Bijlage 1 van de toelichting - archeologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK JAN VAN NASSAUWEG 12 TE GIETHOORN GEMEENTE STEENWIJKERLAND
Econsultancy Archeologisch Rapport 1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid. archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Jan van Nassauweg 12 te Giethoorn Opdrachtgever Melkveebedrijf Batenburg Jan van Nassauweg 12 8355 VA Giethoorn Rapportnummer 18869.001 Versienummer1 2 Datum 13 oktober 2022 Vestiging Vestiging Zwolle Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 038 78 20 540 Opsteller Mevrouw H.J. Gerritsen, BSc & de heer drs. J. Holl Paraaf Kwaliteitscontrole De heer drs. A.H. Schutte Paraaf © Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. E consul- tancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de advie- zen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport Administratieve gegevens plangebied Projectcode 18869.001 Toponiem Jan van Nassauweg 12 Opdrachtgever Melkveebedrijf Batenburg Gemeente Steenwijkerland Plaats Giethoorn Provincie Overijssel Kadastrale gegevens Gemeente Giethoorn, sectie H nummer 381 Omvang plangebied Circa 2 ha Kaartblad kaartblad 16D (uiterst westelijk deel) en 16G (oostelijk deel) (1:25.000) Coördinaten centrum plangebied X: 200.070, Y: 529.950 Bevoegde overheid Gemeente Steenwijkerland Mevr. M. Hoven Postbus 162 8330 AD Steenwijk T. 14 0521 E. info@steenwijkerland.nl Deskundige namens de bevoegde overheid Regio Archeoloog Gemeente Steenwijkerland Dhr. A. Vissinga Postbus 162 8330 AD Steenwijk T: 06-5423 2006 E: albert.vissinga@steenwijkerland.nl / albert.vissinga@hetoversticht.nl ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Bureauonderzoek Verkennend booronderzoek 5227135100 5262192100 Archeoregio NOaA Fries veengebied Beheer en plaats documentatie Econsultancy, Zwolle/Provinciaal Archeologisch Depot Overijssel Uitvoerders Econsultancy, H.J. Gerritsen, BSc & Econsultancy, dhr. drs. J. Holl Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO).
De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaar- heid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booron- derzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan - of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsul- tancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Rapport 18869.001 versie 2 SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Melkveebedrijf Batenburg in april/mei 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Jan van Nassauweg 12 te Giethoorn in de gemeente Steenwijkerland.
De initiatiefnemer is voornemens het bestaande bouwblok uit te breiden. De geplande uitbreiding van het bouwblok beslaat circa 2 hectare. Het plangebied betreft een weiland dat direct grenst aan het huidige woonerf, in het noorden en oosten van het plangebied (figuur 3). Er zal een waterbassin worden aangelegd en er wordt een zuivelgebouw gebouwd. De verstoringsdiepte is onbekend. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige ar- cheologische waarden worden verstoord. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsp lan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke arche ologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of e r archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeo- logische verwachting voor he t plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waar- den.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO -overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauon- derzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemop- bouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bo- demprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aan wezig (kunnen) zijn en of ve rvolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het archeologisch bureauonderzoek had het plangebied een middelhoge verwachting voor de periodes (Laat-)Paleolithicum t/m Mesolithicum. Voor de periodes Neolithicum t/m Nieuwe tijd gold een lage verwachting op het voorkomen van archeologische resten. Het plangebied is vanaf het Neolithicum overgroeid met veen waardoor het plangebied niet geschikt was voor bewoning. Alleen de hogere delen in het landschap waren hier geschikt voor, zoals de dekzandwelvingen waar het plangebied tussen ligt en het stuwwallencomplex bij Steenwijk. Het terrein is in 1934 ontgonnen waarna het in gebruik is geweest als grasland.
Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat in het noordwesten van het gebied een veen- en kleilaag aanwezig is. Vermoedelijk zijn deze afkomstig uit de tijd dat in dit deel van het plan- gebied een brede sloot gelegen heeft, de Steenen Gracht, ten tijde dat het nog veengebied was. De- ze lagen zijn in het oostelijke deel van het plangebied niet aangetroffen. Hier bestond de ondergrond uit 40 cm dik opgebrachte grond met daaronder een scherpe overgang naar de C -horizont. Dit betref- fen verspoelde dekzandafzettingen. Direct onder de opgebrachte laag was de C -horizont wat ver- Rapport 18869.001 versie 2 stoord. Tijdens de boringen zijn geen archeologische resten aangetroffen, al was dit niet de insteek van het onderzoek. Daarnaast is er geen archeologisch relevante laag aangetroffen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanwege de afwezigheid van een archeologisch relevante laag, het feit dat de bodem verstoord is tot in de C -horizont, de ligging in verspoeld dekzand en het feit dat rondom het plangebied gunstigere bewo ningsplekken zijn, zoals de dekzandwelvingen, de in het bu- reauonderzoek opgestelde middelhoge verwachting voor de periodes (Laat -)Paleolithicum – Mesoli- thicum, bijgesteld kan worden naar een lage verwachting. De lage verwachting voor Neolithicum – Nieuwe tijd kan gehandhaafd blijven.
Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en verkennend booronderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied geen verder vervolgonderzoek te laten uitvoeren en om het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkeling. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De r esultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Steenwijkerland), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2). 2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456. Rapport 18869.001 versie 2 INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING .................................................................................................................................. 1 2 BUREAUONDERZOEK ..............................................................................................................
