Bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2.pdf
Tekst van het document
2 2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 3 2.4 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 2.5 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 2.6 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 2.7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 8 2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 2.9 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 13 3 INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 3.2 Methoden ........................................................................................................................ 14 3.3 Resultaten .......................................................................................................................
14 4 CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16 LITERATUUR ...................................................................................................................................... 18 BRONNEN .......................................................................................................................................... 19 Rapport 10489.002 versie 2 LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Tabel II. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Tabel III. Gespecificeerde archeologische verwachting LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland Figuur 2. Detailkaart van het plangebied Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de geologische kaart Figuur 6. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Figuur 7. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Figuur 8. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Figuur 9. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Figuur 10. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Figuur 11.
Boorpuntenkaart BIJLAGEN Bijlage 1 Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bijlage 2 Bewoningsgeschiedenis van Nederland Bijlage 3 AMZ-cyclus Bijlage 4 Boorprofielen Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 1 van 19 1 INLEIDING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uit- gevoerd voor een plangebied gelegen aan de Onderduikersweg 2 te De Bult in de gemeente Steen- wijkerland (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft het plan een scoutingterrein te realiseren. Bij de aanvraag van de hiervoor benodigde omgevingsvergunning is gebleken dat voor een plange- bied een archeologische onderzoeksplicht geldt bij bodemingrepen groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 50 cm -mv.2 Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bep a- len of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze do or de voorgeno- men bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek ( hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4).
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in augustus 2019 door drs. J. Holl (senior KNA Prospec- tor). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog). 2 Ten tijde van het onderhavige bureauonderzoek waren de inrichtingsplannen nog niet bekend. Later is bekend geworden dat de inrichtingsplannen bestaan uit het plaatsen van een gebouw van circa 300 m 2. Op basis van deze plannen zou een archeo- logisch onderzoek niet noodzakelijk zijn. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 2 van 19 2 BUREAUONDERZOEK 2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te bean twoorden wordt een in - ventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwac h- tingsmodel opgesteld. 2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 ( KNA, versie 4.1, 24 ‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm N e- derlandse Archeologie ( KNA, versie 4.1, 24 ‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.
Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk to e- komstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05). Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort to t Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond ( DINOLo- ket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Overijssel; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Steenwijkerland; 3 Beschikbaar via www.sikb.nl.
Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 3 van 19 2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onde rzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 De onderzoekslocatie, circa 9.000 m2, ligt aan de Onderduikersweg 2 , ongeveer 900 m ten zuiden van De Bult en 600 m ten noorden van Steenwijk in de gemeente Steenwijkerland (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 1,4 tot 1,7 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Steenwijk, sectie G, nummer 1222. Volgens de topografische kaart van Nederland, 16 G (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X=204.150 / Y=535.345. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en be- bouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting.
Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.Het plangebied is momenteel in gebruik als weiland (zie figuur 3). Vigerend beleid De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overg e- gaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomg e- ving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de d atum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ong e- wijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft verord e- ningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Voor een goed beheer van het bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waa rden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een a r- cheologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen de ‘Beheersverordening Buitengebied Steenwijker land 2014’. Volgens deze beheersverordening heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’.
Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen gr o- ter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm –mv.5 De dubbelbestemming is afgeleid van de gemeente archeologische beleidskaart . Volgens de beleids- kaart (Figuur 4) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. 6 Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het ar cheologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieu hygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 10489.003). De resultaten van het 4 Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 5 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 6 Sueur & Schrijvers, 2006. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 4 van 19 milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologis ch bureauon- derzoek nog niet bekend. Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven i n maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herste l- len (bod emsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs -) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen.
Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodem loket dienen als ind i- catief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket geen milieuhygiënische onder- zoeken uitgevoerd.7 2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de inrichting van een scoutingterrein gepland. De exacte inrichtingsplannen zijn in dit stadium nog niet bekend. 2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altij d een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het lan d- schap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Type gegevens Gegevensomschrijving Geologie8 Grotendeels Formatie van Eindhoven (EH4) met hierboven dekzand dunner dan 2 m, uiterste westen: Formatie van Drente (Dr6), uiterste oosten: Formatie van Twente, dekzand dikker dan 2 m (TW3)9 Geologie; Formatie van Drente Grotendeels geen keileem aanwezig, de erosierest van de keileem ligt, in de vorm van een stenenniveau, op de Formatie van Eindhoven; uiterste westen: keileem op 0 tot 4 m +NAP; uiterste oosten: Post -Saalien erosiegeulen -systeem, keileem in de flanken mogelijk aanwezig. Geologie; Formatie van Eindhoven 4 tot 0 m -NAP Geomorfologie10 Gordeldekzandwelvingen al dan niet met oud bouwlanddek (3L52yc) Bodemkunde11 Grotendeels veldpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand ( Hn21), uiterste zuiden: laarpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand (cHn21) 7 Bodemloket 8 Rijks Geologische Dienst, 1978; bron voor deze en volgende geologische kaarten. 9 In de huidige lithostratigrafische indeling (TNO, 2013) wordt de Fo rmatie van Eindhoven ten noorden van de maximale lan d- ijsverbreiding gerekend tot de Formatie van Drachten. De Formatie blijft gehandhaafd in de huidige lithostratigrafische indel ing en de Formatie van Twente wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel. 10 Wageningen Environmental Research, 2017. 11 Publieke Dienstverlening Op de Kaart.
Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 5 van 19 Type gegevens Gegevensomschrijving Grondwatertrap12 VII Landschappelijke ontwikkeling13 Het landschap in de omgeving van het plangebied is voor een groot deel gevormd in het Saalien (voorlaatste ijstijd, 370.000 tot 130.000 jaar geleden). In de be ginfase van het Saalien, voor de komst van het landijs werd door de wind een pakket zand afgezet, die gerekend wordt tot de Formatie van Drachten. Deze afzettingen worden op basis van de geologische kaart binnen het grootste deel van het plangebied binnen 2 m –mv verwacht en in het gehele plangebied op 0 tot 4 m -NAP. In het Midden -Saalien werd de noordelijke helft van Nederland met landijs bedekt , waarbij ook het plangebied bedekt raakte met ijs. In het gebied ten noorden van Steenwijk werd door een glet sjertong een diep dal uitgesleten, het beekdal van de Steenwijker Aa. Door smeltwater onder het landijs werd het dal diep uitgeschuurd. Het plangebied bevindt zich op de noordelijke flank van dit dal. Onder het landijs werd door het schuiven van de ijslob en uitsmelten van grind onderin het ijspakket, een laag stugge leem gevormd, die keileem genoemd wordt (Formatie van Drente, Gieten Laagpakket). Op basis van de geologische kaart (figuur 5) ligt het uiterste westen van het plangebied op een keilee m- bult waar de Formatie van Drente nabij het maaiveld ligt.
Volgens de bijkaart ‘Formatie van Drente’ is het keileem in het overige deel van het plangebied grotendeels geërodeerd door latere erosiesy s- temen. Vermoedelijk is nog een erosierest van het keileem aanwezig , in de vorm van een stenenn i- veau direct op de Formatie van Eindhoven. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 115.000 – 11.600 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Het Vroeg -Weichselien (ca. 115.000 - 73.000 jaar gelden) was een periode waarin afwisselend koude en warmere fasen optraden. Er ontstonden sneeuwsmeltwaterrivieren die smel t- waterdalen uitsneden. Het Midden -Weichselien (ca. 73.000 - 14.800 jaar geleden) begon met een sterke daling van de gemiddelde jaartemperatuur. De ze espiegel daalde en de grond was permanent bevroren. Tussen de stuwwallen ontstond een stelsel van beken en riviertjes. Het beekdal van de Steenwijker Aa werd in deze periode opgevuld met fluvioperiglaciale afzettingen, bestaande uit grof zand, grind en lee mlagen en veenbandjes. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Boxtel. In het Laat -Weichselien verdween de permafrost en zakte het water snel in de ondergrond weg. Doordat nog slechts weinig vegetatie aanwezig was, vonden grootschalige zandver stuivingen plaats, waarbij zand in de vorm van dekzandkoppen - ruggen en –welvingen werd afgezet.
Deze de k- zanden worden gerekend tot de Formatie van Boxtel, Wierden Laagpakket en deze worden in het grootste deel van het plangebied vanaf het maaiveld verwach t. Vermoedelijk is dit pakket in het grootste deel van het plangebied dunner dan 2 m. Aan het begin van het Holoceen (vanaf 11.600 jaar geleden) warmde het klimaat op. Als het gevolg van zeespiegelstijging en hiermee gepaard gaande grondwaterstijging trad een vernatting van het landschap op. Hierdoor trad veenvorming op, in eerste instantie in de laagst gelegen delen van het landschap. Hierna breidde dit veengebied zich steeds verder uit. Op basis van paleogeografische kaarten was tussen 3850 en 2750 v. Ch r. een uitgestrekt veengebied ontstaan dat een groot deel van Noord-Holland, Flevoland, Friesland, Drenthe, Groningen en het noorden van Overijssel besloeg. Het plangebied lag vermoedelijk eveneens binnen dit veengebied. Vanaf de Late -Middeleeuwen is het veen grotendeels verdwenen als gevolg van zee -activiteit, even- als ontginning en afgraving van het veengebied. 12 Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland. 13 Sueur & Schrijvers, 2006 / De Mulder et al., 2003. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 6 van 19 DINO14 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO).
Het DINO-systeem is de centrale o pslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondw a- tergegevens, sonderingen, geo -elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In een DINO -boring circa 90 m ten westen van het plangebied is op 60 cm –mv leem van het Laa g- pakket van Gieten (Formatie van Drente) aangetroffen, met hierboven een pakket dekzand (Formatie van Boxtel, Wierden Laagpakket). 15 In een boring 110 m ten oosten van het plangebied is een pakket dekzand (Formatie van Boxtel, Wierden Laagpakket) aanwezig tot 2,4 m –mv. Hieronder bevindt zich een 40 cm dik pakket fijn zand van de Formatie van Boxtel met vanaf 2,8 m –mv zeer fijn zand van de Formatie van Drachten.16 Dit komt overeen met het beeld op basis van de geologische kaart, waar in het uiterste westen van het plangebied de Formatie van Drente gekarteerd is in het uiter ste westen de Formatie van Twente (nu Formatie van Boxtel) tot minstens 2 m -mv. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer.
