CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

9.0 VNG - Indexering wijziging subsidies bekostiging welzijn en cultuur.pdf

Raadsvergadering 19 september 2017, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken15.867 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er is daarbij een fondsen-Cao afgesloten met een looptijd van 5 jaar voor 2014 -2018. In deze Cao blijft de bijdrage van de werkgevers 0,2% van de loonsom voor 2015, dit leidt dus niet tot loonkostenverho- ging ten opzichte van 2014. * Ontwikkelingen 2016 In het meerjaren Cao-akkoord dat in juni 2015 is afgesloten staat dat er van 2016 tot en met 30 juni 2019 elk jaar 1,75% loonruimte kan worden ingezet (0,25% per jaar is afkomstig uit de verlaging van de premie aan het pensioen vanwege de afschaffing van de vroegpensioen-regeling/VPL en 1,5% is conform de jaarlijkse loonstijging gemiddeld in de afgelopen 10 jaar). De totale loonruimte is in 2016 als volgt ingezet: 1,5% salarisverhoging, 0,15% verhoging eindejaaruit- kering tot 1,9% en 0,1% is ingezet voor een nieuwe pensioenpremieverhoging. De totale pensioenpre- mieverhoging was echter 0,2%. Dus 0,1% meer dan uit de eerder afgesproken loonruimte bekostigd kan worden, hiervan komt 0,05% extra ten laste van de werkgever. De werkgeversbijdrage aan de fondsen-Cao blijft in 2016 0,2%, dit leidt dus niet tot loonkostenverhoging. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 21/34 * Ontwikkelingen 2017 De loonkostenontwikkeling in 2017 is 1,75% gelet op de meerjarige afspraak binnen de Cao Openbare Bibliotheken. Van de loonruimte is 1,4% ingezet voor een salarisverhoging en 0,35% voor een verhoging van de eindejaarsuitkering naar 2,25%.

De werkgeversbijdrage aan de fondsen-Cao blijft ook in 2017 0,2% en leidt dus niet tot loonkostenverhoging. * Ontwikkelingen 2018 Gelet op het meerjarige Cao-akkoord is de loonruimte die in 2018 ingezet kan worden wederom 1,75%. De verdeling over de loonkosten hangt af van de actuele ontwikkelingen o.a. in de premiedruk. 3.2. Overige loonkostenger elateerde ontwikkelingen Pensioenpremies Pensioenpremie wordt berekend over de loonsom, dit is de optelsom van alle salarissen. De pensioenpremie bij het Pensioenfonds Openbare Bibliotheken was vanaf 1 januari 2012 22,5%. In 2015 is deze verlaagd tot 19,5%, mede vanwege de afschaffing van de VPL-regeling en in 2016 is de pensioenpremie weer iets verhoogd met 0,2% tot 19,7%. Daarvan komt, uitgaande van het gemiddelde loon in de branche, ongeveer 2/3-deel voor rekening van de werkgever. Het werknemersdeel bedraagt thans 7,45% over de pensioengrondslag, dit is salaris min franchise. Door de werking van de franchise kan de verdeling bij een gemiddeld lager of hoger loon dan het branchegemiddelde per openbare bibliotheek iets naar boven of naar beneden afwijken. Belangrijkste sociale premies * Zorgverzekeringswet * 2015 In 2015 is de premie Zorgverzekeringswet evenals in 2014 gedaald tot 6,95% en is de grondslag gestegen naar maximaal € 51.976,-.

* 2016 In 2016 is de werkgeversheffing voor de premie Zorgverzekeringswet gedaald naar 6,75% en is de grondslag (maximumbijdrage-inkomen) gestegen naar maximaal € 52.763,-. * 2017 In 2017 is de werkgeversheffing voor de premie Zorgverzekeringswet gedaald naar 6,65% en is de grondslag (maximumbijdrage-inkomen) gestegen naar maximaal € 53.701,-. * Overige premies Voor de bepaling van de hoogte van de sociale lasten (premies werknemersverzekeringen) in 2015, 2016 en 2017 kan de onderstaande UWV-tabel voor de bibliotheeksector gevolgd worden. Premies werknemers- verzekeringen Fonds 2015 2016 2017 Awf Algemeen werkloosheidsfonds (WW-premie) 2,07% 2,48% 2,64% Sfn Sectorfondsen (premie obv indeling in sector 35) 2,05% 1,72% 0,94% Whk Werkhervattingskas (werkelijke hoogte oa afhankelijk van grootte onderneming) 1,10% (rekenpremie) 1,10% (rekenpremie) 1,10% (rekenpremie) Aof Arbeidsongeschiktheidsfonds 5,25% 5,91% 6,03% Zvw Zorgverzekeringswet 6,95% 6,75% 6,65% Vereniging van Nederlandse Gemeenten 22/34 3.3. T er vergelijking De private openbare bibliotheken worden gefinancierd vanuit de algemene uitkering van het Gemeen- tefonds. Met het oog hierop verwijst de recente meicirculaire Gemeentefonds in het kader van het accres op blad 40 naar de mutaties in de overheidsconsumptie met een verwachte loonstijging in 2018 van 2,4%. De cijfers van het Centraal Planbureau die op 14 juni jl.

verschenen zijn, schatten de stijging binnen de consumentenprijsindex c.q. de inflatie voor 2018 op 1,4% en de stijging van het contractloon in de marktsector op 2,0%. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 23/34 4. Sector Kunsteducat ie Ten geleide Werkgeversverenigingen Binnen de sector Kunsteducatie zijn twee Cao’s van toepassing: de private Cao en de publieke Cao. Voor de private Cao is Cultuurconnectie, brancheorganisatie voor cultuureducatie, amateurkunst en volksuniversiteitswerk, de werkgeversvereniging. Dit is per 2015 de rechtsopvolger van Kunstcon- nectie, vereniging van instellingen voor kunsteducatie en kunstbeoefening, www.cultuurconnectie.nl. Voor de publieke Cao is gaat het om het College voor Arbeidszaken, het werkgeversverband van alle gemeenten, www.vng.nl en www.car-uwo.nl Certificering niet direct gekoppeld aan subsidiehoogte De VNG heeft begin 2015 ingestemd met het geactualiseerde ‘Kwaliteitskader cultuureducatie en amateurkunst’, dat Kunstconnectie (thans Cultuurconnectie geheten) heeft opgesteld, eerdere versies zijn van 2012 en 2006. De certificering van lokale instellingen op basis hiervan is niet direct gekoppeld aan een bepaalde subsidiehoogte. De criteria bevatten ook personele componenten. De toetsing geschiedt sinds april 2013 niet meer vanuit de Stichting Kunstkeur, waaraan ook de VNG bestuurlijk deelnam.

