CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2e. 210521 Bouwsteen Lokaal Eigendom RES 1.0 West-Overijssel.pdf

Politieke Markt 15 juni 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: RES 1.0 West-Overijssel19.742 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

DATUM:12 mei 2021 VERSIE: 2.0 AUTEUR: Els Holsappel, projectleider Lokaal Eigendom BOUWSTEEN Aan de slag met lokaal eigendom BOUWSTEEN Aan de slag met lokaal eigendom 1 Inhoudsopgave Inhoudsopgave Leeswijzer ........................................................................................................................................................ 2 Inleiding .......................................................................................................................................................... 2 Juridische borging ............................................................................................................................... 2 Juridische afdwingbaarheid ................................................................................................................ 3 Rol en verantwoordelijkheden ........................................................................................................................ 3 Kleinere initiatieven zon-op-land ........................................................................................................ 3 Mogelijkheden van gemeenten .....................................................................................................................

3 Lokale Energie-initiatieven .............................................................................................................................. 5 Randvoorwaarden gesteld door de LEI’s ............................................................................................ 8 Afspraken over samenwerking energiecoöperaties ........................................................................... 8 Afspraken over faciliterend beleid ................................................................................................................... 9 Afspraken over uitwisselen van kennis en ervaring ......................................................................................... 9 Financiële onderbouwing .............................................................................................................................. 10 Randvoorwaarden ......................................................................................................................................... 10 Bijlage I Rapport Keuzes en Scenario’s Lokaal Eigendom ............................................................................... 11 Bijlage II Menukaart Beleidskaders Lokaal Eigendom ....................................................................................

43 2 Leeswijzer Deze bouwsteen geeft nadere informatie over lokaal eigendom en is een handleiding voor gemeenten om met lokaal eigendom aan de slag te gaan. De bouwsteen vormt een bijlage met verdiepende informatie bij Hoofdstuk 9 over lokaal eigendom in de RES 1.0 van de West-Overijssel: ‘Samen naar een opgewekt Overijssel’. De bouwsteen bevat een plan van aanpak. Dat plan van aanpak geeft een palet aan mogelijkheden en maatregelen die het realiseren van de doelstelling voor lokaal eigendom, zoals we die in de RES 1.0 hebben opgenomen, kunnen ondersteunen. Het rapport ‘Keuzes en Scenario’s Lokaal Eigendom’ in bijlage I helpt gemeenten om keuzes te maken en rol en positie te bepalen als gemeente in het realiseren van lokaal eigendom. De ‘Menukaart beleidskaders Lokaal Eigendom’ in bijlage II is een inspiratiegids en hulpmiddel voor gemeenten om lokaal eigendom te borgen in gemeentelijk beleid. Inleiding In de RES 1.0 hebben we als West-Overijssel de volgende doelstelling opgenomen: minimaal 50% lokaal eigendom voor de projecten wind en grootschalige zon op land in 2030. Dit komt neer op minimaal 0,589 TWh, zijnde 50% van het aandeel zon-op-land en wind uit het totale bod van 1,8 TWh. Gemeenten kunnen lokaal streven naar een hoger percentage.

Met lokaal eigendom bedoelen we dat een collectief van lokale inwoners en/of lokaal gewortelde bedrijven gezamenlijk (mede-)eigenaar zijn van zon- of windprojecten. Elke gemeente heeft uiterlijk bij de RES 2.0 lokaal eigendom geborgd in het lokale beleid. De RES-regio, het provinciale programma Nieuwe Energie Overijssel en Natuur en Milieu Overijssel (blijven) samenwerken aan de ondersteuning, versterking en professionalisering van de lokale energie-initiatieven in West-Overijssel, zodat zij de rol die zij op willen pakken in het realiseren van lokaal eigendom, ook op kunnen pakken. Juridische borging Gemeenten borgen lokaal eigendom in het lokale beleid. In het rapport ‘Keuzes en Scenario’s Lokaal Eigendom’ (zie Bijlage I) hebben we inzichtelijk gemaakt dat de keuze van de rol die je als gemeente wilt innemen bij het realiseren van lokaal eigendom, bepalend is voor het te kiezen instrumentarium. We hebben drie scenario’s geïdentificeerd met elke hun eigen beleidskader: • De kaderstellende gemeente (lokaal eigendom vastleggen in beleid en het daarna overlaten aan de markt); • De stimulerende gemeente (uitnodigingsplanologie of maatschappelijke tender); 3 • De ontwikkelende gemeente (de gemeente zelf als de ontwikkelende partij).

In het rapport ‘Keuzes en Scenario’s Lokaal Eigendom’ hebben we de scenario’s verder uitgewerkt en geven we een aantal voorbeelden van beleidsinstrumentarium. In de ‘Menukaart Beleidskaders Lokaal Eigendom’ (bijlage II) hebben we per scenario een aantal beleidskaders uit het land geselecteerd en beschreven die gemeenten kunnen gebruiken voor het borgen van lokaal eigendom in hun eigen lokale beleid. Zowel de tekst over lokaal eigendom in de RES 1.0 als de twee bijlagen bij dez e bouwsteen (rapport ‘Keuzes en Scenario’s Lokaal Eigendom’ en ‘Menukaart Beleidskaders Lokaal Eigendom’) liggen dit moment voor bij het expertteam van de NP RES voor een juridische toets. Juridische afdwingbaarheid In de discussie over de afdwingbaarheid van lokaal eigendom en andere vormen van (financiële) participatie wordt vaak gesteld dat een overheid juridisch niets kan afdwingen, maar alleen een inspanningsverplichting op kan leggen. In de praktijk ligt dit genuanceerder. Lokaal eigendom is een nieuw beleidsterrein. Er is nog weinig jurisprudentie. Toch zien we dat overal in het land projecten succesvol in lokaal eigendom gerealiseerd worden, ook in samenwerking met commerciële ontwikkelaars. In de Menukaart Beleidskaders Lokaal Eigendom (zie Bijlage II) gaan we wat dieper in op de juridische afdwingbaarheid van lokaal eigendom en de verschillen die er zijn in de drie scenario’s op dit punt.

Rol en verantwoordelijkheden In de RES 1.0 hebben we vastgelegd welke rol en verantwoordelijkheden de gemeenten, de provincie en het waterschap hebben bij het realiseren van de doelstelling voor lokaal eigendom. In aanvulling op die afgesproken verantwoordelijkheden hebben gemeenten de volgende aanvullende mogelijkheden om het realiseren van lokaal eigendom te stimuleren: - Garantstelling voor leningen die lokale initiatieven in de ontwikkelfase aangaan bij bijvoorbeeld banken. - Uniformeren van vergunningprocedures, legestarieven en OZB-heffingen. - Het instellen van een strippenkaart waarmee initiatieven ruimtelijke analyses kunnen afnemen, bijvoorbeeld bij het Oversticht. - Een functionaris aanstellen voor de regio West-Overijssel die lokale energie-initiatieven aanjaagt. Kleinere initiatieven zon-op-land Daarnaast hebben we specifiek gekeken naar hoe gemeenten lokale initiatieven kunnen ondersteunen bij kleinere projecten voor zon-op-land. Lokale energie-initiatieven ervaren op dit moment knelpunten bij het realiseren van kleinere opwekinstal laties voor zonne-energie. De business case komt steeds meer onder druk te staan. Hiervoor is een aantal oorzaken. Zonnepanelen worden efficiënter en goedkoper in aanschaf, maar de inkomsten uit SDE++ subsidies dalen.

