Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8_ontwerp_1_Regels.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Inhoudsopgave Regels 3 Hoofdstuk 1 Inleidende regels 4 Artikel 1 Begrippen 4 Artikel 2 Wijze van meten 14 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 16 Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2 16 Artikel 4 Agrarisch met waarden 21 Artikel 5 Tuin 24 Artikel 6 Wonen - Buitengebied 25 Artikel 7 Waarde - Archeologie 2 32 Hoofdstuk 3 Algemene regels 34 Artikel 8 Anti-dubbeltelregel 34 Artikel 9 Algemene bouwregels 35 Artikel 10 Algemene gebruiksregels 36 Artikel 11 Algemene afwijkingsregels 37 Artikel 12 Overige regels 38 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 39 Artikel 13 Overgangsrecht 39 Artikel 14 Slotregel 40 2 Inhoudsopgave (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Regels Regels (ontwerp) 3 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8' met identificatienummer NL.IMRO.1708.ISHLakeweg7en8BP-ON01 van de gemeente Steenwijkerland. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en eventuele bijlagen. 1.3 aan huis verbonden bedrijf: het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.
het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. 1.4 aan huis verbonden beroep: een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten 1.5 aanbouw/uitbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt. 1.6 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.7 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.8 achtererfgebied erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.9 agrarisch bedrijf een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een productiegerichte paardenhouderij, niet zijnde een agrarische nevenactiviteit. 1.10 agrarisch bedrijfsmatig gebruik: het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Hieronder wordt mede verstaan een rietteeltbedrijf. 1.11 agrarisch grondgebruik: een agrarische activiteit waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond. 4 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 1.12 agrarisch hobbymatig gebruik: het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet gericht op het voortbrengen van producten ten behoeve van een agrarisch bedrijf. 1.13 agrarisch: het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
1.14 ambacht(elijk): het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, ver-/bewerken, herstellen of installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, ver- of bewerkt, ondergeschikt aan de woonfunctie. Wanneer deze activiteit in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen plaatsvindt, dient de omvang van de activiteit zodanig te zijn dat de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd. 1.15 archeologische deskundige: de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie. 1.16 archeologisch monument: terrein dat op basis van de Erfgoedwet is aangewezen als beschermd archeologisch monument. 1.17 archeologische verwachting: de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten. 1.18 archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden. 1.19 architectonische waarde: de aan een bouwwerk toegekende waarde in verband met de vormgeving, het materiaalgebruik en/of detaillering. 1.20 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.21 bebouwingspercentage: het percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.22 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Aan-huisverbonden beroepen en bedrijven niet daaronder begrepen. 1.23 bedrijfsgebouw: een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten. 1.24 bedrijfsmatig: via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen. Regels (ontwerp) 5 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 1.25 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor (het huishouden van) één of meer personen, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw en/of terrein. 1.26 bedrijfsvloeroppervlak: het vloeroppervlak van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. 1.27 beeldkwaliteit: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten.
1.28 begane grond: het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de gemiddelde hoogte. 1.29 bestaand: de op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare bebouwing of het op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.30 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.31 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.32 bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Als hoofdregel is dit het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland. 1.33 bijgebouw: een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.34 boerderijkamer: appartement in een daarvoor ingericht bedrijfsgebouw op een agrarisch bedrijf, ten behoeve van recreatief nachtverblijf. 1.35 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.36 bouwgrens: de grens van een bouwvlak.
1.37 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback. 6 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 1.38 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.39 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel. 1.40 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.41 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.42 bomenteelt het bedrijfsmatig voortbrengen van beplantingsgewassen zoals bos- en haagplantsoen, laan- en parkbomen, vruchtbomen, rozenstruiken, sierconiferen en overige sierheesters, een en ander in de vorm van volle grondsteelt dan wel containerteelt, dan wel glasboomteelt. 1.43 carport: een bouwwerk met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden voorzien, inclusief bestaande wanden.
1.44 coffeeshop: een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren worden verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor gebruik ter plaatse of gebruik elders. 1.45 containerveld: uitgespreid afdekmateriaal, al dan niet op of met ondersteunende constructie, waarbij de relatie van de grond en het te telen product is verbroken en bestemd voor vollegrondsgroente-, fruit-, bloemen-, planten- en boomteelt. 1.46 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat in de loop van de geschiedenis is ontstaan door het gebruik dat de mens van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt. 1.47 cultuurlandschappelijke waarden: waarden die ontstaan zijn door het gebruik van de gronden in de loop van de geschiedenis door de mens. 1.48 daghoreca: een horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren. 1.49 dagrecreatie het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden.
