4. Bouwsteen Regionale Structuur Warmte.pdf
Tekst van het document
Dit staat haaks op het principe: lokaal geproduceerd, lokaal geconsumeerd en lokaal geprofiteerd. Daarmee heeft het mogelijk grote gevolgen voor het lokale draagvlak van de duurzame energieproductie. H et is daarom nodig dat er duidelijkheid komt over welke beslissingsbevoegdheid en regie provincie en gemeente hebben/krijgen rondom de lokale en regionale inzet van biogas en groengas. 30 reswestoverijssel .nl De regio kan –al dan niet samen met de provincie– het initiatief nemen voor het bestemmen van strategische locaties voor grootschalige opwekking, met ruimte voor één of meerdere grote biovergisters. Er blijkt namelijk dat locaties voor grootschalige (industriële) mestvergisting moeilijk te vinden zijn en daarom grote mestvergisters niet gebouwd worden. Daarbij kan dan ook nagedacht worden over het netwerk, een mogelijke netbeheerder en eventuele opslagmogelijkheden (want de productie is continue en de vraag fluctueert). Een project waar dit als experiment met drie gemeenten verkend wordt, is reeds gestart, de zogenaamde Verkenning Energiegebieden. Hier kan naast ruimte voor grootschalige opwekking ook groene energieopslag en andere functiecombinaties in een logisch cluster gerealiseerd worden. Het is belangrijk om inzicht te krijgen in de rollen die overheden in de regio willen en kunnen innemen.
Als het gaat om de rol die een partij wil innemen, kan dat faciliterend of stimulerend zijn. Op dit moment neemt de provincie al een faciliterende, stimulerende (met financieringsinstrumenten) en een regisserende rol in (Omgevingsvisie, PIP voor mestvergister van Twence). Gemeenten kunnen een stimulerende rol innemen door regionale afstemming op het gebied van financiering, clustering en bestemmen van gebieden, kennisverspreiding. Bij het opzetten van grote vergistingsinstallaties kan regionale afstemming nuttig zijn . Vaak gaat het transport van mest over gemeentegrenzen heen. Indien de gemeente zelf initiatiefnemer en eigenaar is, vraagt dit meer, onder andere om projectcoördinatie, ( inhuur van) kennis en expertise, financiering en in de beheerfase een vakkundige operator. Voor het vervolgtraject is het belangrijk dat overheden keuzes maken welke rollen zij in willen nemen. Als het gaat om de rol die de partijen kunnen innemen, heerst er nog de nodige onzekerheid. Interventie vanuit het Rijk kan de rolverdeling compleet anders maken. Dat kan bijvoorbeeld zijn als het Rijk een sterke rol pakt bij het aanwijzen van opgaven of locaties voor biogas- en groen gasproductie. Hier is dan afstemming tussen gemeenten onderling belangrijk. Benodigde vervolgacties Voor de groei van de biogas- en groengasproductie zijn de volgende acties nodig: 1.
Kennisdeling op het gebied van technologie en financiering, in de gemeenten zelf (ook op het gebied van RO en vergunningverlening: wat kan en mag) en in de sector van bestaande en nieuwe initiatieven. 2. Lobby richting het Rijk voor hogere SDE-subsidies voor vergistingsprojecten en duidelijkheid over welke beslissingsbevoegdheid en regie de provincie en gemeenten hebben of krijgen rondom de lokale en regionale inzet. 3. Onderzoek doen naar voorkeuren voor wat betreft: 1) de organisatie (centraal/decentraal) van biogas en groengas, 2) de grootte van installaties en 3) de eventuele verbreding van de (huidige) faciliterende rol naar een meer regisserende rol. 31 reswestoverijssel .nl 4. Indien keuze wordt gemaakt voor grote vergistingsinstallaties; dan stimuleren en mogelijk coördineren van de ontwikkeling van grote vergistingsinstallaties, o.a. door clustering en beschikbaar stellen van (strategische) locaties. 5.3.2 Waterstof In het Klimaatakkoord wordt toepassing van waterstof voorzien in de industrie, mobiliteit en de gebouwde omgeving. In Overijssel gelden bedrijventerreinen met (zware) industrieën mogelijk als kansrijke locatiegebieden voor het gebruik van waterstof. Ook zien we eventueel kansen voor waterstof als ‘brandstof’ voor zware landbouw- en transportvoertuigen.
Waterstof zal zoals het zich nu laat aanzien geen 1-op-1 vervanging zijn voor aardgas in de gebouwde omgeving, aangezien we daar voornamelijk inzetten op vraagreductie, hybride - en all-electricoplossingen en warmtenetten. De verwachting is dat het gebruik van groene waterstof als energiedrager voor de gebouwde omgeving zich tot 2030 zal beperken tot enkele pilotprojecten, aldus de publicatie “waterstof in de energietransitie” (TKI Nieuw gas, 2020, pag. 26, 27, 37, 55, 56). Deze pilotprojecten zijn nodig om uit te zoeken, te testen en te demonsteren hoe waterstof grootschalig na 2030 toegepast zou kunnen worden in de gebouwde omgeving. In dat kader is het zinvol om te onderzoeken in hoeverre hier regionaal een bijdrage aangeleverd kan worden. Naast toepassing in eerder genoemde sectoren, is er in het klimaatakkoord aandacht voor de rol van waterstof als flexibel opslag- en transportmedium voor het variabele aanbod van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Mede hierdoor vergroot waterstof de mogelijkheden voor benutting en inzet van wind - en zonne-energie. Balancering van het elektriciteitsnet wordt namelijk belangrijker vanwege het stijgende aandeel zon- en windenergie (de opwek is in toenemende mate volatiel).
Omdat het maatschappelijk gezien niet (kosten-)efficiënt is het elektriciteitsnet te dimensioneren op het piekvermogen, kan waterstof als opslagmedium een grote rol spelen in de elektriciteits- en warmtetransitie. Tot slot wordt op landelijk niveau ingezet op de grootschalige productie van groene waterstof. Overijssel zal echter, gelet op de potentiële opwek van wind- en zonne-energie in de provincie, waarschijnlijk geen grote rol gaan spelen in de grootschalige productie van groene waterstof, mogelijk zijn er bijvoorbeeld wel verbindingen te leggen (meekoppelen) met het Integraal waterstofplan Noord Nederland. Benodigde vervolgacties Voor de opschaling en het stimuleren van waterstofgas zijn de volgende acties nodig: 1. Stimuleren van (een diversiteit aan) pilotprojecten op het gebied van waterstof . 2. Onderzoeken benodigde opslag- en tankinfrastructuur voor waterstof en de rol van de regio daarin.. 32 reswestoverijssel .nl Tijdpad In het algemeen wordt voor groen gas vooral een rol toegedicht tot 2030 en na 2030 wordt het gebruik van waterstof geleidelijk steeds belangrijker. De verwachting is dat de prijs voor groen gas vanwege schaarste zal toenemen, en de prijs van waterstof zal dalen dankzij innovatie en opschaling. In het kader van de doorontwikkeling en periodieke actualisatie van de RSW is het nodig om dit tijdpad periodiek te herijken.