Maar bureau Hobéon is daartoe in de arm genomen. Dit heeft een college van deskundigen met daarbinnen plaats voor een gemeentelijke vertegenwoordiger. Bestaande certificeringen blijven, zoals gebruikelijk, vier jaar geldig. Dit voorjaar hebben Cultuurconnectie, de Vereniging van Openbare Bibliotheken, Stichting Certificering Openbare Bibliotheken, Samenwerkende Provinciale Ondersteuningsinstellingen (POI’s) Nederland, Stichting Lezen en Stichting Lezen & Schrijven en de VNG na een uitgebreide verkenning vooraf, besloten tot de ontwikkeling van een gezamenlijk certificeringskader voor de betrokken cultuurorganisa- ties dat per 2018 moet ingaan. Daartoe is er in april jl. een werkgroep vanuit de deelnemende landelijke en lokale instellingen ingesteld. De VNG heeft zitting in een stuurgroep. Bestaand model budgetsubsidie en toekomstig beleid Het model ‘Meerjaren convenant prestaties budgetsubsidie lokale kunsteducatie-instellingen’ kan de grondslag vormen voor kwalitatieve en kwantitatieve afspraken tussen gemeenten en instellingen op lokaal niveau. Dit door Kunstconnectie en VNG opgestelde model is op onze site te vinden. Naar aanleiding van het advies ‘Meedoen is de kunst. Advies over actieve cultuurparticipatie.’ door de Raad voor Cultuur uit maart 2014 heeft minister Bussemaker van OCW geen nieuw beleid geformuleerd.

Wel is er gelet op een motie van de Tweede Kamer in haar opdracht door het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst in 2016 ‘Basis voor cultuureducatie’ gepresenteerd, terwijl het in 2017 ‘Basis voor cultuurparticipatie’ zal laten verschijnen. Ook doet het LKCA gelet op de wens van de Kamer opnieuw onderzoek naar de gevolgen en de huidige lokale modellen naar aanleiding van de gemeentelijke bezuinigingen op muziekscholen en centra voor de kunsten. Op basis van dit alles zal de bestaande Handreiking voor gemeentelijk beleid van de VNG e.a. over kunsteducatie (in samenhang met cultuur-, erfgoed- en media-educatie) geactualiseerd worden. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 24/34 De private Cao Kunsteducat ie 4.1. Cao loonkostenontwikkel ingen private Cao Tabel 4. Ontwikkeling loonkosten private Cao sector Kunsteducatie 2015-2018 2015 2016 2017 2018 - Loonstijging 1 juli 2014 (1%) 0,50% - Loonstijging 1 april 2015 (0,5%) 0,38% 0,12% - Loonstijging 1 juli 2015 (1%) 0,50% 0,50% - Loonstijging 1 maart 2017 (1,5%) 1,25% 0,25% - Loonstijging 1 april 2018 (1,5%) 1,13% Totaal 1,38%* 0,62%* 1,25% * 1,38%* * Afdracht aan mobiliteitsfonds ipv SFKV per 2013 ad 0,9% loonsom leidde tot 0,09% verhoging. Vanaf juli 2015 wordt dit gewijzigd in een jaarlijks opleidingsbudget van 0,5% van het jaarsalaris met een minimum van € 250,- per werknemer.

Werkgevers betalen daarnaast 0,4% aan het mobiliteitsfonds. Samen blijft dit het bestaande percenta- ge van 0,9% van de loonsom. Toelichting: * Ontwikkelingen 2015 Op basis van de Cao 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2015 vindt er per 1 april 2015 een loonsverho- ging van 0,5% plaats, die voor 0,38% drukt op 2015. Daarnaast is er in 2015 een doorloop van 0,5% op basis van de loonsverhoging van 1% per 1 juli 2014. Voorts geldt dat er na een akkoord door de achterbannen van Cultuurconnectie en de vakbond AVV een nieuwe Cao is gekomen voor de periode 30 juni 2015 tot en met 30 juni 2016. Hierin staat een loonsverhoging van 1% per 1 juli 2015, die voor 0,5% op 2015 drukt. De verhouding lesgebonden/niet-lesgebonden uren verdwijnt uit de Cao. Lokale werkgevers en werknemers kunnen echter afspreken deze op instellingsniveau te handhaven. De bovenwettelijke WW-uitkering verdwijnt per 1 juli 2015 behalve voor personeelsleden die vanwege hun kleine dienstbetrekking niet in aanmerking komen voor een WW-uitkering, terwijl er een aanvulling op de wettelijke transitievergoeding is bij ontslag van personeel dat slechts een beperkt aantal jaren in dienst is geweest.

Er konden op basis van de Cao Kunsteducatie tot juli 2016 meer contracten voor bepaalde tijd worden afgesloten dan beoogd in de Wet werk en zekerheid: voor maximaal drie jaar met een onderbreking van 3 maanden tussen de contracten. * Ontwikkelingen 2016 De loonstijging van 0,5% per 1 april 2015 drukt voor 0,12% op 2016. En de loonstijging van 1% per 1 juli 2015 drukt voor 0,5% op 2016. Samen 0,62%. Medio juni 2016 is er een onderhandelaarsakkoord gesloten voor de periode 1 juli-31 december 2016, dat in juli 2016 door partijen bekrachtigd is. Het kent geen loonsverhoging. Wel enkele aanpassingen op basis van nieuwe wetgeving. Zo komt er een Commissie afwijkende ontslagvolgorde. Deze zal ontslagen van docenten beoordelen op de gemaakte collectieve afspraken ten aanzien van afwijken van de Ontslag- regeling van het UWV. Deze Commissie maakt een passender ontslagvolgorde mogelijk (docenten geven immers les in verschillende instrumenten), maar is wel duur der ten opzichte van de gebruikelijke weg. De werkgeversvereniging Cultuurconnectie heeft voorts het volgende gemeld. De bedrijfsvoering heeft behoorlijk wat flexibiliteit betreft ingeboet bij de invoering van de Wet werk en zekerheid. De transitie-ver- goedingen op basis van deze wet vallen in veel gevallen hoger uit dan de voorheen vaak gehanteerde ‘kantonr echtersformule’. Reorganisaties zijn daarmee nog kostbaarder geworden.

