Bijlage 3 Onderzoek natuurwetgeving.pdf
Tekst van het document
Toetsing Natuurwetgeving Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet Opdrachtgever De heer W.A. de Rooij Muggenbeet 3 8356 VK BLOKZIJL Opdrachtnemer Eelerwoude Postbus 53 7470 AB Goor E info@eelerwoude.nl I www.eelerwoude.nl Projectgegevens: Projectnummer: 2691 Datum: 2-9-2013 Projectleider: S. Schorn Opgesteld: R.J. Koops Gecontroleerd: G.Lubbers © Eelerwoude 2013, niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder schriftelijke toestemming van Eelerwoude bv. De opmaak van dit rapport gaat uit van dubbelzijdig afdrukken Toetsing Natuurwetgeving Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet Definitief INHOUD 1 INLEIDING ........................................................................................................... 6 1.1 Ambities ............................................................................................................... 6 1.2 Project .................................................................................................................. 7 1.3 Toetsingskader .................................................................................................... 7 2 HUIDIGE SITUATIE EN PLANVORMING .......................................................... 8 2.1 Gebiedsbeschrijving.............................................................................................
8 2.2 Ruimtelijke ontwikkeling ..................................................................................... 10 3 NATUURWETGEVING EN BELEID ................................................................. 14 3.1 Flora- en faunawet ............................................................................................. 14 3.2 Natuurbeschermingswet 1998 ........................................................................... 15 3.3 EHS-toetsing ...................................................................................................... 15 4 METHODE ......................................................................................................... 16 4.1 Bureauonderzoek............................................................................................... 16 4.2 Terreinbezoek .................................................................................................... 16 5 FLORA- EN FAUNAONDERZOEK ................................................................... 17 5.1 Flora ................................................................................................................... 17 5.2 Landgebonden zoogdieren ................................................................................ 17 5.3 Vleermuizen .......................................................................................................
18 5.4 Vogels ................................................................................................................ 19 5.5 Amfibieën ........................................................................................................... 20 5.6 Reptielen ............................................................................................................ 21 5.7 Vissen ................................................................................................................ 22 5.8 Overige ongewervelden ..................................................................................... 22 6 NATUURBESCHERMINGSWET 1998 ............................................................. 25 6.1 Inleiding .............................................................................................................. 25 6.2 Beschermde natuurwaarden .............................................................................. 25 6.3 Effecten habitattypen ......................................................................................... 26 6.4 Effecten habitatsoorten ...................................................................................... 27 6.5 Effecten broedvogels .........................................................................................
29 6.6 Effecten niet-broedvogels .................................................................................. 33 6.7 Cumulatie ........................................................................................................... 34 7 CONCLUSIES EN ADVIES ............................................................................... 35 4 Toetsing Natuurwetgeving Definitief 7.1 Conclusies ......................................................................................................... 35 7.2 Advies ................................................................................................................ 36 LITERATUURLIJST .......................................................................................................... 37 BIJLAGE 1: INRICHTINGSSCHETS BIJLAGE 2: FLORA- EN FAUNAWET BIJLAGE 3: ESSENTIETABEL BIJLAGE 4: HABITATTYPENKAART Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 5 Definitief 6 Toetsing Natuurwetgeving Definitief 1 1 INLEIDING Het horecabedrijf Geertien is een goed draaiend, ambitieus bedrijf met een toekomstvisie. Het hotel, het café en het restaurant worden gerund door drie gezinnen en trekken hoge bezoekersaantallen, voornamelijk in het vaarseizoen. De bezoekers maken gebruik van de parkeerplaats die deels niet is bestemd als parkeerplaats en eveneens niet landschappelijk is ingepast.
In de toekomstvisie van de initiatiefnemers past een (branche)verbreding van het huidige bedrijf. 1.1 Ambities Voor een duurzame, gezonde en toekomstgerichte bedrijfsvoering is een bedrijfsuitbreiding van Geertien noodzakelijk. Er is gekozen voor een branche -verbreding met vergaderruimte in een nieuw bebouwingsvolume. Het idee hierachter is jaarrond bezoekers te trekken, zodat de inkomstenstroom beter wordt verdeeld en de arbeidskrachten een solide contract aangeboden krijgen. Men is nu namelijk nog te sterk aangewezen op seizoensarbeid. Geertien bevindt zich aan een (waterweg)slagader in Noordwest-Overijssel. Meer vergaderruimte zal het seizoen verlengen en daarmee de arbeidsfilm gunstiger maken. In het nieuwe bebouwingvolume wordt vergaderruimte gecombineerd met opslag. Ook de parkeergelegenheid bij Geertien verdient een kwaliteitsimpuls, omdat het nu een sobere uitstraling en geen duidelijke indeling heeft. De parkeerplaats blijft deels in z’n huidige vorm in gebruik. De parkeerplaats wordt geschikt en groot genoeg voor bezoekers van Geertien en tevens voor recreanten die gebruiken maken van de parkeerplaats als recreatief opstappunt. De nieuwe ontwikkeling op de locatie Gee rtien draagt op een positieve manier bij aan de doelstelling van provincie en gemeente om de recreatieve sector in Steenwijkerland te stimuleren.
Daarnaast sluit de ontwikkeling aan bij het huidige unieke en bijzondere karakter van Geertien. Dit betekent kleinschalig, ingetogen en onderscheidend ondernemerschap. Dit geldt voor zowel de nieuwe vergader - en opslagruimte als ook voor de parkeerplaats . Met de ontwikkeling wordt een meerwaarde gecreëerd voor de gemeente Steenwijkerland in recreatief en economisch opzicht. Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 7 Definitief 1.2 Project De families Gorte en De Rooij hebben, in overleg met betrokken partijen, hun plannen vorm gegeven. Eelerwoude is betrokken met expertise over proces en landschappelijke inpassing. Team 2 is betrokken als architect van de bebouwing. De vergaderruimte wordt in een passend gebouw op de locatie van de huidige parkeerplaats gesitueerd. Het gebouw wordt deels in gebruik genomen als hoogwaardige vergaderruimte(s) (voor 40 -50 personen) en deels voor opslag van o.a. terrasmeubilair, boten en huurfietsen. Ter compensatie van deze t oevoeging van rood wordt (in het kader van de ‘Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving’) de parkeerplaats landschappelijk ingericht en aangesloten bij de omgeving. In 2011 zijn de plannen in een intensief proces tot stand gekomen. Hiervoor is de samenwerking g ezocht met provincie, gemeente en het Oversticht.
In een schetsbijeenkomst is gekeken hoe de gewenste ontwikkeling ingepast kan worden rekening houdend met de landschappelijke en ecologische waarden. Verderop in het proces zijn deze partijen betrokken geblev en, waardoor er, onder de genoemde partijen, draagvlak is voor de plannen. Naast de ontwikkeling en op de locatie Muggenbeet 3 te Blokzijl, werkt de initiatiefnemer mee aan de ontwikkeling van de faunapassage Muggenbeet. Hiertoe heeft zij een deel van haar gronden beschikbaar gesteld voor verkoop aan Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland , waardoor de ontwikkeling van de faunapassage geoptimaliseerd kon worden. 1.3 Toetsingskader Binnen deze rapportage worden de voorgenomen plannen getoetst aan de Flora - en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het natuurbeleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische hoofdstructuur (EHS). 8 Toetsing Natuurwetgeving Definitief 2 2 HUIDIGE SITUATIE EN PLANVORMING 2.1 Gebiedsbeschrijving Geertien ligt langs De Wetering, een ongeveer 30 meter br ede watergang die vanuit de Wetering-West richting het plassengebied van de Wieden stroomt. Net ten noorden van de planlocatie bevinden zich rietvelden en kleine graslanden die een agrarische - en natuurbestemming hebben.
