Bestemmingsplan toelichting Hammerdijk 18 .pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Blankenham - Hammerdijk 18 VASTGESTELD Opsteller: V.H. van ’t Erve 26 mei 2020
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 1 Toelichting Inhoudsopgave 1 HOOFDSTUK 1 INLEIDEND HOOFDSTUK ......................................................... 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................... 3 1.2 Ligging van het plangebied ..................................................................................... 3 1.3 Bij het plan behorende stukken .............................................................................. 3 1.4 Planologisch kader ................................................................................................. 4 1.5 Doel ........................................................................................................................ 5 1.6 Leeswijzer ............................................................................................................... 5 2 HOOFDSTUK 2 GEBIEDSBESCHRIJVING EN HISTORIE ................................. 6 2.1 Ligging en historie .................................................................................................. 6 2.2 Het plangebied in zijn omgeving............................................................................. 8 2.3 Het gewenste plan ..................................................................................................
9 3 HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER ...................................................................... 11 3.1 Rijksbeleid ............................................................................................................ 11 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ..................................................... 11 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ........................................... 11 3.2 Provinciaal beleid ................................................................................................. 11 3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel ........................................................................ 11 3.3 Gemeentelijk beleid .............................................................................................. 19 3.3.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland .............................................................. 19 3.3.2 Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 ..................................................... 19 3.3.3 Beleidsnotitie buitengebied ....................................................................... 19 4 HOOFDSTUK 4 OMGEVINGSFACTOREN ........................................................ 20 4.1 Archeologie ...........................................................................................................
20 4.1.1 Aanleiding en doel ..................................................................................... 20 4.1.2 Doorwerking naar het plan ........................................................................ 20 4.2 Cultuurhistorie....................................................................................................... 20 4.2.1 Aanleiding en doel ..................................................................................... 20 4.2.2 Doorwerking naar het plan ........................................................................ 20 4.3 Externe veiligheid ................................................................................................. 21 4.3.1 Aanleiding en doel ..................................................................................... 21 4.3.2 Doorwerking naar het plan ........................................................................ 21 4.4 Kabels en leidingen .............................................................................................. 22 4.5 Bodem .................................................................................................................. 22 4.5.1 Aanleiding en doel ..................................................................................... 22 4.5.2 Doorwerking naar het plan ........................................................................
23 4.6 Ecologie ................................................................................................................ 23 4.6.1 Aanleiding en doel ..................................................................................... 23 4.6.2 Doorwerking naar het plan ........................................................................ 24 4.7 Geluid ................................................................................................................... 25 4.7.1 Aanleiding en doel ..................................................................................... 25 4.7.2 Doorwerking naar het plan ........................................................................ 26 4.8 Luchtkwaliteit ........................................................................................................ 26 4.8.1 Aanleiding en doel ..................................................................................... 26 4.8.2 Doorwerking naar het plan ........................................................................ 27 4.9 M.E.R.-beoordeling ............................................................................................... 27 4.9.1 Aanleiding en doel ..................................................................................... 27 4.9.2 Doorwerking naar het plan ........................................................................
27 Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 2 Toelichting 4.10 Milieuhinder .......................................................................................................... 28 4.10.1 Aanleiding en doel ................................................................................... 28 4.10.2 Doorwerking naar het plan ...................................................................... 29 4.11 Water .................................................................................................................... 30 5 HOOFDSTUK 5 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING .... 31 5.1 Inleiding ................................................................................................................ 31 5.2 Opzet van de regels ............................................................................................. 31 5.2.1 Inleidende regels ....................................................................................... 31 5.2.2 Bestemmingsregels ................................................................................... 32 5.2.3 Algemene regels ....................................................................................... 32 5.2.4 Overgangs- en slotregels ..........................................................................
32 5.3 Verantwoording van de regels .............................................................................. 33 6 HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID ................................................................ 34 6.1 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................. 34 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................ 34 BIJLAGEN ...................................................................................................................... 35 Watertoets ....................................................................................................................... 35 Verslag informeren omgeving ......................................................................................... 36 Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 3 Toelichting 1 Hoofdstuk 1 Inleidend hoofdstuk 1.1 Aanleiding Aan de Hammerdijk 18 te Blankenham bevindt zich een voormalig agrarisch bedrijf, de bestemming is agrarisch. De locatie is dit jaar van eigenaar gewisseld. De nieuwe eigenaren zijn niet voornemens agrarische activiteiten te ontplooien op de locatie. Zij willen er wonen en daarnaast de bestaande gebouwen, hobbymatig of voor een nevenactiviteit benutten.
