8.1 VNG - programmastart Interbestuurlijk programma.pdf
Tekst van het document
Gemeenten worden beter betrokken bij de prognoses en planning in de asielketen. Daarnaast wordt gestreefd naar meer flexibele vormen van asielopvangcapaciteit, waarmee schommelingen in de asielinstroom efficiënter kunnen worden opgevangen. Met lokale overheden wordt gewerkt aan afspraken over de mogelijkheden om lokaal flexibele vormen van asielopvangcapaciteit te realiseren. Ook het vasthouden van de grote inzet die vele gemeenten hebben laten zien in het tijdig huisvesten van vergunninghouders is van belang voor een goed functionerend stelsel – we streven ernaar vergunninghouders nog sneller uit de opvang te krijgen. Daarnaast moet voor asielzoekers met een grote kans op verblijf en vergunninghouders spoedige huisvesting, integratie en participatie in de gemeenten voorop staan. Onderdeel hiervan is dat er gestuurd wordt op plaatsing in de regio waar zij worden gehuisvest, daarbij rekening houdend met werkkwalificaties en het regionale en lokale baanaanbod en het minimaliseren van verhuisbewegingen. Het belang van kinderen wordt daarbij expliciet meegewogen. Verder moet een flexibel en effectief stelsel bijdragen aan effectieve en snelle terugkeer. Voorwaarde hiervoor is dat er vroegtijdig in het asielproces een onderscheid kan worden gemaakt tussen asielzoekers met een grote kans op verblijf en zij met een kleine tot geen kans op verblijf.
Waar de eerste groep zo snel mogelijk wordt geplaatst in de regio van huisvesting, wordt de tweede groep opgevangen op centrale locaties (GVL’s), zodat de procedure zo snel en effectief mogelijk kan verlopen en verplaatsingen kunnen worden beperkt. Waar bij de eerste groep de focus ligt op integratie en participatie, gaat het bij de tweede groep om vergroten van de kansen op terugkeer. Ervaringen met deze doelgroep in andere Europese landen worden daarbij benut. De integratie van vluchtelingen die mogen blijven, begint op een zo vroeg mogelijk moment waarbij gemeenten meer regie krijgen. We maken het mogelijk dat zij snel starten met het leren van de Nederlandse taal en zorgen voor doorlopende begeleiding van vluchtelingen tussen opvang en het landen in gemeenten. Verhuisbewegingen worden tot een minimum beperkt. Van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving wordt verwacht dat zij zo snel mogelijk zelfstandig kunnen participeren in de Nederlandse samenleving, liefst via betaald werk. Om dit proces effectiever en efficiënter te laten verlopen krijgen gemeenten meer regie op inburgering. Gemeenten hebben sinds de verhoogde asielinstroom 2015-2017 nieuwe werkwijzen ontwikkeld die in de komende kabinetsperiode moeten worden doorontwikkeld.
Het doel is om integrale trajecten op maat te bieden aan nieuwkomers waarbij er een combinatie gemaakt wordt tussen inburgering, opleiding, geleiding naar werk, financiële zelfredzaamheid en gezondheid. Onderdeel hiervan is ook de uitwerking van een ‘ontzorgend en activerend systeem’ dat gemeenten meer mogelijkheden biedt om aandacht te geven aan moeilijkere doelgroepen. Het streven is hierbij een taalniveau te bereiken dat aansluit bij de arbeidsmarkt. In nauw overleg met betrokken partijen (waaronder onderwijs, werkgevers, vluchtelingenorganisaties) en aansluitend bij bestaande structuren wordt de nieuwe praktijk doorontwikkeld. De realisatie van acht gezamenlijke landelijke vreemdelingenvoorzieningen (on derdaks- en begeleidingsvoorzieningen in gemeenten voor mensen zonder recht op verblijf) is met nadruk een opgave die Rijk en gemeenten gezamenlijk ter hand moeten nemen. De LVV’s dienen een belangrijke bijdrage te leveren aan de aanpak van illegaal verbli jf en de verbetering van terugkeer of realisatie van een andere duurzame oplossing voor de doelgroep. Een doelstelling van de ontwikkeling van de LVV’s is dat alle gemeenten met eigen opvangvoorzieningen zich hier uiteindelijk bij aansluiten. Hiervoor will en Rijk en gemeenten met een gezamenlijk programma onder gedeeld opdrachtgeverschap effectieve lokale voorzieningen ontwikkelen.
Gemeenten en lokale NGO’s, Rijk en organisaties in de migratieketen, spannen zich daartoe de komende drie jaar met mensen en mi ddelen in waarbij begonnen wordt met pilot-LVV’s en een landelijk programma dat het LVV-concept moet ontwikkelen. 8. Goed openbaar bestuur in een veranderende samenleving Maatschappelijke opgave De veranderende samenleving roept vragen op over welke kernwaarden, grondrechten en principes wij in de samenleving willen hanteren. De samenleving verwacht van het openbaar bestuur concrete resultaten op maatschappelijke opgaven. Daarvoor is het bestuur steeds meer aangewezen op initiatieven vanuit diezelfde samenleving. De overheid moet zich positioneren als onderdeel van de samenleving en staat voor de uitdaging vertrouwen te verkrijgen en te behouden in een veranderende (informatie)samenleving. Complexe opgaven vragen om een sterke democratie en bestuur dat in staat is om problemen op te lossen en dat te doen op een wijze die aansluit bij de eisen van deze tijd. Dat betekent opereren als democratische overheid (betrokken, betrouwbaar, effectief), als één overheid (samenwerkend in de uitvoering) en als iOverheid (die digitalisering en informatie-uitwisseling benut).
Gezamenlijke ambitie Samen met de samenleving concrete resultaten halen en tegelijkertijd de verbinding met burgers onderhouden vergt een andere werkwijze en een proces met permanente interactie. Het vraagt om een kaderstelling met voldoende mandaat, optreden als collegiaal bestuur zonder sectorale tussenschotten en met oog en oor voor situationele verschillen. Om op lokaal niveau opgaven krachtig te kunnen oppakken zijn een sterke lokale democratie en een sterk, weerbaar bestuur nodig dat een breed vertrouwen heeft en niet polariseert maar verbindt. We investeren in de kwaliteit van onze besturen. De bedreigingen die zich voordoen voor onze democratische rechtsorde en die deze ondermijnen vragen daarnaast om bijzondere aandacht. Burgers verwachten daarnaast dat de overheid transparant en integer is, dat zij haar eigen kerntaken excellent uitvoert en optimaal gebruikmaakt van de mogelijkheden die de informatiesamenleving henzelf en hun overheid biedt. Digitale mogelijkheden worden ingezet voor betere dienstverlening en gegevensuitwisseling, vergroting van openbaarheid/transparantie en het op orde krijgen van de informatiehuishouding.
Ingrediënten voor het interbestuurlijk programma Modern besturen vergt investeren in mensen en competenties, in nieuwe werkwijzen en processen, in flexibiliteit en wendbaarheid van de organisatie en in professionele toerusting en zorgvuldig en transparant beheer. Dat verbinden wij aan de maatschappelijke opgaven in het interbestuurlijk programma en daaraan gerelateerde (lopende) projecten en voornemens, geclusterd volgens drie onderscheiden rollen: 1. Eén overheid: Samen met de samenleving en private partners willen wij (Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen) als één overheid werken aan de realisatie van concrete resultaten. Dat vergt meer situationele arrangementen en vormen van samenwerken met een meer flexibele organisatie en een meer adaptieve werkwijze (geen blauwdrukken). Hiertoe wordt een programma opgesteld waarin het Rijk van decentrale overheden die (regionaal) samenwerken aan een vernieuwende aanpak van de opgaven in dit IBP kunnen leren en samen kunnen experimenteren in een proeftuin of pilotproject. Parallel gaan wij de Code interbestuurlijke verhoudingen actualiseren op grond van de uitgangspunten in dit IBP en hebben wij de ambitie om de betrokkenheid van de medeoverheden te verstevigen bij totstandkoming van EU-regelgeving.
