Bestemmingsplan De Bult, Onderduikersweg 2.pdf
Tekst van het document
Tevens is beoordeeld of de voo rgenomen in greep invloed kan hebben op Natura 2000 -gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uit- maken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of eco lo- gisch onderzoek. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 2 van 22 2 GEBIEDSBESCHRIJVING 2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 9.294 m²) ligt aan de Onderduikersweg 2 , circa 1,2 km ten zuiden van de kern van De Bult. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Vol- gens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onder - zoekslocatie X = 204.145, Y = 535.345. De onderzoekslocatie is onbebouwd, in gebruik als weiland en heeft voor zover bekend altijd een agrarische bestemming gehad. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich kleinschalig agra- risch landschap afgewisseld met bos en huizen. Daarachter ligt buurtschap De Bult. Ten oosten van de onderzoekslocatie bevindt zich een agrarisch leerbedrijf met daarachter agrarisch grasland.
Aan de zuidzijde scheidt de rijksweg A32 de onderzoekslocatie van Steenwijk. Ten westen van de onde r- zoekslocatie bevindt zich bosgebied. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De fig u- ren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie , middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek (d.d. 9 augustus 2019). 2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de plaatselijke scouting naar de onderzoekslocatie te verplaatsen. Ten behoeve van de voorgenomen plannen zal de locatie bouwrijp gemaakt worden Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 3 van 22 Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving. Figuur 3. Onderzoekslocatie gezien vanaf Onderduikersweg, kijkend richting noordwest. Figuur 4. Bomenrij (eik) langs voorm a- lige Kruithofsmenning. Figuur 5. Onderzoeklocatie gezien vanuit meest zuidwestelijke hoek, ki j- kend richting noorden. Figuur 6. Onderzoekslocatie gezien vanuit meest noordelijke hoek, kijkend richting zuiden. Figuur 7. Aangrenzend bosperceel, aan westzijde van onderzoekslocatie. Figuur 8. Smalle strook grenzend aan Onderduikersweg, kijkend richting het oosten.
Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 4 van 22 3 ONDERZOEKSMETHODIEK Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te ver wachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 9 augustus 2019 . Tijdens dit veldbezoek is de gehele onder zoeks- locatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. De bomen zijn geïnspecteerd op de aanwezi gheid boomholten en ruimten die verblijfplaatsen voor vleermuizen, overige zoogdieren en vogels kunnen vormen. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten - en diersoorten er voor kunnen komen op de onde r- zoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Overijssel opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onder zoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek.
Er zijn in het onderhavige on derzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. E en ecologische inventarisatie beslaat mee r- dere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 5 van 22 4 OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soor t- groepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maa t- schappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waard e- volle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhisto- rische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt gro- tendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met m o- gelijke gevolgen voor beschermde dier - en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000 -gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepe n waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd . Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden verm e- den. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust - of verblijf - plaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internat i- onale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hie r- door zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 6 van 22 4.3 Gebiedenbescherming Indien een plangebied in of nabij een bes chermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000 -gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1 Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Eur o- pese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.
Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd behee r- plan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. U itgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betro k- kenen, zoals beheerders, gebruikers, omwon enden, gemeenten, natuurorganisaties en waterscha p- pen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de N e- derlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde S taten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudings - doelstellingen voor een Natura 2000 -gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000 -gebieden, worden slechts onder strik- te voorwa arden toegestaan. Een vergunning is vereist.
Door middel van het Nederlandse ver gun- ningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. De Afdeling bestuursrech tspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde van stikstofdepositie van 0,05 mol/ha/jaar. Gevolg hiervan is dat vóór verlening van toestemming vast moet staan/uitgesloten moet worden of activiteiten Natura 2000-gebieden in de omgeving aantasten. In dat kader dient er een berekening gedaan te worden naar de, te verwachten, stikstofdepositie. In- dien de stikfstofdepositie hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar dient er overgegaan te worden naar een pa s- sende beoordeling. In dat geval wordt het plan m.e.r. -plichtig en dient er een milieu effect rapportage te worden opgesteld. 4.3.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen n a- tuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 7 van 22 Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbes cherming dragen G edeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit ne t- werk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zel f- standige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word en de regels nader toeg e- licht.
Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbesche r- ming, geldt een me ldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur - en landschapswaarden. Indien er geen bez waar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te plan- ten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herp lantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheff ing aangevraagd te worden met betre k- king tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie. De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceel s- gronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand.
Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het minister ie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 8 van 22 5 AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaal de functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met versprei- dingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voork o- men. Afhankelijk van de soor t wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust - en ver- blijfplaatsen, foerageergebied en verbinding sroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In ho ofd- stuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft .
5.1 Vogels 5.1.1 Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voor t- planting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, huismus, kerkuil, ransuil, sperwer en steenuil. Van deze soorten kunnen nestplaatsen van de huismus en de kerkuil op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten zijn voor wat betreft hun nesten afhanke- lijk van menselijke bebouwing. Boomvalk Boomvalken gebruiken oude ekster - en kraaiennesten om te broeden. Hierbij worden de randen van halfopen bossen geprefereerd, maar de soort broedt ook in solitaire bomen of boomsingels. Volgens verspreidingsgegevens van SOVON komt de boomvalk in lage dichtheid in de omgeving voor. In het Uitvoerportaal van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) staan geen waarnemingen van de boomvalk in de omgeving van de onderzoekslocatie gedurende de afgelopen vijf jaar. Met name langs de westelijke en zuidelijke rand van de onderzoekslocatie staan bomen. Deze staan nagenoeg allemaal buiten de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn in geen van de aanwezige bomen nesten van de boomvalk aanget roffen. De boomvalk kan de onderzoekslocatie wel gebruiken als fo e- rageergebied. In de omgeving is echter meer geschikt leefgebied aanwezig.
Vanwege de afwezigheid van nesten en waarnemingen , en de aanwezigheid van geschikt leefgebied in de omgeving van de onderzoekslocatie zijn o vertredingen van de Wet natuurbescher ming ten aanzien van de boomvalk uitgesloten. Buizerd Buizerds broeden in hoge bomen, vaak langs de rand van een loofbos maar soms ook in een solitaire boom. De buizerd jaagt vaak in open terrei n en langs wegen. Volgens verspreidingsgegevens van SOVON komt de soort in de omgeving voor. In het NDFF Uitvoerportaal staan meerdere waarnemi n- gen van de buizerd in de omgeving van de onderzoekslocatie sinds de afgelopen vijf jaar. Het mere n- deel van de wa arnemingen is gedaan langs de zuidelijker gelegen Rijksweg A32. Twee waarnemi n- gen zijn afkomstig van het bos en weiland grenzend aan de onderzoekslocatie. Enkel de grote eiken aan de westzijde zijn potentieel geschikt als nestboom voor de buizerd. Tijdens het veldbezoek zijn in deze, of andere bomen, geen nesten van de buizerd aangetroffen. De onderzoekslocatie is slechts in geringe mate geschikt als foerageergebied. De buizerd zal eerder foerageren langs de wegberm van de A32. Overtredingen van de Wet natu urbescherming ten aanzien van de buizerd zijn vanwege het ontbreken van nesten uitgesloten. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 9 van 22 Havik De havik broedt net als de buizerd in hoge bomen. De havik broedt echter meestal in een naaldboom.
