CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Bouwsteen Regionale Structuur Warmte.pdf

Politieke Markt 19 mei 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Concept Regionale Energiestrategie 'Naar een opgewekt West- Overijssel`15.378 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

DATUM: 2 april 2020 VERSIE: CONCEPT 1.4 - AUTEUR: Werkgroep Warmte (Buro Loo) Regionale Strategie Warmte 1 reswestoverijssel .nl Inhoudsopgave Regionale Strategie Warmte................................................................................................................................... 0 1. Inleiding .............................................................................................................................................................. 3 1.1 Achtergrond en opgave Regionale Strategie Warmte .............................................................................. 3 1.2 Doelstelling RSW ....................................................................................................................................... 4 1.3 Afbakening (scope) ................................................................................................................................... 4 1.4 Aanpak ...................................................................................................................................................... 5 1.5 Betrokken stakeholders ............................................................................................................................

5 1.6 Leeswijzer ................................................................................................................................................. 6 2. Warmtevraag ...................................................................................................................................................... 7 2.1 Introductie ................................................................................................................................................ 7 2.2 Warmtevraag per sector ........................................................................................................................... 8 2.3 Warmtevraag per gemeente .................................................................................................................... 9 2.4 Seizoensfluctatie in de warmtevraag ...................................................................................................... 11 3. Warmtebronnen ............................................................................................................................................... 12 3.1 Introductie ..............................................................................................................................................

12 3.2 Hogetemperatuur bronnen .................................................................................................................... 13 3.3 Lagetemperatuur bronnen ..................................................................................................................... 15 3.4 Overzicht bronnen .................................................................................................................................. 16 4. Matchen warmtevraag en -aanbod .................................................................................................................. 18 4.1 Introductie .............................................................................................................................................. 18 4.2 Overzicht ................................................................................................................................................. 18 4.3 WKO, warmtenetten en warmtepompen ............................................................................................... 21 4.4 Werkelijk potentieel aanbod is onzeker ................................................................................................. 22 4.5 Bovenlokale en lokale bronnen ..............................................................................................................

22 4.6 Warmtebronnen versus all-electric oplossingen .................................................................................... 22 4.7 Enkele conclusies .................................................................................................................................... 23 5. Regionale warmtevraagstukken ....................................................................................................................... 25 2 reswestoverijssel .nl 5.1 Introductie .............................................................................................................................................. 25 5.2 Geothermie ............................................................................................................................................. 25 5.3 Hernieuwbare gassen ............................................................................................................................. 28 5.4 Nationale (bovenregionale) vraagstukken .............................................................................................. 32 6. Vervolgproces ...................................................................................................................................................

35 6.1 Regionale samenwerking ........................................................................................................................ 35 6.3 Procesplanning ....................................................................................................................................... 38 Bijlagen ................................................................................................................................................................. 41 Bijlage 1 Database Warmtevraag ................................................................................................................. 42 Bijlage 2 Database Warmtebronnen .............................................................................................................. 0 Bijlage 3 Beschrijving bronnen per gemeente ................................................................................................ 0 3 reswestoverijssel .nl 1. Inleiding Waar gaat de RSW over? 1.1 Achtergrond en opgave Regionale Strategie Warmte Voor 2050 moeten er in heel Nederland zeven miljoen huizen en één miljoen gebouwen goed geïsoleerd worden en van duurzame warmte worden voorzien. Deze opgave noemen we de warmtetransitie. Gemeenten hebben een regierol in deze transitie. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenteraden uiterlijk in 2021 hun Transitievisie Warmte (TVW) vaststellen.

In de Transitievisies Warmte staat omschreven wanneer welke wijk van het aardgas af gaat (voor of na 2030) en wat de mogelijke alternatieve duurzame warmtebronnen zijn. De TVW vormt de basis voor verdere uitwerking en concretisering in het Wijkuitvoeringsplan (WUP) op buurt- of wijkniveau. In dit WUP besluiten gemeenten over het alternatief voor aardgas. Op regionaal, bovengemeentelijk niveau is er de Regionale Energie Strategie (RES) met daarin de Regionale Structuur Warmte (RSW). De RSW dient om op regionaal niveau een overzicht te krijgen van de warmtevraag, het warmteaanbod en benodigde infrastructuur. Naast het gemeentelijk schaalniveau is dit regionale schaalniveau van belang voor het slagen van de warmtetransitie. Op het regionale niveau kunnen partijen afstemmen en daarmee zorgen voor een efficiënte inzet van de (beperkt) beschikbare bronnen. In de toekomst zal de RSW, net als de Transitievisies Warmte, steeds geüpdatet worden. Daarin worden warmtegegevens en afspraken uit de gemeentelijke visies en de uitvoeringsplannen voor wijken overgenomen. RES en RSW De Regionale Structuur Warmte (RSW) vormt een onderdeel van de Regionale Energie Strategie (RES). In de RES beschrijft de regio onder meer de strategie rondom grootschalige opwek van duurzame energie. In juni 2020 moet elke RES-regio zijn concept-RES hebben goedgekeurd.