Volgens de geomorfo logische kaart (figuur 6) ligt het plangebied binnen een zone met gordelde k- zandwelvingen al dan niet met oud bouwlanddek. 17 Dit zijn zwak golvende dekzanden die vaak als gordels rondom de stuwwallen liggen. Op de hogere delen ligt soms een oud bouwlanddek. 18 Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)19 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetai l- leerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het maaiveld in het grootste deel van het plangebied op 1,4 tot 1,5 m +NAP (zie figuur 7). In het uiterste oosten loopt het maaiveld omhoog tot 2,1 m +NAP. Deze verh o- ging betreft een natuurlijke verhoging in het dekzandlandschap. Dit is de zone waar het dekzandpa k- ket volgens de geologische kaart dikker is dan 2 m. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied grotendeels gekarteerd als veld- podzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21; zie figuur 8).20 Dit betreffen overwegend jonge ontginningsgronden. Deze gronden hebben een donkergrijze A -horizont die in de lagere gro n- den beduidend humeuzer is dan in de hogere. In de niet -ontgonnen gronden is de A -horizont relatief dun.
De lichtgrijze E -horizont (uitspoelingslaag van humus en ijzeroxiden) is dikker en duidelijker naarmate de bodemvorming heeft plaatsgevond en bij diepere grondwaterstanden. Ook op de helli n- 14 Dinoloket. 15 Dinoloket; boring B16G1368. 16 Dinoloket; boring B16G1371. 17 Wageningen Environmental Research, 2017. 18 Maas et al., 2017. 19 AHN. 20 Publieke Dienstverlening Op de Kaart. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 7 van 19 gen van keileemplateaus met sterk fluctuerende grondwaterstanden worden soms dikke, vrijwel witte, E-horizonten aangetroffen. Bij ontginning is de E -horizont en vaak het bovenste deel van de B - horizont over het algemeen opgenomen in de A-horizont. Het uiterste zuiden is gekarteerd als laarpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand (cHn21). Dit zijn overwegend oude ontginningsgronden. De humeuze bovengrond van 30 à 50 cm bestaat meestal uit een plagge ndek, dat is ontstaan door ophoging met heideplaggen vermengd met potsta l- mest. Hieronder bevindt zich vaak een B -horizont van 5 à 15 cm dik. Ten noorden van Steenwijk (ter hoogte van het plangebied) komt plaatselijk binnen 120 cm –mv zeer fijn zand van de Formatie van Drachten voor.21 Hoewel het uiterste zuiden gekarteerd is als laarpodzolgronden, wordt op basis van historische kaa r- ten verwacht dat deze bodemeenheid vooral geldt voor de zone direct ten zuiden van het plangebied.
Op kaarten uit de 19 e eeuw liep in het uiterste zuiden een weg en lag het bouwland in die periode direct ten zuiden van die weg. Het overige deel van het plangebied was in gebruik als bos. Vermoed wordt daarom dat het in het gehele plangebied veldpodzolgronden voorkomen. 2.6 Archeologische waarden Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHe o- logisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat b eheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Er f- goed (RCE). 22 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De in ARCHIS geregistreerde AMK -terreinen, waarnemingen, vondstmelding en en onderzoeksme l- dingen binnen een straal van 500 m zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 9. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indi catieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Overijssel De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Overijssel geeft inzicht in de archeol o- gische, historisch-stedenbouwkundige en de historisch-geografische waarden van de regio.
Volgens de CHW -kaart van de provincie Overijssel ligt het plangebied in het ruilverkavelingsblok ‘Steenwijk Oost’, uit de periode 1954-1984. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich de oude agrarische veenontginning ‘De Oosterhoek en De Bult’ met smalle strokenverkaveling. 23 Binnen het ruilverkavelingsblok hebben naar verwachting grootschalige bodemingrepen plaatsgevo n- den, in het geval van het plangebied tijdens het omzetten van bos naar landbouwgrond. Vermoedelijk is de bodem hierbij in (delen van) het plangebied diep verstoord, als gevolg van verwijderen van stobben, wortels, en dergelijke. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied 24 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumen- ten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaa m- 21 Makken, 1988. 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23 Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Overijssel. 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 8 van 19 heid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde).
Op grond daarvan zijn de ze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 9). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 25 Binnen het onderzoeksgebied zijn in ARCHIS geen archeologische onderzoeken geregistreerd (zie figuur 9). Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied26 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staat één vondstmeldingen geregistreerd (figuur 9). Dit betreft een stenen bijl uit het Neolithicum of de Bronstijd. De vondsto m- standigheden zijn onbekend. De vondst is circa 450 m ten noordwesten van het plangebied gereg i- streerd, maar de daadwerkelijke locatie van de vondst is niet zeker. 27 2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzetting s- vormen en wegen - en kavelpatronen.
Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Steenwijkerland28 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 2. De oudste resten binnen de gemeente Steenwijkerland dateren uit het Paleolithicum. Uit deze periode zijn vuursteenvondsten en sporadisch een benen werktuig of verbrand bot gevonden. Er werd vooral gebruik gemaakt van de flank van de stuwwal, maar er zijn ook vondsten gedaan op de toppen van de stuwwal, in het dal van de Steenwijker Aa en op enkele dekzandruggen. In het Mesolit hicum werd vooral gebruik gemaakt van de keileemplateaus rond Steenwijk en al het materiaal uit deze periode (vooral vuurstenen werktuigen) is op deze plateaus gevonden. In het Neolithicum deed de landbouw zijn intrede. Uit de spreiding van de vondsten u it deze periode (vooral aardewerk - en vuursteenconcentraties) blijkt dat in deze periode ook iets nattere delen van het landschap bewoond werden.
