CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

50.0 Informatienota 2020 - 18 - Rapporten financiële beheersbaarheid Sociaal domein.pdf

Raadsvergadering 1 september 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken16.727 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1 Volgen we de juiste aanpak (inclusief analyseproces) om grip te krijgen op de uitgaven en de beweging naar voren, met oog op transformatiedoelen? Waar is verbetering mogelijk, en zijn er goede voorbeelden in andere gemeenten waar we van kunnen leren? Operationaliseer de visie op het sociaal domein, de inrichting en bekostiging. Vertaal hiertoe de visie in SMART doelstellingen en definieer passende (samengestelde) indicatoren. Zorg bij het opstellen van doelen en het samenstellen van een set van indicatoren dat deze de voortgang op maatschappelijke resultaten en het budget goed inzichtelijk maken. Kijk hiervoor naar de mogelijkheden om beschikbare data te gebruiken en/of te ont- sluiten. Het is daarbij van belang een afweging te maken tussen noodzakelijke stuurinformatie en administra- tieve lasten. Prioriteer in doelstellingen om de voortgang op de belangrijkste doelen te borgen. Stel plannen voor Jeugd, Wmo en Participatie in samenhang op en maak deze zo concreet mogelijk. Verbind inhoudelijke doelstellingen in plannen bovendien met budgettaire doelstellingen. Gebruik ook hier indicatoren om resultaat te meten en te bepalen wanneer bij moet worden gestuurd. Hang (al dan niet in gezamenlijkheid met inwoners en aanbieders) mijlpalen met op te leveren resultaten aan procesvoorstellen zodat grip wordt ver- kregen en de koers naar beoogde resultaten wordt geborgd.

Een regio waarin gemeenten op een goede manier vanuit een geoperationaliseerde visie werken is West-Bra- bant West. Een bezoek brengen aan één van de gemeenten in deze regio geeft inspiratie en biedt handvatten om de eigen visie verder te operationaliseren. Ditzelfde kan gelden voor gemeenten Deventer, Utrecht en Hol- lands Kroon. 2 Hoe kunnen we financiering zo effectief mogelijk inzetten? Hoe definiëren we resultaat zo dat we hier goed op kunnen sturen naar aanbieders? Gebruik de cyclus van beleid, uitvoering en control om financiën zo effectief mogelijk in te zetten. Beleid Heroverweeg om financiën meer prioriteit te geven en strakker te sturen op budgettaire kaders. Richt monito- ring in rondom de meetbare indicatoren op zorginhoud én financiën. Vertaal vervolgens de resultaten van de monitoring naar integrale stuurinformatie. Stem de timing van de rapportages af op natuurlijke sturingsmomen- ten van de gemeenten. Geef betekenis aan stuurinformatie en reflecteer kritisch op de gevolgen voor beleid, College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028120/44 17 Vereniging van Nederlandse Gemeenten organisatie en uitvoering van toegang, inkoop en contractmanagement. Organiseer structurele (feedback-)ses- sies met het ambtelijk apparaat om de verbinding tussen verschillende domeinen (inhoudelijk en financieel) te borgen.

Creëer daarbij ruimte voor verschillende perspectieven. Nodig ook eens een andere gemeente uit voor een kijkje in de keuken en een verfrissende blik. Gebruik resultaten om op basis van schaarste te bepalen waar de inzet van middelen het meest gewenst en effectief is, en hierop bij te sturen. Landelijk is de trend ingezet om toe te werken naar ambulante begeleiding in de eigen woonomgeving, voor diegenen voor wie dit mogelijk is (zie o.a. rapport commissie Dannenberg). Gebruik de urgentie op financieel gebied om stevige prikkels naar aanbieders te organiseren om in dezelfde trend aan transformatiedoelstellingen te werken. Deze prikkels moeten aanbieders stimuleren lichtere hulpvor- men in te zetten en tijdig af te schalen. Creëer innovatie bij grote aanbieders, door hen te laten concurreren met kleinere initiatieven. Zo heeft de gemeente Groningen in een project een subsidieregeling opgezet voor ondernemers in specifieke wijken in de stad (zie ook: https://welkomindebuurt.gr/deelnemers/). Maak uitstroom vanuit zware zorgvormen ook daadwerkelijk mogelijk door te investeren in lichtere zorgvormen. Het verstevigen van de ambulante zorg (en lichtere zorgvormen) is een voorwaarde om te beginnen aan het bevorderen van de uitstroom. De gemeente Amstelveen investeert momenteel bijvoorbeeld in een wijkaanpak om cliënten beschermd wonen in de wijk te kunnen bieden.

Zorgaanbieders én welzijnspartijen werken daar samen om de uitstroom mogelijk te maken. Ga een dagje langs bij Amstelveen of een andere gemeente die hierin voorop loopt (zoals Breda of Oss). Formuleer en meet met indicatoren of investeringen in het voorliggend veld het gewenste effect hebben gehad. Indien dit niet zo is, kijk naar alternatieve programma’s om te investeren in de sociale basis. Evalueer bij- voorbeeld of inwoners beter bekend zijn met de mogelijkheden in het voorliggend veld, na gemaakte investe- ringen (herinrichting Sociaal Werk en sluiten van het akkoord “Samen voor Ryan”). Uitvoering (zie ook deelvraag 3) Creëer vanuit de geoperationaliseerde visie heldere uitvoeringsrichtlijnen. Deze moeten beschrijven wanneer lichtere hulpvormen in te zetten of af te schalen en hoe resultaten kunnen worden gedefinieerd. Maak gebruik van een eenduidige definitie voor resultaat in combinatie met een helder signaal (bijvoorbeeld stoplicht of cij- fer) om de inspanningen van aanbieders te beoordelen. Zo wordt gemakkelijk inzicht verkregen. Dit vormt een aanknopingspunt om bij te sturen naar individuele aanbieders. Gezien de investeringen op het gebied van Par- ticipatie, is het van belang om goed te monitoren of de extra financiering leidt tot gewenste output en out- come.

Neem contact op met gemeenten die ook inzetten op het bevorderen van (arbeids-)participatie middels resultaatsgerichte bekostiging.3 Control (zie ook deelvraag 4) Wanneer een sterke mate van bijsturing nodig is, is het wenselijk het collectief van aanbieders (de grootste of de ondertekenaars van het transformatieakkoord) te benaderen. Houd tevens rekening met ongewenste effec- ten van financiële sturing, zoals een verlaagde kwaliteit die met prijsdruk gepaard kan gaan. Cliëntervaringson- derzoek, gesprekken met aanbieders en andere (zorg)partners, kunnen signalen geven voor dergelijke effecten. Organiseer daarnaast als gemeente eigen tegenkracht om zo zicht te krijgen op wanneer niet-passende of kwa- litatief mindere dienstverlening wordt verleend. Een sociale ombudsvrouw die, in opdracht van de raad, inwo- ners bijstaat wanneer zij vastlopen of ontevreden zijn over dienstverlening is van meerwaarde. De ombudsvrouw en gemeente kunnen periodiek in gesprek over verbeteringen van gemeentelijke dienstverlening. Ook onafhankelijke cliëntondersteuning kan een tegenkracht voor de gemeente zijn (in 2020 en 2021 stelt VWS mid- delen beschikbaar om dit door te ontwikkelen, meer informatie hierover is op te vragen bij Movisie).