Deze concept-RES wordt richting RES 1.0 verder verfijnd en aangevuld met nieuwe data. Ook de relatie tussen de verschillende energiesystemen (warmte, gas, elektriciteit) en de impact op de energie-infrastructuur worden daarin verder uitgewerkt. Na RES 1.0 zal er tweejaarlijks een herijking plaatsvinden. Resultaten uit de RES zullen in de toekomst vastgelegd worden in de Omgevingsvisie. Versie Oplevering Regionale Structuur Warmte - concept RES Juni 2020 Regionale Structuur Warmte - RES 1.0 Maart 2021 Regionale Structuur Warmte - RES 2.0 Maart 2023 4 reswestoverijssel .nl 1.2 Doelstelling RSW De hoofddoelstelling van de RSW in de concept-RES is binnen de regio afstemming te laten plaatshebben en te komen tot een gezamenlijke aanpak over de efficiënte inzet en verdeling van de beperkt beschikbare intergemeentelijke warmtebronnen. De afstemming vindt plaats op basis van:  Een (eerste) regionaal beeld van de warmtevraag en de beschikbare warmtebronnen. Wanneer deze in beeld zijn, kan worden vastgesteld of de warmtevraag en het warmteaanbod in balans zijn, de zogenaamde match.  Dit brengt regionale warmtevraagstukken (kansen en belemmeringen) in beeld rond de optimale inzet van de warmtebronnen en de juiste verdeling tussen warmtevraag en - aanbod.  De eventueel benodigde aanpassing van de energie-infrastructuur.

 De regionale samenwerking die nodig is om dit verder handen en voeten te geven. De RSW brengt regionale kansen en belemmeringen in beeld rond warmtevraag en -aanbod 1.3 Afbakening (scope) Gebouwde omgeving en andere sectoren De primaire scope voor deze RSW betreft de warmtevraag van de gebouwde omgeving. Dat betreffen alle woningen, kantoren en (niet-industriële) bedrijven. Naast de gebouwde omgeving zijn ook het warmteaanbod (bijvoorbeeld biogas of restwarmte) en warmtevraag uit andere sectoren meegenomen. Denk bijvoorbeeld aan de sectoren: industrie, landbouw en glastuinbouw. Ook is er overlap en wederzijdse afhankelijkheid tussen de sectoren. Daarom is op regionale schaal tijdig overzicht en inzicht nodig in welke andere warmtevragers of - aanbieders er zijn naast de sector gebouwde omgeving. Zo wordt dui delijk welke bronnen de verschillende sectoren al gebruiken of juist willen benutten en waar slimme cascadering van restwarmte mogelijk is. Dit regionale overzicht kan als input dienen voor de lokale Transitievisies Warmte. Focus op intergemeentelijke vraag en bronnen De RSW gaat over het verdelingsvraagstuk van warmtevraag- en aanbod: tussen gemeenten en sectoren. De RSW zoomt daarom met name in op warmtevraagstukken die de gemeentegrenzen overstijgen.

Dit kan echter niet zonder de gemeentelijke (lokale) vraag en bronnen te kennen; vanuit die basis wordt gekeken naar overkoepelende, intergemeentelijk vragen. De warmtebronnen waarover intergemeentelijke afstemming wordt voorgesteld zijn: - Warmte van versleepbare bronnen: biomassa, biogas, groengas; - Warmte van grootschalige, niet-versleepbare bronnen: geothermie, aquathermie, restwarmte. 5 reswestoverijssel .nl 1.4 Aanpak Voorliggende RSW is tot stand gekomen in een intensief proces met de hieronder beschreven betrokken stakeholders (zie 1.5). Er is gestart met het verzamelen van alle data. Op basis van deze data heeft een deskstudie plaatsgevonden waarin de warmtevraag en het aanbod aan warmtebronnen zijn uitgewerkt. De uitkomsten van dit onderzoek zijn voorgelegd aan de betrokken gemeenten en door hen gevalideerd. Op basis van de (mis)match tussen vraag en aanbod zijn enkele regionale warmtevraagstukken uitgekozen door de regionale werkgroep warmte om verder uit te diepen. Deze vraagstukken zijn in een gezamenlijke werksessie besproken aan de hand van een pitch, stellingen, en het uitwerken van alle input in een eerste strategie per vraagstuk. Vervolgens zijn de resultaten van het onderzoek vastgelegd in voorliggend Concept RSW en besproken met de werkgroep warmte en het bestuurlijk platform. Vervolgens is de definitieve tekst vastgesteld en toegevoegd aan de totale RES.