Dit terwijl de vaste kosten per Wp voor kleine installaties gelijk blijven of juist stijgen, onder andere onder druk van eisen en wensen ten aanzien van inpassing. Dit werkt schaalvergroting in de hand en maakt kleinere projecten steeds minder haalbaar. In deze memo gaan we in op verschillende mogelijkheden die gemeenten hebben om deze energieprojecten extra te stimuleren. Mogelijkheden van gemeenten Leges De leges voor een omgevingsvergunning worden vaak berekend op basis van een percentage van de totale bouwkosten. Gemeenten kunnen op basis van specifieke ambities op gebied van energie uitzonderingen maken voor opwekprojecten. Voor kleine parken bedragen de legeskosten ongeveer 2 tot 5 % van de investeringskosten, afhankelijk van de geldende legesverordening. Gemeenten kunnen kijken naar de mate 4 waarin onderstaande opties passen bij de ambitie om kleine parken extra te stimuleren. Daarbij kan een afweging zijn in hoeverre de optie kostendekkend is. • Vrijstelling van leges. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om geen leges te heffen op omgevingsvergunningsaanvragen voor energie-opwekinstallaties. Gemeenten kunnen er ook voor kiezen om vrijstelling alleen te laten gelden voor projecten tot een bepaalde omvang (bijv. 3 ha of 3MWp). Deze maatregelen zijn voor een gemeente uiteraard niet kostendekkend. • Leges worden alleen geheven over de kosten van de onderconstructie.

Gemeenten kunnen kiezen om alleen leges te heffen over de kosten voor de onderconstructie en de kosten voor de zonnepanelen zelf niet mee te rekenen. De kosten voor de onderconstructie zijn ongeveer 10 tot 20 % van de totale investering. • Leges worden gemaximeerd. Gemeenten kunnen kiezen om de leges te maximeren. Bijvoorbeeld op een bepaald bedrag of bepaald percentage van de totale bouwkosten. Deze maatregel kan uiteraard ook gecombineerd worden met een maximum omvang van een project. Naast de ervaren druk op de business case in de exploitatie van klein e energieprojecten, vormen de kosten tijdens de ontwikkelfase voor lokale initiatieven een knelpunt. Tijdens de ontwikkelfase moeten veel kosten worden gemaakt die voor de baat uitgaan. Ook hierin kan de gemeente tegemoet komen. • Uitgestelde betaling van leges. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om initiatiefnemers de mogelijkheid te bieden de betaling van (een deel van) de leges uit te stellen tot het moment dat een project gerealiseerd wordt (financial close). • De gemeenteraad kan ervoor kiezen om kleine parken vrij te stellen van een bestemmingsplanprocedure via de gemeenteraad. Het college heeft dan bevoegdheid om de omgevingsvergunningsaanvraag goed te keuren via de lijst met collegebevoegdheden in de legesverordening. Dit levert tijdwinst en een kostenbesparing op voor de ontwikkelaar van het project.

OZB De gemeentelijke OZB-afdracht vormt voor een initiatiefnemer een kostenpost in de exploitatie (grofweg 10 tot 20 % van de operationele kosten). Opwekinstallaties zijn onroerende zaken, omdat zij bestemd zijn om meerdere jaren op één plaats te blijven staan. Eigenaren en gebruikers van windturbines en zonneparken moeten dus onroerendezaakbelasting (ozb) betalen. Gemeenten hebben een aantal mogelijkheden om initiatiefnemers tegemoet te komen in de hoogte van de ozb. • De Gemeentewet biedt gemeenten de mogelijkheid om een (deel van) de waarde van installaties voor de opwek van hernieuwbare energie vrij te stellen van ozb. De uitvoering is voor zon-op-landinstallaties uitvoerbaar en kost naar verwachting weinig uitvoeringscapaciteit. Zon-op-landinstallaties zijn immers onroerende zaken en worden om die reden gewaardeerd in het kader van de wet WOZ. Het doorvoeren van een OZB-vrijstelling voor kleinere zon-op-landinstallaties is dan relatief eenvoudig uit te voeren. Er zijn voorbeelden in Nederland van gemeenten die dat hebben toegepast. • Een ander uitvoerbaar alternatief is een subsidie in de vorm van een teruggaafregeling (heffingskorting). Bij een teruggaafregeling blijft de aanslag in stand en kan teruggave worden verleend op basis van een aanvraag door de initiatiefnemer. Dit vergt wel capaciteitsinzet voor de beoordeling en beschikking van deze aanvragen.

• Op een zonnepark kan wel de cultuurgrondvrijstelling van toepassing zijn, als de grond (ook) bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd als landbouwgrond. Dus als bijvoorbeeld dezelfde grond tevens wordt gebruikt voor het weiden van vee, dan kan de cultuurgrondvrijstelling van toepassing zijn. De cultuurgrondvrijstelling betreft uitsluitend de waarde van de onbebouwde grond. De ondergrond van de bouwwerken (waar geen gewassen kunnen groeien) wordt wel in de waardebepaling betrokken. Lening of garantstelling Bij een wind- of zonnepark gaat het om forse investeringen. Initiatiefnemers hebben doorgaans niet voldoende geld op de plank liggen om een dergelijke investering volledig te financieren. Ze zullen dus één of meerdere leningen (vreemd vermogen) af moeten sluiten. Over de verstrekte lening(en) wordt rente betaald. De rente voor vreemd vermogen is in de afgelopen jaren gedaald. Het rentepercentage zal per project verschillen en is een belangrijke variabele die van invloed is op de hoogte van de kosten (en dus de winst) die initiatiefnemers maken met het project. Hoe hoger de rentekosten, hoe lager de winst. Verstrekkers v an vreemd vermogen zien een groter risico voor lokale energie-initiatieven en rekenen daarom een hogere rente. Hierdoor ontstaat extra druk op de businesscase. • Gemeenten kunnen ervoor kiezen geld te lenen aan lokale initiatieven tegen gunstige tarieven.

Di t geld kunnen zij zelf eventueel lenen bij de BNG. Uitvoering en beheer van hiervan vragen de nodige expertise 5 en capaciteitsinzet. Daarom kan een gemeente kiezen om dit te beleggen in een duurzaamheidsfonds. Het treasury statuut van de gemeente moet hiervoor ruimte bieden. Energiefonds Overijssel biedt lokale initiatieven een marktconforme lening aan met een rente. De marktconforme rente ligt hoger dan de rente die een gemeente betaald voor een lening bij de BNG. • Gemeenten kunnen een garantstelling afgeven voor lokale energie-initiatieven. Daarmee kunnen lokale initiatieven tegen gunstiger tarieven lenen bij verstrekkers van vreemd vermogen. Ook hiervoor geldt dat uitvoering en beheer capaciteitsinzet en expertise vragen. Afgeven van een garantie heeft inv loed op het weerstandvermogen van de gemeente. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om dit instrument kostendekkend in te zetten door kosten door te berekenen aan het lokale initiatief. Vraag is of het dan gunstig is voor het lokale initiatief. Om lokale initiatieven tegemoet te komen in ontwikkelkosten kunnen gemeenten zich ook inzetten : • Gemeenten kunnen de projectontwikkeling door lokale initiatieven ondersteunen, bijvoorbeeld door voorbereidingskosten (deels) te financieren. Dit is een risicovol instrum ent dat niet kostendekkend kan worden ingezet.

LEI-F biedt lokale initiatieven ontwikkelfinanciering voor de ontwikkeling van projecten. Als een gemeente dit wil inzetten is het verstandig om te kijken naar bestaande instrumenten, zoals LEI -F. LEI-F is specifiek ingericht om in de risicovolle fase energie-initiatieven financieel bij te staan. Door te combineren worden risico’s gespreid. Subsidies Zoals eerder aangegeven vormen de ontwikkelkosten een knelpunt voor initiatiefnemers. In de ontwikkelfase gaat de kost voor de baat uit. De gemeente kan tegemoetkomen met subsidies om de kosten in de opstartfase van een lokaal energie-initiatief deels op te vangen. De provincie Overijssel heeft een voucher van 5.000 euro per initiatief beschikbaar voor deze fase. Expertise Gemeenten kunnen ervoor kiezen om lokale energie-initiatieven ‘in kind’ ondersteuning te bieden met expertise bij de ontwikkeling van projecten, bijv. op het gebied van ruimtelijke inpassing. Dit kan door in een vroegtijdig stadium in gesprek te gaan met initiatiefnemers over wensen en eisen, bijv. ten aanzien van landschappelijke inpassing, en hiervoor hulp en expertise aan te bieden.