In het algemeen wordt voor groen gas vooral een rol toegedicht tot 2030 en na 2030 wordt het gebruik van waterstof geleidelijk steeds belangrijker 5.4 Nationale (bovenregionale) vraagstukken Naast de hierboven beschreven onderwerpen is er ook nog een aantal knelpunten en vraagstukken die we niet lokaal (in de TVW) of regionaal (in deze RSW) op kunnen lossen. Dit betreffen vraagstukken die op provinciale of landelijke schaal moeten worden opgepakt en die grote gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid van de lokale TVW’s en de RSW. De volgende zaken verdienen dan de aandacht. Verdeling van duurzame bronnen als geothermie en hernieuwbaar gas In voorgaande paragrafen is het regionale verdelingsvraagstuk ten aanzien van geothermie en hernieuwbare gassen uitgewerkt. Veel vervolgacties krijgen in de regio en in de doorontwikkeling van de RSW een plek . Echter zijn er twee vraagstukken die we op nationaal niveau willen agenderen als het gaat om de verdeling (allocatie) van regionale warmtebronnen. Dit betreft: 1. Geothermie: instrumentarium ontwikkelen om lokaal en regionaal regie te kunnen nemen op het ge bruik van de ondergrond en de plaatsing en verdeling van bronnen; 2. Biogas en groengas: duidelijkheid over welke beslissingsbevoegdheid en regie provincie en gemeenten hebben/krijgen rondom de lokale inzet van bio- en groengas.
We roepen het Rijk om op korte termijn helderheid te verschaffen over deze onderwerpen. Aanpassing van wet en regelgeving op diverse terreinen nodig Op dit moment is Warmtewet 2.0 in voorbereiding. In een recente kamerbrief (20 december 2019) constateert de minister dat er voor warmte in de gebouwde omgeving sprake is van falen van de markt en dat hiervoor een sterke regierol van de gemeente nodig is. Mede in dat licht beoogt de warmtewet ook om ruimte te geven aan publieke warmtebedrijven. Daarbij krijgt de gemeente een aanwijzingsbev oegdheid om warmtebedrijven (publiek en privaat) aan te wijzen en ook om de afspraken en verplichtingen te monitoren, toetsen en indien nodig ook om in te grijpen of een aanwijzing te beëindigen. 33 reswestoverijssel .nl Vanuit het belang van de gemeente en provincie (vanuit de zorg voor de eigen inwoners) zijn er een aantal zaken die in de komende tijd nog goed verankerd moeten worden in deze nieuwe wetgeving en waarover gesprekken plaatsvinden met de Rijksoverheid. Dit betreft: 1. Voldoende ruimte bij de aanwijzingsbevoegdheid (geen regie zonder een toereikend handelingsperspectief). Cruciaal daarbij is het stellen van lokale voorwaarden aan warmtebedrijven, de omvang van een “warmtekavel” en de duur van de verplichting. 2. Toewerken naar een integrale energiewet voor Gas, Electra en Warmte.
Nu is de wetgeving gescheiden waardoor netwerkbedrijven geen warmtenet mogen aanleggen en exploiteren. Wens van de gemeenten is om dit wel mogelijk te maken. Hierdoor is er een betere borging van de publieke belangen. Maar ook een borging van de verbinding tussen verschillende energiesystemen die elkaar in toenemende mate gaan beïnvloeden. 3. Samenloop met proces van vaststelling Transitievisie Warmte en Omgevingsplan. Het Rijk koerst aan op het snel (aan het begin van het traject) aanwijzen van een warmtebedrijf. Gemeenten zullen eerst besluiten willen nemen over de TVW (WAT en WANNEER) en Omgevingsplan (HOE). Hierna pas een besluit over WIE. Hier zit een behoorlijke discrepantie tussen. Duidelijkheid over beleid rondom organisatie van regionale warmteb edrijven Zoals aangegeven, is er nu sprake van private warmtebedrijven (EnNatuurlijk, Eneco, Vattenfall) die de hele keten van opwek, transport en levering voor hun rekening nemen, danwel gemeenten die gezamenlijk eigenaar zijn van een bedrijf dat zich als private partij opstelt (HVC). Bij het toewerken naar een energiewet, het borgen van de publieke belangen en het faciliteren van haalbare en betaalbare oplossingen voor bewoners, is het nodig dat meerdere oplossingen mogelijk gemaakt worden. Dat daarbij de bestaande warmtebedrijven een rol kunnen krijgen is prima en bevordert de concurrentie in de markt.
Hierbij moet scheiding aangebracht worden tussen opwek van energie en het beheer en exploitatie van de infrastructuur. Gemeenten zijn vrij om dit te combineren, maar het is geen verplichting. Anders is integratie met Gas en Electra sowieso niet mogelijk. Hierbij lijkt het voor de hand te liggen dat er een verkenning wordt gedaan naar de meerwaarde van lokale en regionale warmtebedrijven. Immers als gemeenten de regie gaan voeren en ook financieel verantwoordelijkheid nemen, is het logisch (en zelfs aan te bevelen) om ook de zeggenschap te voeren. Daarbij zal nog wel veel aandacht nodig zijn voor de inbedding van de verschillende technische rollen rondom de operating van het systeem en de tarifering. Voor stabiliteit en continuïteit is het wellicht wenselijk dat niet iedere gemeente een eigen entiteit (gemeentelijk warmtebedrijf) opricht, maar dat wordt nagedacht over de vorming van een regionaal warmtebedrijf in West-Overijssel. Daarbij kunnen gemeenten voor uiteenlopende rollen en vormen van eigendom kiezen. Het is van belang dat de lokale overheid een stevig (en vooral eensluidend) antwoord geeft aan de Rijksoverheid over welke instrumenten nodig zijn.