1 2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 2.2 Methoden .......................................................................................................................... 1 2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 2.4 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 2.5 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 2.6 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 2.7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 7 2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 2.9 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 13 3 INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 13 3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen .................................................................................
13 3.2 Methoden ........................................................................................................................ 13 3.3 Resultaten ....................................................................................................................... 14 4 CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16 4.1 Conclusie ........................................................................................................................ 16 4.2 Advies ............................................................................................................................. 16 LITERATUUR ...................................................................................................................................... 17 BRONNEN .......................................................................................................................................... 17 Rapport 18869.001 versie 2 LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Tabel II. Grondwatertrappenindeling Tabel IV. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Tabel VI. Gespecificeerde archeologische verwachting Tabel VII. Bodemopbouw boring 1 t/m 6 Tabel VII. Bodemopbouw boring 7 t/m 16 Tabel V Overzicht onderzoeksmeldingen LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000). Figuur 2. Het plangebied op de detailkaart uit 2020. Figuur 3. Het plangebied op een luchtfoto uit 2020. Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart provincie Overijssel. Figuur 5. Het plangebied op de geomorfologische kaart. Figuur 6. Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3). Figuur 7. Het plangebied op de bodemkaart. Figuur 8. Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart gemeente Steenwijkerland. Figuur 10. Het plangebied gesitueerd op de minuutplan uit 1828 Sectie A blad 4. Figuur 11. Het plangebied gesitueerd op de minuutplan uit 1828 Sectie A blad 7. Figuur 12. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1865. Figuur 13. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1900. Figuur 14. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1924. Figuur 15. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1934. Figuur 16. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1955. Figuur 17. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1964. Figuur 18. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1974. Figuur 19. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1986. Figuur 20. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1999. Figuur 21.
Het plangebied op de Topografische kaart uit 2010. Figuur 22. Het plangebied op de Topografische kaart uit 2019. Figuur 23. Boorpunten geprojecteerd op een luchtfoto uit 2020. Figuur 24. Boringen op de kaart van 1900 met de Steenen Gracht zichtbaar Figuur 25. Diepte dekzand in plangebied. BIJLAGEN Bijlage 1 Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bijlage 2 Onderzoeksmeldingen Bijlage 3 Bewoningsgeschiedenis van Nederland Bijlage 4 AMZ-cyclus Bijlage 5 Planontwerp Bijlage 6 Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen Bijlage 7 Boorprofielen Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 1 van 19 1 INLEIDING Econsultancy heeft in opdracht van Melkveebedrijf Batenburg een archeologisch onderzoek uitge- voerd voor een plangebied gelegen aan de Jan van Nassauweg 12 te Giethoorn in de gemeente Steenwijkerland (figuur 1 en figuur 2). De initiatiefnemer heeft de intentie om het bestaande bouwblok te vergroten. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsp lan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke arche ologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006).
Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of e r archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek ( hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in april 2022 door mevrouw H.J. Gerritsen (Archeoloog), BSc en de heer drs. J. Holl (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontro leerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog). 2 BUREAUONDERZOEK 2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwach- ting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappe- lijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.
2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 ( KNA, versie 4.1, 24 ‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Ne- derlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24 ‑05‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Cen- traal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toe- komstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); 3 SIKB. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 2 van 19 beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond ( DINOLo- ket); literatuur en historisch kaartmateriaal; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Archeologische verwachtingskaart van de provincie Overijssel; de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Steenwijkerland; Werkgroep Archeologie Steenwijk en Omstreken. 2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoek sgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binne n het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied.
In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 2 ha , ligt aan de Jan van Nassauweg 12 , circa 2,4 kilometer ten noordwesten van de bebouwde kom van Giethoorn in de gemeente Steenwijkerland (figuur 1 en figuur 2). Het ge- bied is kadastraal bekend als gemeente Giethoorn, sectie H nummer 381. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 16D (uiterst westelijk deel) en 16G (oostelijk deel) , (schaal 1:25.000), zijn de centrumcoördinaten X = 200.070, Y = 529.950. Op basis van het AHN bevindt het maaiveld zich op een hoogte van west naar oost van circa 1,25 m -NAP – 1,50 m -NAP. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en be- bouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als grasland en als hooiopslag. Daarnaast heeft de opdrachtgever aangegeven dan in het noordoosten van het plangebied enkele silo’s staan (zie figuur 3). De eigenaar van het terrein is Melkveebedrijf Batenburg. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeolo- gische waarden uit het verleden verloren gaan.
In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor 4 Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 3 van 19 het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemar- chief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische bele idskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Steenwijkerland ligt de gehele on- derzoekslocatie in een gebied met een hoge archeologische verwachting.
In deze ge bieden buiten de bebouwde kom dient bij planvorming en vooraf gaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen groter dan 2500 m² en dieper dan 50 cm -mv vroegtijdig een inventariserend archeologisch on der- zoek te worden uitgevoerd (figuur 9).5 De provinciale verwachtingskaart geeft aan dat het plangebied een middelhoge verwachting heeft op het voorkomen van archeologische waarden ( figuur 4).6 Huidig milieuonderzoek7 Voortijdig aan het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door AVA Milieuonderzoek (projectnummer: 22213-AvA, 2022). Het onderzoek heeft uitgewezen dat in de onderzochte bodem geen verhoogde gehalten van bodemver- ontreiniging aanwezig zijn. Het grondwateronderzoek heeft aangetoond dat er een lichte verhoging van de waardes is voor barium en zink. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het gebruik van de onderzoekslocatie en is er geen bezwaar tegen de be- stemmingsplanwijziging. 2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in -/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande bouwblok uit te bereiden. De geplande uitbreiding van het bouwblok beslaat circa 2 hectare.
