldig handelen. Vrijstelling In het ‘ Besluit houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met wijziging van artikel 75 van de Flora - en faunawet en enkele andere wijzigingen ’, ook wel AMvB artikel 75 genoemd, zijn (onder andere) een aantal wijzigingen rondom ontheffingen en vrijstellingen beschreven. In het kort houdt de wijziging in dat niet altijd meer een ont heffing noodzakelijk is. De vrijstellingsregeling bevat vrijstellingen voor activiteiten die vallen onder: bestendig beheer en onderhoud (ook in landbouw en bosbouw), bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Welke voorwaarden verbon den zijn aan de vrijstelling hangt af van de dier - of plantensoorten die voorkomen. Hierbij is onderscheid gemaakt in drie categorieën, waarin soorten zijn ingedeeld op basis van zeldzaamheid en kwetsbaarheid. Tabel 1 – Algemene soorten Voor deze soorten geldt de lichtste vorm van bescherming.

Als de werkzaamheden of activiteiten vallen onder de hierboven beschreven activiteiten, dan geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van Artikel 8 tot en met 12 van de Flora - en faunawet. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. De aanvraag wordt beoordeeld volgens de lichte toets. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Tabel 2 – Overige soorten Deze soorten genieten een zwaardere bescherming. Er geldt alleen een vrijstelling als sprake is van werkzaamheden of activiteiten zoals hierboven beschreven én indien gehandeld wordt volgens een, door de Staatssecretaris van EL&I, goedgekeurde gedragscode. Indien niet gewerkt wordt volgens een gedragscode, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. De aanvraag wordt beoordeeld volgens de lichte toets. Tabel 3 – Soorten, genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en in bijlage 1 AMvB artikel 75 Deze soorten genieten de zwaarste bescherming. Ook al is sprake van werkzaamheden zoals hierboven beschreven, dan hangt het van de precieze aard van de werkzaamheden af of een vrijstelling met gedragscode geldt, of een ontheffing noodzakelijk is. Voor ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt altijd dat voor deze soorten een ontheffing moet worden aangevraagd. De aanvraag wordt beoordeeld volgens de uitgebreide toets. Vogels Vogelsoorten zijn niet opgenomen in de hierboven genoemde categorieën.

Voor verstoring van vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belan g uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn: bescherming van flora en fauna, veiligheid van het luchtverkeer, volksgezondheid of openbare veiligheid. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord . Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Flora- en faunawet het gehele seizoen: 1. Nesten die binnen en buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust - en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden e n zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. 3. Nesten van vogels die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd in de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgev ing daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Mitigatie Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door vooraf gaand aan het project mitigerende (= verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Het gaat dan om het behoud van de functionaliteit van de voortplantings - en/of vaste rust - en verblijfplaats van de soort. BIJLAGE 3: ESSENTIETABEL Essentietabel Natura 2000-gebied 035. De Wieden Kernopgaven Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid (Meren en moerassen) Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor grasetende watervogels en meervleermuizen (de belangrijkste kraamkamerfunctie en slaapfunctie van de meervleermuis ligt vooral in gebouwen buiten de Natura 2000 gebieden).

Voor afgesloten zeearmen en randmeren behoud van de specifieke betekenis van de verschillende onderdelen voor habitattypen en vogels. Herstel van mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen (inclusief brak) met name in het deellandschappen Laagveen. 4.08 Evenwichtig systeem Nastreven van een meer evenwichtig systeem (waterkwaliteit, waterkwantiteit en hydromorfologie): waterplantengemeenschap (voor kwanswierwateren H3140 en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150), zwarte stern A197, platte schijfhoren H101X en vissen zoals o.a. bittervoorn H1134, grote modderkruiper H1145, kleine modderkruiper H1149 en insecten, zoals gevlekte witsnuitlibel H1042 en gestreepte waterroofkever H1082. 4.09 Compleetheid in ruimte en tijd Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: overgangs- en trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) H7140_A en H7140_B met onder meer grote vuurvlinder H1060, groenknolorchis H1903 en vochtige heiden (laagveengebied) H4010_B, blauwgraslanden H6410, galigaanmoerassen *H7210 en hoogveenbossen H91D0, in samenstelling met gemeenschappen van open water. 4.11 Plas-dras situaties Plas-dras situaties voor smienten A050 en broedvogels zoals porseleinhoen A119 en kemphaan A151, kwartelkoning A122 en noordse woelmuis *H1340.

