CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

9.1 Het uitbreiden van een bestaande vleeskuikenstal op het perceel Rondebroek 1 te Kuinre - bijlage ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering 11 april 2017, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Het uitbreiden van een bestaande vleeskuikenstal26.393 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING RONDEBROEK GEMEENTE STEENWIJKERLAND

COLOFON Plannaam Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek Plannummer NL.IMRO.0158.BP1131-0001 Datum januari 2017 Status Ontwerp Opdrachtgever Hoeve Advies Projectteam Witpaard Niek Korterink & Ruben Beens Projectnummer 017080921SW16

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 3 Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 4 Inhoudsopgave Toelichting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 7 1.1 Aanleiding 7 1.2 Ligging plangebied 7 1.3 Vigerend bestemmingsplan 7 1.4 Leeswijzer 8 Hoofdstuk 2 Het plan 9 2.1 Huidige situatie 9 2.2 Historie van het bedrijf 9 2.3 Toekomstige situatie 11 2.4 Voorwaardelijke verplichting 13 Hoofdstuk 3 Beleidskader 15 3.1 Nationaal beleid 16 3.2 Provinciaal beleid 17 3.3 Gemeentelijk beleid 18 Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 23 4.1 Cultuurhistorie en archeologie 23 4.2 Ecologie 26 4.3 Kabels en leidingen 26 4.4 Milieu 27 4.5 Water 32 Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 37 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 37 5.2 Economische uitvoerbaarheid 37 Bijlagen 39 Bijlage 1 Bodemonderzoek Bijlage 2 Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3 Berekening ISL3a t.a.v. luchtkwaliteit Bijlage 4 Watertoets Bijlage 5 Watertoetsdocument Bijlage 6 Beplantingsplan "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 5 Toelichting "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 6 "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 7 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer heeft een veehouderij op het perceel Rondebroek 1. Het plan is opgevat om een bestaande pluimveestal, aan de overkant van de weg, te verlengen.

Aanvankelijk (bij de milieuaanvraag in 2007) om meer reguliere vleeskuikens te kunnen houden van het type 'plofkip'. De milieuvergunning uit 2008 staat een maximale bezetting in de stal toe van 59.900 kuikens. De aanvraag had destijds betrekking op het verlengen van de stal en een uitbreiding van 29.950 vleeskuik ens (van 29.950 naar 59.900 stuks). Inmiddels (2016) is het idee bijgesteld en is de stal bedoeld om de 'Kip van Morgen' te huisvesten. Dat zijn welzijnsvriendelijk gehuisveste vleeskuikens in een lagere bezetting. In de stal zullen circa 48.600 kuikens worden gehuisvest. 1.2 Ligging plangebied De locatie ligt in het buitengebied van gemeente Steenwijkerland, ten oosten van de kern Kuinre. Op onderstaande afbeelding is de ligging weergegeven. Afbeelding 1: Ligging plangebied

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 8 1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse geldt de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland dat is vastgesteld op 09-12-2014. Op de locatie gelden de bestemmingen en aanduidingen:  Bestemming: 'Agrarisch';  Bestemming: 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 2';  Aanduiding: 'Specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij'  Dubbelbestemming: 'Waarde - Archeologie 2' (voorste deel bestaand bouwvlak) Aangezien er verharding wordt aangebracht is er gelet op de bestemming 'Agrarisch' sprake van de activiteit 'uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de beheersverordening. Omdat de verlenging het bouwblok overschrijdt, zoals dat is aangegeven in de beheersverordening, wordt de ingediende aanvraag omgevingsvergunning voor het aspect bouw aangemerkt als planologisch strijdig gebruik. De gemeente is van plan medewerking te verlenen aan het planologisch strijdig gebruik en de procedure op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de daarvoor benodigde vergunning voort te zetten, waartoe een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk is.

In de toelaatbaarheid van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.6.1.staat dat er alleen een vergunning kan worden verleend indien de werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 3.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. 1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de huidige en de toekomstige situatie van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 worden de milieuaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 9 Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie Het erf aan de Rondebroek in Kuinre is gelegen aan weerszijden van de openbare weg. Op nummer 1 bevindt zich een boerderij op een voormalige terp. De bijgebouwen bevinden zich aan weerszijden van de boerderij. De bebouwing bestaat uit een ligboxenstal aan de noordzijde van de boerderij en twee vleeskuikenstallen ten oosten/zuidoosten van de boerderij. De ligboxenstal dateert uit de jaren '70 en ligt aan de noordzijde van de boerderij.

Sinds 2001 staat er ook een stal aan de overzijde van de weg. Op onderstaande afbeelding is de stal aan de westzijde van de weg te zien. Afbeelding 2: Huidige situatie 2.2 Historie van het bedrijf Ruimtelijke ontwikkelingen Rond 1900 zijn er in de open ruimte van Rondebroek vier verhogingen aanwezig, waar één of twee boerderijen op staan. Aan de oostzijde ziln dat zandopduikingen en aan de westzijde zijn het terpen. De woningen werden ontsloten via de toenmalige zeedijk. De terpen liggen nabij de Oude Kuinre. De boerderij op nr 1 is met de voorzijde naar de weg gericht en kreeg een hoog dak met rode pannen erop. Reeds voor het jaar 1925 zijn de erven aan de doodlopende weg toegevoegd, waardoor er een bebouwingslint is ontstaan. Overal in het lint werd een ligboxenstal aan de boerderij toegevoegd, geheel gebruikelijk nade zeventiger jaren. Daardoor werd het lint verdicht,maar er bleven steeds doorzichten tussen de erven aartwezig. Op het erf van nummer 1 werd de ligboxenstal aan de noordzijde van de boerderij gebouwd en deze kreeg een stevige erÍbeplanting met streekeigen bomen en struiken aan weerszijden. Daardoor blijven anno 2016 de terp en de boerderij de aandacht trekken en valt de stal alleen aan de noordzijde op. Vervolgens werden er twee stallen voor vleeskuikens aan het erf toegevoegd.

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 10 De structurele wijziging in het bebouwingspatroon ontstaat als in 2001 een nieuwe stal voor vleeskuikens wordt gebouwd aan de overzijde van de weg. Deze stal komt eveneens in de richting van de verkaveling. Bedrijfsmatige ontwikkelingen In 1985 is de initiatiefnemer met kalkoenen begonnen. De pluimveetak is uitgebouwd en in 2001 is een pluimveestal een de overkant van de weg opgericht. Er werden ca. 60 stuks melkvee met bijbehorend jongvee en 17.880 st. vleeskalkoenen gehouden. De intensieve veehouderij vormt sindsdien de hoofdtak. In 2008 is vergunning gevraagd voor een nieuwe rundveestal aan de overkant maar deze is tot op heden niet gerealiseerd. In 2011 is het houden van melkvee in de huidige ligboxenstal gestopt na problemen met de melkrobot. Er is er nog een jaar jongvee opgefokt, wat sinds 2012 ook niet meer gebeurt. De ligboxenstal staat leeg en het land wordt gebruikt voor de teelt van maïs, aardappelen en graan. Er is geen rundvee meer aanwezig, ook al is dat nog steeds vergund. Het plan om aan de overkant een nieuwe ligboxenstal te bouwen wordt vooralsnog niet doorgezet nu fosfaatrechten voor rundvee wordt geïntroduceerd en het financieren ervan moeizaam is, gelet op verdere ontwikkelingen in melkveehouderij. De focus ligt sinds 2012 volledig op het pluimvee.