Het betreft een weiland dat dire ct grenst aan het huidige woonerf, in het noorden en oosten van het plangebied (figuur 3). Er zal een waterbassin worden aan- gelegd en er wordt een zuivelgebouw gebouwd. De verstoringsdiepte is onbekend. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden wor- den verstoord. 2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het land- schap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I. Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Type gegevens Gegevensomschrijving Geologie8 Formatie van Twente (thans Formatie van Boxtel genoemd), fluvioperiglaciale afzettin- 5 Sueur, 2006. 6 Provincie Overijssel, 2009. 7 Van Assen, 2022. 8 Rijks Geologische Dienst, 1978.
Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 4 van 19 gen (Tw4) Geomorfologie9 Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (M53) Bodemkunde10 Moerige eerdgronden met een moerige bovengrond op zand (vWz) Grondwatertrap III Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss . Geduren- de de laatste ijstijd , het Weichselien ( 70.000 – 10.000 jaar geleden), was er geen landijs in Neder- land. Het was een koude droge periode waarbij de wind vrij spel had. Er was weinig tot geen vegeta- tie waardoor op grote schaal zandverstuiving kon optreden. Het dekzand werd afgezet in de vorm van vlaktes, depressies en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte dekzandruggen. Het dekzand is goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Gedurende het Holoceen (10.000 jaar geleden - heden) wordt het klimaat warmer en vochtiger. De zeespiegel stijgt, waarmee het grondwaterniveau ook hoger wordt, en er ontstaan moerassige drassi- ge gebieden. Ook veenvorming is hier een gevolg van. Geleidelijk aan bedekt het veen de dekzand- vlakte. De veenvor ming breidt zich sneller uit gedurende het Laat -Subboreaal en Vroeg Subatlanti- sche (ca. 3.500 – 2.000 jaar geleden). Tot in de Middeleeuwen bestond het lands chap uit hoogveen en bossen.
De veenvorming gaat door tot in de Late -Middeleeuwen waarna het gebied geleidelijk aan wordt ontgonnen. Vanaf de 11e en 12e eeuw heeft vervening plaatsgevonden. Hierdoor ontstonden de grote plassen en meren, zoals de Belter-, Beulaker- en Bovenwiede. De afwatering van het veen vond onder andere plaats door de rivier de Steenwijker Aa, die in de Zui- derzee uitmondde nabij Blokzijl. DINO11 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwa- tergegevens, sonderingen, geo -elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische ge gevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 12 Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een circa 30 centimeter matig humeus zand (antropogeen, bouwvoor). Hieronder bevindt zich een pakket met veen met een wisselende dikte tussen de 10 en 100 centimeter (Formatie van Nieuwkoop). On- der het veen bevindt zich een pakket met matig fijn zand (Formatie van Twente/Boxtel), dat tot circa 2 á 3 meter door gaat.
Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. 9 Wageningen Environmental Research, 2017. 10 Stichting voor Bodemkartering, 1988. 11 Dinoloket. 12 DINO boornummers B16D0806, B16G0823 & B16G0729. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 5 van 19 Volgens de g eomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (code: M53, figuur 5). Het dekzand is verspoeld als gevolg van oppervlakkige afwatering vanaf de hogere zandrug in het noordoosten van het onderzoeksgebie d. Verder naar het noorden en oosten bevinden zich de stuwwallen van de Havelterberg. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)13 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetail- leerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een hoogte van west naar oost 1,25 m -NAP – 1,50 m - NAP. Richting het noordoosten loopt het terrein wat op. Buiten het plangebied ligt hier ook een hoger gelegen strook (van noordwest naar zuidoost ; figuur 6). Op de geomorfologische kaart is hier een gebied met dekzandwelvingen te zien, wat de hoogte verklaard.
Ook het gebied ten zuiden van het plangebied bevindt zich in een zone met dekzandwelvingen. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als moerige eer d- gronden met een moerige bovengrond op zand (vWz, figuur 7). Onder de bovengrond komt een moerige laag voor, die vooral bestaat uit verweerd zwart veen, ver- moedelijk broekveen/zeggeveen. Hieronder bevinden zich zandafzettingen. Op de overgang van de moerige bovengrond naar de zandgrond komt vaak een humusrijke of moerige en vaak zeer sterk lemige overgangslaag voor.14 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grond watertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemid- deld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter - en zomergrondwaterstanden geka- rakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied z ijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog.
Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel II. Grondwatertrappenindeling15 Grondwater- trap I II' III' IV V' VI VII" VIII GHG (cm -mv) - <40 <40 >40 <40 40-80 >80 > 140 GLG (cm -mv) <50 50-80 80-120 80-120 >120 >120 >120 - ') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden ") Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld 13 AHN. 14 Stichting voor Bodemkartering, 1988. 15 Locher & De Bakker, 1990. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 6 van 19 Over het algemeen wordt de grondwatertrap aangegeven met III, dit betekend dat de hoogste grond- waterstand (winter) zich op een diepte van 25 – 40 cm -mv bevindt en de laagste grondwaterstand (zomer) op een diepte van 80 – 120 cm -mv. Voor zones met grondwatertrap III en bodemtype vWz gelden overwegend beperkte mogelijk heden voor bosbouw en weinig mogelijkheden voor weidebouw en akkerbouw. 16 2.6 Archeologische waarden Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeo- logisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt doo r de Rijksdienst voor het Cultureel Erf- goed (RCE).