We gaan werken aan vernieuwing van het interbestuurlijk en financieel toezicht, zodat het toezicht zo effectief mogelijk is en passend is bij een gezamenlijke aanpak van maatschappelijke opgaven. Maatschappelijke opgaven worden interbestuurlijk en domeinoverstijgend opgepakt. Steeds meer overheidstaken worden ook op regionale schaal georganiseerd. Denk aan de grote hoeveelheid aan gevormde gemeenschappelijke regelingen. We zullen in dit verband na goed overleg en zo nodig de Wet gemeenschappelijke regelingen herzien. 2. Democratische overheid: Burgers willen grip houden op de inzet van hun overheid en erop vertrouwen dat het handelen van het openbaar bestuur kundig, integer en democratisch is en gelegitimeerd door gemeenteraden, Provinciale Staten, algemeen besturen van de waterschappen en het parlement. Een onafhankelijke nieuwsvoorziening is daarbij een belangrijke randvoorwaarde. Ook in kleine gemeenten moeten raadsleden meer tijd vrij kunnen maken voor raadswerk en raadsleden moeten voldoende kunnen worden toegerust met ondersteuningsaanbod en opleidingen.
Een sterke democratie en een sterk, weerbaar bestuur dat kan rekenen op breed vertrouwen vergt investeren in de relatie tussen kiezer en gekozene, investeren in de toerusting en ondersteuning van decentrale volksvertegenwoordigers en bestuurders en investeren in een weerbare democratie, een weerbaar bestuur en weerbare samenleving. Deze ambitie wordt voor de zomer van 2018 uitgewerkt in een actieprogramma versterking democratie en bestuur. Door de interbestuurlijke partners worden daarbij afspraken gemaakt over de gezamenlijke financiering van een aantal onderdelen van dit actieprogramma en de benodigde wettelijke en financiële randvoorwaarden om de investeringen duurzaam te borgen. In de uitwerking van de afspraken en het actieprogramma wordt samengewerkt met relevante partijen als de beroeps- en belangenverenigingen van burgemeesters (NGB), wethouders (WHV), raadsleden (Raadslid.Nu), griffiers (VvG) en gemeentesecretarissen (VGS), Statenleden, politieke partijen, AenO fonds, ProDemos, BZK en koepels VNG, IPO, UvW. Voor ogen sta at een flexibel programma waaraan steeds nieuwe, actuele thema’s kunnen worden toegevoegd en een menging van activiteiten met een meer generiek en met een meer specifiek karakter.
Weerbaar tegen ondermijning van de democratische rechtsorde: De interbestuurlijke Toekomstagenda Ondermijning vormt de leidraad voor (de versterking van) de aanpak van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. De activiteiten die in het kader van het IBP worden opgezet zullen daar aanvullend aan zijn en niet mee overlappen. Het IBP beoogt een stevige gezamenlijke investering in een weerbare samenleving, een weerbare democratie en weerbaar bestuur, inclusief het ambtenarenapparaat, te realiseren. Centraal in deze investering staat de bescherming en de toerusting van politieke ambtsdragers ten behoeve van het tegengaan van ondermijning van de democratische rechtsorde door de georganiseerde criminaliteit, door antidemocratische groeperingen en door ongewenste buitenlandse inmenging. In dit kader voorziet het IBP in concrete afspraken ter verbetering van onder andere de informatiepositie/informatiehuishouding van gemeenten; ter versterking en vormgeving van de gebiedsgerichte aanpak bij ondermijningsgevoelige gebieden en ter investering in een weerbaar bestuur.
Hierbij geldt dat de activiteiten die plaatsvinden in het kader van het IBP in het verlengde liggen van hetgeen plaatsvindt in het kader van de reeds bestaande inzet zoals die plaatsvindt in de uitvoering van de Toekomstagenda Ondermijning en de reeds geïnitieerde activiteiten die plaatsvinden binnen de context van de al bestaande aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. 3. iOverheid: De ‘informatiesamenleving’ biedt veel kansen voor samenleving en openbaar bestuur. Digitalisering biedt mogelijkheden om de mens, de woning, de wijk of het bedrijf centraal te zetten bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Een e xcellente uitvoering van kerntaken, actieve openbaarmaking van informatie en systematisch op orde brengen van de informatiehuishouding. Maar het roept ook vragen op over de kernwaarden die de samenleving wil hanteren en de rol die de overheid daarin speelt (bijvoorbeeld het aspect van privacy). De oplossing van veel dilemma’s ligt in het (situationeel) handelen van de professional op de werkvloer en de inrichting van werkprocessen. Aspecten van ‘modern openbaar bestuur’ en ‘moderne democratie’ en de waardenvraagstukken die daarbij aan de orde zijn willen wij ophalen vanuit de praktijk en aan de hand van dialoog over de invalshoeken van goed openbaar bestuur, en neerleggen in een Code Goed Digitaal Openbaar Bestuur.
Bij elke opgave bieden we een ‘challenge informatiesamenleving’ aan. Samen met wetenschap en innovatiesectoren en bedrijfsleven gaan we kijken hoe het vraagstuk op een vernieuwende manier kan worden benaderd en wat het betekent voor het openbaar bestuur. Samengevat gaan we georganiseerd ‘denken’ (experts), ‘doen’ (proeftuinen) en het ‘debat’ aan (maatschappelijk, politiek-bestuurlijk). 9. Passende financiële verhoudingen Randvoorwaarde bij gezamenlijke ambities in maatschappelijke opgaven De inrichting van de financiële verhoudingen tussen Rijk en medeoverheden is te beschouwen als een randvoorwaarde voor een succesvolle uitvoering van dit programma. Het Rijk en de medeoverheden werken daarom binnen het interbestuurlijk programma aan afspraken over passende financiële verhoudingen. Over de normeringssystematiek is reeds overeenstemming bereikt; over de herziening van de financiële verhoudingen, de EMU-normering, de overheveling van de Integratie-uitkering Sociaal Domein (IUSD) en diverse fiscale thema’s is onderstaande aanzet voor afspraken opgenomen. Ingrediënten voor het interbestuurlijk programma Herziening financiële verhoudingen Naar aanleiding van het rapport ‘Rekening houden met verschil’ werken we gezamenlijk aan het herzien van de financiële verhoudingen tussen Rijk en medeoverheden.
We hebben hierbij oog voor de grote verschillen tussen het provinciaal en gemeentelijk takenpakket, wat maakt dat de invulling van de principes die ten grondslag liggen aan die verhoudingen niet identiek hoeft te zijn. Normeringssystematiek Rijk, gemeenten en provincies bevestigen de in het Regeerakkoord vastgelegde methodiek dat met ingang van 2018 de evenredigheid in de normeringssystematiek wordt verster kt door als basis niet langer de netto gecorrigeerde rijksuitgaven te hanteren, maar de totale rijksuitgaven (inclusief zorg en sociale zekerheid). Deze bredere basis zorgt naar verwachting ook voor meer stabiliteit in de accresontwikkeling. Een gedetaille erde beschrijving van de normeringssystematiek is bijgevoegd als bijlage 3. Bijdrage decentrale overheden aan houdbare overheidsfinanciën (EMU -normering) Het Rijk en de decentrale overheden zijn in Nederland samen verantwoordelijk voor gezonde overheidsfinanciën. Op grond van de Wet houdbare overheidsfinanciën (hof) leveren het Rijk en de decentrale overheden een gelijkwaardige inspanning aan het bereiken van houdbare overheidsfinanciën in Nederland. In lijn met het Regeerakkoord en in overeenstemming met de Wet hof maken we afspraken over het aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo voor de jaren 2019 – 2021 (of 2022).