34 reswestoverijssel .nl Passende financiering en/of financiële arrangementen voor regionale warmtevraagstukken Het gaat hierbij om financiering van een warmte-project aan de ene kant en betaalbaarheid voor de bewoner aan de andere kant. Financiering van een project is onlosmakelijk verbonden aan de gekozen governance-vorm. Kernpunt hierbij is dat de prijs van publieke financiering dermate veel lager is dan marktrendementen, dat het sluitend maken van businesscases niet zonder publieke financiering zal kunnen. Alleen dit zorgt er al voor dat de keuze van de rol van de overheid bijna onvermijdelijk lijkt. Een groter punt van zorg is de betaalbaarheid voor de bewoner. Voor de meeste woningen zal het totaal van de jaarlijkse kosten van warmte en de te nemen maatregelen op woningniveau hoger zijn dan de bestaande energierekening. Het is een grote vraag hoe dit in de praktijk zal uitpakken. Verder is er een veelheid van financiële arrangementen (bijvoorbeeld warmtefonds, SVN-leningen, woningabonnement, baatbelasting) dan wel financieringen via organisaties als Energiefonds Overijssel. De voorwaarden daarbij, de toegankelijkheid en de flexibiliteit op bewonersn iveau laat sterk te wensen over. Ook de nog strakke kredietregels (wet financieel toezicht) leggen beperkingen op.
Hier blijft nog een nadrukkelijke politieke lobby nodig richting het Rijk om met een passend aanbod aan financiering en/of financiële arrangementen te komen die passen bij de lokale en regionale warmtevraagstukken. 35 reswestoverijssel .nl 6. Vervolgproces Hoofdstuk 6 beschrijft het vervolgproces. Hoe stellen we voor de regionale samenwerking verder vorm te geven, welke stakeholders betrekken we daarbij en hoe ziet de procesplanning voor het vervolgproces eruit? 6.1 Regionale samenwerking Achtergrond Binnen de regio wordt op dit moment al op diverse fronten samengewerkt. Vaak blijft dit tussen buurgemeenten beperkt en wordt hierbij ingestoken op efficiencyvoordelen. Vanuit de opzet van de Regionale Strategie Warmte komen nieuwe vraagstukken naar voren die de vraag opwerpen of nauwere en intensievere samenwerking tussen gemeenten op specifieke deelonderwerpen voordeel biedt. Samenwerken klinkt goed maar kan juist ook belemmerend werken. Dit hoofdstuk beschrijft de belangrijkste randvoorwaarden en werkt vervolgens twee onderwerpen uit waarbij wordt voorgesteld in de verdere uitvoering van de RES samenwerking tussen de gemeenten onderling te versterken. Randvoorwaarden aan samenwerking Om te voorkomen dat samenwerking een doel op zich is, stellen we voor de volgende randvoorwaarden aan samenwerking te stellen.
Deze randvoorwaarden worden gebruikt als toetssteen voor de onderwerpen waarop regionale samenwerking wordt voorgesteld. Anderzijds worden ze gebruikt als criterium om mogelijk nieuwe onderwerpen waarop kan worden samengewerkt te selecteren. De randvoorwaarden die worden voorgesteld zijn: 1. Inhoud & focus. Samenwerking dient een inhoudelijke focus te hebben. Er zijn bestaande samenwerkingsoverleggen. Deze kunnen verder benut worden, waarbij doelstelling en processturing op eindresultaat noodzakelijk is om samenwerking effectief te laten zijn. 2. Lokaal & provinciaal niet oplosbaar. Regionaal samenwerken is alleen zinnig wanneer hiermee een leemte wordt gevuld die lokaal (lees: gemeentelijk) of provinciaal, nationaal niet is in te vullen. 3. Halen & brengen. Samenwerken is effectief wanneer alle deelnemende gemeenten cq. partijen informatie/kennis halen én brengen. Wanneer partijen deze balans niet per deelnemer inzichtelijk kunnen maken is er mogelijk geen basis voor structurele samenwerking. 4. Afstand & autonomie. Samenwerking hoeft niet geografisch aansluitend maar kan ook tussen gemeenten in de regio. Of zelfs tussen gemeenten buiten de regio of provincie. Daarbij is autonomie belangrijk; het vrij zijn om op basis van opgedane inzichten zelf keuzes te maken die het meest passend zijn binnen de eigen gemeenten.
36 reswestoverijssel .nl Onderwerp 1: Vraagreductie: communicatie en participatie De regio onderkent het belang van het reduceren van de warmtevraag in de gebouwde omgeving. Inzetten op het verminderen van het aardgasgebruik in de bestaande wijken zal tot en met 2030 in veel wijken de tussenoplossing zijn alvorens de stap gezet kan worden naar een volledig aardgasvrije wijk. Vanuit regio cq. provincie wordt al met diverse programma's ingestoken op deze vraagreductie. De regio werkt met de werkgroep Energieloket 3.0 aan de doorontwikkeling van de energieloketten. Uitgangspunt in de notitie vanuit de werkgroep Energieloket 3.0 is dat de energieloketten vooral een rol kunnen spelen in wijken die nog niet aan de slag gaan met een wijkuitvoeringsplan (WUP) of waar geen bewonersinitiatief speelt (zie ook tabel 6.1). In deze wijken kunnen energieloketten bewoners stimuleren en ondersteunen, bijvoorbeeld door individueel advies of door inkoopacties, om alvast no -regret maatregelen te treffen. In wijken waar gewerkt wordt vanuit een wijkuitvoeringsplan, zal een gemeentelijk projectleider eerder het aanspreekpunt zijn in plaats van het loket. In de gemeentelijke Transitievisies Warmte en Wijkuitvoeringsplannen zal de lokale inzet op energiebesparing verder uitgewerkt worden.
Lokale initiatieven/bewoners actief Geen initiatieven in de wijk Spoor 1: wijk heeft prioriteit in warmtevisie (1) Integrale wijkaanpak gemeente in samenspraak met energieloket Spoor 2: wijk heeft geen prioriteit in warmtevisie (2) (Collectieve) aanpak op wijkniveau energieloket, consortia en/of lokale initiatieven (3) Individuele aanpak via energieloket Voorgesteld wordt om de lijn door te zetten waarbij energieloketten lokaal opereren, regionaal generiek materiaal of aanpakken ontwikkelen om communicatie en participatie bij de wijkaanpak breder beschikbaar te maken. De volgende punten worden daarbij geagendeerd: 1. Naar afstemming en coördinatie: afstemming tussen gemeente(n), energieloketten en wijkinitiatieven, zodat vragen die voortkomen uit de warmtetransitie op de juiste manier worden beantwoord en gecoördineerd. De boodschap moet consequent, adequaat en concreet zijn. Energieloketten en gemeenten werken samen in de vertaling van beoogde technische strategieën naar praktische maatregelen in de wijk en achter de voordeur. 2. Van vrijblijvendheid naar sturing: de vrijblijvendheid van de verduurzaming van de warmtevraag zal naar verwachting minder worden. Energieloketten kunnen een spilfunctie gaan krijgen in wijken die nog niet direct zijn aangewezen als startwijken om van het aardgas af te gaan. 3.