17 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK -terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onder- zoeksmeldingen binnen een straal van 500 m wee rgegeven. Aangezien de gemeentelijke beleids- kaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Archeologische verwachtingskaart Provincie Overijssel De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Overijssel geeft inzicht in de archeolo- gische, historisch-stedenbouwkundige en de historisch-geografische waarden van de regio. Volgens de CHW -kaart van de provincie Overijssel liepen ter plaatse van de huidige N337 ten noor- den van het plangebied en de N334 ten westen van het plangebied wegen die onderdeel uitmaakten van een historische infrastructuur dat tenminste in 1648 aanwezig was. Volgens de Archeologische verwachtingskaart van de Provincie Overijssel heeft het plangebied een middelhoge trefkans op de aanwezigheid van archeologische waarden (figuur 4). AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied18 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumen- ten/terreinen in Nederland.
De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaam- heid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn de ze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen ook geen AMK - terreinen (figuur 8). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 19 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal drie archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om een bu- reauonderzoeken, en twee bureauonderzoeken met verkennende booronderzoeken (bijlage 2 en figuur 8). 16 Stichting voor Bodemkartering, 1988. 17 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 18 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 19 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 7 van 19 Een van de onderzoeken heeft op het erf van de Jan van Nassauweg 12 , direct ten zuidwesten van het plangebied, plaatsgevonden.
Het betreft hier een archeologisch bureauonderzoek met verken- nend booronderzoek uitgevoerd door MUG Ingenieursbureau BV .20 Tijdens het verkennend booron- derzoek is geen veen aangetroffen, zoals de bodemkaart aangaf, alleen zandgronden. Daarnaast was de bodem niet meer intact en was er een scherpe overgang van de dikke bouwvoor naar het gele dekzand. Er is dan ook geen vervolgonderzoek geadviseerd. Dit geldt ook voor het andere verken- nend booronderzoek21 dat 1100 meter ten zuidoosten heeft plaats gevonden. De bodem ter plaatse was al verstoord door eerdere graafwerkzaamheden. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden en het provin- ciaal archeologisch depot is niet geraadpleegd , aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied22 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied en het onderzoeksgebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd (figuur 8). 2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettings- vormen en wegen - en kavelpatronen.
Veel van deze bewaard gebleven historische geograf ie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Giethoorn23 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling va n de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 3. Omstreeks het jaar 1230 n. Chr. komt een groep vluchtelingen vanuit het Middellandse Zee gebied richting de moerasgebieden in Nederland. Het zijn ‘zelfgeselaars’ of ‘flagellanten’. Dit zijn mensen die zichzelf pijn aandoen in het openbaar in de hoop dat God berouw toont. De vluchtelingen kwamen uiteindelijk in de kop van Overijssel terecht en vonden in het gebied massa’s hoorns van wilde geiten, die vermoedelijk met de St. Elisabethsvloed, i n 1170 n. Chr., waren omgekomen. Ze noemden hun nieuwe nederzetting Geytenhoren. Door de jaren heen is de naam verbasterd tot Geythorn en inmid- dels bekend als Giethoorn. De plassen en meren in en rondom Giethoorn zijn ontstaan tijdens de vervening.
De tur fgravers haal- den op voor hun gunstige plekken veen uit de bodem. Dit mengden zij in een mengbak en gooiden het op het land om het te laten drogen en er later turf van te steken. Het turf werd vervoerd door mid- 20 Archis zaakidentificatie 2223711100. 21 Archis zaakidentificatie 2394493100. 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 23 Het ontstaan van Giethoorn; Archieven 1; De geschiedenis van Giethoorn. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 8 van 19 del van bootjes die door grachtjes en sloten vo eren. Vele huizen zijn gebouwd op ‘eilandjes’ die al- leen bereikbaar zijn via het water en de karakteristieke bruggetjes. Niet alleen de turfafgravingen zorgden voor inkomsten, ook veeteelt, hooi - en rietsnijden, landbouw en visserij werden door de bewoner s ook uitgevoerd. In het begin van de 20e eeuw waren er acht eendenkooien. Tot in de jaren ’50 was de zuivelfabriek de enige industrie van bovenlokale betekenis. Tot slot is het toerisme sinds de 21 e eeuw enorm gegroeid en een (grote) bron van inkomsten ge wor- den, net als, na inpoldering, de landbouw. Het bestuur van Giethoorn werd in de periode 1795 – 1942 achtereenvolgens gevormd door het ge- recht (schout en keurnoten), de municipaliteit en vanaf 1811 de gemeente. Destijds had het bestuur naast de bestuurl ijke taak ook een rechtspraak.
Het kerspel 24 is in deze periode een plattelandsge- meenschap, waarvan de geërfden, de goedsheren en erfgenamen, op bepaalde terreinen een mede- bestuur vormden naast het door de hogere overheden ingesteld schoutambten. De taak va n een schout lag voornamelijk op het terrein van de rechtspraak, terwijl de geërfden zich bezighielden met andere gemeenschappelijke belangen, zoals waterstaatszaken , gebruik van onverdeelde grond, aan- stelling van de schoolmeester en dergelijke. Begin apri l 1811 werden de voormalige schout - en rich- terambten in Overijssel omgezet in gemeenten. De gemeente Giethoorn werd bestuurd door een mai- re25, die ook nog vaak schout werd genoemd. Na de Franse tijd veranderde dit ook weer in schout. Vanaf 1825 werd het burgermeester en werd diegene door de Kroon benoemd voor een periode van zes jaar. In ditzelfde jaar vond er een enorme overstroming plaats. Het centrum van het dorp had hiervoor in de Middenbuurt gelegen, samen met het gemeentehuis. Na de overstroming is het cen- trum verplaatst naar het Zuideinde. Tijdens de economische crisis van de jaren ’20 en ’30 van de 2 0e eeuw werd ingegrepen in de struc- tuur van het grondgebied van de gemeente Giethoorn en de omliggende gemeenten. Hier was in 1927 ook al een pogi ng toe gedaan.