In 2008 zijn de kalkoenen vervangen door vleeskuikens en is milieuvergunning verleend voor het verlengen van de pluimveestal aan de overkant. Het toenemend antibioticagebruik in de kalkoensector was de reden om te stoppen met kalkoenen houden en over te stappen naar vleeskuikens. Aanvankelijk hield het bedrijf alleen gangbare vleeskuikens (hoge bezetting), maar sinds 2015 worden er welzijnsvriendelijke traaggroeiende vleeskuikens in een lagere bezetting (Goed Nest Kippen ) gehouden. De te verlengen stal wordt ook gebruikt voor het houden van traaggroeiende kuikens. Feitelijk is het bedrijf sinds 1985 vooral gericht op kalkoenen en/of vleeskuikens en is er sindsdien al geen sprake meer van een grondgebonden hoofdtak. In 2012 zijn alle koeien verdwenen en wordt er enkel nog pluimvee gehouden. Dit maakt dat de gemeente in dit specifieke geval concludeert dat het bedrijf vanwege deze omstandigheden gelijkgesteld kan worden aan een bestaande (positief bestemde) intensieve veehouderij. In onderstaande tabel is de landbouwkundigetelling van het aanwezige aantal dieren op de Rondebroek 1, over een periode van de afgelopen 5 jaar weergegeven.

Dierencategorie 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Jongvee jonger dan 1 jaar 17 36 Jongvee 1 tot 2 jaar 25 11 Jongvee 2 jaar en ouder 3 Melk- en kalfkoeien 14 14 Totaal rundvee 56 64 Vleeskuikens 95700 95000 44400 95000 70000 68000 Tabel 1: Landbouwtelling over de afgelopen 5 jaar "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 11 2.3 Toekomstige situatie Ruimteijke situatie De bestaande pluimveestal aan de overkant van de weg zal 56 meter worden verlengd in oostelijke richting. De verlenging sluit aan op het bestaande deel en wordt in dezelfde stijl en hoogte en met gebruik van dezelfde materialen gebouwd, dus in harmonie met de bestaande bebouwing. De verlenging van de bestaande schuur wordt landschappelijk ingepast. Ten zuiden van de stal wordt een 3 meter brede strook met elzen aangelegd. De 'elzenveren' kunnen op 1 meter afstand van elkaar worden gepland. De bedoeling is om een dichte wand te vormen. Langs deze singel wordt aan de buitenzijde weer een nieuwe sloot gegraven. Aan de twee kopse kanten van de stal komen elzen. Rekening houdend met een gewenste bedrijfsontwikkeling zijn er plannen om de veehouderij in de toekomst verder uit te bereiden. De planning is om nog een aanvraag in te dienen, waarbij parallel aan de (verlengde) stal, aan de overkant van de weg nog twee stallen gebouwd worden.

Vooruitlopend op de toekomst is in het landschappelijk inpassingsplan hiermee al rekening gehouden. In onderstaande afbeelding worden de plannen visueel weergegeven. Deze aanvraag heeft echter alleen betrekking op de verlenging van de stal. Afbeelding 3: Visuele weergaven toekomstige plannen voor de veehouderij Huisvesting vleeskuikens De huisvesting van vleeskuikens voldoet aan het Besluit huisvesting en de Wet dieren. De te verlengen stal is emissiearm voor zowel ammoniak als fijnstof, wat het stalklimaat voor de dieren ten goede komt. De Wet dieren heeft de Gezondheids - en welzijnswet voor dieren (Gwwd) en een aantal andere wetten met regels voor het houden van dieren vervangen, waaronder het Vleeskuikenbesluit. In de Wet dieren staat de intrinsieke waarde van het dier centraal; dierenwelzijn gaat over de kwaliteit van het leven van dieren.

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 12 Voor het houden en verzorgen van productiedieren gelden algemene regels. Daarnaast zijn er voor een aantal diersoorten specifieke regels vastgesteld, waaronder die voor vleeskuikens. In het Besluit houders van dieren staan regels voor het welzijn en de gezondheid van de vleeskuikens. Zo zijn welzijnseisen voor vleeskuikens en regels voor het huisvesten en het afvoeren van vleeskuikens, waarop gecontroleerd wordt door de NVWA. Hoe hoger de bezetting, hoe meer eisen. De bezettingsdichtheid wordt uitgedrukt in levend gewicht in kilogrammen vleeskuikens per vierkante meter (kg/m²) per stal. Er zijn 3 categorieën van bezettingsdichtheid:  categorie 1: minder of gelijk aan 33 kg/m²  categorie 2: meer dan 33 tot en met 39 kg/m²  categorie 3: meer dan 39 tot en met 42 kg/m² Alhoewel de initiatiefnemer vergunning heeft voor gangbare kuikens, houdt hij traaggroeiende vleeskuikens (Goed Nest Kippen). Deze vallen in categorie 2. Daarvoor gelden de algemene eisen aangevuld met eisen voor categorie 2. Deze zijn te vinden in het Besluit houders van dieren en de Regeling houders van dieren, welke zijn te raadplegen op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De initiatiefnemer voldoet momenteel aan deze eisen.

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 13 2.4 Voorwaardelijke verplichting Gekoppeld aan de uitbreiding van de stal zal een deel van het landschapsplan ditrect gerealiseerd moeten worden. Het gaat om de volgende ontwikkelingen:  Naast het schapenweitje worden knotwilgen aangeplant. Vier stuks SIlix Alba, met een stamdikte van 16 tot 18 centimeter en een plantafstand van 5 meter.  Op het kaal liggend gazonveldje langs de sloot worden knotwilgen aangeplant.Vier stuks SIlix Alba, met een stamdikte van 16 tot 18 centimeter en een plantafstand van 5 meter.  De hoge coniferen op het erf aan de westzijde van de weg worden verwijderd en er worden hier weer kontwilgen aangeplant. Vier stuks SIlix Alba, met een stamdikte van 16 tot 18 centimeter en een plantafstand van 5 meter. Op de uitsneden van het beplantingsplan is met de rode strepen aangegeven waar de nieuwe beplanting gesitueerd moet worden. Het gehele beplantingsplan is te vinden in Afbeelding 4: 'uitsnede' beplantingsplan'

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 14 "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 15 Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de nationale Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft het Rijk haar visie aan op de ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040. Dit betreft een nieuw, integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie Rijksdoelen uitgewerkt:  vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  verbeteren van de bereikbaarheid;  zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Het Rijksbeleid met betrekking tot de landbouw is niet zozeer gericht op de (on)mogelijkheden met betrekking tot de bedrijfsvoering, maar meer op de landbouw in relatie tot het omringende landschap, onder meer op het gebied van natuur, milieu en waterbeheer. Het Rijk zet in op de verduurzaming van het Europees Landbouwbeleid (GLB) waarbij grondeigenaren kunnen worden gestimuleerd en beloond bij maatschappelijke prestaties op de voorgenoemde terreinen.

Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden zijn behouden, is één van de Rijksdoelen. Om flora- en faunasoorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven en zich te ontwikkelen, is het behoud van leefgebieden en de mogelijkheid om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden essentieel. In het Rijksbeleid worden de (begrensde) gebieden van de (herijkte) Ecologische Hoofdstructuur (EHS) aangemerkt als onderdeel van de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur. Het plangebied ligt echter niet binnen de EHS en er worden dus geen waarden van het gebied aangetast bij het voorgenomen project. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de Strucutuurvisie Infrastructuur en Ruimte. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 16 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel In de Omgevingsvisie Overijssel (2009) wordt de visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel geschetst. De visie is daarbij gericht op 2030. Gekoppeld aan de Omgevingsvisie heeft de provincie een Omgevingsverordening (2009) opgesteld. In de Omgevingsverordening worden regels gesteld ten aanzien van het provinciaal belang.

De provincie wil de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren met het oog op een goed vestigingsklimaat, een veilige en aantrekkelijke woonomgeving en een fraai buitengebied. Deze leefomgeving moet geschikt zijn voor de grote diversiteit aan activiteiten die mensen in de provincie willen ondernemen. In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied. Generieke beleidskeuzes De SER-ladder is ontwikkeld voor gebiedsontwikkeling in de Stedelijke omgeving. In de Groene omgeving spreekt de provincie liever over het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De denklijn is hetzelfde, maar bij de kleinschaligheid van ontwikkelingen in de Groene omgeving kan de SER-ladder, zoals deze bedoeld is, eigenlijk niet worden toegepast. Dit initiatief past bij het onderdeel 'Uitbreiding in aansluiting op bestaande bebouwing, rekening houden met ontsluiting, conform gebiedskenmerken' van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Ontwikkelingsperspectieven Voor het perceel geldt het ontwikkelingsperspectief Buitengebied accent productie, met de nadere aanduiding ‘Schoonheid van de moderne landbouw’. Binnen dit perspectief is er sprake van open gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw royaal de ruimte krijgt. De kwaliteitsambitie is om de diverse landschappen herkenbaar te houden ten opzichte van elkaar en verschillen en contrasten binnen de landschappen te accentueren. Verschillende typen agrarisch gebruik worden omarmd en gestimuleerd door beleid voor gebiedsinrichting (herverkaveling) en kwaliteitsbeleid voor agrarische erven. In de provinciale Omgevingsvisie 2016 is het ontwikkelingsperspectief voor deze locatie Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap. De uitgangspunten zijn gelijk gebleven: Er is nog steeds volop ruimte voor verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw, dit nu in combinatie met verduurzaming. Gedacht wordt aan de realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, extra aandacht voor de gezondheid en het welzijn van mens en dier en het leveren van een bijdrage aan de energietransitie. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om de gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij de maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken.

In onderhavig plan wordt hier op ingespeeld met de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO), zie paragraaf 3.2.3) "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 17 Gebiedskenmerken De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken van provinciaal belang het uitgangspunt. In de lagenbenadering zijn per laag de daarbij horende gebiedskenme rken genoemd. Voor het plangebied zien de gebiedskenmerken van de verschillende lagen er als volgt uit: Natuurlijke laag: Zeekleigebied en randmeren De ambitie is de stoerheid en het open karakter van deze landschappen te bewaren en versterken. Langs de waterrijke randen, wielen en kwelplekken zijn kansen voor natuurontwikkeling, als herinnering aan de herkomst van dit landschapstype. Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Zeekleilandschap De ambitie is hier de kwaliteit van de grote open ruimtes met de verspreide erven en het subtiele reliëf in stand te houden. Dit betekent aandacht voor de ruimtes zelf, maar ook voor de kwaliteit van de horizon, omdat het vergezicht hier beeldpalend is. Stedelijke laag Niet van toepassing. Lust- en leisurelaag Niet van toepassing.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De uitgangspunten uit de omgevingsvisie zijn vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen in de Omgevingsvisie Overijssel. Het plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening. Conclusie De conclusie is dat de ontwikkeling die door middel van deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk wordt gemaakt, past binnen de beleidskeuzes van de provincie en dat er geen afbreuk aan de kenmerken van het gebied wordt gedaan. 3.2.3 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Met het vaststellen van de Omgevingsvisie is het eerdere detailkader van de provincie van Rood-voor-rood, Rood-voor-groen en Nieuwe landgoederen vervallen. Daarvoor in de plaats is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving geïntroduceerd als nieu w kwaliteitsinstrument. De kern van KGO is dat nieuwe ontwikkelingen (voor zover niet strijdig zijn met het generieke ruimtelijke beleid voor Overijssel) worden toegestaan als de geboden ontwikkelruimte in balans is met de investering in ruimtelijke kwaliteit. Het financiële voordeel dat een ontwikkelaar heeft bij de opwaardering van zijn grond als gevolg van de bestemmingswijziging, moet worden ingezet voor investeringen in ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit wordt hierbij opgevat in de meest brede zin.

Alleen in gebieden die in het 'ontwerp actualisatie Omgevingsvisie' worden aangemerkt als 'Zone Ondernemen met Natuur en Water' (dit betreft grofweg de huidige groenblauwe hoofdstructuur minus de herbegrensde ecologische hoofdstructuur) moet de kwaliteitsimpuls specifiek gericht zijn op natuur en water. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 18 Extra ontwikkelruimte wordt geboden, waarbij de vorm hiervan (extra bijgebouw, nieuwe woning, nieuwe functie) niet bij voorbaat vaststaat. De provincie laat het aan de gemeenten over om concrete invulling te geven aan de toepassing van KGO. Voorgenomen ontwikkeling Er wordt onderscheid gemaakt tussen uitbreiding van bestaande functies en nieuwvestiging. Voor uitbreidingen van bestaande functies in de groene ruimte die niet als grootschalig zijn te beschouwen geldt: een afweging via het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, en een ruimtelijke onderbouwing en inpassing van de ontwikkeling op basis van de Catalogus Gebiedskenmerken. In die gevallen voldoet een goede ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling: de zogenaamde basisinspanning. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een bestaande functie, echter zal het bedrijf groter zijn dan 1,5 ha. De ontwikkeling past wel binnen het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Er is immers sprake van het onderdeel 'Uitbreiding in aansluiting op bestaande bebouwing, rekening houden met ontsluiting, conform gebiedskenmerken'. Ook past de ontwikkeling binnen de kaders en richtlijnen van de Catalogus Gebiedskenmerken. Door de landschappelijke inpassing wordt de kwaliteit van de horizon verbetert. Dit onderdeel is op te vatten als een additionele KGO inspanning, met de aanvulling dat de keuze voor een andere wijze van het houden van pluimvee, te weten een ander soort kip, eveneens bijdraagt aan kwaliteitsbverbetering. Het dierenwelzijn wordt door onderhavig voornemen verbeterd. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voldoet ten dele aan de basisinspanning ruimtelijke kwaliteit. Aditionele inspanning wordt geleverd door de verduurzaming van het bedrijf. 3.3 Gemeentelijk beleid In deze paragraaf wordt het gemeentelijke beleid dat inhoudelijk betrekking heeft op de voorgenomen ontwikkeling beschreven. 3.3.1 Strategische Toekomstvisie Steenwijkerland 2030 De gemeente Steenwijkerland heeft de Strategische Toekomstvisie Steenwijkerland 2030 (2009) ontwikkeld. Deze visie bevat een integrale visie op de ontwikkeling van de gehele gemeente tot 2030. De visie gaat uit van het koesteren en versterken van bestaande kwaliteiten. Daarbij gaat het om de kwaliteiten van de landschappen, de stad en de overige kernen en de potenties van het gebied.