De invulling van een ‘gelijkwaardige inspanning’ door de decentrale overheden aan het EMU-saldo van de collectieve sector is een politiek-bestuurlijke weging. We maken afspraken over een basispad (op basis van raming CPB) voor het EMU -saldo en een iets ruimere EMU-norm (als buffer), zodat bij een beperkte afwijking niet direct sprake is van escalatie naar het correctiemechanisme. De komende tijd wordt in de werkgroep Financiën van het interbestuurlijk programma een besluit voorbereid zodat de bestuurlijke weging kan plaatsvinden in het voorjaar/Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv). Overheveling IUSD Rijk en gemeenten bevestigen de in het Regeerakkoord opgenomen overheveling van het integreerbare deel van de integratie-uitkering Sociaal domein naar de algemene uitkering van het gemeentefonds. Per 2019 gaan de volgende onderdelen over: IUSD Wmo en IU Wmo, met uitzondering van Beschermd wonen; IUSD Jeugdhulp, met uitzondering van Voogdij/18+; IUSD Participatie, onderdeel Re-integratie klassiek. Ter voorbereiding op de overheveling werken Rijk en gemeenten de noodzakelijke technische vraagstukken verder uit (uniformeren verdeelmaatstaven, peildata, zichtbaarheid in de vorm van (sub)clusters, toepassen uitkeringsfactoren etc.) waarbij het streven is om herverdeeleffecten zoveel mogelijk te beperken. De technische uitwerking zal zijn beslag krijgen in de circulaires.
Enkele onderdelen van de integratie-uitkering Sociaal domein zijn (nog) niet integreerbaar. 4 Rijk en gemeenten bespreken hoe deze onderdelen optimaal kunnen worden vormgegeven. Vanwege de grote invloed van de BUIG op de gemeentelijke begrotingen verkennen we de mogelijkheden om de timing van informatieverstrekking vanuit het Rijk aan gemeenten beter aan te sluiten op de gemeentelijke begrotingscyclus van gemeenten. Rijk en gemeenten spreken af te verkennen hoe de voorwaarden op basis waarvan gemeenten aanspraak maken op verschillende vangnetregelingen op elkaar afgestemd kunnen worden. Procesafspraken fiscale thema’s Decentrale belastingstelsels hebben regulier onderhoud nodig om in goede staat te blijven en toekomstbestendig te zijn. Rijk en medeoverheden gaan aan dit onderhoud werken en verkennen daarnaast de mogelijkheden die decentrale belastingstelsels bieden om de realisatie van gezamenlijke ambities te faciliteren. We spreken af om eventuele knelpunten in de fiscale regelgeving, op het niveau van zowel de Rijksoverheid als de medeoverheden, te inventariseren die belangrijke doelstellingen van zowel Rijk als decentrale overheden in de weg staan (bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid en de circulaire economie) en om te bezien of er, met inachtneming van bestaande wet- en regelgeving, oplossingen kunnen worden geboden.
Kennisuitwisseling over financiering van maatschappelijke opgaven In het kader van dit interbestuurlijk programma willen overheden kennis en informatie uitwisselen over effectieve financiering van projecten waarbij private partners betrokken zijn. Overheden vervullen daarbij een stimulerende of regierol en kunnen optreden als subsidieverstrekker, garantsteller, leningverstrekker of participant. Door planningen, investeringsagenda’s en opgaven te bundelen kunnen innovatieve financieringswijzen worden gevonden en kan de effectiviteit van projectfinanciering worden vergroot. Bij de uitwerking van het interbestuurlijk programma voorkomen we verhoging van de administratieve lasten en denken we na over mogelijkheden voor deregulering. 4 De volgende onderdelen van de IUSD zijn (nog) niet integreerbaar in de algemene uitkering: IUSD Wmo, onderdeel Beschermd wonen; IUSD Jeugdhulp, onderdeel Voogdij/18+; IUSD Participatie, onderdelen Wsw en Re-integratie nieuwe doelgroepen. 10. Overkoepelende thema’s Een aantal overkoepelende thema’s raken meerdere opgaven. Daarnaast bestaan crossovers tussen de opgaven. Het interbestuurlijk programma houdt overzicht over overlap tussen opgaven en tussen overlap met overkoepelende thema’s. Hieronder staat een aantal thema’s waarvan bekend is dat ze meerdere opgaven raken.
In de verdieping en uitwerkingsfase worden de crossovers en overkoepelende thema’s verder in kaart gebracht. Regionale gebiedsgerichte aanpak In het regeerakkoord wordt ingezet op een sterkere samenwerking tussen regio’s en Rijk. Naast de thematische insteek die in dit Interbestuurlijk Programma centraal staat, gaat het dan ook over gebiedsgerichte samenwerking. Daarvoor zijn in het regeerakkoord ook verschillende instrumenten benoemd: o.a. regionale deals, city deals, de regionale envelop en regionale energie en klimaatstrategieën (REKs). De samenwerking tussen regio’s en Rijk is belangrijk, omdat de regio in toenemende mate d e relevante schaal is om maatschappelijke opgaven op te pakken. Regionale partijen (samenwerkende gemeenten, provincies, waterschappen, bedrijven en kennisinstellingen) en het Rijk hebben elkaar nodig om effectief en in samenhang deze regionale en national e opgaven op te kunnen pakken. Door in ‘coalitions of the willing’ tot samenwerkingsafspraken te komen kunnen nationale en regionale agenda’s op elkaar worden afgestemd en deze kunnen elkaar versterken. Een breed scala aan opgaven kan daarbij aan de orde zijn: economie, arbeidsmarkt, onderwijs, vestigingsklimaat, woningmarkt, klimaatadaptatie, natuur, milieu, etc. In de afgelopen periode is o.a.
in het kader van Agenda Stad, de Proeftuinen Maak Verschil, de MIRT-tafels ervaring op gedaan met nieuwe vormen van samenwerking tussen regio’s en Rijk. In deze werkwijze is de (integrale) regionale opgave centraal gesteld en zijn daaromheen (interbestuurlijke) coalities gevormd die de opgave kunnen realiseren. Deze werkwijze zal met onder andere de inzet van de instrumenten deals en regionale envelop breder worden toegepast. Gebiedsspecifieke (regionale) opgaven die meer dan één overheid raken, zullen worden opgepakt op basis van een gezamenlijke analyse van de regionale knelpunten en kansen. Regio en Rijk kunnen vervolgens een ‘deal’ sluiten waarin zij (vernieuwende) oplossingen overeen komen en deze gezamenlijk uitvoeren. In de ‘deal’ kunnen, afgestemd op de regiospecifieke opgaven en omstandigheden, afspraken worden gemaakt over experimenteerruimte, (tijdelijke) uitzonderingen, de Omgevingswet, governance- arrangementen en/of financiële bijdragen. Krimp en Bevolkingsdaling Nederland kent 20 regio’s, veelal gelegen aan de randen van het land, die nu of in de nabije toekomst te maken hebben met bevolkingsdaling en huishoudensdaling. Deze krimp- en anticipeerregio’s zien zich gesteld voor leefbaarheidsproblematiek die zich manifesteert door sociale en fysieke problemen (verschraling van voorzieningen en leegstand).
Een effectieve aanpak van deze problemen overstijgt al snel het gemeentelijke niveau. De krimp- en anticipeerregio’s dragen bij aan de nationale economische groei en bieden kansen voor bijdragen aan diverse nationale transitieopgaven, denk aan bijvoorbeeld de energietransitie en verstedelijking. De aanpak van de gevolgen van bevolkingsdaling is een integraal vraagstuk en wordt dan ook als zodanig benaderd. Versterking van de krimp- en anticipeerregio’s vergt partnerschap van de overheden. Verkokerde manieren van werken vormen hierbij een valkuil. Vanuit h et oogpunt van integraliteit worden in een regionale maatwerkaanpak verbindingen gelegd tussen domeinen. Het domein van de woningmarkttransitie kan niet los worden gezien van de economische versterkingsopgave waarvan onderwijs en arbeidsmarkt belangrijke p ijlers vormen. Regionale krimpopgaven maken onderdeel uit van de gebiedsgerichte opgaven, waarop Regio en Rijk een ‘deal’ kunnen sluiten, zoals beschreven in bovenstaande paragraaf. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De druk op de leefomgeving vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen welke voortkomen uit urgente en grote opgaven, waaronder wonen, duurzame economie, energie & klimaat, bereikbaarheid, landbouw en natuur. In dit Interbestuurlijk Programma leggen we met de NOVI een koppeling tussen de opgaves 1 tot en met 4.
