8.1 VNG - programmastart Interbestuurlijk programma.pdf
Tekst van het document
Ook hiervoor wordt op korte termijn een plan gemaakt door Rijk, medeoverheden en maatschappelijke partners waarin de benodigde randvoorwaarden in beeld worden gebracht. 4. Sector Elektriciteit De transitie in de elektriciteitssector vraagt om een aanpak op meerdere best uursniveaus en om een intensieve interbestuurlijke samenwerking voor de invulling van de transitie -opgave. Het Rijk is daarbij onder andere verantwoordelijk voor het regelgevende kader voor de elektriciteitssector en de financiële stimulering van CO 2-arme elektriciteitsproductie. Decentrale overheden zijn onder andere belangrijk voor het realiseren en stimuleren van CO 2-arme elektriciteitsproductie op land en het bijdragen aan draagvlak voor CO 2-arme elektriciteitsprojecten. Realisatie van de transitie vraagt om een gefaseerde aanpak. Het startpunt hiervan zijn de afspraken over CO 2-arme elektriciteitsproductie op land in 2030 die worden gemaakt in het Klimaatakkoord. Concreet betekent dit: a. Het vertalen van de afspraken uit het Klimaatakkoord naar regionale bijdrages. De Regionale Energie en Klimaatstrategieën (REKS) kunnen een goede basis bieden voor de formulering en uitwerking van deze regionale bijdrages. De exacte invulling hiervan is maatwerk per regio. b. Het formuleren van gedeelde uitgangspunten op basis waarvan in samenspraak tussen Rijk en decentrale overheden keuzes gemaakt kunnen worden.
Met deze gezamenlijk gedefinieerde uitgangspunten kunnen de regionale bijdrages ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de bijdrages aan de afspraken uit het Klimaatakkoord beoordeeld worden. Voorbeelden van dergelijke gedeelde uitgangspunten zijn betaalbaarheid, solidariteit en leefbaarheid. c. Het vastleggen van de gemaakte bestuurlijke keuzes voor ten minste de periode tot 2030 in provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies, omgevingsplannen en projectbesluiten binnen het kader van de omgevingswet. 5. Sector Mobiliteit Gezamenlijke ambitie De verduurzaming van de mobiliteit is een brede opgave en raakt aan veel thema’s (bereikbaarheid, verkeersveiligheid, stadlogistiek, enz.) en modaliteiten (fiets, elektrische auto, binnenvaart, enz.). De klimaatopgave voor mobiliteit is alleen te halen wanneer overheden, de industrie en het bedrijfsleven, zowel binnen als buiten de sector, samenwerken. Ieder draagt bij op het terrein waar zijn verantwoordelijkheid ligt om zo tot een gezamenlijk succes te komen. De opgave wordt daarom zo integraal mogelijk en vanuit alle modaliteiten bekeken. Samenwerking met de regio Deze integrale aanpak organiseert het Rijk op landelijk niveau (in samenspraak met decentrale overheden) vanuit de sectorale tafel voor het transitiepad mobiliteit.
Regionaal zorgen decentrale overheden (in samenspraak met het Rijk) dat mobiliteit wordt opgenomen in de Regionale Energie- en Klimaatstrategieën (REKS), alsmede gemeentelijke en provinciale 9 ligt nog ter besluitvorming voor in de SER omgevingsvisies. Op alle niveaus worden afspraken zoveel mogelijk gemaakt binnen bestaande bestuurlijke structuren, zoals BO MIRT, en (Regionale) OV- en Spoortafels. Op dit momenten wordt in diverse regio’s al geëxperimenteerd met het werken aan integrale opgaven, ook met het oog op een integraal Mobiliteitsfonds dat vanaf 2030 gerealiseerd moet worden. Thema’s Om de klimaatdoelstelling te halen is inzet nodig op alle modaliteiten. Gelet op het CO 2- reductiepotentieel focussen de decentrale overheden en de Rijksoverheid zich met name op een aantal thema’s: Elektrische voertuigen (zowel batterij- als brandstofcel-elektrische voertuigen): Elektrificatie van het wegverkeer is noodzakelijk om mobiliteit structureel te verduurzamen. Het kabinet streeft dan ook naar honderd procent nieuwverkoop van emissievrije personenauto’s vanaf 2030. Elektrisch vervoer faciliteren betekent onder meer voor het zorgen voor voldoende publieke en semipublieke laadpunten. Ook andere instrumenten (bijvoorbeeld ontheffing voor milieuzones, lagere parkeertarieven) kunnen emissieloos rijden stimuleren.
Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten spreken af dat ieder op zijn eigen terrein de randvoorwaarden helpt creëren om laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen in het elektriciteitsnetwerk en tankinfrastructuur voor duurzaam geproduceerde waterstof (bijvoorbeeld voor treinen, zwaar vervoer en binnenvaart) mogelijk te maken. Er kunnen afspraken gemaakt worden om bestaande afspraken zoals Bestuursakkoorden of green deals versneld te implementeren of uit te breiden. Logistiek (naar nul-emissie stadslogistiek): Reductie van CO2 is ook in het goederenvervoer van belang. De sector heeft aangegeven de ambitie te hebben en de verantwoordelijkheid te nemen om te excelleren in duurzame logistiek. Gemeenten en bedrijven hebben hierbij de sleutel in handen. De inzet richt zich erop om de opgedane kennis en ervaring uit green deals breder toe te passen en op te schalen. Zo willen zij afspraken maken om d e stadslogistiek emissievrij te maken, met als uitgangspunt de afspraken uit de Green Deal Zero-Emissie Stadslogistiek. Ook zullen de betrokken overheden verkennen hoe binnenvaart en spoorwegen ingezet kunnen worden om het vervoer over de weg en daarmee de uitstoot te beperken. Anders reizen (m.b.v. een werkgeversaanpak en inclusief fiets): De transitie naar een duurzaam mobiliteitssysteem vraagt om een andere kijk op autogebruik en stimuleren van gebruik van OV en fiets.
Dit biedt kansen voor nieuwe mobiliteitsconcepten. Positieve ervaringen uit lopende pilots zullen de gezamenlijke overheden breder gaan toepassen. In een goed functionerende mobiliteitsketen spelen lopen, fiets, openbaar vervoer en deelmobiliteit een belangrijke rol. Dit vraagt om een frequent en betrouwbaar aanbod, betaalbaarheid, goede reisinformatie, een veilig en gemakkelijk betaalsysteem en onderlinge aansluiting van modaliteiten. Zo kan het zijn dat belemmeringen weggenomen moeten worden om openbaar vervoer- en taxibedrijven flexibel en vraaggericht vervoer (‘mobility as a service’) te kunnen aanbieden. Provincies en vervoerregio’s die met nieuwe vormen van doelgroepenvervoer, openbaar vervoer en MaaS- deelsystemen willen experimenteren, krijgen daarvoor de ruimte. Zo kan het zijn dat belemmeringen weggenomen moeten worden om openbaar vervoer- en taxibedrijven flexibel en vraaggericht vervoer (‘mobility as a service’) te kunnen aanbieden. Bij het stimuleren van fietsen wordt de aanpak vanuit de Tour de Force centraal wordt gesteld. De Rijksoverheid zet zelf aanvullend in op de volgende twee thema’s: Banden (zowel inzet op gebruik van energiezuinige banden als banden op juiste spanning) . Biobrandstoffen (ook nieuw te ontwikkelen hernieuwbare brandstoffen).
Ten slotte kunnen de gezamenlijke overheden de inkoopkracht inzetten om de uitrol van duurzame voertuigen en brandstoffen te versnellen. Bijlage 3 - Normeringsystematiek gemeentefonds en provinciefonds Dit memo beschrijft de normeringsystematiek van het gemeentefonds en provinciefonds, zoals met de afspraken van 14 februari 2018 wordt bevestigd door het kabinet Rutte III en de vertegenwoordigers van decentrale overheden. Dit memo beschrijft de uitgangspunten van de normeringsystematiek alsook de wijze van presentatie en berekening. De sy stematiek treedt in werking vanaf kalenderjaar 2018. Uitgangspunten De normeringsystematiek ‘samen trap op, samen trap af’ bestaat sinds 1994 en bewerkstelligt een evenredig, actuele, inzichtelijke en beheersbare indexatie van het Gemeentefonds en Provinciefonds. Het betreft één integrale indexatie voor zowel loon-, prijs- als volumeontwikkelingen. Hier lopen de intensiveringen en/of ombuigingen van het Rijk in mee. Doel van de normeringsystematiek is dat budgettaire lusten of lasten op rijksniveau evenredig worden doorvertaald naar de ontwikkeling van de fondsen voor decentrale overheden. De evenredigheid wordt in de normeringsystematiek versterkt door een koppeling aan de totale rijksuitgaven. Deze bredere basis zorgt voor meer stabiliteit in de accresontwikkeling.
