Bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2.pdf
Tekst van het document
Mesolithicum (circa 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen ( circa 9000 voor Chr.) verbeterde het kl i- maat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de vari atie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu. Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumge- bonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jach t- techniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl - en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee -Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/viss ers/verzamelaars wi s- selden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de r i- vieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd.
Neolithicum (circa 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangri j- ke rol spele n. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp. Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrar i- sche levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levens- stijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale ve r- nieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepe n stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag , mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafm o- numenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te ondersche i- den van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Neder- lands grondgebied.
Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstand en. Eén en ander had Rapport 10489.002 versie 2 wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie , die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omg e- ven door een grep pel. Een Kopertijd v oorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest -Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Z eegebied. Wel zijn uit het Laat - Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van wer k- tuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op.
Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele h uizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mog e- lijk op so ciale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJz ertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aang e- zien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in b e- langrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlan d- se rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaam- de 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd.
De inheemse manier van leven handhaafde zich nog l ange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69 -70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duideli j- ker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aa r- dewerk, Romeins impo rtaardewerk in gebruik , dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse here nboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan , waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking , ten noorden van de Li- mes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handel s- contacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een ins tabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn.
Middeleeuwen (circa 450-1500 na Chr.) Over de Vroege -Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450 -600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de R o- Rapport 10489.002 versie 2 meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden . Een gezaghe b- bende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en m ateriële welstand. Deze instabiele per i- ode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adel lijke grootgrondbe- zitters waar genomen. Dit vertaalt zich in nieuwe ned erzettingsvormen als mottes, kastelen en ve r- sterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei , en mede dankzij gunstige klimat o- logische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast.
De heersende rival i- teit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal g e- weld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, ha n- delskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industr i- ele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwi k- kelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het gr oot- ste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Do or de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt.
In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats , wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten. Rapport 10489.002 versie 2 Bijlage 3 AMZ-cyclus Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelij- ke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovend ien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap wo r- den overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek . Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot be- lang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing.
Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeen telijke, provinciale en landelijke arche o- logische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting. Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven va n informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waa r- den, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen , op basis waa r- van een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan - of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de da te- ring, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden.
Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeol o- gische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase. De verkenne n- de fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap , voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waard e- rende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizo n- tale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 10489.002 versie 2 Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf mete r breed die worden aangelegd in de zones waar in de voo r- gaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is , kan besloten word en tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop - of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de wer k- zaamheden vondsten (van hoge arch eologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 10489.002 versie 2 Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ Verkennend veldonderzoek Door middel van: - terreininspectie - booronderzoek** ▼ ▼ ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: - oppervlaktekartering - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Opgraven*** Verwijderen van de archeologische resten door archeo- logen (variant begeleiding) ▼ Beschermen Bescherming van de archeologie door planaanpassing ► ► ► ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noo d- zakelijk wordt geacht. Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie.
Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan o p het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanw e- zig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voo r- waarden). * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 10489.002 versie 2 Bijlage 4 Boorprofielen Rapport 10489.002 Bijlage 6 Boorstaten 1 X: 204126,00 Y: 535398,00 m +NAP1,40 50 100 gras0 Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, donkergrijs, geleidelijk, A-horizont, bouw voor20 Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, donkergrijs, Gebl korrels, scherp, AE-horizont40 Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, bruin, geleidelijk, B-horizont, dekzand 50 Zand, matig fijn, zw ak siltig, lichtbruin, geleidelijk, BC-horizont, dekzand 70 Zand, matig fijn, zw ak siltig, licht geelgrijs, geleidelijk, C-horizont, dekzand 80 Zand, matig fijn, zw ak siltig, sterk grindig, licht geelgrijs, geleidelijk, C-horizont 100 2 X: 204119,00 Y: 535357,00 m +NAP1,40 50 gras0 Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, donkergrijs, geleidelijk, bouw voor 30 Zand, matig fijn, zw ak siltig, donker grijsbruin, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond 60 Zand, matig fijn, zw ak siltig, licht geelgrijs, roestvlekken: spoor, C-horizont, dekzand 90 3 X: 204161,00 Y: 535355,00 m +NAP1,60 50 100 gras0 Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, donkergrijs, geleidelijk, bouw voor 30 Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, donkergrijs, geleidelijk, Weinig gevlekt w it 60 Zand, matig fijn, matig siltig, sterk humeus, donker zw artgrijs, Venig, geleidelijk 90 Veen, zw ak zandig, bruin, Amorf, scherp 110 Zand, matig fijn, zw ak
siltig, licht geelgrijs, Ss, roestvlekken: spoor, C-horizont, dekzand 125 Zand, matig fijn, matig siltig, zw ak grindig, licht geelgrijs, Gestuit op grindlaag, roestvlekken: spoor, C-horizont, dekzand 130 4 X: 204203,00 Y: 535344,00 m +NAP1,80 50 100 150 gras0 Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, donkergrijs, geleidelijk, Veel gevlekt lichtgrijs, omgew erkte grond 50 Zand, matig fijn, sterk siltig, sterk humeus, Venig, los, scherp 170 Zand, matig fijn, matig siltig, matig grindig, licht groengrijs, C-horizont, keizand190 Rapport 10489.002 versie 2 Rapport 10489.002 Bijlage 6 Boorstaten 5 X: 204157,00 Y: 535317,00 m +NAP1,40 50 gras0 Zand, matig fijn, zw ak siltig, matig humeus, matig grindig, matig puinhoudend, donkergrijs, scherp, Veel gevlekt grijs, omgew erkte grond 50 Zand, matig fijn, zw ak siltig, lichtbruin, geleidelijk, BC-horizont, dekzand70 Zand, matig fijn, zw ak siltig, licht geelgrijs, C-horizont, dekzand 90 6 X: 204099,00 Y: 535310,00 m +NAP1,70 50 100 150 gras0 Zand, matig fijn, zw ak siltig, zw ak humeus, grijs, geleidelijk, Veel gevlekt lichtgrijs, omgew erkte grond 45 Zand, matig fijn, sterk siltig, sterk humeus, zw ak puinhoudend, Venig, scherp 150 Zand, matig fijn, uiterst siltig, matig grindig, licht groengrijs, C-horizont, keizand170 Rapport 10489.002 versie 2 Legenda (conform NEN 5104) grind Grind, siltig Grind, zwak zandig Grind, matig zandig
Grind, sterk zandig Grind, uiterst zandig zand Zand, kleiïg Zand, zwak siltig Zand, matig siltig Zand, sterk siltig Zand, uiterst siltig veen Veen, mineraalarm Veen, zwak kleiïg Veen, sterk kleiïg Veen, zwak zandig Veen, sterk zandig klei Klei, zwak siltig Klei, matig siltig Klei, sterk siltig Klei, uiterst siltig Klei, zwak zandig Klei, matig zandig Klei, sterk zandig leem Leem, zwak zandig Leem, sterk zandig overige toevoegingen zwak humeus matig humeus sterk humeus zwak grindig matig grindig sterk grindig geur geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie uiterste olie-water reactie p.i.d.-waarde >0 >1 >10 >100 >1000 >10000 monsters geroerd monster ongeroerd monster volumering overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib water bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Regels Regels (ontwerp) 221 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan 'De Bult, Onderduikersweg 2' met identificatienummer NL.IMRO.1708.DBUOnderduikersweg-ON01 van de gemeente Steenwijkerland. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen.
1.3 aanbouw/uitbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt. 1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 aan huis verbonden bedrijf: het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. 1.7 agrarisch: het telen van gewassen en/of het houden van dieren. 1.8 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een productiegerichte paardenhouderij, niet zijnde een agrarische nevenactiviteit.
1.9 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10 bebouwingspercentage: een in de verbeelding of regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.11 bestaand: situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 222 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 1.12 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.13 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14 bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.15 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.16 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.17 bouwgrens: de grens van een bouwvlak. 1.18 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback.