Al deze opgaven spelen dwars door schaalniveaus, beleidsterreinen en bestuurlijke grenzen heen. De opgaven en ambities leggen allemaal een claim op de gelimiteerde leefomgeving, zowel in ruimtelijke zin als op aspecten als milieu, gezondheid, veiligheid en cultuurhistorie. Dit maakt keuzes en combinaties noodzakelijk. Keuzes die in gezamenlijkheid worden gemaakt over hoe de leefomgeving wordt ingericht en de manier waarop daar gebruik van wordt gemaakt nu en in de toekomst. Con form de Omgevingswet wordt gewerkt aan de Nationale Omgevingsvisie waarin de keuzes worden vastgelegd die op nationaal niveau worden gemaakt inzake de uiteenlopende belangen die claims leggen op de beperkte fysieke leefomgeving. Ook op provinciaal en gemee ntelijk niveau wordt gewerkt aan Omgevingsvisies. Om de opgaven gezamenlijk daadkrachtig op te pakken is het van belang dat deze visies elkaar versterken en op elkaar aansluiten. Om de samenwerking te bekrachtigen, wordt aan de NOVI een bestuursakkoord gekoppeld. Vervolgens zal in de gebiedsgerichte Omgevingsagenda’s concreet invulling gegeven worden aan het gezamenlijk oppakken van de opgaven. Europese Unie Het interbestuurlijk programma richt zich op samenwerking voor grote maatschappelijke opgaven en hierin dient de EU te worden meegenomen. EU-beleid en regelgeving hebben een grote invloed op de beleidsvorming in Nederland.
Een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid van de uitvoering en naleving van EU-beleid ligt bij de decentrale overheden. Het is daarom van belang dat alle bestuurslagen op EU-dossiers samenwerken om als Nederland optimaal effectief te zijn in het EU-besluitvormingsproces. Samenwerking vraagt van zowel het Rijk als de decentrale overheden een inspanning: decentrale overheden moeten op concrete en bruikbare wijze hun expertise en belangen kenbaar maken, terwijl het Rijk ruimte moet bieden voor de inbreng van de decentrale overheden. Het is van belang dat Rijk en decentrale overheden op dossiers die voor alle bestuurslagen van belang zijn in een zo vroeg mogelijk stadium in het besluitvormingsproces deze samenwerking aanvangen, zodat de samenwerking voor alle fasen van de beleidscyclus (voorfase, onderhandelingen en implementatie) wordt versterkt. In de praktijk werken Rijk en decentrale overheden op specifieke dossiers al nauw samen. Samenwerking vindt ook plaats binnen de Europese Agenda Stad (EAS), die er op gericht is om de invloed van decentrale overheden op Europees beleid en regelgeving te vergroten. Elf Nederlandse steden zijn rechtstreeks betrokken bij de Partnerschappen van de EAS. Deze partnerschappen doen op stedelijke thema’s aanbevelingen op het gebied van betere EU - regelgeving, financiering en kennis.
In de “Taskforce EAS” stemmen departementen, koepels en leden van Partnerschappen onder leiding van het ministerie van BZK de Nederlandse inbreng en positie over voorstellen van de Partnerschappen af. Afspraken Het Rijk en koepels verkennen op welke thema’s het Rijk en de decentrale overheden de samenwerking dienen te versterken. Te denken valt aan thema’s binnen dit Interbestuurlijk Programma, maar ook thema’s zoals regionale gebiedsgerichte aanpak (ESI -fondsen), milieu (o.a. klimaatadaptatie/mitigatie, circulaire economie), digitale interne markt en natuur/landbouw. Het Rijk en koepels verkennen welke nieuwe vormen van samenwerking van toegevoegde waarde kunnen zijn. Deze verkenning vindt plaats op basis van eerder gemaakte afspraken, zoals deze zijn neergelegd in de Code Interbestuurlijke Verhoudingen van 2013, en de aanbevelingen uit het rapport ‘Samen sterk in Europa’ 5. Hierbij kan gedacht worden aan het betrekken van de decentrale overheden bij het opstellen van instructies voor de raadswerkgroepen en een meer strategische samenwerking op prioritaire thema’s. Daarnaast wordt ook verkend welke goed functionerende samenwerkingsvormen op EU - dossiers, zoals de interbestuurlijke dossierteams, die nu nog beperkt worden ingezet, uitgebreid kunnen worden naar thema’s die voor decentrale overheden van belang zijn.
De minister van BZK zal op basis van deze verkenningen in 2018 een voorstel doen voor prioritaire thema’s voor versterkte samenwerking tussen Rijk en decentrale overheden. In dit voorstel zal de minister ook aangeven op welke van deze thema’s nieuwe samenwerkingsvormen dan wel bestaande samenwerkingsvormen worden ingezet. Belangrijke voorwaarde om effectief invulling te geven aan de versterking van de samenwerking is dat de decentrale overheden voldoende capaciteit organiseren om snel en concreet inhoudelijke input te leveren op voor hen relevante dossiers. Er wordt een periodiek overleg georganiseerd tussen de permanente vertegenwoordiging bij de EU en de decentrale overheden over voor decentrale overheden relevante EU - dossiers en thema’s. Het bovengenoemde voorstel van de minister van BZK en de voortgang op deze acties wordt besproken tijdens het periodieke Bestuurlijke Overleg Europa tussen de ministers van BZK, BZ en de koepels. Grensoverschrijdende Samenwerking De Commissiemededeling “Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s” (september 2017) maakt duidelijk dat het wegnemen van barrières voor grensregio’s leidt tot een verbetering van de economische groei in de grensgebieden. Rijk en koepels werken daarom samen om oplossingen voor knelpunten voor te stellen en uit te laten voeren.
Zo zetten Rijk, provincies en gemeenten zich ten volle in bij de uitvoering van de actiepunten uit het rapport Actieteam Grensoverschrijdende Economie en Arbeid (januari 2017). Verder beziet het IPO in hoeverre voorstellen tot internationalisering van de Nationale Omgevingsvisie een bijdrage kunnen leveren aan de grensoverschrijdende governance. Over de inrichting van deze governance met Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen/België voeren momenteel de Commissarissen van de Koning van respectievelijk Groningen, Limburg en Zeeland een verkenning uit op verzoek van BZK, waarin ook de follow-up van het Actieteam zal worden meegenomen. Namens het kabinet brengt de staatssecretaris van BZK periodiek verslag uit aan de Kamer over de voortgang van de implementatie van de actiepunten uit het rapport van het eerdergenoemde Actieteam en over de voortgang en invulling van de grensoverschrijdende governance.
IV. Bijlagen Bijlage 1 - Complete tekst samen aan de slag voor het klimaat We zetten ons in voor klimaatmitigatie, klimaatadaptatie en circulaire economie Maatschappelijke opgave Er ligt een grote opgave om tot een duurzaam Nederland te komen. Het tegengaan van klimaatverandering, aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering e n een transitie naar een circulaire economie zijn randvoorwaarden voor behoud van onze welvaart. Een florerend regionaal ecosysteem is essentieel om een duurzaam NL te realiseren. Daarnaast biedt de transitie kansen voor economische ontwikkeling. De ambities zijn neergelegd in het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ en in de investeringsagenda ‘Naar een duurzaam Nederland’ van VNG, IPO en de UvW. Rijk en decentrale overheden streven gezamenlijk de doelstelling na om te komen tot 49 % CO 2- reductie in 2030. Daarnaast dient Nederland zich tijdig aan te passen aan de (versnelde) klimaatverandering zodat de schade beperkt wordt. Tevens worden de transitieagenda’s circulaire economie uitgevoerd om te komen tot een circulair Nederland in 2050. Een duurzaam Nederland vereist een transitie op economisch, sociaal, ruimtelijk en ecologisch gebied en een fundamentele verandering van denken en handelen.