Daarbij kan gedacht worden aan (sub)regionale mogelijkheden: - Bijvoorbeeld kennis en expertise, inzet op gezamenlijke administratie voor lokale initiatieven, ‘handjes’, medewerker die de organisatie (deels) uit handen neemt: indien daar behoefte voor is vanuit lokale initiatieven (parallel met energieloket?) - Naar het voorbeeld van de landelijke werkgroep: willen we verkennen of we regionaal een kwaliteitsbudget kunnen inrichten? Zijn hiervoor pilot-mogelijkheden vanuit NPRES? Aansluitkosten Gemeenten kunnen samen met de netbeheerder onderzoeken of de aansluitkosten voor kleinere energieprojecten kunnen worden beperkt. Bijvoorbeeld door het clusteren van een aantal kleinere projecten op één tussenstation. Hierdoor worden de bouwkosten voor het tussenstation, die worden doorberekend in de aansluitkosten, verdeeld over een aantal projecten. De gemeente kan de bo uw van een tussenstation faciliteren door bijvoorbeeld grond hiervoor ter beschikking te stellen. In de RES 1.0 is afgesproken dat op weg naar de RES 2.0 onderzocht wordt of er regionaal nadere afspraken gemaakt moeten worden om het realiseren van lokaal eigendom te stimuleren. Voor de energiecoöperaties in West-Overijssel is deze afspraak belangrijk, omdat deze regionale afspraken helpend zijn om hun rol in de realisatie van lokaal eigendom te kunnen oppakken.

Lokale Energie-initiatieven Het realiseren van lokaal eigendom vereist allereerst dat er lokale initiatieven zijn. Lokale gemeenschappen (wijken, buurten, dorpen, of groepen inwoners of bedrijven) moeten bereid zijn om de ontwikkeling van zon - of windprojecten zelf op te pakken. Die lokale initiatieven zijn er in West-Overijssel, maar niet overal en niet overal zijn het sterke en ervaren initiatieven als het om de opwek van zon en wind gaat. De huidige lokale energie-initiatieven kampen met capaciteitsproblemen en staan voor de opgave om een professionaliseringsslag te maken. Met name de benodigde capaciteit voor professionele en ervaren projectleiders verdient aandacht. 6 Er zijn ongeveer veertig LEI’s in de regio West-Overijssel, waaronder een groep van ca acht koplopers. Deze koplopers in West-Overijssel hebben aangegeven dat zij in de uitvoering van de RES willen bijdragen aan het streven naar lokaal eigendom. Daarbij ondersteunen zij waar mogelijk ook andere LEI’s in de regio. Op dit moment zijn in West Overijssel 28 projecten (mede) door energiecoöperaties gerealiseerd. 20 projecten bestaan uit ‘gebouwgebonden’ zon-PV (zon-op-dak), overwegend zogenaamde postcoderoosprojecten. De verdeling van de opwek laat een heel ander beeld zien. 55 GWh wordt opgewekt met de grootschalige projecten uit wind en zon; ruim 3 GWh komt voor rekening van zon-op-dak.

In totaal hebben de energiecoöperaties hiervoor ruim € 5 miljoen bij hun leden aan kapitaal opgehaald. In het voorjaar van 2021 is een inventarisatie onder alle energiecoöperaties in West Overijssel uitgevoerd. De coöperaties geven aan dat ze op dit moment werken aan ongeveer 40 nieuwe projecten, waarvan 3 grootschalige wind- en 18 zon-op-veld- projecten. Gezamenlijk zijn alle projecten, waar coöperaties nu bij betrokken zijn, goed voor de jaarlijkse opwek van 390 GWh. De coöperaties verwachten in deze projecten gemiddeld 75% aan Lokaal Eigendom te realiseren. Hiervoor zal circa € 20 miljoen aan risicodragen d kapitaal door de leden van de coöperaties worden opgebracht. Bron: Energiemonitor EnergieSamen 2020; inventarisatie onder energiecoöperaties, maart 2021. Bericht vanuit de energiecoöperaties West-Overijssel: Gedurende de afgelopen jaren zijn veel lokale initiatieven van de grond gekomen. Een deel ervan is gegroeid en heeft zich bekwaamd. Er zijn projecten gerealiseerd. Het was meestal een zeer pittige opgaaf voor

7 vrijwilligers met hart voor het klimaat, passie om revenuen lokaal te laten landen, maar niet direct met de ambitie om langdurig te maken te krijgen met de lastige regelgeving rond energieprojecten. Er is ervaring opgedaan met ruimtelijke ordening, techniek, met de businesscase, met financiering etc. e n last but not least met de (lokale) overheid. Regelmatig melden zich alweer nieuwkomers met initiatieven, nog maar net begonnen aan hun avontuur. Ervaringen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. De vraag rijst of al deze goedwillende mensen de ‘drive’ krijgen of houden om de schouders eronder te zetten. Wat is hiervoor nodig? Lokale initiatieven in West Overijssel werken samen en delen kennis en ervaring binnen de bijeenkomsten die Natuur en Milieu Overijssel en of de RES-organisatie organiseert (Community Of Practice Wind, overleggen LEI’s en webinars). Lokale initiatieven zijn verder vooral: lokaal geworteld en actief. De aanname is dat het lokale initiatief bijdraagt aan draagvlak. Dat is vast en zeker zo. Lokale mensen zijn bekend, kweken meer begrip, kunnen weerstand uit de omgeving beter aanvoelen en krijgen gemakkelijker mensen mee. Zij dragen het meeste bij aan het creëren van de lokale lusten. Er lekt geen geld weg. De energie die de goedwillende medemens in het proces kan stoppen is echter wel begrensd.

Als de weerstand die men ondervindt te groot wordt en het proces te lang duurt, haakt men af en is het heel moeilijk om nieuwe enthousiastelingen te vinden die het stokje overnemen. Daarmee wordt het riskant om de energietransitie te gronden op lokaal initiatief. De inzet van lokale initiatiefnemers is van algemeen belang voor het slagen van de energietransitie. De gehele gemeenschap heeft er dus belang bij. Het is belangrijk dat de overheid dat erkent en steunt met een uitgestoken hand. De overheid en een lokale initiatiefnemer hebben in de energietransitie ieders een eigen rol en verantwoordelijkheid. We doen het samen moet het devies zijn! De overheid en de initiatiefnemers samen vóór de kar en niet de initiatiefnemers ervoor en d e overheid erachter. Die remmende factor wordt nogal eens ervaren. Een gemeente die worstelt met de regelgeving, het gelijkheidsbeginsel, de financiën, de politieke verhoudingen, het draagvlak en angst om afgerekend te worden bij de eerstvolgende verkiezingsronde. Dit zijn allemaal punten waar een lokaal initiatief mee te maken kan krijgen en wat desastreus is voor het animo om zich in te (blijven) zetten. De genoemde punten zijn cruciale belemmeringen die kunnen (moeten) worden weggenomen en waarmee initiatiefnemers geholpen zijn. De volgende voorstellen reiken wij aan: 1.

Het is onlogisch om veel bouwleges te heffen op projecten die schone energie opwekken. Leges behoren kostendekkend te zijn en geen verdienmodel. Een voorbeeld: Zon op dak is vergunningsvrij . Bij zon op land wordt alle bouwkosten inclusief de panelen tot de bouwkosten gerekend. Dat leidt tot onbegrip. En ook, waarom moet de gemeente met de OZB heffing verdienen op de installaties voor zon en wind? Wat draagt de gemeente dan bij aan de energietransitie? Initiatiefnemers, in casu vrijwilligersorganisaties, zouden het toejuichen als een gemeente deze inkomsten terugsluist in de vorm van een subsidie voor lokale duurzame energieprojecten. 2. Het punt van de landschappelijke inpassing kan eveneens beperkend werken. Gemeente en provincie doen er verstandig aan om dit te matigen. Veel extra investeringen in huurlasten en aanlegkosten rondom een project drukken de haalbaarheid. Bij zon op land zou een ‘extra’ oppervlak van 10% of nog minder als er al landschapselementen aanwezig zijn, voldoende moeten zijn. 3. Leges pas heffen als het project doorgang vindt en gefinancierd is, zo neemt de gemeente ook een stukje risico. 4. Gemeenten zullen op voorhand alle initiatiefnemers gelijk moeten behandelen als het gaat om het ruimtelijk beleid. Toch staat het de gemeente vrij om de lokale initiatieven te steunen met subsidie. Dat vergemakkelijkt de taak van het lokale initiatief.