De rietvelden en graslanden zijn de els in eigendom van Natuurmonumenten en worden extensief beheerd Ten noorden hiervan ligt de N333, de provinciale weg van Steenwijk naar Blokzijl. Vanaf de afrit ter hoogte van de Weteringbrug kan men over de Muggenbeet bij Geertien komen. Aan de wetering zijde van de ze weg wordt de Wetering door een doorlopende houtsingel afgeschermd. Ten noorden en westen van de parkeerplaa ts van Geertien liggen grillige, open bosstructuren hoofdzakelijk bestaande uit opslag van schietwil en zwarte els. Situering ten opzichte van de omgeving (bron:maps.google.nl)
Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 9 Definitief Onderstaande foto’s geven een indruk van de situatie ter plekke. Huidige parkeerplaats Huidige parkeerplaats Huidige parkeerplaats Rietland ten noorden van de parkeerplaats Rietland ten noorden van de parkeerplaats Zicht vanaf de N333 naar de planlocatie
10 Toetsing Natuurwetgeving Definitief 2.2 Ruimtelijke ontwikkeling De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is gevisualiseerd in onderstaande figuur en bestaat uit twee onderdelen te weten de bouw van een vergaderruimte/opslag (zie ook de beschrijving in paragraaf 1.2) en het uitbreiden en inpassen van de huidige parkeerplaats. Er wordt op het parkeerterrein ruimte gecreëerd voor 150 auto’s, 2 touringcars en 3 invalidenplaatsen. Dit aantal is gebaseerd op de vergunning van het restaurant en het café (220 mensen), het hotel (32 mensen) en de nieuwe vergaderruimte (40 -50 mensen /22 parkeerplaatsen ). Daarnaast biedt de parkeerplaats mogelijkheden als recreatief opstappunt (10-15 mensen), maar kan de locatie ook goed per fiets bezocht worden. Ten slotte heeft Geertien nog een terrasvergunning van 130 stoelen. Er is getoetst op de parkeerkencijfers uit de CROW-publicatie 317 "kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". De gemeente heeft hiervoor een akkoord gegeven. De parkeerplaats zal alleen op piekdagen geheel in gebruik zijn. Het terrein dat niet eerder in gebruik is geweest als parkeervoorziening zal uit een halfverharding bestaan. Het gedeelte dat in de huidige situatie in gebruik is als parkeervoorziening wordt opnieuw ingericht en voorzien van rietvegetatie.
Ruimtelijke ontwikkeling Geertien Rode arcering > bouw vergaderruimte Blauw > huidige parkeerplaats Rode lijn > parkeerplaatsuitbreiding ten koste van bosschage en riet Groene arcering > omvorming parkeerplaats naar (rietkragen met bosschages)
Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 11 Definitief 2.2.1 Aanleg fase parkeerplaats Ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling zijn de volgende (voor natuurwaarden relevante) handelingen noodzakelijk, waarbij wordt opgemerkt dat de plannen nog niet tot in detail zijn uitgewerkt. Verwijderen bosschages + rietvegetatie Ten noorden en ten westen van de huidige parkeerplaats staan verspreid enkele groot uitgegroeide schietwilgen en is opslag van grauwe wilg aanwezig. Ten behoeve van de realisatie van de parkeerplaats wordt alleen begr oeiing verwijderd die een overlap vormt met de uitbreidingsplannen. De werkzaamheden worden in het voor vogels gunstige seizoen uitgevoerd. Dit betekent dat kap en snoeiwerkzaamheden plaatsvinden in de periode 1 september tot uiterlijk 15 maart. Met de re alisatie van de parkeerplaats wordt 965 m 2 rietvegetatie onttrokken uit het Natura 2000-gebied. Hier kan alleen na verwijdering van de parkeerplaats weer rietland ontstaan (bijlage 5). Uitgraven cunet t.b.v. de aanleg van halfverharding De ondergrond te r plaatse van de parkeerplaatsuitbreiding is veni g. De bovenste 40 cm is humeus zand (Bron: Dinoleket) en daarmee niet draagkrachtig. Aanbrengen van dikke pakketten stabilisatie lagen onder de parkeerplaats is niet gewenst aangezien deze zware lagen extra druk op de veenbodem geven.
Om de parkeerplaats toch enige stabiliteit te geven is er voor gekozen om de bovengrond (wortelzone) maximaal 10 cm te ontgraven. Vervolgens wordt een geo -textiel aangebracht over de bodem. (Dit heeft als voordeel dat bij eventuele toekomstige omvorming naar natuur gebiedsvreemd materiaal goed verwijderd kan worden). De ontgraven 10 cm wordt opgevuld met stabilisatiezand. Daarboven op komt een halfverhardingslaag van ongeveer 20 cm dik. Het exacte materiaal gebruik is op dit mom ent nog niet bekend, maar is gericht op een neutrale kleur en optimale inzijging van regenwater (Eelerwoude, 2012a). Vrijkomend materiaal bij de ontgraving wordt verwerkt in de directe omgeving ( geleidelijk aflopende randen van het parkeervak en op de plekken waar rietvegetaties worden gerealiseerd). Gezien de huidige grondwaterstandspijlen (bron: dinoloket + veldgegevens) is geen sprake van verdrogingeffecten. Uitgraven bestaande halfverharding t.b.v. rietstroken De bestaande halfverharding wordt in zijn geheel ontgraven en volgens het bovenstaande principe weer opgevuld, m.u.v. de stroken waar riet weer wordt terug wordt geplant. De te ontgraven grond ter plaatse van de uitbreiding wordt gebruikt t.b.v. de nieuw aan te leggen riettroken in de bestaande parkeerplaats. Aanbrengen verlichting T.b.v.
in de grond aan te brengen verlichting (Eelerwoude, 2012a) dienen sleuven gegraven te worden voor de elektriciteitskabel. De ontgraven grond wordt na leggen van de kabel weer op dezelfde plek teruggebracht. Er is geen sprake van een aanpassing van de grondwaterkwantiteit. De verlichting zelf zal zeer subtiel op de parkeerplaats aanwezig zijn (lage, op de grond herichte ver lichting). Deze zal tevens voorzien worden van een bewegingsmelder. Als beweging wordt gedetecteerd gaat de verlichting pas aan. Gezien de gerichte, lage verlichting is uitstraling naar de omgeving minimaal. 12 Toetsing Natuurwetgeving Definitief 2.2.2 Aanlegfase vergaderruimte Aanleg zonder graafwerk Ook m.b.t. de aanleg van de vergaderruimte zijn de plannen niet concreet uitgewerkt. Vooralsnog is alleen de locatie en afmeting van een mogelijke toekomstige vergaderruimte bepaald voor de bestemmingsplanwijziging. In eerder schetsontwerpen is al w el gekeken naar een mogelijk invulling van de vergaderlocatie. Opties als verdiept aanleggen van het gebouw of aanleg boven de watergang achter het Café Geertien zijn komen te vervallen doordat deze opties commercieel niet haalbaar zijn. Bij de invulling van de vergaderruimte moet men voor deze toetsing dan ook uitgaan van realisatie op land.