In de visie wordt gesteld dat Steenwijkerland een streekfunctie voor wonen, werken en voorzieningen heeft. 3.3.2 Uitgangspuntennotitie Buitengebied De uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan 'Buitengebied' van gemeente Steenwijkerland zijn uitgewerkt in de 'Beleidsnotitie bestemmingsplan Buitengebied Steenwijkerland'. Deze is vastgesteld door de gemeenteraad op 27 maart 2012 en geeft weer waar de gemeente Steenwijkerland zich op richt bij de verdere ontwikkeling van haar buitengebied. Het voornaamste doel van de notitie is het verschaffen van helderheid over uitgangspunten van gebruiks- en bouwmogelijkheden in het buitengebied. De gemeente was voornemens voor het buitengebied een nieuw bestemmingsplan op te stellen. In een later stadium, na vaststelling van de beleidsnotitie, is er voor gekozen het planologisch kader in het buitengebied te actualiseren met de (geldende) beheersverordening Buitengebied. Voor de beleidsnotitie verandert dit niet veel, deze behoudt bestaansrecht als gemeentelijk beleidskader voor nieuwe initiatieven. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 19 Het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland kent vele functies. Deze functies zijn onder de volgende noemers onder te brengen: landbouw, natuur, wonen en recreatie.

De onderlinge verhouding tussen de vier hoofdfuncties is aan het veranderen, onder meer als gevolg van de toenemende waardering voor natuur en landschap, en de veranderende vorm en schaal van de landbouw en recreatie. De landbouw is van oudsher de grootste ruimtegebruiker in Steenwijkerland, echter een derde van het buitengebied bestaat uit natuurgebied. Natuur is dus ook een belangrijke component bij de ontwikkeling van het beleid voor het buitengebied. Ten aanzien van agrarische bedrijven zijn specifieke richtlijnen opgenomen. In de notitie worden ten aanzien van agrarische bedrijven de volgende uitgangspunten weergegeven:  De hoofdlijn van het landbouwbeleid is gericht op het behouden en versterken van de economische positie en de maatschappelijke betekenis voor de kwaliteit van de omgeving. Hierbij is het beleid met name gericht op schaalvergroting, uitbreiding, verbreding en verdere professionalisering van de sector;  Nieuwe niet-grondgebonden agrarische bedrijven zijn niet mogelijk. Omschakeling van grondgebonden naar niet-grondgebonden staat gelijk aan nieuwvestiging. Voor een perspectiefvolle landbouw moet schaalvergroting, verbreding en intensivering mogelijk zijn, uitgaande van grondgebonden landbouw. In de komende jaren zal de schaalvergroting van de bedrijven in de landbouw dan ook onverminderd, mogelijk versterkt doorgaan.

3.3.3 Intensieve veehouderij als hoofdtak Het bedrijf aan de Rondebroek 1 is van oudsher een melkveehouderij met een intensieve neventak (kalkoenen) en ook als dusdanig bestemd. Ontwikkelingen binnen de agrarische sector hebben de ondernemer doen besluiten te stoppen met melkvee en kalkoenen en zich volledig te richten op pluimvee (vleeskuikens). De intensieve neventak is hierdoor nog het enige werkterrein en daarmee hoofdtak geworden. Dit zou in strijd zijn met het gemeentelijk beleid zoals dat is vastgelegd in de Beheersverordening en de Beleidsnotitie buitengebied Steenwijkerland. Zo is in paragraaf 3.3.2 benoemd dat omschakeling naar niet-grondgebonden agrarische bedrijven gelijk wordt gesteld aan nieuwvestiging, hetgeen niet is toegestaan. Echter is het de vraag of dit algemene uitgangspunt ook op dit bedrijf van toepassing is. Op dit bedrijf is reeds jarenlang een intensieve neventak aanwezig. Feitelijk is het bedrijf sinds 1985 vooral gericht op vleeskuikens en/of kalkoenen en is er sindsdien al geen sprake meer van een grondgebonden hoofdtak. Het merendeel van de koeien is daarna verkocht op enkele kalveren na. Dit maakt dat de gemeente in dit specifieke geval concludeert dat het bedrijf vanwege deze omstandigheden gelijkgesteld kan worden aan een bestaande (positief bestemde) intensieve veehouderij.

In de Beleidsnotitie buitengebied is opgenomen op verzoeken tot uitbreiding(en) van een niet-grondgebonden maatwerk van toepassing is. In 2013 is geoordeeld dat het bedrijf niet voldeed aan de voorwaarden om mee te werken. Daarna is in 2015 het Afwegingskader Intensieve Veehouderij door de raad vastgesteld, waarmee een nieuw beleidskader is ontstaan. In de volgende paragraaf is onderbouwd dat het voorliggende plan, uitbreiden bestaande pluimveestal, mede door aanpassingen in het (bouw-)plan voldoet aan de eisen van dit kader. Vanuit het bedrijf en landschap i s hierbij tevens het toekomstbeeld geschetst. Voor deze gewenste ontwikkelingen geldt dat iedere nieuwe ontwikkeling zowel planologisch als qua milieuwetgeving opnieuw onderzocht (en indien nodig vergund) zal moeten worden. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 20 3.3.4 Afwegingskader IV Het afwegingskader IV voor uitbreiding van bestaande intensieve veehouderij of intensieve neventak is door de gemeenteraad van Steenwijkerland vastgesteld op 23 juni 2015.