Aangezien de ontwikkeling niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, moet een bestemmingswijziging plaatsvinden. 1.2 Ligging van het plangebied De ligging en begrenzing van het betreffende perceel (hierna te noemen: het plangebied) is aangegeven op volgende afbeeldingen. Afbeelding 1: Ligging Hammerdijk 18 te Blankenham 1.3 Bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan “Blankenham - Hammerdijk 18” bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (“NL.IMRO.1708.BKHHammerdijk18Bp-VG01”) en een renvooi; regels met bijbehorende bijlagen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 4 Toelichting De toelichting, met bijlagen, geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. 1.4 Planologisch kader Het plangebied is geregeld in de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland die op 9 december 2014 is vastgesteld en op 24 december 2014 in werking is getreden. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf 2'. Verder geldt op het plangebied en de omgeving de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' en de aanduiding 'Waterstaat - waterkering'. Op de gevolgen van deze aanwijzingen op de voorgenomen wijziging wordt in hoofdstuk 3 en 4 in gegaan. Met dit bestemmingsplan wordt het plangebied volgens de systematiek van de geldende beheersverordening, bestemd voor wonen en agrarisch. Hierna volgt een weergave van het huidige planologische regime. Afbeelding 2: Verbeelding van de huidige situatie Omdat de bestemming van “Agrarisch” naar “Wonen - buitengebied” gaat is er een procedure herziening van het bestemmingsplan van toepassing, met vaststelling door de gemeenteraad.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 5 Toelichting 1.5 Doel In deze toelichting wordt ingegaan op de (ruimtelijke) gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling van het betreffende gebied. Ook wordt een beschrijving gegeven van het relevante ruimtelijk beleid. 1.6 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit een zevental hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het van toepassing zijnde rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Het voorgenomen plan wordt getoetst aan de randvoorwaarden die volgen uit het beleid. Hoofdstuk 4 worden de omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn. In hoofdstuk 5 beslaat de juridische aspecten en planverantwoording. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 6 Toelichting 2 Hoofdstuk 2 Gebiedsbeschrijving en historie 2.1 Ligging en historie Het perceel Hammerdijk 18 te Blankenham ligt in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland, de woonboerderij is gelegen aan de voet van de voormalige zeedijk aan de grens met de gemeente Noordoostpolder.
Hieronder de ligging van de locatie vanuit een hoger gebiedsperspectief. Afbeelding 3: Gemeente Steenwijkerland, Blankenham en de ligging van het plangebied (rode marker). Afbeelding 4: De Hammerdijk en de ligging van het plangebied (rode marker).
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 7 Toelichting Hierna volgt een weergave van de ontwikkeling van de locatie aan de Hammerdijk 18 door de tijd. Anno 1900 Anno 1950 Afbeelding 5: Ontwikkeling Hammerdijk 18 te Blankenham door de tijd Anno 2018
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 8 Toelichting Blankenham is ontstaan toen de buurtschap IJsselham zich in tweeën splitste. Oorspronkelijk kreeg het de naam In den Hamme. Later werd het vernoemd naar Frederik van Blankenheim, bisschop van Utrecht. Blankenham is een dijkdorp in de gemeente Steenwijkerland. Tot 1973 was Blankenham een eigen gemeente; in dat jaar werd het bij IJsselham gevoegd. Sinds 2001 behoort het tot Steenwijkerland. De boerderij is gelegen aan de voet van de voormalige zeedijk en is gebouwd omstreeks 1850. De kap is bedekt met pannen, het boerderijdeel heeft oranje pannen. 2.2 Het plangebied in zijn omgeving Hieronder een weergave van dit gebied in zijn directe omgeving en een beschrijving van de omringende woningen en agrarische bedrijven. Hammerdijk 22 Hammerdijk 21 Hammerdijk 20 Hammerdijk 19 Hammerdijk 18 Hammerdijk 17 Hammerdijk 16 Afbeelding 6: Het plangebied in zijn omgeving
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 9 Toelichting In de nabijheid bevinden zich de volgende bedrijven: Hammerdijk 17 (loonwerker); Hammerdijk 20 (agrarisch bedrijf 2); Hammerdijk 21 (agrarisch bedrijf 2). De volgende adressen zijn woonbestemmingen: Hammerdijk 16; Hammerdijk 19 Hammerdijk 22. 2.3 Het gewenste plan De initiatiefnemer wil het plangebied transformeren tot een woonperceel. Alle bebouwing blijft hierbij bestaan. Er wordt niet gesloopt en er wordt niet nieuw gebouwd. Het perceel is landschappelijk al goed ingepast, zie de weergave hierna. Er hoeven dus geen extra inspanningen te worden verricht om de bestemmingswijziging te realiseren. Afbeelding 7: Het plangebied in de huidige en tevens gewenste situatie (voorzijde).