3 Voor informatie over de aanpak van mensen die langdurig in de bijstand zitten, zie https://www.divosa.nl/verslag-benchlearnbijeen- komst-landurig-de-bijstand-dus-kansloos en https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/11/20/rapport-succesvol-uit-de-bij- stand-significant College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028121/44 18 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 3 Zijn er manieren om toegang (procesmatig) anders te organiseren die goed werken in andere gemeenten, en zich effectief hebben bewezen? Breng uitvoeringsrichtlijnen (zie onderzoeksvraag 2) in de praktijk. Organiseer regelmatig bijeenkomsten met toegangsmedewerkers waarin dialoog wordt gevoerd over welke zorg en begeleiding passend is. Wanneer is lichte zorg passend, wanneer zwaarder? Wat is goed genoeg? 4 Investeer in de samenwerking tussen het voorliggend veld en de toegangspoort om processen te optimaliseren en dubbel werk te voorkomen. Stel hiertoe met elkaar gezamenlijke richtlijnen en afwegingscriteria op en defi- nieer rollen, taken en verantwoordelijkheden. Voor zover “Samen voor Ryan” hierin niet voorziet (o.a. opstellen gemeenschappelijke taal, gesprek over verantwoordelijkheden en sturing), maak ruimte voor een periodiek gesprek tussen toegangsmedewerkers en professionals in het voorliggend veld.

Creëer inzicht en breng daarbij de praktische consequenties van uitvoeringsrichtlijnen in kaart. Waar komen hulpvragen eigenlijk vandaan (wie signaleren?) Wat is de doorlooptijd van vragen? Wat zijn de 10 meest voorko- mende hulpvragen? Mist er expertise op vragen? Kan de toegang de vragen goed afhandelen zonder dat deze de eigen caseload drukken? 5 Realiseer voor meer inzicht tevens de ambitie van een integraal registratiesysteem en de aanstelling van een data-analist bij de toegangspoort. Om obstakels waar de gemeente nu tegen aanloopt te overwinnen, is het goed met gemeenten in contact te komen die al zo’n systeem hebben opgezet. Dit zijn bijvoorbeeld de gemeenten in de regio West-Brabant West. Zoek eventueel ook -als regio- aansluiting bij het initiatief van Den Haag en VNG-realisatie om collectief data-ontsluiting op te zetten. 4 In de relatie met aanbieders, hoe kunnen we als gemeente voldoende sturing geven aan aanbieders vanuit een zakelijke positie? En hoe kunnen we daarbij zo effectief mogelijk gebruik maken van de regionale samenwerking? Scherp contractmanagement verder aan en verstevig het opdrachtgeverschap vanuit de gemeente. Door daad- krachtig opdrachtgeverschap kan de gemeente ontwikkelingen bij aanbieders stimuleren. Deze ontwikkelingen moeten leiden tot ambulantisering en een meer effectieve inzet van zorg.

Onder daadkrachtig opdrachtgever- schap hoort ook bijsturing in lijn met de visie, door het voeren van een scherp gesprek en tijdig ingrijpen bij misstanden en/of onwenselijke situaties. Bundel hiervoor interne krachten. Zorg voor een goede samenwerking tussen beleid, inkoop en contractmanagement. Onderzoek alternatieve sturingsmogelijkheden om bij te sturen naar aanbieders. Treedt om bekendheid met beschikbare sturingsmogelijkheden te verhogen, in contact met andere gemeenten over de sturingsmogelijkheden die zij inzetten. Leer ook van partijen in andere domeinen die opdrachtgeverschap al eigen hebben gemaakt, zoals zorgkantoren/zorgverzekeraars. Kijk een dagje in elkaars keuken als effectieve manier om in korte tijd veel inzichten te verkrijgen. Onderzoek de mogelijkheden om de regionale samenwerking te beïnvloeden met als doel deze effectiever in te zetten in de sturing naar aan- bieders. Bespreek intern (op bestuurlijk niveau) wat gewenst en onwenselijk is bij het verdelen van schaarste; wanneer is “goed” ook goed genoeg met het risico op klachten en is het op scherp zetten van de relatie met aanbieders gerechtvaardigd. Bij het onderzoeken van alternatieve sturingsmogelijkheden is het belangrijk dat Steenwijker- land open staat voor andere perspectieven, ook al voelen deze perspectieven wellicht onwennig aan en vragen zij bereidheid risico’s aan te gaan.

4 Het kwaliteitskompas van Movisie kan hiervoor de leidraad zijn. 5 Om de uitkomsten uit het formatieonderzoek te duiden is de tool die binnen het programma Integraal Werken in de Wijk is ontwikkeld, helpend. College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028122/44 19 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Bijlage I – Grip… Grip in het sociaal domein heeft steeds te maken met twee onderdelen: inzicht en handelingsperspectief. Om grip te kunnen hebben moet je weten welke ontwikkelingen zich voordoen en vervolgens moet je hier in meer of mindere mate sturing aan kunnen geven óf op kunnen anticiperen. Zonder dit laatste is er geen sprake van grip maar alleen van inzicht. Daarbij is het goed je te realiseren dat, zeker in het sociaal domein, er vrijwel nooit sprake kan zijn van volledige grip. Er is altijd sprake van (de kans op) externe beïnvloeding die buiten het han- delings- en zichtsvermogen ligt en waar maar in beperkte mate op geanticipeerd kan worden. Gelukkig betreft dit over het algemeen maar een beperkt deel van het domein. Het hebben van grip begint zoals gezegd met het hebben van inzicht.

Echter ook inzicht komt niet vanzelf en vraagt een afbakening en een antwoord op de vraag: waar wil je inzicht in hebben? Zonder nu te verzanden in een eindeloze afpel exercitie tot de kern van de scope van je gewenste inzicht kunnen we voor het gemeente- lijke sociaal domein stellen dat de visie het startpunt vormt van grip. In een visie verwoordt namelijk een ideaal toekomstbeeld voor (een deel van) de gemeente. Hierin wordt geschetst hoe de lokale samenleving functio- neert, welke maatschappelijke resultaten worden bereikt en wat de uitgangspunten vormen waarmee dat ide- aalbeeld gerealiseerd kan worden. Het laat zien wat je als gemeente in de kern het allerbelangrijkste vindt, zowel t.a.v. het uiteindelijke doel als ook v.w.b. de af te leggen route. Een visie hoort richting te geven en wel op z’n wijze dat duidelijk is welke richting gekozen wordt en op welke manier deze richting bewandeld wordt. Met name die duidelijkheid blijft een lastig aspect van iedere visie, dit is ook inherent aan het concept visie. Een visie is namelijk een geabstraheerde beschrijving van een toekomstsituatie die in de praktijk altijd veel com- plexer is en gekenmerkt wordt door vele nuances.