De businesscase komt iets gemakkelijk rond en/of er kan meer gedaan worden voor de omgeving. 5. Gemeenten zouden voor (een deel van) de hypotheeklasten borg kunnen staan, waardoor de te betalen rente omlaag kan. Daarmee draagt de gemeente (dus de hele gemeenschap) mede een stukje het risico. Het risico is er immers wel en het is niet plezierig als dit geheel afgewenteld wordt op de lokale initiatiefnemers die immers in het algemeen belang opereren. 6. Het is rampzalig als, nadat langdurig inspanningen zijn gedaan, de gemeenteraad de plannen afkeurt vanwege bezwaren of (vermeend) gebrek aan draagvlak. Daarvan dient de politiek, gevoelig voor de omgeving, zich bewust te zijn. Daarom dienen, voordat het proces begint, goede afspraken gemaakt te worden met de initiatiefnemers om teleurstellingen achteraf te voorkomen. Je zou kunnen denken aan een samenwerkingsovereenkomst waarbij de overheid en het lokaal initiatief zich committeren aan het te 8 voeren proces. Initiatiefnemers moeten zich gesteund weten door de politiek en de goedkeuring van de politiek moet niet voortdurend als het zwaard van Damocles boven het proces hangen. Het is aan de gemeente(n) om antwoord te geven op genoemde punten. Als het antwoorden bevredigend zijn, ontstaat er animo bij initiatiefnemers om aan de slag te gaan en zich gesteund te voelen.

Randvoorwaarden gesteld door de LEI’s In het bericht vanuit de energiecoöperaties geven de LEI’s zelf al een zestal punten aan die voor hen van belang zijn in de samenwerking met gemeenten die voor hen van belang zijn. Om hun rol en aandeel te kunnen nemen in het realiseren van de regionale doelstelling voor lokaal eigendom stellen de energiecoöperaties van West-Overijssel de volgende randvoorwaarden: - Hanteren van duidelijke beleidskaders met inpassingseisen die ruimte laat in de businesscase om lokaal profijt te realiseren voor inwoners. - Hanteren van een duidelijke rolverdeling tussen verantwoordelijkheden van overheid en LEI’s: o De overheid stelt vooraf de kaders, communiceert met inwoners over beleid zon/wind en ruimtelijke consequenties en voert daarover de dialoog. De overheid heeft deze verantwoordelijkheid vanwege de democratische inbedding van de gemeenteraden en PS. Een initiatiefnemer kan dit nooit doen. o LEI’s kunnen binnen dat beleid een wind- of zonproject (mede)te realiseren samen met de lokale bevolking/bedrijven en zo het lokaal eigendom vormgeven, inclusief de dialoog met en de participatie van omwonenden binnen dat project. - Garantstelling aan LEI’s voor leningen die in de ontwikkelfase door hen wordt afgesloten bij bijvoorbeeld banken.

Zo hebben inwoners/particulieren in de gemeente die financieel participeren in een zon/windpark een waarborg op hun inleg. - De gemeente en het LEI leggen in een (anterieure)overeenkomst vooraf afspraken vast over onder andere de samenwerking en bijbehorende rol/taakverdeling, de planning, communicatie en kosten. - De gemeenten binnen de RES West Overijssel hanteren een uniform traject en procedure voor de vergunningen die werkbaar is voor de LEI en een gezonde businesscase niet belemmert. - Uniformering en maximering leges en OZB-aanslagen. - Het realiseren van een onafhankelijke ondersteuningsfaciliteit binnen de RES West Overijssel met expertise/professionals en capaciteit om beschikbaar te stellen aan elk LEI en daarmee kennis en ervaring te delen met en tussen de LEI’s en de LEI’s (waar nodig) te professionaliseren en te verzelfstandigen. Afspraken over samenwerking energiecoöperaties De bestaande LEI’s in West-Overijssel werken samen om hun rol in het realiseren van lokaal eigendom van zon- en windprojecten in West-Overijssel op te kunnen pakken. Ook ontstaan er samenwerkingsverbanden tussen buurcoöperaties, soms over RES-grenzen heen (zoals tussen Deventer Energie Cooperatie en LochemEnergie bijvoorbeeld). Er is een kopgroep van ongeveer acht energiecoöperaties waarmee wordt overlegd over de RES West - Overijssel.

Vertegenwoordigers van vier van deze acht coöperaties vormen de werkgroep LEI’s. Deze werkgroep werkt actief mee in bijvoorbeeld de werkgroep Lokaal Eigendom, draagt bij aan regionale bijeenkomsten en een van deze vier werkgroepleden is lid van de adviesgroep. De ongeveer 40 LEI’s in West-Overijssel worden periodiek uitgenodigd om bij te praten over de RES West- Overijssel. Door corona hebben die bijeenkomsten het laatste jaar niet plaatsgevonden. In april 2021 zijn de LEI’s tijdens een online bijeenkomst bijgepraat over de RES. De webinar Samenwerking Energiecoöperaties RES West-Overijssel vormde de aftrap voor een bijeenkomst later in 2021, waarbij de energiecoöperaties zich buigen over de vraag hoe zij willen samenwerken en hoe zij gezamenlijk bij kunnen dragen bij de realisatie van lokaal eigendom in de RES-regio West-Overijssel. 9 Er is veel beweging in West-Overijssel, er zijn een paar sterke LEI’s en mede door hun inspanningen groeit de samenwerking, maar over de hele linie is er nog wel een slag te maken. Het realiseren van lokaal eigendom in West-Overijssel vereist sterke en professionele energie-initiatieven die hun ervaring kunnen inzetten om nieuwe initiatieven te ondersteunen. Op dit moment is die basis v an sterke en professionele energie- initiatieven smal en ligt er nog geen sterke infrastructuur om goed samen te kunnen werken.

De komende jaren zal hier inzet op moeten worden gepleegd door zowel de LEI’s zelf, als door gemeenten en provincie (NEO/NMO). Afspraken over faciliterend beleid In de RES 1.0 is afgesproken dat elke gemeente in West-Overijssel lokaal eigendom borgt in het lokale duurzaamheidsbeleid en het ruimtelijkeordeningsbeleid. De ‘Menukaart Beleidskader Lokaal Eigendom’ (zie bijlage II), die juridische getoetst wordt, faciliteert dit borgingsproces. Afspraak is dat deze borging in beleid zoveel als mogelijk in 2021 haar beslag krijgt, maar in ieder geval per 1 januari 2023 gereed is, zodat hierover gerapporteerd kan worden in de RES 2.0. In het de RES 1.0 is ook afgesproken dat we in de RES-regio West-Overijssel streven naar een gebiedsgerichte en grensontkennende aanpak bij de realisatie van grootschalige zon op veld en windprojecten. Dit betekent dat vanaf de start van de uitvoering naar een wind- of zonproject alle omwonenden in een zoekgebied of in een brede omtrek rondom een projectlocatie actief worden uitgenodigd om mee te praten en mee te doen en dat dit gebeurt ongeacht gemeentelijke, RES- of landsgrenzen. Voorafgaand aan de start van participatietrajecten maken buurgemeenten afspraken over het betrekken van inwoners bij energieprojecten in de grensgebieden van hun gemeente. Ook dit streven wordt geborgd in het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid.