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 10 Toelichting Afbeelding 8: Het plangebied in de huidige en tevens gewenste situatie, gezien vanaf de achterzijde.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 11 Toelichting 3 Hoofdstuk 3 Beleidskader Getoetst wordt of het plan past binnen het vigerende planologisch kader en binnen het ruimtelijk beleid van de verschillende overheidslagen. In dit hoofdstuk staat een overzicht van het van toepassing zijnde beleid in relatie tot de gewenste ontwikkelingen van de initiatiefnemer. 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Het beleid van het rijk op de ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit van Nederland tot 2040 is neergelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen acht het Rijk zich verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De benoemde rijksbelangen hebben echter geen betrekking op de ontwikkelingen die binnen het onderhavige plangebied zijn voorgenomen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) bepaalt dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen de treden van de ladder moet worden doorlopen.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. In het voorliggende plan worden geen gebouwen opgericht of gesloopt. Deze ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Bro. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet noodzakelijk. 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel In de Omgevingsvisie wordt de visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel uiteengezet. De Omgevingsvisie is een samenvoeging van het streekplan, Verkeers- en Vervoersplan, Waterhuishoudingsplan en het Milieubeleidsplan. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 12 Toelichting Deze visie is opgesteld met een doorkijk tot 2030. In de Omgevingsverordening zijn instructies opgenomen ten aanzien van de inhoud van de juridisch-planologische documenten. In deze paragraaf komt als eerste de visie aan bod en in navolging hierop de verordening. Voor de omgevingsvisie heeft de provincie in het buitengebied twee thema’s die leidend zijn voor alle beleidskeuzes: duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit.
Ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen in projecten en regels. Ontwikkelingsperspectieven schetsen de ontwikkelingsrichtingen voor gebieden. Voor de groene omgeving worden de volgende ontwikkelingsperspectieven geschetst: - realisatie groene en blauwe hoofdstructuur; - buitengebied- accent agrarische productie; - buitengebied- accent veelzijdige gebruiksruimte.. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte aan de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is de goede functie op de juiste plek op de goede manier ingepast in de omgeving. De ambitie is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten, waarbij elk project, elke ontwikkeling iets bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit wordt daarmee een vanzelfsprekend resultaat van handelen! Voor het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit zijn essentiële gebiedskenmerken het uitgangspunt. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit vooral versterken door deze gebiedskenmerken te verbinden aan nieuwe ontwikkelingen. De aanwezige gebiedskenmerken in zowel de groene- als de stedelijke omgeving zijn tot stand gekomen door soms eeuwenoude processen.
Ze zijn te onderscheiden in 4 lagen: 1. laag van de beleving (toerisme, recreatie en landgoederen); 2. stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur); 3. laag van de agrarische cultuurlandschappen (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem) en; 4. natuurlijke laag (in en op de bodem). 3.2.1.1 Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Om te beoordelen of een willekeurige ruimtelijke ontwikkeling inpasbaar is binnen het provinciale beleid dient de gewenste ontwikkeling te worden getoetst op basis van het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. Hierna is het Uitvoeringsmodel zichtbaar gemaakt en wordt uitleg gegeven over de in het Uitvoeringsmodel opgenomen begrippen. Om te beoordelen of een willekeurige ruimtelijke ontwikkeling inpasbaar is binnen het provinciale beleid dient de gewenste ontwikkeling te worden getoetst op basis van het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. Hierna is het Uitvoeringsmodel zichtbaar gemaakt en wordt uitleg gegeven over de in het Uitvoeringsmodel opgenomen begrippen. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 13 Toelichting Afbeelding 9: Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Het model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes (de of vraag); 2. ontwikkelingsperspectieven (de waar vraag); 3. gebiedskenmerken (de hoe vraag). Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes Deze vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Het gaat dan om het volgende: Reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000- gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN). De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend; Voor woningbouw, bedrijfslocaties en voorzieningen in zowel de groene als stedelijk omgeving hanteert de provincie bovendien de zogenaamde SER-ladder. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden; Ook valt hieronder dat de provincie van gemeenten vraagt om afspraken te maken over hun ruimtelijke ontwikkelingsplannen met buurgemeenten. Dit wordt onder andere bij woningbouw en bij bedrijventerreinen gevraagd. Zo bereikt de provincie een optimaal afgestemd en zuinig ruimtegebruik. Ontwikkelingsperspectieven Binnen de Omgevingsvisie zijn zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de Groene en Stedelijke omgeving. Met dit spectrum wordt ruimte gegeven voor het realiseren van de beleids- en kwaliteitsambities.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 14 Toelichting De ontwikkelperspectieven geven richting wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Hieronder is de kaart weergegeven die geldt voor het ontwikkelperspectief. Er is sprake van “Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap”. Afbeelding 10: Kaart van het ontwikkelingsperspectief uit de omgevingsvisie Voor dit gebied geldt dat het behouden en versterken van de leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied kaderstellend is. Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. De functie wonen past dus goed in dit landschap. Gebiedskenmerken Bij (nieuwe) ontwikkelingen wil de provincie dat de ruimtelijke kwaliteit versterkt wordt. Dit kan vooral door gebiedskenmerken te verbinden aan nieuwe ontwikkelingen. Deze gebiedskenmerken zijn te onderscheiden in vier lagen: 1. laag van de beleving (toerisme, recreatie en landgoederen); 2. stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur), hier niet van toepassing; 3. laag van de agrarische cultuurlandschappen (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem) en: 4.