1.19 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel. 1.21 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.22 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.23 buitenopslag/open opslag: het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van de bedrijfspercelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur en dergelijke. 1.24 camperovernachtingsplaats: een kleinschalig kampeerterrein ten behoeve van een kortdurend verblijf voor campers, van maximaal 48 uur. Regels (ontwerp) 223 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 1.25 culturele voorzieningen: een atelier, een expositieruimte, een creativiteitscentrum, een museum en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen. 1.26 dagrecreatie: het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden. 1.27 dak: een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk. 1.28 eerste bouwlaag: bouwlaag ter plaatse van de begane grond.
1.29 evenement: een activiteit in de openlucht, dan wel in al dan niet tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden. 1.30 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.31 groepsaccommodatie: een gebouw dat periodiek dient voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in gemeenschappelijke slaapzalen en/of kamers. 1.32 hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.33 horeca: het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies. 1.34 kampeermiddel: a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren; b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is.
Eén en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.35 maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen. 224 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 1.36 maatvoeringsvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten. 1.37 natuurbeheer: zorg voor onderhoud van het natuurlandschap. 1.38 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.39 omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.40 ondergeschikte functie: een functie die qua omvang en uitstraling ondergeschikt is aan een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie, maar indien dat in de bestemmingsomschrijving niet expliciet is aangegeven aan die functie niet ten dienste hoeft te staan c.q. daar functioneel mee verbonden hoeft te zijn. 1.41 opslag: het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard. 1.42 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand. 1.43 pand: de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.44 parkeervoorzieningen: een al dan niet overdekte c.q. ondergrondse stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer: a. openbare parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel openbaar toegankelijk zijn; b. particuliere parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel niet openbaar toegankelijk zijn, zoals bijvoorbeeld parkeerplaatsen op eigen terrein.
1.45 parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. 1.46 peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de Regels (ontwerp) 225 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil. 1.47 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.48 recreatie: activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding. 1.49 ruimtelijke kwaliteit: de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte. 1.50 verbeelding: de weergave van de inhoud van een bestemmingsplan conform het gestelde in de Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening 2008. Onder het begrip 'verbeelding' wordt zowel de analoge wijze als de digitale wijze verstaan.
226 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens: tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is. 2.2 het bebouwingspercentage: het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de verbeelding bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.7 de horizontale diepte van een bouwwerk: de lengte van een bouwwerk, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
2.8 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand. 2.10 de ondergeschikte bouwdelen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter. 2.11 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. Regels (ontwerp) 227 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 2.12 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 228 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
instandhouding en ontwikkeling van aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden; b. behoud en ontwikkeling van ecologische waarden; c. onverharde wegen; d. laanbeplating; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 3.2.2 Overige regels Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor zover het niet betreft overkappingen, ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde bestemming, waaronder begrepen bouwwerken, geen gebouw zijnde: a. ten behoeve van onder- en/of bovengrondse voorzieningen voor de opvang en buffering van water, 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van gebouwen ten dienste van de bestemming Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2, ten behoeve van: a. observatiehutten voor natuur- en educatieve doeleinden, met dien verstande dat de oppervlakte per hut maximaal 10 m² bedraagt en de hoogte maximaal 10,00 meter bedraagt; b. nestpalen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 10,00 meter bedraagt; onder de voorwaarden dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de verkeersveiligheid; 2. de milieusituatie; 3.
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 4. de landschappelijke en/of natuurlijke waarden en/of archeologische waarden van de gronden; 5. de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden. Regels (ontwerp) 229 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met de bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijke gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen; b. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie; c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor horecadoeleinden; d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel; e. het gebruik van gronden en gebouwen ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden. 3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.5.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Groen' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het wijzigen van de bodemstructuur, het ophogen, afgraven en egaliseren van gronden met meer dan 0,20 meter; b.