De gebiedsgerichte aanpak geeft ruimte om afspraken te maken over het (deels) in lokaal eigendom ontwikkelen van het zon- of windproject en over het socialiseren van de grondvergoedingen. De beleidsvoorstellen voor het scenario de stimulerende gemeente uit de ‘Menukaart Beleidskader Lokaal Eigendom’ (uitnodigingsplanologie/ maatschappelijke tender) ondersteunt deze gebiedsgerichte aanpak bij grootschalige opwek zon en/of wind. Wanneer energiecoöperaties in bovenlokale zoekgebieden met elkaar samenwerken om zon - en windprojecten gezamenlijk te realiseren, dan zijn zij gebaat bij uniforme vergunningen (inclusief het vergunningstraject) en uniforme regelingen voor bijvoorbeeld leges en OZB -heffingen die de gemeenten hanteren in dat bovenlokale gebied. Vergunningen, leges en heffingen vallen onder de lokale autonomie en daarmee is het aan de gemeenten in dit bovenlokale gebied om daar afspraken over te maken als er knelpunten of problemen ontstaan op dit gebied. In de RES 1.0 is afgesproken dat richting RES 2.0 er gekeken wordt welke regionale afspraken er op dit terrein gemaakt kunnen worden om de samenwerking tussen energiecoöperaties te faciliteren. Afspraken over uitwisselen van kennis en ervaring De RES-regio en NEO zijn primair verantwoordelijk voor het (organiseren van) de uitwisseling van kennis en ervaring.

Binnen de samenwerking tussen de RES West-Overijssel en NEO worden eventueel zogenaamde werkplaatsen ingericht. Dit zijn plekken waar kennis uitgewisseld kan worden, informatie en faciliteiten beschikbaar zijn en waar partijen samen kunnen werken op onderdelen van de energietransitie. Voorstel is om een werkplaats participatie/lokaal eigendom op te richten, waarin de projectorganisatie van de RES-regio, NEO, NMO, de gemeenten, de provincie en de waterschappen en de LEI’s / inwoners samenwerken 10 om kennis en ervaringen rondom lokaal eigendom uit te wisselen. NEO richt zich daarbij primair op marktpartijen en individuele LEI’s en legt de focus op de uitvoering. De provincie/NMO en de RES-regio richten zich daarbij primair op de samenwerkende LEI’s op bovenlokaal en regioniveau. De RES -regio en de gemeenten leggen de focus daarbij op faciliterend beleid en de stimulering en facilitering van lokaa l eigendom. De projectorganisatie op regioniveau signaleert en adresseert knelpunten in de uitvoering en vertaalt dit in te maken regionale afspraken. Binnen deze eventuele werkplaats is er ook ruimte om een onderdeel LEI’s in te richten (in samenwerking met NMO) om expertise beschikbaar te stellen aan de LEI’s en kennis en ervaring te delen met en tussen de LEI’s en de LEI’s (waar nodig) te professionaliseren en te verzelfstandigen.

Financiële onderbouwing Om inzicht te krijgen in de benodigde private investeringen om de doelstelling van minimaal 50% lokaal eigendom te kunnen realiseren, heeft de Participatiecoalitie voor elke RES -regio berekent wat er aan privaat kapitaal nodig is. Voor een project in 100 procent lokaal eigendom is gemiddeld tussen de 10 en 20% van de totale ontwikkelkosten nodig als eigen vermogen. De rest wordt gefinancierd door vreemd vermogen, meestal van banken. (Wanneer een project in 50% lokaal eigendom wordt gerealiseerd, is dus 5 – 10% van de totale ontwikkelkosten als eigen vermogen nodig.) Overigens geldt ook voor commerciële partijen dat zij dit percentage van de ontwikkelkosten als eigen vermogen nodig hebben om het restant van de ontwikkelkosten met vreemd vermogen te kunnen realiseren. Volgens de berekeningen van de Participatiecoalitie is in West-Overijssel op een totaal geschatte investering van ongeveer een half miljard euro een totaal eigen vermogen nodig van ca. 80 miljoen euro. Van dat totale benodigde eigen vermogen zit ca. 25 miljoen in de eerste investeringsfase (fase voor financial close) en is daarmee extra risicodragend. De cijfers rondom het benodigd eigen vermogen zijn bedoeld om inzicht te geven in wat er nodig is aan particulier vermogen om projecten in lokaal eigen vermogen te kunnen realiseren.

Het bijeenbrengen van dit particulier vermogen verloopt tot nu toe overal in het land vrijwel probleemloos en vormt daarmee op dit moment geen groot risico voor het uitvoeren van de regionale doelstelling. Dat biedt echter geen g aranties voor de toekomst. We weten niet of er op een gegeven moment een soort plafond bereikt is, waarna de investeringsbereidheid afneemt. Wijzigingen in het rentebeleid die leidt tot hogere rentes op spaartegoeden kunnen ook effect hebben op de investeringsbereidheid. Het realiseren van minimaal 50% lokaal eigendom vraagt capaciteit en middelen van overheden, bijvoorbeeld in de ondersteuning van lokale initiatieven, het delen van kennis en ervaring en het zoeken naar oplossingen van knelpunten die we onderweg tegenkomen. Het betekent vaak dat je aan de voorkant van projecten wat meer moet investeren, dan wanneer je het ‘overlaat aan de markt’. Tegelijkertijd leert de ervaring dat de projecten die in lokaal eigendom zijn gerealiseerd aan de achterkant minder kosten opleveren voor overheden, bijvoorbeeld omdat er minder bezwaar-en beroepsprocedures gevoerd hoeven te worden. Het gezegde ‘vertragen om te versnellen’ geldt hier niet alleen in tijd, maar ook in kosten die overheden maken. Gemeenten ervaren op dit moment problemen op het gebied van zowel de benodigde middelen als de benodigde capaciteit.

Dit punt is en wordt vanuit de projectorganisatie geadresseerd bij het NP RES. Het capaciteitsprobleem in geld en mankracht vormt een risico voor de uitvoeri ng van de regionale doelstelling. Randvoorwaarden Een aantal randvoorwaarden liggen buiten de invloedssfeer van de RES -regio. Maar die randvoorwaarden zijn wel belangrijk om de doelstelling van minimaal 50% lokaal eigendom te kunnen realiseren. Deze randvoorwaarden zijn opgenomen in de RES 1.0. 11 Bijlage I Rapport Keuzes en Scenario’s Lokaal Eigendom 12 Keuzes en Scenario’s Lokaal Eigendom 10 december 2020 Werkgroep Lokaal Eigendom RES West-Overijssel

13 Keuzes en Scenario’s Lokaal Eigendom Dit document gaat over lokaal eigendom. Het gaat over hoe je als overheid je ambitie bepaalt, hoe je beleid opstelt op het onderwerp lokaal eigendom en over welke rol je als overheid pakt om lokaal eigendom te realiseren. Dit beleidsveld is enorm in ontwikkeling. Het gaat dan ook om experimenteren en uitproberen. Sommige zaken kunnen aan de voorkant helder geregeld en georganiseerd worden. Andere zaken zullen werkende weg ontdekt moeten worden. Wat is lokaal eigendom? Lokaal eigendom betekent dat bewoners en/of bedrijven uit de lokale gemeenschap eigenaar of mede-eigenaar zijn van een zonneveld of windmolen. Dat eigendom is vaak een collectief eigendom, vaak in de vorm van een coöperatie of en andere passende rechtsvorm. Soms is het collectief van bewoners en/of bedrijven voor 100% eigenaar van het zonneveld of windmolen, soms voor een gedeelte, waarbij er wordt samengewerkt met een commerciële projectontwikkelaar. In West-Overijssel hanteren wij de volgende definitie voor lokaal eigendom: een collectief van lokale inwoners en/of lokaal gewortelde bedrijven die gezamenlijk (mede-)eigenaar zijn van zon- of windprojecten. Dit kan een wijk, buurt of dorp zijn die zich verenigd om een zon- of windproject te realiseren, een collectief van lokaal gewortelde agrariërs of bedrijven of een lokale energiecoöperatie.