natuurlijke laag (in en op de bodem); Kwaliteitsopgaven De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van deze gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke inpassing, infrastructuur, milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Hieronder volgt de toets op basis van het Uitvoeringsmodel voor het perceel. Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hierna volgende de uitsneden van de vier lagen.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 15 Toelichting Laag van de beleving De laag van beleving wordt ook wel de laag van lust- en leisure genoemd. Hierna worden ze door elkaar gebruikt. Aan de (relatieve) autonomie van de natuurlijke processen in de natuurlijke laag, het ‘nut’ van het cultuurlandschap en de sociale en functionele dynamiek van de stedelijke laag voegt de laag van de beleving de dimensie van het welbehagen, het plezier, de trots en de beleving toe. Deze laag is het domein van de belevenis, betekenis en identiteit. De belevingslaag voegt eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes, maar benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Op basis van deze kaartlaag geldt dat het perceel geen nadere aanduiding heeft. Zie de kaart hieronder. Afbeelding 11: Laag van de beleving Laag van de agrarische cultuurlandschappen In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Het aanzien van ruim twee derde van het oppervlak van Overijssel wordt bepaald door het agrarisch gebruik.
Ter plaatse is sprake van een agrarisch cultuurlandschap “zeekleilandschap”, zie de kaart hierna.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 16 Toelichting Afbeelding 12: Laag van de agrarische cultuurlandschappen Het ‘zeekleilandschap’ krijgt een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van het karakteristieke wielen- en dijkenpatroon, de grootschaligheid en openheid, de erven (al/ niet op terpen gelegen, als eilanden in een grote groene ruimte) en de terpen zelf met hun bijbehorende karakteristieke erven. Als ontwikkelingen plaats vinden in het zeekleilandschap, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van bestaande erven, lintdorpen en voormalige Zuiderzeestadjes. Als ontwikkelingen plaats vinden in het Land van Kuinre, dan dragen deze bij aan behoud van de bestaande structuur van lange opstrekkende kavels. Als gevolg van de ontwikkeling worden geen waardevolle landschapselementen aangetast of verwijderd. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan het ‘zeekleilandschap’. De laag van de agrarische cultuurlandschappen verzet zich niet tegen voorgenomen ontwikkeling. Natuurlijke laag De natuurlijke laag is ontstaan doordat abiotische processen, zoals ijs-, wind- en waterstromen, erosie en sedimentatie en biotische processen, zoals vestiging van plant- en diersoorten, die inwerken op de ondergrond van bodem en geologie. Op basis van de kaart ‘natuurlijke laag’ geldt het volgende.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 17 Toelichting Afbeelding 13: Natuurlijke laag Ter plaatse is sprake van de natuurlijke laag ‘zeekleigebied en randmeren’. De norm voor dit landschap is het patroon van geulen en kreken, hogere oevers en kreekruggen en (voormalige) overstromingsvlaktes krijgt een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van dit karakteristieke patroon met bijbehorend reliëf. Als ontwikkelingen plaats vinden in de nabijheid van geulen en kreken, hogere oevers en kreekruggen en (voormalige) overstromingsvlaktes, dan dragen deze bij aan accentuering van het patroon en de hoogteverschillen en de beleefbaarheid daarvan. De natuurlijke laag verzet zich niet tegen voorgenomen ontwikkeling, de bebouwing en beplanting wijzigt niet op de planlocatie. 3.2.1.2 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) Door de Omgevingsvisie is het eerdere detailkader, zoals o.a. 'Rood voor Rood', 'Rood voor Groen', 'Nieuwe landgoederen' vervallen en is er een nieuw document opgesteld . Dit nieuwe document is de 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' (KGO). KGO is vastgelegd in de provinciale verordening (artikel 2.1.6).
De KGO gaat er vanuit dat er ruimte is voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe functies in het buitengebied, mits hier sociaal economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn en er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke ruimtelijke kwaliteit in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Twee principes zijn leidend; Elke ontwikkeling dient bij te dragen aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit; De ontwikkelingsruimte die men krijgt dient in evenwicht te zijn met investeringen in de ruimtelijke kwaliteit.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 18 Toelichting Afbeelding 14: KGO, verbeelding van de balans Uitgangspunt is dat plannen ontwikkelingsruimte krijgen als deze passen binnen het generieke beleid en de ontwikkelingsperspectieven van de provincie en worden uitgewerkt conform de gebiedskenmerken. Voorwaarde daarbij is dat de geboden ontwikkelingsruimte in evenwicht is met de te leveren kwaliteitsprestaties. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke inpassing zoals situering van gebouwen en erfbeplanting. Voor het bepalen van de hoogte van aanvullende kwaliteitsprestaties wordt het plan getoetst aan de hand van de volgende drie variabelen: a) Is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd? b) Wat is de schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving ? c) Dient het initiatief een eigen belang of ook maatschappelijke belangen? a) Gebiedseigenheid van de ontwikkeling De voorgestane ontwikkeling betreft het wijzigen van de bestemming van “agrarisch” naar “wonen”. De bebouwing en erfbeplanting wijzigt niet, alleen het gebruik wijzigt. Het initiatief kan dus als gebiedseigen worden beschouwd. b) Schaal van de ontwikkeling en impact op de omgeving De schaal van de ontwikkeling is mede bepalend voor de impact op de omgeving. De bebouwde oppervlakte wijzigt niet, waardoor de impact op de omgeving minimaal is.