* Ontwikkelingen 2017 Eind december 2016 is er een onderhandelaarsakkoord gesloten dat begin januari 2017 definitief is geworden. De huidige Cao loopt van 1 januari 2017 tot 1 januari 2019. Deze kent een loonsverhoging van 1,5% per 1 maart 2017. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 25/34 De arbeidsvoorwaarden vormen een belangrijk thema voor de leden van Cultuurconnectie. De branche is in beweging en daarmee ook de arbeidsrelaties. Door het rapport ‘Kunsteducatie in de 21e eeuw’ van de Tilburg University, gepresenteerd in oktober 2016, is een aanzet gegeven voor het ontwikkelen van proeftuinen op het gebied van de arbeidsverhoudingen. Sociale partners willen deze nu actief gaan inzetten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om experimenten binnen organisaties op het gebied van flexibel belonen, ondernemerschap, cultuurpool of ontwikkelen van zzp-arrangementen. Om dit mogelijk te maken mogen de proeftuinen waar nodig afwijken van de Cao. Hiervoor is voorafgaand toestemming nodig van de sociale partners. Bij organisaties die proeftuin willen worden moet er instemming zijn van de OR of personeelsvertegenwoordiging, die in deze gevallen dezelfde rechten krijgt als een OR conform de Wet op de ondernemingsraden. Sociale partners zullen gedurende de uitvoering nauw betrokken zijn bij de proeftuinen.

En als hiervoor aanleiding is kunnen zij de Cao op basis van de uitkomsten tussentijds wijzigen. De arbeidsomstandigheden van zelfstandigen in de branche vormen eveneens een belangrijk thema. Onderzocht wordt of collectieve afspraken moeten worden gemaakt om voor hen een bestaansminimum te kunnen garanderen. Ook een mogelijke harmonisering met de Cao Openbare Bibliotheken staat hoog op de agenda. * Ontwikkelingen 2018 De huidige Cao loopt van 1 januari 2017 tot 1 januari 2019. Deze kent een loonsverhoging van 1,5% per 1 april 2018. De overige Cao-ontwikkelingen die zijn ingezet in 2017 worden voortgezet in 2018. 4.2. Overige loonkostenger elateerde ontwikkelingen private Cao Pensioenpremies Pensioenpremie wordt berekend over de pensioengrondslag, dit is salaris min franchise. * 2015 Per 1 januari 2015 is de pensioenpremie gedaald met 0,9%. De premie voor het ouderdoms- en partnerpensioen/OP daalde hierdoor van 24,4% naar 23,5% van de pensioengrondslag. Dit betekent dat per 1 januari 2015 de werkgeverspremie OP 11,75% is en de werknemerspremie OP 11,75%. De premie voor arbeidsongeschiktheidspensioen/AP is 0,4% ten laste van de werkgevers gebleven. * 2016 Per 1 januari 2016 is de pensioenpremie OP gelijk gebleven (23,5% van de pensioengrondslag). De werkgeverspremie OP is daardoor in 2016 11,75% gebleven en de werknemerspremie eveneens 11,75%.

De premie voor arbeidsongeschiktheidspensioen (AP) blijft in 2016 0,4% voor de werkgevers. * 2017 Per 1 januari 2017 is de pensioenpremie OP opnieuw gelijk gebleven (23,5% van de premiegrondslag). De werkgeverspremie OP is in 2017 11,75% en de werknemerspremie eveneens 11,75%. De premie voor arbeidsongeschiktheidspensioen (AP) is in 2017 gestegen met 0,1% naar 0,5% ten laste van de werkgevers. Tot op heden geldt voor geprivatiseerde instellingen met een B3-status een verplichte ABP-aansluiting. Cultuurconnectie is al enige tijd in overleg met het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds/ABP om de overgangssom naar het PFZW voor geprivatiseerde/te privatiseren instellingen omlaag te brengen. Hoewel het nog niet gelukt is de pensioenfondsen een convenant te laten sluiten zijn er wel andere oplossingen gevonden om instellingen onder de B3-status vandaan te halen zonder hoge kosten. Voor meer informatie verwijzen we u naar Cultuurconnectie. Belangrijkste sociale premies * Zorgverzekeringswet * 2015 In 2015 is de premie Zorgverzekeringswet wederom gedaald tot 6,95% en is de grondslag gestegen naar maximaal € 51.976,-. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 26/34 * 2016 In 2016 is de werkgeversheffing voor de premie Zorgverzekeringswet gedaald naar 6,75% en is de grondslag (maximumbijdrage-inkomen) gestegen naar maximaal € 52.763,-.

* 2017 In 2017 is de werkgeversheffing voor de premie Zorgverzekeringswet gedaald naar 6,65% en is de grondslag (maximumbijdrage-inkomen) gestegen naar € 53.701,-. * Overige premies Voor de bepaling van de hoogte van de sociale lasten (premies werknemersverzekeringen) in 2015, 2016 en 2017 kan de onderstaande UWV-tabel voor de sector kunsteducatie gevolgd worden. Premies werknemers- verzekeringen Fonds 2015 2016 2017 Awf Algemeen werkloosheidsfonds (WW-premie) 2,07% 2,48% 2,64% Sfn Sectorfondsen (premie obv indeling in sector 35) 2,05% 1,72% 0,94% Whk Werkhervattingskas (werkelij- ke hoogte oa afhankelijk van grootte onderneming) 1,10% (rekenpremie) 1,10% (rekenpremie) 1,10% (rekenpremie) Aof Arbeidsongeschikt-heidsfonds 5,25% 5,91% 6,03% Zvw Zorgverzekeringswet 6,95% 6,75% 6,65% Premie scholing en mobiliteit Instellingen in de kunsteducatie droegen 0,9% van hun Sv-loon af ten behoeve van het opleidingsfonds SFKV. Deze premieverplichting is vanaf 2013 beëindigd. Vanaf 2013 werd een premie van 0,9% van de bruto-loonsom (deze ligt circa 10% hoger dan het voorheen gehanteerde Sv-loon) afgedragen ten behoeve van mobiliteit (werk-naar-werk-trajecten). Een deel van de kosten voor opleidingen moest dus weer door instellingen zelf bekostigd worden.