Immers, verschuivingen tussen de verschillende budgettaire deelplafonds hebben niet langer effect op de accresontwikkeling. Deze wijziging in de normeringsystematiek is in lijn met de belangrijkste conclusies van zowel de evaluatie van de normeringsystematiek uit 2016 als de 15de Studiegroep Begrotingsruimte. De grotere stabiliteit doordat het accres gekoppeld is aan de totale uitgaven waarop het Rijk stuurt, komt tegemoet aan de wens van decentrale overheden. De normeringsystematiek blijft afgezien van de koppeling aan de totaal rijksuitgaven hetzelfde. De normeringsystematiek bestaat uit twee delen: een rekenkundige uitkomst en een bestuurlijke weging. De bestuurlijke component voorziet erin dat alle partijen (Rijk, VNG of IPO) de rekenkundige uitkomsten in het halfjaarlijkse bestuurlijk overleg financiële verhoudingen aan de orde kunnen stellen. Het is goed om te realiseren dat de normeringsystematiek meer is dan alleen een rekenkundige exercitie. De ervaring heeft namelijk geleerd dat de financiële verhouding zoveel facetten omvat dat het niet goed mogelijk is om alle situaties op voorhand volledig te voorzien zowel bij de gemeenten en provincies als bij het Rijk. Ook bij eventuele wijzigingen van de systematiek blijft het bestuurlijke gesprek noodzakelijk om over een volwaardige normeringsystematiek te kunnen spreken.
Presentatie normeringsystematiek Berekening van de accresontwikkeling Gemeenten en provincies beschikken over verschillende inkomstenbronnen om de uitgaven voor hun taken te financieren. Eén van de belangrijkste inkomstenbronnen voor decentrale overheden is de algemene uitkering uit het gemeentefonds en het provinciefonds. Beleidsintensiveringen, ombuigingen, mee- en tegenvallers en nominale ontwikkelingen op de Rijksbegroting hebben via de normeringsystematiek direct invloed op de omvang van de fondsen (‘samen de trap op, samen de trap af’). De jaarlijkse toe- en afname van het gemeentefonds en het provinciefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de Rijksuitgaven wordt het accres genoemd. Bij de bepaling van de omvang van accresrelevante uitgaven (aru) vormen de netto uitgaven onder het uitgavenplafond het startpunt. Netto wil zeggen dat de Rijksuitgaven worden gesaldeerd met de niet-belastingontvangsten. Op de netto uitgaven onder het uitgavenplafond (A) worden correcties (B) doorgevoerd voor verschillende posten zoals het Gemeentefonds en Provinciefonds zelf. Het saldo (C) geeft de accresrelevante uitgaven en vormt de basis voor de accresberekening. Het accres is vervolgens het product van de grondslag (E en H) en de aru in procenten (D). Technische uitwerking Bepaling accresrelevante uitgaven (aru).