Regels (ontwerp) 7 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 1.50 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.51 draadomheining en draaderfafscheiding: een omheining of erfafscheiding bestaande uit één of meerdere evenwijdig aan elkaar lopende of haaks op elkaar staande draden. 1.52 eerste bouwlaag: bouwlaag op de begane grond. 1.53 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.54 erfafscheiding: afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst. 1.55 erker een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voorgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas.
1.56 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.57 geluidzoneringsplichtige inrichting: een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidszone als bedoeld in die wet moet worden vastgesteld. 1.58 groepsaccommodatie een gebouw dat periodiek dient voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in gemeenschappelijke slaapzalen en/of kamers. 1.59 grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering, al dan niet met beweiding, hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een productiegerichte paardenhouderij, een biologisch veehouderijbedrijf, waarbij dieren worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, en naar aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven.
1.60 hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 8 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 1.61 horeca: het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies. 1.62 huishouden een persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. 1.63 intensief veehouderijbedrijf / intensieve veehouderij: een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren, zoals een rundveemesterij (exclusief vetweiderij), een varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of pelsdierhouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen met (nagenoeg) geen weidegang. 1.64 kampeermiddel: een middel ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder wordt begrepen een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren. 1.65 kampeerterrein: terrein of plaats waarop gelegenheid wordt gegeven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.
1.66 karakteristieke bebouwing: te handhaven gebouw of bouwwerk, dat vanwege zijn architectonische vormgeving, schaal en cultuurhistorisch of anderszins waardevolle eigenschappen als kenmerkend voor een gebied kan worden beschouwd. 1.67 karakteristieke (erf)beplanting: beeldbepalende en/of waardevolle beplanting welke kenmerkend is voor en past bij de omgeving. 1.68 kleinschalig kampeerterrein/minicamping: terrein of plaats met maximaal 15 kampeerplaatsen, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, gedurende de periode van 15 maart tot 1 november van elk kalenderjaar. 1.69 maaiveld: bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. 1.70 maatvoeringsvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten.
1.71 mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. Regels (ontwerp) 9 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 1.72 manege een niet-agrarisch bedrijf dat derden de mogelijkheid biedt om op het manegeterrein dressuur en springen met paarden uit te oefenen en/of anderszins te trainen met paarden. 1.73 monumenten: alle bouwwerken conform artikel 6 Monumentenwet, alsmede gemeentelijke monumenten. 1.74 natuurlijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige, biologische en ornithologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, alsmede door de aanwezigheid van soorten vallende onder de soortenbescherming op basis van de Wet natuurbescherming, de aanwezigheid van gebieden vallende onder de gebiedsbescherming op basis van de Wet natuurbescherming en de aanwezigheid van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
1.75 nevenactiviteit: een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een perceel. 1.76 niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsvoering hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en dat als zodanig niet afhankeliljk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensief kwekerijbedrijf of een intensief veehouderijbedrijf. 1.77 normale onderhoudswerkzaamheden: werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden en bouwwerken. Daaronder worden mede verstaan werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een ruimtelijk plan, zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet. 1.78 omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.79 onderbouw/kelder: een gedeelte van een gebouw, dat is gelegen binnen de buitenwerkse gevelvlakken en wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven het peil is gelegen.
1.80 onderkomens: voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van recreatief verblijf. 1.81 openbare nutsvoorziening: een gebouw of bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje of een verdeelstation. 1.82 opslag: het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard. 1.83 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand. 10 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 1.84 paardenbak: een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's. 1.85 paardenhouderij: het houden van paarden en pony's ten behoeve van het gebruik van deze dieren, zoals ten behoeve van pensionstallen, wedstrijdstallen, verhuurbedrijven, rijscholen en maneges.
1.86 parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen 1.87 peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil. 1.88 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.89 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.90 productiegerichte paardenhouderij: een paardenhouderij welke is gericht op het fokken van paarden die bedoeld en geschikt zijn voor een specifieke taak, waaronder in ieder geval wordt begrepen hengstenstations, paardenmelkerijen, opfokbedrijven voor paarden en pony's, ook merriehouderijen of stoeterijen genaamd.