4.12 Overjarig riet Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging door rietmoerasvogels, zoals roerdomp A021, purperreiger A029, snor A292, grote karekiet A298 en voor de noordse woelmuis *H1340. 4.15 Vochtige graslanden Herstel inundatie, behoud en nieuwvorming blauwgraslanden H6410, glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) H6510_B, met name kievitsbloemhooilanden, mede als leefgebied van de kemphaan A151 en watersnip A153. 4.16 Rui- en rustplaatsen Voldoende ruiplaatsen en rustgebieden voor watervogels zoals fuut A005, ganzen, slobeend A056 en kuifeend A061. Instandhoudingsdoelstellingen SVI Landelijk Doelst. Opp.vl. Doelst. Kwal. Doelst. Pop.

Draagkracht aantal vogels Draagkracht aantal paren Kernopgaven Habitattypen H3140 Kranswierwateren -- > > 4.08,%,W H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden - > > 4.08,%,W H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) - > = 4.09,%,W H6410 Blauwgraslanden -- = > 4.09,%,W 4.15,W H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) + = = H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) -- > = 4.09,%,W H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) - = = 4.09,%,W H7210 *Galigaanmoerassen - > > 4.09,%,W H91D0 *Hoogveenbossen - = > 4.09,%,W Habitatsoorten H1042 Gevlekte witsnuitlibel -- > > > 4.08,%,W H1060 Grote vuurvlinder -- > > > 4.09,%,W H1082 Gestreepte waterroofkever -- > > > 4.08,%,W H1134 Bittervoorn - = = = 4.08,%,W H1145 Grote modderkruiper - = = = 4.08,%,W H1149 Kleine modderkruiper + = = = 4.08,%,W H1163 Rivierdonderpad - = = = 4.08,%,W H1318 Meervleermuis - = = = H1393 Geel schorpioenmos -- > > > H1903 Groenknolorchis -- = = = 4.09,%,W H4056 Platte schijfhoren - = = = 4.08,%,W Broedvogels A017 Aalscholver + = = 1000 A021 Roerdomp -- = = 30 4.12,W A029 Purperreiger -- = = 50 4.12,W A081 Bruine Kiekendief + = = 20 A119 Porseleinhoen -- = = 20 4.11,W A122 Kwartelkoning - > > 20 4.11,W A153 Watersnip -- = = 120 4.15,W A197 Zwarte Stern -- = = 200 4.08,%,W A275 Paapje -- > > 5 A292 Snor -- > > 100 4.12,W A295 Rietzanger - = = 3000 A298 Grote karekiet -- > > 20 4.12,W Niet-broedvogels A005

Fuut - = = 110 4.16 A017 Aalscholver + = = A037 Kleine Zwaan - = = 8 A041 Kolgans + = (<) = 3800 4.16 A043 Grauwe Gans + = (<) = 1100 4.16 A050 Smient + = = 500 4.11,W A051 Krakeend + = = 150 A059 Tafeleend -- = = 210 A061 Kuifeend - = = 430 4.16 A068 Nonnetje - = = 30 A070 Grote Zaagbek -- = = 20 A094 Visarend + = = 2 deze tabel is gebaseerd op het ontwerp-aanwijzingsbesluit Legenda Gebruik deze essentietabel in combinatie met de leeswijzer W Kernopgave met wateropgave % Sense of urgency: beheeropgave % Sense of urgency opgave m.b.t. watercondities SVI landelijk Landelijke Staat van Instandhouding (-- zeer ongunstig; - matig ongunstig, + gunstig) = Behoudsdoelstelling > Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling =(<) Ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering BIJLAGE 4: HABITATTYPENKAART = H6430A Ruigten en zomen (moerasspirea) = H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Rode cirkel ontwikkellocatie