Om de aru te berekenen wordt uitgegaan van de netto Rijksuitgaven onder het uitgavenplafond inclusief drie type correcties: 1. Rijksuitgaven aan gemeenten en provincies Uitgaven onder het uitgavenplafond die het Rijk overmaakt naar gemeenten en provincies worden uit de aru gecorrigeerd. Deze overdrachten zijn immers bestemd voor de financiering van uitgaven door gemeenten en provincies zelf en maken derhalve geen onderdeel uit van de rijksuitgaven waarop de trap-op-trap-af van toepassing is. Het corrigeren van de overdrachten is ook nodig om een onbedoelde
doorwerking van accres op accres in hetzelfde jaar te voorkomen. Rijksuit gaven die op deze wijze gecorrigeerd worden zijn onder andere de algemene-, decentralisatie- en integratie-uitkeringen van het gemeentefonds en provinciefonds, de uitgaven van het Btw-compensatiefonds, de bijstand en de integratie uitkering sociaal domein. 2. Uitgavenmutaties in de WW als gevolg van conjunctuur In de begrotingsregels van het kabinet Rutte III is afgesproken dat gedurende de regeerperiode het uitgavenplafond gecorrigeerd wordt voor mutaties in de WW - uitgaven als gevolg van de conjunctuur. Het Rijk hoeft zodoende mee- en tegenvallers in de WW-uitgaven als gevolg van conjunctuur niet op te vangen binnen het uitgavenplafond en zijn om deze reden ook niet accresrelevant. 3. Financieringsverschuivingen gedurende de kabinetsperiode Financieringsverschuivingen zijn verschuivingen van geldstromen binnen het Rijk die niet tot meer of minder bestedingsruimte van het Rijk leiden, maar zonder correctie wel effect zouden hebben op het accres. Dit zijn dus verschuivingen tussen accresrelevante uitgaven en niet-accresrelevante uitgaven. Bij een schuif is per saldo geen sprake van meer of minder uitgaven op rijksniveau, maar is alleen sprake van een andere financieringsbron.
Denk bijvoorbeeld aan overhevelingen van departementale begrotingen naar het gemeentefonds en provinciefonds en financieringsverschuivingen tussen de inkomsten- en de uitgavenkant. Door de verbreding van de basis waarop de normeringsystematiek is gebaseerd zijn alle correcties die samenhangen met historische financieringsverschuivingen vervall en. Grondslag De normeringsystematiek is van toepassing op alle middelen die worden verantwoord onder het gemeentefonds en provinciefonds en vallen onder het uitgavenplafond Rijksbegroting (voorheen genaamd: uitgavenkader Rijksbegroting in enge zin). Daarmee is de grondslag waarover de normeringsystematiek wordt uitgekeerd dus breder dan alleen de algemene uitkering van beide fondsen. Het accrespercentage dat volgt uit de normeringsystematiek wordt ook gebruikt voor indexatie van het plafond van het BTW-compensatiefonds. Voor de berekening van het accres in jaar t wordt de grondslag van het voorgaande jaar (t -1) genomen. Het accrespercentage in jaar t betreft immers ook de groei van de aru ten opzichte van het voorgaande jaar (t-1). Als de aru met x% stijgen in jaar t groeien het gemeentefonds en het provinciefonds via het accres in jaar t ook met x%. Hiermee wordt het principe van trap -op- trap-af gewaarborgd. Dit heeft tot gevolg dat mutaties in de grondslag altijd met een jaar vertraging doorwerken in de normeringsystematiek.
Via taakmutaties kunnen departementen geld toevoegen of onttrekken aan één van beide fondsen, dit werkt door als grondslagmutatie. Uitgangspunt is dat bij taakmutaties geen jaren ontstaan zonder indexatie van deze overgehevelde budgett en. Dat betekent dat bij overheveling van of naar het gemeentefonds of provinciefonds het verantwoordelijke departement een reeks overhevelt met indexatie over het lopende jaar. Timing en publicatie Twee keer per jaar worden gemeenten en provincies geïnformeerd over de actuele accresontwikkeling, via de mei- en septembercirculaire over beide fondsen. Deze circulaires zijn gebaseerd op de besluitvorming van het Rijk in het kader van de Voorjaars - en Miljoenennota. Het accres wordt definitief vastgesteld op basis van de realisatiestanden uit het Financieel Jaarverslag van het Rijk, zodat de normeringsystematiek actueel en narekenbaar is. De accresontwikkeling wordt meerjarig gereserveerd op de aanvullende post van het Rijk en jaarlijks geactualiseerd tot en met t+5. Bij Voorjaarsnota en Miljoenennota worden de geactualiseerde tranches voor het jaar t-1 en t (bij Voorjaarsnota), t en t+1 (bij Miljoenennota) budgettair verwerkt op de begroting van het gemeentefonds en provinciefonds.