Vraag en aanbod matchen: wanneer een wijk of buurt van het aardgas af moet ontstaat vraag naar uitvoering van concrete - gelijksoortige - maatregelen. Veel bewoners zullen bijvoorbeeld isolerende Tabel 6.1 Inzet energieloket in relatie tot wijkaanpakken 37 reswestoverijssel .nl maatregelen gaan treffen. Gemeenten kunnen via het wijkuitvoeringsplan of door midd el van energieloketten gezamenlijke inkooptrajecten voor inwoners organiseren. 4. Voldoende middelen beschikbaar: op dit moment zijn de (financiële) middelen vanuit het gemeentefonds onvoldoende toereikend voor een professionaliseringsslag van de energieloket ten, om kennis en capaciteit te vergroten. Bovenstaande punten vragen een versterkte focus op de rol en positie van energieloketten enerzijds. Anderzijds vraagt dit ook om een afstemming tussen gemeente(n), energieloketten en wijkinitiatieven waarbij dubbelingen worden voorkomen en gecoördineerd wordt samengewerkt. Voorgesteld staat dat er meer kennis, capaciteit en financiële middelen nodig zijn voor een effectief uitvoeringsprogramma van een professionalisering van de energieloketten. Onderwerp 2: Onderzoek regionaal (energie- en) warmtebedrijf In diverse gemeenten is het realiseren van een lokaal warmtenet een voor de hand liggende oplossing. Op dit moment hebben alleen grotere steden als Deventer en Zwolle in de regio ervaring met lokale warmtenette n.
Deze warmtenetten komen uit de vroegere NUTS tijd en zijn allemaal in privaat eigendom bij marktpartijen. Wanneer vanuit de warmtetransitie meer warmtenetten moeten worden gerealiseerd, ontstaat er een nieuw speelveld waar gemeenten een regierol in moeten gaan vervullen. Dit speelveld is juridisch, financieel en technisch sterk in beweging waardoor het invulling geven aan deze regierol voor veel gemeenten ingewikkeld is. Duidelijk is dat de vraag op lokaal of regionaal niveau naar het oprichten van een publieke entiteit (lees: publiek warmtebedrijf) om warmtenetten (risicodragend) te financieren én te besturen toeneemt. Gemeenten onderkennen het belang en de noodzaak om hierin met elkaar samen te werken en daarom wordt voorgesteld dit onderzoek vanuit de regio verder vorm te geven. Een eerste verkenning naar een regionaal energiebedrijf is reed opgestart; deze verkenning wordt in 2020 afgerond. Een minimale variant i s om in gezamenlijkheid kennisontwikkeling op dit vlak te professionaliseren. Onderwerp 3: Doorontwikkeling concept-RSW richting RSW 1.0 e.v. Na vaststelling van de concept RSW wordt door de regionale werkgroep warmte verder gewerkt aan de RSW 1.0. Door bouwstenen te verzamelen voor de regionale discussie over geothermie en het ontwikkelen en opschalen van de productie van duurzame gassen (zie hoofdstuk 5).
In tussentijd z ullen de meeste Transitievisies Warmte van de verschillende gemeenten gereed zijn. Deze informatie kan worden meegenomen in de RSW 1.0. Deze sporen zijn input voor de RSW 2.0. In de RSW/RES 2.0 worden de regionale afspraken om te voorzien in de warmtebehoefte vastgelegd. In de RSW/RES 2.0 staan de afspraken tussen gemeenten, provincie en waterschappen en andere stakeholders over het voorgenomen gebruik van 38 reswestoverijssel .nl (bovenlokale) warmtebronnen in relatie tot verschillende warmtevragers en de daarvoor benodigde infrastructuur. 6.3 Procesplanning Om tot een logische inzet en verdeling van warmtebronnen voor de gebouwde omgeving te komen in de regio West-Overijssel zijn de regionale warmtevraagstukken uitgewerkt en wat daarvoor nodig is. Op korte termijn krijgt het professionaliseren van de energieloketten prioriteit, maar de beschikbare (financiële) middelen en centrale informatie vanuit het Rijk zijn beperkt. Op dit moment wordt gekeken naar verdere ontwikkeling richting energieloket 3.0, waarbij afstemming en coördinatie over wijken met of zonder wijkuitvoeringsplan belangrijk wordt. Parallel kan worden gewerkt aan gezamenlijke onderzoeken; die leiden tot de bouwstenen voor een regionale discussie over geothermie en het ontwikkelen en opschalen van de productie van duurzame gassen.
In tussentijd zijn ook alle Transitievisies Warmte van de verschillende gemeenten gereed en wordt een start gemaakt met het opstellen van wijkuitvoeringsplannen. Dit is weer input voor de RSW 2.0. Na vaststelling van de RSW 2.0 kan op middellange termijn gestart worden met de daadwerkelijk (regionale) levering van geothermie en duurzame gassen. Afhankelijk van het welslagen van de groengasproductie en de ontwikkeling van waterstof zal dan ook bekeken moeten worden in hoeverre een verdere opschaling van de regionale waterstofproductie mogelijk danwel noodzakelijk is. Voor de inzet en verdeling van de overige bronnen is de opgave primair een lokaal (gemeentelijk) vraagstuk. In onderstaande procesplanning/figuur is de procesplanning op hoofdlijnen weergeven
39 reswestoverijssel .nl 40 reswestoverijssel .nl Indicatie haalbaarheid Bovenstaande planning geeft een realistische en haalbare weergave van de ontwikkeling van de regionale warmtestrategie. Deze planning sluit ook aan op andere beleidssporen: zoals de regionale samenwerking op het gebied van energieloketten, ontwikkeling van de gemeentelijke warmtevisies, de groe ngasstrategie van RENDO en het in voorbereiding zijnde provinciale stimuleringsprogramma warmte. Stakeholders In de bouwsteen participatie is uitgewerkt hoe de stakeholders bij het vervolg worden betrokken bij de doorontwikkeling van voorliggende RSW. 41 reswestoverijssel .nl Bijlagen 42 reswestoverijssel .nl Bijlage 1 Database Warmtevraag Zie volgende pagina en bijgaand Exceldocument. Aardgasverbruik en warmtevraag gebouwde omgeving Totaal Gebouwde omgeving 2018 2030 Woningen Warmtevr aag woning Stadswar mte (2017) Warmtevr aag incl.