Het gaat om grote maatschappelijke, economische én ruimtelijke veranderingen waarin we van iedere inwoner, ieder bedrijf en tal van betrokken organisaties iets vragen. Dat kan alleen als de samenleving begrip heeft voor en actief deelnemer is aan de te nemen maatregelen. Als overheden zetten wij ons in om deze transitie met de samenleving vorm te geven en daarbij oo g te hebben voor de sociaaleconomische aspecten ervan. Versnelling van de transitie en opschaling van initiatieven kan alleen als overheid en alle partijen in de samenleving samen optrekken. Gezamenlijke ambitie De gezamenlijk ambitie van de overheden richt zich op drie onderdelen: Samen werken aan inhoudelijke resultaten Alle overheden ondersteunen: a) de doelstellingen van het Akkoord van Parijs (ruim onder de 2 graden opwarming en streven naar 1,5 graad) en daarmee de inhoudelijke ambitie zoals verwoord in het Regeerakkoord (49% CO2-reductie in 2030 t.o.v. 1990). Deze doelen zullen nader uitgewerkt worden in het Klimaatakkoord. b) de doelstellingen in het Akkoord van Parijs dat landen zich ook moeten aanpassen en weerbaar maken tegen klimaatveranderingen en de uitgangspunten en ambities van het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie en de Nationale adaptatiestrategie (NAS). In 2050 moet ons land klimaatbestendig en waterrobuust zijn ingericht. Daarvoor moeten we in 2020 klimaatbestendig handelen in alle sectoren.
Deze doelen worden verder uitgewerkt in een bestuursakkoord met medeoverheden over klimaatadaptatie (conform regeerakkoord). c) de afspraken gemaakt in het Grondstoffenakkoord en de Transitieagenda’s Circulaire Economie. We streven samen naar een circulaire economie in 2050. Rijk en decentrale overheden treden samen op en versterken elkaar bij het behalen van bovenstaande doelen. Inhoudelijke afspraken waar ook bedrijfsleven en maatschappelijke partijen verantwoordelijkheid voor dragen gaan we vastleggen in het Klimaatakkoord. Daarnaast leggen Rijk en medeoverheden inhoudelijke afspraken vast in een akkoord over klimaatadaptatie (zoals aangekondigd in het regeerakkoord) en bij de uitvoering van de transitieagenda circulaire economie. We zijn samen verantwoordelijk voor een goede borging van de uitvoeringsafspraken: a. De minister van BZK zorgt vanuit haar verantwoordelijkheid voor de interbestuurlijke en financiële verhoudingen voor inhoudelijke integraliteit en samenhang en de onderlinge samenwerking. Hiertoe voert de minister van BZK regie over het proces van het Interbestuurlijk programma en de borging van de afspraken. Tevens is de minister van BZK verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening van NL en daarmee voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de klimaatopgaven. De staatssecretaris van Financiën is betrokken als medefondsbeheerder. b.
De minister van EZK coördineert in nauwe samenwerking met de ministers van LNV en BZK en de minister en staatssecretaris van IenW de inhoudelijke inbreng van het Rijk in het Interbestuurlijke programma op het thema ‘Samen aan de slag voor het klimaat’. Hij is tevens coördinerend bewindspersoon voor de samenhang met het Klimaatakkoord en borgt daarbij de in het Interbestuurlijk Programma gemaakte afspraken en betrokkenheid van de decentrale overheden bij deze akkoorden. c. De minister van IenW is verantwoordelijk voor klimaatadaptatie en coördineert in nauwe samenwerking met andere betrokken departementen, VNG, IPO en UvW de Nationale Adaptatiestrategie (NAS). De minister van IenW werkt samen met VNG, IPO en UvW aan het deltaprogramma ruimtelijke adaptatie. d. VNG, IPO en UvW starten ten behoeve van de coördinatie een gezamenlijk bestuurlijk overleg. Een integrale gebiedsgerichte aanpak De opgaven binnen klimaat- en energie, klimaatadaptatie en circulaire economie komen samen in de regio. Een samenhangende regionale visie en aanpak is daarom essentieel. In de uitvoering krijgen veel ambities een concrete vertaling naar de gebieden en daarmee een eigen ruimtelijk beslag waarvoor de democratische verantwoordelijkheid ligt bij decentrale overheden. Waar dit niet het geval is raakt de rijksbevoegdheid direct aan deze verantwoordelijkheden.
Deze verdeling van bevoegdheden tussen Rijk en decentrale overheden moet elkaar niet in de weg zitten maar juist versterken. De ‘vertaling’ van de gezamenlijke ambities naar de praktijk kan daarom alleen plaatsvinden mits de regio’s zelf aan zet zijn voor het vastleggen van de opgaven op de drie genoemde thema’s in concrete plannen en het Rijk hier mede coördinator van is. Knelpunten Het realiseren van de gezamenlijke ambitie door overheden en het bedrijfsleven vraagt om het waar nodig wegnemen van knelpunten in wet- en regelgeving. Concreet betekent dit: Rijk en decentrale overheden werken aan een gezamenlijk beeld van de belemmerende wet- en regelgeving (waaronder fiscale) en zetten zich in om deze naar vermogen binnen dit akkoord op te lossen. Voor klimaat en energietransitie gebeurt dit in het kader van het Klimaatakkoord. Het benutten van crossovers tussen de drie thema’s> synergie. Tussen de drie thema’s zijn zowel in de planvorming, voorbereiding als uitvoering veel dwarsverbanden te leggen. Hierover spreken we het volgende af: a. We gaan zorgen dat (decentrale) overheden in synergie kunnen werken aan de klimaatopgaven zoals opgenomen in dit akkoord: mitigatie, adaptatie en circulair. b. Maatregelen en regionale uitvoeringsplannen die nodig zijn voor klimaatopgaven bij woningen, openbare ruimte, agrarisch gebied, bedrijven etc.
(stedelijk en landelijk gebied) moeten voor burgers, bedrijven en overheden en tal van organisaties waar mogelijk in samenhang ontwikkeld, uitgevoerd en beheerd kunnen worden. c. Er wordt bij deze synergie in elk geval rekening gehouden met (no-regret) onderwerpen zoals bijvoorbeeld veenbodemdaling, grondwaterbeheer en aanleg en beheer van infrastructuur, gebouwen en openbare ruimte. d. Daarvoor worden ´mensen en middelen´ op lokaal/regionaal aangesteld om verbindingen te leggen tussen de afzonderlijke adaptatie-, klimaat- en energiestrategieën die ontwikkeld worden. e. Daarbij is de randvoorwaarde dat het geen vertraging mag opleveren. Ingrediënten voor het interbestuurlijk programma Afspraken Klimaat en Energie Werken aan het nieuwe Klimaatakkoord a. Het IBP is versterkend aan het Klimaatakkoord. Het Klimaatakkoord komt tot stand onder regie van de minister van EZK. Alle overheden zetten samen de schouders onder de totstandkoming van het Klimaatakkoord. Dit betekent: I. Dat de drie decentrale overheden zitting nemen aan de vijf sectortafel s van het Klimaatakkoord6. II. Dit geldt ook voor deelname van decentrale overheden aan de coördinatietafel van het klimaatakkoord, maar de vormgeving en de samenstelling van de coördinatietafel is nog onderwerp van gesprek. III. Dat Rijk en decentrale overheden met regelmaat overleg voeren over de vijf sectoren. b.
Alle overheden brengen in beeld wat zij kunnen bijdragen in het kader van de klimaatopgave en wat nodig is om te komen tot een akkoord dat leidt tot 49% CO 2- reductie in 2030. c. Inhoudelijke raamwerk: voor invulling van de CO2-reductie zijn de volgende uitgangspunten aan de Tweede Kamer gecommuniceerd: I. Kostenefficiënte uitrol van maatregelen die al op korte termijn tot kostenefficiënte CO2-reductie leiden. Dit omdat het van belang is om direct meters te maken met het oog op het streefdoel voor 2030. II. Pilotprojecten voor maatregelen waarvan de kosten op dit moment nog hoog zijn, maar die naar verwachting een grote rol zullen spelen richting 2050 . III. Innovatietrajecten voor innovatieve maatregelen, die van belang zijn om de transitie richting 2050 verder vorm te kunnen geven. Dit raamwerk wordt door de decentrale overheden onderschreven. Naast deze uitgangspunten zijn ‘maatschappelijke acceptatie’ en ‘integraliteit over de sectoren’ en ‘integraliteit tussen de regio’s’ belangrijk voor de uitwerking en uitvoering van het interbestuurlijk programma. Meerjarige programmatische nationale aanpak met landsdekkend integrale regionale energie en klimaat strategieën a.