En vanaf juli 2015 is er weer een andere situatie: werkgevers betalen een jaarlijks opleidingsbudget van 0,5% van het bruto jaarsalaris met een minimum van € 250,- per werknemer. Voor de werkgevers blijft er ook nog een bijdrage van 0,4% aan het mobili- teitsfonds. Samen 0,9% van de bruto-loonsom. 4.3. T er vergelijking De private sector kunsteducatie wordt gefinancierd vanuit de algemene uitkering van het Gemeente- fonds. Met het oog hierop verwijst de recente meicirculaire Gemeentefonds in het kader van het accres op blad 40 naar de mutaties in de overheidsconsumptie met een verwachte loonstijging in 2018 van 2,4%. De cijfers van het Centraal Planbureau die op 14 juni jl. verschenen zijn, schatten de stijging binnen de consumentenprijsindex c.q. de inflatie voor 2018 op 1,4% en de stijging van het contractloon in de marktsector op 2,0%. Publ ieke Cao Kunsteducatie Per 1 januari 2009 heeft de CAR-UWO een specifiek hoofdstuk over kunstzinnige vorming: 19b, Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling voor kunsteducatie. Gemeenten zijn verplicht om dit toe te passen. Dat betekent dat de rechtspositie voor onderwijzend personeel (docenten, consulenten en balletbegeleiders) in alle publieke instellingen voor kunsteducatie in Nederland in principe gelijk is.

Niet-onderwijzend personeel binnen publieke instellingen valt onder de algemene werkingssfeer van de CAR-UWO. Naast de Cao-loonstijgingen die voor de hele sector Gemeenten wordt overeengekomen is er voor het onderwijzend personeel in de kunsteducatie in het verleden een aantal specifieke loonmaatregelen Vereniging van Nederlandse Gemeenten 27/34 afgesproken. In tabel 5 is de loonkostenontwikkeling van deze publieke Cao in de sector Kunsteducatie voor de jaren 2015-2018 weergegeven (zowel het deel dat ziet op Cao-loonstijgingen voor de sector gemeenten als geheel, als de specifieke loonmaatregelen voor het onderwijzend personeel in de kunsteducatie). Anno 2017 bestaan er nog maar enkele publieke centra voor de kunsten/instellingen voor kunstedu- catie. Daarom is de toekomst van de collectieve regelingen in de CAR-UWO, die specifiek voor het onderwijzend personeel zijn opgesteld, onderwerp van gesprek aan de Cao- tafel. Aan de vakbonden is voorgesteld om de publieke centra voor de kunsten/instellingen voor kunsteducatie aan te laten sluiten bij de private Cao Kunsteducatie. De vakbonden hebben dit aanbod afgewezen. Eind 2015 is binnen het LOGA (Landelijk overleg gemeentelijke arbeidsvoorwaarden) een onderzoeksvraag geformuleerd om te onderzoeken voor hoeveel publieke centra voor de kunsten/instellingen voor kunsteducatie de CAR-UWO nog van toepassing is.

Tot medio 2017 is hierover nog geen duidelijkheid gekomen. De uitkomst van dit onderzoek zal een handvat zijn om de toekomst van hoofdstuk 19b CAR-UWO te bepalen. De CAR-UWO is niet alleen van toepassing op publieke muziekscholen en publieke centra voor de kunsten/instellingen voor kunsteducatie, maar vaak ook op zogeheten B3-instellingen. Dit zijn over het algemeen stichtingen, die vroeger publiek waren en waarvan het personeel nog gebruik maakt van de ABP-pensioenregeling. Voor nadere informatie wordt verwezen naar de Ledenbrief ‘Financiering hervorming rechtspositieregeling Kunsteducatie’ van 6 november 2008 (Lbr. 08/181). 4.4. Cao loonkostenontwikkel ingen publieke Cao Tabel 5.

Ontwikkeling loonkosten publieke Cao sector Kunsteducatie 2015-2018 2015 2016 2017 2018 Sector gemeenten - Loonstijging 1 oktober 2014 (1%) 0,75% - Loonstijging 1 april 2015 (€ 50 pm/+€ 600 pj) € 450 € 150 - Eenmalige uitkering 1 oktober 2015 0,74%* - Loonstijging 1 januari 2016 (terugwerkende kracht) 3,00%* - Loonstijging 1 januari 2017 (0,4%) 0,40% - Loonstijging 1 augustus 2017 (1%) 0,42% 0,58% - Verhoging IKB (voormalige EJU-deel) 1 december 2017 (0,50%) 0,04%** 0,46%** - Loonstijging 1 januari 2018 (1,50%) 1,50% - Verhoging IKB (voormalige EJU-deel) - 1 juli 2018 (0,25%) 0,125%** 0,125%** Geen extra maatregel voor onderwijzend personeel in de kunsteducatie Totaal 0,75% 3,00%* 0,82% 2,08% +0,74%* +0,165%** +0,585%** +€450 pfte +€ 150 pfte * Wordt bekostigd uit de verlaging van de pensioenpremie alsmede het uitstellen van de herstelopslag van 1 januari naar 1 april 2016. ** Verhoging van het voormalige eindejaarsuitkerings/EJU-deel van het Individuele Keuzebudget/ IKB wordt per maand opgebouwd en kost minder dan een reguliere salarisverhoging. De 0,5% verhoging van het IKB per 1 december 2017 telt in dat jaar voor 1/12e mee en in 2018 voor 11/12e. De 0,25% verhoging van het IKB per 1 juli 2018 telt in dat jaar voor 6/12e mee. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 28/34 Toelichting: * Ontwikkelingen 2015 De salarisverhoging van 1% per 1 oktober 2014 drukt voor 0,75% op 2015.

Er is per 1 april 2015 een nominale loonsverhoging van € 50 per maand in de salarisschalen van de CAR/UWO voor medewerkers met een voltijdsbetrekking. Deeltijdmedewerkers krijgen deze naar rato. Dit kan niet uitgedrukt worden in een vast jaarpercentage, omdat de procentuele vertaling van € 50,- extra per maand per salarisschaal verschilt. In juli 2015 is er een aanvullende Loonruimte-overeenkomst publieke sector 2015-2016 gekomen ter uitvoering van het pensioenakkoord tussen overheidswerkgevers en vakcentrales van eind 2014. Door een wijziging van de fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw is het werkgevers- en werknemersdeel van de pensioenpremie per 2015 verlaagd. De daling van de pensioenpremie levert voor 0,74% loonruimte op, die leidt tot een eenmalige uitkering in oktober 2015. * Ontwikkelingen 2016-2018 Er is in de Loonruimte-overeenkomst publieke sector 2015-2016 een loonstijging afgesproken van aanvankelijk 1,4% per 2016. Deze kan worden bekostigd uit de daling van de werkgeverspremie voor het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, die vanaf dit jaar niet meer de loonindex maar de prijsindex volgt. De wijziging van de fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw en de daarmee gepaard gaande daling van de pensioenpremie levert ook in 2016 voor 0,74% loonruimte op, die zou leiden tot een eenmalige uitkering in juli 2016.

Afgesproken is dat deze structureel wordt als er dan een nieuwe Cao Gemeenten zou liggen. In april 2016 is er nieuwe Cao Gemeenten gesloten tussen sociale partners die loopt tot 1 mei 2017. In deze Cao zijn de loonruimte van de Loonruimte-overeenkomst en de daling van de pensioenpremie als gevolg van de aanpassing van het Witteveen-kader verwerkt. Er is in de nieuwe Cao Gemeenten 2016-2017 een loonstijging van 3,0% per 1 januari 2016 met terugwerkende kracht. Deze is opgebouwd uit de Loonruimte-overeenkomst van 1,4%, de eenmalige uitkering van 0,74% door oorspronkelijke daling van de pensioenpremie welke structureel is geworden en een additionele plus van 0,86%. Er is voorts een loonstijging afgesproken van 0,4% per 1 januari 2017. Er is per 1 april 2015 een nominale loonsverhoging van € 50 per maand in de salarisschalen van de CAR/UWO voor medewerkers met een voltijdsbetrekking. Deeltijdmedewerkers krijgen deze naar rato. Dit leidt ook in 2016 tot een extra verhoging. Maar het kan niet uitgedrukt worden in een vast jaarper- centage, omdat de procentuele vertaling van € 50,- extra per maand per salarisschaal verschilt. Per 1 januari 2017 is het Individueel Keuzebudget/IKB geïntroduceerd. Dit bestaat uit de volgende reeds bestaande elementen: vakantietoelage, eindejaarsuitkering, levensloopregeling en bovenwet- telijke vakantie/verlof-uren.

Het wordt per maand berekend en betekent 16,3% van het maandsalaris. Werknemers kunnen het besteden aan: uitbetaling, opleiding, extra verlofuren maximaal 144 uur per fte per jaar en specifieke gemeentelijke afspraken. Voor de werkenden in de kunsteducatie kan het zijn dat de werkgever aan hen een verplichte periode vakantieverlof oplegt, omdat zij tijdens schoolvakanties geen werkzaamheden kunnen verrichten. Zij hebben in die situatie recht op meer vakantieverlof dan andere gemeenteambtenaren, want zij moeten immers ook meer vakantieverlof opnemen om de aangewezen vrije periode (meestal 12 weken per cursusjaar) te kunnen overbruggen. Een van de bronnen van het nieuwe IKB is de financiële tegenwaar- de van 14,4 bovenwettelijke vakantie/verlof-uren. Voor medewerkers in de kunsteducatie, voor wie een verplichte vrije periode geldt, is deze bron uitgezonderd van het IKB. Zij houden dus het recht op vakantieverlof, maar er wordt aan hun IKB. geen 0,8% van het salaris toegevoegd als bron. Inmiddels is er in juli 2017 een onderhandelaarsakkoord bereikt over een nieuwe Cao gemeenten, die loopt van 1 mei 2017 tot 1 januari 2019. Er is hierin een loonstijging overeengekomen van 1% per 1 augustus 2017 en 1,5% per 1 januari 2018.

Bovendien zal er per 1 december 2017 een verhoging van 0,5% en per 1 juli 2018 een verhoging van 0,25% van het pensioengevende deel van het Individueel Keuzebudget (IKB), onderdeel voormalige eindejaarsuitkering, plaatsvinden. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 29/34 4.5. Overige loonkostenger elateerde ontwikkelingen publieke Cao Pensioenpremies Pensioenpremie wordt berekend over de pensioengrondslag, dit is salaris min franchise. Bij publieke instellingen voor kunsteducatie is de premielast voor het ouderdomspensioen per 1 januari 2014 21,6% waarvan 14,21% ten laste van de werkgevers en 7,39% ten laste van de werknemers. De franchise is in 2014 € 11.150,-. In 2015 is er zoals gemeld een daling van de pensioenpremielast voor het ouderdomspensioen tot 19,6% waarvan 13,3% ten laste van de werkgevers en 6,27% ten laste van de werknemers komt. De franchise is in 2015 gestegen naar € 12.650,-.Per 1 januari 2016 is de pensioenpremielast gedaald tot 17,8%, waarvan 12,46% ten laste van de werkgever komt en 5.34% ten laste van de werknemer komt. De franchise is in 2016 gestegen naar €13.000,-. Per 1 april 2016 heeft het ABP echter een herstelopslag ingevoerd. Vanaf die datum is de pensioenpre- mielast gestegen naar 18,8%, waarvan 13,16% ten laste komt van de werkgever en 5,64% ten laste van de werknemer.

Per 1 januari 2017 is de pensioenpremie voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen gestegen naar 21,1%, waarvan 14,77% ten laste van de werkgever komt en 6,33% voor rekening van de werknemer. De VPL/FPU-premie is per 1 januari 2014 volledig een werkgeverspremie geworden. De premiehoogte is 4%. Per 1 januari 2015 is de VPL-premie gedaald naar 3%, wederom volledig ten laste van de werkgever. Op 1 juli 2015 is er wederom een daling van de premie naar 2,6%. Ook in dat jaar komt de VPL-premie geheel ten laste van de werkgever. Per 1 januari 2016 daalt de VPL-premie opnieuw naar 2,3%, welke geheel ten laste van de werkgever komt. Per 1 januari 2017 is de VPL-premie gestegen naar 2,6%. Deze premie komt geheel ten laste van de werkgever. In 2014 is de premie arbeidsongeschiktheid gedaald met 0,1% naar 0,3%. Hiervan is 0,225% ten laste van de werkgevers en 0,075% ten laste van de werknemers. De franchise is gestegen naar € 19.250,-. De arbeidsongeschiktheidspremie is per 1 januari 2015 0,4% en dus weer op het niveau van 2013 gekomen. 0,1% komt ten laste van de werknemers en 0,3% betalen de werkgevers. De franchise is in 2015 gestegen naar € 19.450,-. In 2016 is de arbeidsongeschiktheidspremie gestegen naar 0,50%, waarvan 0,35% ten laste van werkgever komt en 0,15% ten laste van de werknemer. De franchise is in 2016 gestegen naar € 19.750,-.

In 2017 zijn hoogte en verdeling van de arbeidsongeschiktheidspremie ongewijzigd. De franchise is dit jaar omhoog gegaan naar € 20.100,-. Belangrijkste sociale premies De premie Zorgverzekeringswet was in 2014 7,5% ten laste van de werkgever (een daling van 0,25%). De grondslag is inkomensafhankelijk en is gestegen naar maximaal € 51.414,-. In 2015 is de premie ZVW gedaald naar 6,95%.De grondslag is gestegen naar € 51.976,-. In 2016 is de premie ZVW gedaald naar 6,75%, De grondslag is wederom gestegen naar een maximum van € 52.763,-. In 2017 is de premie ZVW gedaald naar 6,65%. De grondslag stijgt wederom fors naar een maximum van € 53.701,-. De basispremie voor de WAO/WIA bedroeg in 2014 4,95%. In 2015 is deze gestegen naar 5,25%. In 2016 is de basispremie weer gestegen naar 5,88% en in 2017 naar 6,16%. De gedifferentieerde premie is afhankelijk van de instroom in de WAO/WIA en verschilt dus per organisatie. De premie van de Ziektewet (vangnetregeling) voor overheden gaat via het Uitvoeringsfonds voor de overheid oftewel Ufo-premie. De Ufo-premie was in 2014 1,28% inclusief 0,5% opslag kinderopvang. In 2015, 2016 en 2017 is deze Ufo-premie op hetzelfde niveau gebleven. Werkgevers in de publieke CAO Kunsteducatie zijn eigenrisicodragend voor de WW. Zij kunnen bij de werknemer pseudo WW-premie inhouden. In 2014, 2015, 2016 en 2017 is de pseudo WW-premie nihil.

Sociale partners zijn in de Cao-afspraak 2016-2017 overeengekomen dat de door de Wet werk en zeker- heid ingegeven verkorting van de WW van 38 maanden naar 24 maanden in 2019 qua opbouw en duur wordt gerepareerd binnen de CAR-UWO. Deze afspraak wordt gefinancierd met een werknemerspremie die de werkgever kan inhouden op het salaris voor loonheffingen. Van de uitwerking, de hoogte van de werknemerspremie en inwerkingtreding van deze afspraak worden de gemeentelijke werkgevers per LOGA-brief in 2017 nader geïnformeerd. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 30/34 5. Ontwikkel ing Gemeentefonds 5.1 Accr es De ontwikkeling van het nominaal accres voor de jaren 2015 tot en met 2018 conform de normerings- systematiek (“trap op, trap af”) is als volgt: Tabel 6. Ontwikkeling nominaal accres Gemeentefonds 2015-2018 (groei in procenten) 2015 2016 2017 2018 meicir culaire 2015 -1,18% 4,17% -0,32% 0,62% septembercirculaire 2015 -0,83% 4,15% -0,21% 1,44% meicirculaire 2016 -0,54% 3,40% 0,43% 1,28% septembercirculaire 2016 - 3,96% 1,13% 2,59% meicirculaire 2017 - 4,25% 1,54% 4,02% De nominale accressen uit de tabel moeten voor twee zaken gecorrigeerd worden voordat het iets zegt over de koopkracht van gemeenten. Zij moeten daarbij in elk geval rekening houden met: - De stijging van de lonen en de prijzen. Elke gemeente heeft daa rvoor haar eigen maat.

Maar in de Gemeentefondscirculaires wordt rekening gehouden met de prijs Bruto Binnenlands Product. Voor 2015, 2016, 2017 en 2018 is de geraamde ontwikkeling van deze pBBP respectievelijk 0,1%, 1%, 1,2% en 1,5%. - De weglek van een deel van het accr es naar de groeiende gemeenten (ca. 0,5%). De accresramingen laten vanaf 2016 tot en met 2018 een positief beeld zien. Dat geldt thans ook voor 2019 en 2020: de accresramingen voor die jaren zijn respectievelijk 3,07% en 2,44%. Daarbij dient aangetekend te worden dat ruim tweederde van de accresontwikkeling verklaard wordt door een hogere loon- en prijsontwikkeling in de rijksbegroting als gevolg van een hogere inflatie. In de Miljoe- nennota 2017 werd voor het jaar 2017 uitgegaan van een inflatie van 0,6%, maar bij het verschijnen van de meicirculaire 2017 is ervan uitgegaan dat de inflatie dit jaar 1,6% is (en in 2018 1,4%). Ook de verwachte loonontwikkeling in de marktsector is volgens de meicirculaire relevant, deze is opgelopen, voor 2017 met 0,2%-punt en voor 2018 met 0,8%-punt tot in totaal 2,0%. Daarnaast zijn er per 2015 enkele uitnamen uit het Gemeentefonds geweest en zijn er sindsdien de drie decentralisaties in het sociaal domein inclusief efficiency-kortingen. Op 6 juli jl. is de nieuwe Gemeentelijk Monitor Sociaal Domein gepubliceerd op www.waarstaatjegemeente.nl. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 31/34 6.

V ergelijking verschillende Cao-loonkostenontwikkelingen en Gemeentefonds Tabel 7 biedt voor de jaren 2015-2018 een overzicht van de gevolgen van de Cao-afspraken voor de loonkosten zoals die de afgelopen jaren in de drie sectoren zijn gerealiseerd, aangevuld met gegevens over de loonkostenontwikkeling bij de gemeenten. Ook is er een vergelijking met het accres in het Gemeentefonds. De ontwikkeling van de premies is niet in het overzicht meegenomen. Tabel 7. Overzicht Cao-loonkostenontwikkelingen en Gemeentefonds 2015-2018 Cao Welzijn & Maatschap- pelijke Dienst- verlening Cao Jeugd- zorg Cao Openbare Biblio- theken Cao Private Kunst- educatie Cao Publieke Kunst- educatie Cao Gemeenten Accres Gemeente- fonds 2015 + 3,23% + 0,66%* + 1,75%** + € 275 per fte + 1,38%*** + 0,75% + 0,74%**** + € 450 per fte + 0,75% + 0,74%**** + € 450 per fte - 0,54% 2016 + 1,08% + 1,85% + 1,80%** - € 275,- per fte + 0,62%*** + 3,00% **** + € 150 per fte + 3,00% **** + € 150 per fte + 4,25%***** 2017 + 0,75% + 1,48% + 1,75%** + 1,25%*** + 0,82% + 0,165% IKB verhog. + 0,82% + 0,165% IKB verhog. + 1,54%***** 2018 + 1,83% + 1,18% + 1,75%** + 1,38%*** + 2,08% + 0,585% IKB verhog. + 2,08% + 0,585% IKB verhog. + 4,02%***** Ter vergelijking. Bij de mutaties in de overheidsconsumptie is er in 2018 volgens de meicirculaire Gemeentefonds en het Centraal Planbureau (CPB) een verwachte loonstijging van 2,4%.

De CPB-cijfers die op 14 juni jl. verschenen zijn, schatten de stijging van het contractloon in de marktsector op 2,0%. Voor de integratie-uitkeringen Sociaal domein en Wmo is er in de meicirculaire sprake van loon- en prijsbijstelling conform de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA), deze wordt voor 2018 thans geraamd op 2,0% (plus 0,5% incidenteel en 0,08 mutaties sociale premies). * Veel gemeenten zijn pas per 2015 gestart met subsidies/bekostiging. ** 0,25% hiervan wordt bekostigd uit de verlaging van de pensioenpremie en de afschaffing van de VPL-regeling in 2015. *** Afdracht aan mobiliteitsfonds ipv SFKV per 2013 ad 0,9% loonsom leidt tot 0,09% verhoging. Vanaf juli 2015 wordt dit gewijzigd in een jaarlijks opleidingsbudget van 0,5% van het jaarsalaris. Plus 0,4% afdracht aan mobiliteitsfonds. Samen bestaande percentage van 0,9% bruto-loonsom. **** Wordt bekostigd uit de verlaging van de pensioenpremie alsmede het uitstellen van de herstelop- slag van 1 januari naar 1 april 2016. ***** Voorlopige percentages. Een historisch overzicht over de jaren 2002 tot en met 2015 treft u aan in de ledenbrief van 22 juli 2015 (Lbr.15/061).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten 32/34 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 33/34 II W ijziging subsidies/ bekostiging welzijn en cultuur Inleiding In onze ledenbrief ‘Indexering en wijziging subsidies welzijn en cultuur’ van 4 juli 2011 (Lbr. 11/045) hebben wij als algemene achtergrond een uitgebreide toelichting gegeven hoe als gemeente te handelen bij subsi- dievermindering met personele gevolgen. Er is geen algemene verplichting voor lokale overheden om daaruit voortvloeiende kosten te vergoeden. Maar van belang is dat het Cao’s betreft met bepalingen afgeleid van overheidspersoneel. En u moet nagaan of u zich juridisch gebonden heeft, hoe u in het verleden met soortgelijke situaties bent omgegaan alsook of u gesubsidieerde/bekostigde instellingen hebt toegestaan om reserves te vormen. In latere ledenbrieven over de Cao’s binnen welzijn en cultuur hebben wij deze kwestie opnieuw aangestipt en door Cao-partijen aangedragen goede gemeentelijke voorbeelden geschetst. Per 1 juli 2015 hebben de werkgevers op basis van de Wet werk en zekerheid een grote verantwoordelijkheid gekregen om werknemers bij ontslag te begeleiden van werk naar werk onder andere met behulp van een transitievergoeding. Een sociaal plan hoort daar bij.

Indien u bezuinigt op gesubsidieerde/bekostigde instel- lingen met als gevolg ontslag van personeel dan dient u zich goed rekenschap te geven van de wettelijke verplichtingen die dit voor de betrokken instellingen met zich meebrengt. Daarnaast zijn er Cao-bepalingen die in dat geval voor hen gelden. Overigens heeft de genoemde wet in de Cao-sectoren binnen welzijn en cultuur al meteen geleid tot de nodige veranderingen bij de begeleiding van en financiële tegemoetkoming aan werknemers die ontslagen moeten worden. 1. Cao W elzijnswerk en Maatschappelijke Dienstverlening Zoals gemeld betreft een belangrijk onderdeel van de actuele Cao-afspraken voor de branche W&MD per 1 juli 2015 de bevordering van individuele duurzame inzetbaarheid van medewerkers. Dit heeft geleid tot de introductie van een loopbaanbudget voor werknemers. In ruil daarvoor zijn de bestaande aanspraken in geval van ontslag (grotendeels) afgeschaft zoals wachtgeld of bovenwettelijke WW-uitkeringen. Deze bestaan nog wel voor werknemers geboren voor 1 januari 1954 bij kleine instellingen tot 25 werknemers plus voor ontslag- procedures daterend voor 1 juli 2015. In plaats hiervan komt de transitievergoeding op basis van de Wet werk en zekerheid en het loopbaanbudget.

Dit laatste moet ervoor zorgen dat werknemers al gedurende hun dienstverband investeren in hun eigen duurzame inzetbaarheid in plaats het ontvangen van een aanvulling op de WW na ontslag. Bij ontslag van meer dan 10% van de werknemers of minimaal 5 fte is het de bedoeling dat de werkgever samen met de bij de Cao betrokken landelijke vakorganisatie een sociaal plan maakt en dat hij/zij tevens een uitvoeringsplan opstelt. Daarin kunnen op lokaal niveau aanvullende afspraken worden gemaakt bovenop de transitievergoeding en het loopbaanbudget. Meer informatie: https://www.sociaalwerknederland.nl/index.php/thema/cao-juridische-zaken/nieuws/5716-cao-akkoord-soci- aal-werk-is-definitief en https://www.fcb.nl/caos/cao-welzijn-maatschappelijke-dienstverlening/dossier-het-loopbaanbudget 2. Cao Jeugdzor g Per 1 mei 2016 is voor nieuwe ontslagen de wachtgeldregeling vervangen door de wettelijke transitievergoe- ding. Er kan € 4.000,- meer gegeven worden ten behoeve van mobiliteit en scholing. En er is een overgangs- regeling voor op de ingangsdatum lopende kwesties. Voorts is er sprake van een jaarlijks loopbaanbudget. Jeugdzorgwerkers die als gevolg van reorganisaties door de nieuwe Jeugdwet per 2015 zijn ontslagen, hebben recht op vijf jaar wachtgeld. Ze vallen onder Wachtgeldregeling 1 van de Cao Jeugdzorg, waarvan sprake is bij bezuinigingen door het Rijk.

Dat is de uitspraak van de Hoge Raad op 21 april 2017 na een vraag van de Kantonrechter over deze Cao-bepaling. De FNV heeft in haar juridische procedure een vergelijking gemaakt met de Wmo-bezuinigingen, die het Rijk per 2015 op gemeenten heeft toegepast. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 34/34 Meer informatie: https://www.jeugdzorgnederland.nl/wp-content/uploads/2017/03/cao-tekst_jeugdzorg_2017-2019_5-7-17-2. pdf 3. Cao Openbar e Bibliotheken Per november 2010 geldt een nieuw sociaal plan. Een boventallige werknemer heeft bij ontslag de keuze om deel te nemen aan een mobiliteitsplan ter begeleiding naar ander werk. Hij behoudt 5 maanden salaris voor sollicitaties e.d., per 1 juli 2015 is dit veranderd in een in onderling overleg te bepalen aantal maanden. Daarnaast krijgt hij een persoonlijk budget, wat per 1 juli 2015 is vervangen door een transitievergoeding conform de Wet werk en zekerheid. Indien een werknemer voor zichzelf niet snel mogelijkheden elders ziet, dan volgt een vaststellingsovereenkomst. Per november 2010 zijn de Wachtgeldregeling en de Regeling eenmalige uitkering bij ontslag vervallen. Voor oude afspraken geldt het oude sociaal plan. Meer informatie: http://www.debibliotheken.nl/fileadmin/documenten/werkgeverszaken/2015-2019_cao-ob_15.00080a- NvW_vob.pdf 4.

Cao private Kunsteducat ie Met ingang van 1 juli 2015 komen bij ontslag de suppletieregeling en de bovenwettelijke uitkering uit de Cao te vervallen. In plaats daarvan geldt de transitievergoeding uit de Wet werk en zekerheid. Er is een uitzondering voor personeel met een klein dienstverband dat daardoor geen recht heeft op WW. En personeel dat tot 9 jaar in dienst is geweest ontvangt een transitievergoeding gedurende 2 jaar extra. Indien men 9 jaar of meer in dienst is dan is dat 1 jaar extra. Bij ontslagprocedures lopend per 1 juli 2015 gelden nog wel de oude rechten. Het opleidingsfonds SFKV is per 1 mei 2013 opgeheven en voor het vervangende mobiliteits-fonds zou datzelfde gelden per 1 juli 2015. Maar inmiddels is besloten dat werkgevers 0,4% van de bruto-loonsom daaraan blijven bijdragen. Werknemers krijgen nu tevens 0,5% van hun bruto jaarsalaris als scholingsbudget voor toekomstgericht opleiden (met een minimum van € 250,-). Meer informatie: https://www.cultuurconnectie.nl/clientdata/downloads/integrale-cao-kunsteduca- tie-2017-2018-1612-0910-v1-1.pdf 5. B3-instel lingen Gesubsidieerde instellingen zijn er in vele soorten en maten.

Als zij de zogeheten B3-status hebben, wat onder andere een verplichte aansluiting bij het ABP betekent, worden zij beschouwd als “overheidswerkge- ver” en geldt voor hen hetzelfde als voor “reguliere” overheidswerkgevers (Rijk, gemeenten, provincies etc). Sinds 2001 is voor overheidspersoneel de Werkloosheidswet van kracht. Dat houdt in dat overheidsme- dewerkers bij werkloosheid een WW-uitkering ontvangen. Anders dan in de private sector, zijn over- heidswerkgevers dus ook B3-instellingen hiervoor eigen-risico-drager. Zij betalen de uitkering zelf. Daar tegenover staat dat zij geen WW-premie afdragen. Het werknemersdeel van de WW-premie (de pseudo WW-premie) mogen overheidswerkgevers in eigen zak houden. Daarmee kunnen ze dus in principe een reserve opbouwen, waaruit voorkomende WW-uitkeringen betaald kunnen worden tenzij de gemeentelijke subsidie-methode geen mogelijkheden daarvoor biedt. Voor gemeenten geldt daarnaast dat er een bovenwettelijke werkloosheidsvoorziening (BWW) is. Die voorziening bestaat, in een beperkt aantal gevallen, uit een aanvulling op de WW en een uitkering na afloop van de WW. Of deze bovenwettelijke werkloosheidsvoorziening ook voor de gesubsidieerde B3-instellingen geldt, is afhankelijk van de rechtspositieregeling van die instelling. Is dat de CAR-UWO, dan is de gemeentelijke voorziening ook op hen van toepassing.

Is dat een andere Cao, dan moet naar de desbetreffende arbeidsvoorwaarden gekeken worden. Bovenstaande maakt dat de frictiekosten van dergelijke instellingen zeer hoog kunnen zijn en een vicieuze cirkel kunnen veroorzaken indien deze niet door de gemeente vergoed worden. In veel gevallen is de lokale overheid immers (mede) veroorzaker van deze kosten. Er zijn ondertussen in diverse gevallen tussen de gemeenten en de betrokken instellingen oplossingen gevonden voor deze problematiek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/e34085f9-d424-4b16-a2c9-84dcb7797a78?agendaItemId=8504a287-19c7-438a-8537-768d625aaecd