Daarbij is het aannemelijk dat de bebouwing (gezien de grondwaterstanden) op het huidige maaiveld of iets daarboven wordt gerealiseerd. Van een aanpassing van het grondwatersysteem is geen sprake. Verkeersbewegingen t.b.v. realisatie Voor het toeleveren van bouwstoffen zal ten tijde van de bouw extra verkeer over de weg Muggenbeet heen rijden. Dit zal tijdelijk leiden tot een zeer lichte toename van verkeer. (enkele auto’s per dag). 2.2.3 Gebruiksfase parkeerplaats In de Toekomstvisie Wetering en omstreken 2008 -2012 ( Werkgroep toekomstvisie Wetering e.o, 2008 ) wordt aangegeven dat er sprake is van verkeersproblemen. Deze problemen worden vooral ervaren in de vorm van kapot gereden bermen en andere vormen van overlast zoals slechte doorstroming van verkeer e.d. Geertien en de directe omgeving worden specifiek g enoemd als knelpunt vooral bij hoogtij -dagen zoals vorstig weer (opstapplaats voor schaatsers) en zomers (aanlegplaats voor vaarrecreanten en fietsers). Op basis van bovengenoemde problematiek en de voorgenomen plannen van Geertien, heeft de gemeente vol gens de CROW -systematiek bepaald hoeveel parkeerplaatsen Geertien mag realiseren. Dit zijn plaatsen voor: 150 auto’s, 2 touringcars en 3 invalidenplaatsen (zie inleiding par. 2.2) . Hiervan zijn 22 parkeerplaatsen voor personenauto’s gekoppeld aan de vergaderruimte.
De overige parkeerplaatsen worden gerealiseerd om parkeeroverlast ten tijde van hoogtij-dagen te reguleren. Deze verkeersbewegingen (m.u.v. de verkeersbewegingen voor de vergaderruimte) zijn ook in de huidige situa tie al in het gebied aanwezig. Met de realisatie van dez e goede parkeervoorziening wordt het probleem van foutief geparkeerde auto’s in het N2000 -gebied en de overlast die dat met zich meebrengt (voor omwonenden en N2000-natuurwaarden) verminderd en geconcentreerd. 2.2.4 Gebruiksfase vergaderlocatie In de huidige situatie is reeds sprake van 25 vergaderingen bij Geertien, waarbij gemiddeld per vergadering 15 auto’s gebruik maken van de parkeerplaats. De vergaderlocatie biedt ruimte aan 40 -50 personen. Hiervoor zijn 22 parkeerplaatsen voor personenauto’s beschikbaar. Het aantal verkeersbewegingen dat hiermee gepaard gaat wordt in onderstaande tabel 1 weergegeven. Eén auto brengt twee verkeersbewegingen met zich mee (aankomst en vertrek). Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 13 Definitief Tabel 1: Aantal vergaderingen en de verkeersbewegingen dat de vergaderruimte met zich meebrengt. N-vergaderingen N-auto’s N-verkeersbew. totaal Huidig 25 15 750 toekomstig 50 22 2200 Verschil 1450 In totaal gaat het om 1450 extra verkeersbewegingen per jaar. Dit komt neer op een kleine 4 verkeersbewegingen per etmaal.
Op basis van de bovenstaande gegevens worden de effecten op alle beschermde natuurwaarden van het Natura 2000-gebied de Wieden nader getoetst. 14 Toetsing Natuurwetgeving Definitief 3 3 NATUURWETGEVING EN BELEID De natuurwet - en regelgeving kent twee sporen, nam elijk een gebiedsgericht (Natuurbeschermingswet 1998) en een soortgericht spoor (Flora - en faunawet). Met de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 zijn de Europese Vogel - en Habitatrichtlijn in de nationale wetgeving geïmplementeerd. 3.1 Flora- en faunawet De Flora- en faunawet richt zich op de bescherming van soorten. De Flora - en faunawet gaat uit van het 'nee, tenzij' -principe. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Onder bepaalde voorwaarden is een algemene vrijstelling geregeld van de ontheffingsplicht van de Flora - en faunawet. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de vrijstelling hangt af van de dier - of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. Hiertoe worden verschillende beschermingsregimes onderscheiden.
- Soorten van tabel 1 – algemene soorten – lichtste beschermingsregime - Soorten van tabel 2 – overige soorten – middelste beschermingsregime - Soorten van tabel 3 – genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en in bijlage 1 van de AMvB – zwaarste beschermingsregime Vogels nemen in de Flora - en faunawet een bijzondere positie in. Vogels worden tijdens het broedseizoen beschermd door de Flora - en faunawet. Voor het aantasten van broedende vogels geldt een zware toets vergelijkbaar met tabel 3-soorten. Daarnaast zijn voortplantings- of vaste rust - of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, havik, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Voor tabel 1 -soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling van de ontheffingsplicht en is daarom geen ontheffing nodig. Deze soorten zijn b ij dit onderzoek grotendeels buiten beschouwing gelaten. Zie bijlage 2 voor een uitgebreide beschrijving en toelichting op de Flora- en faunawet. Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 15 Definitief 3.2 Natuurbeschermingswet 1998 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa.
Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd. Het plangebied ligt in het Natura -2000 gebied ‘De Wieden’. De voorgenomen ingreep dient dan ook getoetst te worden aan de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000 - gebied. 3.3 EHS-toetsing De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De EHS is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de EHS geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 16 Toetsing Natuurwetgeving Definitief 4 4 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek. 4.1 Bureauonderzoek Naast de informatie die verkregen is met het veldbezoek is gebruik gemaakt van informatie uit literatuurbronnen ( regionale verspreidingsatlassen etc.) en onze gebiedskennis naar aanleiding van diverse flora- en faunaonderzoeken in en rond de planlocatie. Hierbij valt ondermeer te denken aan het natu uronderzoek dat wij hebben uitgevoerd t.b.v.
de Natuurverbinding De Wieden en De Weerribben in 2012. Voorts is het ecologisch onderzoek dat t.bv. de herinrichting van de Wetering-West meegenomen. Ook zijn terreinbeheerders benaderd (Staatsbosbeheer en Natu urmonumenten) om verspreidinginformatie over het gebied aan te leveren. De website www.waarneming.nl is ook geraadpleegd. Een groot aantal amateurs kunnen op deze websites hun natuurwaarnemingen kwijt. De site wordt gecontroleerd door een validatiecommissie. Soortwaarnemingen via deze bron zijn redelijk betrouwbaar, maar kunnen moeilijk geverifieerd worden. Wel kan het een beeld geven van mogelijke soorten in de regio. Waarnemingen zijn, in tegenstelling tot regionale verspreidingsatlassen, vaak tot op de exacte locatie te herleiden. 4.2 Terreinbezoek Het veldbezoek is afgelegd op 25 oktober 2012 en was verkennend van aard, waarbij aan de hand van de aanwezige terreintypen het voorkomen van beschermde planten - en diersoorten is bepaald. Het veldbezoek is door R.J.Koops tijdens gunstige weersomstandigheden (bewolkt, en een temperatuur van ongeveer 11 ˚C). Daarnaast kunnen diverse bezoekmomenten in 2012 t.b.v. de natuurverbinding aanvullend gerekend worden tot de terreinbezoeken. Hierbij zijn ook bezoeken in de a vonduren afgelegd t.b.v. vleermuizen.
Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 17 Definitief 5 5 FLORA- EN FAUNAONDERZOEK 5.1 Flora Voorkomen en functie Het plangebied is grotendeels verhard met een halfverharding. Kruidachtige planten hebben hier vrijwel geen kans om tot ontwikkeling te komen. De begroeiing is in hoofdzaak beperkt tot straatgras. Langs de randen van het plangebied zijn voornamelijk ruigten aanwezig welke gedomineerd worden door riet en brandnetel. In het waterelement tussen de parkeerplaats en de bestaande bebouwing is aan de parkeerterreinkant voo ral lisdodde aanwezig. De oevers van dit waterelement zijn beschoeid. Gezien de vastgestelde terreincondities (verhard en verruigd) worden beschermde plantensoorten niet bi nnen het plangebied verwacht. Ook de flora-gegevens van de provincie en natuurmonume nten leveren geen extra informatie over beschermde soorten in het plangebied. Effecten en ontheffing Op basis van het bovenstaande worden met de voorgenomen ingrepen geen negatieve effecten op beschermde planten verwacht. Het uitvoeren van nader onderzoe k of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
5.2 Landgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Licht beschermde soorten (Tabel 1 Flora- en faunawet) Op basis van literatuurgegevens en expertise zijn ondermeer de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied te verwachten: mol, ree, vos , egel, kleine marterachtigen, diverse ware - en woelmuizen , en spitsmuizen. De soorten gebruiken het plangebied als leef - en foerageergebied. Een aantal soorten gebruikt het plangebied vermoedelijk alleen om doorheen te trekken (ree en vos). Matig beschermde soorten (Tabel 2 Flora- en faunawet) Van de landgebonden zoogdieren uit tabel 2 van de Flora - en faunawet komt alleen de steenmarter in de directe omgeving van het plangebied voor (verkeersslachtoffers N333). Voor eekhoorn is het plangebied ongeschikt vanwege het ontbreken van grote aaneengesloten bos- en boomstructuren. 18 Toetsing Natuurwetgeving Definitief Strikt beschermde soorten (Tabel 3 Flora- en faunawet) Van de landgebonden zoogdieren die zijn opgenomen in tabel 3 van d e flora - en faunawet zijn alleen boommarter, otter en waterspitsmuis uit de directe omgeving bekend. Van boommarter zijn recente verkeersslachtoffers bekend van de N333 ter hoogte van Muggenbeet. Het is bekend dat deze soort in de bosgebieden van de Wetering-Oost voorkomt. Onder de Roomslootbrug, op ongeveer 750 meter afstand van de planlocatie, zijn in 2012 spraints van otters vastgesteld.
Het is aannemelijk dat de soort ook gebruik maakt van De Wetering. Van de otter is bekend dat zij ook grote afstanden over land kan afleggen. De Waterspitsmuis is tijdens een life -trap onderzoek uit 2010 vastgesteld in een natuurperceel ten noorden van de N333, dat in eigendom is van Staatsbosbeheer. Effecten en ontheffing Licht beschermde soorten (Tabel 1 Flora- en faunawet) De voorgenomen plannen zullen voor een aantal licht beschermde soorten leiden tot verstoring en (tijdelijk) verlies van leefgebied en verblijfplaatsen. Van wezenlijke effecten op de soort of populaties zal geen sprake zijn, zowel tijdens de uitvoer ingsfase als na de planrealisatie. Matig beschermde soorten (Tabel 2 Flora- en faunawet) De steenmarter is een weinig kritische soort die op één nacht grote afstanden kan afleggen. Verder maakt de soort gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen die kunnen bestaan uit tak- of steenhopen of bebouwing (woningen, schuren e.d.). De voorgenomen ingreep heeft geen negatief effect op de steenmarter aangezien slechts een minimale oppervlakte van leefgebied verloren gaat. Overigens is het terrein na herinrichting ook nog geschikt als foerageergebied/leefgebied.
Strikt beschermde soorten (Tabel 3 Flora- en faunawet) Ondanks dat strikt beschermde soorten in de omgeving voorkomen is de huidige parkeerplaats en de locatie van de vergaderruimte geen geschikt leefgebied voor de otter, boommarter en waterspitsmuis. Vooral de otter en de boommarter kunnen de randen van het projectgebied gebruiken om te foerageren of doorheen te trekken. Er zijn geen vaste rust - en verblijfplaatsen van deze soorten binnen het plangebied aanwezig. Van negatieve effecten op deze soorten is dan ook geen sprake. Waterspitsmuis wordt hier niet verwacht aangezien geen permanent watervoerende elementen aanwezig zijn binnen de planbegrenzing. 5.3 Vleermuizen Voorkomen en functie In 2012 zijn ten behoeve van het project Natuurverbinding Wieden -Weerribben een aantal avondbezoeken gebrach t aan de planlocatie en de directe omgeving. Hieruit is naar voren gekomen dat het plangebied en de omgeving gebruikt wordt door verschillende vleermuissoorten: Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en meervleermu is. Vooral langs de weg Muggenbeet zijn een aantal foeragerende gewone dwergvleermuizen gewone grootoorvleermuis en Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 19 Definitief laatvliegers waargenomen. Boven De Wetering vliegen watervleermuizen en de meervleermuis.
Verblijfplaatsen Binnen het plang ebied zi jn geen gebouwen of opgaande begroeiing aanwezig welke kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. De aangrenzende bebouwing (woonhuizen, café e.d.) daarentegen bieden wel mogelijkheden voor vleermuizen om te verblijven. Foerageergebied en vliegroutes Zoals eerder aangegeven wordt vooral in de landschappelijke beplanting langs de Wetering gefoerageerd. Op basis van geluidsopnamen wordt gesteld dat hier ook een vliegroute van gewone dwergvleermuis aanwezig is. Het is aannemelijk dat deze verblijven in het cluster van gebouwen rondom Geertien. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd onder de Flora - en faunawet. Het verjagen, vangen en doden van individuen van vleermuizen, alsmede het verstoren of vernielen van vaste verblijfplaatsen (inclusief hun functionele leefomgeving in de vorm van foerageergebied en vliegroutes) is verboden. Verblijfplaatsen Bestaande bebouwing blijft gehandhaafd. Ook worden geen bomen met holten verwijderd. Met de voorgenomen ingreep worden ne gatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten. Foerageergebied en vliegroute Met de invulling van de parkeerplaats en de bouw van de vergaderruimte gaat geen foerageergebied of vliegroute van vleermuizen verloren. Van negatieve effecten op vliegroutes of vleermuizen is dan ook geen sprake.
5.4 Vogels Voorkomen en functie Broedvogels algemeen en categorie 51 Aan de hand van het veldbezoek, aangevuld met informatie uit diverse literatuurbronnen, is een indruk verkregen van de aanwezi ge vogelsoorten. De directe omgeving van de ruimtelijke ontwikkeling bestaat uit aaneengesloten rietvelden en opgaande begroeiing in de vorm van wilgenstruweel en natte bossen met zwarte els en schietwilg. De algemene broedvogels die in de opgaande begroeiing tot broeden kunnen komen zijn o.a.: tjiftjaf, fitis, koolmees, winterkoning, houtduif, roodborst, vink en merel. In 2005 en 2007 zijn in het gebied ten noorden van de parkeerplaats in wilgenstruweel ook broedsels van zomertortel vastgesteld (Med. Natuurmonumenten). 1 Zie bijlage 2 voor een nadere toelichting op de verschillende categorieën bij de bescherming van broedvogels 20 Toetsing Natuurwetgeving Definitief De broedvogels die zich in de aangrenzende rietvegetatie ophouden zijn o.a. rietgors, rietzanger, en kleine karekiet. De meer kritische spotvogel is in 2007 ten oosten van de parkeerplaats vastgesteld (buiten plangrenzen, med. Natuurmonumenten). Broedvogels categorie 1-4 2 Binnen of in de nabije omgeving van de planlocatie zijn geen vaste rust - en verblijfplaatsen vastgesteld van vogels die jaarrond gebruik maken van hun nestlocaties (categorie 1 -4 soorten) .