De taal die gebruikt wordt voor het beschrijven van een visie bestaat dan ook voornamelijk uit abstracte begrippen die goed zijn om een beeld te schetsen maar ontoerei- kend zijn om een precies beeld, met alle specificaties, te tekenen. Zo blijven veel visies dan ook hangen in ‘con- tainer’ begrippen zonder dat ze houvast geven aan de mensen die uitvoering moeten geven aan die visie. Om een visie te kunnen laten werken is het dan ook nodig om een vertaalslag te maken waarbij gemeenten de vraag: ‘wat wil ik concreet zien veranderen op straat/in de wijk/bij mensen thuis?’ steeds opnieuw zo concreet mogelijk beantwoorden. Met een dergelijke vertaling wordt een visie namelijk pas hanteerbaar, en - voor het krijgen van grip niet onbelangrijk - ook meetbaar en vervolgens stuurbaar. Om een visie ook meetbaar te maken moet deze vertaling eerst nog geoperationaliseerd worden, hetgeen betekent dat er indicatoren geformuleerd worden die meetbaar zijn en bij voorkeur niet al te veel administra- tieve lasten met zich meebrengen, maar dit is over het algemeen een relatieve makkelijke doorontwikkeling. De voornaamste moeilijkheid bestaat uit het concreet maken van een visie omdat dit gepaard gaat met het maken van keuzes en het trekken van duidelijke grenzen.

Om te komen tot inzicht is er naast deze uitwerking nog één belangrijk aspect nodig en dat is een beleidstheo- rie (ofwel een effecttheorie). Dit betreft een uitwerking van de redeneerlijn die loopt van de inzet van middelen (input) en de uitvoering van activiteiten (throughput) naar de concrete resultaten (output) en de directe (out- come) en indirecte (impact) effecten. Deze redeneerlijn maakt in feite zichtbaar met welke concrete handelin- gen bepaalde resultaten effecten verwacht worden behaald te worden. Daarbij gaat het in eerste instantie niet om reeds op voorhand vastgestelde causale relaties. Het mag best zo zijn dat redeneerlijnen achteraf niet blij- ken te kloppen. Door ze echter te expliciteren wordt het wel mogelijk om ze ook te toetsen en is het naderhand ook mogelijk om bij te sturen. Het sturingsaspect van grip is met het juiste inzicht vervolgens niet meer dan draaien aan de knoppen die gegeven zijn. Deze knoppen zitten verwerkt in de organisatie van het sociaal domein (bijv. de organisatie van de toegang), de gekozen bekostigingssystematiek en de contracten met zorgaanbieders.

Uiteraard hangt de mate van sturing af van de mate waarin de sturingsmogelijkheden ook geborgd zijn in uitvoeringsrichtlijnen, College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028123/44 20 Vereniging van Nederlandse Gemeenten afspraken en opgenomen contractuele verplichtingen. Er is echter meer mogelijk door naast de formele stu- ringsmogelijkheden ook de informele sturingsmogelijkheden te benutten. Die zitten veeleer in het regelmatig, in onderling vertrouwen voeren van gesprekken en het creëren van een gezamenlijk eigenaarschap. Dit kost echter wel tijd en vaak ook het nodige geduld. Onderling begrip ontstaat namelijk niet zomaar. Desalniettemin heeft deze vorm van sturing te allen tijden wel de voorkeur boven de formele sturingsmogelijk- heden. Het sociaal domein is namelijk een complex ecosysteem dat zich nooit helemaal laat vangen in afspra- ken, contracten of procedures en in een dergelijk ecosysteem heb je meer aan een partner dan aan een opdrachtnemer. In onderstaand figuur is de vertaling van de visie naar operationele indicatoren en de beleidstheorie schemati- sche weergegeven.

Meten Sturen Sturen Beleid (gemeenten) Uitvoering (zorgaanbieders) Causale relatie Uitgangspunten Indicatoren Randvoorwaarden Indicatoren Doelen Indicatoren Beleid (gemeenten) Input (middelen, mankracht) Throughput (zorg leveren) Output (aantal geholpen cliënten) Outcome (directe effect) Impact (indirecte effect) Meten Sturen Sturen Sturen Meten Meten Meten College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028124/44 Bijlage II – Gegevensrapportage In deze rapportage staat een selectie van de cijfers over Steenwijkerland uit de voor de commissie vrij toegan- kelijke databronnen. Deze zijn ontleend aan CBS Statline en de gemeentelijke monitor sociaal domein, tenzij anders vermeld. Dit zijn de volgende cijfers: • | Algemene kengetallen over Steenwijkerland en haar sociaal domein (afhankelijk van eventuele opvallend- heden in het algemene beeld bevat dit hoofdstuk meer of minder cijfers); • | Gebruik jeugdhulp; • | Jeugdhulpgebruik per verwijzer; • | Wmo per arrangement (ondersteuning thuis, hulp bij huishouden, verblijf en opvang, hulpmiddelen); • | Gebruik voorzieningen participatiewet; • | Uitgaven sociaal domein, inclusief opvallende afwijkingen ten opzichte van de begroting.

Waar mogelijk is geprobeerd deze cijfers uit Steenwijkerland zoveel mogelijk door de tijd heen te presenteren en te vergelijken met gelijksoortige gemeenten, waarbij vaak gekozen is voor een vergelijking met gemeenten van vergelijkbare grootte (25.000 tot 50.000 inwoners), gemeenten met een vergelijkbare stedelijkheid (weinig stedelijk) en gemeenten in heel Nederland. Wanneer wordt gesproken van de controlegroepen, gaat het om deze drie groepen gemeenten, tenzij anders aangegeven. Als onderdeel van de gegevensverzameling is ook het Kenniscentrum Handhaving en Naleving (KCHN) van de VNG en het Ketenbureau i-Sociaal Domein gevraagd de kennis over de gemeente Steenwijkerland te delen. 1 | Opvallendheden in deze rapportage Hieronder worden kort de belangrijkste bevindingen in deze rapportage weergegeven. • | Jeugdhulpgebruik stijgt ineens van 2017 op 2018 sterk, terwijl er tot 2017 juist een afname was. Financiële gevolgen daarvan zijn niet bekeken in deze rapportage. • | Het aantal inwoners met een inkomensvoorziening uit de Participatiewet neemt sinds 2016 met ongeveer 15 procent af en daalt tot een niveau vergelijkbaar met de controlegroepen. Het aantal inwoners met een re-integratievoorziening daalt ook, maar is nog steeds meer dan tweemaal zo hoog als in de controlegroe- pen.