Het afwegingskader heeft een aantal criteria waar een plan aan moet voldoen: Criteria afwegingskader Kenmerk plan Rondebroek 1 Het bedrijf bevindt zich in primaire landbouwgebieden zoals deze zijn vastgelegd in de Provinciale Omgevingsvisie en de gemeentelijke Strategische Toekomstvisie en Landschapsontwikkelingsplan Bedrijf gelegen in primair landbouwgebied De uitbreiding leidt niet tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, ecologische, cultuurhistorische en visueel landschappelijke waarden - Geen archeologisch waardevol gebied - Geen bijzondere flora of fauna (weide) - Nb-wetvergunning voor verlenging verleend door zowel provincie Overijssel als provincie Friesland Het gebouw mag uit maximaal 1 bouwlaag met kap bestaan Voldoet, stal uitgevoerd in enkele bouwlaag met volledig strooiselvloer Het gaat om een agrarisch bedrijf met toekomstperspectief. Hierbij dienen aspecten als duurzaamheid en volwaardigheid te worden aangetoond. - Volwaardiger bedrijfsomvang en toekomstbestendig, mits gemeente meewerkt aan gewenste uitbreiding.

- Te verlengen stal voldoet aan Maatlat Duurzame Veehouderij en is BBT - De overstap van gangbare kuikens naar scharrelkuikens draagt bij aan verduurzaming en is maatschappelijk gewenst Het bedrijf moet op het gebied van ammoniak, dierenwelzijn, diergezondheid, energie, fijnstof en brandveiligheid voldoen aan de Maatlat Duurzame Veehouderij. - Voldoet, zie paragraaf 4.4 - Bedrijf haalt 190 punten, 24 punten meer dan de vereiste 166 punten De initiatiefnemer dient omwonenden en aangrenzenden van haar voornemens in kennis te stellen. Zij dient schriftelijk inzichtelijk te maken hoe er met inbreng van partijen is omgegaan. Voldoet, buren ingelicht 3.3.5 Welstandsnota De gemeente Steenwijkerland wil zorgvuldig omgaan met de bebouwing in de gemeente. Zij wil ook haar inwoners inspireren en stimuleren zorgvuldig om te gaan met verbouwingen aan hun gebouwde eigendommen. De welstandsnota biedt de inwoner en de aanvrager van een bouwaanvraag inzicht en verheldering over de beoordeling van (zijn of haar) bouwplannen. In de welstandsnota wordt beschreven hoe de gemeente om wil gaan met de gebouwde omgeving en op welke aspecten en criteria de welstandscommissie zich daarbij baseert. Als laatste, maar zeker niet als minste, biedt deze welstandsnota voor de welstandscommissie een beoordelingskader.

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 21 De gemeente is in gebieden ingedeeld en per gebied gelden gebiedsgerichte criteria. De voorgenomen ontwikkeling valt in het deelgebied 'Zeekleilandschap'. In dit gebied zijn de boerderijen en de bijbehorende erven sterk bepalend voor de karakteristiek van het gebied. Alleen in Blankenham is meer diversiteit in bebouwing. De karakteristieken van de oorspronkelijke bebouwing dienen dan ook zoveel mogelijk te worden behouden. Blankenham is in de loop der tijd gegroeid met steeds nieuwe invullingen op kleine schaal die zich voegen tussen de bestaande bebouwing. Hierdoor is een gevarieerd beeld ontstaan dat kan inspireren voor ontwikkelingen in de toekomst. Welstandsbeleid 1. Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de oorspronkelijke boerderijen dienen de bebouwingskarakteristieken zoals die in de gebiedsbeschrijving zijn omschreven te worden behouden. 2. Bij nieuwbouw, vervanging en grote uitbreidingen aan andere bestaande gebouwen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden gerespecteerd. 3. In Blankenham is onder voorwaarden vernieuwing mogelijk. 4. Uitbreiding van de woonfunctie in een bestaande of voormalige boerderij mag niet ten koste gaan van de uiterlijke verschijningsvorm. Het welstandsbeleid is uitgewerkt in gebiedsgerichte welstandscriteria.

Naast de gebiedsgericht criteria kunnen ook meer objectgerichte criteria of specifieke criteria gelden. Objectgerichte criteria is hier niet aan de orde. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de welstandsnota. 3.3.6 Landschapontwikkelingsplan Op 25 januari 2005 heeft de gemeente Steenwijkerland het Landschapsontwikkelingsplan vastgesteld. In het Landschapsontwikkelingsplan wordt het landschapsbeleid voor het buitengebied van de gemeente voor de komende jaren vastgelegd. Het doel van het Landschapsontwikkelingsplan is:  Een bijdrage leveren aan de dynamiek en daarmee aan de kwaliteit van het landschap;  Lokale en regionale initiatieven zodanig stimuleren dat identiteit en verscheidenheid van het landschap wordt versterkt;  De zorg voor de ontwikkeling van het landschap dichter bij de burger en het lokale bestuur brengen;  Daadwerkelijk de uitvoering van landschapskwaliteit in gang zetten;  Zorgen voor een helder kader op lokaal niveau voor de beoordeling van ingrepen uit oogpunt van landschapskwaliteit. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het Landschapsontwikkelingsplan.

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 22 "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 23 Hoofdstuk 4 Milieuaspecten In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten die inhoudelijk betrekking hebben op de voorgenomen ontwikkeling beschreven. 4.1 Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie Historische en landschappelijke analyse Rond 1900 zijn er in de open ruimte van Rondebroek vier verhogingen aanwezig, waar één of twee boerderijen op staan. Aan de oostzijde zijn dat zandopduikingen en aan de westzijde zijn het terpen. De erven werden ontsloten via de toenmalige zee dijk. De twee westelijk gelegen terpen liggen nabij de Oude Kuinre. De boerderij op nummer 1 staat tevens in de nabijheid van een kolk. De boerderij is met de voorzijde naar de weg gericht en kreeg een hoog dak met rode pannen erop. Een route liep via de t erp naar de noordelijke erven. Omdat de Oude Kuinre een bochtig verloop heeft, kreeg de onverharde weg dat ook. Het water in de sloten aan de westzijde van de weg stroomt naar het laagste punt in de polder en deze ligt in de noordoostzijde. Afbeelding 4: Historische jaar 1900 kaart plangebied

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 24 Reeds voor het jaar 1925 zijn drie erven aan de doodlopende weg toegevoegd, waardoor er een bebouwingslint is ontstaan. Met name twee erven daarvan hebben een ruime erfbeplanting gekregen. Er is een pad tegenover de boerderij 'Begijnhof' naar een schooltje. Op de topografische kaart van 1975 is te zien dat er een doorlopende verharde weg is aangelegd. Deze weg volgt de ronding van de terp op nummer 1, waardoor de bocht in de weg is ontstaan. De ene boerderij op de zandopduiking is geheel verdwenen, waardoor vanaf de Punterweg ruim zicht mogelijk is op de open polder, met daaraan het lint met de boerenerven. Afbeelding 5: Historische kaart jaar 1925 en topografische kaart jaar 1975 plangebied

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 25 Overal in het lint werd een ligboxenstal aan de boerderij toegevoegd, geheel gebruikelijk na de zeventiger jaren. Daardoor werd het lint verdicht, maar er bleven steeds doorzichten tussen de erven aartwezig. Op het erf van nummer 1 werd de ligboxenstal aan de noordzijde van de boerderij gebouwd en deze kreeg een stevige erfbeplanting met streekeigen bomen en struiken aan weerszijden. Daardoor blijven anno 2016 de terp en de boerderij de aandacht trekken en valt de stal alleen aan de noordzijde op. Vervolgens werden er twee stallen voor vleeskuikens aan het erf toegevoegd. Doordat er een bos is aangeplant aan de oostzijde van de Antjeskolk worden deze stallen enigszins landschappelijk ingepast. Het was de tijd va n de coniferen en deze werden toen ook aan het erf toegevoegd. Langs de weg de Rondebroek zijn knotwilgen aangeplant en die gingen zorgen voor een sterke lijn in het landschap. Het erf is afwijkend van de overige erven door de locatie aan de westzijde van de weg, de bocht in de weg, de historische boerderij, de terp, het dichte groen aan de noordzijde van de boerderij en de langgerekte vorm van het erfoppervlak. De overige boerderijen staan aan de oostzijde van de weg en voegen zich in de verkavelingsrichting.