Aan de noordzijde v an de N333 bevindt zich een oude schuur met een vaste rust - en verblijfplaats van een kerkuil (Med. Staatsbosbeheer) . Het is aannemelijk dat de soort het plangebied en de directe omgeving gebruikt als foerageergebied. Voorts kan de bruine kiekendief de omg eving van het plangebied gebruiken als foerageergebied. Deze soort foerageert in hoofdzaak in rietvegetaties en nestelt daar ook. Gezien de recreatieve drukte en de verkeersintensiteit op de N333 is het niet aannemelijk dat de soort binnen of aan de rand van het plangebied broed. Effecten en ontheffing Op basis van de voorgenomen ontwikkelingen moet geconstateerd worden dat geschikt leefgebied voor broedvogels afneemt. Er wordt een beperkt deel van de bosschage weggenomen, waardoor nestgelegenheid van bo vengenoemde soorten in beperkte mate afneemt. In de directe omgeving zijn voor deze bos - en struweelvogels voldoende alternatieven aanwezig om naar uit te wijken. Negatieve effecten op deze vogelgroep is dan ook niet aan de orde. Aanvullend vindt ook een afname plaats van door riet gedomineerde vegetatie ( 965 m2). Dit gaat ten koste van het leef - en broedgebied van in hoofdzaak rietvogels als kleine karekiet en rietzanger.
Er komt op de huidige parkeerplaats ook weer rietvegetatie terug (567 m 2), maar zal gezien de optische verstoring (en andere randinvloeden) minder in trek zijn bij bovengenoemde rietvogels. Ook voor deze vogels geldt dat er in de directe omgeving voldoende alternatief foerageer - en broedgebied aanwezig is in de vorm van rietvelden en riet ruigten. Ook in de nabije toekomst bij het realiseren van de plannen in Wetering –West worden vele hectaren rietland gerealiseerd. Van negatieve effecten op rietvogels is dan ook geen sprake. 5.5 Amfibieën Voorkomen en functie In het plangebied zijn de algemene tabel 1 soorten gewone pad, bruine kikker en bastaardkikker tijdens het veldonderzoek vastgesteld. De strikt beschermde tabel 3 - soorten heikikker en poelkikker kunnen potentieel binnen kleine delen van het plangebied aanwezig zijn (ruigte n en zomen en bosgebiedjes/wilgenstruweel). De soorten gebruiken deze biotopen in hoofdzaak als landbiotoop. In het voortplantingsbiotoop van deze strikt beschermde soorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
2 Zie bijlage 2 voor een nadere toelichting op de verschillende categorieën bij de bescherming van broedvogels Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 21 Definitief Effecten en ontheffing De heikikker en de p oelkikker zijn in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen en kunnen ook binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen . Het plangebied heeft de functie van (sub-optimaal) landbiotoop voor deze amfibieën; ruigte en zomen en bosgebiedjes/wilgenstruweel dienen namelijk als winterverblijf. Zonder het nemen van mitigerende maatregelen worden door de werkzaamheden vaste rust- of verblijfplaatsen van de heikikker en poelkikker beschadigd, vernield en verstoord. De functie van het plangebied als winterverblijf (heikikker en poelkikker) wordt aangetast. De omgeving van het plangebied is echter van vergelijkbare of hogere kwaliteit vergeleken met hetgeen verdwijnt. Het stellen van verdere maatregelen om de functionaliteit van de vaste rust - of verblijfplaatsen van de heikikker, poelkikker te waarborgen worden niet noodzakelijk geacht. Dit is ook niet nodig omdat het gebied dat verdwijnt niet essentieel wordt geacht voor het voortbestaan van de populatie van de heikikker en de poelkikker . Er zijn voor deze soorten naar verwachting voldoende uitwijkmogelijkheden in de nabije omgeving.
Bovendien zijn de negatieve effecten van de werkzaamheden op de vaste rust - of verblijfplaatsen van de soorten tijdelijk en beperkt van aard. Op korte termijn zal er e en beperkt verlies van leefgebied voor overwintering van amfibieën optreden Op langere termijn heeft het project mogelijk juist een gunstige uitwerking: Door de openingen die in de rietvlakte wordt gecreëerd kan meer (zon)licht toetreden in de vegetatie. H ierdoor kan het plangebied juist geschikter worden als leefgebied voor de heikikker en poelkikker en andere amfibieën. Het doen van nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing wordt niet noodzakelijk geacht , mits de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantings- en overwinteringsperiode periode van de bovengenoemde soorten (uitvoeren in de periode augustust t/m oktober). 5.6 Reptielen Voorkomen en functie Tijdens het veldwerk zijn geen ringslangen aangetroffen in het plangebied. In de direc te omgeving van het plangebied komen ringslangen wel voor . Met name ten noorde van de N333 zijn waarnemingen van de soort bekend (Mededeling Staatsbosbeheer ). Gezien de overeenkomstige habitats (vochtige ruigten en rietvegetaties) ten zuiden van de N333 in combinatie met de goede mobiliteit van de soort, is niet uit te sluiten dat de ringslang ook binnen het plangebied voorkomt.
Het plangebied moet voor het grootste deel worden aangemerkt als foerageergebied. Ei-afzetplekken (broeihopen) worden niet binnen het plangebied verwacht, aangezien de geschikte ruigere vegetaties over het algemeen omgeven zijn met hoger opgaande begroeiingen (wilgen, elzen, etc.) waardoor een goede bezonning veelal ontbreekt. Verder zijn binnen het plangebied geen broeihopen aanwezig in de vorm van hopen riet , die door zon beschenen worden . Overige reptielen komen binnen het plangebied of de directe omgeving daarvan niet voor. Effecten en ontheffing Plangebied wordt naar verwachting alleen gebruikt als foerageergebied en wordt met een beperkte omvang verkleint. Foerageergebieden zijn enkel ontheffingsplichtig indien zij van groot belang zijn voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van de betreffende soort, doordat er onvoldoende alternatieven voorhanden zijn. De omgeving van het 22 Toetsing Natuurwetgeving Definitief plangebied is van vergelijkbare of hogere kwaliteit als foeragee rgebied dan het plangebied zelf. Het plangebied maakt geen essentieel onderdeel uit van het foerageergebied voor de ringslang. Aanvullende maatregelen word en niet noodzakelijk geacht aangezien het gebied dat verdwijnt niet essentieel wordt geacht voor het voortbestaan van de populatie ringslang.
Er zijn voor deze soorten naar verwachting voldoende uitwijkmogelijkheden in de nabije omgeving. Bovendien zijn de eventuele negatieve effecten van de werkzaamheden tijdelijk en beperkt van aard. Op korte termijn is er sprake van een beperkt verlies van leefgebied (foerageergebied) voor de ringslang . Op langere termijn heeft het project mogelijk een gunstige uitwerkin g voor deze soort door meer lichtinval in de rietvegetatie en het ontstaan van meer lengte randzone waar de ringslang kan opwarmen of foerageren. Tijdens de werkzaamheden blijft migratie van de ringslang mogelijk via de grotere watergangen. Het doen van n ader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing wordt niet noodzakelijk geacht, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantings- en overwinteringsperiode van de bovengenoemde soorten (uitvoeren in de periode augustust t/m oktober). 5.7 Vissen Voorkomen en functie In de omgeving van het plangebied zijn diverse beschermde soorten vastgesteld: kleine modderkruiper, grote modderkruiper, bittervoorn en rivierdonderpad. De kleine en grote modderkruiper komt voor in sloten ten noorden van de N333. In De Wetering zijn naast de waarnemingen van deze soorten ook waarnemingen bekend van de rivierdonderpad (RAVON, 2010).