Voor de uitvoering van initiatieven en projecten van het (toekomstig) Klimaatakkoord, is nationale en regionale programmatische samenwerking tussen verschillende overheden, bedrijven, maatschappelijke partners (op nationaal en regionaal niveau) en burgers van groot belang. Gezamenlijke ambities en commitment op de uitvoering – ook op decentraal niveau – worden hiermee geborgd. b. Daarvoor is een goede interbestuurlijke werkstructuur nodig, waarbij we zoveel als mogelijk gebruikmaken van bestaande structuren. Een programmatische werk - en besluitvormingsstructuur stelt ons allen beter in staat om op het juiste schaalniveau als overheden effectief en efficiënt te opereren en samenwerking aan te gaan met anderen. Daarmee wordt zorg gedragen voor draagvlak, kostenefficiëntie, ruimtelijk e kwaliteit, integraliteit, schakelen tussen niveaus en ambitie. De meerjarige 6 In bijlage 2 zijn als voorbereiding hierop afspraken per sector opgenomen tussen het Rijk en de decentrale overheden. programmatische nationale aanpak is daarmee een uitvoeringsvehikel om de energieambities concreet te maken, geen doel op zich. c. IPO, VNG en UvW nemen het voortouw om samen met het Rijk een precieze invulling te geven aan de hierboven genoemde werkstructuur van de integrale regionale energie- en klimaatstrategieën (REKS). d.
Het Rijk en de decentrale overheden zetten zich in om bij het Klimaatakkoord de punten a, b en c te bewerkstelligen. e. Vier keer per jaar vindt een Bestuurlijk Overleg Klimaat- en Energietransitie plaats. Hierbij wordt onder meer gesproken over de voortgang van de afspraken, de maatschappelijke consequenties, draagvlak en integrale ruimtelijke impact. f. Op basis van de landsdekkende integrale regionale energie en klimaat strategieën, leggen overheden bestuurlijke keuzes vast voor ten minste de periode tot 2030 in onder meer omgevingsvisies (NOVI, POVI, GOVI) en omgevingsplannen. Klimaat- en energietransitie in een waardevol landschap/omgevingswet a. De klimaat- en energietransitie zal ons landschap veranderen. Het vraagt om een ontwikkelend perspectief op onze ruimtelijke ordening waarbij we opgaven slim combineren en de kwaliteit van het landschap bewaren. Ruimtelijke ateliers zijn daarbij onmisbaar. De Omgevingswet biedt ons als overheden de instrumenten om samen tot keuzes te komen en die aanvullend vast te leggen. b. De rol van Rijk, gemeenten en provincies in de ruimtelijke inpassing i.c. de bevoegdheid tot het vaststellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan is daarbij essentieel, omdat daarmee de vertaalslag wordt geborgd van regionale invulling van de strategieën naar nationale-, provinciale- en gemeentelijke omgevingsvisies, -plannen en –verordeningen.
Hiermee geven we het bedrijfsleven zekerheden om te kunnen investeren en de kwaliteit van ons landschap te behouden voor de toekomst. c. Inzetten lokale verordeningen: gemeenten, provincies en waterschappen zetten zich in voor ‘vergroening’ van de eigen verordeningen en leges. Klimaatadaptatie Uitgangspunten a. In het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie hebben gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk gezamenlijk afgesproken de aanpak van klimaatadaptatie te versnellen en te intensiveren. We brengen kwetsbaarheden met betrekking tot w ateroverlast, hittestress, droogte en waterveiligheid in beeld via stresstesten (uiterlijk 2019) en gaan dialogen voeren (uiterlijk 2019) om te komen tot regionale klimaatstrategieën en uitvoeringagenda´s met maatregelen (uiterlijk 2020). Er wordt hierbij expliciet aandacht besteed aan het landelijk en het stedelijk gebied. Gemeenten en waterschappen staan hiervoor aan de lat. Bodemdaling wordt, waar dat speelt, in de stresstesten nadrukkelijk meegenomen. Waar het gaat om de ruimtelijke inrichting maken provincies (en gemeenten) beleid. De problematiek van de veenweiden en die van bodemdaling is (mede) een verantwoordelijkheid van provincies. b. Vanuit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) leggen de overheden meer dan ooit de nadruk op de klimaatbestendige inrichting van Nederland.
In het IBP wordt deze ambitie verbonden met opgaven van de energietransitie en circulaire economie, ‘toekomstbestendig wonen’, ‘naar een vitaal platteland’ en ‘regionale economie als versneller’ (crossovers). c. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten zullen ook hun maatschappelijk vastgoed klimaatbestendig maken. Relatie tot andere akkoorden In het regeerakkoord is aangekondigd dat in een bestuursakkoord met medeoverheden afspraken worden gemaakt over klimaatadaptatie (verder: ´bestuursakkoord klimaatadaptatie´). Daarin is ruimte om afspraken te maken over de volgende onderdelen: a. De exacte opgave voor wateroverlast, hittestress en droogte is nog niet bekend. Met behulp van de stresstesten worden de opgaven uiterlijk in 2019 in beeld gebracht. Hieruit kan een totaalplaatje komen van benodigde investeringen voor alle overheden. b. De financiering van de benodigde investeringen. Voor klimaatadaptatie worden vanaf 2018 middelen van het Rijk en de medeoverheden ingezet. c. Aanpassing van benodigde regelgeving zoals bouwregelgeving. d. De beschikbaarheid van lokale gegevens op het gebied van bodemdaling, neerslag, droogte en hitte. e. Het concretiseren van maatregelen bij het handelen in het geval van calamiteiten, zoals extreme wateroverlast. f. Onderzoeken van omgaan met het risico restschade van wateroverlast. Bodemdaling a.
Het tegengaan van en omgaan met veenbodemdaling raakt naast de IBP-opgave ‘samen aan de slag voor het klimaat’ ook aan de opgaven ‘naar een vitaal platteland’ en ‘toekomstbestendig wonen’. Bodemdaling wordt binnen het IBP in synergie met deze opgaven opgepakt. b. Bodemdaling wordt meegenomen in de stresstesten en regionale en lokale dialogen die in het kader van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie worden uitgevoerd. c. Rijk en de drie decentrale overheden werken samen aan de ontwikkeling van veenbodemvisies en vertalen dit naar strategieën om bodemdaling en de effecten daarvan in stedelijk en landelijk gebied tegen te gaan. d. Deze afspraak wordt geconcretiseerd in het Klimaatakkoord en het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie met concrete afspraken over inzet van alle betrokken relevante partijen (activiteiten, producten en middelen). Regionale uitvoering a. Voor de uitvoering van de afspraken uit het Klimaatakkoord en het bestuursakkoord klimaatadaptatie is regionale samenwerking essentieel. Specifiek voor klimaatadaptatie is het opstellen van adaptatiestrategieën met alle betrokkenen in het kader van het Deltaprogramma ruimtelijke adaptatie een belangrijke manier om te komen tot het opstellen en uitvoeren van maatregelen. Ook in het kader van andere regionale aanpakken, kunnen afspraken worden gemaakt voor de realisatie van afspraken over adaptatie. b.
Voor klimaatadaptie wordt gewerkt vanuit de landsdekkende regionale indeling, die door de UvW, de VNG en de regio´s is voorgesteld in het kader van het deltaprogramma. Daarbinnen wordt uiterlijk in 2019 een beeld gevormd van de kwetsbaarheden (via stresstesten). Uiterlijk in 2020 zijn de adaptatiestrategi eën opgesteld en zijn de te nemen maatregelen voor klimaatadaptatie bekend. c. De Veenbodemvisies en de strategieën om bodemdaling en de effecten daarvan in stedelijk en landelijk gebied tegen te gaan zullen onderdeel uitmaken van de regionale aanpak (zoals REKS en adaptatiestrategieën). Bodemdaling is een bouwsteen voor de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). d. Overheden leggen bestuurlijke keuzes vast voor ten minste de periode tot 2030 in onder meer omgevingsvisies (NOVI, POVI, GOVI) en omgevingsplannen. e. Maatregelen hebben crossovers met andere opgaven (zoals regionale economie, woningbouw, landbouw, natuurontwikkeling etc.). Mogelijke crossovers met andere opgaven uit het IBP worden gesignaleerd en synergie hiervan wordt geborgd. f. Het gaat bijvoorbeeld (niet uitsluitend) om het realiseren van synergie bij het maken van afspraken over de aanpak van veenbodemdaling, klimaatmitigatie, grondwaterbeheer, aanleg en beheer van infrastructuur, klimaatbestendig maken van gebouwen en openbare ruimte7. Ruimtelijke inrichting a.