Het gaat in West-Overijssel wel om een collectief: één lokale agrariër of één lokaal bedrijf dat een zon- of windproject zelfstandig realiseert zonder daar de omgeving van mee te laten profiteren in de opbrengsten beschouwen we niet als lokaal eigendom. ‘Lokaal geworteld’ is een gangbare definitie in de ruimtelijke ordening. Als definitie hanteren we de definitie van de provincie Overijssel: ‘bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen.’ Binnen deze kaders bepaalt iedere gemeente zelf wat als lokaal gezien wordt. Een gemeente(raad) kan ervoor kiezen dit af te wegen per project en initiatiefnemer of hier een aantal criteria aan verbinden in het (energie)beleid. Zeggenschap over de opbrengsten De opbrengsten van een project is dat wat overblijft na betaling van kosten, rente en aflossing. Overigens zitten in die laatste categorie ook al opbrengsten verwerkt voor hen die financieel participeren. De hoeveelheid zon of wind en de energieprijs is in belangrijke mate van invloed op het resultaat.

De opbrengsten van een project in lokaal eigendom kunnen ingezet worden voor plaatselijke doelen, zoals een bijdrage in duurzaamheidsmaatregelen in woningen, het open houden van een school of een gemeenschapsgebouw of de aanleg van glasvezel in het buitengebied. De inwoners en bedrijven die lid zijn van de coöperatie bepalen hoe de opbrengsten besteed worden. Daarbij hoeft het niet uit te maken wie wel of niet zelf geïnvesteerd heeft in het project. Dit is afhankelijk van het gekozen model. 14 Figuur 1: Wat is lokaal eigendom Financiering Het aandeel eigendom bepaalt ook het aandeel dat geïnvesteerd moet worden. Maar eigendom betekent niet dat alle kosten zelf opgebracht moeten worden. Als een energiecoöperatie een zonnepark of windmolen in 100% eigendom bouwt, dan betekent dat in de praktijk dat die energiecoöperatie 10 tot 20% van de totale kosten zelf met eigen vermogen in dat zonnepark of die windmolen moet stoppen. De rest wordt gefinancierd door externe financiers, vaak zijn dat banken. Dat eigen vermogen creëert de coöperatie door geld op te halen in de gemeenschap: de leden van die coöperatie en inwoners in de regio kunnen dan investeren in het project tegen een aantrekkelijke rente. Dit gebeurt vaak in de fase dat de omgevingsvergunning voor het zonnepark of de windmolen al door de gemeente is verleend. Daarmee is het risico dat de investeerders nemen niet heel groot.

Als de energiecoöperatie voor 50% eigenaar is van het energieproject, dan heeft ze ook de helft aan eigen vermogen nodig (vaak 5 – 10% van de totale kosten). De eerste fase van het project, als er plannen worden gemaakt en de benodigde vergunningen worden aangevraagd, is de meest risicovolle fase. Het project kan dan immers nog op allerlei gronden niet doorgaan terwijl er wel al kosten worden gemaakt. In Overijssel kunnen energiecoöperaties in deze fase terecht bij de provincie om een bijdrage in deze kosten te krijgen. De provincie draagt dan het risico, dat betekent dat deze lenig wordt kwijtgescholden als het project niet door zou kunnen gaan.

15 Figuur 2: Risico en opbrengsten per ontwikkelfase (bron: Masterclass 50% lokaal eigendom participatiecoalitie.) Waarom lokaal eigendom? In het Klimaatakkoord hebben we in Nederland met elkaar afgesproken dat we gelijkwaardig willen samenwerken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van hernieuwbare energie. Door te streven naar 50% lokaal eigendom geven we lokale gemeenschappen zeggenschap over de energietransitie en houden we de opbrengsten lokaal. Bovendien zijn het lokale mensen die het zonnepark of de windmolen bouwen en zij zijn van nature betrokken bij die gemeenschap. Hun aanpak is erop gericht om de omgeving goed te betrekken bij het project en de lusten en de lasten zo eerlijk mogelijk te verdelen. Dat schept vertrouwen en is de basis voor goed overleg. Daardoor ontstaat er meer draagvlak voor de energietransitie. Mogelijke varianten van lokaal eigendom Om een beter beeld te schetsen van lokaal eigendom benoemen we hieronder een aantal varianten die in de praktijk toegepast worden en deze illustreren we met voorbeelden. Honderd procent lokaal eigendom Bij honderd procent lokaal eigendom ligt de zeggenschap voor honderd procent bij (een collectief van) inwoners, bedrijven of de gemeente. Dit collectief is vaak verenigd in een coöperatie. Het kan ook een collectief van coöperaties zijn, bijvoorbeeld bij grote projecten die gemeente overstijgend zijn.

16 Voorbeelden hiervan zijn de dorpsmolen Redum, windpark Bovenwind Staphorst, het windpark van IJsselwind bij Zutphen (4 coöperaties). Ook projecten waarbij de gemeente voor 100% eigenaar is, zoals het zonnepark van de gemeente Twenterand of het zonnepark Leemdijk vallen onder deze categorie. Figuur 3: Voorbeeld 100% eigendom (IJsselwind) Gedeeld lokaal eigendom Een andere veelvoorkomende variant betreft gedeeld lokaal eigendom. Hierbij ontwikkelen professionele ontwikkelaars in samenwerking met lokale partijen zoals energie-coöperaties energieprojecten. De eigendomsverhouding kan verschillen per project. Vaak wordt er gekozen voor 50 – 50 (in lijn met streven Klimaatakkoord) maar andere verhoudingen zijn ook gangbaar. Voorbeelden van deze variant zijn het Windpark Deventer, Zonnepark Eerbeek en Windpark Krammer. Figuur 4: Voorbeeld 51% lokaal eigendom (Windpark Krammer) Lokaal eigendom in de exploitatiefase Het is ook mogelijk om lokaal eigendom te realiseren in de exploitatiefase. Een commerciële partij ontwikkelt dan het zonnepark en draagt het daarna over aan een energiecoöperatie of wijk- of

17 buurtcomité. In deze variant hebben de inwoners evenwel geen zeggenschap (op grond van eigenaarschap) in de ontwikkelfase, de mate van hun invloed is in die fase dus afhankelijk van de ontwikkelende partij. Voorbeelden van deze variant zijn de Bomhofsplas en de Sekdoornseplas in Zwolle. Figuur 5: Lokaal eigendom in de exploitatiefase (Bomhofsplas) Lokaal eigendom in relatie tot andere vormen van (financiële) participatie Naast zeggenschap en de revenuen in de gemeenschap houden is een eerlijke verdeling van de lusten en de lasten belangrijk. Lokaal eigendom sluit andere vormen van financiële participatie niet uit. Ook bij projecten die in lokaal eigendom worden gerealiseerd zullen keuzes gemaakt moeten worden over grondvergoedingen, omwonendenregelingen, het instellen van een gebiedsfonds of inwoners de mogelijkheid bieden te investeren in het project. Figuur 6: Participatievormen in de projectfase 18 Hoe werk ik als gemeente aan het realiseren van lokaal eigendom? In de RES 1.0 van RES West-Overijssel is de volgende regionale doelstelling opgenomen: minimaal 50% lokaal eigendom voor de projecten wind en grootschalige zon op land in 2030. . Elke gemeente in de RES-regio West-Overijssel bepaalt zelf of de doelstelling minimaal 50% lokaal eigendom per project beoordeeld wordt of over het geheel van het door deze gemeente uitgebrachte bod.

In de ontwikkelfase naar de RES 1.0 is gekeken wat er regionaal geregeld moet worden om deze doelstelling te kunnen realiseren en wat lokaal. Het is zaak te bepalen wat het doel van lokaal eigendom voor iedere gemeente is, waar de overlap met andere gemeenten zit maar ook de verschillen. Speciale aandacht gaat hierbij uit naar die projectlocaties die gemeente overstijgend zijn. Hoe ga je om met verschillende visies op lokaal eigendom binnen één project. Het is zeer wenselijk om te zorgen dat binnen projectgebieden dezelfde regels gehanteerd worden. Dit om rechtsongelijkheid tussen inwoners van het gebied te voorkomen. Hiermee wordt een gelijk speelveld gecreëerd. In de ontwikkelfase naar de RES 2.0 zal opnieuw naar een aantal maatregelen gekeken worden en onderzocht worden waar aanvullende regionale afspraken nodig zijn. Onderstaand stappenplan moet gemeenten handvaten geven bij de ambitiebepaling en de beleidsmatige uitwerking van lokaal eigendom. Stap 1: Bepalen doel en ambitie Om te bepalen wat de gemeentelijke inzet wordt op het gebied van lokaal eigendom is het belangrijk eerst de eigen ambitie voor lokaal eigendom vast te stellen. Daarvoor zijn de vragen zoals geformuleerd in onderstaand schema van belang.