In de periode 1924 – 1929 werd het kanaal Steenwijk – Blauwe Hand (tegenwoordig Kanaal Beukers - Steenwijk) tijdens de werkverschaffing aangelegd. Deze ligt op 1,5 km ten oosten van het plangebied. In 1928 werd gestart met de eerste proefinp oldering (polder Giethoorn), daarna met de polders Gelderingen en Halfweg. Het plangebied valt onder de laatst ge- noemde polder. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Bron Periode Kaartblad Schaal Omschrijving plangebied Bijzonderheden/directe omgeving 24 Kerkdorp, kerkelijke gemeente. 25 Een burgermeester. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 9 van 19 Kadastrale minuut26 1828 Gemeente Giethoorn, Sectie A, Blad 04 en 07 1:2.500 In het noordelijk deel ligt de Steenen gracht, deze loopt van zuidwest naar noordoost, richting Steenwijk. Het overige deel bestaat uit hooiland. Het plangebied is gelegen in het gebied De Noorder Kluft. Ten zuiden van het plangebied liggen meer hooilandpercelen. Verder naar het zuiden ligt een eendenkooi. Ook richting het noordoosten ligt een eenden- kooi, enkele huizen van het buurtschap Klooster en “de vlieger sloot”. Deze sloot staat in het zuiden in verbinding met de Klooster gracht. Deze gracht loopt parallel aan de Steenen gracht.
Het zuidelijk deel maakt uit van het (deel)gebied “Voor de Jok- sloot”. Ten noorden liggen eveneens hooilandpercelen en maakt deel uit van het (deel)gebied “De Noorden Ribben”. Ten noordoosten ligt een naamloze sloot. Verder naar het noorden ligt “het hooi dijkje”. Militaire topografische kaart27 (nettekening) 1865 236 1:50.000 Geen noemenswaardige veranderingen. De Joksloot ligt ten zuidwesten van het plangebied en loopt van noordwest naar zuidoost. Hier ten oosten van ligt een grote vijver, voormalige locatie van de eendenkooi Militaire topografische kaart (veldminuut) 1900 236 1:50.000 Geen noemenswaardige veranderingen. Het hooi dijkje heet nu Hooi of Heeren dijk Militaire topografische kaart (veldminuut) 1924 236 1:50.000 Het zuidelijkdeel is nog onder- deel van een moeras- sig/drassig gebeid. De Steenen gracht is nog grotendeels aanwezig in het noorden van het gebied. Het plangebied is onderdeel van “De Noordrib- ben”. De eendenkooi ten zuidwesten is verdwenen, de kooi ten oosten en noordoosten staan nog wel aangegeven op de kaart. Veel (ontgin- nings)percelen, met drassi- ge/moerassige gebieden met riet. De hooidijk is inmiddels aangegeven als de Heerendijk. Militaire topografische kaart (veldminuut) 1934 236 1:50.000 Het gehele plangebied is gelegen in een lange noord- zuid strook van de Polder afdeling IV. Hierbij is de Steenen gracht ook verdwe- nen.
Hele plangebied in ge- bruik als grasland. Polder afdeling IV, van noord naar zuid lopend. Ten noord- oosten is nog een eendenkooi aanwezig. De andere (in het oosten) is weg. Ten oosten van het plangebied, is een sloot aangelegd, met aan weerszij- den een weg of dijkje. Deze is in het huidige landschap nog steeds aanwezig. Ten zuiden van het plangebied ligt de Tweede Dwarsweg, voorloper van de huidige Smalleweg. Ten westen van het plangebied is nog een moerassig/drassig gebied aanwezig. Direct ten westen ligt een weg, de voor- loper van de huidige Jan van Nassauweg. Ten westen van deze weg ligt nog deels de Steenen gracht. 26 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 27 Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 10 van 19 Topografische kaart 1955 16 D & 16 G 1:25.000 Geen noemenswaardige veranderingen. Meer moerasgebied is ontgon- nen en ingepolderd. Zo ligt ten westen van het plangebied Polder Halfweg. Hier en daar liggen nog wel wat natte stukken. Langs de voorloper van de Jan van Nassauweg, staan aan de oostkant allemaal kleine gebouwtjes. Zo ook direct ten zuidwesten van het plangebied. Dit is de voorloper van de huidige boerderij. Topografische kaart 1964 16 D & 16 G 1:25.000 In het oosten van het plange- bied ligt een weg en enkele sloten.