stadswar mte 2030 Commerci ele dienstverl ening Commerci ele dienstverl ening Publieke dienstverl ening Publieke dienstverl ening Warmtevr aag Utiliteit totaal 2030 Industrie Landbouw en overig [mln m3] [mln m3] [TJ] [TJ] [mln m3] [TJ] TJ TJ TJ [mln m3] [TJ] [mln m3] [TJ] TJ [mln m3] [mln m3] Dalfsen 29,7 23,7 735,0 681,7 19,1 606,0 0,0 606,0 530,6 3,1 87,5 1,5 41,5 129,0 151,1 3,9 2,0 Deventer 100,2 73,2 2322,8 2154,5 53,0 1676,0 84,0 1760,0 1571,3 10,3 287,5 9,9 275,3 562,8 583,1 25,3 1,6 Hardenberg 68,1 52,7 1613,1 1515,6 38,4 1214,0 0,0 1214,0 1075,0 5,8 160,1 8,6 238,9 399,1 440,6 3,5 11,9 Kampen 94,1 40,4 1236,2 1148,5 29,4 929,0 0,0 929,0 809,4 6,4 176,7 4,7 130,5 307,2 339,2 14,5 39,2 Olst-Wijhe 19,2 14,5 453,1 415,9 11,7 372,0 2,0 374,0 325,4 1,5 41,7 1,3 37,4 79,1 90,5 3,5 1,2 Ommen 23,1 17,2 523,2 496,2 12,1 382,0 0,0 382,0 332,5 3,1 87,0 1,9 54,2 141,2 163,7 2,6 3,3 Raalte 40,6 30,8 952,7 883,6 23,7 750,0 4,0 754,0 653,3 3,8 107,1 3,3 91,7 198,7 230,2 6,6 3,2 Staphorst 19,2 13,6 419,7 402,4 10,5 333,0 0,0 333,0 302,4 2,2 61,0 0,9 25,7 86,7 100,0 3,3 2,3 Steenwijkerland 43,3 39,8 1225,6 1126,6 30,8 974,0 0,0 974,0 833,6 5,3 147,0 3,8 104,6 251,6 293,0 1,9 1,6 Zwartewaterland 39,6 17,0 525,5 497,9 13,0 413,0 0,0 413,0 363,8 2,3 65,0 1,7 47,6 112,5 134,1 18,9 3,7 Zwolle 122,3 98,2 2992,9 2985,6 65,3 2066,0 11,0 2077,0 1898,9 16,9 470,7 16,0 445,2 915,9 1086,8 20,9 3,1
RES-regio West-Overijssel 599,3 421,4 12998,7 12308,9 307,0 9715,0 100,0 9815,0 8696,6 60,8 1691,3 53,6 1492,5 3183,7 3612,3 104,8 73,1 Provincie Overijssel 1398,1 957,1 29838,8 695,3 22007,0 547,0 22554,0 142,4 3960,9 119,5 3323,9 7284,8 347,1 93,9 Nederland 30807,9 13685,3 432896,5 9681,1 306408,0 15078,0 321486,0 2283,6 63538,4 1720,6 47872,1 111410,5 12644,0 4478,6 0,0 500,0 1000,0 1500,0 2000,0 2500,0 3000,0 3500,0TJ Warmtevraag in de gebouwde omgeving 2018 2030 9715,0 1691,3 1492,5 Warmtevraag gebouwde omgeving [TJ] aardgas+her. warmte Woningen Commerciele dienstverlening Publieke dienstverlening Bijlage 2 Database Warmtebronnen Zie volgende pagina en bijgaand Exceldocument. In onderstaande grafiek zijn de warmtebronnen per gemeente samengevat; opgedeeld in HT en LT warmte.
0 1000 2000 3000 4000 5000 6000 7000 8000 9000TJ Warmtebronnen Potentieel aanbod aquathermie Potentieel aanbod ondiepe geothermie Bestaand aanbod aquathermie Bestaand aanbod ondiepe geothermie Potentieel aanbod Restwarmte Potentieel aanbod Bio-energie Potentieel aanbod Geothermie Gepland aanbod restwarmte Gepland aanbod bio-energie Gepland aanbod Geothermie Bestaand aanbod restwarmte Bestaand aanbod bio-energie Bestaand aanbod Geothermie Bijlage 3 Beschrijving bronnen per gemeente In deze bijlage zijn de warmtebronnen vanuit bijlage 2 (database warmtebronnen) per gemeente beschreven en kort toegelicht. Dat wil overigens niet zeggen dat deze bronnen alleen geschikt zijn voor warmtevraag in de desbetreffende gemeenten. De bronnen kunnen bovenlokaal zijn d.w.z. dat deze in meerdere gemeenten gebruikt kunnen worden gebruikt. Dalfsen Geothermie Voor de diepe geothermie zijn de waarden gebruikt uit het onderzoek van RHDHV en IF naar de potentie van ondiepe en diepe geothermie. Restwarmte Bel Leerdammer is een potentiele restwarmtebron (schatting is 50 -75 TJ per jaar), maar op basis van de actuele gegevens zijn er nog geen plannen om deze restwarmte te benutten. Biomassa en biogas In Dalfsen is momenteel één mestcovergister actief (Greendal) die in de huidige situatie een potentieel aanbod zou hebben van namelijk 120 TJ/jaar.