In deze periode werden de eerste wegen aangelegd en langs de wegen werden grafheuvels opgeworpen, vermoedelijk op de grenzen van territoria. De grafheuvels zijn binnen de gemeente ruim vertegenwoordigd, maar alleen op de keileemhoogtes rondom Stee n- wijk. De grote keien die in de keileem voorkwamen, zijn in het Neolithicum gebruikt voor de bouw van 25 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 26 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 27 Archis zaakidentificatie 2759236100. 28 Sueur & Schrijvers, 2006. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 9 van 19 hunebedden, waarvan er twee bij Eese bekend zijn. Bij Eese is bovendien een houten wagenwiel uit deze periode aangetroffen. Als gevolg van voortschrijdende vernatting ontstond in een groot deel van de gemeente Steenwijke r- land in de Bronstijd en IJzertijd een veen - en moer asgebied. Uit beide perioden zijn slechts weinig vondsten binnen de gemeente bekend. Urnenvelden en deposities in natte gebieden zijn niet bekend. Wel is bij E ese een grafheuvel uit de Bronstijd en celtic field uit de IJzertijd gevonden. Resten uit de Romeinse tijd concentreren zich binnen de gemeente volledig op de hooggelegen pleistocene gro n- den in het noordwesten van Steenwijkerland, rond de Steenwijkerkamp en bij Eese.
Het laaggelegen holocene gebied was in deze tijd onbewoonbaar. In de Vroege -Middeleeuwen vond een afname van de bevolking plaats, onder andere door de aa n- houdende veengroei. Vanaf de Late -Middeleeuwen (12e eeuw) werd het veengebied ontgonnen. Ook werden in deze periode dijken aangelegd om overstromingen van de vaargeulen, rivieren en de Zui- derzee tegen te gaan. Vanaf de Nieuwe tijd werden nieuwe kanalen en sloten aangelegd van Stee n- wijk naar Blokzijl en Giethoorn. In 1623 werd het Steenwijkerdiep aangelegd, waarmee een directe verbinding naar de Zuiderzee gerealiseerd werd. In 1952 werd de Steenwijker Aa gekanaliseerd.29 Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel II.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Bron Periode Schaal Omschrijving plangebied Bijzonderheden/directe omge- ving Kadastrale minuut30 1811-1832 1:2.500 grotendeels bos, door het uiterste zuiden loopt een pad, uiterste noorden: heide ten noorden ligt een heidegebied, direct ten oosten liep een pad met ten oosten hiervan een huis met erf Militaire topografische kaart31 (nettekening) 1830-1850 1:50.000 idem idem Militaire topografische kaart (Bonnekaart) 1883 1:50.000 idem idem Militaire topografische kaart (Bonnekaart) 1909 1:50.000 bos en heide, het pad ten oosten loopt nu deels door het plangebied idem Militaire topografische kaart (Bonnekaart) 1929, 1935 1:50.000 oosten: bos, westen: bouwland met enkele bomenrijen, door het plangebied loopt een onverharde weg het heidegebied ten noorden is grotendeels ontgonnen en in gebruik als weiland en bouwland Topografische kaart 1955 1:25.000 idem, ook een pad in het uiterste westen bebouwing direct ten noordoosten van het plangebied Topografische kaart 1962 1:25.000 weiland, paden in westen en door midden zijn gro- tendeels verdwenen, woning in uiterste zuidoos- ten idem Topografische kaart 1965 1:25.000 grotendeels weiland, uiterste zuidoosten: huis en erf idem 29 Sueur & Schrijvers, 2006. 30 Beeldbank Cultureelerfgoed 31 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 10 van 19 Bron Periode Schaal Omschrijving plangebied Bijzonderheden/directe omge- ving Topografische kaart 1975 1:25.000 weiland met pad in zuiden woning in zuidoosten is gesloopt Topografische kaart 1988, 1995 1:25.000 bouwland met paden langs westen, zuiden en oosten woning ten noordoosten is ook gesloopt Topografische kaart 1997 1:25.000 weiland met paden langs westen, zuiden en oosten idem Topografische kaart 2006, 2010, 2011, 2014, 2015 1:25.000 weiland met pad langs oosten (huidige situatie) idem Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal was het plangebied in het begin van de 19 e eeuw grotendeels in gebruik als bos en heide en direct ten noorden lag een heid e- gebied (zie figuur 10). Circa 50 m ten oosten van het plangebied bevond zich een boerderij -erf. Direct ten oosten van het plangebied bevond zich een zone met weiland die, gezien de aansluiting op het erf, vermoedelijk een onderdeel van dit erf vormde. In het begin van de 20 e eeuw raakte het westen in gebruik als bouwland en raakte het heidegebied grotendeels ontgonnen. Tussen 1955 en 1962 werd het bos gekapt en raakte vrijwel het gehele pla n- gebied in gebruik als weiland. In he t zuidoosten van het plangebied werd een woning met erf gereal i- seerd.