Deze beide posten maken een vrij groot deel uit van de begroting van het sociaal domein en de begroting voor deze posten wordt overschreden. • | Wmo-voorzieningengebruik is gemiddeld, alleen het gebruik van de hulp in het huishouden ontwikkelt zich heel anders dan in de drie controlegroepen (zie paragraaf 5). • | De totale uitgaven aan het sociaal domein zijn ~20 procent hoger dan in de controlegroepen 25.000 – 50.000 inwoners en weinig stedelijk, voornamelijk als gevolg van hogere uitgaven aan inkomensregelingen, begeleide participatie, arbeidsparticipatie en maatwerkdienstverlening 18- en 18+. 2 Kengetallen Steenwijkerland en haar sociaal domein • | Inwoners: Steenwijkerland heeft op 1 januari 2019 43.940 inwoners. • | Geografisch en ker nen: Steenwijkerland heeft een oppervlakte van 321,59 km² en is daarmee de grootste gemeente qua oppervlakte die de Visitatiecommissie tot dusver heeft bezocht. Het bestaat uit 31 kernen en wijken, de grootste daarvan is Steenwijk. • | Stedelijkheid: Steenwijkerland heeft een bevolkingsdichtheid van 135 inwoners per vierkante kilometer, waardoor het in de controlegroep ‘weinig stedelijk’ valt. Ter vergelijking: het Nederlands gemiddelde is ongeveer 510 inwoners per vierkante kilometer. • | Leeftijdsopbouw: zie gestapelde staafdiagram hieronder.

21 • | Jongeren tot 18 jaar: Steenwijkerland telt op 1 januari 2018 8875 inwoners die jonger dan 18 jaar oud zijn. • | Migratieachtergronden: 91,5 procent van de bevolking is autochtoon, van de overige 8,5 procent heeft 4,5 procent een westerse migratieachtergrond en 4,0 procent een niet-westerse. Ter vergelijking: het Neder- lands gemiddelde is 76,9 procent autochtoon, naast 10,1 procent met een westerse migratieachtergrond en 13,1 procent met een niet-westerse migratieachtergrond. • | Opleidingen: Steenwijkerland heeft relatief iets meer laag- en middelbaar opgeleiden (27,3 resp. 54,5 pro- cent) dan de controlegroepen 25.000 – 50.000 inwoners (23,1 resp. 45,1 rpocent), weinig stedelijk (24,2 resp. 45,9 procent) en Nederland (21,1 resp. 41,7 procent). Steenwijkerland heeft daarentegen juist iets minder hoogopgeleiden. • | Werkzame beroepsbevolking: Steenwijkerland heeft in 2018 674 werkenden per 1000 inwoners; dat is ongeveer gelijk aan de controlegroepen (679 voor 25.000 – 50.000 inwoners en weinig stedelijk, 672 voor Nederland). • | Lage inkomens: 6,9 procent van de huishoudens had in 2015 een laag inkomen, waarvan 2,4 procentpunt langdurig laag. Landelijk was dit gemiddeld 8,2 respectievelijk 3,1 procent, en in de mediane gemeente was dit 5,5 procent respectievelijk 1,8 procent.

• | Gestapelde voorzieningen sociaal domein: de gemeente Steenwijkerland heeft relatief weinig huishou- dens met meerdere voorzieningen in het sociaal domein. Dit is te zien in staafdiagrammen 1 en 2 hieronder. Alleen de combinatie Participatiewet en Wmo komt iets vaker voor dan in de beide controlegroepen. 22 23 Vereniging van Nederlandse Gemeenten College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028127/44 24 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 3 Jeugdzorg • Steenwijkerland heeft gedurende 2015 tot en met 2018 vergeleken met de controlegroepen een laag aan- tal jeugdhulptrajecten zonder verblijf per 1000 jongeren. Dit is te zien in grafiek 1. Dit aantal daalt, tegen de trend in, tussen de tweede helft van 2015 en de tweede helft van 2017. Daarna stijgt dit aantal ineens sterk naar 84 jongeren per 1000 jongeren met een jeugdhulptraject zonder verblijf. Over de totale gemeten peri- ode gezien is er een stijging van 12 procent, waar de controlegroepen in dezelfde perioden stijgingen laten zien van 18 (weinig stedelijk), 23 (25.000 – 50.000 inwoners) en 26 (Nederland) procent. • Het aantal jeugdhulptrajecten met verblijf en het aantal jeugdbeschermingsmaatregelen per 1000 jongeren blijft gedurende de periode 2015 tot 2017 stabiel rond de 14 respectievelijk 12.

Van 2017 op 2018 zien beide groepen een lichte stijging van 2 jongeren per 1000 jongeren, of ongeveer 15 procent. Omgerekend naar de totale populatie gaat het om een stijging van ongeveer 35 jongeren die jeugdhulp met verblijf of jeugdbescherming krijgen. Grafiek 1, Ontwikkeling van het aantal jongeren met een jeugdzorgtraject zonder verblijf per 1000 jongeren. • Jeugdhulptrajecten per verwijzer: uitgesplitst naar verwijzer heeft Steenwijkerland in 2018, vergeleken met de controlegroepen Nederland en jeugdregio IJsselland (waar Steenwijkerland deel van uitmaakt) een vergelijkbare verdeling, als gecorrigeerd wordt voor het aantal onbekend verwijzers. Zie de onderstaande drie taartdiagrammen; in de taartpunten staan de percentages van het aantal jeugdhulptrajecten dat door de corresponderende verwijzer is gestart. College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028128/44 25 Vereniging van Nederlandse Gemeenten College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028129/44 26 Vereniging van Nederlandse Gemeenten • Herhaald beroep: van de begonnen trajecten in 2018 is 23,7% een herhaald beroep, wat minder is dan de regionale (25,3) en landelijke (27,5) percentages. Deze percentages fluctueren per jaar (voor zowel Steenwij- kerland als de controlegroepen) tussen de 21 en 29 procent.

Wel hebben Steenwijkerland en de regio IJs- selland consequent een iets lager percentage herhaald beroep dan het Nederlandse gemiddelde. 4 Wmo • Gebruik Wmo-voorzieningen: het Wmo-voorzieningengebruik per 1000 inwoners is in de tweede helft van 2018 hoog, vergeleken met de controlegroepen weinig stedelijk en 25.000 – 50.000 inwoners. Dit is vooral een gevolg van het iets hogere gebruik van hulp bij het huishouden en ondersteuning thuis. Dit is te zien in de onderstaande staafdiagram. • Ontwikkelingen gebruik Wmo: zie onderstaande grafiek. Het gebruik van de Wmo-voorziening onder- steuning thuis blijft ongeveer gelijk en neemt licht af bij hulpmiddelen en diensten. Het gebruik van hulp in het huishouden ontwikkelt zich ongebruikelijk. Dat kan een gevolg zijn van een gewijzigde registratie of van een beleidswijziging in het toekennen van hulp in het huishouden als maatwerkvoorziening. Steenwijker- land heeft hier in 2016 als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wel een wijziging in doorgevoerd. College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028130/44 27 Vereniging van Nederlandse Gemeenten • Mantelzorg: 16,6 procent van de volwassen inwoners van Steenwijkerland geeft aan mantelzorg te verle- nen. Dit is meer dan de 14,2 procent in heel Nederland die dat aangeeft, en de ~16 procent in de twee andere controlegroepen.