Bijlage 4 - Weerbare democratie, weerbaar bestuur: tegengaan ondermijning democratische rechtsorde Investeren in goed openbaar bestuur betekent dat er aandacht moet zijn voor het vormgeven van een openbaar bestuur dat weerbaar is tegen ondermijning van onze democratische rechtsorde. Dat vergt inzet van maatregelen over een breed front en betrokkenheid van vele partijen. Centraal in deze investering staat de bescherming en de toerusting van politieke ambtsdragers en hun ambtenaren ten behoeve van het voorkomen en tegengaan van ondermijning door de georganiseerde criminaliteit, door antidemocratische groeperingen en door ongewenste buitenlandse inmenging. Daarnaast gaat het om het zorgdragen voor een weerbare samenleving als zodanig. Deze brede benadering sluit ook aan bij de in het Regeerakkoord opgenomen algemene ambitie om pal te staan voor het Nederland van vrijheden, democratie en rechtsstaat. Het tegengaan van ondermijning van de democratische rechtsorde in al zijn facetten, zoals boven aangeduid, vormt in het huidige tijdsgewricht een steeds groter thema. Niet alleen voor het Rijk, maar zeker ook voor de decentrale overheden. Het Rijk, de gemeenten, de provincies en de waterschappen geven in dit kader gezamenlijk vorm aan een versterkte en brede gezamenlijke aanpak van ondermijning van de democratische rechtsorde.
Uitgangspunt bij de uitwerking van deze aanpak is de overtuiging dat samenwerking tussen landelijke organisaties, regionale en lokale partijen en het hebben van aandacht voor een gebiedsgerichte – specifiek op de lokale situatie toegesneden – aanpak de grootste meerwaarde opleveren. Voorts wordt geredeneerd vanuit de gedachte dat de gemeente de spil is in het lokale web van organisaties, inwoners, ondernemers, verenigingen, kortom de lokale maatschappij. Juist in die lokale werelden dienen de mogelijkheden te worden gezocht om de voedingsbodem waarin de ondermijning van de democratische rechtsorde kan gedijen, aan te pakken. Afbakening en afstemming uitwerking afspraken Uitgaande van de inzet van maatregelen voor de aanpak van ondermijning van de democratische rechtsorde, is het enerzijds van belang om af te bakenen welke afspraken en vervolgacties in welke (inter)bestuurlijke trajecten of gremia worden uitgewerkt. Anderszins is afstemming van belang om de samenhang tussen de te onderscheiden activiteiten te bewaken met het oog op een effectieve integrale aanpak op nationaal, regionaal en lokaal niveau.
Er zijn reeds twee hoge bestuurlijke gremia waarbinnen het tegengaan van ondermijning van de democratische rechtsorde wordt uitgewerkt en aangejaagd en waarmee dubbelingen - tussen deze gremia en (de governance van) het IBP - voorkomen moet worden: het betreft de Stuurgroep aanpak ondermijning die de Toekomstagenda Ondermijning uitwerkt (met daarin de ministeries van JenV, BZK, de VNG, de regioburgemeesters, de Belastingdienst, de politie en het openbaar ministerie) en de integrale aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging zoals die is vormgegeven binnen het reeds bestaande interdepartementale traject Ongewenste Buitenlandse Inmenging (OBI). Toekomstagenda Ondermijning10 De overheidspartners -(regio)burgemeesters, Openbaar Ministerie, politie, Belastingdienst, LIEC en de ministeries van JenV, BZK en Financiën- hebben gezamenlijk een Toekomstagenda Ondermijning opgesteld, die de basis vormt voor de versterking en verbreding van de integrale aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit.
Zo zet de Toekomstagenda onder meer in op een veranderstrategie, het wegnemen van gelegenheidsstructuren, het weerbaar maken van het openbaar bestuur en private sectoren tegen vermenging en beïnvloeding door georganiseerde criminaliteit, de aanpak van criminele markten, de repressieve aanpak van criminelen en criminele groeperingen en op aanpassing aan de verdergaande technologisering 10 Kamerstukken II, 2016/17, 29 911, nr. 167 (bij brief d.d. 14 juli 2017) en mondialisering om georganiseerde criminaliteit tegen te gaan. Om de gewenste beweging in de regio’s tot stand te brengen en te stimuleren, is een governancestructuur in oprichting die past bij wat nodig is voor de uitvoering van de Toekomstagenda, de vormgeving van de ‘Ondermijningswet’ en het beheer van het ondermijningsfonds. Deze governancestructuur, waaronder ondermijningswetgeving en het ondermijningsfonds, functioneert onder coördinatie van JenV. Oplossingen voor mogelijke (nu nog niet voorziene) dubbelingen tussen (de governance van) het IBP en (de governancestructuur van) de Toekomstagenda Ondermijning worden in de Stuurgroep Aanpak Ondermijning besproken. Daar wordt vastgesteld onder welk traject en governance de actie wordt belegd.