Als gemeente is het belangrijk het lokale speelveld te verkennen en de kansen en mogelijkheden te bespreken met relevante lokale stakeholders, zoals duurzaamheidsverenigingen, wijk en dorpsraden, ondernemers en (wanneer deze er al zijn) de energiecoöperaties. Vervolgens is het van belang de afweging te maken hoe lokaal eigendom in de gemeente ingezet gaat worden. Is lokaal eigendom een belangrijke voorwaarde en hoever gaat de gemeente om dit te realiseren? Belangrijk daarbij is het gesprek te voeren over de doelstellingen die je als overheid wilt bereiken met lokaal eigendom. Gaan deze alleen over het organiseren van zeggenschap en regie of gaat het bijvoorbeeld ook over het genereren van inkomsten voor het gebied en/of de gemeente. Dat gesprek voer je intern maar bij voorkeur ook met relevante stakeholders als het lokaal bedrijfsleven, energie- initiatieven, betrokken inwoners en het maatschappelijk middenveld. Regionaal hebben we dit gesprek ook gevoerd en daaruit bleek dat de revenuen in de lokale gemeenschap houden en zeggenschap voor inwoners voor West-Overijssel belangrijke onderdelen van dat lokaal eigendom zijn die in energieprojecten goed geborgd moeten zijn. Deze doelstellingen bepalen vervolgens de beleidsmatige inzet op lokaal eigendom. Het kan overigens prima zo zijn dat een beleidsuitgangspunt per project verschillend uitpakt.

Ook bij een streven naar 100% lokaal eigendom is het soms belangrijk projecten met andere verhoudingen in 19 lokaal eigendom, maar bijvoorbeeld met groot draagvlak, te kunnen realiseren. Figuur 7: Schematische weergave stap 1 Onderstaand schema geeft aan welke rollen de overheid kan spelen bij energieprojecten. De gekozen rol is uiteindelijk ook bepalend voor het beleid en de in te zetten instrumenten. Bij een passieve rol regel je lokaal eigendom alleen via je beleid. Bij een ontwikkelende rol ben je zelf ook één van de ontwikkelende partijen. In alle gevallen gaat het bij het realiseren van projecten om een samenwerking tussen overheid, inwoners en de markt. Elk met hun eigen rol en belang. De keuze welke rol een gemeente wil invullen om lokaal eigendom te realiseren is een belangrijk startpunt voor de invulling van de volgende stappen. Een antwoord op de vragen uit stap 1 geeft mede sturing aan de uitwerking van beleid en instrumentarium. Stap 2: Verankering in beleid Nadat doel en ambitie per gemeente is bepaald kan regionaal bepaald worden waar de overlap ligt en waar de verschillen. Op basis hiervan kan gekeken worden welk beleid eventueel regionaal (of in ieder geval lokaal uniform) opgesteld kan worden.

Wat regelen we regionaal en wat lokaal? Zoals eerder gezegd hebben we regionaal in West-Overijssel een aantal zaken geregeld en kijken we richting RES 2.0 welke aanvullende afspraken op regionaal niveau nodig zijn. De gemeente stelt duurzaamheidsbeleid vast met daarin voorwaarden voor planologische medewerking, ze stelt het bestemmingsplan vast en verleent de benodigde vergunningen. Tenslotte

20 zorgt gemeentelijk beleid voor maatwerk en aansluiting bij de lokale situatie. Duurzaamheidsbeleid De gemeenten en provincie kunnen de touwtjes in handen houden en sturen op goede processen via beleidsregels. Voor de gemeente geldt dat op basis van dit beleid gekeken wordt of alle partijen rondom de ontwikkeling van een hernieuwbaar energieproject zich aan de afspraken gehouden hebben, een open en transparant proces hebben doorlopen en zich hebben ingezet om met de omgeving tot afspraken te komen rondom participatie. Met andere woorden: krijgen de inwoners in voldoende mate toegang tot en zeggenschap over het ontwikkelingsproces en de exploitatie en opbrengsten van wind- en zonneparken? De ambities en doelstellingen bepaald na het doorlopen van stap 1 moeten expliciet geborgd worden in het duurzaamheidsbeleid van de gemeente. Ruimtelijke kaders (Omgevingsvisie en plan) In de ruimtelijke kaders regelen gemeenten en provincie welke gebieden wel of niet geschikt zijn voor welk type van grootschalige opwekking. Hierin neemt men ruimtelijke overwegingen mee zoals bijvoorbeeld natuur en landschapswaarden, cultuurhistorische waarden, biodiversiteit, etc. Ook het belang van participatie en lokaal eigendom dient hier opgenomen te worden, maar met een duidelijke verwijzing naar het duurzaamheidsbeleid.

Vanuit het ruimtelijk spoor alleen valt de mate van participatie of de toepassing van lokaal eigendom niet af te dwingen! Uitwerking beleid en instrumentarium Het is afhankelijk van de ambitie van een gemeente hoe ze vervolgens uitwerking wil gaan geven aan dit beleid. Hiervoor zijn verschillende instrumenten beschikbaar. In stap 3 zijn drie scenario’s uitgewerkt om vorm te geven aan het beleid en bijbehorend instrumentarium. Daarbij zijn drie verschillende rollen gekozen. Die van de kaderstellende gemeente (scenario 1), een gemeente die het beleid op orde heeft maar de uitvoering volledig aan de markt laat. Die van de stimulerende gemeente (scenario 2), een gemeente die naast beleid ook stuurt op het soort initiatieven dat ontwikkeld wordt en randvoorwaarden bepaald per project (of gebied). Die van de ontwikkelende gemeente (scenario 3), een gemeente die zelf energieprojecten ontwikkeld. Overigens kan ook een gemeente die voor scenario 2 of 3 kiest voor bepaalde gebieden of projecten voor een andere invulling kiezen. Bijvoorbeeld een gemeente die voor één grote locatie ervoor kiest om (mede) zelf te ontwikkelen, maar voor andere locaties dit aan de markt of lokale initiatieven laat. Stap 3: Keuze uit drie scenario’s In stap 3 kiest de gemeente een scenario om vorm te geven aan lokaal eigendom, past het duurzaamheidsbeleid hier op aan en gaat instrumentarium ontwikkelen.

Scenario 1: de kaderstellende gemeente In het scenario “de kaderstellende gemeente” wordt expliciet de keuze gemaakt om lokaal eigendom te organiseren door het opstellen van helder beleid en ruimtelijke kaders. Per project wordt bekeken of deze voldoet aan het beleid en wordt er waar mogelijk gestuurd op de gewenste uitkomst. Hierbij richt de gemeente zich met name op het sturen op locaties en projecten via ruimtelijk beleid (aansluitend op duurzaamheidsbeleid). De juridische afdwingbaarheid van lokaal eigendom is in dit scenario beperkt. 21 Scenario 2: de stimulerende gemeente In dit scenario voert de gemeente uitnodigingsplanologie waarbij maximaal gestuurd wordt op randvoorwaarden. Dit doet zij door bijvoorbeeld voor bepaalde locaties aanbestedingen uit te schrijven (ook wel maatschappelijke tender genoemd). Hierdoor houdt de gemeente aan de voorkant relatief veel regie en laat dit gedurende het proces richting uitvoering meer en meer los. Scenario 3: de ontwikkelende gemeente In dit scenario treedt de gemeente zelf op als (mede)ontwikkelaar van energieprojecten. Dit doet zij door onder andere een actief grondbeleid te voeren op locaties en zelf te investeren in projecten. De eigen gronden kunnen al in eigen bezit zijn of verworven worden (bv met inzet het voorkeursrecht gemeenten).