• Cliëntervaring Wmo: de verschillende aspecten van de Wmo-voorzieningen in Steenwijkerland krijgen in 2017 van de Wmo-gebruikers cijfers van 5,8 tot 7,3. Daarmee doet Steenwijkerland het minder goed dan de cijfers die gegeven worden door controlegroep Nederland (consequent tussen de 7,5 en 8,0). • Beschermd wonen: Steenwijkerland behoort tot de beschermd wonen-regio Zwolle. In deze regio maken 2,7 inwoners per 1000 inwoners gebruik van een beschermd wonen-voorziening. Dat is meer dan het lande- lijk gemiddelde van 2,0 inwoners per 1000 inwoners en de regio is de hoogst scorende regio van Neder- land, na regio’s Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Assen en Rotterdam. • Aanvullend valt op dat de gemeente Steenwijkerland een hoge samenhang heeft tussen bepaalde levens- gebeurtenissen (bijvoorbeeld scheiding, verhuizing, detentie) en gebruik van voorzieningen in het sociaal domein. Dit betreft de kans dat iemand die een bepaalde levensgebeurtenis meemaakt daarna gebruik maakt van een voorziening in het sociaal domein. In het geval van detentie en registratie in het WSNP is deze kans bijvoorbeeld 50 procent. Wat betreft de samenhang tussen scheidingen en gebruik van voorzie- ningen in het sociaal domein wordt bij dezen vermeld dat Steenwijkerland een relatief hoog aantal kinde- ren heeft dat te maken krijgt met een scheiding. In 2017 was dit 1,4 procent, of 126 kinderen.

College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028131/44 5 Participatie • | Bijstand: Steenwijkerland heeft 27 bijstandsontvangers per 1.000 inwoners in de tweede helft van 2018; dat is vergelijkbaar met de controlegroepen 25.000 – 50.000 inwoners (26) en weinig stedelijk (23), maar een stuk lager dan het Nederlandse gemiddelde (39). • | Ontwikkeling hoeveelheid inwoners met bijstand: is te zien in de onderstaande grafiek. Dit aantal daalt in Steenwijkerland met 15,6 procent van een piek in de eerste helft van 2016 van 32 per 1.000 inwoners, naar 27 in de tweede helft van 2018. De controlegroepen zien vanaf een piek in 2017 een daling met onge- veer 6 tot 9 procent. • | Gebruik re-integratievoorzieningen: Steenwijkerland heeft gedurende de periode 2015-2018 een opval- lend hoog gebruik van re-integratievoorzieningen: 64,0 per 1.000 inwoners in 2015, geleidelijk dalend tot 53,9 in 2018. Ter vergelijking: in de controlegroepen zijn er tussen de 17,0 en 26,2 bijstandsuitkeringen per 1.000 inwoners, en dit aantal stijgt juist geleidelijk tussen 2015 en 2018. 6 Begroting & realisatie sociaal domein 2017 De uitgaven per inwoner in de gemeente Steenwijkerland ten opzichte van de controlegroepen6 in 2017, het meest recent openbaar beschikbare jaar, staan in onderstaande tabel.

Steenwijkerland geeft in totaal 1232,90 euro per inwoner aan het sociaal domein; dat is ongeveer 20 procent meer dan de controlegroepen 20.000- 50.000 inwoners en weinig stedelijk. Daarnaast vallen de volgende zaken op: Posten met hoge uitgaven in vergelijking met controlegroepen • | Kostenposten waar opvallend veel meer (>20%) per inwoner wordt uitgegeven dan door alle controlegroe- pen zijn de begeleide participatie en maatwerkdienstverlening 18+. • | Kostenposten waar meer (<20%) per inwoner wordt uitgegeven dan door alle controlegroepen zijn arbeids- participatie en maatwerkdienstverlening 18-. • | De andere kostenpost waar (in vergelijking met de controlegroepen weinig stedelijk en inwonertal 20.000- 50.000) meer aan wordt uitgegeven, is inkomensregelingen. 6 | Let op: in tegenstelling tot in eerdere controlegroepen valt Steenwijkerland hier niet in de controlegroep 25.000 tot 50.000 inwoners, maar in de controlegroep 20.000 tot 50.000 inwoners. 28 Posten met lage uitgaven in vergelijking met controlegroepen • | Daar tegenover staat dat Steenwijkerland juist minder uitgeeft dan de drie controlegroepen per inwoner aan samenkracht en burgerparticipatie, de wijkteams en geëscaleerde zorg 18+ en 18-.

Posten met afwijkende uitgaven in vergelijking met begroting • | Ten opzichte van de begroting 2017 is er in Steenwijkerland vooral meer uitgegeven aan inkomensregelin- gen, arbeidsparticipatie en maatwerkdienstverlening 18-: overschrijdingen van respectievelijk 11,4, 72,2 en 21,4 procent en opgeteld ongeveer 4,5 miljoen euro meer dan begroot. • | Door onderbesteding op enkele andere posten wordt er in totaal 3,35 miljoen euro meer uitgegeven dan begroot aan taakveld 6. Dat is ongeveer 6,2 procent op het totaal, wat vrijwel gelijk is aan de controlegroe- pen. Uitgaven Sociaal Domein (2017)* | Steenwijkerland | 20.000 - 50.000 | Weinig stedelijk | Nederland 6.1 Samenkracht en burgerparticipatie | 70,1 | 95,2 | 90 | 115,3 6.2 W ijkteams | 36 | 44,8 | 43,5 | 55,1 6.3 Inkomensregelingen | 396,7 | 310,3 | 292,4 | 473,5 6.4 Begeleide participatie | 193,7 | 149,1 | 155,9 | 147,6 6.5 Arbeidsparticipatie | 55,8 | 28,1 | 27,1 | 52,3 6.6 Maatwerkvoorziening (WMO) | 15,7 | 38,4 | 38,7 | 36,5 6.71 Maatwerkdienstverlening 18+ | 223,2 | 135,4 | 132,8 | 167,1 6.72 Maatwerkdienstverlening 18- | 233 | 184,5 | 194,4 | 208,4 6.81 Geëscaleerde zorg 18+ | 1 | 11,5 | 11 | 122,7 6.82 Geëscaleerde zorg 18- | 7,7 | 26,9 | 24,2 | 36,1 Totaal | 1232,9 | 1024,2 | 1010 | 1414,6 *Uitgedrukt in euro per inwoner 29 30 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Bijlage III Gesprekspartners Gemeente Steenwijkerland •

Mevrouw Marieke Dawson: Senior Beleidsmedewerker Jeugd • Mevrouw Hinke van der Honing: Beleidsmedewerker informatie en kwaliteit • Mevrouw Trijn Jongman: Wethouder Sociaal Domein • De heer Eibe Karssenberg: Teamleider Sociaal Domein • De heer Jan Knol: Beleidsmedewerker Participatie • Mevrouw Marianne Lindeboom: Coördinator Toegangsteam • De heer Marcel Scheringa: Wethouder Financiën • De heer Henk Schuitemaker: Controller Sociaal Domein • Mevrouw Tjitske Siderius: Beleidsmedewerker Sociaal Domein College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028134/44 31 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Bijlage IV – Reactie Steenwijkerland College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028135/44 32 Vereniging van Nederlandse Gemeenten College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028136/44 33 Vereniging van Nederlandse Gemeenten College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028137/44 vng.nl Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 83 93 info@vng.nl februari 2020 College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028138/44 Tussenstand plan van aanpak stijgende kosten Jeugdhulp Versie 17 juni 2020 Samenvatting Het plan van aanpak stijgende kosten Jeugdhulp is na uw goedkeuring in juni vorig jaar van start gegaan aan de hand van zeven maatregelen.