Effecten en ontheffing De kans op het doden van individ uen van bovengenoemde soorten is uitgesloten, mede gezien de het feit dat er geen handelingen in de oeverzone plaatsvinden. Van negatieve effecten op beschermde vissoorten is dan ook geen sprake. 5.8 Overige ongewervelden Voorkomen en functie Grote vuurvlinder Van de beschermde dagvlinders komt de grote vuurvlinder in de directe omgeving van het plangebied voor (binnen 1 km). Gegevens zijn vooral bekend van het bestaande natuurgebied ten noorden van de N333. Het plangebied zelf kan mogelijk incident eel gebruikt worden als (sub -optimaal) migratiegebied. In de dichte rietvegetatie zijn geen groeimogelijkheden voor de waardplanten(waterzuring) van deze soort. Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 23 Definitief Gestreepte waterroofkever/platte schijfhoren Beide soorten komen in de omgeving van het p langebied voor. Gezien de beperkte verspreiding van deze soorten door het N2000 -gebied en de ecologische vereisten van de soorten is het niet aannemelijk dat deze in deze beschaduwde watergang voorkomen. Gevlekte witsnuitlibel Het zwaartepunt van de ver spreiding in Nederland ligt in de Wieden en Weerribben. De soort kan het plangebied gebruiken als foerageergebied. Het is niet aannemelijk dat de soort waterelementen binnen het plangebied gebruikt als voortplantingswater.
Hiervoor zijn de watergangen te k lein (smal) en ontbreken verlandingstadia en drijvende waterplanten. Noordse winterjuffer In 2011 is de Noordse winterjuffer op ongeveer een kilometer ten noorden van het plangebied vastgesteld (Schut, 2011). Binnen het plangebied zijn echter geen geschikte voortplantingswateren aanwezig. Groene glazenmaker Groene glazenmaker is gebonden aan laagveengebieden zoals de Wieden en Weerribben. De soort komt hier dan ook veelvuldig voor, waarbij de voorkeur uit gaat naar krabbenscheervegetaties voor de eiafzet. Binnen het plangebied zijn geen krabbenscheerplanten vastgesteld. Het plangebied maakt d an ook geen wezenlijk onderdeel uit van het leefgebied van de groene glazenmaker. Wel kan het plangebied onderdeel uit maken van het foerageergebied van deze soort. Effecten en ontheffing Grote vuurvlinder Omdat het binnen de ruimtelijke ontwikkeling al leen gaat om sub -optimaal biotoop, waarbij de waardplant van de soort niet aanwezig is, worden geen negatieve effecten op de grote vuurvlinder uitgesloten. Gestreepte waterroofkever/platte schijfhoren Gezien de beperkte ingreep in het water en de vele uit wijkmogelijkheden naar geschikt leefgebied aangrenzend aan het plangebied worden negatieve effecten op gestreepte waterroofkever en platte schijfhoren uitgesloten.
Gevlekte witsnuitlibel Omdat geen geschikte voortplantingswateren binnen het plangebied li ggen worden negatieve effecten op gevlekte witsnuitlibel uitgesloten Noordse winterjuffer Omdat geen geschikte voortplantingswateren binnen het plangebied liggen en ook geschikte overwinteringsplekken ontbreken, worden negatieve effecten op Noordse winterjuffer uitgesloten. Groene glazenmaker 24 Toetsing Natuurwetgeving Definitief Omdat geen geschikte voortplantingswateren binnen het plangebied liggen worden negatieve effecten op de groene glazenmaker uitgesloten. Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 25 Definitief 6 6 NATUURBESCHERMINGSWET 1998 6.1 Inleiding De ruimtelijke ontwikkelingen vinden plaats in het Natura 2000 -gebied de Wieden. Op korte afstand ligt ook het Natura 2000 -gebied de Weerribben (noordzijde N333). Gezien de kleinschaligheid van de ingreep wordt hier alleen gekeken naar de effecten op de beschermde natuurwaarden van het Natura 2000-gebied De Wieden. 6.2 Beschermde natuurwaarden Het Natura 2000 -gebied De Wieden is aangewezen voor een aantal habitattypen, habitatsoorten en enkele broedvogels en niet -broedvogels. De soorten en doelstellingen zijn weergegeven in onderstaande tabel. Ee n uitgebreide essentietabel is opgenomen in bijlage 3. Essentietabel habitatypen en habitatsoorten voor N2000 gebied De Wieden
26 Toetsing Natuurwetgeving Definitief Vervolg Essentietabel voor broedvogels en niet-broedvogels N2000 gebied De Wieden 6.3 Effecten habitattypen De ligging van de beschermde habitattypen is weergegeven in bijlage 4 . Dit is een uitsnede van de habitattypenkaart van de website van de Provincie Overijssel. Te zien is dat binnen de planbegrenzing geen beschermde habitattypen aanwezig zijn. Uit onderzoek door een vegetatiedeskundige van de Provincie Overijssel (2012) blijkt dat het habitattype ruigten en zomen dat ten noordwesten van de planlocatie ligt niet dit habitattype omvat (typerende kruiden zijn namelijk niet vastgesteld). Met de realisatie van de parkeerplaats wordt 965 m 2 rietvegetatie onttrokken uit het Natura 2000-gebied. Hier kan alleen na verwijdering van de parkeerplaats weer rietland ontstaan (bijlage 5). Directe aantasting habitattypen Met de voorgenomen ontwikkelingen is dus geen dir ecte aantasting van habitattypen aan de orde. Waterhuishouding T.a.v. de indirecte invloeden zijn geen effecten te verwachten op beschermde habitattypen als het gaat om verdroging /vernatting e.d. door waterhuishoudkundige aanpassingen. Hier is namelijk g een sprake van een verandering in de kwaliteit of kwantiteit.
Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 27 Definitief Depositie wegverkeer T.a.v. de lichte toename van verkeer wordt verwezen naar bijlage 5 voor de emissie - berekening. Hieruit blijkt dat met de realisatie van de vergaderruimte sprake is van een verwaarloosbare en in de habitattypen niet waarneembare toename van stikstofdepositie. Voorts is geen sprake van andere negatieve factoren die de kwaliteitdoelstellingen of de instandhouding- en uitbreidingdoelstellingen negatief beïnvloeden. Van ver slechterende of significant verstorende effecten op habitattypen is geen sprake. Voor het Natura 2000-gebied geldt een uitbreidingsdoelstelling voor: Kranswierwateren (H3140), Meren met krabbenscheer en Fonteinkruiden (H3150) Vochtige heide (H4010B), Overgangs- en trilvenen (trilvenen) (7140A) Galigaanmoerassen (H7210) De hierboven genoemde habitattypen zijn sterk afhankelijk van hoge grondwaterstanden en matig voedselrijke tot zeer voedselarme situaties. Gezien het feit dat ter plaatse sprake is van e en te lage waterstand en een te voedselrijke situatie is realisatie van een van deze habitattypen zonder drastisch ingrijpen (afgraven, hydrologie herstellen) hier niet mogelijk. Zeker ten aanzien van de hydrologie zijn in het Natura 2000 gebied alternatieve gebieden aan te wijzen waar de uitgangssituatie voor uitbreiding van een van deze habitattypen realistischer is.