1.91 recreatie: activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding. 1.92 recreatief medegebruik: het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport, varen met kano en gemotoriseerde (fluister)boot, surfen, zeilen en sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten. 1.93 ruimtelijke kwaliteit: de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte. 1.94 ruimtelijk kwaliteitsplan een plan dat beschrijft op welke wijze het erf landschappelijk gezien is ingepast in zijn omgeving, hoe de sterke gebiedskenmerken worden doorvertaald in de inrichting van het erf en hoe de nieuwe ontwikkeling op het erf en waar nodig compenserende maatregelen elders, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Regels (ontwerp) 11 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 1.95 seksinrichting: de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.96 silo: een bouwwerk dat dient voor het opslaan van mest, veevoeder, graan of andere bulkstoffen ten behoeve van het agrarische bedrijf. 1.97 statische opslag opslag van goederen die naar hun aard weinig verplaatsing behoeven, zoals caravans, campers, boten en (klassieke) auto's. 1.98 stedenbouwkundige beeld: het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte. 1.99 teeltondersteunende voorzieningen In, op of boven de grond aangebrachte voorzieningen ter ondersteuning van agrarische, plantaardige teelt met als doel verbetering van de productie (onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraat), verbeteren van de arbeidsomstandigheden (onder meer door gewassen verhoogd te telen) en het bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijdingsmiddelen, effectief omgaan met water). 1.100 transportbedrijf een bedrijf gericht op het transport van goederen.
1.101 verbeelding: de weergave van de inhoud van een bestemmingsplan conform het gestelde in de Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening 2012 Onder het begrip 'verbeelding' wordt zowel de analoge wijze als de digitale wijze verstaan. 1.102 verblijfsrecreatie het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats waarbij recreatief nachtverblijf centraal staat. 1.103 verdieping: een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag welke is gelegen op de begane grond. 1.104 voorgevel: gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water dan wel die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt. 1.105 waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc. 12 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 1.106 weg: een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en daarbij behorende parkeerplaatsen. 1.107 windturbine een bouwwerk dat dient voor het omzetten van energie van bewegende lucht in andere vormen van energie zoals elektriciteit en warmte.
1.108 woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.109 woningsplitsing het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden. 1.110 zolder: ruimte(n) in een gebouw die hoofdzakelijk is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht geen deel uitmaakt van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen. Regels (ontwerp) 13 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is. 2.2 het bebouwingspercentage: het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. 2.7 de horizontale diepte van een bouwwerk de lengte van een bouwwerk, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel. 2.8 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand. 2.10 de ondergeschikte bouwdelen: Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 m. 2.11 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
2.12 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 14 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 2.13 de verticale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer. Regels (ontwerp) 15 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen de voor Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat: 1. op een grondgebonden agrarisch bedrijf melkkoeien mogen worden gehouden met dien verstande dat indien voor een bedrijf een omgevingsvergunning is verleend op grond waarvan een hoger aantal melkkoeien mag worden gehouden, dit aantal als maximum geldt; b. wonen in een bedrijfswoning. met daaraan ondergeschikt: 1. tuinen, erven en groenvoorzieningen; 2. ontsluitings- en parkeervoorzieningen; 3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
3.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.1. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde bestemming, voor de uitoefening van één bedrijf per bestemmingsvlak, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; b. bedrijfswoningen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' uitsluitend een bedrijfswoning, met bijbehorende bouwwerken is toegestaan; c. de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; d. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde bestemming, waaronder begrepen silo's, teeltondersteunende voorzieningen, mestopslagplaatsen, paddocks, stapmolens en paardenbakken, zowel binnen als buiten de aanduiding ' bouwvlak', met dien verstande dat teeltondersteunende voorzieningen, mestsilo's en folie mestbassins uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan. met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.2.2 tot en met 3.2.5. 3.2.2 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van de bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a.
de oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag maximaal 80% van het bouwvlak bedragen; b. de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens of evenwijdig aan de voorgevelrooilijn van de bestaande bebouwing ; c. gebouwen worden met een kap van minimaal 12° en maximaal 60° afgedekt; d. de goothoogte van gebouwen bedraagt maximaal 5,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' de aangeduide maximale goothoogte geldt; e. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 14,00 meter. 3.2.3 Bedrijfswoning Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende regels: a. per bedrijf is slechts één bedrijfswoning toegestaan, uitgezonderd: 1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' waar maximaal het aangeduide aantal bedrijfswoningen wordt gebouwd; 16 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 b. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 600 m³, dan wel maximaal de bestaande inhoud indien deze groter is; c. de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 5,50 meter, dan wel maximaal de bestaande goothoogte indien deze groter is; d. de bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 10,00 meter; e. de bedrijfswoning wordt met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt.