Deze WKK wordt op dit moment echter alleen ingezet voor elektriciteitsopwekking. In de gemeente wordt de potentie biogas geschat op 50 -150 TJ en de potentie biomassa op ongeveer 25 TJ. Aquathermie/restwarmte RWZI en gemalen De potentiële restwarmte uit oppervlaktewater kan met de 294 TJ/jaar theoretisch gezien 40% van de totale warmtevraag van de bebouwde omgeving dekken. Echter, hierbij geldt de disclaimer dat lage te mperatuur warmte uit oppervlaktewater met name geschikt is voor relatief nieuwe woningen of woningen die aangepast zijn om aangesloten te worden op een LT warmtenet. Het is de vraag of het tot een haalbare businesscase kan leiden om bestaande bouw hierop aan te sluiten. Daarom is de TEO potentie gemaximeerd op een dekkingsgraad van 35% (zie ook 3.3). De potentiële restwarmte uit afvalwater ligt rond de 55 TJ/jaar. Deventer Geothermie Diepe en ondiepe geothermie is vanwege de geldende restricties voor diepe boringen in de ondergrond geen optie. Restwarmte en evt. cascadering Deventer heeft geen grote restwarmtebronnen. Biomassa en biogas Momenteel wordt het slib uit de RWZI Deventer gebruikt om te vergisten middels WKK, hierbij komt in totaal 84,6 TJ/jaar aan energie vrij. Dat biogas is dus niet meer voor warmtetoepassingen beschikbaar. Daarnaast vindt er mestvergisting plaats bij de melkveebedrijven in het buitengebied van Deventer.
De huidige warmtelevering is momenteel 10 TJ/jaar, en in de planning staat een groei naar 25 vergisters, wat een 1 reswestoverijssel .nl energielevering van nog eens 46,6 TJ/jaar gaat opleveren (middels WKK). Volgens data van NP RES ligt er veel theoretische potentie voor warmte uit biomassa; het totaal kan oplopen tot 446 TJ/jaar. Het is echter realistisch om dit totaal te halveren tot een waarde van rond de 200 TJ/jaar. Aquathermie Het Stadskwartier (stadskantoor e.a.) wordt verwarmd en gekoeld met warmte uit de IJssel. In Zandweerd loopt de proeftuin voor het halen van thermische energie uit het effluent van de installatie (TEA). Dit wordt gecombineerd met een backup die warmte onttrekt uit oppervlaktewater van de IJssel (TEO). De potentiële warmte van de RWZI is al ca. 160 TJ/jaar. Hier komt de warmte van het IJsselwater nog bij. De warmte is ten bate van het LT-warmtenet dat wordt aangelegd in Zandweerd. De overige warmtepotentie van thermische energie uit oppervlaktewater is potentieel erg hoog doordat Deventer aan de IJssel ligt en er verschillende waterlopen binnen Deventer aanwezig zijn die same n flink wat lage temperatuur warmte zouden kunnen leveren. Deze warmtepotentie is echter alleen realistisch inzetbaar voor nieuwbouwwijken die grenzen aan het water, of woningen waar dermate in geïnvesteerd wordt dat ze aangesloten kunnen worden op een LT-warmtenet.
Warmtenetten Binnen de gemeente Deventer zijn er 9 bestaande HT warmtenetten die al warmte leveren aan huishoudens. Deze warmtenetten zijn echter gasgestookt en hebben daarmee geen duurzame warmtebron. Die hiervoor genoemde warmtebronnen, inclusief duurzame warmte van het bedrijventerrein (huidige inschatting: 3 TJ/jaar) kunnen mogelijk de warmtelevering voor deze netten (geleidelijk) gaan overnemen. Mogelijk kan het aandeel aangesloten huishoudens worden uitgebreid. Hardenberg Geothermie Voor diepe en ondiepe geothermie zijn de waarden gebruikt uit het onderzoek van RHDHV en IF naar de potentie van ondiepe en diepe geothermie. Restwarmte Het totaal aan potentiële restwarmte van industrie is ingeschat op basis van de storymap van de sprintsessie Hardenberg. Hieruit komt naar voren dat er vanuit industrie ca. 11 TJ/jaar aan restwarmte beschikbaar is. Er is al een warmtenet gepland waarbij restwarmte van de WAVIN-fabriek, geothermie en biomassa gaan zorgen voor verwarming van bestaande en nieuwbouw. Samen goed voor zo’n 8,3 TJ warmte per jaar. Dit betekent dat het totaal bovenlokaal potentieel aan restwarmte iets lager zal zijn dan ingeschat. Biomassa en biogas Binnen de gemeente Hardenberg zijn drie mestvergisters in bedrijf die samen 340 TJ/jaar aan warmte leveren.
De bio-verbrandingscentrale van firma Brouwer in Balkbrug levert echter warmte aan de naastgelegen kaasfabriek van Campina in de vorm van stoom. Deze 10 TJ/jaar valt dus af voor bovenlokale potentie. Verder is er één stortgaswinning actief (Collendoorn), goed voor een totaal aan 3 TJ/jaar aan in te zetten groengas. 2 reswestoverijssel .nl Aquathermie Wat betreft aquathermie ligt er veel potentie in de gemeente Hardenberg. Ten eerste is er veel oppervlaktewater in de gemeente aanwezig, waardoor er in elk geval theoretisch een hoog aandeel beschikbare warmte beschikbaar is dat kan oplopen tot 967 TJ/jaar. Echter, bij deze warmte gaat het om LT warmte die met name effectief ingezet kan worden voor woningclusters met hoge woningdichtheid (mogelijk alleen voor de plaats Hardenberg) en woningen die goed zijn voorbereid op aansluiting op een LT warmtenet zoals het realiseren van een goed geïsoleerde woningschil. Daarom is de TEO potentie gemaximeerd op een dekkingsgraad van 35% ten opzichte van de warmtevraag in de gebouwde omgeving (zie ook 3.3). Daarnaast zijn er een zestal rioolgemalen die restwarmte zouden kunnen leveren tot een maximum van 26 TJ/jaar. Hierbij geldt dezelfde disclaimer als hierboven vermeld. Kampen Geothermie Ten noorden van Kampen ligt een geothermie contour, waar al goed gebruik van gemaakt wordt.
De schatting van de warmteproductie uit bestaande geothermieprojecten in de Koekoekspolder i s 176,4 TJ/jaar. De warmte uit de geothermieput wordt ingezet voor de warmtevraag uit het glastuinbouwgebied en uitbreiding van het aantal doubletten is mogelijk. Deze uibreiding kan worden ingezet voor warmtevraag vanuit glastuinbouw of voor de warmtevoorzieing in de gebouwde omgeving (stadswarmtenet). Een stadswarmtenet met een eigen geothermiebron bleek na onderzoek van DWA en Panterra te risicovol. Voor diepe en ondiepe geothermie zijn de waarden gebruikt uit het onderzoek van RHDHV en IF naar de potentie van ondiepe en diepe geothermie. Restwarmte Het bedrijf Hyproca Lyempf B.V. produceert significant veel warmte (schatting ca. 100 TJ/jaar) en is daarmee een potentiële restwarmtebron. Biomassa en biogas Er zijn twee houtgestookte installaties die een totaal van ca. 26 TJ/jaar aan warmte gaan leveren. Ee nieuw op te starten installatie gaat 189 TJ aan warmte leveren. Daarnaast zijn er twee mestvergisters die samen ongeveer 30 TJ/jaar aan warmte leveren. Dit is nog maar 10% van de totale potentieel te vergisten mest in de gemeente; hier zit dus nog groeipotentie. Aquathermie Er zijn twee rioolgemalen en een RWZI die gezamenlijk een warmtepotentie van ca. 125 TJ/jaar hebben. De RWZI is hiervan de grootste warmtebron (80%).