6.4 Effecten habitatsoorten Op basis van de voorkomende biotopen (verdroogd rietland en ontbreken waterelementen) moet gesteld worden dat een groot deel van de aangewezen habitatsoorten niet binnen het plangebied voorkomen of hier slechts sporadisch gebruik van maken (foerageren/migreren). Hieronder wordt per soortgroep de effecten bondig besproken. Groenknolorchis en geel schorpioenmos De groenknolorchis is gebonden aan met basenrijk water gevoede trilvenen . Deze biotopen komen niet binnen het plangebied voor. Verslechterende of significant verstorende effecten door de ingreep zijn op deze soort uit te sluiten. Geel schorpioenmos komt voor langs het meppelerdiep en de Kiersche Wijde (Van der Valk, 2008). Door de specifieke ecologische vereisten is niet aannemelijk dat de soort binnen het plangebied of in de directe omgeving voorkomt. Verslechterende of significant verstorende effecten door de ingreep zijn op deze soort uit te sluiten. 28 Toetsing Natuurwetgeving Definitief Meervleermuis De meervleermuis is een gebouwbewonende soort, welke ’s nachts overwegend foerageert boven brede watergangen zoals weteringen, kanalen en rivieren. De soort is tijdens een vleermuisonderzoek in 2012 met meerdere individuen vastgesteld boven De Wetering. Er zijn geen verblijfplaatsen van de soort vastgesteld in op in de nabijheid van het plangebied.
Gezien de biotoopvoorkeur en het feit dat zeer spaarzaam verlichting (lage, naar beneden toe gerich te verlichting) wordt toegepast, zijn verslechterende of significant verstorende effecten van de ingreep op meervleermuis uitgesloten. Bittervoorn, grote- en kleine modderkruiper en rivierdonderpad Bittervoorn komt verspreid voor in het Natura 2000 -gebied en is gebonden aan de wat grotere, stromende wateren, welke een gevarieerde onderwater - en oever begroeiing hebben. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. De aanwezigheid van deze soort wordt dan ook uitgesloten. Verslechterende of significant verstorende effecten op deze soort zijn niet van toepassing. Grote modderkruiper en kleine modderkruiper zijn typische poldervissen en leven in schone, heldere en van nature voedselrijke sloten. De voorkeur gaat uit naar zwakstromend water met een niet te dikke modderbodem. Gezien het feit dat er geen ingrepen in de oever van de watergang en plaatsvinden, wor den verslechterende of significant verstorende effecten op deze habitatsoorten uitgesloten. Rivierdonderpad is een soort die gebonden is aan zwakstromende wateren met een zandige tot stenige bodem. Modderbodems worden gemeden. Binnen het plangebied zijn geen waterelementen aanwezig die voldoen aan deze biotoopeisen. De soort wordt daarom niet binnen het plangebied verwacht.
Verslechterende of significant verstorende effecten op deze soort zijn niet van toepassing. Ongewervelden De Platte schijfhoren leeft in helder stilstaand water van veengebieden met een rijke plantengroei. De dieren schuwen vervuild en/of brakwater en leven niet in periodiek droogvallende wateren. De soort komt vooral in de laagveengebieden, op allerlei onderwater levende en drijvende p lantensoorten, maar ook in wateren met weelderig groeiende draadalgen. De soort is in 1999 ondermeer in een sloot in de omgeving van Muggenbeet vastgesteld (Miedema & van der Heijden, 2009). De exacte locatie kon vooralsnog niet achterhaald worden. Ingrepen in het water zijn niet aan de orde. Verslechterende of significant verstorende effecten op de platte schijfhoren zijn niet te verwachten. Gestreepte waterroofkever leeft in schone, matige voedselrijke, basenrijke en luwe gelegen wateren (o.a. veenplassen en sloten) met afwisselend dichte onderwatervegetatie en open waterkolom; gevoelig voor vermesting, verzuring, verdroging en verontreiniging (Miedema & van der Heijden, 2009). Er vinden geen ingrepen plaats in het water. Verslechterende of si gnificant verstorende effecten op de gestreepte waterroofkever zijn niet te verwachten.
Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 29 Definitief Gevlekte witsnuitlibel leeft in levend laagveen en op de hogere zandgronden vennen met in de luwte gelegen schoon water en een rijke oeverbegroeiing; gevoelig voor vermesting, verzuring, verdroging en verontreiniging (Miedema & van der Heijden, 2009). Binnen het plangebied komen geen biotopen voor die geschikt kunnen zijn als voortplantingshabitat voor deze soorten. De schaduwwer king van gebouwen en bomen en de bepe rkte aanwezigheid van drijvende waterplanten zorgt ervoor dat de watergang onder de toekomstige vergaderruimte bestempeld moet worden als ongeschikt leefgebied (eiafzetplaats, e.d.). Verslechterende of significant verstorende effecten op de gevlekte witsnuitlibel zijn niet te verwachten. De grote vuurvlinder leeft in grootschalig levend laagveen (actieve en cyclische verlandingen) met veenmosrietland; veel ijl rietland met een veelheid aan moeraskruiden (waardplanten) en vooral jonge Waterzuring als waardp lant; gevoelig voor vermesting, verzuring, verdroging en verontreiniging (Miedema & van der Heijden, 2009). De rietvegetaties die t.b.v. de parkeerplaats verwijderd worden, hebben een zeer dichte structuur, waardoor geen ruimte is voor kruidachtige planten om zich te vestigen. De waardplant waterzuring is hier dan ook niet vastgesteld en wordt hier ook niet verwacht.
Verslechterende of significant verstorende effecten op de grote vuurvlinder als gevolg van het verdwijnen van de rietvegetatie zijn niet te verwachten. 6.5 Effecten broedvogels Aalscholver Binnen het Natura 2000 gebied De Wieden komt een grote (1200 nesten) kolonie aalscholvers voor. Na de broedperiode foerageren de dieren over het gehele N2000 - gebied, met name op de grote plassen en bredere watergangen. Het plangebied is ongeschikt als nest - of foerageergebied voor de aalscholver. Er is geen sprake van (significant) negatieve effecten. Zwarte stern Zwarte stern is een koloniebroeder en foerageert ondermeer in De Wetering. Er komt geen geschi kt foerageerbiotoop binnen het plangebied voor. Ook zijn hier geen mogelijkheden voor nestgelegenheid vanwege het ontbreken van drijvende waterplanten en het besloten karakter nabij bebouwing. Er is geen sprake van (significant) negatieve effecten. Purperreiger Purperreiger is een koloniebroeder. In de Wieden broedden in de periode 2000 -2008 gemiddeld 55 paar (Brenninkmeijer en Van der Hut, 2009) . De kolonies bevinden zich voornamelijk aan de zuidzijde van het Giethoornse meer. De soort wordt uitgesloten binnen het plangebied. Er is geen sprake van (significant) negatieve effecten. Roerdomp Er zijn geen waarnemingen van deze soort ter hoogte van de planlocatie.
De soort heeft sinds de jaren ’80 een sterke groei doorgemaakt in het aantal broedparen (van 10 naar >25). Echter de afgelopen jaren zijn de winters redelijk streng geweest, met veel ijs. Dit kan snel weer een dip in de broedparen teweegbrengen (www.SOVON.nl) . De soort is voor broedgelegenheid vooral gebonden aan stevig, ouder waterriet. Dit biotoop is niet aanwezig binnen het plangebied . Voor het foerageren zoekt de roerdomp rietkragen in open water op. Zij vinden hun prooi (vissen, amfibieën en (water)insekten) 30 Toetsing Natuurwetgeving Definitief door de snavel in het water te houden. Het foerageer gebied mag niet te sterk begroeid zijn ( www.landschapnoordholland.nl) Op basis van de aanwezige biotopen moet geconcludeerd worden dat het aanwezige landriet geen onderdeel uit maakt van het broed- of foerageergebied van deze soort. Van verslechterende of significant verstorende effecten is dan ook geen sprake. Snor De soort is aangewezen op overjarig riet dat gedurende het broedseizoen grotendeels geïnundeerd is. Binnen het plangebied komen deze rietveget aties niet voor. De rietvegetaties binnen het plangebied vallen ’s zomers snel droog en worden dan ook als suboptimaal aangemerkt als broedbiotoop. De Snor is in de directe omgeving ook niet broedend aangetroffen (Eelerwoude 2012 & BMP natuurmonumenten, 2007, 2013).