Afbeelding 6: Recente kaart plangebied De structurele wijziging in het bebouwingspatroon ontstaat als in 1998 een nieuwe stal voor vleeskuikens wordt gebouwd aan de overzijde van de weg. Deze stal komt eveneens in de richting van de verkaveling. De stal wordt niet voor de voorgevel van de boerderij gesitueerd, maar tegenover de stevige erfbeplanting. Er was het plan om aan de noordzijde van deze stal nog een ligboxenstal te gaan bouwen, maar daar wordt van afgezien. Er is geen erfbeplanting rond de stal aangebracht, waardoor deze er kaal bij staat. In het aanzicht van de overige erven aan de weg valt op dat de westzijde landschappelijk is ingepast, maar de oostzijde (de achterkanten) nauwelijks. Die achterkanten zijn rafelig, maar alles staat wel haaks ten opzichte van elkaar.

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 26 Archeologie Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Steenwijkerland, vastgesteld op 22 januari 2008,hebben een aantal delen van de veehouderij een hoge verwachtingswaarde archeologie en zijn daarom ook dubbel bestemd met 'Waarde - Archeologie 2'. Het gaat om het bouwvlak aan de westzijde van de weg, de straat Rondebroek en de aan de oostzijde van de weg gelegen gronden. De uitbreiding van de stal heeft op de voorgenomen locatie een lage archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek kan dus achterwege blijven. 4.2 Ecologie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 09-01-2017 Dit rapport is opgenomen in Bijlage 2. De conclusie uit dit rapport luidt als volgt: In het plangebied moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van broedvogels zonder vaste nestplaats. Van broedvogels zonder vaste nestplaats zijn de broedsels beschermd en niet de nesten zelf. Voor het verstoren of vernielen van broedsels is geen ontheffing mogelijk. De werkzaamheden dienen daarom buiten het broedseizoen plaats te vinden of buiten het broedseizoen te starten (bouwrijp maken e.d). De piek van het broedseizoen ligt in de periode van 15 maart tot 15 juli. Vroegere en eerdere broedgevallen komen veel voor.

Het is daarom aan te raden om de werkzaamheden uit te voeren tussen 15 september en 1 maart. De werkzaamheden kunnen in het broedseizoen worden uitgevoerd wanneer een inspectie uitwijst dat er geen broedsels aanwezig zijn. Het project is niet van invloed op strikter beschermde soorten uit andere soortgroepen. Er is geen ontheffing of vergunning in het kader van natuurbeleid noodzak elijk. Conclusie De ecologische aspecten leveren geen belemmeringen op voor het plan. 4.3 Kabels en leidingen Door het plangebied lopen boven- of ondergronds geen hoofdleidingen. Straalpaden en laagvliegroutes voor straaljagers zijn ook niet aanwezig. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 27 4.4 Milieu 4.4.1 Bodem In oktober 2016 is door Sigma Bouw & Milieu een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. (zie Bijlage 1) De resultaten van dat onderzoek zijn navolgend weergegeven. Conclusies en aanbevelingen grond bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM1 (boring 1 t/m 8) bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. ondergrond (0.5-1.4 m-mv) Ondergrondmengmonster MM2 (boring 1+2) bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. grondwater peilbuis 1 (2.35-3.35 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte zink (zware metalen) t.o.v.

de tussenwaarde en een verhoogd gehalte barium, cadmium, kobalt, koper en nikkel (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde. Het verhoogd gemeten gehalten zink (zware metalen) ter plaatse van peilbuis 1 overschrijdt de tussenwaarde en geeft daardoor formeel aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Het verhoogd gemeten gehalte zink (zware metalen) in het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 is niet direct te relateren en hangt in dit geval naar verwachting niet samen met een locatiespecifieke verontreiniging. Indien meer inzicht vereist is in het voorkomen van zink (zware metalen) in het grondwater wordt geadviseerd het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 opnieuw te bemonsteren en te analyseren op het gehalte zink (zware metalen). De verhoogd gemeten gehalten barium, cadmium, kobalt, koper en nikkel (zware metalen) in het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 overschrijdt de tussenwaarde niet en geeft daardoor geen aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Toetsing hypothese Op basis van de vooraf in paragraaf 2.4 gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als milieukundig onverdacht aangemerkt. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging.

Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een matig verhoogd gehalte zink (zware metalen), aanvullend onderzoek in de vorm van een herbemonstering en heranalyse van het grondwater wordt in dit geval aanbevolen. De vooraf gestelde hypothese dient n.a.v. de onderzoeksresultaten formeel verworpen te worden. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 28 Voor het overige bevat het grondwater plaatselijk verontreinigingen t.o.v. de streefwaarde. De overige verontreinigingen zijn in relatief geringe mate gemeten (gehalten beneden de tussenwaarde) en geven daardoor geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. De onderzoeksresultaten stemmen niet geheel overeen met de gestelde hypothese. De vooraf gehanteerde hypothese is gezien de doelstelling van het onderzoek alsmede de onderzoeksresultaten naar onze mening vooralsnog onvoldoende om algehele conclusies te verbinden omtrent de bodemkwaliteit t.p.v. de onderzoekslocatie. Opgemerkt wordt dat de conclusies betrekking hebben op de chemische gesteldheid van de bodem (excl. asbest). Een asbestonderzoek conform de NEN 5707 maakt geen onderdeel uit van de scope van onderhavig onderzoek Afwijkingen in de werkzaamheden Er hebben bij de uitvoering van veldwerkzaamheden geen afwijkingen plaatsgevonden t.o.v. de geldende protocollen BRL SIKB 2001 en 2002.