Reeds bestaande inzet op ongewenste buitenlandse inmenging In de afgelopen maanden heeft er een interdepartementaal traject Ongewenste Buitenlandse Inmenging (OBI) gelopen, gericht op een efficiëntere en meer effectieve inrichting van de bestaande samenwerking, een versterking van reeds in gang gezette trajecten en onderzoek naar nieuwe mogelijkheden. De actuele dan wel voorstelbare dreiging, de belangen die in het geding zijn en de bestaande weerstand zijn daarbij bezien. Daarbij is helder geworden dat er verschillende vormen van inmenging plaatsvinden en dat er verschillende doelen worden beoogd. Voorbeelden hiervan zijn het verspreiden van desinformatie, het intimideren en afpersen van migrantengroepen en het financieren van organisaties die een fundamentalistische, antidemocratische ideologie verspreiden. Al deze vormen van inmenging vormen een potentiële bedreiging voor het functioneren van de democratische rechtsorde. Niet alleen omdat hiermee democratische processen kunnen worden beïnvloed, maar ook omdat hiermee mensenrechten kunnen worden ingeperkt of het onderlinge vertrouwen tussen bevolkingsgroepen kan worden aangetast. In dit kader wordt er in de komende periode door de verschillende partijen gezamenlijk geïnvesteerd in: a. Een betere informatiepositie b. Een steviger coördinatie op de gezamenlijke inzet c. Versterkte strategische communicatie d.
Meer intensieve internationale samenwerking e. Het verminderen van dreiging bij de bron f. Meer bewustwording en weerbaarheid g. Het versterken van de binding aan de Nederlandse democratische rechtsorde h. Het zorgdragen voor meer transparantie in financieringsconstructies i. Het versterken van het handelingsinstrumentarium. Afbakening en afstemming Uitgangspunt is dat de activiteiten die worden gecoördineerd op verschillende plekken en vanuit verschillende structuren – zoals hierboven genoemd- elkaar moeten versterken en aanvullen. Hiertoe wordt in het kader van het IBP, in aanvulling op de activiteiten die worden gecoördineerd vanuit de genoemde structuren, door het Rijk, de gemeenten , provincies en waterschappen gezamenlijk geïnvesteerd in activiteiten op het terrein van: 1. Een weerbare democratie: voorkomen van ongewenste buitenlandse inmenging door in de samenleving en in de besluitvormingsprocessen van onze overheid door te investere n in bewustwording en het leren herkennen van de signalen en het actief ontwikkelen van instrumentarium om deze beïnvloeding tegen te gaan. 2. Een weerbaar bestuur: zorgdragen voor integere bestuurders, volksvertegenwoordigers e n ambtenaren en een openbaar bestuur dat zich veilig en beschermd weet tegen vormen van beïnvloeding die zich niet goed verhouden tot de democratische rechtsorde. 3.
Een weerbare samenleving: een samenleving waarin op het brede terrein van de leefbaarheid een zodanige inzet wordt gepleegd dat de voedingsbodem die aan ondermijning van de democratische rechtsorde ten grondslag ligt wordt gereduceerd. Afspraken In het kader van het IBP worden de volgende interbestuurlijke afspraken vastgelegd. Deze afspraken weerspiegelen de brede benadering die door het Rijk, de gemeenten, de provincies en de waterschappen wordt gekozen waar het gaat om het voorkomen en tegengaan van ondermijning van de democratische rechtsorde. Steeds geldt hierbij dat ervan uit wordt gegaan dat de kosten zowel door de inbreng van gelden vanuit het Rijk als door inbreng vanuit de gemeenten, de provincies als de waterschappen gedekt moeten gaan worden. Daarbij moet wel in acht worden genomen dat het hier om voorlopige inschattingen gaat en dat maatvoering (op hoeveel gemeenten dan wel politieke ambtsdragers zijn de inspanningen gericht etc.) bepalend zal zijn. Voorts is het uitganspunt een 50/50 verdeling van de kosten, maar een precieze verdeling op basis van ter beschikking staande dan wel bij voorjaarnota of anderszins ter beschikking komende middelen zal in een latere fase van meer gedetailleerde uitw erking tot stand moeten komen. 1.