Voor snor geldt een doelstelling voor ‘Uitbreiding van omvan g en/of verbetering kwaliteit van leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 100 paren’ in de Wieden en de Weerribben . In beide gebieden is voor de beoogde populatie 250 ha optimaal habitat of 1000 ha habitat in mozaïek nodig. In de periode 2003 -2005 was de omvang en kwaliteit van het leefgebied in de Wieden dusdanig dat 319 broedparen in de Wieden konden broeden (Werkdocument Natura 2000 De Wieden & De Weerribbe n, Provincie Overijssel, 2009). Op basis van recente gegevens van natuurmonumenten (med. R. Martens , Natuurmonumenten ) blijkt dat in de periode 2007 -2013 totaal 593 broedparen (territoria) in het terrein hebben ge broed (optelling van verschillende onderzochte deelgebieden) . Dit is mede mogelijk geworden door de recente ui tbreiding van moerasvegetaties in de periode 2010-2013 langs het Giethoornse meer (oost en west) en de aanleg van oeverland t.b.v. rietvogels nabij Muggenbeet. Met h et verlies van een beperkte oppervlakte van suboptimaal rietland is geen verslechterend of significant negatief effect op het behalen van de instandhouding doelen om voldoende draagkracht in het gebied te realiseren voor deze soort. T.a.v. het uitbreiden en verbeteren van leefgebied is in de periode 2010 -2013 reeds invulling gegeven door effectieve maatregelen van de terreinbeheerder.
Rietzanger De soort prefereert als broedbiotoop rietkragen die grenzen aan openwater. Dit habitat komt niet voor binnen het plangebied. Echter, de soort kan hier ook niet volledig worden uitgesloten. De rietzanger komt namelijk wel in de directe omgeving in soortgel ijke habitats voor (5 broedparen binnen de N333 en de weg Muggenbeet (med. natuurmonumenten)). I n de om te vormen rietvegetaties is de Rietzanger niet aangetroffen (Eelerwoude 2012 & BMP natuurmonumenten, 2007, 2013). Voor de rietzanger geldt een doelstel ling van “Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van tenminste 3000 paren in de Wieden”. Op basis van de meest recente tellingen blijkt dat binnen de Wieden 3744 broedparen (territoria) zijn vastgesteld (optelling van verschillende onderzochte deelgebieden). Dit is mede mogelijk geworden door de recente uitbreiding van moerasvegetaties in de periode 2010-2013 langs het Giethoornse meer (oost en west) en de aanleg van oeverland t.b.v. rietvogels nabij Muggenbeet (med. R. Martens, Natuurmonumenten). Daarmee lijkt voldoende invulling gegeven te zijn aan het uitbreiden van nieuw leefgebied en het verbeteren van bestaand leefgebied.
Uitbreiding parkeerplaats Geertien, Muggenbeet 31 Definitief Het verdwijnen van een beperkte oppervlakte suboptimaal leefgebied (965m2 + beïnvloedingszone van verstoring door verkeer en menselijke activiteit ) voor deze soort zal niet leiden tot een significante afname van broedbiotoop welke de draagkracht voor deze soort significant aantast. Het kan hier mogelijk gaan om een afname van maximaal 1 broedpaar . Dit is op de vastgestelde 3744 territoria nihil. Van een verslechterend of significant negatief effect is geen sprake. Porseleinhoen De soort is gebonden aan open moerassige terreinen van minimaal 1 -2 ha met matig voedselrijk water. De soort zoekt vege taties op van biezen, zeggen, lisdodde en andere moerasplanten (0.5-1m hoogte). De soort nestelt in dichte rietvegetaties. Echter, voor het zoeken naar voedsel is de soort gebonden aan open moerasvegetaties, zodat het dier er goed doorheen kan lopen. Binnen het plangebied of de directe omgeving zijn geen broedsels waargenomen. Het plangebied is ook geen geschikt leefgebied voor de soort. Het lijkt een geschikt nestelgebied (dichte rietvegetatie), maar voor het foerageren is de afwisseling met open vegetaties noodzakelijk. De open vegetaties (met dekking) liggen op te grote afstand. Voorts zijn de rietvegetaties sterk verdroogd. De soort is hier gevoelig voor.
Doelstelling voor de soort is behoud van omvang en kwaliteit van leefgebied met een draagkracht voor een populatie van tenminste 20 broedparen. Sinds de eeuwwisseling laat de soort een sterk stijgende trend in het aantal broedparen zien. Binnen de Wieden werden in de periode 1999 -2003 gemiddeld 19 broedparen vast gesteld. In de periode 2003-2005 ging het om 7 -26 broedparen. De gemiddelden over de laatste jaren zijn 33 broedparen. De doelen (>20) broedparen zijn dus ruimschoots gehaald. Op basis van het b ovenstaande moet de te verwijderen rietvegetatie worden aangemerkt als ongeschikt voor de soort en moet tevens gesteld worden dat van een verslechterende of significant verstorend effect geen sprake is. Grote karekiet Grote karekiet heeft t.a.v. het broedbiotoop een voorkeur voor waterriet langs open water. De soort is momenteel in Nederla nd erg zeldzaam. Binnen het plangebied of de directe omgeving zijn geen broedsels waargenomen. Het plangebied is ook geen ge schikt leefgebied voor de soort, aangezien h ier geen sprake is van waterriet en aangezien er geen sprake is van aangrenzend open water. De doelstelling is het behoud van omvang en kwaliteit van leefgebied met een draagkracht van tenminste 2 0 broedparen. De trends voor de soort laten een wisselend beeld zien. Sovon, 2005 geeft aan dat er minder dan 10 paar aanwezig zijn.
Echter in de periode 2003-2005 zijn >15-34 broedparen vastgesteld. Het feit dat in de periode 2003 - 2005 >30 broedparen in het gebied zijn vastgesteld betekent dat de doelen t.a.v . omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn gehaald t.a.v. de draagkracht. Echter de soort is in de afgelopen jaren niet meer in de Wieden tot broeden gekomen . Het is een landelijke trend dat het aantal broedparen boven de grote rivieren verder afneemt. Dit is enerzijds een gevolg van het minder voor handen zijn van broedbiotoop (overjarig waterriet) en anderzijds door extreem droge perioden in de 32 Toetsing Natuurwetgeving Definitief overwinteringsgebieden. Dit resulteert in lagere (geen) broedparen in de Wieden, terwijl er voldoende broedbiotoop aanwezig is. Met het verwijderen van ongeschikt biotoop voor deze soort en het feit dat reeds voldoende broedbiotoop voor handen is binnen de Wieden om de natuurdoelen t.a.v. deze soort te halen, zijn geen verslechterende of significant verstorende effecten op deze soort te verachten. Bruine kiekendief De soort maakt gebruik van 23 -47 ha leefgebied. Bruine kiekendief is in De Wieden voor zijn/haar broedbiotoop gebonden aan open tot half open landschappen met een redelijke oppervlakte nat tot droger rietland. Veelal in rietvegetaties met enkele struiken om daar in te nestelen, zodat ook bij hoog water het nest droog blijft.