Gezien de grote hoeveelheid oppervlaktewater rondom bebouwd gebied ligt er grote potentie om LT warmte te onttrekken en in te zetten voor warmtenetten. Echter, de wijken die naast de IJssel liggen, zijn geen nieuwbouwwijken en vragen veeleer om HT-warmte. De reëel winbare potentie zal dus een stuk lager uitvallen. Daarom is de TEO potentie gemaximeerd op een dekkingsgraad van 35% ten opzichte van de warmtevraag in de gebouwde omgeving (zie ook 3.3). 3 reswestoverijssel .nl Olst-Wijhe Geothermie Het is in de gemeente niet toegestaan om boringen dieper dan 50 meter te verrichten, vanwege de ligging in een grondwaterbeschermingsgebied (boringsvrije zone). Diepe en ondiepe geothermie is vanwege de geldende restricties voor diepe boringen in de ondergrond dus geen optie. Biomassa en biogas De mestvergisting Boerkamp biedt een totaal aan warmte van 3,3 TJ/jaar. De potentie uit mest is een theoretische potentie. De vergiste warmte is mogelijk bovenlokaal inzetbaar in combinatie met een realistisch deel van de overige potentie mestvergisting en biomassa zoals aangegev en in de factsheet energie. Aquathermie De gemeente Olst-Wijhe ligt aan de IJssel en heeft daarmee de beschikking tot warmte uit oppervlaktewater.
De potentiestudie van ROM3d geeft een erg hoge potentie aan; het is realistischer om deze potentie te beperken tot de plaatsen Olst en Wijhe aangezien hier de woningdichtheid hoger zal zijn en de woningen dichterbij de warmtebron liggen. Hierbij kan alsnog een kanttekening geplaatst worden bij de inzetbaarheid van de warmtepotentie. De warmte leent zich voor een LT warmtenet: voor woningen waarbij de schil van de woningen goed geïsoleerd is en waar aanpassingen in de woning rendabel zijn. Daarom is de TEO potentie gemaximeerd op een dekkingsgraad van 35% ten opzichte van de warmtevraag in de gebouwde omgeving (zi e ook 3.3). Ommen Geothermie Voor diepe en ondiepe geothermie zijn de waarden gebruikt uit het onderzoek van RHDHV en IF naar de potentie van ondiepe en diepe geothermie. Restwarmte Het totaal aan restwarmte (ca. 90 TJ/jaar) is afkomstig van twee fabrieken in Ommen. Deze restwarmte heeft een temperatuur tussen de 25 en 40 graden en heeft dus potentie om ingezet te worden voor een warmtenet. Een eerste haalbaarheidsonderzoek van de GTS/Gasunie stikstoffabriek is inmiddels afgerond. Biogas en biomassa De in Ommen aanwezige stortgaswinning levert zo’n 10 TJ/jaar aan gas. In combinatie met het hoge potentieel aan biogas komt het totaal warmtepotentieel vanuit deze gassen op ca. 110 TJ/jaar.
Ook zijn er warmtepotentiëlen vanuit biomassa en mestvergisting die kunnen oplopen tot ca. 500 TJ/jaar. Gezien m.n. economische haalbaarheid van dit soort bronnen is het realistisch om deze waardes te halveren. Aquathermie Het rioolgemaal Ommen en met name de effluentleidingen hebben een behoorlijke restwarmte, namelijk ca . 27 TJ/jaar in totaal. In combinatie met de andere restwarmte biedt dit potentie om een warmtenet aan te leggen. 4 reswestoverijssel .nl De potentiestudie van ROM3d geeft een erg hoge warmtepotentie uit oppervlaktewater aan; het is echter realistisch om de potentie te beperken tot de plek Ommen aangezien hier de woningdichtheid hoger zal zijn dan in de kleinere omliggende plaatsen en de woningen dichterbij de warmtebron liggen. Hierbij kan alsnog een kanttekening geplaatst worden bij de inzetbaarheid van de warmtepotentie. De war mte leent zich voor een LT warmtenet: voor woningen waarbij de schil van de woningen goed geïsoleerd is en waar aanpassingen in de woning rendabel zijn. Daarom is de TEO potentie gemaximeerd op een dekkingsgraad van 35% ten opzichte van de warmtevraag in de gebouwde omgeving (zie ook 3.3). Raalte Geothermie Diepe en ondiepe geothermie is vanwege de geldende restricties voor diepe boringen in de ondergrond geen optie.
Restwarmte Voor de gemeente Raalte is het onduidelijk welke (industriële) restwarmte er op bovenlokaal niveau aanwezig is. Biomassa en biogas Volgens de lopende onderzoeken in de gemeente kan de potentie van warmtewinning uit mest oplopen tot 174 TJ en uit biomassa tot 48,9 TJ. Aquathermie De warmtepotentie vanuit oppervlaktewater is relatief laag vergeleken met de andere omliggende gemeenten. Dit komt doordat Raalte niet direct grenst aan de IJssel. Het loont daarom niet om in te zetten op deze warmtebron. Wel ligt er potentie om in te zetten op de restwarmte vanuit de RWZI in Raalte. Het nieuwe sportcentrum Tijenraan wordt verwarmd met het effluent van de nabije RWZI, het oude zwembad dient daarbij als warmtebuffer. Mogelijk is er nog meer capaciteit bij de RWZI beschikbaar om warmte te leveren aan Raalte dorp. Staphorst Geothermie Voor diepe en ondiepe geothermie zijn de waarden gebruikt uit het onderzoek van RHDHV en IF naar de potentie van ondiepe en diepe geothermie. Dit onderzoek bevat de meest recente gegevens van de ondergrond. Wel is in een quickscan ondiepe geothermie, uitgevoerd in opdracht van gemeente Staphorst, de volgende conclusie getrokken: “De doorlaatbaarheid van de potentiële lagen is echter veel lager dan die van het geothermie project Luttelgeest (29-324 vs. ~500 mD), met als de verwachtte laagdikte.