Deze woning is tussen 1965 en 1975 gesloopt en hierna was het gehele plangebied weer in gebruik als weiland. Aan het eind van de 20 e eeuw is het enige tijd in gebruik geweest als bouwlan d, waarna het weer in gebruik kwam als weiland. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plang e- bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 32 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er a rcheologische struc- turen uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Kleinere objecten als crashlo- caties, veldgraven en onderduikholen kunnen echter niet uitgesloten worden. Ten noordwesten van De Bult, op meer dan 1 km afstand van het plangebied, bevonden zich volgens de IKME een NAD- werkkamp (De Eeskamp) en een munitieopslagplaats (Willemsoord). Op basis van informatie ve r- strekt door de gemeente Steenwijkerland betreft het NAD -werkkamp echter NAD 215: Kamp Stee n- wijk of Kamp de Eese. H et munitiedepot ligt bovendien niet in Willemsoord, maar eveneens op lan d- goed de Eese.
In 1943 hebben de Duitsers 150 ha van het landgoed gevorderd voor de bouw van ‘Munitionsausgabstelle der Luftwaffe’. De munitieopslag behoort bij de Fliegerhorst Steenwi jk, die door de Duitsers bij Havelte aangelegd is.33 32 Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/ VEO Bomme n- kaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 33 Mededeling mevr. M. Nieuwenhuis, gemeente Steenwijkerland, september 2019. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 11 van 19 2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel III. Gespecificeerde archeologische verwachting Archeologische perio- de Gespecificeerde verwach- ting Te verwachten Complextype/resten Relatieve diepte t.o.v.
het maaiveld (Laat-)Paleolithicum - Mesolithicum Middelhoog Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen Vanaf het maaiveld Neolithicum Hoog Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houts- kool en gebruiksvoorwerpen Vanaf het maaiveld Bronstijd Laag Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, me- taalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen Vanaf het maaiveld IJzertijd – Romeinse tijd Laag Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen Vanaf het maaiveld Vroege-Middeleeuwen Laag Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal- resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwer- pen Vanaf het maaiveld Late-Middeleeuwen Middelhoog Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal- resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwer- pen Vanaf het maaiveld Nieuwe tijd Laag Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal- resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwer- pen Vanaf
het maaiveld Het plangebied bevindt zich op gordeldekzandwelvingen die aan de randen van een stuwwal zijn a f- gezet. In deze zone worden vooral resten uit de periode Paleolithicum – Neolithicum en Late - Middeleeuwen verwacht. Door archeologisch onde rzoek is er een goed beeld van waar de jager - verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jager -verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de l ocatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water , zoals vennen en b e- ken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 34 Binnen de gemeente Steenwijkerland werd vooral gebruik gemaakt van de flanken van de stuwwallen en de keileemplateaus, maar in mi n- 34 Louwe Kooijmans et al., 2005. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 12 van 19 dere mate ook wel van de dekzandgebieden. Vanda ar dat voor de perioden Paleolithicum – Mesoli- thicum een middelhoge verwachting geldt. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie.
Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvo e- ren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. 35 Vanaf deze periode werd binnen de gemeente Steenwijkerland ook gebruik gemaakt van de wat nattere, lager gelegen gebieden. Vermoedelijk vormden de gorde l- dekzanden in het plangebied een gunstige locatie voor landbouw. Vandaar dat een hoge verwachting voor deze periode geldt. Gedurende het Neolithicum ontstond een grootschalig veengebied, waar het plan gebied onderdeel van uit ging maken. Vanwege de ligging in dit veengebied was het plangebied vermoedelijk in de Bronstijd tot in de Vroege -Middeleeuwen ongunstig voor bewoning. Vandaar dat een lage verwac h- ting voor deze perioden geldt. Vanaf de Middeleeu wen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeol o- gische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsi n- gen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een ne derzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. Het veen- gebied rondom Steenwijk is vanaf de 12 e eeuw ontgonnen.
Op historische kaarten uit de 19 e eeuw is te zien dat het plangebied op een kruispunt van wegen ligt, waardoor het een gunstige locatie voor boerderijen vormde. Circa 50 m ten oosten van het plangebied was op de kadastrale minuut een boerderij-erf aanwezig en direct ten oosten van het plangebied bevond zich een weiland -perceel dat vermoedelijk ooit een onderdeel van dit erf was. Hoewel het plangebied in gebruik was als bos, valt niet uit te sluiten dat het ooit onderdeel was van een boerderij -erf. Op basis hiervan heeft het plang e- bied een middelhoge verwachting voor de Late -Middeleeuwen. Gezien het g ebruik als bos en heide op historische kaarten geldt een lage verwachting voor de Nieuwe tijd. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. Hoewel op de bode m- kaart in het uiterste zuiden laarpodzolgronden aanwezig zijn (met een plaggendek van 30 tot 50 cm), lijkt dit bodemtype op basis van historische kaarten voor de zone direct ten zuiden van het plangebied te gelden. Vandaar dat binnen het plangebied het vondstniveau direct aan het maaiveld verwacht wordt. De vondstenlaag w ordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk - en/of vuurstee n- strooiïngen.
Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, beteken t niet dat eventue- le aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vin d- plaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ be- waard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als weiland en bouwland. Door ploegen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk 35 Louwe Kooijmans et al., 2005. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 13 van 19 verloren zijn gegaan. Het zuidoosten v an het plangebied was in de tweede helft van de 20 e eeuw in gebruik als huis en erf. Op deze locatie hebben diepere bodemverstoringen opgetreden. Het plangebied bevindt zich binnen het ruilverkavelingsgebied Steenwijk -Oost. Binnen het plangebied is bosge bied omgezet in landbouwgrond. Door het verwijderen van stobben, wortels, e.d. hebben hierbij hoogstwaarschijnlijk bodemverstoringen plaatsgevonden.
2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeo- logische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek worden vooral a r- cheologische resten uit de periode Paleolithicum – Neolithicum en Late-Middeleeuwen verwacht. De- ze worden verwacht vanaf het maaiveld. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden ui t- gevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 14 van 19 3 INVENTARISEREND VELDONDERZOEK 3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO -overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied . Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 ( KNA, versie 4.1 , 24-05-2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie ( KNA, versie 4.1, 24 -05-2018), specificatie VS03 . Voor het inventariserend veldonderzoek is op 27 augustus 2019 door drs. J. Holl (senior KNA-prospector) een Plan van aa n- pak (PvA) opgesteld.36 Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een ede l- manboor (diameter 7 cm) 6 boringen tot maximaal 1,9 m -mv gezet (figuur 11). De boringen zijn litho- logisch conform de Ar cheologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 37 De boringen zijn met GPS ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie - en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.
3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm va n boorkolommen en worden in bijlage 4 weergegeven. Op basis van deze boorkolommen kunnen de hoofdlijnen van de bodemopbouw als volgt worden beschreven. Het onderste aangetroffen pakket betreft lichtgroengrijs , matig fijn, zwak tot matig siltig, grindhoudend zand. Dit betreft een pakket keizand dat in het Saalien onder de ijskap gevormd is. Dit pakket bevindt zich in de boringen 4 en 6 op 150 à 170 cm –mv (0,1 à 0,2 m +NAP). In de overige boringen is geen keizand of –leem aangetroffen. In boring 3 is op 130 cm –mv (0,3 m +NAP) gestuit op een grindlaag. Mogelijk betreft dit een erosierest van het keileempakket, waarbij door erosie alleen een grindlaag bewaard is gebleven. In boringen 1 en 2 is vanaf 80 à 125 cm –mv (0,4 à 0,6 m +NAP een grindhoudend pakket lichtgeel- grijs, matig fijn, zwak tot matig siltig zand aangetroffen. Dit betreft vermoedelijk een pakket fluviop e- riglaciale afzettingen (Formatie van Boxtel). 36 Holl, 2019. 37 Bosch, 2005. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 15 van 19 In de boringen 1-3 en 5 is een pakket zwak siltig, matig fijn, overwegend lichtgeelgrijs zand aangetro f- fen. Dit betreft een pakket dekzand (Formatie van Boxtel, Wierden Laagpakket).
In de meeste bori n- gen betreft dit het onderste aangeboorde pakket en in de boringen 1 en 3 ligt dit pakket direct op de fluvioperiglaciale afzettingen. In boring 2 en 3 is alleen een C -horizont aangetroffen en in boring 3 is het dekzand slecht gesorteerd en verspoeld. Het dekzand bevindt zich in deze boringen op 60 en 110 cm –mv (0,8 en 0,5 m +NAP). In boring 1 en 5 zijn bove nin het dekzand sporen van bodemvorming waargenomen. In boring 5 betreft dit een lichtbruine BC -horizont, waarvan de top zich op 50 cm –mv (0,9 m +NAP) bevindt. In boring 1 is behalve de BC -horizont ook een bruine, zwak humeuze B - horizont aanwezig, met hie rboven een AE -horizont (donkergrijs, matig humeus zand met gebleekte korrels). De top van deze AE-horizont bevindt zich in deze boring op 20 cm –mv (1,2 m +NAP) en wordt afgedekt door een 20 cm dikke, donkergrijze bouwvoor. In de boringen 3, 4 en 6, waar het pleistocene zand relatief diep ligt, is boven het pleistocene zand een verstoord pakket zwak zandig, bruin veen en/of sterk humeus of venig, matig tot sterk siltig, do n- kerzwartgrijs, gevlekt zand, eventueel met puinresten, aangetroffen. Dit betreft ver moedelijk een re s- tant van een veenpakket dat hier gedurende het Holoceen ontstaan is. Vermoedelijk was in het mi d- dendeel van het plangebied sprake van een laagte waarin veenvorming optrad.
Na de ontginning is dit veen vermengd geraakt met zand. De top van dit pakket bevindt zich op 45 à 60 cm –mv (1,0 à 1,3 m +NAP). Hierboven is een pakket donkergrijs, matig humeus zand met lichtgrijze vlekken aanwezig, dat eveneens een verstoord pakket betreft. In de boringen 2 en 5 is boven het dekzand een 50 à 60 cm di k pakket donkergrijs tot donkerbruin, gevlekt matig fijn zand aangetroffen. In boring 5 is dit pakket matig puinhoudend. Dit betreft eveneens een verstoord pakket. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargen omen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aa n- wezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 16 van 19 4 CONCLUSIE EN ADVIES Op basis van het bureauonderzoek werden in het plangebied archeologische resten verwacht uit vooral de periode Paleolithicum – Neolithicum en de Late-Middeleeuwen. Vanwege de ligging op go r- deldekzandwelvingen had het plangebied vermoedelijk een gunstige landschappelijke ligging ged u- rende de periode Paleolithicum – Neolithicum.