De weg in het plangebied staat in verbinding met de boerderij ten westen naar een weg ten oosten van het plangebied. De directe noord- en zuidgrens van het plangebied betreft een sloot. Ten zuiden van het plangebied staat een boom- kwekerij. Ten westen van de Jan van Nassauweg staan enkele huizen. Meer gebieden ontgonnen en graslanden worden onderbroken door sloten. Ten noorden van het plangebied liggen de boerde- rijen Wassenaar, Brederode en Falek hoeve. De Tweede Dwarsweg heet inmiddels Smalle Weg, hierlangs staan allemaal kleine erven. De Eendenkooi ten noordoosten is een groengebied met een onverhard pad. Topografische kaart 1974 16 D & 16 G 1:25.000 Weg in het plangebied is verdwenen. Boerderij direct ten zuiden van het plangebied heeft de naam Batenburg. De bomenkwekerij is verdwenen. Net als de weg die door het plangebied liep. Topografische kaart 1986 16 D & 16 G 1:25.000 Nieuwe smalle weg in het plangebied, zelfde locatie als de vorige. Grotere schuur ten zuidwesten van het plangebied. Topografische kaart 1999 16 D & 16 G 1:25.000 De weg is verdwenen. Uitbreiding van gebouwen of het boerenerf ten zuidwesten. Topografische kaart 2010 16 D & 16 G 1:25.000 Sloten in het oostelijk deel zijn weg. Nog een sloot aanwezig in het noordelijk deel. Uitbreiding erven, verdwijning sloten en weg ten oosten van het plangebied.
Topografische kaart 2019 16 D & 16 G 1:25.000 Huidige situatie. Geen noemenswaardige veranderingen. Het plangebied is gelegen in het gebied De Noorder Kluft , een veengebied ten noordoosten van Giet- hoorn. In het plangebied ligt de Steenen gracht, deze loopt van zuidwest naar noordoost, richting Steenwijk. Het zuidelijk deel bestaat uit drassige percelen die gebruikt werden als hooiland . Rondom het plangebied z ijn nog meer moeras/veenpercelen aanwezig. Ten zuiden en noordoosten van het plangebied ligt een eendenkooi. Voorbij de eendenkooi in het noordoosten staan enkele huizen langs “de Vlieger Sloot” behorend tot het buurtschap Klooster. De sloot staat in het z uiden in verbinding met de Klooster gracht. Deze gracht loop parallel aan de Steenen gracht. De Steenen gracht vormt een grens tussen het (deel)gebied “Voor de Joksloot” in het zuiden en “De Noorden Ribben” ten noorden van het plangebied. “Het hooi dijkje” vormt de noordelijke grens van De Noorden Ribben , de voorlo- per van de huidige Blokzijlseweg/N333. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 11 van 19 Gedurende de 19 e eeuw veranderd er weinig in deze situatie. In de eerste helft van de 20 e eeuw wordt het gebied ontgonnen. Op de kaart van 1934 is te zien dat het in ontginning is en verdeeld in langgerekte percelen behorende tot de Polder Afdeling IV.
De Steenen gracht is helemaal verdwenen uit het plangebied en is alleen nog aanwezig ten westen van het plangebied. Het ontgonnen gebied bestaat uit graslandpercelen. Direct ten westen van het plangebied ligt een weg, de voorloper van de Jan van Nassauweg. Hier ten westen van ligt nog een groot veengebied (figuur 14 en figuur 15). Langs de Jan van Nassauweg zijn boerderijen gerealiseerd, waaronder de boerderij direct ten westen van het plangebied. Deze is gebouwd in 1938. 28 In de tweede helft van de 20 e eeuw worden steeds meer veengebieden ontgonnen en ingepolderd. In het plangebied is in deze periode een brede weg aangelegd, die enkele decennia later weer verdwe- nen is (figuur 16 en figuur 17). In de periode hierna is het erf langzaam uitgebreid met bijgebouwen. Ook zijn enkele sloten gedempt binnen en direct rondom het plangebied (figuur 18 t/m figuur 22). Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Steenwijkerland is niet geraadpleegd omdat het plangebied vol- gens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest.
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange- bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 29 Tijdens de Tweede Wereldoorlog stortte nabij het dorp Giethoorn een vliegtuig van de Amerikaanse luchtmacht neer. Daarnaast werd de klok van de Nederlandse Hervormde Kerk door de Dui tse bezet- ter weggevoerd. Na de oorlog werd de klok zwaar beschadigd in Hamburg teruggevonden. Grote incidenten zoals razzia’s of vergeldingsmaatregelen bleven Giethoorn bespaard. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er ar cheologische waar- den uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Aanvullende informatie Werkgroep Archeologie Steenwijk en Omstreken Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Werkgroep Archeologie Steenwijk en Omstre- ken van de Historische Vereniging Steenwijk en Omstreken , (d.d. 13 mei 2022 , contactpersoon me- vrouw Beijk). Zij liet weten dat er geen informatie bekend is over de locatie of directe omgeving. 2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV. Gespecificeerde archeologische verwachting 28 Basisregistraties Adressen en Gebouwen.
29 Indicatieve kaart Militair Erfgoed; VEO Bommenkaart; archieven 2. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 12 van 19 Archeologische perio- de Gespecificeerde verwach- ting Te verwachten complextype/resten Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld (Laat-)Paleolithicum t/m Mesolithicum Middelhoog Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen In de top van de dekzandafzettingen Neolithicum t/m Middel- eeuwen Laag Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houts- kool en gebruiksvoorwerpen In het veen of eventueel top van de dekzandafzettingen Nieuwe tijd Laag Mogelijke ontginningssloten In of vlak onder de bouwvoor tot een diepte van ca. 1,5 m -mv. Het plangebied behoort tot een veen ontginningsgebied dat uit verspoelde dekzandafzettingen be- staat. Ten noordoosten en zuidwesten van het plangebied liggen hoger gelegen dekzandwelvingen, waar het plangebied tussen ligt. De dekzandwelvingen waren ideale (bewonings)plekken voor jagers - verzamelaars. De lagere vlakte waar het plangebied in ligt is minder ideaal. Vanaf het Neolithicum is het gebied overgroeid door veen waardoo r bewoning niet mogelijks was, behalve op de hogere delen in het landschap.