Maatregelen waarbij veel maatschappelijke partners een rol spelen, die naast greep op kosten ook bij moeten dragen aan de transformatie van de zorg voor jeugd. De tussenstand laat zien dat het om ingrijpende maatrelen gaat, die extra inzet en expertise vragen die niet altijd meteen voorhanden is. Die intensieve samenwerking zorgt ervoor dat er leerproces- sen starten, kennis wordt binnen gehaald waarbij passende ondersteuning voor elk kind in Steenwijkerland centraal staat. Inleiding In juni 2019 heeft u ingestemd met het plan van aanpak Jeugdhulp Steenwijkerland, een plan dat erop gericht is meer inzicht in en greep te krijgen op de stijgende kosten van jeugdhulp in de gemeente. Meer inzicht om te weten welke maatregelen effectief bijdragen om de stijgende kosten een halt toe te roepen. Maatregelen die ver gaan om naast greep op kosten ook bij te dragen aan de transformatie van de zorg voor jeugd te realiseren, waarbij veel maatschappelijke partners een rol spelen. Bij greep op de jeugdhulp gaat om een complexe opgave omdat de gemeente er bij de overheveling in 2015 een zware taak bij kreeg. De vraag naar jeugdzorg is namelijk de afgelopen twintig jaar enorm gegroeid (en niet vanaf 2015). Exacte cijfers zijn moeilijk te geven, omdat het stelsel versnipperd en verkokerd was en verschillende wettelijke kaders kende.

Landelijk onderzoek laat zien dat in 2000 naar schatting 1 op de 27 jongeren jeugdzorg kreeg, in 2009 was dit 1 op de 14 en in 2018 is dit 1 op de 8. Bij deze overheveling zijn niet alle financiële middelen mee gegaan, maar is het budget gekort tot rond de 15% in 2018. Dit gebeurt in een samenleving die steeds ingewikkelder wordt. De impact van het aantal echtscheidingen, de hoge prestatiedruk en toenemend problematisch sociale-media-gebruik is groot. Binnen het sociale domein hangen thema’s sterk met elkaar samen: onderwijsachterstanden hangen samen met thuismilieus en de ingewikkelde samenleving. Ook is er het verband tussen schuldenproblematiek, spanningen in relaties (scheidingen), overgedragen armoede, etc.. Deze complexiteit maakt dat grip op de uitgaven binnen het sociaal domein een uitdaging is die we alleen met een andere benadering en in strategisch partnerschap met onze maatschappelijke partners kunnen realiseren. Gezamenlijkheid is een voorwaarde. https://www.nji.nl/nl/Download- NJi/Publicatie-NJi/Het-groeiend-jeugdzorggebruik-Duiding-en-aanpak.pdf Het resultaat waarop we ons richten is een houdbaar lokaal stelsel voor ondersteuning, begeleiding en zorg. Het primaire uitgangspunt is passende ondersteuning voor elk kind in Steenwijkerland. Het plan van aanpak omvat zeven maatregelen, waarvan hier de tussenstand wordt gegeven. Het gaat om: 1.

Samenwerking met de huisartsen versterken 2. Verminderen 24 uurs zorg (verblijf) 3. Analyse langdurige zorg 4. Verminderen aantal zorg-intensieve jongeren 5. Beperken verlengde jeugdhulp 6. Preventieve jeugdhulp vergroten 7. Transformatie akkoord College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028139/44 2 Tussentijdse evaluatie van de maatregelen Maatregel 1 – Samenwerking met de huisartsen versterken We versterken de samenwerking met de huisartsen. Als gemeente hebben we geen formele sturingsinstrumenten, bovendien zijn huisartsen een relatief autonome beroepsgroep. De gemeente heeft de ambitie om nauwere afstemming te zoeken met de huisartsen om zodat er meer gebruik gemaakt kan worden van elkaars expertise. Door elkaars kennis en kunde te vergroten is het wellicht mogelijk om vanuit gezamenlijk vastgestelde uitgangspunten het jeugdhulpbeleid vorm te geven. Waar staan we in dit proces: 1. Relatiebeheer Er zijn effectieve stappen gezet door relatiebeheer, communicatie en ontmoeting met de huisartsen meer uit de verf te laten komen. Zo is er een vaste ambtelijke collega, naast de wethouder, die vanuit de gemeente de contacten onderhoud met de huisartsen. Bij deze contacten worden ook de samenwerkingspartners betrokken, zoals Sociaal werk de Kop, Huisartsenzorg Drenthe, ZONL, Zilveren Kruis en Proscoop. Zij hebben soms gemakkelijker ingangen bij de huisartsen.

Daarnaast wordt ingezet op communicatie met de huisartsen, door met regelmaat een nieuwsbrief met relevantie ontwikkelingen te sturen. 2. Monitoring verwijzingen Het is gelukt inzicht te krijgen in de verwijzingen van individuele huisartsen (praktijken) naar jeugd GGZ. Deze informatie benutten we in de gesprekken met de verschillende huisartsen. Hiervoor hoefde er geen monitorsysteem ontwikkeld te worden, maar ging het om het optimaler leren benutten van het registratiesysteem. De praktijk laat zien dat de huisartsen veruit het grootste deel van de verwijzingen naar de jeugd-GGZ doen. Vanuit dit gegeven is de functie van POH-jeugd GGZ duidelijk van meerwaarde gebleken. Deze functie kan een fors deel van de verwijzingen voorkomen door zelf de ondersteuning te bieden en als er toch verwijzing nodig is, dit heel gericht te doen. Daarnaast is deze functionaris goed in staat met de huisarts of gemeentelijke toegang af te stemmen om de zorg meer sluitend te maken . 3. POH-Jeugd De POH jeugd GGZ is grotendeels uitgerold binnen de gemeente. Een uitzondering zijn de huisartsenpraktijken aan de Kallenkoterallee (vijf onder één dak, die er tot op heden niet open voor staan en enkele kleinere praktijken met relatief weinig jeugd en jeugd-GGZ problematiek.