het aanbrengen van opgaande beplantingen zoals bomen, laanbeplanting, bosschages, houtwallen en singels; c. het verwijderen van opgaande; d. het dempen, graven en/of uitdiepen van sloten, vaarten, poelen en daarmee gelijk te stellen waterpartijen; e. het aanbrengen van walbeschoeiingen, niet zijnde bouwwerken; f. het aanleggen van eenhelofytenfilter; g. het aanbrengen van voorzieningen ten behoeve van recreatief medegebruik; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en / of telecommunicatieleidingen, exclusief drainage systemen en met uitzondering van het aanbrengen van leidingen ten behoeve van de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet; i. het verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; j. het aanbrengen dan wel wijzigen van drainage systemen; k. het verrichten van exploratieboringen en / of seismologisch onderzoek. l. het aanpassen van het waterprofiel van sloten voor verhoogde afvoer. 3.5.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 3.5.1 is niet van toepassing op: a. normale onderhoudswerkzaamheden; b. werken of werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen; c.
werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet, welke is vastgesteld door gedeputeerde staten of het ministerie en daarmee in overeenstemming is bevonden; d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding dit bestemmingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd. 230 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 3.5.3 Toelaatbaarheid De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.5.1 kan alleen worden verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 3.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. Regels (ontwerp) 231 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Artikel 4 Maatschappelijk 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Algemeen De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verenigingsleven; 1. kamperen voor scouting(groepen); 2. overnachten voor scouting(groepen). met daaraan ondergeschikt: b. sociaal-culturele doeleinden; c.
groenvoorzieningen; d. parkeervoorzieningen; e. speelpleinen (verhard en onverhard); f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 11.1. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak'; b. de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduidingen 'bouwvlak' of 'bijgebouwen'; c. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak' met inachtneming van de volgende regels (4.2.2 tot en met 4.2.4). 4.2.2 Hoofdgebouw Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: a. het oppervlak van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 400 m²; b. gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden op een afstand van minimaal 3,00 meter uit de zijdelingse perceelsgrens gebouwd; c. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' aangeduide goothoogte; d.
de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' aangeduide bouwhoogte; 4.2.3 Aanbouwen uitbouwen en bijgebouwen a. uitsluitend bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen mag maximaal 50 m² bedragen; c. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,00 meter; 232 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 4.2.4 Overige regels Voor het overige gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 6,00 meter; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1,00 meter; c. uitsluitend halfverharding met uitzondering van de gronden binnen de aanduidingen 'bouwvlak' en 'bijgebouwen'; 4.3 Specifieke gebruiksregels 4.3.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 4.1; b. gebouwen voor recreatieve bewoning; c. detailhandel; d. horeca, e. buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en dan niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw.
4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het wijzigen van de bodemstructuur, het ophogen, afgraven en egaliseren van gronden met meer dan 0,20 meter; b. het aanbrengen van opgaande beplantingen zoals bomen, laanbeplanting, bosschages, houtwallen en singels; c. het verwijderen van opgaande; d. het dempen, graven en/of uitdiepen van sloten, vaarten, poelen en daarmee gelijk te stellen waterpartijen; e. het aanbrengen van walbeschoeiingen, niet zijnde bouwwerken; f. het aanleggen van eenhelofytenfilter; g. het aanbrengen van voorzieningen ten behoeve van recreatief medegebruik; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en / of telecommunicatieleidingen, exclusief drainage systemen en met uitzondering van het aanbrengen van leidingen ten behoeve van de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet; i. het verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; j. het aanbrengen dan wel wijzigen van drainage systemen; k. het verrichten van exploratieboringen en / of seismologisch onderzoek. l.
het aanpassen van het waterprofiel van sloten voor verhoogde afvoer. Regels (ontwerp) 233 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 4.4.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 4.4.1 is niet van toepassing op: a. normale onderhoudswerkzaamheden; b. werken of werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen; c. werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet, welke is vastgesteld door gedeputeerde staten of het ministerie en daarmee in overeenstemming is bevonden; d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding dit bestemmingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd. 234 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Artikel 5 Waarde - Archeologie 2 5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1 Algemeen De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.