Er zijn geen vondsten in de omgeving van het plangebied gedaan die zouden wijzen op menselijke activiteiten uit de prehistorie. Een eerder uitgevoerd onderzoek direct ten zuidwest en van het plange- bied, op het erf van de zelfde boerderij, liet zien dat er geen podzolbodem in de ondergrond aanwezig is. Er bevindt zich een scherpe overgang van de bouwvoor naar het daar onderliggende dekzand. Tijdens de boringen is vooral zandgrond aang etroffen, ondanks de aangegeven madeveengrond op de bodemkaart. Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen in de boringen. Dit geeft weer dat het oorspronkelijke veen afgegraven is en er zand terug is gestort voor ophoging. De archeologische verwachting voor het aantreffen van bewoningssporen/ -resten uit de periode (Laat-)Paleolithicum t/m Mesolithicum wordt middelhoog geacht. Voor de periode Neolithicum t/m Middeleeuwen geldt een lage verwachting. De groei van het veen zorgde ervoor dat het p langebied niet geschikt of aantrekkelijk was voor bewoning. Het plangebied lag tot in de 19 e eeuw grotendeels nog in veengebied en is na de ontginning in ge- bruik geweest als grasland of hooiland. Voor de Nieuwe tijd geldt daarom een lage verwachting. Be- woningsresten worden op basis van het kaartmateriaal niet verwacht. Wel kunnen mogelijk nog ont- ginningssporen zoals greppels voorkomen.
De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht , of eventueel afgedekt met een laat (rest-)veen. De vondstenlaag wordt verwacht in top van het dekzand . Archeologische sporen worden in de top van de C-horizont verwacht. De archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen door de relat ief droge en zure bodem- omstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader wor- den gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als grasland. Daarnaast heeft er vroeger een brede sloot gelegen en meerdere kleinere sloten . Door eventuele graaf- of dempingwerkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mo- gelijk verloren zijn gegaan. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 13 van 19 2.9 Conclusie bureauonderzoek Het plangebied heeft een middelhoge verwachting voor de periodes (Laat -)Paleolithicum t/m Mesoli- thicum. Voor de periodes Neolithicum t/m Nieuwe tijd geldt een lage verwachting . Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachtin g is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen.
Gezien de omvang van het plangebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitge- voerd in de verkennende fase (KNA protocol 4003, IVO-O). Met het verkennend booronderzoek wordt de bodemopbouw binnen het plangebied bepaald en wordt onderzocht of de oorspronkelijke bodem- opbouw (veen op verspoeld dekzand, waarbij bodemvorming plaats heeft gevonden) nog wel niet meer intact is. 3 INVENTARISEREND VELDONDERZOEK 3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO -overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied . Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bo demprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek , onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 ( KNA, versie 4.1, 24 ‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie ( KNA, versie 4.1, 24 ‑05‑2018 protocol 4003 ), specificatie VS03 . Voor het inventariserend veldonderzoek is op 16 mei 2022 door H.J. Gerritsen, BSc (archeoloog) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld.
Het veldwerk is uitgevoerd op 17 mei 2022 door m evrouw H.J. Gerritsen, BSc (archeoloog) en de heer drs. J. Holl (Senior Prospector) . Het gehele plangebied was vrij toegan- kelijk (figuur 23). Er is in meerdere raaien geboord met een afstand van 40 m tussen de raaien en een afstand van 30 m tussen de boringen. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet , waardoor een sys- teem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat . Bij het zetten van de boringen is rekening ge- houden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelman- boor (diameter 7 cm) en guts (diameter 3 cm) 16 boringen tot maximaal 140 cm -mv gezet (figuur 23 en foto 1). Boring 16 is iets verder terug geplaatst naar het oosten, circa 8 meter, i.v.m. een water dragende sloot en een stapel autobanden. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 30 De exacte locatie van de boringen aan de hand van ingeladen boorpunten in de Rover GPS. Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). 30 Bosch, 2005. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 14 van 19 Foto 1. Dhr. drs. J. Holl aan het gutsen. Foto: H.J. Gerritsen, Econsultancy Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel.
Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie - en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 en bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de bodemop- bouw als volgt worden weergegeven. Tabel V. Bodemopbouw boring 1 t/m 6 Diepte Samenstelling Interpretatie Vanaf maaiveld tot 40 cm Donker grijsbruin gekleurd, matig fijn, matig siltig, zwak tot matig humeus zand. Veel (donker)grijze vlekken met plaatselijk plastic, puin en plantenresten. Bouwvoor tussen 40 – gemiddeld 50 cm Donker bruinzwart gekleurd, sterk zandig veen. Bolster (restveen). Tussen gemiddeld 50 tot gemiddeld 100 cm Donkerbruin gekleurd, zwak – sterk kleiig veen. Vermoedelijk zeggeveen. Deze laag is afwezig in boringen 1 en 6. Tussen gemiddeld 100 Bruingrijs – donker bruin gekleurde, sterk siltige, humeuze ongerijp- Vermoedelijk slootvulling
Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 15 van 19 tot 120 cm te klei, plaatselijk plantenrest houdend Tussen 120 cm tot 140 cm (einde boring) Licht bruingrijs – licht grijsbruin gekleurd, matig fijn, matig siltig zand, plaatselijk slecht gesorteerd, plaatselijk met plantenresten Verspoeld dekzand. C-horizont. Tot op een diepte van 40 cm -mv bestaat de ondergrond uit een donkergrijsbruin gekleurd zandpak- ket met veel grijze – donkergrijze vlekken. Het betreft bouwvoor waarbij plaatselijk plastic, puin en plantenresten in te zien is. Hieronder bevindt zich dunn e laag van circa 10 cm dik. gekenmerkt door donker bruinzwart sterk zandig veen. Het betreft een laag restveen, ook wel bolster genoemd. In de boringen 2 t/m 5 bevindt zich op een gemiddelde diepte tussen de 50 en 100 cm -mv een donkerbruin gekleurd sterk kleiig veenpakket. Vermoedelijk gaat het hier om zeggeveen. Onder de veenlaag be- vindt zich een bruingrijs – donker bruine slappe kleilaag , plaatselijk met plantenresten en rommelig ogend. Op historische kaarten is te zien dat in het noordelijke deel een brede gracht gelopen heeft (figuur 24). Vermoedelijk is de veen- en kleilaag hier een restant van. Op een diepte van gemiddeld 120 cm -mv is een scherpe overgang naar een licht bruingrijs – licht grijsbruin gekleurd zandpakket aanwezig.
Het betreft de C -horizont, bestaande uit verspoeld dekzand met plaatselijk wat plantenres- ten. Tabel VI. Bodemopbouw boring 7 t/m 16 Diepte Samenstelling Interpretatie Vanaf maaiveld tot 25/45 cm Donker grijsbruin gekleurd, matig fijn, matig siltig, matig puinhou- dend, zand. Veel grijze vlekken en plaatselijk veenbrokken. Opgebrachte grond Tussen 25/40 tot gemiddeld 50 cm Lichtgrijs gekleurd, matig fijn, matig siltig zand met plantenresten. Verspoeld dekzand, C-horizont Tussen gemiddeld 50 tot 100 cm (einde boring) Licht bruingrijs gekleurd, matig fijn, matig siltig zand met planten- resten, enkele leembrokjes, Verspoeld dekzand, C-horizont In het oostelijk deel van het plangebied is geen veenlaag aangetroffen. In dit deel van het terrein be- vindt zich voornamelijk een laag met opgebrachte grond met daaronder direct de C -horizont, be- staande uit verspoeld dekzand (figuur 25). Het opgebrachte pakket heeft een wisselende dikte tussen de 25 en 4 0 cm bestaande uit een vlekkerig pakket donker grijsbruin zand, plaatselijk met puin of veenbrokken. Dit betreft opgebrachte grond. Hieronder bevindt zich een laag lichtgrijs gekleurd zand met wat plantenresten, geïnterpreteerd als de C-horizont bestaande uit verspoeld dekzand. Bij boring 12 bevindt zich tussen een diepte van 50 – 80 cm -mv een lichtgrijs zandpakket met veel bruine vlek- ken.
Dit betreft de verstoorde top van het dekzand. Tot op een maximale geboorde diepte van 100 cm -mv is een licht bruingrijs zandpakket aanwezig met wat plantenresten en leembrokjes. Ook dit betref- fen verspoelde dekzandafzettingen. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzo ek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aan- wezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. Rapport 18869.001 versie 2 Pagina 16 van 19 4 CONCLUSIE EN ADVIES 4.1 Conclusie Op basis van het archeologisch bureauonderzoek had het plangebied een middelhoge verwachting voor de periodes (Laat-)Paleolithicum t/m Mesolithicum. Voor de periodes Neolithicum t/m Nieuwe tijd gold een lage verwachting op het voorkomen van archeologische resten . Het plangebied is vanaf het Neolithicum overgroeid met veen waardoor het plangebied niet geschikt was voor bewoning. Alleen de hogere delen in het landschap waren hier geschikt voor, zoals de dekzandwelvingen waar het plangebied tussen ligt en het stuwwa llencomplex bij Steenwijk. Het terrein is in 1934 ontgonnen waarna het in gebruik is geweest als grasland.
Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat in het noordwesten van het gebied een veen- en kleilaag aanwezig is. Vermoedelijk zijn deze afkomstig uit de tijd dat in dit deel van het plan- gebied een brede sloot gelegen heeft, de Steenen Gra cht, ten tijde dat het nog veengebied was. De- ze lagen zijn in het oostelijke deel van het plangebied niet aangetroffen. Hier bestond de ondergrond uit 40 cm dik opgebrachte grond met daaronder een scherpe overgang naar de C -horizont. Dit betref- fen verspoel de dekzandafzettingen. Direct onder de opgebrachte laag was de C -horizont wat ver- stoord. Tijdens de boringen zijn geen archeologische resten aangetroffen, al was dit niet de insteek van het onderzoek. Daarnaast is er geen archeologisch relevante laag aangetroffen. Geconcludeerd kan worden dat vanwege de afwezigheid van een archeologisch relevante laag, het feit dat de bodem verstoord is tot in de C -horizont, de ligging in verspoeld dekzand en het feit dat rondom het plangebied gunstigere bewoningsplekken z ijn, zoals de dekzandwelvingen, de in het bu- reauonderzoek opgestelde middelhoge verwachting voor de periodes (Laat -)Paleolithicum – Mesoli- thicum, bijgesteld kan worden naar een lage verwachting. De lage verwachting voor Neolithicum – Nieuwe tijd kan gehandhaafd blijven.