De ervaring van de afgelopen twee jaar is dat deze functie een fors deel van de verwijzingen kan voorkomen door zelf de ondersteuning te bieden en als er toch verwijzing nodig is, dit heel gericht te doen. Ruim 75% van de jeugdigen waar de POH-er jeugd-GGZ bij betrokken is wordt geholpen en niet verwezen. Ook leert de ervaring dat de beschikbaarheid van deze expertise in het lokale veld de slagvaardigheid bij ingewikkelde situaties vergroot. Er wordt aangegeven dat escalatie van bepaalde situaties hierdoor is voorkomen. 4. Medicatiecontrole Het voornemen was de medicatiecontrole vanuit de tweede lijn GGZ getemporiseerd over te brengen naar de huisartsen. Dit blijkt echter weinig meerwaarde te hebben, het gaat om een zeer kleine groep kinderen, hier ligt geen besparingsmogelijkheid. Om die reden is hier niet verder op ingezet. College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028140/44 3 Maatregel 2 - verminderen 24-uurs zorg (verblijf). De gemeente Steenwijkerland verleent relatief veel dure jeugdzorg (11 procent t.o.v. de regio met 8 procent). In Steenwijkerland maken we meer gebruik van verblijfszorg én dure ambulante trajecten. Binnen dit thema zetten we in op een aantal oplossingsrichtingen. Om onze doelen te behalen zijn wij in grote mate afhankelijk van de bereidwilligheid en inzet van zorgaanbieders.

We zien een gezamenlijke verantwoordelijkheid met de gehele jeugdhulpsector voor het realiseren van onze transformatiedoelen. Dat is een complexe uitdaging en vraagt een zorgvuldig en gezamenlijk proces. Binnen deze maatregel zetten we in op het voorkomen en afschalen van verblijfszorg. We werken met drie sporen: het voorkomen van instroom, bevorderen van doorstroom (afschaling) en bevorderen van de uitstroom binnen de 24-uurverblijfzorg. We gaan uit van het principe dat alle kinderen thuis zouden moet opgroeien, en alleen daar waar het niet anders kan kijken we wat een passende plek is. De inzet is erop gericht om zo snel mogelijk het perspectief van de jeugdige duidelijk te krijgen, is er perspectief dat de jongere teruggaat naar huis of wordt er een duurzame verblijfsoplossing gezocht. Dit perspectief bepaalt de aanpak. Bij deze situaties wordt altijd een gedragsdeskundige betrokken. Waar staan we in dit proces: 1. Verminderen van 24 uurs zorg is een uitdaging die inzet van verschillende lokale en regionale partners vraagt, van zorgaanbieders, van de Gecertificeerde Instellingen (GI’s) maar bijvoorbeeld ook van de partners rond het thema wonen. Veel 24 uurs zorg is vaak onderdeel van langdurige zorg, die valt binnen het Gedwongen Kader onder verantwoordelijkheid van de GI’s.

Er moeten nog veel stappen gezet worden, met name in regionaal verband, om deze zorg duurzaam te verminderen. Dit gebeurt in de samenwerking met de GI’s, bij de regionale inkoop Jeugdhulp en de regionale transformatieprojecten Jeugd, . 2. Naar aanleiding van het onderzoek van Companen is de samenwerking in het uitvoeringsprogramma Wonen van dit onderzoek versterkt en is de ambitie om lokaal of sub-regionaal voorzieningen te realiseren voor kleinschalig (tijdelijk) 24 uur verblijf. 3. In december 2019 zijn we het transformatieakkoord Jeugdhulp gestart, bij dit akkoord gaat het versterken van de samenwerking met de jeugdzorgaanbieders en het onderwijs voor een betere hulpverlening voor minder geld (zie maatregel 7). Maatregel 3 - analyse langdurige zorg We analyseren de 'klantreis' van 238 jongeren die sinds 2015 in zorg zijn en waarvan de kosten elk jaar enorm toenemen. We onderzoeken de daadwerkelijke redenen waarom jongeren lang in de jeugdhulp doorbrengen. Bovendien maken we afspraken over wanneer de zorg 'goed genoeg' is. We spreken met elkaar af aan welke voorwaarden voldaan moet worden om een jongere voldoende mogelijkheden te geven om zich te ontwikkelen en zich staande te houden in de samenleving. We stoppen met het jaar na jaar doorbehandelen van jongeren wanneer daar geen of een zeer beperkt resultaat tegenover staat. Waar staan we in dit proces: 1.

Dit is een complexe maatregel die diepgaande ana lyse vraagt van individuele situaties, om zicht te krijgen op wat er aan de hand is en op de handelswijze van veel verschillende zorgaanbieders. College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028141/44 4 In 2015 is de zorg voor 243 jongeren overgeheveld van de AWBZ naar de Jeugdwet, hierbij gaat het om jongeren veelal al voor 2015 zorg ontvingen, die zelf kwetsbaar zijn, bijvoorbeeld door een stoornis of beperking, waardoor thuis wonen (tijdelijk of voor onbepaalde tijd) niet mogelijk is of om een thuissituatie die kwetsbaar is waardoor de jongere (tijdelijk of voor onbepaalde tijd) niet thuis kan wonen. Analyse van meerdere casussen laat zien: er wordt langdurig begeleiding en behandeling geboden, regelmatig door meerdere zorgaanbieders tegelijk. De kosten voor deze doelgroep zijn de afgelopen 4 jaar enorm gestegen, van 2,8 miljoen in 2015 naar 4,2 miljoen in 2018. Er zijn geen sluitende gegevens over wie de jongeren verwezen heeft, wel is zichtbaar dat een groot deel van de jongeren is verwezen door de GI. 2. Er wordt gewerkt aan een second opinion van de z org voor deze doelgroep, om op een dieper niveau inzicht te krijgen. Er wordt in kaart gebracht of de zorg die gegeven wordt nog nodig is en of er afgeschaald of afgebouwd kan worden en wat hiervoor nodig is.

Daarnaast gaat het om inzicht krijgen in de financiering van deze zorg, valt de zorg inderdaad onder de Jeugdwet of uiteindelijk onder de WLZ (wet langdurige zorg). 3. Het gaat om een leerproces, waarbij de Toegang d e benodigde kennis krijgt, met name over de WLZ. 4. Het transformatieakkoord Jeugdhulp (maatregel 7) zal benut worden om gezamenlijk antwoord te geven op de vraag wanneer de jeugdhulp ‘goed genoeg’ is, aan welke voorwaarden voldaan moet worden om een jongere voldoende mogelijkheden te geven om zich te ontwikkelen en zich staande te houden in de samenleving. Maatregel 4 - verminderen aantal zorg-intensieve jongeren We maken een verdiepende analyse op casusniveau (gevalsstudie) van de twaalf jongeren die in 2018 meer dan een ton per jaar kosten. Per casus bekijken we (op productniveau) de zorg die deze jongeren hebben ontvangen tussen 2015 en 2018. Terugkerende (kosten-opdrijvende) patronen doorbreken we. Daarnaast toetsen we de 43 zorg-intensiefste jongeren aan de instroomcriteria van de Wet langdurige zorg (Wlz). We geven geen beschikkingen meer af, als een jongere toegang krijgt tot de Wlz en de zorgkosten door het rijk betaald kunnen worden. Waar staan we in dit proces: Van de twaalf dure cliënten uit de analyse zijn er vijf nog steeds duur, vier zijn uitgestroomd (verhuisd of 18 geworden) en vier ontvangen nu minder dure zorg.