Hierdoor past de voorgenomen bestemmingswijziging, voor wat betreft schaal en impact, in deze omgeving. c) Eigen belang versus maatschappelijke belangen Dit plan dient in eerste instantie een eigen belang. De wijziging is economisch uitvoerbaar, omdat de initiatiefnemer alle kosten voor zijn rekening neemt. Functies in de omgeving van het plangebied worden niet beperkt. Gezien het voorgaande wordt voldaan aan de KGO. Door het wijzigen van de bestemming van “agrarisch” naar “wonen”, worden de verschillende onderdelen van de omgevingsvisie niet nadelig beïnvloed. Het gewenste plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid. .
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 19 Toelichting 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland De vraag die centraal staat in de Omgevingsvisie Steenwijkerland is: hoe zien vestingstad Steenwijk, de kernen en het landelijk gebied van Steenwijkerland er in 2030 uit? De omgevingsvisie geeft de richting aan voor ruimtelijke plannen en alles wat daarmee te maken heeft. De Omgevingsvisie is tot stand gekomen na breed overleg met een vertegenwoordiging van diverse partijen, zoals ondernemers, plaatselijk belangen en wijkorganisaties, maar ook buurgemeenten, waterschap en provincie. Deze ontwikkeling is passend binnen de ambitie van de omgevingsvisie. Een bestaande kavel wordt herbestemd zodat de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft. 3.3.2 Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 Het college heeft op 2 mei 2017 de Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 vastgesteld. Met de woonvisie zet de gemeente een nieuwe koers in, waarbij aandacht voor transformatie van leegkomend vastgoed een belangrijke rol speelt. De leefbaarheid en de kwaliteit van wonen is in Steenwijkerland in het algemeen goed. De gemeente wil hierbij inwoners en andere partijen faciliteren bij het versterken van leefbaarheid. Het plan sluit hiermee aan op de ambities van de gemeente zoals beschreven in de woonvisie.
3.3.3 Beleidsnotitie buitengebied In de Beleidsnotitie bestemmingsplan Buitengebied, die door de gemeenteraad is vastgesteld op 27 maart 2012, wordt weergegeven waar de gemeente Steenwijkerland zich op richt bij de verdere ontwikkeling van haar buitengebied. Vanwege mogelijke verschillen in interpretatie, is aanvullend op 6 november 2012 door de gemee nteraad voor de bijgebouwen een nadere aanvulling vastgesteld. Dit plan omvat een wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming, dit sluit aan op deze beleidsnotitie. De leefbaarheid van het buitengebied wordt hiermee behouden. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 20 Toelichting 4 Hoofdstuk 4 Omgevingsfactoren Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn. 4.1 Archeologie 4.1.1 Aanleiding en doel De monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is per die datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming van de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet.
Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, zijn deze artikelen opgenomen in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven. Het gaat hierbij onder andere, om verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Doel van het archeologisch (voor)onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologisch (voor)onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. 4.1.2 Doorwerking naar het plan Voor de gehele gemeente is een Archeologische Waarderingskaart vastgesteld. Hierin is per gebied een waardering toegekend ten aanzien van de archeologische waarden. Op basis van de hoge trefkans is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' opgenomen. Voor dergelijke gebieden geldt dat bij ingrepen buiten de bebouwde kom groter dan 2.500 m2, archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In dit bestemmingsplan is hier geen sprake van. Nader archeologisch onderzoek is niet nodig.
4.2 Cultuurhistorie 4.2.1 Aanleiding en doel Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het projectgebied worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen die met een nieuw bestemmingsplan planologisch mogelijk worden gemaakt. 4.2.2 Doorwerking naar het plan In het geldende bestemmingsplan zijn de cultuurhistorische waarden beschermd middels de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 21 Toelichting Het plangebied kent geen specifieke cultuurhistorische waarden en is derhalve ook niet beschermd met de dubbelbestemming. De structuren en kenmerken in de omgeving hebben dan ook geen cultuurhistorische betekenis. Met dit bestemmingsplan wordt geen afbreuk gedaan aan de structuren in de omgeving. De woning past binnen de kenmerken van de omgeving. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. 4.3 Externe veiligheid 4.3.1 Aanleiding en doel Het doel van de toets op externe veiligheidsaspecten rond ruimtelijke plannen is na te gaan welke risico’s de voorgenomen ontwikkelingen met zich brengen. Dit om de mogelijkheid te bieden een externe veiligheidssituatie te creëren die voldoet aan de behoeften.