Provincies en gemeenten stellen, in samenspraak met de waterschappen, in hun omgevingsvisies de kaders vast vanuit hun verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke inrichting. Voor het landelijk gebied heeft de provincie de overkoepelende verantwoordelijkheid voor ruimte en natuur en een verbindende rol met betrekking tot de wateropgaven met de andere maatschappelijke opgaven in het gebied. Daarbij worden medeoverheden, bewoners, ondernemers en andere belanghebbers betrokken. b. Bij de aanpak van klimaatadaptatie zal door de overheden goed gekeken worden naar de mogelijkheid voor het koppelen met andere opgaven en crossovers (zoals met klimaatbestendige woningbouw, vitaal platteland en regionale economie). Werkstructuur a. Voor Klimaatadaptatie wordt door Rijk en decentrale overheden gebruikgemaakt van de bestaande werkstructuren van het Deltaprogramma ruimtelijke adaptatie en de Nationale adaptatiestrategie (NAS). 7 Voorbeelden van uitwerkingen van deze crossovers zijn het klimaatbestendig maken van publieke vastgoed, waarbij naast aan hittestress en het voorkomen van wateroverlast, tegelijk ook wordt gewerkt aan het terugbrengen van de CO2-emissie. Bodemdaling is een urgente nationale opgave, die vraagt om veenbodemvisies.
Daarin kan een samenhangende aanpak worden opgenomen gericht op het tegengaan van veenbodemdaling en CO2-uitstoot en vermindering van nutriëntenemissie naar oppervlaktewater; kan de transitie naar een duurzame landbouw op gang komen en kunnen stijging van kosten voor het waterbeheer en schade aan funderingen (paalrot) en infrastructuur zoveel mogelijk worden voorkomen. Circulaire economie Uitgangspunten en relatie tot andere akkoorden a. Afspraken over Circulaire Economie in het IBP sluiten aan bij de ambities van het Rijksbrede Programma Circulaire Economie, waarin o.a. wordt aangegeven dat op het gebied van circulaire economie de samenwerking tussen de overheden geïntensiveerd moet worden, en bij de afspraken uit het Grondstoffenakkoord, dat in 2017 is opgesteld en ondertekend door IPO, UvW en VNG. Het Grondstoffenakkoord onderschrijft de ambitie van het Rijk om in 2050 volledig circulair te zijn. b. Als uitwerking van het Grondstoffenakkoord zijn vijf transitieagenda’s circulaire economie opgesteld. Deze agenda’s zijn op 15 januari gepresenteerd. VNG, UvW, IPO, het Rijk, maar ook de sociale partners en de maatschappelijke organisaties zullen elk voor zich in de eerste helft van 2018 hun inzet voor de uitvoering van deze transitieagenda’s bepalen. Het lijkt logisch dat daarvoor een gezamenlijke inzet wordt gehanteerd. Dit vormt de basis voor de afspraken in het IBP. c.
Afspraken over CE in het IBP sluiten aan op dat wat er al in gang is gezet door gemeenten en provincies, regio’s en waterschappen. Regionale uitvoering a. De overheden stellen regionale circulaire economie strategieën op, zo mogelijk in combinatie of afstemming met de regionale energie en klimaatstrategieën. Belangrijke invalshoek hierbij is welke initiatieven kansrijk en opschaalbaar zijn en waarbij een gezamenlijke inspanning van regio en Rijk nodig is. b. Hierbij zoeken het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen samen naar mogelijkheden om circulaire initiatieven financieel aantrekkelijker te maken; c. Alle overheden maken afspraken over circulair inkopen. Gebouwen en infrastructuur a. Overheden stellen een programma op voor circulair aanbesteden van gebouwen en infrastructuur; uitwisseling van informatie over processen en inhoud . b. Verder zorgen decentrale overheden ervoor dat initiatieven voor circulair bouwen (renovatie en sloop) worden opgeschaald. c. Het Rijk geeft voorlichting over het gedrag dat circulaire economie van mensen vraagt en geeft daarbij het goede voorbeeld. Kennisdeling en arbeidspotentieel a. De overheden doen ervaring op en delen ervaringen in bijvoorbeeld een expertise - en versnellingscentrum voor het opschalen van de transitie. Hierbij investeert het Rijk in kennisontwikkeling. b.
Decentrale overheden stimuleren het arbeidspotentieel met Human Ca pital-agenda’s, met aandacht voor inzet van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, curricula in het onderwijs en de koppeling tussen onderwijs en bedrijfsleven via bijvoorbeeld stageplekken. Bijlage 2 - Sector inzetten behorende bij onderdeel klimaat en energie 1. Sector Industrie Doel: een sterke industrie die CO2-neutraal produceert in 2050. De opgave is additioneel 21 Mton CO2-emissiereductie in 2030 ten opzichte van 1990 Samenwerking met de regio Industriële clusters a. Hoe de samenwerking tussen de Rijksoverheid en decentrale overheden vorm krijgt, wordt nader uitgewerkt in het Klimaatakkoord. b. De decentrale overheidspartijen met een duidelijke rol rondom de 12 grootste industriële CO2 uitstotende bedrijven en de 5 industrieclusters 8 worden betrokken. c. Relevant voor de transitie van de industrie is restwarmte benutting/uitkoppeling naar de gebouwde omgeving. Van belang is dat ook het aanbod van industriële restwarmte (potentie ca 100 PJ) wordt betrokken in de planvorming van gemeentes/provincies. Van belang is verder de koppeling aan Circulaire Economie en de infrastructuur van industrieclusters (CCS/CCU en warmtenetten, waterstof, elektrificatie e.d.). d.
Ook wordt, als vervolg op het bestaande energie-akkoord, ingezet op versnellen van energiebesparing bij bedrijven via wet- en regelgeving, afspraken met bedrijven en vergunning toezicht en handhaving. e. De Rijksoverheid heeft onder andere een verantwoordelijkheid vanuit het regelgevende kader en alsook een stimulerende rol bij grootschalige investeringstrajecten. De regio is van belang voor: Stimulering Visievorming rond regionale transitie (stip op de horizon, wenkend perspectief 2050, plan 2030) Benutten sector/functionaliteit overschrijdende opties Realisatie Infrastructuur Financiering Handhaving Vergunningen De inzet van decentrale overheden (voor dit transitiepad met name de provincies) richt zich o.a. op: a. Opzetten, faciliteren en meefinancieren regionale industriële clusterorganisaties (zoals SDR en Chemport Europe) en gezamenlijk met de stakeholders de agenda bepalen b. Inzet ruimtelijk instrumentarium c. Uitwerken visie op duurzaam gebruik en beheer van de ondergrond (STRONG) d. Realiseren van crossovers naar andere transitiepaden e. Organiseren van kennisdeling tussen clusters f. Bevorderen van maatschappelijk draagvlak in de regio g. Flankerend arbeidsmarkt- en scholingsbeleid voeren gericht op het verzilveren van nieuwe werkgelegenheid h. Mede realiseren van infrastructuur (o.a. financieringsarrangementen) i. Handhaving j.