Aanbevelingen 1) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een matig verhoogd gehalte zink (zware metalen) en geeft op basis hiervan formeel aanleiding tot aanvullend onderzoek. Geadviseerd wordt bij het bevoegd gezag na te gaan of dergelijk verhoogde gehalten zink (zware metalen) in het grondwater in de omgeving vaker worden gemeten, dit als gevolg van een natuurlijke achtergrondwaarde. Indien dit niet het geval is wordt aanbevolen een herbemonstering en heranalyse van het grondwater uit te voeren 2) Indien de grond ontgraven gaat worden, bijvoorbeeld ten behoeve van bouwwerkzaamheden, is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Middels het Besluit is het mogelijk om door het lokaal bevoegd gezag lokale maximale bodemgebruikswaarden vast te stellen, of om deze bodemgebruikswaarden te conformeren aan de maximale waarden uit het (landelijke) generieke model. Volledige duidelijkheid omtrent de bodemkwaliteitsklasse van vrijkomende grond wordt pas verkregen op basis van een partijkeuring conform het Besluit Bodemkwaliteit. Opgemerkt dient te worden dat de vertaalslag van verkennend bodemonderzoek naar hergebruik van grond volgens het Besluit Bodemkwaliteit, veelal, niet mogelijk is. In de meeste gevallen zijn aanvullende gegevens noodzakelijk, het bevoegd gezag (de gemeente waarin de grond wordt toegepast) kan hier uitsluitsel over geven.

Indien het noodzakelijk is dat er grond afgevoerd moet worden van de locatie zal er een melding grondverzet gedaan moeten worden via het landelijk meldpunt: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 29 4.4.2 Geur De adressen Rondebroek 2, 3 en 4 zijn allen veehouderijen en met een bedrijfswoning. Deze bedrijfswoningen tellen als geurgevoelig object t.a.v. de geurbelasting. Dat geldt ook voor de veehouderij op Bouwdijk 2. Voor bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) die onderdeel zijn van andere veehouderijen gelden altijd vaste afstanden, ook voor dieren met geuremissiefactoren. In de handreiking vallen deze geurgevoelige objecten onder type b. De minimumafstand komt in de plaats van de waarden voor geurbelasting. Deze minimumafstand staat in artikel 3 lid 2 Wgv en is:  100 meter binnen de bebouwde kom  50 meter buiten de bebouwde kom Het percel is gelegen buiten de bebouwde kom. Er is hiervoor een minimale vaste afstand van 50 m (emissiepunt) en 25 m (gevel-tot-gevel) vereist. Hieraan wordt voldaan. Voor de geurbelasting op woningen in de bebouwde kom van Kuinre is een geurberekening gemaakt (V-stacks, zie hiervoor de bijlage). Deze geurberekening wijst uirt dat de geurbelasting op de woningen in Kuinre ten hoogste ca. 1,9 OU E/m3 bedraagt. De geurbelasting blijft hiermee onder de maximale geurbelasting van 2,0 OUE/m3.

Conclusie Het aspect 'geur' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. 4.4.3 Luchtkwaliteit In het kader van luchtkwaliteit is door Hoeve Advies onderzoek gedaan naar de fijnstofconcentratie. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 3. Fijnstofconcentratie PM10 De bijdrage vanuit het bedrijf t.o.v. de omwonenden varieert afhankelijk van de afstand tot het bedrijf. De hoogste fijnstofconcentratie bij de omliggende woningen is 19,81 µg/m3. Na aftrek van de 2 µg/m3 aan zeezoutcorrectie geeft dit een netto concentratie van 17,81 µg/m3. Dit is lager dan het maximale jaargemiddelde van 40 µg/m 3 wat is toegestaan. Zonder rekening te houden met de zeezoutcorrectie blijkt het aantal dagen overschrijding van 50 µg/m3 ten opzichte van de omliggende woningen maximaal 7.9 dagen te zijn. Na aftrek van de 2 correctiedagen is de netto overschrijding 5,9 dagen t.o.v. het meest gevoelig te beschermen object. Dat is lager dan de maximale 35 dagen die zijn toegestaan. De boogde situatie voldoet aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit. Fijnstofconcentratie PM2.5 Uit de fijnstofconcentratie berekening PM10 komt een jaargemiddelde concentratie van 17,81 µg/m3. In het fijnstof PM10 ligt PM2.5 opgesloten. Het totaal aan PM10 bestaat voor een beperkt deel uit PM2.5.

De fijnstofconcentratie van PM2.5 is dus een fractie van 17,81 µg/m3 en kan dus nooit groter zijn dan deze waarde zelf. Hieruit volgt dat de PM2.5 concentratie onder de maximale concentratie van 25,0 µg/m3 blijft. De boogde situatie voldoet aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 30 4.4.4 Ammoniak In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de mogelijke invloed op stikstofgevoelige gebieden onderzocht. Ammoniak t.o.v. kwetsbare Wav-gebieden Er liggen geen kwetsbare Wav-gebieden binnen een straal van 250 m van de inrichting, die beperkend zouden zijn vanwege de ammoniak. Ammoniak t.o.v. Natura 2000-gebieden In 2015 is er een Nb-wetvergunning verkregen voor de te verlengen stal met 59.900 kuikens met bijbehorende ammoniakemissie. Bij deze vergunning is onder andere gekeken naar het Natura 2000-gebied de Weerribben dat op een afstand van circa 2,5 km ligt. Dit leverde geen problemen op. Het idee is inmiddels bijgesteld waardoor er minder kuikens in de stal komen. Minder kuikens betekent minder uitstoot dus dit levert ook geen problemen op. Conclusie Het aspect 'ammoniak' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 31 4.4.5 Geluid Het aspect 'geluid' is bij de voorgenomen ontwikkeling niet aan de orde. 4.4.6 Externe veiligheid De voorgenomen ontwikkeling maakt geen gevoelige functies mogelijk en betreft zelf geen risicovolle inrichting. Het aspect 'externe veiligheid' is hier dus niet aan de orde. 4.4.7 Milieu Effect Rapportage (MER) Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Er zijn drie onafhankelijke sporen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 1. Uit toetsing aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) blijkt dat het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMER-plichtig, besluitm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelings-plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor (bestemmings)plannen dient te worden getoetst aan de activiteiten en drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r..

In het geval de activiteit genoemd wordt in onderdeel D, maar die onder de drempelwaarden vallen, dan is een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' nodig. Bij de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (kenmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect). Indien belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, dan is niet alsnog een (plan)m.e.r. (-beoordeling) op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk. 2. In het geval van een (bestemmings)plan: indien een 'passende beoordeling' op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor dit plan verplicht is vanwege de in het plan opgenomen activiteiten. Een passende beoordeling is verplicht indien significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten; 3. Wanneer Provinciale Staten in haar provinciale milieuverordening activiteiten hebben aangewezen, aanvullend op de activiteiten in het Besluit m.e.r., die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. De voorgenomen ontwikkeling is genoemd in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar valt onder de drempelwaarde. De dremeplwaarde bedraagt 40.000 stuks pluimvee. Het verlengen van de stal leidt tot een toename van 29.950 stuks pluimvee.

In dit geval is een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' nodig. Vormvrije m.e.r.-beoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling gaat in op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn, vanwege de aard van het voornemen, de kenmerken van de omgeving, of de impact van het voornemen op de omgeving, dat aanleiding geeft om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor het bestemmingsplan. Uit Hoofdstuk 4 Milieuaspecten blijkt dat er geen belangrijke nadelige effecten voor het milieu zijn en is de conclusie gerechtvaardigd dat een volledige m.e.r.-procedure, en daarmee het opstellen van een MER niet nodig is. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 32 Conclusie Dit bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die grote nadelige gevolgen hebben voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is dan ook niet nodig. 4.4.8 Bedrijven en milieuzonering Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet bij nieuwe ontwikkelingen worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies als wonen. Daarnaast dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (de 'omgekeerde werking').

Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid aansluiting te zoeken bij de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom kan deze publicatie worden gebruikt voor het op verantwoorde wijze inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving. Van plangebied naar omgeving Bij de voorgenomen ontwikkeling worden milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. In paragraaf 4.4 Milieu is aangetoond dat dit geen belemmeringen met zich meebrengt voor de omgeving van het plangebied. Van omgeving naar plangebied Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geen milieugevoelige functie mogelijk gemaakt, hierdoor kan de toetsing van omgeving naar plangebied achterwege blijven. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. 4.5 Water Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Bes luit ruimtelijke ordening (Bro). Nationaal beleid Het Nationaal Waterplan (V&W, 2009) heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het plan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding.

Omdat ook voor de volgende generaties Nederland als veilig en welvarend waterland veiliggesteld moet worden, moet nu een antwoord worden gevonden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie, economie en een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Water levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van biodiversiteit. Het doel is helder: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het dan ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkund ige eisen op korte en lange termijn. Meer dan voorheen moet water bepalend zijn bij de besluitvorming. De mate waarin water bepalend is, hangt af van de wateropgave in relatie tot andere opgaven, aanwezige functies en bodemgesteldheid, en andere kenmerken in dat gebied. "Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 33 Overstromingsrisico Het voorkomen van overstromingen door fysieke maatregelen is en blijft de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Fysieke maatregelen zijn rivierverruiming, dijkversterking en het concept van overstroombare dijken.

Door klimaatverandering zoals zeespiegelstijging en toenemende rivierafvoeren moeten we meer rekening houden met de gevolgen van een overstroming. De afweging is waar men op inzet: het voorkomen van slachtoffers (rampenbeheersing) of ook het voorkomen van economische schade (gevolgenbeperking). Bij beide is sprake van grote investeringskosten. Echter, de schadebedragen als gevolg van een overstroming zijn ook aanzienlijk. Geschat wordt 5-7 miljard euro. Afbeelding 7: Overstromingsrisco Dijkring 9 Vollenhove Onderscheid is gemaakt in primaire, regionale en overige waterkeringen. De primaire en regionale waterkeringen bevinden zich vooral op die plekken binnen de provincie daar waar de grootste risico’s zijn te verwachten met het oog op de aanwezige waterwegen en de aard en de omvang daarvan. Onderhavig plangebied ligt binnen de invloedssfeer van dijkring 9 Vollenhove. Bovenstaande afbeelding 7 illustreert dat het plaatsgebonden risico(PR) het grootst is in de laagst gelegen locaties binnen het dijkringgebied. Het PR is derhalve het grootst tussen Dalfsen en Zwartsluis en in een gebied tussen Giethoorn en Oldemarkt (in het noorden van de dijkring). Het gedeelte waar het plangebied deel vanuit maakt, zal bij een calamiteit langzaam vollopen. Derhalve zal er voldoende tijd zijn om tijdig passende maatregelen te nemen.

De nieuwe bebouwing wordt tenminste aangelegd op 30 cm boven het straatpeil.

"Ruimtelijke onderbouwing Rondebroek 1, Kuinre" 34 Provinciaal beleid Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt tot het nemen van maatregelen en het voorbereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten. Ingevolge de omgevingsvisie Overijssel heeft de provincie een voorkeur voor grondwater als primaire bron voor de drinkwatervoorziening. De kwaliteit en beschikbare hoeveelheid van grondwater is stabiel. Oevergrondwater is een tweede bron. Dit ziet de provincie als alternatief voor grondwater. Er is ervaring met het beheersen van risico's bij oevergrondwater langs de IJssel. Ook langs de Vecht is een oevergrondwaterwinning in ontwikkeling. De ervaringen daarmee kunnen laten zien in hoeverre oevergrondwater ook bij een kleine rivier perspectief biedt. Op de provinciale kaarten 'Waterfunctie' en 'Drinkwaterwinningen', zijn behalve het grondwaterbeschermingsgebied ook de innamezones aangegeven waar water infiltreert uit oppervlaktewater. Op deze wijze wordt aan de waterbeheerder het signaal afgegeven dat dit oppervlaktewater tevens bron is voor drinkwater.

In de Drinkwaterwet is vastgelegd dat de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening een dwingende reden van groot openbaar belang is. De gebieden waar (oever)grondwater voor drinkwater aan de bodem wordt onttrokken of die daarvoor gereserveerd zijn, worden afdoende beschermd door voortzetting van het geldende beleid. De provincie beoogt de kwaliteit van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening en de industriële winningen waarvoor een hoge kwaliteit is vereist te beschermen en te voorkomen dat deze kwaliteit verslechtert (stand-still). De provinciale uitgangspunten zijn:  Het gehele intrekgebied van de drinkwaterwinning wordt beschermd;  Geen functies met risico op grondwaterverontreiniging, tenzij de beschermingssituatie verbetert (stapvooruitprincipe). Bij grote en grootschalige ruimtelijke ingrepen is een verslechtering op plaatselijk niveau toegestaan, mits op gebiedsniveau verbetering plaatsvindt (saldobenadering);  Preventie via de verbodsbepalingen in de verordening is de meest doelmatige bescherming tegen ruimtelijke functies die risico hebben voor grondwaterverontreiniging.

Het gaat dan om een brongerichte aanpak van bedreigende activiteiten/functies;  Duurzaam veiligstellen: de bescherming van de openbare drinkwatervoorziening moet opgenomen zijn in gemeentelijk ruimtelijk beleid;  Voor kwetsbare winningen zijn in 2010 gebiedsdossiers opgesteld met een analyse van de actuele bedreigingen voor de waterkwaliteit en de mogelijke maatregelen (KRW). Het provinciale beleid voor grondwaterbescherming is verwoord in de Omgevingsvisie (juli 2009). Dit vigerende beleid wordt voortgezet. De hoofdlijnen van het beschermingsbeleid lopen via drie sporen: het ruimtelijkeordeningsbeleid, het waterbeleid en het milieubeleid. Via de lijn van het waterbeleid wordt de voorraad op peil houden, de gevolgen verminderd en waar mogelijk de duurzaamheid verbeterd. Via de ro- en milieulijn wordt de kwaliteit van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening en de levensmiddelenindustrie beschermd en verbeterd. Gemeentelijk beleid Per 1 januari 2016 is het Watertakenplan Fluvius van kracht geworden voor de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en Steenwijkerland en Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Gezamenlijk vormen ze het samenwerkingsverband Fluvius (Latijn voor rivier of stroom). In Fluv ius werken de gemeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/70d1d1db-6af0-41c7-a715-a54ccc283e97?agendaItemId=0c5c80fa-f437-4463-891b-d896c4c8d12a