Ook hier wordt aan een second opinion van de zorg gewerkt en wordt een leerproces doorlopen waarin de Toegang een belangrijke rol vervuld. Maatregel 5 - beperken verlengde jeugdhulp Het bestaand beleid is dat er in principe geen verlengde jeugdhulp wordt afgegeven in Steenwijkerland. Voor twee vormen van jeugdhulp gebeurt dit wel, omdat deze zorgvormen niet bestaan in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de zorgverzekeringswet (Zvw) of de WLZ. Het gaat hier om pleegzorg en jeugdreclassering. College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028142/44 5 Waar staan we in het proces: 1. Op dit moment zijn de effecten nog niet zichtbaa r. Voor het realiseren van verlengde jeugdhulp zijn we als gemeente aangewezen op de regio, omdat de voorzieningen hiervoor niet lokaal beschikbaar zijn. Om die reden is er in 2019 een regionale visie geformuleerd die richting geeft aan de uitgangspunten voor verlengde jeugdhulp. Daarbij is de afspraak dat er nooit verlengde jeugdhulp wordt ingezet wanneer er een andere voorziening of wet voorliggend is (WLZ, Zorgverzekeringswet of Participatiewet). Verlengde jeugdhulp is uitsluitend mogelijk wanneer er gewerkt wordt met een toekomstplan en de gemeentelijk toegang hierbij wordt betrokken. 2.

Verlengde jeugdhulp kan in uitzonderlijke situat ies, voor een bepaalde periode worden ingezet, wanneer er nog resultaten of doelen gerealiseerd dienen te worden, die gericht zijn op de jeugdwet en hier een duidelijke onderbouwing voor is. . Maatregel 6 – preventieve jeugdhulp vergroten Opvallend is dat de aandacht binnen de jeugdhulp uitgaat naar de samenwerking met de zorgaanbieders (tweedelijnszorg). Het overgrote deel van het budget van jeugdhulp gaat naar de zware zorg voor ongeveer 10 procent van de jongeren in Steenwijkerland. We investeren veel minder op de preventieve jeugdhulp, terwijl we daarmee op termijn juist de zwaardere zorg zouden kunnen voorkomen en veel meer Steenwijkerlandse jongeren kunnen bereiken. We ontwikkelen een effectieve aanpak voor het ont-zorgen en normaliseren van problemen in gezinnen en beïnvloeden de verhouding tussen preventieve jeugdhulp en de tweedelijns jeugdhulp. Daarbij onderzoeken we wat mogelijkheden voor ondersteuning zijn, die aansluiten bij het gewone dagelijkse leven, ondersteuning dicht bij huis, aansluitend bij de mogelijkheden van het gezin, het eigen netwerk. Waar staan we in het proces: 1. Goede preventie kan voorkomen dat kinderen en jo ngeren hulp nodig hebben.

Maar onderzoek laat zien dat preventieve activiteiten veelal een beperkt effect hebben, er is een integrale aanpak nodig van bijvoorbeeld school, thuis, sport en media. Deze integrale benadering krijgt vorm in Samen voor Ryan, het Steenwijkerlands akkoord opvang – onderwijs – zorg. De gezamenlijke missie is “wij willen er samen voor zorgen dat alle kinderen in Steenwijkerland in de eerste 18 jaar van hun leven de vaardigheden ontwikkelen die ze nodig hebben om straks als volwassene zo zelfstandig mogelijk hun leven te kunnen leiden en deel te kunnen nemen aan de samenleving”. Binnen Samen voor Ryan is een gezamenlijke ambitie geformuleerd, die middels een integrale aanpak van meerdere projecten vorm krijgt. 2. In samenwerking met Sociaal Werk de Kop – wordt gewerkt aan het realiseren van vormen van (lichte, informele) ondersteuning rondom kwetsbare gezinnen. We gebruiken hierbij de inzichten vanuit positieve gezondheid (van Machteld Huber). Maatregel 7 -Transformatieakkoord We stellen met een aantal voor de gemeente Steenwijkerland belangrijke zorgaanbieders een akkoord op over de gezamenlijke transformatie in de jeugdhulp. Van belang hierbij is dat we erkennen dat niet één van de partijen beschikt over alle kennis en instrumenten om het probleem op te lossen (gezamenlijkheid is een voorwaarde).

Ook als we succesvol slagen in de hele College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028143/44 6 transformatieopgave zal de maatschappelijke opgave blijven bestaan, zoals de inzet van maatschappelijke ondersteuning, de begeleiding bij de participatie of de hulp bij opvoedvraagstukken. Dit traject vraagt om vertrouwen en openheid over ieders belangen. Waar staan we in het proces: 1. Als gemeente zijn we in de tweede helft van 2019 , onder de noemer ‘transformatieakkoord jeugdhulp Steenwijkerland’ een initiatief gestart met de voor ons belangrijkste jeugdhulpaanbieders, Sociaal Werk de Kop en de samenwerkingsverbanden onderwijs. Het gaat om gezamenlijk zoeken naar succes-strategieën om de lokale transformatie jeugdhulp vorm te geven. We zijn op zoek gegaan naar mogelijkheden om elkaar te versterken en samen op te trekken. 2. Op basis van de uitkomsten van gesprekken met 10 jeugdhulpaanbieders met wie we intensief samenwerken over kansen en risico’s en wat we gezamenlijk willen bereiken voor jongeren die gebruik maken van jeugdhulp, zijn er twee bijeenkomsten georganiseerd waarin de gemeente haar visie op en verwachting t.a.v. de transformatie heeft gedeeld. Het appel om gezamenlijk op te trekken in het proces is opgepakt, er is inspiratie gedeeld, ideeën uitgewisseld en doorgesproken op welke manieren een lokaal transformatieakkoord vorm gegeven kan worden.

Geconstateerd werd dat verandering en goede samenwerking om lef vraagt, om buiten de lijntjes kleuren en functionele strijd. 3. Er zijn in de tweede bijeenkomst twee sporen uit gewerkt, die een vervolg krijgen: a. realiseren van een snel en effectief team. Een team dat er op gericht is de juiste ondersteuning snel beschikbaar te krijgen, zwaar waar nodig, licht waar kan, dat vanuit korte lijnen samen werkt en gezamenlijk optrekt vanaf de intake. b. samen optrekken van onderwijs en zorg, om een sa menhangende werkwijze rondom jongeren te realiseren die zowel hulp vanuit onderwijs als ook vanuit jeugdhulp ontvangen, zodat iedere jeugdige nog meer kans krijgt om naar vermogen mee te doen. Vervolg De tussenstand maakt zichtbaar dat we de juiste, intensieve maatregelen nemen, waarbij onze maatschappelijke partners een belangrijke rol vervullen. Dat we een intensief proces doorlopen in samenwerking met onze maatschappelijker partners, waarin we leren en lef ontwikkelen om andere keuzes te maken in de zorg voor onze jeugdigen. College van burgemeester en wethouders - 30 juni 2020 - 2020_B&W_0028144/44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/12648dbb-95ef-4856-8386-444378434f2d?agendaItemId=3695dd38-fbc2-421f-9234-b05a6594f883