Daartoe kan het ruimtelijk initiatief of specifieke wijze worden ingevuld en kunnen eventuele aanvullende maatregelen worden getroffen. Het externe veiligheidsonderzoek richt zich eerst op het plaatsgebonden risico. Dit geeft een beeld van de ruimtelijke verdeling van de hoogte van de risico’s rond een bron. Vervolgens wordt nagegaan wat de hoogte van het groepsrisico is. Dit geeft inzicht in de aantallen personen die bij een ongeval kunnen worden betrokken. Als er sprake is van groepsrisico, als een ongeval tot meer dan 10 dodelijke slachtoffers kan leiden, moeten risicogegevens worden verzameld, moet een advies over het voorgenomen initiatief aan de regionale brandweer worden gevraagd en is de initiatiefnemer verplicht de veranderingen in het groepsrisico door de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te verantwoorden. 4.3.2 Doorwerking naar het plan Het Besluit richt zich primair op inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. In artikel 2, lid 1 van het BEVI staan de inrichtingen genoemd waarop het besluit van toepassing is. Deze inrichtingen brengen risico’s met zich mee voor de in de omgeving aanwezige risicogevoelige objecten.
Een woning is geen risicoveroorzakende inrichting, maar wordt op basis van het Bevi wel aangemerkt als ‘beperkt kwetsbare object’, zodat ook beoordeeld dient te worden of zich in de nabijheid van het perceel inrichtingen of transportleidingen bevinden die van invloed zijn of kunnen zijn op het ruimtelijk initiatief. Hiertoe is een check uitgevoerd aan de hand van de risicokaart van Overijssel. Dit levert het volgende beeld op. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 22 Toelichting Afbeelding 15: Risicokaart "Alles tonen" met planlocatie Er bevinden zich geen Bevi-inrichtingen, wegen of spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt in de directe nabijheid van het plangebied. Op ruim 6,5 kilometer bevindt zich een gasbuisleiding (nabij Marknesse). Deze afstand is voldoende, nader onderzoek naar externe veiligheid is niet nodig. Nader onderzoek naar externe veiligheid is niet nodig. 4.4 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van bel ang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken.
Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een planologische regeling. 4.5 Bodem 4.5.1 Aanleiding en doel De mens gebruikt de bodem op vele manier, voor bijvoorbeeld woningbouw, landbouw, aanleg van wegen en winning van grondstoffen. Om te zorgen dat dit ook in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 23 Toelichting Doordat de mens al vele eeuwen gebruik maakt van de bodem heeft hij overal sporen achtergelaten. Deze sporen zijn terug te zien in het landschap en te vinden op en in de bodem. Door bodemsanering worden de ernstige chemische verontreiniging van de bodem aangepakt. Bescherming van de bodem betekent bovendien het voorkomen dat schone grond verontreinigd raakt en het rekening houden met de eigenschappen van de bodem. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan. 4.5.2 Doorwerking naar het plan In het bestemmingsplan dient aangegeven te worden wat de kwaliteit van de bodem ter plaatse van het plangebied is.
Tevens dient, op basis van de Mor (Ministeriële r egeling omgevingsrecht), bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een rapportage van een recent uitgevoerd verkennend bodemonderzoek toegevoegd te worden. Voor verkennend bodemonderzoek op een locatie wordt de norm NEN 5740 gehanteerd (onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek). De bodemonderzoeksplicht geldt alleen voor bouwwerken waarvoor: Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist; waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend (twee of meer uren per dag) mensen zullen verblijven; die de grond raken; waarvan het bestaande gebruik wijzigt (interne verbouwing); die niet naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk genoemd in het Besluit bouwwerken; waarvan geen reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten aanwezig zijn; die geen tijdelijk bouwwerk betreffen waarbij uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is. Bovenstaande voorwaarden zijn niet van toepassing, waardoor een nader bodemonderzoek niet nodig is. 4.6 Ecologie 4.6.1 Aanleiding en doel Het beschermen, ontwikkelen en beheren van natuurgebieden is niet altijd genoeg om de verscheidenheid aan planten- en diersoorten in stand te houden. Bovendien komen veel soorten ook buiten natuurgebieden voor.
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 24 Toelichting De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming (Wnb) is drieledig: ten eerste de bescherming van de biodiversiteit in Nederland, ten tweede decentralisatie van verantwoordelijkheden en ten derde vereenvoudiging van regels. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Gebiedsbescherming In de nieuwe Wet natuurbescherming blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. In de Wet natuurbescherming staat, dat nieuwe economische activiteiten of uitbreidingen van bestaande activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op Natura 2000-gebieden. Economische activiteiten kunnen leiden tot een verhoging van de hoeveelheid stikstof in natuurgebieden. Sommige beschermde plantensoorten groeien alleen in voedselarme omstandigheden. Stikstof zorgt voor voedselrijkere grond, waardoor deze beschermde soorten kunnen verdwijnen en ook de diversiteit van plantensoorten achteruitgaat.
Soortenbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: 1. Vogels met jaarrond beschermde nesten; 2. Overige vogels; 3. Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I); 4. Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt; 5. Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt. 4.6.2 Doorwerking naar het plan Van belang is om na te gaan in hoeverre er sprake is of kan zijn van één of meerdere van de bovengenoemde ‘verboden activiteiten’. Gebiedsbescherming Hierna is de ligging van de omliggende natuurgebieden weergegeven. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 25 Toelichting Afbeelding 13: Omliggende Natura-2000 gebieden en NNN gebieden. Bron: Atlas van Overijssel Ten noordoosten ligt een Natura-2000 gebied, op 1,45 kilometer afstand (Wieden- Weerribben). Het plangebied zelf bevindt zich niet binnen een Natura-2000 gebied of binnen de NNN. Het dichtst bij gelegen NNN gebied ligt op 1,45 kilometer afstand (ten noorden van het plangebied). Er is geen afname van NNN areaal en er wordt niet binnen de NNN begrenzing gewerkt.
Door de geplande ingrepen kunnen negatieve effecten op de NNN uitgesloten worden. Soortenbescherming Van belang is om na te gaan in hoeverre er sprake is of kan zijn van één of meerdere van de bovengenoemde ‘verboden activiteiten’. Op de locatie wordt niet gebouwd, er worden ook geen gebouwen gesloopt. Hierdoor zijn er geen negatieve effecten te verwachten voor wat betreft broedvogels. Er zijn door de voorgenomen bestemmingswijziging ook geen negatieve effecten te verwachten op de overige beschermde soorten of aanwezige functies. Er verdwijnen dus geen huisvestingsplaatsen van waardevolle soorten zoals bijvoorbeeld gierzwaluwen en vleermuizen. Nader onderzoek naar flora en fauna is hierdoor niet nodig. 4.7 Geluid 4.7.1 Aanleiding en doel Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen).
Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 26 Toelichting Op Europees niveau is het voornaamste doel op het gebied van geluidshinder dat niemand wordt blootgesteld aan geluidsniveaus die zijn of haar gezondheid en de kwaliteit van zijn of haar bestaan in gevaar brengen. Het doel van eventueel uit te voeren akoestisch onderzoek bij ruimtelijke plannen is het voorkomen van geluidshinder bij geluidsgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) door het aanhouden van voldoende afstand ten opzichte van geluidsproducen ten (industrie, railverkeer etc.) of het treffen van andere maatregelen. De verplichting tot de eventuele uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een wijzigingsplan of het nemen van een projectafwijkingsbesluit indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.
Het eventuele akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijk e voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 4.7.2 Doorwerking naar het plan De mate waarin geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde). Onder deze waarde hoeft wettelijk gezien aan verkeerslawaai geen aandacht te worden besteed. De woning staat op circa 12 meter van het hart van de weg. Dit is een bestaande situatie. De woning wijzigt niet, alleen de bestemming van het perceel wijzigt, waardoor de bedrijfswoning, een burgerwoning wordt. Nader onderzoek is niet nodig. Railverkeerslawaai en industrielawaai is bij deze locatie niet van toepassing, omdat er geen spoorwegen en industrie in de nabije omgeving gelegen zijn. Hiermee is het plan, met betrekking tot de Wet Geluidhinder, uitvoerbaar. 4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Aanleiding en doel Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.
Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen en het Besluit gevoelige bestemmingen. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 27 Toelichting De luchtkwaliteit hoeft geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. 4.8.2 Doorwerking naar het plan Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij om stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit zijn onder andere: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals hiervoor beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt de functie ‘wonen’ niet aangemerkt als gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. 4.9 M.E.R.-beoordeling 4.9.1 Aanleiding en doel De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een milieuvergunningsprocedure.
4.9.2 Doorwerking naar het plan Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D -lijst en die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze vormvrije m.e.r.- beoordeling kan tot twee uitkomsten leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 28 Toelichting Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. In bijlage III van de EU-richtlijn m.e.r. staan de criteria genoemd waarnaar moet worden gekeken bij de beoordeling. In voorliggende casus is gekeken naar deze Europese criteria. Op basis van de uitkomsten in dit hoofdstuk is inzichtelijk gemaakt dat er geen belangrijk nadelige gevolgen zijn voor de omgeving en het milieu. Verder hebben de locatie en de omgeving verder geen bijzondere kenmerken die geschaad worden door het initiatief. Gezien de aard van de ingrepen zijn verder geen negatieve effecten te verwachten, zodat op basis hiervan verder kan worden afgezien van het verrichten van een (vorm)vrije m.e.r.-beoordeling.