Het jachtgebied van de havik bestaat uit bos maar ook aan grenzende open gebieden. Volgens ver- spreidingsgegevens van SOVON komt de soort in lage dichtheid in de omgeving voor. In het NDFF Uitvoerportaal staan vijf waarnemingen van de havik in de omgeving van de onderzoekslocatie sinds de afgelopen vijf jaar. De w aarnemingen zijn gedaan in het bosgebied rond de onderzoekslocatie, waarbij de dichtstbijzijnde waarneming is gedaan op circa 200 m ten oosten van de onderzoeksloc a- tie. De onderzoekslocatie zelf is te open om als nestplaats voor de havik te fungeren. Binne n de on- derzoekslocatie zijn daarnaast geen naaldbomen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van de havik aangetroffen. Uit de waarnemingen blijkt dat het aangrenzende bosgebied meer g e- schikt leefgebied vormt voor de havik. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de havik zijn door het ontbreken van nesten uitgesloten. Ransuil Ransuilen keren ieder jaar terug naar een specifieke nest. Dit nest is veelal een oud ekster - of kraai- ennest. Het leefgebied van ransuilen is zeer divers, van bos tot stedelijk gebied. Volgens verspre i- dingsgegevens van SOVON komt de soort in relatief hoge dichtheid in de omgeving voor. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen waarnemingen van de ransuil in de omgeving van de onderzoeksl o- catie gedurende de afgelopen vijf jaar.
De bomen langs met name de westzijde van de onderzoeksl o- catie zijn potentieel geschikt als nestboom voor de ransuil. Deze bomen staan buiten de onderzoek s- locatie. In de bomen grenzend aan de onderzoekslocatie zijn geen ransuilen, of nesten daarvan, aan- getroffen. Vanwege het open karakter van de onderzoekslocatie is het aangrenzende bosgebied meer geschikt als leefgebied van de ransuil. Overtredingen van de Wet natuurbescher ming ten aa n- zien van de ransuil zijn uitgesloten. Sperwer De sperwer broedt doorgaans in dicht jong naaldbos in de buurt van halfopen landschap. De soort broedt echter ook in parken en stedelijk gebied. Volgens verspreidingsgegevens van SOVON komt de soort in lage dichtheid in de omgeving voor. In het NDFF Uitvoerp ortaal staan vijf waarnemingen van de sperwer in de omgeving van de onderzoekslocatie gedurende de afgelopen vijf jaar. Alle waarn e- mingen zijn afkomstig op ruim 600 m ten zuiden van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie biedt, wegens het open karakter en het ontbreken van naaldbomen, geen geschikte nestplaatsen voor de sperwer. Het bosgebied ten noordwesten van de onderzoekslocatie biedt meer geschikte nestplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen grenzend aan de onderzoekslocatie geen ne s- ten w aargenomen. Overtredingen van de Wet natuurbescher ming ten aanzien van de sperwer zijn uitgesloten.
Steenuil Het leefgebied van de steenuil bestaat uit kleinschalig cultuurlandschap . Het leefgebied heeft veel variatie met een afwisseling van heggen, oude bomen en weides met lage vegetatie. De steenuil jaagt vanaf zitplaatsen als lage bomen of paaltjes. De soort broedt met name in holtes van lage bo- men, in het bijzonder knotwilgen en oude fruitbomen. Volgens verspreidingsgegevens van SOVON komt de soort in zeer lage dichtheid in de omgeving voor. In het NDFF Uitvoerportaal staat 1 waa r- neming van de steenuil in de omgeving van de onderzoekslocatie sinds de afgelopen vijf jaar. Dit individu is in 2015 op circa 400 m ten zuiden van de onderzoekslocatie waargeno men. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen geschikte nestbomen aanwezig voor de steenuil. De bomen grenzend aan de onderzoekslocatie zijn eveneens ongeschikt. Binnen de onderzoekslocatie is daarnaast slechts matig geschikt foerageerhabitat aanwezig. In de omgeving is meer geschikt foerageerhabitat aanwezig. Overtredingen van de Wet natuurbescher ming ten aanzien van verblijfplaatsen of foer a- geerhabitat van de steenuil zijn uitgesloten. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 10 van 22 De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens j aarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai.
Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rech t- vaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding va n de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.2 Algemene broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals heggenmus, merel, roodborst en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn a lleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn . Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet n a- tuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van N e- derland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: franjestaart, gewone dwergvlee r- muis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. In het NDFF Uitvoerportaal sta an meldingen van de gewone dwergvleermuis , laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie.
Alle waarnemingen zijn gedaan rond de Bergweg, circa 300 -500 m ten noordwes- ten van de onderzoekslocatie. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onder zocht op holtes, spleten en loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust - en verblijfplaats voor boombewonende vleermu i- zen. Dergelijke potentiële verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen, een groot deel van de bomen binnen de onderzoekslocatie is niet dik genoeg om als verblijfplaats te fungeren. Daarnaast hadden de dikke- re bomen binnen de onderzoekslocatie geen holten, spleten of loshang end schors. Daarmee zijn ver- blijfplaatsen van boombewonende vleermuizen binnen de onderzoekslocatie uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die n e- gatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat , gebruikt kunnen worden door in de omg e- ving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis , laatvlieger, ruige dwergvleermuis en mo- gelijk rosse vleermuis om te foerageren. De p lannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.
Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen , in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleer muizen aanwezig. Het betreft bijvoorbeeld de nabijgelegen camping, de manege, het aangrenzend bosgeb ied ten noordwesten van de onderzoekslocatie en de weide aan de zuidzijde grenzend aan de onde r- zoekslocatie. Daarnaast kan de onderzoekslocatie in de nieuwe situatie weer fungeren als foeragee r- gebied. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 11 van 22 Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van li jnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te ver plaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke structuren zijn aanwezig in de vorm van de bomen langs de randen van de onderzoekslocatie. Deze bomen staan buiten de onderzoekslocatie. Hierdoor blijft bij de herbestemming van de onderzoeksl o- catie de lijnvormige structuur in het landschap behouden en worden d oor de herinrichting geen vlie g- routes verstoord. 5.3 Grondgebonden zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.
5.3.1 Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF Verspreidingsatlas Zoogdieren ligt de onderzoeksloca- tie binnen het verspreidingsgebied van de volgende, in de provincie Overijssel streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, das, eekhoorn, otter, steenmarter en waterspitsmuis. Boommarter De boommarter prefereert bosgebied als habitat, en komt vrijwel niet buiten het bos voor. De randen van de onderzoekslocatie bestaan uit groepen bomen. Deze staan buiten de onderzoekslocatie en blijven behouden. Tijdens het veldbezoek zijn geen boommarters, sporen daarvan of geschikte nes t- bomen aangetroffen. Vanwege het open karakter van de onderzoekslocatie zal de boommarter de onderzoekslocatie niet gebruiken om te foerageren. Het aangrenzende bosgebied is m eer geschikt als leefgebied voor de boommarter. In het NDFF Uitvoerportaal staat 1 waarneming van een boo m- marter gedurende de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. Dit individu is op circa 200 m ten zuidoosten dood aangetroffen op de Ri jksweg A32. Overtreding van de Wet natuu r- bescherming ten aanzien van de boommarter is uitgesloten. Das De das heeft een rust - of verblijfplaats doorgaans in een beschutte omgeving met veel schuilmog e- lijkheden als het bos. Hun burcht ligt doorgaans in een reliëfrijk gebied.
De das komt volgens de Ver- spreidingsatlas Zoogdieren van de NDFF voor in de omgeving. In het NDFF Uitvoerportaal staat 1 waarneming van de das in de afgelopen 5 jaar. Dit indivi du is in 2018 waargenomen op circa 300 m ten noordwesten van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust - en verblijfplaats voor dassen. De onderzoekslo- catie vormt enkel ma tig geschikt foerageergebied voor de das. Tijdens het veldbezoek zijn op de o n- derzoekslocatie en in de directe omgeving eveneens geen loop - of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoeks locatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in het noordwestelijke gelegen bosgebied en de aanslui- tende weilanden. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Eekhoorn De eekhoorn maakt een bolvormig nest op minstens 5 m van de grond in een boom. Wegens de aanwezigheid van bomen langs de rand van d e onderzoekslocatie vormt zij geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste - rust of ve r- blijfplaats van eekhoorn kan worden uitgesloten.