5.1.2 Bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de overige aangewezen bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 11.1. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Onderzoek ten behoeve van verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen a. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken: met een oppervlakte groter dan 2.500 m² wanneer deze zich bevindt buiten de bebouwde kom, 1. dient door de aanvrager een aanvullend en/of definitief archeologisch rapport te worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders: de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en; in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel: in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
5.2.2 Voorwaarden verlening omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in artikel 3.2.15.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren: a.
het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; Regels (ontwerp) 235 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 b. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; c. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; voorzover de ingreep: dieper gaat dan 50 centimeter beneden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 250 m² beslaat, wanneer deze zich bevindt binnen de bebouwde kom; 1. dieper gaat dan 50 centimeter benden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 2.500 m² beslaat, wanneer deze zich bevindt buiten de bebouwde kom. 5.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 5.3.1 is niet van toepassing, indien: a. door middel van een bureau onderzoek en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn; b.
het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd. d. de werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek. 5.3.3 Toepassingscriteria De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.3.1 kan alleen worden verleend indien mede op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. 5.3.4 Onderzoeksplicht De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 die betrekking heeft op gronden, die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie 2' dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en; b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel: c.
in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn. 5.3.5 Voorschriften omgevingsvergunning Indien uit het in artikel 5.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 236 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Regels (ontwerp) 237 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1 Ondergronds bouwen Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan de toegestane oppervlakte van bouwwerken boven peil; c. de ondergrondse bouwdiepte mag maximaal 4,00 meter onder peil bedragen; d. om het ondergrondse bouwwerk toegankelijk te maken is overschrijding van het bouwvlak toegestaan, mits de voorgevelrooilijn niet wordt overschreden; e. de regels van de betreffende bestemmingen zijn van overeenkomstige toepassing. 7.2 Parkeren a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of uitbreiden van gebouwen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor bewoners/gebruikers, en indien van toepassing werknemers en bezoekers, volgens de normering zoals is opgenomen "Notitie parkeernormen 2015 Steenwijkerland". Deze parkeergelegenheid moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. In het geval de genoemde Nota gewijzigd of vervangen wordt, houdt het bevoegd gezag rekening met deze wijziging of vervanging. b.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid a indien: 1. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. 2. op andere wijze in de nodige parkeer-of stallingsruimte wordt voorzien. c. Indien de gronden zijn aangeduid met de aanduiding "overige zone – uitzondering parkeernormering " is het bepaalde in lid a niet van toepassing. 238 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Artikel 8 Algemene gebruiksregels 8.1 Strijdig gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf; b. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen gedoogtoestemming is verleend; c. straatprostitutie; d. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, tenzij de betreffende bestemming daarin wel uitdrukkelijk voorziet.
Regels (ontwerp) 239 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Artikel 9 Algemene aanduidingsregels 9.1 'vrijwaringszone - weg 50-100 meter' 9.1.1 Verbod Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg 50-100 meter' mag worden gebouwd, nadat vooraf overleg is gevoerd met en overeenstemming is bereikt met de wegbeheerder, i.c. Rijkswaterstaat. 240 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Meetverschillen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de aangeduide bouwgrenzen indien een meetverschil of onnauwkeurigheid ten opzichte van de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft, mits de afwijking maximaal 3,00 meter bedraagt. Regels (ontwerp) 241 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Artikel 11 Overige regels 11.1 Voorrangsregels 11.1.1 Voorrang dubbelbestemming In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming gaat het belang van de dubbelbestemming voor. 11.1.2 Onderlinge relatie dubbelbestemmingen Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt dat dubbelbestemmingen gericht op het instandhouden of ontwikkelen van het groene karakter en het voorkomen van bebouwing voorgaan boven dubbelbestemmingen met bebouwing. In concreto wordt in afnemende mate prioriteit verleend aan de dubbelbestemming: a.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 2; 242 Regels (ontwerp) bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht 12.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Regels (ontwerp) 243 bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 Artikel 13 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2 244 Regels (ontwerp)