3.2.4 Bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports, bedraagt maximaal 75 m²; b. bijgebouwen worden gebouwd op ten minste 3,00 meter achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan; c. bijgebouwen worden met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt; d. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter; e. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van de bedrijfswoning. 3.2.5 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen; b. de carport wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een carport maximaal 20 m² bedraagt; c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 10,00 meter, met dien verstande dat: 1. de hoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter bedraagt en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt; 2.
de hoogte van sleufsilo's maximaal 2,00 meter bedraagt; 3. de hoogte van mestsilo's maximaal 4,00 meter bedraagt; 4. de hoogte van voersilo's maximaal 8,00 meter bedraagt. 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het vergroten van de inhoud van een bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.3 ten behoeve van het vergroten van de inhoud van een bedrijfswoning tot 750 m³, met dien verstande dat: a. een goede stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd; b. de inhoud van de bedrijfswoning maximaal 750 m³ mag bedragen; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 4. de landschappelijke en/of archeologische waarden van de gronden; 5. de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden. 3.3.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het verlagen van de dakhelling Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.4 ten behoeve van het verlagen van de dakhelling van een bijgebouw tot 0°, met dien verstande dat: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2.
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 3. de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden. Regels (ontwerp) 17 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 3.3.3 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van een grotere hoogte van silo's Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2 onder f ten behoeve van een grotere hoogte voor silo's, met dien verstande dat: a. de hoogte maximaal 15 meter bedraagt; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. niet-grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten; b. bomenteelt'; c. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens; d. de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie; e. het opslaan van mest en kuilvoer buiten het bouwvlak, tenzij hiervoor een omgevingsvergunning is verleend; f. een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de woning en/of in de bijgebouwen, anders dan bedoeld in artikel 3.4.2; g.
het gebruik van een vrijstaand bijgebouw voor bewoning; h. mantelzorg in de bedrijfswoning en/of in de bijgebouwen; i. detailhandel; j. ligplaats voor boten, anders dan voor eigen gebruik; k. buitenopslag voor de voorgevel van het hoofdgebouw. 3.4.2 Aan huis gebonden beroepen Een aan huis gebonden beroep is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. een aan huis verbonden beroep wordt uitsluitend uitgeoefend in de bedrijfswoning of de daarbij behorende bijgebouwen; b. maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep; c. de woonfunctie wordt in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet wezenlijk aangetast; d. er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is; e. er is slechts één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 cm; f. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving; g. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein; h.
er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt; i. buitenopslag en buitenactiviteiten zijn niet toegestaan; j. er mag geen sprake zijn van een onevenredig verkeersaantrekkende werking. 3.4.3 Voorwaardelijke verplichting - Landschappelijke inpassing a. tot een met de bestemming strijdig gebruik in elk geval wordt gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken, overeenkomstig de in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2' opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen, conform het in Bijlage 2 en Bijlage 4 opgenomen Landschapsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing, waarbij: 1. binnen 12 maand na verlenen van de omgevingsvergunning de landschappelijke inpassing 18 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 conform het in Bijlage 2 en Bijlage 4 opgenomen Landschapsplan is afgerond. 3.4.4 Voorwaardelijke verplichting - Bodem a.
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig lid 3.1 of uitvoeren van nieuwe bodemingrepen ter plaatse van de gronden waarvoor in het Bodemadvies in Bijlage 5 nader bodemonderzoek wordt geadviseerd, zonder het uitvoeren van dit nader bodemonderzoek en de daaruit voortvloeiende (verplichte) (sanerings)maatregelen, waarbij door een ter zake deskundige wordt verklaard dat de bodem geschikt wordt geacht voor het bedoelde gebruik. b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig lid 3.1 onder a, worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen één jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van omgevingsvergunning voor het bouwen van nieuwe bouwwerken geheel uitvoering is gegeven aan de uitvoering van het onder a benoemde nader bodemonderzoek en de daaruit voortvloeiende (verplichte) (sanerings)maatregelen, waarbij door een ter zake deskundige wordt verklaard dat de bodem geschikt wordt geacht voor het bedoelde gebruik. 3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van nevenactiviteiten Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4 ten behoeve van de volgende ondergeschikte nevenactiviteiten naast de agrarische bedrijfsfunctie: a.
bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten die behoren tot milieucategorie 1 en 2 die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 2 bij de regels) en/of daarmee qua milieu gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten, tot maximaal van 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing; b. statische opslag, tot maximaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing; c. hoogwaardige recreatieve voorzieningen tot maximaal 35 % van de bedrijfsbebouwing; d. hoogwaardige zorggerelateerde voorzieningen, tot maximaal 35% van de bedrijfsbebouwing en maximaal 10 slaapplaatsen voor logeren; e. verblijfsrecreatie, zoals in de vorm van kleine groepsaccommodaties, boerderijkamers, logiesverstrekking en/of bed en breakfast, tot maximaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing, met een maximum van 10 slaapplaatsen per bouwperceel, ten behoeve van een gelijktijdig nachtverblijf van maximaal 10 personen; f. kleinschalige dagrecreatie, al dan niet met een culturele of educatieve inslag, tot maximaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing; g. complementaire daghoreca (inclusief terras), tot maximaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing, met een maximum van 100 m²; h. toonzalen, expositieruimten, ateliers, praktijkruimten, tot maximaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing, met een maximum van 150 m²; i.
detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten, in de bestaande bebouwing tot maximaal 35% van de bedrijfsbebouwing tot een maximum van 25 m²; met dien verstande dat: 1. maximaal in totaal 35% van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing wordt gebruikt ten behoeve van de onder a t/m j genoemde nevenactiviteiten tezamen; 2. de functies worden gevestigd in de bestaande bebouwing; 3. de wijziging niet leidt tot onevenredige aantasting van bestaande natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden; 4. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; de milieusituatie; het woon- en leefklimaat; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 5. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik; 6. de effecten op de waterhuishouding in beeld zijn gebracht (watertoets), waarbij geldt dat de bestaande waterhuishouding niet mag verslechteren als gevolg van de ontwikkeling; 7. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeer behoefte; Regels (ontwerp) 19 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 8. omliggende functies niet worden gehinderd. 3.5.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van minicampings Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.4, ten behoeve van een minicamping, met dien verstande dat: a.
het aantal minicampings binnen de gemeente niet meer dan 50 bedraagt; b. nieuwe minicampings in het Natura 2000 gebied (ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone natura 2000') en EHS gebieden niet mogelijk zijn; c. het aantal kampeerplaatsen maximaal 15 bedraagt d. uitsluitend kampeermiddelen mogen worden geplaatst; e. een goede landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd; f. de oppervlakte van een kampeerplaats minimaal 80 m² bedraagt; g. de afstand van de minicamping tot de perceelsgrens met aangrenzende woningen met een woonbestemming minimaal 25 meter bedraagt; h. het kamperen niet plaatsvindt tussen 1 november en 15 maart; i. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de milieusituatie; 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 7. de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden; 8. de waterstaatkundig en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden; j. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein.
3.5.3 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een grotere oppervlakte niet-grondgebonden agrarische nevenactiviteiten Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.1.1 ten behoeve van een grotere oppervlakte aan niet-grondgebonden agrarische nevenactiviteiten, met dien verstande dat: a. niet-grondgebonden agrarische nevenactiviteiten zijn toegestaan met een maximale oppervlakte van 2000 m²; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het woon- en leefklimaat; 2. de milieusituatie; 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 4. de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden; 5. de waterstaatkundig en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden. 20 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Artikel 4 Agrarisch met waarden 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik; b. agrarisch hobbymatig gebruik; c. bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijk waarden; d.
instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuur- en landschapselementen, zoals houtopstanden, houtwallen, houtsingels, sloten, beken, waterlopen en overige waterpartijen, water- en oevervegetaties; met daaraan ondergeschikt: e. ontsluitingsvoorzieningen; f. tuinen, erven en groenvoorzieningen; g. recreatief medegebruik, voor zover dit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft; h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 4.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.1. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van: a. omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1 meter bedraagt; b. voerderruiven, drinkbakken en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt; c.
bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van het instandhouden, versterken en/of ontwikkelen van de in artikel 4.1 genoemde natuur- en landschapselementen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt; d. bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt. 4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 en 4.2.2 ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen, met dien verstande dat: a. teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde'; b. de oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen per bedrijf maximaal 500 m² mag bedragen; c. teeltondersteunende voorzieningen niet in de ecologische hoofdstructuur mogen worden gesitueerd; d. een goede landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd; e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; Regels (ontwerp) 21 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 2. het woon- en leefklimaat; 3. de verkeersveiligheid; 4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 5. de landschappelijke en/of natuurlijke waarden; 6.