Het verbeteren van de informatiepositie/informatiehuishouding van gemeenten Deze investering is gericht op het geven van een vervolg aan de verkenning die op dit moment plaatsvindt in de uitvoering van de City Deal ‘Zicht op Ondermijning’. Deze verkenning is gericht op het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden die geavanceerde data -analyse met zich meebrengen om beter zicht te krijgen op fenomenen die ondermijnend zijn opdat vervolgens een meer gerichte beleidsinzet kan plaatsvinden. De huidige verkenning wordt uitgevoerd door 5 gemeenten, het CBS, de politie, de belastingdienst, min. JenV en min. BZK. Voor 2018 is de verwachting dat de City Deal een steile leercurve doorloopt en dat er vruchten geplukt kunnen worden waarna er eerst een grotere groep gemeenten met de data gedreven aanpak van ondermijning van de democratische rechtsorde kan gaan starten en er uiteindelijk een landelijke uitrol kan gaan plaatsvinden. Ter voorbereiding op een gefaseerde verbreding van deze aanpak kan in 2018 gestart worden met de werving en bestuurlijke voorbereiding van de volgende groep van circa 25 gemeenten. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de ervaringen die zijn opgedaan in het kader van de Landelijke Aanpak Adreskwaliteit, waarbij met behulp van data-analyse en risicoprofielen adresfraude wordt aangepakt bij inmiddels 238 gemeenten. 2.
Versterken en vormgeven van de gebiedsgerichte aanpak bij on dermijningsgevoelige gebieden, met aandacht voor regionale samenwerking Een cumulatie van factoren, zoals sociaaleconomische en/of sociaal -culturele factoren, kunnen een vruchtbare voedingsbodem vormen voor ondermijning van de democratische rechtsorde. Bijvoorbeeld waar deze leiden tot parallelle samenlevingen waar sprake is van eigenrichting en aantasting van het gezag van de overheid. Het gaat hierbij om een aanpak op maat, die aansluit bij specifieke regionale en/of lokale knelpunten om deze voedingsbode m te verminderen. Te denken valt aan buitengebieden, bedrijventerreinen, kwetsbare wijken en vakantieparken. Een effectieve aanpak van de aanwezige multiproblematiek is gebaat bij een integrale, gebiedsgerichte aanpak, waarbij sprake is van een intensieve samenwerking tussen Rijk(sdiensten), decentrale overheden, brancheorganisaties en het maatschappelijk middenveld. In het kader van het IBP worden maatregelen uitgewerkt en middelen ter beschikking gesteld die zien op het ondersteunen van gemeenten bij een integrale aanpak van de multiproblematiek in dergelijke gebieden. Er wordt een tijdelijke, nader samen te stellen, werkgroep gecreëerd met deelnemers vanuit het Rijk en decentrale overheden die gericht is op het verbreden en verdiepen van het (in) zicht.
Op basis van dat (in)zicht wordt bezien welke ondersteuning door middel van expertise waar nodig is en of aanpassing van wetgeving aan de orde is. Hierbij geldt dat er in ieder geval specifieke aandacht zal zijn voor het creëren van oplossingen voor huisvesting van spoedzoekers waar het gaat om de vakantieparken- problematiek. In de aanpak wordt gekozen voor een gefaseerde opbouw waarbij in eerste instantie op een beperkt aantal gebieden wordt ingezet en er vervolgens wordt toegewerkt naar een landelijke inzet. Hierbij wordt voortgebouwd op reeds bestaande initiatieven en wordt gebruik gemaakt van het reeds bestaande zicht op de problematiek van kwetsbare gebieden. Voorts wordt ingezet op ondersteuning van gemeenten bij hun integrale aanpak van kwetsbare gebieden, zoals dat naar voren komt uit onder andere de Leefbaarometer en de inzet van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. 3. Investeren in weerbaar bestuur Hierbij gaat het om het vormgeven van de bescherming en toerusting van politieke ambtsdragers en hun ondersteuning op een manier die aansluit bij de huidige dreiging die uitgaat van verschillende vormen van ondermijning van de democratische rechtsorde die zich in Nederland voordoen.
