CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 van de toelichting - archeologisch onderzoek.pdf

Politieke Markt 28 maart 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Giethoorn, Jan van Nassauweg 1213.643 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.2 Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en verkennend booronderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied geen verder vervolgonderzoek te laten uitvoeren en om het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkeling. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Steenwijkerland), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed31). 31 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 17 van 19 LITERATUUR Assen, A. van, 2022: Verkennend bodemonderzoek Jan van Nassauweg 12 te Giethoorn . AvA Mili- euonderzoek, Zwartsluis. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO- rapport, NITG 05-043-A). Gerritsen, H.J., J.

Holl, 2022: Plan van Aanpak booronderzoek Jan van Nassauweg 1 2 te Giethoorn, gemeente Steenwijkerland, Zwolle (Econsultancy Projectnummer 18869.001). Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nede rland. Deel 2: Bodemgeografie. Malm- berg, Den Bosch. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Provincie Overijssel, 2009: Archeologische verwachtingskaart van de Provincie Overijssel. Rijks Geologische Dienst, 1978: Geologische kaart van Nederland, kaartblad 16 Oost Steenwijk. Haarlem. Sueur, C., R. Schrijvers, 2006: Archeologische verwachtingen- en beleidskaart voor het grondgebied van Steenwijkerland, Vestigia, Amersfoort. Stichting voor Bodemkartering, 1988: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 16 West en 16 Oost/Steenwijk. Wageningen Environmental Research , 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017) , schaal 1:50.000. BRONNEN AHN; internetsite, mei 2022. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, mei 2022. https://archis.cultureelerfgoed.nl Archieven 1; internetsite, mei 2022.

https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=210&miadt=1648&miaet=1&micode=30&minr=7 69955&miview=inv2 Archieven 2; internetsite, mei 2022. https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=210&miadt=1648&miaet=1&micode=31&minr=1 445627&miview=inv2 Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 18 van 19 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, mei 2022 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl De geschiedenis van Giethoorn; internetsite, mei 2022. https://zuideinde.nl/de-geschiedenis-van-giethoorn/#:~:text=Het%20werd%20in%201230%20gesticht, uiteindelijk%20weer%20Giethoorn%20is%20geworden. Dinoloket; internetsite, mei 2022. http://www.dinoloket.nl/ Het ontstaan van Giethoorn; internetsite, mei 2022. https://www.gondelvaartgiethoorn.nl/lees-verder-over-giethoorn/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, mei 2022. http://www.ikme.nl/ J.W. van Aalst, www.opentopo.nl; internetsite, mei 2022. https://www.opentopo.nl/ Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, mei 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8 -f25a- 4d01-9245-5cf058314ebf. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021); internetsite, mei 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a58- 4761-a809-b4c5d90dcd35.

Wageningen Environmental Research (2018), ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internet- site, mei 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB09 5C4D0E1D6 AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. Wageningen Environmental Research (2019) ‘BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000’, internetsite, mei 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26- a444-7616e1d888f0. Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, mei 2022. https://pdokviewer.pdok.nl PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS’; internetsite, mei 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=46C4686376C42712F15 3C906C9BEB9CD#/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b989-d9e92ac2f493. SIKB; internetsite, mei 2022. https://www.sikb.nl Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten; internetsite, mei 2022. https://www.topotijdreis.nl Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 19 van 19 VEO Bommenkaart; internetsite, mei 2022. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/ Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 1. Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000).

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 2. Detailkaart van het plangebied op de topografische kaart van 2022.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 3. Het plangebied op een luchtfoto uit 2021.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart provincie Overijssel.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 5. Het plangebied op de geomorfologische kaart.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 6. Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3).

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 7. Het plangebied op de bodemkaart.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 8. Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied.

Rapport 18869.001 versie 2

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart gemeen- te Steenwijkerland.

Rapport 18869.001 versie 2

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 10. Het plangebied gesitueerd op de minuutplan uit 1828 Sectie A blad 4.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 11. Het plangebied gesitueerd op de minuutplan uit 1828 Sectie A blad 7.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 12. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1865.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 13. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1900.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 14. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1924.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 15. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1934.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 16. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1955.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 17. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1964.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 18. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1974.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 19. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1986.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 20. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1999.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 21. Het plangebied op de Topografische kaart uit 2010.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 22. Het plangebied op de Topografische kaart uit 2019.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 23. Boorpunten geprojecteerd op een luchtfoto uit 2021.

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 24. Boringen op de kaart van 1900 met de Steenen Gracht zichtbaar

Rapport 18869.001 versie 2 Figuur 25. Diepte dekzand in plangebied.