BIJLAGE 5: AFNAME RIETVEGETATIE

BIJLAGE 6: EMISSIES VERKEER T.b.v. de nieuwe vergaderruimte zijn 1450 extra verkeersbewegingen per jaar te verwachten. Dit zijn 4 verkeersbewegingen per dag. In de onderstaande berekening wordt weergegeven wat de extra emissies zijn. Kritische depositiewaarden De aangewezen h abitattypen hebben allen een verschillend e kritische Depositiewaarde (KDW). Deze worden hieronder in de tabel weergegeven (bron: van Dobben et al, 2012) Tabel: Kritische Depositiewaarden stikstof per habitattype , waarbij is aangegeven(oranje) of er in de huidige situatie reeds sprake is een overschreiding (a.d.h.v. GDN-kaarten) of nog niet (groen) Habitatcode Habitatnaam KDW in mol/ha/jr H3140 Kranswierwateren 2143 H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden 2143 H4010B Vochtige heide 786 H6410 Blauw grasland 1071 H6430A Ruigte en zomen >2400 H7140A Trilvenen 1214 H7140B Veenmosrietland 714 H7210 Galigaanmoeras 1571 H91D0 Hoogveenbos 1786 De meest recente gegevens m.b.t. de achtergronddeposities laten voor gridcel met de coördinaten 195/528 (Geertien) een waarde zien van 1490 mol/ha/jr (GDN -kaarten gegevens 2012). Voor een deel is in de autonomen/huidige situatie reeds sprake van een overschreiding van de kritische depositiewaarden. Voorts moet bij de 1490 mol/ha/jr nog 50 mol/ha/jr worden opgeteld voo r het ammoniakgat.

Totaal is dus in de huidige situatie sprak van een depositie van 1540 mol/ha/jr. Ook met eventuele bijtelling van de 4 verkeersbewegingen per etmaal is geen toename te verwachten die meer habitattypen in het oranje trekken. Emissie wegverkeer Bij de berekening van Emissies voor het wegverkeer is gebruik gemaakt van de emissiefactoren voor normaal stadsverkeer welke door de rijksoverheid ter beschikking zijn gesteld. De gegevens zijn alleen berekend over de weg Muggenbeet. Deze is vanaf de afrit N333 ongeveer 355meter lang. De emissie-toename voor het wegverkeer zijn als volgt berekend. Straat Aantal meters N verkeers bewegingen per etmaal NOx (g/etmaal NH3 (g/etmaal) Muggenbeet 355 4 0.5 0.046 Op basis van de bovenstaande berekeningen moet geconcludeerd worden dat de extra aantrekkende werking van verkeer door de realisatie van de vergaderruimte zeer beperkt is. De feitelijk extra uitstoot is verwaarloosbaar t.o.v. de achtergronddepositie, die n u al aan de hoge kant is voor sommige habitattypen. De depositie variatie in het gebied (afhankelijk van wind en weer) is vele malen groter dan de minimale, niet meetbare depositie van de extra verkeersbewegingen. Daarnaast dient tevens te worden meegenome n dat ten aanzien van de NOx -waarden het wegverkeer in de toekomst ‘schoner’ zal worden (Emissies voor niet snelwegen, 2013).

Met het voornemen is geen sprake van een significant negatief effect op de aanwezige habitattypen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/436a2fee-0d28-4ed0-9377-cad6be6e27c1?agendaItemId=531ca6ce-7e64-43f4-bc64-9f3cd7bcda2a