de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden. 4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; b. terras, tennisbaan en zwembad; c. paardenbak, tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend; d. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband; e. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen; f. buitenopslag, waaronder de opslag van mest(stoffen), behoudens voor zover dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; g. de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie; h. boom- en fruitteelt; i. ligplaats voor boten, anders dan voor eigen gebruik; j. verhuur van boten, fietsen en andere recreatieve vervoermiddelen. 4.4.2 Voorwaardelijke verplichting - Landschappelijke inpassing a.
tot een met de bestemming strijdig gebruik in elk geval wordt gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken, overeenkomstig de in de bestemming 'Agrarisch met waarden' opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen, conform het in Bijlage 2 en Bijlage 4 opgenomen Landschapsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing, waarbij: 1. binnen 12 maand na verlenen van de omgevingsvergunning de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 2 en Bijlage 4 opgenomen Landschapsplan is afgerond. 4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van minicampings Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.4.1, ten behoeve van een minicamping, met dien verstande dat: a. het aantal minicampings binnen de gemeente niet meer dan 50 bedraagt; b. het aantal kampeerplaatsen maximaal 15 bedraagt c. uitsluitend kampeermiddelen mogen worden geplaatst; d. deze gronden direct aansluiten aan de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2'; e. een goede landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd; f. de oppervlakte van een kampeerplaats minimaal 80 m² bedraagt; g. de afstand van de minicamping tot de perceelsgrens met aangrenzende woningen met een woonbestemming minimaal 25 meter bedraagt; h.
het kamperen niet plaatsvindt tussen 1 november en 15 maart; i. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de milieusituatie; 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 7. de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden; 8. de waterstaatkundig en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de 22 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 aangrenzende gronden; j. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. 4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.6.1 Vergunningsplicht algemeen Het is verboden op of in de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen, met dien verstande, dat ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde' voor het aanleggen van containervelden geen vergunning kan worden verleend; b. het scheuren van grasland en/of rietland; c.
het aanbrengen van (bovengrondse) leidingen, constructies, installaties en apparatuur; d. het verrichten van exploitatieboringen; e. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen; f. het wijzigen van de bodemstructuur, het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem met meer dan 0,20 meter; g. het verwijderen van natuur- en landschapselementen; h. het aanbrengen dan wel wijzigen van drainagesystemen; i. het dempen van oppervlaktewater; j. het vergraven van oevers; k. het verleggen van watergangen. 4.6.2 Uitzonderingen Het bepaalde in 4.6.1 is niet van toepassing op: a. normale onderhoudswerkzaamheden; b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik; c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd; d. werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een ruimtelijk plan zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming; e. werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van een door het bevoegd gezag vastgesteld landschapsplan, waartoe in ieder geval Bijlage 2 en Bijlage 4 behoort.
4.6.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.6.1 kan alleen worden verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 4.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. 4.6.4 Inwinning advies bevoegd waterschapsgezag In de volgende gevallen vraagt het bevoegd gezag advies aan het ter plaatse bevoegde waterschapsgezag, alvorens de in artikel 4.6.1 genoemde vergunning te verlenen: a. wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak groter dan 750 m²; b. wanneer gronden worden afgegraven met als doel permanent oppervlaktewater met een oppervlakte groter dan 750 m² te realiseren. Regels (ontwerp) 23 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Artikel 5 Tuin 5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1 Algemeen De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen behorende bij op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen; b. parkeren; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; met de daarbij behorende voorzieningen.
5.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.1. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen De voor 'Tuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt; b. vlaggenmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 6,00 meter bedraagt; c. erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits: d. de diepte gemeten vanaf de bouwgrens binnen de bestemming 'Wonen - Buitengebied' niet meer dan 1,00 meter bedraagt; e. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de woning; f. de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer +0,30 meter. 5.3 Specifieke gebruiksregels 5.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, een en ander met uitzondering van parkeren ten behoeve van het op de bestemming gerichte gebruik; b.
buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor op de bestemming gericht tijdelijk gebruik. 5.3.2 Afwijken voorwaardelijke verplichting - Landschappelijke inpassing a. tot een met de bestemming strijdig gebruik in elk geval wordt gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken, overeenkomstig de in de bestemming 'Tuin' opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen, conform het in Bijlage 3 opgenomen Landschapsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing, waarbij: 1. binnen 12 maand na verlenen van de omgevingsvergunning de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 3 opgenomen Landschapsplan is afgerond. 24 Regels (ontwerp) bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 Artikel 6 Wonen - Buitengebied 6.1 Bestemmingsomschrijving 6.1.1 Algemeen De voor 'Wonen - Buitengebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in een woning; met daaraan ondergeschikt: 1. tuinen, erven en groenvoorzieningen; 2. ontsluitings- en parkeervoorzieningen; 3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Op de voor 'Wonen - Buitengebied' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. woningen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; b. de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bijgebouwen'; c.
bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouwen'. met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.2.2 tot en met 6.2.4. 6.2.2 Woningen Voor het bouwen van de woningen gelden de volgende regels: a. per bouwvlak is maximaal 1 woning toegestaan; b. de voorgevels van de woning worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens of evenwijdig aan de voorgevelrooilijn van de bestaande bebouwing; c. de grenzen van het bouwvlak mogen worden overschreden door erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits: 1. de diepte gemeten vanaf de bouwvlakgrens niet meer dan 1,00 meter bedraagt; 2. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de woning; 3. de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,30 meter; d. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter, met dien verstande dat: 1. indien de goothoogte van een bestaande, legaal gebouwde woning hoger is dan de hiervoor bedoelde maximale goothoogte geldt die hoogte als maximum;' e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 7,50 meter, met dien verstande dat: 1. indien de bouwhoogte van een bestaande, legaal gebouwde woning hoger is dan de hiervoor bedoelde maximale bouwhoogte geldt die hoogte als maximum;' f. gebouwen zullen met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° worden afgedekt; g.
de inhoud van een woning bedraagt maximaal 600 m³, dan wel maximaal de bestaande inhoud indien deze groter is; 6.2.3 Bijgebouwen behorende bij de woning Voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij de woning gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports, mag maximaal 75 m² bedragen; b. bijgebouwen ter plaatse dienen binnen de 'bijgebouwen' te worden gerealiseerd; c. bijgebouwen worden met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt; d. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter; e. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw, dan wel de bestaande bouwhoogte; f. een verkoop- en reparatiebedrijf van rietmachines en buitenboordmotoren en hiermee naar aard en omvang en effect op de omgeving vergelijkbare activiteiten is uitsluitend binnen de bestaande bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' toegestaan, met dien verstande dat het Regels (ontwerp) 25 bestemmingsplan Bestemmingsplan Lakeweg 7 en 8 totale gebruik van bijgebouwen ten behoeve van het verkoop- en reparatiebedrijf maximaal 250 m² bedraagt. 6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a.
een overkapping wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een overkapping maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een overkapping maximaal 20 m² bedraagt; b. overige bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw, met uitzondering van erfafscheidingen en vlaggenmasten; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 6,00 meter, met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte: 1. voor de onder sub b. bedoelde voorgevelrooilijn maximaal 1,00 meter bedraagt, en, 2. achter de onder sub b. bedoelde voorgevelrooilijn maximaal 2,00 meter bedraagt. 6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning en het gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 6.2.1.a ten behoeve van het gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak en/of artikel 6.2.2.g ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning, met dien verstande dat: a. een goede stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing dient te zijn gewaarborgd b.
het gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak alleen betrekking heeft op de uitbreiding van een woning binnen het bouwvlak; c. de inhoud van de woning maximaal 750 m³ mag bedragen; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. het woon- en leefklimaat; 3. de verkeersveiligheid; 4. de landschappelijke en/of archeologische waarden van de gronden; 5. de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden. 6.3.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van grotere oppervlakte na sanering bijgebouwen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 6.2.3 ten behoeve van een grotere bebouwde oppervlakte van bijgebouwen behorende bij een woning, met dien verstande dat: a. er sprake dient te zijn van sloop van bijgebouwen, waarbij geldt dat maximaal 100% van de gesloopte oppervlakte aan bijgebouwen mag worden teruggebouwd; b. na sanering het perceel voor niet meer dan 60% is bebouwd; c. de grotere oppervlakte aan bijgebouwen bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. de verkeersveiligheid; 3. de milieusituatie; 4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 5. de landschappelijke e en/of archeologische waarden van de gronden; 6.