Rapport 18869.001 versie 2 Bijlage 1 Overzicht geologische en archeologische tijdvakken (koud) Pleniglaciaal Kreftenheye Formatie (warme periode) van Peelo Ouderdom in jaren Chronostratigrafie MIS Lithostratigrafie 11.755 12.745 13.675 14.025 15.700 29.000 50.000 75.000 115.000 130.000 370.000 410.000 475.000 850.000 2.600.000 Formaties: Naaldwijk Holoceen 1 (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel) Late Dryas (koud) Weichselien (warm) Formatie van Boxtel Formatie van Beegden Laat- (Laat- Glaciaal) 2 Formatie van Allerød Vroege Dryas Bølling (warm) Midden- Weichselien (Pleniglaciaal) Laat- Pleniglaciaal 3 Midden- Vroeg- Pleniglaciaal 4 Vroeg- W eichselien (Vroeg- Glaciaal) 5a 5b 5c 5d Eemien (warme periode) 5e Eem Saalien (ijstijd) 6 Formatie van Drente Formatie van Urk Holsteinien Elsterien (ijstijd) Formatie Cromerien (warme periode) Formatie van Sterksel Pre-Cromerien Rapport 18869.001 versie 2 perioden 1500 450 0 12 800 2650 815 2000 3755 5000 4900 5300 7020 8000 hazelaar, eik, iep, 8240 9000 8800 10.150 11.755 12.745 10.800 13.675 11.800 14.025 12.000 15.700 35.000 toendra Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998).

Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005). Cal. jaren v/n Chr. 14C jaren Chronostratigrafie Pollen zones Vegetatie Archeologische 1950 0 Nieuwe tijd eik en hazelaar Vb2 Loofbos Subatlanticum overheersen Middeleeuwen koeler Vb1 haagbeuk Romeinse tijd vochtiger veel cultuurplanten Va rogge, boekweit, IJzertijd korenbloem Bronstijd Subboreaal koeler droger IVb Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen) IVa Neolithicum Mesolithicum Atlanticum warm vochtig III Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol Boreaal warmer II den overheerst linde, es Preboreaal warmer I eerst berk en later den overheersend Laat-Paleolithicum Late Dryas LW III parklandschap Laat- Weichselien (Laat- Glaciaal) Allerød LW II dennen- en berkenbossen Vroege Dryas LW I open parklandschap 13.000 Bølling open vegetatie met kruiden en berkenbomen Midden- Weichselien (Pleniglaciaal) perioden met een poolwoestijn en perioden met een 75.000 115.000 130.000 300.000 Midden-Paleolithicum Vroeg- Weichselien (Vroeg- Glaciaal) perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Eemien (warme periode) loofbos Saalien (ijstijd) Vroeg-Paleolithicum Rapport 18869.001 versie 2 Bijlage 2 Onderzoeksmeldingen Zaakindentificatie (OM-nummer) Situering t.o.v. plangebied Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek 2223711100 (32217) Ten zuidwesten het plangebied J Van Nassauweg te Giethoorn Gemeente Steenwijkerland Coördinaat: 200081/529921 Type onderzoek: bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Uitvoerder: MUG Ingenieursbureau BV Datum: 25-11-2008 Resultaat: Bouwvoor gaat over in dekzand zonder podzol. Er is geen veen aanwezig. Geen vervolgonderzoek geadviseerd. 2448293100 (62197) Overlapt het plangebied te Scheer- wolde Gemeente Steenwijkerland Coördinaat: 198965/530265 Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Transect Datum: 27-7-2012 Resultaat: Er is geadviseerd een booronderzoek te verrichten, maar hierbij wel gebruik te maken van boringen die door Alterra zijn gezet. Deze zouden een vermindering van 30% van de boringen tot gevolg hebben. Het plangebied heeft op basis van het bureauonderzoek een middelhoge tot hoge verwachting op archeologische waarden uit het Mesolithicum en het Neolithicum.

Voor wat betreft de op de beleidskaart van de gemeente Steenwij- kerland aangegeven zones met historische bebouwingslinten, moet ook reke- ning worden gehouden met archeologische waarden uit de Late -Middeleeuwen (1000 - 1500 na Chr.) en de Nieuwe tijd (1500 na Chr. - heden), maar deze liggen buiten de tracés waar de bodemingrepen gaan plaatsvinden. 2394493100 (55287) 1400 meter ten zuidoosten van het plangebied Kanaaldijk 9 te Giet- hoorn Gemeente Steenwijkerland Coördinaat: 201551/529334 Type onderzoek: bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 21-1-2013 Resultaat: De natuurlijke moerige podzolgrond is in het hele plangebied verstoord door graafwerkzaamheden. Vuursteenvindplaatsen bestaan voornamelijk uit strooi- ing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, en bevinden zich in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aange- zien de bodem is verstoord, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan. De middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen kan daarom naar laag worden bijgesteld. Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken en zijn mogelijk nog intact.

Archeologische resten uit deze perioden worden echter niet ver- wacht. Bovendien zijn tijdens het booronderzoek geen archeologische resten of indica- toren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid een vindplaats uit deze periode. Daarom kan de lage verwachting voor archeologische waarden uit de perioden Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd worden gehandhaafd. Geen vervolgonderzoek geadviseerd. Rapport 18869.001 versie 2 Bijlage 3 Bewoningsgeschiedenis van Nederland Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonings geschie- denis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Neder- land geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars ron d in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veran- derende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. V ooral op paarden en rendieren werd in het Laat - Paleolithicum intensief jacht gemaakt.

Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen ( circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fau- na (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieer d te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu. Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden , en maakte plaats voor meer territoriumge- bonden klein wild, vogels en vissen. Door deze ver anderende leefomstandigheden werd de jacht- techniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl - en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de tempe ratuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee -Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wis- selden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar vis te men in de ri- vieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden.

In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrij- ke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp. Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzi jds kolonisten met een vrijwel agrari- sche levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een half agrarische le- vensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebak- ken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag , mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu no g zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bron stijd is meestal niet goed te onderschei- den van dat uit andere perioden.

Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Neder- lands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ont stonden er handelscontacten over langere afstand en. Eén en ander had Rapport 18869.001 versie 2 wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie , die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omge- ven door een grep pel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest -Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Z eegebied. Wel zijn uit het Laat - Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werk- tuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op.

Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen besta ande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpe n), die moge- lijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aange- zien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in be- langrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederland- se rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden va n Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaam- de 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd.

De inheemse manier van leven h andhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69 -70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelij- ker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aar- dewerk, Romeins importaardewerk in gebruik , dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse here nboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan , waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheem se bevolking, ten noorden van de Li- mes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handels- contacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie di e met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege -Middeleeuwen, vooral over h et tijdvak 450 -600 n. Chr.

, is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mens en vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro- Rapport 18869.001 versie 2 meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden . Een gezagheb- bende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele peri- ode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adel lijke grootgrondbe- zitters waar genomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen al s mottes, kastelen en ver- sterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei , en mede dankzij gunstige klimato- logische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivali- teit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal ge- weld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd.

Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, han- delskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industri- ele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwik- kelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het groot- ste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats , wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 18869.001 versie 2 Bijlage 4 AMZ-cyclus Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorg aande stappen. Om inhoudelij- ke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap wor- den overgeslagen. Elke stap eindig t met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoe k. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot be- lang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan diene n de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht.

Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeo- logische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting. Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waar- den, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen , op basis waar- van een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvu llen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan - of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de date- ring, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeolo- gische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen).

Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase. De verkennen- de fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap , voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgeslo ten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarde- rende fase sluit aan op de karterende fase. Het waa rnemingsnet kan verdicht worden om de horizon- tale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het mom ent dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied. Rapport 18869.001 versie 2 Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aang elegd in de zones waar in de voor- gaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen.

De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is , kan besloten worden tot proefsleuven var iant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden.

Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepale n, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop - of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werk- zaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. Rapport 18869.001 versie 2 Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ Verkennend veldonderzoek Door middel van: - terreininspectie - booronderzoek** ▼ ▼ ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: - oppervlaktekartering - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van

resultaten) ▼ Opgraven*** Verwijderen van de archeologische resten door archeo- logen (variant begeleiding) ▼ Beschermen Bescherming van de archeologie door planaanpassing ► ► ► ► Vergunningverlening indien geen onderzoek nood- zakelijk wordt geacht. Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwe- zig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van wa ardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voor- waarden). * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid.

**** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. Rapport 18869.001 versie 2 Bijlage 5 Planontwerp

Rapport 18869.001 versie 2 Bijlage 6 Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s van de opgeboor - de profielen Vanuit zuidwestelijke richting nabij boring 1 Vanuit noordoostelijke richting nabij boring 7 Vanuit zuidwestelijke richting nabij boring 7 Vanuit noordwestelijke richting nabij boring 7 Vanuit noordelijke richting nabij boring 7 Vanuit noordoostelijke richting tussen boring 12 en 15

Rapport 18869.001 versie 2 Boring 1 Boring 2 Boring 3 Boring 4 Boring 5 Boring 6

Rapport 18869.001 versie 2 Boring 7 Boring 8 Boring 9 Boring 10 Boring 11 Boring 12

Rapport 18869.001 versie 2 Boring 13 Boring 14 Boring 15 Boring 16

Rapport 18869.001 versie 2 Bijlage 7 Boorprofielen

Rapport 18869.001 versie 2

Rapport 18869.001 versie 2

Rapport 18869.001 versie 2 Legenda (conform NEN 5104) grind Grind, siltig Grind, zwak zandig Grind, matig zandig Grind, sterk zandig Grind, uiterst zandig zand Zand, kleiïg Zand, zwak siltig Zand, matig siltig Zand, sterk siltig Zand, uiterst siltig veen Veen, mineraalarm Veen, zwak kleiïg Veen, sterk kleiïg Veen, zwak zandig Veen, sterk zandig klei Klei, zwak siltig Klei, matig siltig Klei, sterk siltig Klei, uiterst siltig Klei, zwak zandig Klei, matig zandig Klei, sterk zandig leem Leem, zwak zandig Leem, sterk zandig overige toevoegingen zwak humeus matig humeus sterk humeus zwak grindig matig grindig sterk grindig geur geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie uiterste olie-water reactie p.i.d.-waarde >0 >1 >10 >100 >1000 >10000 monsters geroerd monster ongeroerd monster volumering overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib water

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/66a37352-ddbd-4fe0-8cf8-550d20e2debf?agendaItemId=323bf4ca-5087-467b-884b-84124bb66341