Het voordeel is dat de gemeente maximale regie heeft over alle randvoorwaarden van het project en ook het maximale rendement kan behalen. Nadeel zijn de eventuele financiële risico’s en het verlies van de onafhankelijke positie. Figuur 8: De drie scenario’s. De aanpak is belangrijk Bij alle drie de scenario’s is het belangrijk een goede gebiedsaanpak te organiseren. Een goede aanpak bij projecten gericht op acceptatie is erg belangrijk voor het welslagen van het project, maar ook voor het draagvlak voor het gemeentelijke energiebeleid in brede zin. In scenario 1 kan dit georganiseerd worden door ontwikkelende partijen middels leidraden een stappenplan mee te geven om mee te werken en waarlangs bovendien later de participatie kan worden beoordeeld. Bij scenario twee en drie zit je als gemeente meer aan het stuur om dit proces zelf vorm te geven. Een goede gebiedsaanpak Voor de procesparticipatie kan hier bijvoorbeeld gedacht worden aan het opzetten van een

22 OmgevingsAdviesRaad, waarin alle partijen rond een lokaal initiatief bij elkaar worden gebracht om te komen tot een optimaal project met maximale acceptatie (draagvlak ) in de omgeving. De gemeente treedt hier op als een ‘onafhankelijke’ partij. Een goed voorbeeld hiervan is de gemeente Hardenberg die ervoor kiest zelf geen partij te zijn in deze raad. Stap 4: Uitvoeringsstrategie Het gekozen scenario bepaald voor een groot deel de uitvoeringsstrategie. Bij scenario 1 zit je als gemeente voornamelijk in de controlerende en monitorende rol. In de opvolgende scenario’s wordt dit aangevuld met relevant instrumentarium ter ondersteuning of ontwikkeling van projecten. Scenario 1: de kaderstellende gemeente Monitoren uitvoering conform beleidskaders. Uitvoering is volledig aan de markt (commerciële projectontwikkelaars en/of energiecoöperaties). Scenario 2: de stimulerende gemeente Faciliteren rol lokale initiatieven 1. Stimuleren Stimuleer dat er lokaal initiatieven (bijv. energiecoöperatie) ontstaan, die zich opwerpen voor het vertegenwoordigen van ‘50% lokaal eigendom’ bij het ontwikkelen en realiseren van duurzame opwek. 2. Faciliteren Ondersteun lokale initiatieven met ‘woord en daad’ en – zo nodig – financieel. Hieronder valt het op gang helpen van een lokaal initiatief met adviezen, opzetten van een administratie, communicatie naar de burgers etc.

Activeren rol lokale initiatieven 3. Garanderen Projectontwikkeling kost geldt. In het begin gaat het om relatief weinig kosten met een hoog risicoprofiel; allengs nemen de kosten toe, maar neemt het risico af. Lokale initiatieven hebben moeite om de hiervoor benodigde middelen bij elkaar te brengen. De gemeente kan helpen door zich hiervoor garant te stellen. De gemeente kan zich bijvoorbeeld garant stellen voor de rente en aflossing van de aangetrokken lening, zowel bij de ontwikkeling als bij de investering. Waarbij het grootste risico zit in de ontwikkelingsfase. Bij goede exploitatie afspraken zit het overige risico in de hoeveelheid opgewekte stroom en de marktprijs van energie. Het is belangrijk dat de gemeente zich op een vroeg moment uitspreekt over de gemeentelijke kosten t.b.v. het project, zoals aanvraag vergunning/leges, grondkosten (indien gemeentelijke grond), WOZ etc. 23 4. Financieren De provincie en/of gemeenten kunnen een lening verstrekken voor de ontwikkeling en realisatie van een project, mogelijk tegen aantrekkelijke voorwaarden. Hiervoor kan met het eigen Treasury beleid aanpassen. Scenario 3: de ontwikkelende gemeente Ontwikkelen eigen projecten 5. Investeren De gemeente kan zelf een aandeel nemen in het project bij de realisatie door de inbreng van Eigen Vermogen.

Naar rato van het aandeel vloeien de revenuen ‘automatisch’ in de vorm van dividend terug naar de gehele gemeenschap. 6. Tot slot zou de gemeente ook de rol van ‘energieleverancier’ (energiebedrijf) op zich kunnen nemen. Deze positie valt buiten de scope van de Regionale Energiestrategie en wordt daarom niet verder uitgewerkt. Stap 5: Realisatie projecten In deze stap wordt het gekozen beleid en instrumentarium ingezet om tot projecten te komen. Daarbij is de betrokkenheid van de gemeenten bij het bereiken van lokaal eigendom afhankelijk van het gekozen scenario. 24 Bouwstenen Wat regelen we samen (in RES verband)? Wat is “onze” eigen ambitie? Gemeente en provincie Wat is “onze” gezamenlijke ambitie? RES regio Wat regelen gemeenten zelf (maar wel zo uniform mogelijk)? Gemeentelijk beleidskader Instrumenten Wat is onze regionale uitvoeringsstrategie (wat doen we samen) Wat regelen gemeenten zelf (maar wel zo uniform mogelijk) Provinciaal beleidskader Ondersteuningsstructuur lokale energie-initiatieven bv Energiebedrijf Projecten Stap 1 Stap 2 Stap 3 Stap 4 Stap 5 25 Colofon December 2020 / mei 2021, Zwolle Auteurs Leander Broere Els Holsappel Werkgroep Lokaal EigendomThijs Mosterman (gemeente Dalfsen) Jan Albert Westenbrink (gemeente Zwolle) Judy Janson (gemeente Raalte) Tim Lammers (Nieuwe Energie Overijssel) Piet la Roi (werkgroep energiecoöperaties RES West-Overijssel) Hans

van Vliet (werkgroep energiecoöperaties RES West-Overijssel) Guido Bakema (werkgroep energiecoöperaties RES West-Overijssel) Leander Broere (Natuur en Milieu Overijssel) Els Holsappel (projectleider Lokaal Eigendom RES West-Overijssel) 26 Bijlagen bij document Keuzes en Scenario’s Lokaal Eigendom Bijlage 1: Inputdocument Lokaal Eigendom Bijlage 2: Opbrengsten sessies werkgroep Lokaal Eigendom Bijlage 3: Literatuur 27 Bijlage 1: Inputdocument Lokaal Eigendom 1 Aanleiding In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor grootschalige opwek van hernieuwbare elektriciteit op land gestreefd wordt naar 50% eigendom van de lokale omgeving. In de concept RES West- Overijssel is deze afspraak overgenomen. De passage over 50% lokaal eigendom in het Klimaatakkoord (Bron: klimaatakkoord) Om de projecten voor de bouw en exploitatie van hernieuwbaar op land in de energietransitie te laten slagen, gaan in gebieden met mogelijkheden en ambities voor hernieuwbare opwekking, partijen gelijkwaardig samenwerken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie. Dit vertaalt zich in evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar 50% eigendom van de productie van de lokale omgeving (bewoners en bedrijven). Investeren in een zon –en/of windproject is ondernemerschap. Dat vergt ook mee-investeren en risico lopen.

Het streven voor de eigendomsverhouding is een algemeen streven voor 2030. Er is lokaal ruimte om hier vanwege lokale project-gerelateerde redenen van af te wijken. Hierbij wordt ook in acht genomen de bijzondere positie van de waterschappen, die zowel lokale ontwikkelaar zijn als decentrale overheid met een verduurzamingsopgave van hun eigen bedrijfsprocessen. Concept RES West-Overijssel; (Bron: Concept RES-West-Overijssel) Meedoen en meeprofiteren past geheel in een aanpak van onderop. Wij zien kansen voor lokaal eigendom en financiële participatie in West-Overijssel. Dit past bij de cultuur van onze regio. De energiecoöperaties hebben al uitgesproken hun aandeel hierin op te willen pakken. Bovendien zien we in onze dorpen en wijken veel betrokkenheid en de wil om het eigenaarschap voor energieprojecten op te pakken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/a08aad38-c3a0-44b6-8dfd-9239869a4e1a?agendaItemId=4f5067f8-9871-4f46-b374-47f04aa05543