Gezien de lage permeabiliteit en de beperkte laagdikte is een geothermie project in de gemeente Staphorst daarom niet 5 reswestoverijssel .nl aantrekkelijk”. Het betreft hier echter ondiepe geothermie. De hoge potentie diepe geothermie is er nog steeds. Restwarmte De warmtepotentie vanuit Rouveen Kaasspecialiteiten ligt relatief hoog voor de gemeente Staphorst. Het is echter onduidelijk welk temperatuurniveau deze restwarmte heeft, en in hoeverre de warmte lokaal of bovenlokaal inzetbaar is. Biomassa en biogas De waardes voor potentie biomassa en mest zijn overgenomen vanuit de factsheet Energie. Met name de warmtepotentie van te vergisten mest ligt hoog voor de gemeente Staphorst en zou een groot deel van de warmtevraag kunnen dekken. Het is echter realistisch om deze potentie te halveren tot ongeveer 150 TJ/jaar. Aquathermie Binnen de gemeente is IJhorst de enige kern waar thermische energie uit oppervlaktewater mogelijk is, omdat de Reest hierlangs loopt. De potentie hiervan is 180 TJ. Onderzocht moet worden in hoeverre deze warmtebron realistisch ingezet kan worden, gezien de lage woningdichtheid van het gebied. Daarom is de TEO potentie gemaximeerd op een dekkingsgraad van 35% ten opzichte van de warmtevraag in de gebouwde omgeving (zie ook 3.3).
Steenwijkerland Geothermie Voor diepe en ondiepe geothermie zijn de waarden gebruikt uit het onderzoek van RHDHV en IF naar de potentie van ondiepe en diepe geothermie. De potentie voor geothermie ligt erg hoog in de gemeente Steenwijkerland, gezien het feit dat deze gemeente in een contour geothermie ligt. Mogelijk is er voor een klein gebied een restrictie in het boren in de bodem, in verband met drinkwaterwinning. Doordat de grote potentie maar op kleine schaal voor de gemeente Steenwijkerland zelf kan worden toegepast, de bebouwingsdichtheid laag is, zal de kansrijkheid van een HT - warmtenet laag zijn. Restwarmte en aquathermie De gemeente Steenwijkerland kan mogelijk restwarmte benutten van IJsbeer (groene energie uit biomassa) of uit de RWZI. Gezien de hoge warmtepotentie vanuit oppervlaktewater loont het om te onderzoeken hoe deze warmte ingezet kan worden voor een LT warmtenet voor de gemeente zelf, of voor aan het water grenzende woonkernen. Daarom is de TEO potentie gemaximeerd op een dekkingsgraad van 35% ten opzichte van de warmtevraag in de gebouwde omgeving (zie ook 3.3). Biomassa en biogas Er zijn momenteel twee mestcovergisters in de gemeente die biogas produceren, maar deze biogas wordt gebruikt voor elektriceitsproductie. De biomassacentrale van IJsbeer Energie wordt primair gebruikt voor productie van elektriciteitsproductie.
6 reswestoverijssel .nl Zwartewaterland Geothermie Voor diepe en ondiepe geothermie zijn de waarden gebruikt uit het onderzoek van RHDHV en IF naar de potentie van ondiepe en diepe geothermie. Restwarmte Zoals de storymap vermeldt, ligt er bij de industrie de opgave om eerst zelf de warmte terug te brengen, waardoor de restwarmte die overblijft mogelijk geen goede bron is, maar wellicht wel voldoende voor de panden op het eigen bedrijventerrein. Hiervoor is nader onderzoek nodig. Het lijkt hiermee uitgesloten dat deze warmte op termijn nog effectief ingezet kan worden in de regio. Biomassa en biogas De potentie van het vergisten van mest ligt relatief hoog in relatie tot de warmtevraag van de gemeente Zwartewaterland: zo’n 170 TJ/jaar. Aangezien er binnen de gemeente de w ens ligt om te gaan verwarmen middels biogas, zal deze potentie mest naar waarschijnlijkheid binnen de gemeente en dus lokaal worden gebruikt. Aquathermie In vergelijking met de warmtepotentie vanuit de drie gemalen ligt de warmtepotentie van oppervlaktewa ter erg hoog. Aangezien de drie grote woonkernen Hasselt, Genemuiden en Zwartsluis allemaal aan de IJssel liggen en daarmee dus directe verbindingen hebben met deze warmtepotentie, ligt het voor de hand om te onderzoeken welke mogelijkheden er werkelijk zijn voor de ontwikkelingen van LT warmtenetten.
Daarom is de TEO potentie gemaximeerd op een dekkingsgraad van 35% ten opzichte van de warmtevraag in de gebouwde omgeving (zie ook 3.3). Zwolle Geothermie Voor diepe en ondiepe geothermie zijn de waarden gebruikt uit het onderzoek van RHDHV en IF naar de potentie van ondiepe en diepe geothermie. Restwarmte en aquathermie De theoretische warmtepotentie uit oppervlaktewater is voor de gemeente Zwolle erg hoog. Gezien de gunstige ligging aan de IJssel liggen er mogelijkheden om deze warmte te benutten voor de ontwikkeling van een LT warmtenet. Hierbij is het echter wel van belang dat de woningen voorbereid zijn om hierop aangesloten te worden met maatregelen zoals vloerverwarming en goede kierdichting, of ten gun ste van warmtevoorziening voor nieuwbouw. Daarom is de TEO potentie gemaximeerd op een dekkingsgraad van 35% ten opzichte van de warmtevraag in de gebouwde omgeving (zie ook 3.3). Mogelijk kan de restwarmte van Abbott Labaratories B.V. en de potentiële res twarmte van de vergisters RWZI Zwolle in combinatie met de grote warmtepotentie uit oppervlaktewater ingezet worden als duurzame warmtebron voor een LT warmtenet. 7 reswestoverijssel .nl Biomassa en biogas De warmtepotentie uit mestvergisting kan mogelijk interessant zijn in co mbinatie met de bestaande vergistingsinstallatie van de RWZI.
Het is realistisch om de warmtepotentie uit mest te halveren tot ongeveer 130 TJ/jaar, aangezien het om theoretische hoeveelheden mest gaat.