Tevens blijven deze bomen behouden bij de voorg e- Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 12 van 22 nomen plannen. D e overige bomen langs de west- en noordzijde staan buiten de onderzoekslocatie, ook in deze bomen zijn geen nesten aangetroffen. O vertredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de eekhoorn zijn uitgesloten. Otter De otter leeft langs de oevers van str omend, schoon, en zoet water van bijvoorbeeld kanalen, meren en rivieren. Voldoende dekking, weinig (menselijke) verstoring en voedsel is hierbij van belang. Aa n- gezien dergelijk leefgebied ontbreekt binnen de onderzoekslocatie zijn vaste rust- of verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie uitgesloten . Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen otters of ottersp o- ren waargenomen. Volgens het NDFF Uitvoerportaal is de otter de afgelopen 5 jaar meerdere malen in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Het betreft echter waarnemingen van de otter uit de omgeving van de Steenwijker Aa, ten zuiden van de A32. Wegens het ontbreken van g e- schikt habitat en de barrièrevorming van de A32 is de aanwezigheid van de otter binnen de onde r- zoekslocatie uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de otter is daardoor eveneens uitgesloten. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblij f- plaats.
Wegens het ontbreken van dergelijke menselijke bebouwing vormt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat voor de steenmarter. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen sporen, zoals ui t- werpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebr uik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn derg e- lijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Overtredingen van de Wet natuurbesche r- ming ten aanzien van de steenmarter zijn uitgesloten. Waterspitsmuis De waterspitsmuis is een spitsmuissoort die voorkomt langs oevers van beken, rivieren en sloten met een rijke oever- en watervegetatie. Aangezien binnen de onderzoekslocatie en directe omgeving de r- gelijk habitat niet voorkomt is de onderzoekslocatie ongeschikt als leefgebied voor de waterspitsmuis. Volgens het NDFF Uitvoerportaal is de waterspitsmuis de afg elopen 5 jaar niet waargenomen binnen of in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van vaste rust - of verblijfplaat- sen van de waterspitsmuis is uitgesloten. Bij de voorgenomen werkzaamheden treden geen o vertre- dingen van de Wet natuurbescherming op ten aanzien van de waterspitsmuis.
Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2 Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel, mol en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen worden vergraven (zie hoofdstuk 6) . 5.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens de Verspreidingsatlas Reptielen van de NDFF en RAVON komen de volgende soorten re p- tielen binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie voor : adder, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang. In het NDFF Uitvoerportaal staan van meldingen van waarneming en van de Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 13 van 22 hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang in de omgeving van de onderzoekslocatie in de a f- gelopen 5 jaar. De hazelworm is in 2017 in het bosgebied circa 300 m ten zuiden van de onderzoek s- locatie, aan de zuidzijde van de A32, waargenomen. De levendbarende hagedis is in 2019 eenmaal in het bosgebied langs de Bergweg, op circa 500 m ten noordwesten van de onde rzoekslocatie, waargenomen.
De ringslang is tussen 2015 en 2018 driemaal waargenomen in het bosgebied rond de Bergweg, op circa 500-600 m ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De onderzoekslocatie bestaat uit beweid grasland , waardoor o p de onderzoekslocatie geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig is. De waarnemingen van de streng beschermde hazelworm, leven d- barende hagedis en ringslang hebben n aar verwachting betrekking op de nabij gelegen bos- /heidegebieden. Amfibieën Volgens de Verspreidingsatlas Amfibieën van de NDFF en RAVON komen de volgende amfibieën- soorten binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie voor: bastaardkikker, bruine kikker, g e- wone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander. meerkikker, poelkikker, rugstreeppad en springkikker . In het NDFF Uitvoerportaal staan waarnemingen van de groene kikker (spec.) en kamsalamander in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar. De waarneming van de kamsalamander is gedaan in 2018 in het bosgebied rond de Bergweg, op circa 500 m ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Doordat wateroppervlakten als beken, sloten en plassen op de onderzoeks locatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten.
De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting en ruigte langs de rand van de onderzoekslocatie. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algeh e- le vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die vee l- al alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorte n zijn op de onderzoekslocatie niet te ve r- wachten. Tevens geldt v oor libellen dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan g e- steld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan.
Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak a l- leen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 14 van 22 sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onde r- zoekslocatie ni et aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarneming en bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6 Vaatplanten De onderzoekslocatie bestaat uit intensief beweid grasland, met daarnaast in beperkte mate pionier- vegetatie met verschillende ruigtesoorten. Aangezien de onderzoekslocatie wordt beweid met paa r- den is de bodem voedsel rijk. De planten op de onderzoekslocatie geven tevens aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke pioniersvegetaties zijn geen beschermde soorten te ve r- wachten.
De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeio mstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 15 van 22 6 TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van ve r- bodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzake lijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbeschermi ng (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn.
In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedg e- val op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting /ruigte buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeia f- val vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien o n- verhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwi j- derd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Indien werkzaamheden gedurende het broe d- seizoen worden uitgevoerd dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspe ctie uit- gevoerd te worden door een ter zake kundige deskundige. 6.2 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren ve rwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt normaliter een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in.
Voor de te verwachten soorten geldt , op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke on t- wikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwez i- ge individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van bladeren, ruigte, takkenhopen en andere materialen die door langdu- rige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren mo e- ten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.3 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 16 van 22 van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid v an voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 17 van 22 7 TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING In algemene zin kan er d oor een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoof dstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie . Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000 -gebied, De Wieden , bevindt zich op circa 3,8 km afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie (zie figuur 9). Figuur 9. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000 -gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals een toename van stikstofdepositie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer al s basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde van stikstofdepositie van 0,05 mol/ha/jaar.
Gevolg hiervan is dat vóór verlening van toestemming vast moet staan/uitgesloten moet worden of activiteiten natuurgebieden in de omgeving aantasten. In dat kader dient er een berekening gedaan te worden naar de, te verwachten, stikstofdepositie. Uit de berekening volgt de ter verwachten depositie op nabijgelegen Natura 2000 -gebieden. Indien de
Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 18 van 22 stikfstofdepositie hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar dient er overgegaan te worden naar een passende beoordeling. Econsultancy verwacht, gezien de afstand (± 3,8 km) tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in combinatie met de aard van de plannen dat de stikstofdepositie lager zal zijn dan de onder het PAS gehanteerde grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar. Gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrech t- spraak van de Raad van State is v ervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingspara- grafen uit de We t natuurbescherming echter noodzakelijk. Derhalve wordt geadviseerd om in het k a- der van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming een stikstofdepositieo n- derzoek uit te laten voeren. 7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie is aan de zuidzijde voor een klein deel gelegen binnen een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het betreft deelgebied Woldberg/Eese. Het overige deel van de onderzoekslocatie bestaat uit Zone Ondernemen met Natuur en Water buiten NNN (Zone ONW bu i- ten NNN) . In figuur 10 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Figuur 10. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland di e- nen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omg e- vingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijk situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een zogenaamd “nee, tenzij-onderzoek” nader moeten worden onderzocht.
Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 19 van 22 Het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water is gericht op behouden en ontwikk e- len van de natuur - en landschapskwaliteiten en de versterking van het w atersysteem, in samenhang met economische ontwikkeling. De ambitie is een samenhangend netwerk van natuur en water met ecologische, hydrologische, economische en recreatieve kwaliteit. Voor zover gronden niet zijn aa n- geduid als Natuurnetwerk Nederland, gel dt hier een ‘ja, mits -benadering'. Dit houdt in dat ontwikk e- lingsruimte wordt geboden onder de voorwaarde dat er bijgedragen wordt aan ruimtelijke kwaliteit. Deze benadering geldt in principe ook voor de andere ontwikkelingsperspectieven, maar daar kan de kwaliteitsinvestering breed worden ingezet. In het geval van het ontwikkelingsperspectief Ondern e- men met Natuur en Water geldt dat de investeringen in ruimtelijke kwaliteit gericht moeten worden ingezet op het realiseren van wateropgaven en het versterking van natuur en landschap. Als onde r- nemers, burgers of organisaties nieuwe groene initiatieven ontplooien, zoals bijvoorbeeld de ontwi k- keling van een nieuw landgoed, dient dat bij voorkeur in de zone Ondernemen met Natuur en Water plaats te vinden (bron: Ontwerp Actualisatie Omgevingsverordening 2018/2019).
In dat kader adviseert Econsultancy om de voorgenomen plannen te beperken tot dat deel van de onderzoekslocatie wat behoort tot de Zone ONW buiten NNN. In deze zone is het beleid gericht op ruimte te creëren voor economische ontwikkelingen zoals de landbouw, recreatie en natuurgebonden woon- en werklocaties, onder voorwaarde van het beleid voor de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 20 van 22 8 HOUTOPSTANDEN De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 ar e en bomenrijen van minimaal 21 b o- men, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Sta- ten. In dit hoofdstuk wordt beschreve n of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt b e- schreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen langs de zuidelijke rand van de onderzoekslocatie vallen mogelijk onder de definitie hou t- opstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Bij de huidige voorgenomen plannen worden geen bomen gekapt.
Bij wijzigingen in het planvoornemen, waarbij eventuele kap plaatsvindt, wordt geadviseerd om navraag te doen bij de gemeente of voor de te vellen houtopsta n- den een meldingsplicht geldt. Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 21 van 22 9 SAMENVATTING EN CONCLUSIES Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een quickscan flora en fauna uitge- voerd aan de Onderduikersweg 2 te De Bult. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van verkaveling en herontwikkeling van het perceel. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten - en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen i n- greep. De initiatiefnemer is voornemens de plaatselijke scouting naar de onderzoekslocatie te verplaatsen. Ten behoeve van de voorgenomen plannen zal de locatie bouwrijp gemaakt worden De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende s oorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mog e- lijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soor t- gericht nader onderzoek of vergunning strajecten.
In de tabel is weergegeven of maatregelen noodza- kelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Soortgroep Geschikt habitat Ingreep verstorend Nader onderzoek Ontheffings- aanvraag Bijzonderheden / opmerkingen* Broedvogels algemeen ja mogelijk nee nee Het verwijderen van nestgelegenheden en groen buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien werkzaamheden gedurende het broedseizoen worden uitgevoerd dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige deskundige. jaarrond beschermd nee nee nee nee - Vleermuizen verblijfplaatsen nee nee nee nee - foerageergebied ja nee nee nee - vliegroutes nee nee nee nee - Grondgebonden zoogdieren ja mogelijk nee nee Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van egel, konijn en diverse muis- en spitsmuis- soorten. Reptielen nee nee nee nee - Amfibieën minimaal mogelijk nee nee Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van bruine kikker en gewone pad. Vissen nee nee nee nee - Libellen en dagvlinders nee nee nee nee - Overige ongewervelden nee nee nee nee - Vaatplanten nee nee nee nee - * Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Rapport 10489.001 versie D1 Pagina 22 van 22 Gebiedsbescherming Gebied aanwezig Ingreep verstorend Nader onderzoek Vergunning- plicht Natura 2000 3,8 km mogelijk ja mogelijk Noodzaak onderzoek afhankelijk van ont- wikkelingen rond PAS. Het uitvoeren van vervolgonderzoek verdient aanbeveling. Natuurnetwerk Nederland 0 km mogelijk nee nee Werken buiten NNN, in Zone ONW Houtopstanden mogelijk - - mogelijk Geadviseerd wordt om navraag te doen bij de gemeente of voor de te vellen houtop- standen een meldingsplicht geldt. * Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek. Conclusie Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door bij het ve r- wijderen van nestgelegenheden en groen buiten het broedseizoen te werken . Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd door een ter zake deskundige. Ten aanzien van algeme ne grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat h et verwijderen van materialen als bladeren, ruigte, takken en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezi g- heid schuilplaatsen bieden zorgvuldig dient te gebeuren . Voorkomen moet worden dat ind ividuen gedood of verwond worden, bijvoorbeeld als gevolg van het beschadigen of vernielen van schuil- of voortplantingslocaties.
Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortg roepen zijn over tredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te wo r- den gehouden met de algemene zorgplicht. Voor wat betreft bescherming van Natura 2000 -gebieden geldt dat er vóór verlening van toestemming middels een aanvullend onderzoek met betrekking tot stikstofdepositie vast moet staan/uitgesloten moet worden of activiteiten natuurg ebieden in de omgeving aantasten. Derhalve wordt geadviseerd om in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming een stiksto f- depositieonderzoek uit te laten voeren. Ten aanzien van bescherming van gebieden behorend tot het Na tuurnetwerk Nederland adviseert Econsultancy om de voorgenomen plannen te beperken tot dat deel van de onderzoekslocatie wat behoort tot de Zone ONW buiten NNN. In deze zone is het beleid gericht op ruimte te creëren voor economische ontwikkelingen zoals d e landbouw, recreatie en natuurgebonden woon - en werkloc a- ties, onder voorwaarde van het beleid voor de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Bij het huidige planvoornemen worden geen bomen gekapt.
Aangezien de bomen langs de rand van de onderzoekslocatie mogelijk onder de definitie houtopstanden vallen wordt bij wijzigingen in het planvoornemen, waarbij eventuele kap plaatsvindt, geadviseerd om navraag te doen bij de gemeente of voor de te vellen houtopstanden een meldingsplicht geldt. Econsultancy Zwolle, 15 augustus 2019 Rapport 10489.001 versie D1 GERAADPLEEGDE BRONNEN Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Ec o- nomische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied De Bult, periode 2009-2019 Algemene websites www.bij12.nl www.kadastralekaart.com www.nationaalgeoregister.nl www.overheid.nl www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën en reptielen) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.vogelbescherming.nl (soortgegevens vogels) www.wetten.overheid.nl (Wet natuurbescherming) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.geoportaaloverijssel.nl www.overijssel.nl (NNB en beschermde gebieden in Overijssel) Rapport 10489.001 versie D1 Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). He t gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht. Artikel 1.11. Zorgplicht 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000 -gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild l e- vende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000 -gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild l e- vende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwij s niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”.
Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorg- plicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aan- gegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internat i- onale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hie r- door zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soo rten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht. Rapport 10489.001 versie D1 Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming. Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vo gel- richtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te bescha digen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat va n in- standhouding van de desbetreffende vogelsoort. Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief. Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming. Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Ve r- drag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te va n- gen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzett e- lijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd.
Soorten Planten drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis Zoogdieren bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat Walvisachtigen bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestree pte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn Vleermuizen Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoo r- vleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzer- neus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleer muis, vale vleermuis, watervleermuis Amfibieën boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad Reptielen dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis Vissen houting, steur Vlinders apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teuni s- bloempijlstaart, tijmblauwtje,
zilverstreephooibeestje Libellen bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, o ostelijke witsnuitlibel, rivierro m- bout, sierlijke witsnuitlibel Insecten brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever Overig Bataafse stroommossel, platte schijfhoren Rapport 10489.001 versie D1 Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Ve r- drag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn Vogels appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte st randlo- per, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brand gans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kan arie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, gras pieper, graszanger, grauwe kieke n- dief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grot e karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil,