b_NL.IMRO.1708.SWWgelderingenBP-ON01_TB3.pdf
Tekst van het document
Als schade aan nesten van deze soorten optreedt én alternatieven ontbreken is het aanvragen van ontheffing Wet natuurbescherming en het nemen van mitigerende maatregelen noodzake- lijk. Spreeuwennesten zijn vastgesteld onder het pannendak bij de kopgevel Blaankamp 36 en aan de voorzijde van de woningen Gelderingen 31 en 37 (zie bijlage 1). Door de sloop van de woningen gaan drie spreeuwennesten verloren. In de omliggende woningen blijft echter voldoende nestgelegenheid voor de aanwezige spreeuwen- paartjes aanwezig. Potentiële nestlocaties van spreeuw zijn aanwezige in overige woningen aan de Blaankamp en Gelderingen. Daarnaast worden de nieuwbouwwoningen opgeleverd met verhoogd vogelschroot waardoor ook spreeuw in de nieuwbouwwoningen kan nestelen. Spreeuw staat bekend als een opportunistische soort die makkelijk alternatieve nestlocaties weet te benutten. Zodoende zijn vervolgstappen voor spreeuw niet nodig. Binnen het projectgebied zijn geen aanwijzingen voor andere jaarrond beschermde nestlocaties van vogels aan- getroffen. Effecten op andere soorten zijn bij de voorgenomen plannen uit te sluiten. Het nemen van vervolg- stappen voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten is dan ook niet aan de orde.
Kader 3 Vogels waarvan moet worden getoetst of voldoende functioneel leefgebied aanwezig blijft (ca- tegorie 5 soorten) Aanvullend op vogels met jaarrond beschermde nesten van categorie 1 t/m 4 heeft de provincie Overijssel een aantal soorten van categorie 5 benoemd waarvan moet worden getoetst of voldoende functioneel leefgebied aanwezig blijft (blauwe reiger, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, draaihals, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grutto, ijsvogel, kleine bonte specht, kortsnavelboomkruiper, middelste bonte specht, oeverzwaluw, ringmus, spreeuw, tapuit, tureluur, veldleeuwerik, wulp, zomertortel, zwarte mees, zwarte roodstaart). Overige broedvogels Door de aanwezigheid van bebouwing en plantsoen in de directe omgeving van de woningen is binnen de in- vloedsfeer van de werkzaamheden en binnen het projectgebied broedbiotoop aanwezig voor algemene vogel- soorten als houtduif, witte kwikstaart, ekster, heggenmus, winterkoning, merel en Turkse tortel. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broed vogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt.
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Werkzaamheden worden zo veel mogelijk buiten het Activiteitenplan sloop complexen 417, 422.01 en 422.02, Steenwijkerwold broedseizoen uitgevoerd. Voor meeste soorten kan de periode tussen half maart e n eind juli worden aangehou- den als broedseizoen. Wanneer werkzaamheden binnen deze perioden worden uitgevoerd adviseren we om een broed-vogelcontrole door een ter zake deskundige uit te laten voeren of om voorafgaand aan de werkzaam- heden de woningen ongeschikt te maken om broedende vogels te voorkomen. Tijdens de broedvogelcontrole wordt gekeken of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Bij uitvoering van de werkzaamheden in de periodes tussen half februari – half oktober, adviseren we na te gaan of bewoonde nesten aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van het projectgebied. Bij het onverwacht aantreffen van nesten van broedvogels dienen de betreffende werkzaamheden direct te worden gestaakt en direct contact te worden gezocht met de ecologisch toezichthouder (of uitvoerder).
Vervol- gens wordt in overleg bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgv uldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd. Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 202 1) wordt in het projectgebied geen voortplanting of vaste verblijfplaatsen verwacht van beschermde reptielen, amfibieën, vis- sen en ongewervelden. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde voor deze soortgroepen.