Vergunningen 8 De 5 industrieclusters: Noord-Nederland: industriecluster Eemsdelta en Emmen; Noordzeekanaalgebied; Rotterdam- Moerdijk; Zeeland-West-Brabant en Chemelot 2. Sector Landbouw en Natuur Landbouw, landgebruik en natuur leveren een belangrijke bijdrage aan de uitstoot en vastlegging van broeikasgassen. Daarbij gaat het niet alleen om CO 2, maar ook om methaan en lachgas. Een gezamenlijke inzet van zowel de sectoren als betrokken overheidslage n is essentieel voor de reductie van deze groep emissies en het vergroten van het vasthoudend vermogen. Klimaat is één van de publieke taken ten aanzien van landbouw en landgebruik, daarom maken Rijk, decentrale overheden, agrarische ketenpartijen en natuu rbeheerders in het klimaat- en energieakkoord afspraken over de reductie van deze emissie en over de instrumenten die partijen daarvoor inzetten. Deze opgave kan versterkend werken aan de inspanningen die partijen en overheden al leveren aan de verduurzaming van de landbouw en het landgebruik, waarmee deze opgave een grote samenhang heeft. Uitgangspunten voor dit onderdeel in het klimaat- en energieakkoord: a. Rijk en provincies gaan gezamenlijk het gesprek aan met landgebruikers, zoals de agrarische ketenpartijen en natuurbeheerders, en met de andere bestuursorganen, om de opgaven, benodigde inzet en het noodzakelijke instrumentarium te concretiseren. b.
De bestuurlijke afspraken in het klimaat- en energieakkoord zijn aanvullend op bestaande (decentralisatie-) afspraken. De betrokken overheden zetten hun bevoegdheden effectief in voor deze opgave. Daarbij wordt ook bezien hoe bestaande uitvoeringsstructuren (zoals gebiedscommissies en agrarische collectieven), kunnen bijdragen aan deze opgave. c. Naast generieke afspraken met de betrokken ketenpartijen zal realisatie van de opgave op regionaal niveau plaatsvinden. De betrokken nationale en regionale overheden zetten hun eigen instrumentarium gecoördineerd in ten behoeve van deze opgaven, wetend dat de opgave op gebiedsniveau tot uitvoering zal moeten komen in samenhang met andere ruimtelijke opgaven. Er kan spanning ontstaan tussen deze opgaven. Als deze spanning ontstaat tussen deze kaders maken Rijk en decentrale overheden, al dan niet in overleg met de EC, hier nadere afspraken over. d. In het regeerakkoord zijn als opgaven voor het klimaat- en energieakkoord genoemd: mestopslagen, glastuinbouw en landgebruik inclusief veenweide, naast een bestuurlijk akkoord over adaptatie. Deels zijn hiervoor in het Regeerakkoord al middelen en instrumenten benoemd. Afspraken over deze middelen en instrumenten, en de benodigde kennis, worden verder geconcretiseerd in het klimaat- en energieakkoord. e.
In het klimaat- en energieakkoord worden concrete afspraken gemaakt over de opgaven, waarbij realisatie van het doel centraal staat en de directe relatie wordt gelegd met de daarvoor benodigde instrumenten en noodzakelijke additionele middelen. f. In het klimaat- en energieakkoord zal aandacht worden besteed aan de problematiek in de veenweidegebieden, waar veel opgaven samen komen, waaronder de bijdrage van bodem aan klimaat. Op basis van lopende en nieuwe initiatieven op het gebied van ontwikkeling en uitrol van innovaties en op het gebied van inrichting en beheer van gebieden worden in het Klimaatakkoord afspraken gemaakt over slimmer landgebruik in deze gebieden. 3. Sector Gebouwde omgeving Afspraken t.a.v. de gebouwde omgeving Planontwikkeling naar aardgasvrij a. Bij de invulling van de klimaatdoelstellingen voor de gebouwde omgeving ligt een grote rol voor de medeoverheden, met een regierol voor gemeenten op het gebied van aardgasvrije buurten en wijken. Met het oog daarop is de inzet dat alle gemeenten uiterlijk in 2021 een planning vaststellen in de gemeenteraad voor de transitie van de gebouwde omgeving naar aardgasvrij (woningen, maatschappelijk - en commercieel vastgoed) gericht op een CO2-arme gebouwde omgeving in 2050. Voor alle buurten die voor 2030 van het aardgas af gaan is in 2021 ook bekend wat het alternatief voor aardgas is. b.
Rijk en medeoverheden werken bovenstaande inzet uit met het oog op de nadere invulling van de gebouwde omgeving in het KEA. Daarbij wordt in beeld gebracht welke bevoegdheden en randvoorwaarden rond financiering, wetgeving en keuzes over energie- en kostenverdelingsvraagstukken die gemeenten, provincies, waterschappen en andere partijen nodig hebben om tot planvorming en democratische verankering van besluiten te komen. Nieuwbouw c. Het Rijk spant zich in het wetsvoorstel waarin de aansluitplicht op gas vervalt (wetsvoorstel TK 34723) zo snel mogelijk na aanvaarding door het parlement in werking te laten treden. Hierbij is het uitgangspunt dat in beginsel nieuwbouw aardgasvrij kan worden gebouwd, omdat de aansluitplicht vervalt. Het Rijk zet zich er daarbij verder voor in dat de gemeente uitzonderingsgevallen waarbij wel een aansluiting op aardgas nodig is, kunnen toestaan. d. Decentrale overheden en Rijk zullen bijvoorbeeld bij de uitgifte van grond voor woningbouw of ander vastgoed aansturen dat er geen vastgoed gerealiseerd wordt dat aangesloten wordt op het aardgasnet, tenzij dit leidt tot maatschappelijk onaanvaardbare kosten. Aardgasvrije bestaande wijken e. De opgave voor verduurzaming in de gebouwde omgeving is enorm.
Er moeten ruim 200.000 woningen/gebouwen per jaar worden geïsoleerd en van duurzame warmte en energie worden voorzien om in 2050 (vrijwel) CO 2-vrij te zijn. De ambitie in het regeerakkoord is om in 2021 circa 50.000 nieuwbouwwoningen per jaar aardgasvrij op te leveren en 30.000-50.000 bestaande woningen per jaar aardgasvrij te maken of ‘aardgasvrij-ready’. f. Het Rijk en de decentrale overheden onderzoeken of een gezamenlijk meerjarig programma voor de aanpak van aardgasvrije wijken (particuliere- en huurwoningen, maatschappelijk en commercieel vastgoed) kan worden gestart. Beoogd is in 2018 daadwerkelijk een start te maken met een betekenisvol aantal wijken (“grootschalige proeftuinen”) gericht op ervaring opdoen hoe een effectieve aanpak kan worden vormgegeven om in de toekomst te komen tot de 200.000 gebouwen per jaar ("joint fact finding"). Elementen van deze aanpak zijn (1) inzet van (bestaande) wetgeving en experimenteerruimte, (2) financieringsinstrumenten van Rijk en decentrale overheden en derden, (3) inzet van duurzame bronnen (o.a. elektriciteit, restwarmte, geothermie, aquathermie), (4) het versterken van draagvlak bij gebouweigenaren en (5) kennisuitwisseling en communicatie. g.
Het Rijk ontwikkelt met medeoverheden in de eerste helft van 2018 de criteria, het instrumentarium en de organisatievorm die nodig zijn om tot een keuze voor proeftuinen aardgasvrije wijken te komen, waarbij geborgd is dat er voldoende spreiding is in regio, gebouwtype en aanpak. De uitwerking wordt afgestemd met de partijen betrokken bij de tafel voor de gebouwde omgeving in het Klimaatakkoord gelet op hun betrokkenheid bij de uitvoering. Maatschappelijk vastgoed h. Streven is dat nieuwbouw van maatschappelijk vastgoed in opdracht van Rijk, medeoverheden en andere partijen, vanaf 2020 zo wordt opgeleverd dat afkoppeling van aardgas mogelijk is. i. Maatschappelijk vastgoed in eigendom van derden dat in gebruik wordt genomen door Rijk of medeoverheden, wordt in tranches verduurzaamd gericht op een energieneutrale voorraad in 2040. j. Rijk en medeoverheden stellen – samen met de maatschappelijke partners, die de opgave moeten realiseren – een aanpak op waarmee het eigen bestaand vastgoed de komende jaren in tranches wordt verduurzaamd gericht op energieneutraal in 2040 (met tussenstap 2030). Dit plan wordt voor 1 mei besproken tussen Rijk en decentrale overheden. k. Voor het jaar 2020 gaan Rijk en medeoverheden uit van de additionele doelstelling van de uitvoeringsagenda van het Energieakkoord 9 ter grootte van 2,5 PetaJoule voor maatschappelijke vastgoed.