Gedurende het Neolithicum ging het plangebied waa r- schijnlijk onderdeel uitmaken van een grootschalig veengebied, waardoor resten uit de periode Brons- tijd – Vroege-Middeleeuwen niet verwacht worden. Vanaf de Late -Middeleeuwen werd dit veengebied ontgonnen. Gezien de ligging bij een kruispunt van wegen geldt een middelhoge verwachting voor resten van boerderijen uit de Late-Middeleeuwen. Op basis van het gebruik als bos en heide op hist o- rische kaarten is de verwachting voor de Nieuwe tijd laag. Op basis van deze verwachting is een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verken nend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het booronderzoek lijkt het plangebied op de overgang van een dekzandkopje naar een dekzandlaagte te liggen. Ter hoogte van boring 1, 2 en 5 bevindt het dekzand zich relatief ondiep, in boring 1 vanaf het maaiveld en in boring 2 en 5 vanaf 50 à 60 cm –mv. In boring 1 is het podzolprofiel nog vrijwel geheel intact en in boring 2 en 5 is de bodem tot in respectievelijk de C - en BC-horizont verstoord. Het vondstniveau van eventuele vindplaatsen zal daarom alleen in boring 1 nog intact zijn. In boring 5 is de top van de C-horizont (het niveau waarop archeologische sporen zich aftekenen) nog intact.
In boring 1 is de bodem tot in de C -horizont verstoord, maar gezien de geringe dikte van de verstoorde laag (50 cm) is mogelijk slechts een klein deel van deze horizont verstoord gera akt. Ter plaatse van boring 1 en 5 kunnen op basis hiervan nog archeologische grondsporen verwacht wo r- den. Ter plaatse van boring 3, 4 en 6 is vermoedelijk sprake van een dekzandlaagte. In boring 3 is een 20 cm dikke laag verspoeld dekzand op fluvioperi glaciale afzettingen aanwezig en in de boringen 4 en 6 is alleen een pakket keizand aangetroffen. Boven het pleistocene zand is zandig veen en venig zand aangetroffen, vermoedelijk een verstoord restant van een veenpakket dat vanuit deze laagte gevormd is. De top van het pleistocene zand bevindt zich in deze boringen op 110 à 170 cm –mv (0,1 à 0,5 m +NAP). Binnen deze zone worden geen archeologische resten meer verwacht. Op basis van deze resultaten wordt aanbevolen om in het noordwestelijke deel van het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren. Aangezien de vondstlaag (A -horizont) is bijna alle boringen niet meer aanwezig is, is een karterend booronderzoek in dit geval niet geschikt voor het opsporen van archeologische vindplaatsen. Vandaar dat gead viseerd wordt om direct over te stappen op een kart e- rend en waarderend proefsleuvenonderzoek.
Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waar deren. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Pr o- gramma van eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Binnen het overige deel van het plangebied wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uit- voeren. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden in vrijgegeven delen van het plangebied archeolo- gische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016. Melding van archeol ogische waarden kan plaatsvinden b ij de gemeente Steenwijkerland, de Provincie Overijssel of bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)38. 38 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456 Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 17 van 19 5 BEOORDELING BEVOEGDE OVERHEID Dit rapport is namens de gemeente Steenwijkerland beoordeeld door Het Oversticht, mevr. M. Nie u- wenhuis. Hierbij is het volgende advies gegeven: “Het advies van Econsultancy wordt niet overgenomen: het gehele plangebied wordt, op archeol o- gische gronden, vrijgegeven. Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Het plangebied is grotendeels tot in de C -horizont geroerd.
Alleen in boring 1 is mogelijk een intact bodemprofiel aanwezig. De voorgenomen locatie van het scoutinggebouw valt precies op de p lek van boring 3. De bodem bij boring 3 blijkt helemaal geroerd. De kans is groot dat dit voor de hele locatie van het nie u- we scoutinggebouw geldt. “Daarnaast geldt, volgens de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014, artikel 38 Waarde – Archeologie 2, alleen een onderzoeksplicht bij werkzaamheden groter dan 2500 m² en di e- per dan 50 cm. Op het scoutingterrein wordt een gebouw geplaats van circa 300 m². Daarmee blijven de voorgenomen werkzaamheden ruim binnen de ondergrens van 2500 m². “Mochten er tijdens de graafwerkzaamheden onverwachts toch archeologische waarden worden aa n- getroffen, geldt, volgens de Erfgoedwet, art. 5.10, een meldingsplicht bij de minister van OC en W via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (www.cultureelerfgoed.nl). ” Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 18 van 19 LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied . ‘s- Graven- hage. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO- rapport, NITG 05-043-A). Holl, J., 2019: Plan van Aanpak booronderzoek; Onderduikersweg 2 te De Built (Econsultancy Pr o- jectnummer 10489.002). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.
‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederl and 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Maas, G.J., S.P.J. van Delft & A.H. Heidema, 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 (2017). Wageningen. Makken, H., 1988: Bodemkaart van Nederland 1:50.000; Toelichting bij de kaartbladen 16 West Steenwijk en 16 Oost Steenwijk. Wageningen. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I. L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Rijks Geologische Dienst, 1978: Geologische kaart van Nederland, kaartblad 16 Oost Steenwijk. Haarlem. Sueur, C. & R. Schrijvers, 2006: Archeologische verwachtingen- en beleidskaart voor het grondge- bied van Steenwijkerland; Een aanzet tot het ontwikkelen van ruimtelijk archeologiebeleid. Amers- foort (Vestigia Rapport V337). TNO, 2013: Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, versie 2013. Wageningen Environmental Research , 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017) , schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen. Rapport 10489.002 versie 2 Pagina 19 van 19 BRONNEN AHN; internetsite, september 2019.
http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis 3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, september 2019. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, september 2019. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, september 2019 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, september 2019. http://maps.bodemdata.nl/ Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Overijssel; internetsite, september 2019. http://gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/cwk_discipline/v1 Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, september 2019. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, september 2019. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, september 2019. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, september 2019. http://www.topotijdreis.nl/ Nationaal Archief; internetsite, september 2019. http://www.gahetna.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, september 2019. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, september 2019. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, september 2019. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, september 2019.
https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, september 2019. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/ Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland Onderduikersweg 2 te De Bult. Legenda Plangebied Situering van het plangebied binnen Nederland Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 2. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied Detailkaart van het plangebied Onderduikersweg 2 te De Bult. Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied Luchtfoto van het plangebied Onderduikersweg 2 te De Bult. Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart39 39 Sueur & Schrijvers, 2006. Legenda Plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Steenwijkerland Onderduikersweg 2 te De Bult.
Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de geologische kaart40 40 Rijks Geologische Dienst, 1978. Legenda Plangebied Situering van het plangebied binnen de geologische kaart Onderduikersweg 2 te De Bult. Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 6. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 41 41 Wageningen Environmental Research, 2017. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Onderduikersweg 2 te De Bult. Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 7. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 42 42 AHN Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Onderduikersweg 2 te De Bult. Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 8. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart 43 43 Publieke Dienstverlening Op de Kaart. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Onderduikersweg 2 te De Bult. Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 9. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied44 44 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Onderduikersweg 2 te De Bult. Plangebied Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied Onderduikersweg 2 te De Bult. Rapport 10489.002 versie 2 Figuur 11. Boorpuntenkaart Boorpuntenkaart Onderduikersweg 2 te De Bult. Rapport 10489.002 versie 2 Bijlage 1 Overzicht geologische en archeologische tijdvakken (koud) Pleniglaciaal Kreftenheye Formatie (warme periode) van Peelo Ouderdom in jaren Chronostratigrafie MIS Lithostratigrafie 11.755 12.745 13.675 14.025 15.700 29.000 50.000 75.000 115.000 130.000 370.000 410.000 475.000 850.000 2.600.000 Formaties: Naaldwijk Holoceen 1 (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel) Late Dryas (koud) Weichselien (warm) Formatie van Boxtel Formatie van Beegden Laat- (Laat- Glaciaal) 2 Formatie van Allerød Vroege Dryas Bølling (warm) Midden- Weichselien (Pleniglaciaal) Laat- Pleniglaciaal 3 Midden- Vroeg- Pleniglaciaal 4 Vroeg- W eichselien (Vroeg- Glaciaal) 5a 5b 5c 5d Eemien (warme periode) 5e Eem Saalien (ijstijd) 6 Formatie van Drente Formatie van Urk Holsteinien Elsterien (ijstijd) Formatie Cromerien (warme periode) Formatie van Sterksel Pre-Cromerien Rapport 10489.002 versie 2 perioden 1500 450 0 12 800 2650 815 2000 3755 5000 4900 5300 7020 8000 hazelaar, eik, iep, 8240 9000 8800 10.150 11.755 12.745 10.800 13.675 11.800 14.025 12.000 15.700 35.000 toendra Chronostratigrafie voor
Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005). Cal. jaren v/n Chr. 14C jaren Chronostratigrafie Pollen zones Vegetatie Archeologische 1950 0 Nieuwe tijd eik en hazelaar Vb2 Loofbos Subatlanticum overheersen Middeleeuwen koeler Vb1 haagbeuk Romeinse tijd vochtiger veel cultuurplanten Va rogge, boekweit, IJzertijd korenbloem Bronstijd Subboreaal koeler droger IVb Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen) IVa Neolithicum Mesolithicum Atlanticum warm vochtig III Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol Boreaal warmer II den overheerst linde, es Preboreaal warmer I eerst berk en later den overheersend Laat-Paleolithicum Late Dryas LW III parklandschap Laat- Weichselien (Laat- Glaciaal) Allerød LW II dennen- en berkenbossen Vroege Dryas LW I open parklandschap 13.000 Bølling open vegetatie met kruiden en
berkenbomen Midden- Weichselien (Pleniglaciaal) perioden met een poolwoestijn en perioden met een 75.000 115.000 130.000 300.000 Midden-Paleolithicum Vroeg- Weichselien (Vroeg- Glaciaal) perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap Eemien (warme periode) loofbos Saalien (ijstijd) Vroeg-Paleolithicum Rapport 10489.002 versie 2 Bijlage 2 Bewoningsgeschiedenis van Nederland Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonings geschie- denis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nede r- land geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een vera n- derende flora en fauna. Tijde ns de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat - Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd.