9.0 VNG - Indexering wijziging subsidies bekostiging welzijn en cultuur.pdf
Tekst van het document
U201700562 PROD Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl Samenvatting In verband met de indexering van uw subsidies/bekostiging informeren wij u over de ontwikkeling van de loonkosten in de Cao-sectoren Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening, Jeugdzorg, Openbare Bibliotheken plus Kunsteducatie. Ook vermelden wij actualiteiten in wetgeving en kwaliteitscertificering, die kosten- en personeelsgerelateerd zijn, en de Cao- bepalingen die gelden bij gemeentelijke bezuinigingen. Tevens tonen wij de looncompensatie die u als gemeente voor de diverse beleidsonderdelen ontvangt. Het Cao-verloop is als volgt: In de sector Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening (per medio 2017 Sociaal Werk geheten) is er een definitief Cao-akkoord tot 1 juli 2019. In 2015 gaat het om 3,23%, in 2016 om 1,08% en in 2017 om 0,75% verhoging. Voor 2018 betreft het een stijging van 1,83%. In de sector Jeugdzorg is er een definitief Cao-akkoord tot 1 april 2019. In 2015 betreft het 0,66%, in 2016 1,85% en in 2017 1,48% verhoging. Voor 2018 is er een stijging van 1,18%. In de sector Openbare Bibliotheken is er een definitief Cao-akkoord tot 1 juli 2019. In 2015 was er een stijging van 1,75% plus eenmalig € 275,- per fte. In 2016 gaat het om 1,80%. In 2017 en 2018 is de jaarlijkse stijging 1,75%.
In 2015-2018 wordt per jaar 0,25% bekostigd uit pensioenpremieverlaging vanwege afschaffing vroegpensioen-regeling/VPL. In de private sector Kunsteducatie is er een definitief Cao-akkoord tot 1 januari 2019. De loonstijging in 2015 is 1,38%, in 2016 0,62% en in 2017 1,25%. Voor 2018 gaat het om 1,38% verhoging. In 2015 is de werkgeversbijdrage voor scholing en mobiliteit vernieuwd tot 0,9% van het jaarsalaris (minimaal € 250,- per werknemer). In de publieke sector Kunsteducatie is er een onderhandelaarsakkoord tot 1 januari 2019. Een structurele salarisstijging betekent in 2015 € 450,- en in 2016 € 150,- meer per fte. Daarnaast gaat het in 2015 om 0,75% extra. Verhogingen in 2015 ad eenmalig 0,74% en in Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad Datum 27 juli 2017 Ons kenmerk ECSD/U201700562 Lbr. 17/040 Telefoon (070) 373 8393 Bijlage(n) - Onderwerp Indexering/wijziging subsidies/bekostiging welzijn en cultuur 2015-2018 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2/34 2016 ad structureel 3% worden bekostigd door pensioenpremieverlaging. Verder gaat het in 2017 om 0,82% en in 2018 om 2,08% extra. Daarnaast is er een stijging van het Individueel Keuzebudget met maximaal 0,165% ten laste van 2017 en 0,585% ten laste van 2018. Er zijn verder elk jaar fluctuaties in de pensioen- en sociale premies, die per sector kunnen verschillen en die wij in deze brief belichten.
Ook geldt dat elke werkgever jaarlijks te maken heeft met incidentele loonkostenontwikkeling, deze is gemiddeld 0,75% tot 1%. U201700562 PROD Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl Geacht college en gemeenteraad, Met deze ledenbrief informeren wij u over de ontwikkeling van de loonkosten in de vier Cao- sectoren Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening (vanaf medio 2017 Sociaal Werk geheten), Jeugdzorg, Openbare Bibliotheken plus Kunsteducatie. Het gaat in de brief om de loonkostenontwikkeling in de jaren 2016 en 2017 met een terugblik op 2015, ook vanwege een mogelijke doorloop naar 2016, en een vooruitblik op 2018. Dit alles is door ons voorbereid met de betrokken werkgeversverenigingen: Sociaal Werk Nederland, Jeugdzorg Nederland, de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en Cultuurconnectie. Ook de VNG-teams Arbeidszaken en Financiën waren hierbij betrokken. Wij belichten tevens andere loonkostengerelateerde kosten, zoals de ontwikkeling van de pensioenpremies en sociale premies. Naast de verandering van de Cao-loonkosten kunnen gemeenten immers ook de premieontwikkeling en de incidentele loonkostenontwikkeling bij hun beslissing over de subsidie of bekostiging betrekken.
Gelet op de huidige financiële heroverwegingen op gemeentelijk niveau behandelen wij in deze brief ook actuele aspecten van wetgeving en certificering, die een relatie hebben met personeel en kosten. En we werpen een blik op de gemeentefinanciën c.q. de door uw gemeente ontvangen looncompensatie en het accres van het Gemeentefonds. In het tweede deel van de brief staan aanbevelingen hoe u correct kunt handelen bij bezuinigingen. Wij benadrukken dat de genoemde loonkostenontwikkelingen slechts een informatief karakter hebben. De gepresenteerde cijfers kunnen behulpzaam zijn bij de bepaling van de hoogte van de subsidies aan instellingen in de genoemde sectoren. U kunt ze ook gebruiken als u bekostigt op basis van aanbesteding. Voor de volledigheid willen wij bij deze tevens melden dat het in de private sectoren gaat om zelfstandige Cao’s met afspraken tussen werkgevers en werknemers. Aan de leden Datum 27 juli 2017 Ons kenmerk ECSD/U201700562 Lbr. 17/040 Telefoon (070) 373 8393 Bijlage(n) - Onderwerp Indexering/wijziging subsidies/bekostiging welzijn en cultuur 2015-2018 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 4/34 Tot slot Wij vertrouwen erop dat deze ledenbrief u behulpzaam kan zijn bij uw contacten op lokaal niveau met werkgevers en desgewenst ook met werknemers van door u gesubsidieerde of bekostigde instellingen. Hoogachtend, Vereniging van Nederlandse Gemeenten J.
Kriens Algemeen directeur Deze ledenbrief staat ook op www.vng.nl onder brieven. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 5/34 I Indexering subsid ies/ bekostiging welzijn en cultuur Inleiding Sociaal Akkoord Op 11 april 2013 hebben het kabinet en de werkgevers- en werknemersorganisaties een sociaal akkoord gesloten, gevolgd door het begrotingsakkoord van 11 oktober 2013. Belangrijk punt daaruit in relatie tot de thans voorliggende ledenbrief is het laten vervallen van de verplichte nullijn in de salarissen vanaf 2014. Als relevant uitvloeisel van deze akkoorden gelden ook de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 en de Rijksregeling Cofinanciering sectorplannen arbeidsmarkt. Voorts zullen wij de gevolgen van het pensioenakkoord in deze ledenbrief belichten. Wet werk en zekerheid In de Wet werk en zekerheid die per 1 juli 2015 in werking is getreden zijn een aantal aspecten van belang in de relatie tussen de gemeenten en gesubsidieerde instellingen. Het veranderen van de duur van de WW-uitkeringen en de begeleiding van werk naar werk met een transitie-vergoeding. Ook betreft het de bepalingen over de ontslagregels en de tijdelijke contracten. Tijdelijke contracten Hierbij gaat het om de beperking van het aantal tijdelijke contracten (maximaal 3) en de duur ervan (niet langer dan 2 jaar).
Daarna moet de werkgever kiezen voor een vast contract met de werknemer of deze niet langer inzetten. Voorts geldt het volgende: pas als de periode tussen twee contracten voor bepaalde tijd meer dan 6 maanden is wordt dit niet als een voortzetting van de arbeidsovereenkomst gezien (voorheen was dat 3 maanden). Er was tot 1 juli 2016 een overgangsregeling voor per 2015 lopende Cao’s. Ook kan in Cao’s voor bepaalde werkzaamheden worden afgeweken tot een maximum van 6 tijdelijke contracten en een periode van 4 jaar. Bovendien kan het Rijk sectoren aanwijzen die vanwege hun voortbestaan mogen blijven werken met louter tijdelijke contracten. Ontslagregels Over de wijziging van de ontslagregels valt het volgende op te merken: om bedrijfs- economische redenen en bij arbeidsongeschiktheid loopt ontslag via het Uitvoerings- instituut Werknemersverzekeringen (UWV) en in andere gevallen via de kantonrechter. Transitievergoeding Vanaf 1 juli 2015 hebben alle werknemers, die ten minste 2 jaar in dienst zijn geweest en van wie de arbeidsovereenkomst door toedoen van de werkgever wordt beëindigd, recht op een transi- tievergoeding. De vergoeding is bedoeld om de situatie van werk naar werk te vergemakkelijken en is afhankelijk van de duur van een dienstverband: ⅓ maandsalaris per dienstjaar en ½ maandsalaris per dienstjaar dat men langer dan 10 jaar in dienst is geweest.
Het gaat thans om maximaal € 77.000,- of maximaal een jaarsalaris voor mensen die meer verdienen (de Hoge Raad heeft op 30 juni jl. bepaald dat bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten daarvan door de werkgever meer moet worden betaald). Voor 50-plussers en voor kleine bedrijven tot 25 werknemers geldt tot 2020 een overgangsrecht. Ook kon in lopende Cao’s tot 1 juli 2016 van de bepalingen afgeweken worden, terwijl beoogd is dat in Cao’s per 2018 een eigen als redelijk te beschouwen regeling kan worden getroffen bij ontslag om Vereniging van Nederlandse Gemeenten 6/34 bedrijfseconomische redenen. De transitievergoeding geldt niet bij faillissement of uitstel van betaling. Het is mogelijk dat door een wetswijziging de werkgevers per 2019 bij ontslag van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer financieel gecompenseerd worden. Meer informatie: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Brochure “Wet werk en zekerheid: transitievergoeding’, mei 2017 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ontslag/documenten/brochures/2015/06/04/wwz-transitiever- goeding WW-uitkeringen Tot slot zijn per 1 januari 2016 de uitkeringen op basis van de Werkloosheidswet (WW) veranderd. De duur is teruggebracht met 1 kwartaal per maand zodat deze uiteindelijk per 2019 nog maximaal 24 in plaats van 38 maanden is.
De opbouw van WW-rechten verandert eveneens: 1 maand per gewerkt jaar geldt alleen nog in de eerste 10 jaar van het werk, daarna gaat het om ½ maand per gewerkt jaar. De hoogte van de uitkeringen verandert niet. Wel geldt na een half jaar werkloosheid alle arbeid als passend. Als men met een WW-uitkering aan de slag gaat mag men meer inkomsten zelf houden dan voorheen. In Cao’s kunnen partijen afspreken de oorspronkelijke WW-duur te handhaven, ook mogen bovenwettelijke WW-uitkeringen daarin gehandhaafd worden. Voorts is er in de Stichting van de Arbeid op 10 mei 2017 afgesproken dat er een landelijk fonds, Stichting private aanvulling Werkloosheidswet en Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (SPAWW), komt. Hierin wordt via werknemersbijdragen de oorspronkelijke duur van de WW gehandhaafd, in de praktijk veelal het derde WW-jaar genoemd. De concrete afspraken tussen werkgevers en werknemers moeten binnenkort geregeld worden via zogeheten verzamel-Cao’s, gedacht wordt aan maximaal 10. Meer informatie: https://www.spaww.nl/nl-NL/ Sectorplannen In het sociaal akkoord is afgesproken dat er sectorale plannen kunnen komen waarmee werkgevers en werknemers maatregelen nemen om de instroom van jongeren te bevorderen, vakkrachten te behouden en werknemers die hun baan dreigen te verliezen van werk naar werk te begeleiden. Het Rijk zorgt voor cofinanciering.
Er zijn inmiddels ongeveer 100 sectorplannen goedgekeurd. Het ligt in de rede dat deze plannen leiden tot concrete uitvoering op lokaal niveau, waarbij ook u als gemeente betrokken kunt worden. Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening/Jeugdzorg/Kinderopvang Een sectorplan betreft Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening/Jeugdzorg/ Kinderopvang (WJK), waaraan het Rijk € 8,5 miljoen bijdraagt. In de branche Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening hebben ruim 7.500 medewerkers tot april 2016 gebruik gemaakt van één van de subsidieregelingen op het gebied van mobiliteit of loopbaan, voor de helft gefinancierd door het Sectorplan WJK. De daarbij betrokken medewerkers volgden een (om)scholings- of loopbaantraject, voerden een loopbaangesprek of kwamen naar één van de loopbaanevents. Het arbeidsmarktfonds Fonds Collectieve Belangen (FCB) heeft de resultaten van het sectorplan op een rij gezet: https://www.fcb.nl/sites/default/files/factsheet- sectorplan-2014-2016-logos-wmd.pdf Cultuur Het sectorplan cultuur heeft € 2,3 miljoen van het Rijk ontvangen, voor het aanbod aan activiteiten zie www.sectorplancultuur.nl. Het is bijna ten einde, 3.375 personen hebben ervan gebruik gemaakt. Voorts hebben in januari 2016 de Sociaal-Economische Raad (SER) en de Raad voor Cultuur (RvC) de ‘Verkenning arbeidsmarkt culturele sector’ uitgebracht.
Het aantal dienstverbanden blijkt tussen 2009 en 2013 afgenomen met 12,5%, het aantal (noodgedwongen) zelfstandigen is gegroeid met 20% en het aantal tijdelijke (in plaats van vaste) banen is gestegen met 34%. Minister Bussemaker van OCW stelt ter verbetering in de jaren 2016 en 2017 € 2 miljoen beschikbaar voor een brede arbeidsmarktagenda, betere honorering in de beeldende kunst en nieuwe verdienmodellen in diverse sectoren. Voorts blijven de subsidies voor de Stichting Cultuur-Ondernemen gericht op beter ondernemerschap en voor het Servicepunt kunst en cultuur bij de Federatie Cultuur ten behoeve van ontslagen werknemers gehand- haafd. In april 2017 hebben de SER en RvC een vervolgadvies ‘Passie gewaardeerd. Versterking van de arbeidsmarkt in de culturele en creatieve sector’ uitgebracht. Zij zien vier oplossingsrichtingen: vergro- ten verdienvermogen van de sector; verbeteren inkomenszekerheid van de werkenden; bevorderen van scholing en duurzame inzetbaarheid; versterken van de sociale dialoog. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 7/34 Politiek-bestuurlijke financiële afweging Voor de bepaling van de hoogte van de subsidie/bekostiging verdient het naar onze mening aanbeve- ling om lokaal een politiek-bestuurlijke financiële afweging te maken gelet op de loonkostenontwikke- ling in de betrokken sectoren en de ontwikkeling van de gemeentefinanciën c.q. het Gemeentefonds.
Deze afweging heeft dan betrekking op enerzijds de ‘producten en diensten’ die de gemeente haar burgers wil aanbieden en anderzijds op de ‘hoeveelheid activiteiten’ die daarvoor bij de instellingen gesubsidieerd of ingekocht moet worden. Op basis van deze afweging kan een afspraak tussen de gemeente en de (individuele) instelling tot stand komen over het aantal uren dat afgenomen wordt en de subsidie of vergoeding die daarvoor betaald moet worden. Gevolgen van niet-indexeren Gelet op de algemene financiële ontwikkelingen bezuinigen veel gemeenten of hanteren zij de nullijn. In dat geval bestaat de neiging om de gestegen lonen (en prijzen) zeker bij de gesubsidieerde instellingen min of meer stilzwijgend niet te compenseren, dus om geen indexatie op de subsidie toe te passen. Instellingen zijn echter zelf wel verplicht de gemaakte Cao-afspraken na te komen waardoor de loonkos- ten onvermijdelijk toenemen. Derhalve maken wij u attent op het volgende. Wanneer in verschillende jaren de loonkostenontwikkeling niet of niet volledig in de gemeentelijke subsidie of bekostiging is meegenomen heeft dit een belangrijk negatief cumulatief effect op de instelling. Het beoogde voorzie- ningenniveau zal niet meer gehaald kunnen worden of eventuele reserves zullen uitgeput raken. Personeelsbestand relevant i.v.m.
incidentele loonkosten De samenstelling van het personeelsbestand van een individuele instelling kan voor gemeenten relevant zijn bij de bepaling van de hoogte van de subsidie/bekostiging. Deze samenstelling bepaalt bijvoorbeeld in belangrijke mate de incidentele loonkostenontwikkeling: bij een instelling met relatief jong personeel zal deze groter zijn dan bij een organisatie waar relatief veel oudere mensen werken. Hierbij moet in acht genomen worden dat het vanwege de in- en uitstroom van personeel steeds om een momentopname gaat. De ontwikkeling is jaarlijks gemiddeld 0,75% tot 1%. Uitgangspunt kan zijn dat voor de vergoeding van de incidentele loonkostenontwikkeling bij de gesubsidieerde/bekostigde instellingen dezelfde gedragslijn wordt gevolgd als voor het eigen personeel van de gemeente. Te behandelen en andere Cao’s Deze ledenbrief betreft de gemeentelijke Cao en vier Cao’s die voorheen vielen onder de wettelijke bevoegdheid van het Rijk, maar waarbij de bekostiging naar de gemeenten is overgedragen. Het betreft Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening; Jeugdzorg; Openbare Bibliotheken; Kunsteducatie. Mede door de decentralisaties in het sociaal domein hebben de gemeenten per 2015 met steeds meer Cao’s te maken. Hieronder de belangrijkste ontwikkelingen.
Wet maatschappelijke ondersteuning Tot 2015 waren de gemeenten verantwoordelijk voor de volgende functies in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO): sociale samenhang, coördinatie mantelzorg/ vrijwilligerswerk, leefbaarheid en toegankelijkheid. Per 2015 zijn er in het kader van de Wmo meer taken naar gemeenten gedecentraliseerd. De functies begeleiding, dagbesteding, kortdurend verblijf en beschermd wonen worden sindsdien ook tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid gerekend. Lokale overheden krijgen vanaf een jaar na de decentralisatie met loonkostenontwikkelingen bij de door hen bekostigde instel- lingen te maken. Veel van deze voorzieningen werden tot 2015 gefinancierd op basis van de Algemene wet bijzondere ziektekosten. De daarbij geldende Cao’s worden door de uitvoerende instellingen thans nog steeds gehanteerd, het gaat vooral om de Cao’s Verpleeg-/Verzorgingshuizen/Thuiszorg, Gehandi- captenzorg en Geestelijke Gezondheidzorg. Leden van wijkteams hebben vaak verschillende Cao’s. Ook komen er instellingen die producten uit meerdere functies aanbieden. De betrokken brancheorganisa- ties zijn derhalve gestart met het nadenken over een Wmo-brede Cao. Ook wordt er gesproken over een Cao Kindvoorzieningen gelet op de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Jeugdwet Per 2015 is er ook een nieuwe Jeugdwet.
Gemeenten zijn op basis daarvan verantwoordelijk geworden voor een kwantitatief en kwalitatief toereikend pakket aan jeugdhulpvoorzieningen en zij dienen de deskundige toeleiding daarheen te waarborgen. De voorzieningen zijn zeer divers en te onderscheiden in de volgende functies: ondersteuning, begeleiding, persoonlijke verzorging, dagbesteding, ambulante Vereniging van Nederlandse Gemeenten 8/34 hulpverlening, deeltijd-, 12- en 24-uurs verblijfshulp, pleegzorg, behandeling (ambulant, klinisch, intramuraal), forensische zorg, spoedeisende zorg en gesloten jeugdzorg. Daarnaast voorzien de gemeenten in een consultatiefunctie voor beroepskrachten, vervoer naar een locatie voor jeugdhulp en voorzieningen voor ouders (respijtzorg). Per 2018 gaan de Kindertelefoon, Sensoor en het vertrouwens- werk terug naar rijksbekostiging. Lokale overheden dienen als uitvloeisel van een amendement in deze wet bij hun bekostiging rekening te houden met de arbeidsvoorwaarden van de aanbieders jeugdhulp en de uitvoerders kinderbescher- mingsmaatregelen en jeugdreclassering. Bij de laatste twee functies moet het gaan om gecertificeerde instellingen. Het betreft in het kader van de Jeugdwet onder andere de Cao’s Jeugdzorg en Reclasse- ring. De VNG-Modelverordening Jeugdhulp bevat in artikel 12 bepalingen daarover.
De sector heeft eind 2014 een Kwaliteitskader Jeugd gepresenteerd op basis waarvan binnen een termijn van vijf jaar alle professionals zouden moeten worden geregistreerd. Cultuur Bij cultuur kunnen lokaal inmiddels ook meer Cao’s toegepast worden dan we in deze ledenbrief behandelen. Het betreft de Cao’s Nederlandse Podia en Nederlandse Poppodia en - Festivals. De Museum Cao kan ook door lokale musea worden gebruikt. Binnen gemeenten komen er steeds vaker culturele instellingen die meerdere functies vervullen. De Federatie Cultuur, de koepel van werkgeversverenigingen, is derhalve gestart met het denken over een cultuurbrede Cao. De Vereniging van Openbare Bibliotheken en Cultuurconnectie werken momenteel al samen om te komen tot een gezamenlijke Cao. Eerdere ledenbrieven en actuele informatie Eerdere ledenbrieven over dit onderwerp verschenen onder andere op 22 juli 2015 (Lbr.15/061) en 6 juli 2016 (Lbr. 16/055). Voor deze brieven en andere actuele informatie kunt u ook de VNG-site raadplegen, zie met name de beleidsvelden Maatschappelijke Ondersteuning; Jeugd; Cultuur; Arbeidsvoorwaarden en Personeelsbeleid. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 9/34 1.
Sector W elzijn en Maatschappelijke Dienstverlening Ten geleide Als subsidiënt en als opdrachtgever wordt u in de thans voorliggende ledenbrief geïnformeerd over de voor de sector welzijn en maatschappelijke dienstverlening relevante loonkostenontwikkeling. Werkgeversvereniging De werkgeversorganisatie in de branche welzijn en maatschappelijke dienstverlening (W&MD) is Sociaal Werk Nederland, www.sociaalwerknederland.nl. Tot deze branche wordt ook het peuterspeel- zaalwerk gerekend, maar niet de kinderopvang. De SER en de VNG hebben op 16 maart 2016 een verklaring getekend over het oprichten van een Wmo-kamer. Hierin hebben werkgevers, werknemers en gemeenten regelmatig overleg over ontwikkelingen en vernieuwing op het terrein van zorg, welzijn en persoonlijke ondersteuning Wet maatschappelijke ondersteuning Sinds de komst van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) per 1 januari 2007 is de relatie van de gemeente met instellingen in de sector Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening veranderd. Bij een deel is sprake van een inkoop- in plaats van een subsidierelatie, waarbij de gemeente via een proces van openbare aanbesteding een contract met een instelling sluit. Er blijken meerjarige contrac- ten te worden afgesloten waarin een indexering voor loonkostenontwikkelingen is opgenomen.
Er is op 20 februari 2017 een AMvB ‘houdende regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit in de hulpverlening tussen de cliënt en de hulpverlener’ gepubliceerd voor het onderdeel ‘dienstverlening’ binnen de Wmo. Het betreft dus niet de verstrekking van hulpmid- delen, individuele vervoersvoorzieningen en woningaanpassingen. De AMvB bevat een wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo per 1 juni 2017. Zowel de VNG als de MOgroep/rechtsvoorganger Sociaal Werk Nederland hebben aanvankelijk kritisch op het voorstel gereageerd. Sociaal Werk Nederland meldt thans nadrukkelijk dat dit besluit geen vaste prijs of minimumprijs regelt die voor alle gemeenten gelijk moet zijn (tariefregulering). De regering respecteert de beleidsruimte van gemeenten om lokaal besluiten te nemen over de kaders voor de uitvoering van de Wmo 2015 en vindt om de hier genoemde redenen het bij wet vaststellen van een landelijk minimumtarief onwenselijk. In lijn met het decentrale karakter van de Wmo 2015 ligt de bevoegdheid voor het vaststellen van een reële prijs bij het college van B&W en legt het college ten aanzien van zijn besluitvorming over deze prijs, conform de andere aspecten van de uitvoering van de Wmo 2015, verantwoording af aan de gemeenteraad.
Om deze reden wordt het niveau van de reële kostprijs ook niet in het besluit geregeld. Vanwege de bovengenoemde AMvB moeten gemeenten de Wmo-verordening aanpassen. De gemeen- teraad moet hierin de volgende zaken vastleggen: - Het college stelt een vaste prijs of een r eële prijs vast voor Wmo-diensten, deze prijs is tevens de ondergrens voor een inschrijving in een aanbestedingsprocedure. - De vaste of r eële prijs moet worden vastgesteld overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst, het college moet daarbij rekening houden met de continuïteit van de hulpverlening. - De kostprijselementen waar de vaste of r eële prijs op is gebaseerd. De VNG heeft met het oog daarop op 8 maart jl. de ledenbrief ‘Aanpassing Modelverordening Wmo n.a.v. uitvoeringsbesluit Wmo’ naar u gezonden: https://vng.nl/onderwerpenindex/maatschappelijke-ondersteu- ning/wmo-2015/brieven/aanpassing-modelverordening-wmo-nav-wijziging-uitvoeringsbesluit-wmo De AMvB biedt het college de mogelijkheid om - in plaats van zelf een vaste of reële prijs vast te stellen - de eis aan de inschrijvende partij te stellen een prijs voor de dienst te hanteren gebaseerd op de eisen aan kwaliteit en continuïteit, en daarbij rekening houdend met de in de verordening genoemde kostprijselementen. Het college beslist vervolgens met welke derde (aanbieder) hij een overeenkomst sluit.
Voor bestaande overeenkomsten geldt een overgangstermijn. Bij verlenging van bestaande overeenkomsten moet bekeken worden of de overeenkomst voldoet aan de AMvB. Harmonisat ie peuterspeelzaalwerk en kinderopvang De wetsvoorstellen Harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk plus Innovatie en kwaliteit kinderopvang zijn op 30 mei jl. door de Eerste Kamer aangenomen en treden per 2018 in werking. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 10/34 Hierdoor wordt het peuterspeelzaalwerk onder de definitie van de kinderopvang gebracht en krijgen peuterspeelzalen te maken met dezelfde kwaliteitseisen als kinderdagverblijven. Bijvoorbeeld 2 beroepskrachten op een groep van 16 peuters. Daarnaast is er een aantal nieuwe eisen zoals de ratio van 1 professionele leidster op 3 baby’s. Het recht op kinderopvangtoeslag gaat ook gelden voor ouders van kinderen bij omgevormde peuterspeelzalen. Veel peuterzalen hebben zich in aanloop naar de wetswijziging al omgevormd tot kindcentrum. Meer informatie: www.veranderingenkinderopvang.nl. De gemeenten blijven verantwoordelijk voor de voor- en vroegschoolse educatie voor doelgroepkin- deren en voor een aanbod voor peuters van wie de ouders niet in aanmerking komen voor kinderop- vangtoeslag, bijvoorbeeld omdat ze niet of niet allebei werken.
Vanwege dit alles vervalt per 2018 de decentralisatie-uitkering Versterking Peuterspeelzaalwerk ad € 35 miljoen. Wel krijgen de gemeenten een decentralisatie-uitkering van € 10 miljoen in 2016 oplopend tot € 60 miljoen per 2021 voor voor- schoolse voorzieningen aan peuters van ouders zonder kinderopvangtoeslag. In een groot gedeelte van de Nederlandse gemeenten is of wordt al geanticipeerd op de bovenge- noemde wetswijzigingen en is of wordt het peuterspeelzaalwerk ruim voor 2018 geharmoniseerd tot peuteropvang. De overige gemeenten, uitvoerende organisaties en lokale partners moeten eveneens voor volgend jaar samen invulling gaan geven aan de harmonisatie. Onder andere Sociaal Werk Nederland biedt een ondersteuningstraject aan ondernemers en gemeenten in de voorbereiding op en invoering van de harmonisatie. De werkenden in de omgevormde peuterspeelzalen gaan van de Cao W&MD naar de Cao Kinderopvang. De Cao-partijen in de kinderopvang, onder wie de Brancheorgani- satie Kinderopvang, hebben gelet daarop eind 2016 de ‘Handreiking harmonisatie arbeidsvoorwaarden peuterspeelzalen-kinderopvang’ laten verschijnen: http://assets.kinderopvang.nl/p/393216//files/ Handreiking%20harmonisatie%20avb%20PSZ%20-%20KO_21nov2016.pdf . En er wordt thans ook gesproken over een Cao Kindvoorzieningen. De VNG blijft overigens streven naar de vorming van integrale kindcentra en heeft o.a.
samen met vier andere brancheorganisaties op 20 juni jl. een petitie hierover aangeboden aan de Tweede Kamer. Kwaliteit 1. Sociaal W erk Nederland Sociaal Werk Nederland heeft samen met leden gewerkt aan een nieuw kwaliteitskader voor de branche vanuit gedeelde waarden en vanuit de ambitie om optimaal te presteren. Het resultaat is een kwaliteitslabel. Dit Kwaliteitslabel Sociaal Werk biedt opdrachtgevers, stakeholders en klanten zicht op de kwaliteit van de dienstverlening die zij inkopen of subsidiëren bij de sociaal werk organisaties met wie zij samenwerken. Waarden en toetsbare normen Het Kwaliteitslabel Sociaal Werk omvat een branchecode met kwaliteitsvoorwaarden die vertaald zijn naar toetsbare normen. De waarden gaan over vakmanschap, dienstverlening, organisatie en toezicht. Kenmerkend is de focus op vakmanschap. Sinds 1 december 2016 kunnen leden zich op vrijwillige basis laten toetsen via intercollegiale adviesmeting of door een certificerende instelling, die daarbij kan samenwerken met toetsers uit de branche. In alle gevallen wordt waarderend auditen toegepast waarbij houding en gedrag in de praktijk centraal staan.
Na toetsing worden leden die in voldoende mate aan de eisen voldoen in een openbaar Kwaliteitsregister van Sociaal Werk Nederland opgenomen en bij toetsing door een certificerende instelling krijgen zij ook het branchekeurmerk, het certificaat Kwaliteit- slabel Sociaal Werk. Nu, ruim een half jaar na de introductie van dit label, is de helft van de Sociaal Werk Nederland-leden bezig met implementatie ervan of overweegt serieus hiermee aan de slag te gaan. De verwachting/hoop is dat gemeenten en andere financiers het Kwaliteitsregister zullen raadplegen bij de gunning van opdrachten en het verlenen van (project)subsidies. Het gaat in het register naar het oordeel van de brancheorganisatie immers om sociaal werk instellingen met een visie op kwaliteit, die doelgericht werken aan het in de praktijk brengen van deze visie én die leren en verbeteren voorop stellen. Zie ook: https://www.sociaalwerknederland.nl/kwaliteitslabel Als uitvloeisel van het Actieprogramma Professionalisering en ter bevordering van kwaliteit en vakmanschap kunnen professioneel in Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening werkende Mbo’ers Vereniging van Nederlandse Gemeenten 11/34 en Hbo’ers zich sinds mei 2016 laten opnemen in het Beroepsregister Sociaal Werk, www.registerplein. nl. De verdere uitwerking hiervan is onderdeel van de komende Cao-onderhandelingen.
Sociaal Werk Nederland werkt bovendien mee aan de professionalisering van de jeugdhulp binnen het door het Rijk gefinancierde programma Professionalisering Jeugdhulp en Jeugdbescherming, zie www. professionaliseringjeugdhulp.nl, en aan de inschrijving van professionals binnen het jeugddomein in het Kwaliteitsregister Jeugd van de gelijknamige Stichting, zie www.skjeugd.nl. 2. HKZ Het opstellen van certificeringscriteria voor instellingen binnen z org en welzijn geschiedt op dit moment ook door de Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector (HKZ) met een VNG-verte- genwoordiger in het Centraal College van Deskundigen, www.hkz.nl. De HKZ is per 2012 gelieerd met het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN). Naast een algemeen certificeringsschema voor welzijn en maatschappelijke dienstverlening zijn er deelschema’s voor sociaal-cultureel werk/welzijn ouderen, maatschappelijke-/vrouwenopvang, maatschappelijke hulp-/ dienstverlening plus voor peuterspeelzalen. De criteria betreffen ook het personeel. Certificatie kan plaatsvinden door certificerende instellingen, geaccepteerd door de Raad voor Accreditatie. Er is geen subsidie- of bekostigingshoogte gekoppeld aan de certificering. 3. VNG - Er is thans een br eed HKZ-schema voor thuiszorg, verpleeg- en verzorgingshuizen.
Maar gemeenten zijn tot op heden slechts verantwoordelijk voor een deel van de thuiszorg, waarbij er sprake is van een inkooprelatie met de aanbiedende instelling. Hiervoor is er het door de VNG e.a. in 2009 opgestelde ‘Kwaliteitsdocument voor verantwoorde hulp bij het huishouden’: https://www.rijksoverheid.nl/docu- menten/kamerstukken/2009/08/18/kwaliteitsdocument-voor-verantwoorde-hulp-bij-het-huishouden - De VNG heeft voorts in het kader van de Wmo in 2014 een basisse t kwaliteitseisen voor de onder- steuning aan zeer kwetsbare personen opgesteld die gemeenten kunnen hanteren bij hun inkoop- beleid en contractmanagement. Een van de eisen is ‘deskundig personeel’. Wat de invulling moet zijn van deskundig personeel dient een gemeente nader te definiëren bij de inkoop van specifieke voorzieningen.
Zie: https://vng.nl/onderwerpenindex/maatschappelijke-ondersteuning/wmo-2015/brieven/model-basis- set-kwaliteitseisen-wmo-ondersteuning-voor-zeer-kwetsbare-burgers - In het verlengde daarvan heeft de VNG met gemeenten en veld kwa liteitseisen specifiek voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang opgesteld, die in maart 2016 zijn gepubliceerd en door ons in juni 2017 opnieuw expliciet onder uw aandacht zijn gebracht: https://vng.nl/onderwerpenindex/maatschappelijke-ondersteuning/beschermd-wonen-maatschappe- lijke-opvang/nieuws/kwaliteitseisen-beschermd-wonen-en-opvang-handreiking - In het kader van de decentralisaties hebben wij zowel bij de uitbr eiding van de Wmo als de introduc- tie van de Jeugdwet met gemeenten en cliëntorganisaties samen vragenlijsten ontwikkeld om de ervaring van de cliënt te meten. Deze onderzoeken zijn volgens beide wetten verplicht. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 12/34 1.1 Cao-loonkostenontwikkelingen Tabel 1.
Ontwikkeling loonkosten Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening 2015-2018 2015 2016 2017 2018 - Loonstijging 1 december 2014(1%) 0,92% - Loonstijging 1 januari 2015 (€ 250,- per jaar) 0,81% - Eenmalige uitkering 1 januari 2015 (€ 300,- per fte) 1,00% -1,00% - Loonstijging 1 oktober 2015 (1%) 0,25% 0,75% - Structurele stijging van loopbaanbudget (1%) nvt nvt - Incidentele stijging loopbaanbudget tot april 2016 (0,5%) 0,25% 0,13% - 0,38% - Stijging structureel loopbaanbudget 1 juni 2016 (0,5%) 0,30% 0,20% - Loonstijging 1 juni 2016 (1%) 0,60% 0,40% - Eenmalige uitkering per juli 2016 (€ 87,50) 0,30 % - 0,30% - Loonstijging 1 juli 2017 (1,65%) 0,83% 0,83% - Loonstijging 1 juli 2018 (2 %) 1,00% (- Eenmalige uitkering januari 2019 (0,5%)) Totaal 3,23% 1,08% 0,75% 1,83% Toelichting: * Ontwikkelingen 2015 De overeengekomen loonstijgingen leiden in 2015 tot een loonkostenstijging op jaarbasis van 0,92% (overloop vanwege loonstijging van 1% per december 2014), een stijging van 0,81% vanwege de stijging van de salarissen met gemiddeld € 21 per maand en een loonstijging van 0,25% (vanwege loonstijging van 1% per 1 oktober 2015). Daarnaast is overeengekomen een eenmalige uitkering van € 300 in januari 2015 vanwege de geringe loonstijging in 2014. Deze laatste leidt tot een incidentele stijging van 1% van de loonkosten.
Belangrijk onderdeel van het Cao-akkoord voor de branche W&MD is voorts dat er afspraken zijn gemaakt over de bevordering van individuele duurzame inzetbaarheid van medewerkers. Dit heeft geleid tot de introductie van een loopbaanbudget voor werknemers van structureel 1% van het salaris op maandbasis vanaf 1 juli 2015 en voor de looptijd van de Cao (tot 1 april 2016) een extra percentage van 0,5% van het salaris. In ruil voor het structurele loopbaanbudget van 1% zijn de bestaande aanspra- ken in geval van ontslag op basis van de Cao-regeling (grotendeels) afgeschaft. Deze bestaan in 2015 nog wel voor werknemers van 61,5 jaar en ouder. In plaats hiervan komt de wettelijke transitievergoe- ding op basis van de Wet werk en zekerheid en het loopbaanbudget. Het loopbaanbudget moet ervoor zorgen dat werknemers gedurende hun dienstverband investeren in hun eigen duurzame inzetbaarheid in plaats van een aanvulling op de WW na ontslag. Het structurele loopbaanbudget is budgettair neutraal. De incidentele stijging van 0,5%, bedoeld als extra stimulans om met duurzame inzetbaarheid aan de gang te gaan, betekent op jaarbasis in 2015 een loonkostenstijging van 0,25%. * Ontwikkelingen 2016 Er is een doorloop van 0,75% in 2016 vanwege de loonstijging van 1% per 1 oktober 2015. Er is een doorloop van 0,13% vanwege het in 2015 overeengekomen incidentele loopbaan-budget.
Dit legt samen een extra beslag van 0,88% op 2016. Daar tegenover staat het in 2016 vervallen van de eenmali- ge uitkering per 1 januari 2015 ad 1%. Resteerde aanvankelijk een percentage van -0,12%. De onderhandelingen voor een nieuwe Cao vanaf 1 april 2016 hebben begin juni 2016 tot een onderhandelaarsakkoord tussen Sociaal Werk Nederland en de vakbonden CNV en FNV geleid. Eind juni 2016 hebben de betrokken ledenvergaderingen hiermee ingestemd, zodat de Cao definitief is en algemeen verbindend verklaring kon gaan plaatsvinden. De belangrijkste Cao-afspraken zijn: loonstijging van 1% per 1 juni 2016, eenmalige uitkering van € 87,50 per fte in juni 2016 (0,3% op Vereniging van Nederlandse Gemeenten 13/34 jaarbasis), structurele stijging van het loopbaanbedrag met 0,5% (tot 1,5%, zie toelichting boven), aanpassing van de regeling voor onregelmatigheidstoeslag en afspraken over de transitievergoeding. Deze geldt voortaan voor alle werknemers in geval van ontslag (alleen werknemers van 62 jaar of ouder bij instellingen onder 25 werknemers kunnen nog aanspraak maken op wachtgeld). Voorts bepalingen over aanmelding bij het beroepsregister sociaal werk, mantelzorg, ethische reflectie en werkbelasting. De werkgever betaalt de kosten voor aanmelden Beroepsregister Sociaal Werk en Verklaring omtrent Gedrag (VOG).
Per 1 januari 2016 is er een Individueel Keuzebudget, waarmee medewerkers afhankelijk van hun behoefte en levensfase kunnen kiezen voor meer verlof, geld of opleiding. Ook beoogden Cao-partijen bij ontslag de WW-duur van drie jaar te handhaven via herverzekering met een premie ten laste van de werknemers. * Ontwikkelingen 2017-2019 Het akkoord voor de Cao W&MD liep van 1 april 2016 tot 1 april 2017. Er is onlangs een onderhan- delaarsakkoord voor de Cao W&MD gesloten met een looptijd van 1 april 2017 tot 1 juli 2019 (27 maanden), dat op 11 juli jl. definitief is geworden. Dit wordt nu ter algemeen verbindend verklaring bij het ministerie van SZW voorgelegd. Onderdeel van de afspraken is dat de Cao de benaming Cao Sociaal Werk krijgt. De belangrijkste afspraken met een financiële impact zijn: loonstijging van 1,65% per 1 juli 2017, loonstijging van 2% per 1 juli 2018 en een eenmalige uitkering in januari 2019 van 0,5% van het jaarsalaris 2019. Andere belangrijke afspraken: - Registratie Jeugd en Registratie Sociaal Werk Voor professionals die werken op Hbo-niveau of hoger én werkzaamheden uitvoeren in het jeugddo- mein die volgens het Kwaliteitsregister Jeugd bij SKJ verplicht geregistreerd moeten zijn, geldt dat de werkgevers de kosten van registratie dragen alsmede de tijd en kosten voor geaccrediteerde opleidin- gen en intervisie.
Met betrekking tot het Beroepsregister Sociaal Werk is afgesproken dat Cao-partijen gedurende de looptijd van de Cao overleggen of, en zo ja, onder welke condities hierover afspraken worden opgenomen in de Cao. - De Cao faciliteert een generatieregeling en traineeships. 1.2 Overige loonkostenger elateerde ontwikkelingen Pensioenpremies Pensioenpremie wordt berekend over de pensioengrondslag, dit is salaris min franchise. * 2015 Per 1 januari 2015 is de pensioenpremie OP gedaald met 0,9%. De premie daalde hierdoor van 24,4% naar 23,5% van de pensioengrondslag. Op basis van de verdelingsafspraken in de Cao W&MD leidde dit tot een verlaging van 0,4% in de werkgeverspremie en een verlaging van 0,5% voor de werknemers - pr emie. Dit betekent dat per 1 januari 2015 de werkgeverspremie OP 12,1% is en de werknemerspremie OP 11,4%. De premie AP 2015 is 0,4% gebleven (t.l.v. werkgevers). * 2016 Per 1 januari 2016 is de pensioenpremie OP gelijk gebleven (23,5% van de pensioengrondslag). De werkgeverspremie OP is daardoor in 2016 12,1% gebleven en de werknemerspremie 11,4%. De premie voor arbeidsongeschiktheidspensioen/AP is in 2016 op 0,4% blijven staan (voor rekening werkgevers). * 2017 Per 1 januari 2017 is de pensioenpremie OP gelijk gebleven (23,5% van de pensioengrondslag) en de premie voor arbeidsongeschiktheidspensioen/AP is gestegen met 0,1% tot 0,5%.
Voor de verdeling van de pensioenpremie tussen werknemers en werknemers betekent dit: werknemers 11,4% OP (incl. PP) en 0% AP; werkgevers 12,1% OP (incl. PP) en 0,5% AP . Vereniging van Nederlandse Gemeenten 14/34 Belangrijkste sociale premies * Zorgverzekeringswet * 2015 In 2015 is de premie Zorgverzekeringswet evenals in 2014 gedaald en wel tot 6,95%, voorts is de grondslag gestegen naar maximaal € 51.976,-. * 2016 In 2016 is de werkgeversheffing voor de premie Zorgverzekeringswet gedaald naar 6,75% en is de grondslag (maximumbijdrage-inkomen) gestegen naar maximaal € 52.763,-. * 2017 In 2017 is de werkgeversheffing voor de premie Zorgverzekeringswet gedaald naar 6,65% en is de grondslag (maximumbijdrage-inkomen) gestegen naar maximaal € 53.701,-. * Overige premies Voor de bepaling van de hoogte van de sociale lasten (premies werknemersverzekeringen) baseert Sociaal Werk Nederland, zich op de premievaststelling door het UWV voor haar sector. Het gaat hierbij om de sociale premies voor de WW (sectorpremie en Awf), arbeidsongeschiktheidsregelingen (Whk en Aof) en de zorgverzekering (Zvw). In onderstaande tabel staan alle sociale premies bij elkaar.
Premies werknemersverzekeringen Fonds 2015 2016 2017 Awf Algemeen werkloosheidsfonds (WW-premie) 2,07% 2,48% 2,64% Sfn Sectorfondsen (premie obv indeling in sector 35) 2,05% 1,72% 0,94% Whk Werkhervattingskas (werkelijke hoogte oa afhankelijk van grootte onderneming) 1,10% (rekenpremie) 1,10% (rekenpremie) 1,10% (rekenpremie) Aof Arbeidsongeschikt- heidsfonds 5,25% 5,91% 6,16% Zvw Zorgverzekeringswet 6,95% 6,75% 6,65% 1.3 T er vergelijking De wijze van toedeling van rijksgelden aan gemeenten op basis van de Wmo hangt af van het jaar van decentralisatie. Reeds lang geleden gedecentraliseerde taken vormen onderdeel van de algemene uitkering in het Gemeentefonds, terwijl de nieuwe taken per 2015 onderdeel zijn van de integratie-uitke- ring Sociaal domein. Daarnaast zijn er voor tussentijds overgedragen taken de integratie-uitkering Wmo (huishoudelijke hulp/vervoer/hulpmiddelen) en twee decentralisatie-uitkeringen voor resp. Vrouwen-/ mannenopvang en Maatschappelijke opvang. Bij de algemene uitkering verwijst de recente meicirculaire Gemeentefonds in het kader van het accres op blad 40 naar de mutaties in de overheidsconsumptie met een verwachte loonstijging in 2018 van 2,4%.
Voor de integratie-uitkeringen Sociaal domein en Wmo is er sprake van loon- en prijsbijstelling gelet op blad 17 en blad 26 van de meicirculaire conform de Overheidsbijdrage in de Arbeidskosten-ontwikkeling (OVA), deze wordt voor 2018 thans geraamd op 2,0% (plus 0,5% incidenteel en 0,08 mutaties sociale premies). Bij de drie decentralisatie-uitkeringen staat de indexering niet apart vermeld. De cijfers van het Centraal Planbureau die op 14 juni jl. versche- nen zijn, schatten de stijging binnen de consumentenprijsindex c.q. de inflatie voor 2018 op 1,4% en de stijging van het contractloon in de marktsector op 2,0%. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 15/34 2. Sector Jeugdzor g Ten geleide Werkgeversvereniging De werkgeversorganisaties in de sector jeugdzorg is Jeugdzorg Nederland, www.jeugdzorgnederland. nl. De leden bestaan uit gecertificeerde instellingen (voorheen de Bureaus Jeugdzorg) en jeugd- en opvoedhulpinstellingen. De gecertificeerde instellingen voeren taken, gericht op jeugdbescherming en jeugdreclassering uit. Voor ingewikkelde problemen in de opvoeding is vaak een lange periode (intensieve) hulp nodig. Organisaties voor Jeugd & Opvoedhulp geven deze ondersteuning. Ze helpen kinderen die gedragsproblemen hebben of vastlopen in hun ontwikkeling. Ook ondersteunen ze bij de opvoeding.
Wetgeving Op 1 januari 2015 is als gevolg van de decentralisatie de verantwoordelijkheid voor Jeugdzorg zowel qua zorg als qua financiën neergelegd bij de gemeenten. Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet (de op 1 januari 2015 ingevoerde Jeugdwet is de opvolger van de Wet op de Jeugdzorg 2005) gehouden om te zorgen voor continuïteit van zorg en zijn verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede en verantwoorde hulp. Omdat de gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor de Jeugdhulp (dit is overigens breder dan alleen Jeugdzorg) moeten zij, als zij zelf deze zorg niet kunnen leveren, via aanbestedingsprocedures zorg inkopen bij daartoe geschikte organisaties. Daardoor is de relatie tussen jeugdzorgorganisaties en de gemeenten drastisch veranderd. Tot op heden is er meestal sprake geweest van eenjarige contracten, waarbij jeugdzorginstellingen ieder jaar weer in gesprek moeten treden met gemeenten om nieuwe voorwaarden en tarieven rondom een nieuw contract te bespreken. Deze aanhoudende onderhandelingen hebben een fluctuerend effect op de personele bezetting van deze organisaties. Desondanks dienen organisaties er wel voor te zorgen dat de kwaliteit van de geleverde zorg gewaarborgd blijft.
Kwaliteit In het kader van de decentralisatie van de jeugdzorg zijn de gemeenten per 1 januari 2015 verantwoor- delijk geworden voor jeugdzorg, JeugdzorgPlus, jeugdbescherming en jeugdreclassering, jeugd-GGz (geestelijke gezondheidszorg) en jeugd-LVB (licht verstandelijk beperkt). De Jeugdwet schrijft voor dat een instelling die na 1 januari 2015 in opdracht van de gemeente de jeugdbescherming en jeugdre- classering uit wil voeren daartoe gecertificeerd moet zijn. De normen waaraan deze instellingen moeten voldoen zijn door het Ministerie van Veiligheid en Justitie in samenspraak met de VNG en het werkveld gezamenlijk geformuleerd in het Normenkader ten behoeve van certificering van uitvoerende organisa- ties in jeugdbescherming en/of jeugdreclassering (jb/jr). De richtlijnen voor de certificerende instelling zijn opgenomen in het Certificatieschema voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem van uitvoerende organisaties voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie is eigenaar van het Normenkader en het Certificatieschema. De ministeriële regeling is in de Staatscourant verschenen. In de Jeugdwet staat daarnaast dat werkgevers moeten zorgen voor verantwoorde werktoedeling. Dit betekent dat zij voor bepaalde taken geregistreerde professionals moeten inzetten. Daartoe zijn kwaliteitseisen opgesteld.
De controle op deze kwaliteitseisen is een taak voor de SKJ (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd; zie https://skjeugd.nl). De SKJ is volgens de brancheorganisatie Jeugdzorg Nederland een groeiende, daadkrachtige organisatie, die professioneel geautomatiseerd is en continu aan kwaliteitscontrole doet. Het bedrijfsproces is zodanig ingericht dat herregistratie een vanzelfspre- kend onderdeel is van het primaire proces. SKJ werkt intensief samen met beroepsorganisaties en brancheorganisaties. Het gevolg is optimale dienstverlening naar zowel professionals als beroeps- en brancheorganisaties. Het feit dat er in de Jeugdwet kwaliteitseisen worden gesteld aan de geboden zorg betekent dus direct dat de werknemers van jeugdzorgorganisaties die de in de wet genoemde zorg leveren aan een bepaald niveau van hulpverlening moeten voldoen. De kwaliteit voor HBO- en WO- geschoolde professionals wordt gewaarborgd door bovengenoemde (her)registratie. Aan de (her)registratie zijn (geaccrediteerde) deskundigheidsbevordering en reflectie verbonden. Dit zorgt ervoor dat de professionals bij blijven in hun vakgebied en daarmee dus ook de kwaliteit van de geleverde zorg kunnen waarborgen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten 16/34 Jeugdzorg Nederland werkt in dit kader ook mee aan de professionalisering van de jeugdhulp binnen het door het rijk gefinancierde programma Professionalisering jeugdhulp en jeugdbescherming (zie http://professionaliseringjeugdhulp.nl/assets/brochures/kwaliteitskader-jeugd.pdf). Partners zijn daarin verder andere brancheorganisaties, beroepsonderwijs, beroepsverenigingen, gemeenten en cliëntenor- ganisaties. 2.1. CAO loonkostenontwikkeling Tabel 2. Ontwikkeling loonkosten Jeugdzorg 2015-2018 2015* 2016 2017 2018 - Loonstijging 1 mei 2014 (2%) 0,66% - Loonstijging 1 januari 2016 (1,85%) 1,85% - Loonstijging 1 juli 2017 (1,65%) 0,83% 0,83% - Eenmalige uitkering 1 juli 2017 (0,65%) 0,65% -0,65% - Loonstijging 1 juli 2018 (2%) 1,00% (- Eenmalige uitkering januari 2019 (0,5%)) Totaal 0,66% 1,85% 1,48% 1,18% * Veel gemeenten zijn pas per 2015 gestart met subsidies/bekostiging Toelichting op de loonkostenontwikkeling * Ontwikkelingen 2015 In 2014 is een Cao afgesproken met een looptijd van een jaar; van 1 mei 2014 tot en met 30 april 2015. Deze kent een salarisverhoging van 2% over een periode van 12 maanden. Over 2015 is de loonstijging omgerekend 0,66%. In 2015 (met uitloop naar 2016) is het functiehuis vervangen door een generiek functieboek. Functies zijn hierin algemeen beschreven en aan de hand daarvan opnieuw gewaardeerd.
De CAO 2014-2015 is met een jaar verlengd. Daardoor zijn er in de periode 1 mei 2015 - 30 april 2016 geen nieuwe afspraken gemaakt. Dit heeft derhalve op dat moment ook niet geleid tot loonstijgingen. * Ontwikkelingen 2016 In 2016 is er een nieuw akkoord gesloten. De looptijd van deze CAO is van 1 mei 2015 tot en met 31 december 2016. De CAO wordt hiermee én verlengd én gewijzigd. Alle afspraken in dit akkoord gelden vanaf 1 januari 2016 tenzij in de CAO anders vermeld staat. Per 1 januari 2016 worden de salarisbedra- gen structureel verhoogd met 1,85%. Deze loonstijging in 2016 staat ook in relatie tot het jaar 2015. Daarmee komt de loonstijging voor 2016 op 1,85%. Er is afgesproken tot 1 mei 2016 de dan bestaande bepalingen in de Cao Jeugdzorg met betrekking tot het wachtgeld van kracht te laten blijven. Ook de lopende sociale plannen die zijn afgesloten tussen de werkgever en minimaal één van de vakbonden zijnde partij bij deze Cao, of die zouden worden afge- sloten in de periode tot 1 mei 2016, blijven onverkort van kracht. Daar waar nodig hebben Cao-partijen jeugdzorgorganisaties en vakbonden op lokaal niveau aanbevolen om bestaande sociale plannen met een kortere looptijd dan tot 1 mei 2016 te verlengen tot ten minste 1 mei 2016.
Bij gedwongen ontslag voor 1 mei 2016 treden de wachtgeldregelingen en de voor deze situatie gemaakte afspraken in sociale plannen in de plaats van de wettelijke transitievergoeding. Derhalve blijft het overgangsrecht krachtens de AMvB Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding onverkort van toepassing tot 1 mei 2016. Vanaf 1 mei 2016 is, behoudens een aantal in de CAO genoemde afwijkende gevallen, de transitievergoeding op basis van de Wet werk en zekerheid gaan gelden. Ook zijn er ten behoeve van de mobiliteit van boventallige werknemers intentieafspraken in de Cao vastgelegd waarbij de werkgever een budget van gemiddeld € 4.000 beschikbaar stelt voor mobili- teitsbevorderende maatregelen. Als een boventallige werknemer zijn mobiliteit wil versterken door een mobiliteitstraject en/of scholing gericht op het verbeteren van zijn arbeidsmarktkansen, worden deze Vereniging van Nederlandse Gemeenten 17/34 kosten tot € 4.000 niet in mindering gebracht op de transitievergoeding. Werkgever en vakbonden kunnen overigens in een Sociaal Plan afwijkende afspraken maken. Algemeen uitgangspunt voor Cao-partijen is dat werk in de Jeugdzorg vanuit het oogpunt van werk- zekerheid, continuïteit en kwaliteit wordt verricht door werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Over de verhouding tussen arbeidsover eenkomsten voor bepaalde en onbepaalde tijd maken OR en werkgever afspraken. Cao-partijen monitoren de verhouding tussen beide soorten arbeids- overeenkomsten. In de Cao is in verband met de aanbestedingen de volgende afspraak komen te staan: “Is een opdracht na een aanbesteding aan een werkgever gegund en was de opdracht daarvoor gegund aan een andere organisatie die ook onder de werkingssfeer van deze Cao valt? En dreigen werknemers hierdoor ontslagen te worden, omdat er geen of minder werk is? Dan dient de werkgever voor deze nieuwe opdracht alle werknemers van de andere organisatie over te nemen die voor het uitvoeren van de opdracht nodig zijn’.” Cao-partijen herbevestigden de afspraak uit het akkoord van de Cao Jeugdzorg 2014-2015 dat de duur en de opbouw van de WW en de WGA worden gerepareerd conform de afspraken die hierover in het Sociaal Akkoord van april 2013 en in de brieven van de Stichting van de Arbeid van 24 december 2013, 11 juli 2014, 17 april 2015 en 24 november 2015 zijn gemaakt. Het budget dat de werkgever ieder jaar beschikbaar stelt voor opleidingsbeleid en loopbaanbeleid wordt verhoogd van minimaal 1% naar minimaal 1,5% van de totale loonsom van de organisatie * Ontwikkelingen 2017-2019 De Cao 2015-2016 was op 31 december 2016 afgelopen.
In oktober 2016 zijn partijen gestart met de onderhandelingen voor een nieuwe CAO. Eind mei 2017 is na 8 maanden intensief onderhandelen een nieuw onderhandelaarsakkoord voor de periode 1 januari 2017 tot 1 april 2019 gesloten, dat eind juni definitief is geworden. De onderhandelingen concentreerden zich vooral rondom loonstijging en werkdruk. Voor het overige zijn er vooral studie-afspraken gemaakt. Het akkoord vertaalt zich naar een loonstijging per 1 juli 2017 en loopt door tot en met januari 2019. Per 1 juli 2017 wordt het salaris verhoogd met 1,65% en wordt er een eenmalige uitkering aan de medewerkers betaald ter hoogte van 0,65% over het voor hen dan geldende maandsalaris x 12. Dit is het geldende salaris op 1 juli 2017 inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering en exclusief ORT. Over 2017 betekent dit een loonstijging van 1,475%. Per 1 juli 2018 worden de lonen structureel met 2% verhoogd. Over 2018 betekent dit een structurele loonstijging van 1%. In 2019 zal er sprake zijn van een overloop van 1% uit 2018. Per 1 januari 2019 ontvangen de werknemers nog een eenmalige uitkering van 0,5% van het voor hen geldende maandsa- laris x 12. Dit is het geldende salaris op 1 januari 2019 inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering en exclusief ORT. 2.2.
Overige loonkosten ger elateerde ontwikkelingen Pensioenpremies Pensioenpremie wordt berekend over de pensioengrondslag, dit is salaris min franchise. * 2015 Voor 2015 zijn de volgende franchises vastgesteld: De AOW-franchise bedraagt in 2015 € 11.395 (was €11.005 in 2014); De AP-franchise bedraagt in 2015 € 19.463 (was €19.253 in 2014). Het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) heeft voor 2015 de volgende premies vastgesteld: De OP/PP-premie daalt naar 23,5% (was 24,4% in 2014); De AP-premie blijft gelijk op 0,4%. Premieverdeling 2015: W erknemers W erkgevers OP/PP-premie 11,20% (was 11,70%) 12,30% (was 12,70%) AP-pr emie 0 (was 0) 0,4% (was 0,4%) Vereniging van Nederlandse Gemeenten 18/34 * 2016 Voor 2016 zijn door PFZW de volgende franchises gehanteerd: De AOW-franchise bedraagt in 2016 € 11.675 (was €11.395 in 2015); De AP-franchise bedraagt in 2016 € 19.758 (was €19.463 in 2015). PFZW heeft voor 2016 de volgende premies vastgesteld: De OP/PP-premie blijft gelijk op 23,5%; De AP-premie blijft gelijk op 0,4%. Premieverdeling 2016: W erknemers Werkgevers OP/PP-premie 11,20% (was 11,20%) 12,30% (was 12,30%) AP-pr emie 0 (was 0) 0,4% (was 0,4%) * 2017 V oor 2017 zijn door PFZW de volgende franchises gehanteerd: De AOW-franchise bedraagt in 2016 € 11.829 (was €11.675 in 2016); De AP-franchise bedraagt in 2016 € 19.758 (was €20.108 in 2016).
PFZW heeft voor 2017 de volgende premies vastgesteld: De OP/PP-premie blijft gelijk op 23,5%; De AP-premie blijft gelijk op 0,4%. Premieverdeling 2017: W erknemers Werkgevers OP/PP-premie 11,20% (was 11,20%) 12,30% (was 12,30%) AP-pr emie 0 (was 0) 0,4% (was 0,4%) Overige pr emies Jeugdzorg Nederland heeft gemeld uit te gaan van de gemiddelden die het Rijk als Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling hanteert. Gelet op de thans daarover bekende cijfers betekent dit in 2016 een verhoging van de sociale premies ad 0,24%, in 2017 gaat het wederom om een verhoging van 0,24% en in 2018 van 0,08%. 2.3. T er vergelijking De wijze van toedeling van rijksgelden aan gemeenten voor het jeugdbeleid hangt af van het jaar van decentralisatie. Reeds lang geleden gedecentraliseerde taken vormen onderdeel van de algemene uitkering in het Gemeentefonds, terwijl de nieuwe jeugdzorg-taken in het kader van de Jeugdwet per 2015 onderdeel zijn van de integratie-uitkering Sociaal domein. Bij de algemene uitkering verwijst de recente meicirculaire Gemeentefonds in het kader van het accres op blad 40 naar de mutaties in de overheidsconsumptie met een verwachte loonstijging in 2018 van 2,4%.
Voor de integratie-uitkering Sociaal domein is er sprake van loon- en prijsbijstelling gelet op blad 17 van de meicirculaire conform de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA), deze wordt voor 2018 thans geraamd op 2,0% (plus 0,5% incidenteel en 0,08% mutaties sociale premies). De cijfers van het Centraal Planbureau die op 14 juni jl. verschenen zijn, schatten de stijging binnen de consumentenprijsindex c.q. de inflatie voor 2018 op 1,4% en de stijging van het contractloon in de marktsector op 2,0%. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 19/34 3. Sector Openbar e Bibliotheken Ten geleide Werkgeversvereniging De Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) is de werkgeversvereniging voor de bibliotheeksector, www.debibliotheken.nl. W etgeving Per 2015 is de Wet stelsel openbare bibliotheken (Wsob) van kracht geworden. Hierin zijn vijf functies voor een bibliotheekvoorziening opgenomen: kennis en informatie; ontwikkeling en educatie; lezen en literatuur; ontmoeting en debat; kunst en cultuur. Deze wet brengt geen (loon)kostenverhoging voor gemeenten met zich mee. Wel moeten zij zich er bij een beoogde sluiting voor inspannen om ten behoeve van hun burgers over de toegang tot en lidmaatschap van een bibliotheekvoorziening afspraken te maken in de regio. In de wet staan geen subsidie-instapniveaus.
Eind 2016 is het advies van de commissie Toekomst Lokaal Bibliotheekstelsel gepresenteerd en eind 2017 is de eerste midterm review van de Wsob beoogd. Certificering De VNG en de VOB hebben in 2014 ingestemd met de nieuwe certificeringsnorm voor openbare bibliotheken 2014-2017 ‘Zichtbare waarde’. Het bibliotheekveld is sterk in beweging onder invloed van de digitalisering, verbreding van de taken op basis van de Wsob, samenwerking met andere cultuur- en welzijnsorganisaties en lokale bezuinigingen. Daarom worden in de nieuwe norm de toekomstbesten- digheid, het zichtbaar maken van de maatschappelijke meerwaarde en het cyclische karakter van de certificering gericht op blijvende kwaliteit benadrukt. De Stichting Certificering Openbare Bibliotheken hanteert deze norm voor de derde ronde van certificering die in najaar 2014 is aangevangen. Daarnaast is deelname aan certificering een voorwaarde om VOB-lid te kunnen zijn en te mogen functioneren in het openbaar bibliotheeknetwerk. Dit voorjaar hebben de VOB, Cultuur connectie, Stichting Certificering Openbare Bibliotheken, de Samenwerkende Provinciale Ondersteuningsinstellingen (POI’s) Nederland, Stichting Lezen en Stichting Lezen & Schrijven en de VNG na een uitgebreide verkenning vooraf, besloten tot de ontwikkeling van een gezamenlijk certificeringskader voor de betrokken cultuurorganisaties dat per 2018 moet ingaan.
Daartoe is er in april jl. een werkgroep vanuit de deelnemende landelijke en lokale instellingen inge- steld. De VNG heeft zitting in een stuurgroep. VNG-ondersteuning Gelet op de nieuwe bibliotheekwetgeving heeft de VNG in april 2015 de publicatie ‘Lokaal biblio- theekwerk: een handreiking voor gemeenten’ laten verschijnen, gevolgd door bijeenkomsten en masterclasses. De handreiking is: een vraagbaak over de Wsob, een richtingaanwijzer voor de rol van de bibliotheek in het sociale domein en als cultureel ondernemer plus een inspiratiebron door het tonen van goede regionale en lokale voorbeelden. Eind 2016 hebben wij met andere landelijke partners een ‘Innovatie-agenda 2016-2018’ gepresenteerd, terwijl deze eind juni 2017 door de Koninklijke Biblio- theek c.s. is uitgewerkt via een ‘Actieagenda innovatie 2017-2018’. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 20/34 3.1. Cao-loonkostenontwikkelingen Tabel 3. Ontwikkeling loonkosten Openbare Bibliotheken 2015-2018 2015 2016 2017 2018 - Loonstijging 1 januari 2015 (1,50%) 1,50% - Verhoging eindejaarsuitk. met 0,25% 0,25% - Eenmalige uitk. september 2015 (€ 275,- per fte) € 275,- - € 275,- - Loonstijging 1 januari 2016 (1,50%) 1,50% - Verhoging eindejaarsuitk.
met 0,15% 0,15% - Verhoging pensioenpremie 2016 0,15% - Loonstijging 1 januari 2017 (1,40%) 1,40% - Verhoging eindejaarsuitkering 2017 (0,35%) 0,35% Totaal 1,75%* 1,80%* 1,75%* 1,75%* + € 275,- - € 275,- * Hiervan wordt 0,25% betaald uit de verlaging van de premie aan het pensioenfonds vanwege de afschaffing van de VPL-regeling in 2015. Toelichting: * Ontwikkelingen 2015 De Cao-partijen hebben eerst besloten de Cao 2014 te verlengen tot 15 juni 2015. Daarna hebben zij een vierjarig onderhandelaarsakkoord gesloten tot en met 30 juni 2019, dat op 23 juni 2015 door de achterbannen is goedgekeurd. Over de invulling van de loonruimte in 2015 hebben partijen de volgende afspraken gemaakt: - Per 1 januari 2015 een structur ele salarisverbetering van 1,5%. - Met ingang van 2015 een verhoging van de eindejaarsuitkering va n 0,25% (van 1,5% naar 1,75%). - Daar naast wordt er in september 2015 een eenmalige uitkering van € 275,- bruto (op fulltime basis) toegekend. De bepaling over vrijwilligersbeleid is gemoderniseerd. Kern hiervan is dat de inzet van vrijwilligers niet ten koste mag gaan van betaalde formatie. In 2013 is voor de bibliotheekbranche een A&O-fonds opgericht: de Stichting Bibliotheekwerk (SBW). Doelstelling van de SBW is bibliotheken en werknemers te ondersteunen bij het bevorderen van een goed functionerende arbeidsmarkt in de branche openbare bibliotheken.