Inzet op het beschermen van de veiligheid en integriteit van politieke ambtsdragers en hun ondersteuning In een veranderende context (waarin ondermijning van democratie en bestuur als gevolg van georganiseerde ondermijnende criminaliteit, antidemocratische groeperingen/tendensen en ongewenste buitenlandse inmenging de aard van agressie en geweld richting politieke ambtsdragers heeft veranderd en er nieuwe integriteitsvraagstukken opdoemen) is het nodig het beveiligingsinstrumentarium en het screeningsinstrumentarium voor politieke ambtsdragers tegen het licht te houden. Er wordt voorgesorteerd op een versterkte bescherming van de veiligheid en integriteit van politieke ambtsdragers. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het kunnen vormgeven van een hoger preventief basis beveiligingsniveau voor politieke ambtsdragers bestaande uit een basisprogramma persoonlijke veiligheid (1) waartoe persoonsgebonden risico inventarisaties en bijbehorende advisering over beveiligingsmaatregelen behoren en (2) de daadwerkelijke uitvoering van preventieve beveiligingsmaatregelen die buiten het stelsel Bewaken en Beveiligen vallen.
Daarnaast wordt verkend of de mogelijkheden van politieke partijen en gemeenteraden kunnen worden uitgebreid om preventief eventuele kwetsbaarheden en (integriteits)risico’s van kandidaat - volksvertegenwoordigers en –bestuurders vooraf te kunnen toetsen en transparant te maken. Ook wordt onderzocht of uitbreiding mogelijk is van het instrumentarium van burgemeesters en commissarissen van de Koning voor de aanpak van (aanhoudende) bestuurlijke- of integriteitsproblemen in gemeenten of provincies. Dat vraagt aan de andere kant ook van decentrale overheden de opstelling van risico-analyses en -profielen voor een passende screening. Deze activiteiten worden mede in relatie tot het Netwerk Weerbaar Bestuur ingez et. Inzet op het toerusten van politieke ambtsdragers en hun ondersteuning in het tegengaan van ondermijning van de democratische rechtsorde Binnen gemeenten is er behoefte aan een meer toegespitste toerusting om ondermijning van democratie en bestuur als gevolg van georganiseerde ondermijnende criminaliteit, antidemocratische groeperingen/tendensen en ongewenste buitenlandse inmenging tegen te kunnen gaan.
Aanvullend aan het werk wat het LIEC en de RIEC’s op dit vlak doen (qua handelingsperspectief verrichten) wordt voorgesteld om gezamenlijk te investeren in een versterkte bewustwording en kennis over de democratische rechtsorde (wat valt er te beschermen), de genoemde vormen van ondermijning en de manieren waarop zij zich manifesteren (ontwikkeling leergangen met gebruikmaking van wat er al is). Daarnaast wordt voorgesteld gezamenlijk op te trekken in een verkenning naar en ontwikkeling van nieuw (al dan niet wettelijk) instrumentarium, voor zover dat buiten de scope van het huidige wetgevingstraject in het kader van de in het Regeerakkoord aangekondigde “ondermijningswet” valt. Deze “ondermijningswet”, die onder coördinatie van Justitie en Veiligheid wordt uitgewerkt, is een kapstok waar verschillende aanpassingen van wetgeving die, geheel of gedeeltelijk, de aanpak van ondermijning versterken. Dat iets momenteel buiten de scope valt wil niet zeggen dat het op een later moment, door aangedragen wensen en knelpunten, nog wel binnen deze ondermijningswet zal vallen. Hetzelfde geldt voor de initiatieven die in het kader van het tegenaan van ongewenste buitenlandse inmenging en antidemocratische groeperingen en tendensen reeds zijn ingezet onder het OBI.