4.10 Milieuhinder 4.10.1 Aanleiding en doel In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van geplande milieugevoelige functies, zoals woningen, ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende milieubelastende functies. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009). Deze publicatie bevat onder meer lijsten met richtafstanden van diverse milieuhinderlijke activiteiten en stappenplannen voor concrete situaties. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure.
Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 29 Toelichting 4.10.2 Doorwerking naar het plan Voor doorwerking naar het plan moet het vanuit twee perspectieven worden beoordeeld: 1. Vanuit de omgeving naar het plangebied 2. Vanuit het plangebied naar de omgeving Vanuit de omgeving naar het plangebied Naast de planlocatie (Hammerdijk 17) is een bedrijf gelegen met de bestemming ‘specifieke vorm van bedrijf – loonwerker’. De woning van de planlocatie ligt op 30 meter van de rand van het bouwvlak van dit bedrijf. De afstand van de woning tot de dichtst bij gelegen rijroute op het bedrijf bedraagt 51 meter.
Een agrarisch loonwerkbedrijf (> 500 m2 bedrijfsgebouwen) valt in categorie 3.1 (worst- case) en er geldt een afstandseis van: 50 meter voor geluid; 30 meter voor geur; 10 meter voor stof en gevaar. Aan de richtafstand uit bijlage 1 van de VNG-brochure wordt niet voldaan. Wanneer naar de feitelijke situatie wordt gekeken, kan gesteld worden dat de werkelijke afstand van het loonwerkbedrijf tot de woning voldoende is. Daarbij is het een bestaande situatie, die niet wijzigt. In de nabije omgeving van het plangebied zijn een aantal veehouderijen gevestigd: Hammerdijk 20 Hammerdijk 21 Het bedrijf aan de Hammerdijk 20 ligt op 310 meter. Het bedrijf aan de Hammerdijk 21 ligt op 210 meter afstand. Voor veehouderijbedrijven moet de Wet geurhinder en veehouderij worden gehanteerd. Voor rundvee geldt de afstand van 50 meter en voor intensieve veehouderij wordt de afstand bepaald op basis van het aantal dieren met bijbehorende stalsystemen. Gelet op de afstand is dit ruim voldoende. De bedrijven in de omgeving liggen dus op ruim voldoende afstand van het plangebied. Vanuit het plangebied naar de omgeving De voormalige bedrijfswoning krijgt de bestemming “wonen - buitengebied” en wordt een burgerwoning. Op basis van artikel 14, lid 2 en 3 van de Wet geurhinder en veehouderij dient de afstand buiten de bebouwde kom, minimaal 50 meter te bedragen. Deze afstand wordt gehaald.
Het is om die reden te verwachten dat er ter plaatse van de woning sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 30 Toelichting Daarnaast heeft het initiatief geen gevolgen voor de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. 4.11 Water In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te 'toetsen op water', de zogenaamde Watertoets. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Ten behoeve van de watertoets is via het instrument www.dewatertoets.nl een wateradvies opgevraagd. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Op basis van de uitgevoerde watertoets blijkt dat het plan geen waterschapsbelang wordt geraakt. Het waterschap gaat akkoord met het plan. Het waterschap geeft aan dat er direct door kan worden gegaan met de planvorming. Waterparagraaf geen waterschapsbelang Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op de bestemmingswijziging van "Agrarisch" naar "Wonen" voor het perceel Hammerdijk 18 te Blankenham. Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Er is geen sprake van (grond) wateroverlast in de omgeving van het plan.
Er is geen waterschapsbelang. Deze conclusie is automatisch getrokken op basis van de ingevoerde gegevens op www.dewatertoets.nl. Het proces van de watertoets is goed doorlopen en is als bijlage ingesloten. Het waterschap Drents Overijsselse Delta gaat akkoord met het plan. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 31 Toelichting 5 Hoofdstuk 5 Juridische aspecten en planverantwoording 5.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het wijzigingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 5.2 Opzet van de regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010.
In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4. Overgangs- en slotregels. 5.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen.
Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd; Wijze van meten Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Blankenham - Hammerdijk 18 Vastgesteld Pagina 32 Toelichting 5.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in onder andere: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (zoals bijvoorbeeld bebouwingshoogte en bebouwingspercentage); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet zijn toegestaan. 5.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels In dit artikel staan de algemene regels die bij het bouwen in acht genomen moeten worden. Algemene gebruiksregels In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven.
Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene aanduidingsregels In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels behandeld. In voorliggend geval betreft het de bepalingen omtrent het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. In deze regels wordt aangegeven welke werken en werkzaamheden verboden zijn en welke zijn uitgezonderd van de vergunningsplicht. Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overige algemene regels In dit artikel wordt geregeld dat bij een nieuw bouwwerk voldoende parkeergelegenheid moet zijn en de voorrang bij dubbelbestemming wordt er in aangeduid. 5.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.