1.5 Betrokken stakeholders De provincie en gemeenten van de regio West Overijssel (RES werkgroep warmte) hebben voorliggende RSW opgesteld en daarbij voor deze concept RSW besloten de publieke netwerkbedrijven hierbij te betrekken. Daarnaast zijn inhoudelijke experts betrokken bij het in beeld te brengen van vraag en aanbod. In de bouwsteen Participatie van de RES wordt verder ingegaan op alle stakeholders en de wijze waarop zij worden betrokken in het totale RES-proces. 6 reswestoverijssel .nl 1.6 Leeswijzer Deze concept Regionale Structuur Warmte (RSW) bestaat uit twee delen: CONTENT (vraag, bronnen en match) en CONTEXT (vraagstukken en vervolgproces). In de hiernavolgende tabel is deze opbouw nader toegelicht: Hoofdstuk Onderzoeksvraag Toelichting 1 INLEIDING Waar gaat de RSW over? In de inleiding is kort de achtergrond, het doel en de afbakening van de RSW beschreven. Daarnaast is toegelicht hoe en met wie dit document tot stand is gekomen. CONTENT 2 WARMTEVRAAG Wat is de warmtevraag in de RES-regio? In hoofdstuk 2 wordt de regionale vraag beschreven. Ingezoomd wordt op hoe deze vraag is verdeeld over sectoren en gemeenten. 3 WARMTEBRONNEN Welke duurzame warmtebronnen zijn inzetbaar voor het warmtevraagstuk? In hoofdstuk 3 wordt beschreven welke duurzame energiebronnen in de regio beschikbaar zijn. Per bron is onderzocht wat de (theoretische) potentie is.

4 MATCH Hoe ziet de match tussen vraag en aanbod eruit? In hoofdstuk 4 is de match beschreven tussen vraag en aanbod (bronnen) en tot welke conclusies dat leidt. CONTEXT 5 VRAAGSTUKKEN Welke regionale warmtevraagstukken moeten regionaal worden opgepakt? In hoofdstuk 5 zijn de regionale warmtevraagstukken beschreven die de komende jaren verder kunnen worden uitgediept. Per vraagstuk is een korte introductie uitgewerkt en een mogelijk vervolg. 6 VERVOLGPROCES Welk vervolgproces spreken we af over de concept RSW? In hoofdstuk 6 is het vervolgproces uitgewerkt, ook in relatie tot de verdere ontwikkeling van de RES en hoe de verschillende stakeholders daarbij betrokken kunnen worden. 7 reswestoverijssel .nl 2. Warmtevraag Wat is de warmtevraag in de RES -regio? In hoofdstuk 2 wordt de regionale warmtevraag beschreven. Ingezoomd wordt op hoe deze vraag is verdeeld over sectoren en gemeenten. 2.1 Introductie De RES-regio West-Overijssel bestaat uit een landelijk, agrarisch gebied met daarin een aantal grote steden (Deventer en Zwolle) en middelgrote steden (Hardenberg, Kampen en Steenwijk). Voor een goede allocatie van de beschikbare warmtebronnen is een goed inzicht in de warmtevraag in de RES-regio cruciaal. Deze warmtevraag kan nader worden gespecificeerd op sectorniveau en gemeenteniveau om inzicht te krijgen in de locatie en het gebruik van de warmtevraag.

Daarbij is niet alleen de huidige vraag meegenomen, maar ook de verwachte ontwikkeling tot 2030. Gegevens uit de Klimaatmonitor (2017), de RES-analysekaarten, de Primos- database en andere CBS-data vormen daarbij de primaire bronnen. De warmtevraag richting 2030 is voor een groot deel afhankelijk van de bevolkingsontwikkeling en de ontwikkeling van de utiliteit, industrie en landbouw. In figuur 2.2 is de bevolkingsprognose van de gemeenten binnen de RES West- Overijssel uitgezet tot 2050. In de meeste gemeenten in de RES- regio is er sprake van een stabiel inwoneraantal tot 2030 en 2050. Figuur 0.1 RES-regio West-Overijssel 0 20000 40000 60000 80000 100000 120000 140000 160000Inwoners 2019 2030 2050 Figuur 0.2 Bevolkingsontwikkeling 8 reswestoverijssel .nl Voor de steden Deventer en Kampen is sprake van een bevolkingsgroei tussen 2019 en 2030, voor Zwolle zet deze groei zich naar verwachting door tot 20501. Vooral Deventer, Kampen en Zwolle hebben een hoge bevolkingsdichtheid (hoogste woningequivalenten per hectare). Hoe hoger het aantal woningequivalenten per hectare, hoe rendabeler de toepassing van een warmtenet dat gekoppeld is aan een (lokale) warmtebron. 2.2 Warmtevraag per sector In figuur 2.3 is het aardgasverbruik te zien op sectorniveau, volgens de indeling die gehanteerd wordt door het CBS (en in de Klimaatmonitor).

De onderdelen ‘Woningen’, ‘Commerciële dienstverlening’ en ‘Publieke dienstverlening’ vormen samen de sector gebouwde omgeving. De onderdelen ‘Commerciële dienstverlening’ en ‘Publieke dienstverlening’ worden ook wel aangeduid als utiliteit. De woningen en de utiliteit gebruiken grofweg twee derde van het totale gasverbruik in de regio. Op gemeenteniveau kunnen deze verhoudingen afwijken. Gebouwde omgeving gebruikt grofweg twee derde van het totale gasverbruik in regio; industrie en landbouw de rest  Gebouwde omgeving Voor de gebouwde omgeving is de warmtevraag [in TJ] eenvoudig te herleiden aan de hand van de gasvraag, de calorische waarde van gas, de verhouding tussen ruimteverwarming en tapwatergebruik, en de efficiëntie van laatste twee toepassingen. In figuur 2.4 is de warmtevraag te zien in TJ, waarbij warmtevraag van aansluitingen op het aardgas en op het warmtenet zijn meegenomen. 1 PRIMOS Database en CBS (2019) Figuur 0.3 Gasvraag per sector van de RES-regio Figuur 0.4 Warmtevraag gebouwde omgeving van de RES-regio 307,0 60,8 53,6 104,8 73,1 Gasvraag [in mln m³] Woningen Commerciele dienstverlening Publieke dienstverlening Industrie Landbouw en overig 9715,0 1691,3 1492,5 Warmtevraag gebouwde omgeving [TJ] aardgas+her.

warmte Woningen Commerciele dienstverlening Publieke dienstverlening 9 reswestoverijssel .nl  Industrie en landbouw Voor de industrie en landbouwsector is de warmtevraag lastiger te bepalen. Zeker voor de industriesector ontbreekt veel lokale data over de warmtevraag. De gasvraag kan niet zonder meer worden vertaald naar de warmtevraag, aangezien het gas ook voor andere doeleinden wordt gebruikt (processing). Voor de warmtevraag van de industrie en landbouw zijn vooralsnog alleen gegevens rondom WKK-units en de glastuinbouwsector (Koekoekspolder) bekend. In het Enexis-voorzieningsgebied staan 29 warmte- krachtkoppelingen (WKK’s) met een geïnstalleerd vermogen van 35,6 MWp, in het RENDO-voorzieningsgebied staat 1 WKK van 2,5 MWp. In tabel 2.1 zijn de belangrijkste warmte-intensieve bedrijven uit de industrie en glastuinbouw getoond. Gezien de grootte van de industrie- en landbouwsector in de gemeenten Deventer, Kampen (glastuinbouw), Zwartewaterland (tapijtindustrie Genemuiden en Hasselt) en Zwolle, zullen deze gemeenten te maken hebben met een relatief hoge warmtevraag vanuit de industriesector en landbouwsector. Wel zullen de besparingsafspraken die met de industriesector in het Klimaatakkoord (MJA/MEE) zijn gemaakt, leiden t ot grote besparingen. Binnen het Klimaatakkoord wordt gerekend op een besparing tussen de 25 en 35 procent.

Tabel 2.1 Belangrijkste warmteafnemers industrie  Gemeente  Warmte-intensieve industrie  Dalfsen  Bel Leerdammer  Deventer AC stedendriehoek (asfalt), Nefit (ijzer)  Hardenberg  Industriële bedrijven in de rubber en kunststof industrie, Friesland Campina Balkbrug  Kampen  Ausnutria (zuivel), glastuinbouwgebied Koekoekspolder  Olst-Wijhe  Ommen  Hyproca), Gasunie/GTS stikstoffabriek Vilsteren  Raalte  Staphorst  Asfalt centrale, Rouveen Kaas Specialiteiten  Steenwijkerland   Zwartewaterland  Tapijtindustrie Genemuiden en Hasselt  Zwolle  Ausnutria (zuivel), Scania, Abbott, Sensus 2.3 Warmtevraag per gemeente Voor de warmtevraag binnen de gebouwde omgeving is het mogelijk deze te specificeren op gemeenteniveau. Tabel 2.2 en figuur 2.5 geven een overzicht van de warmtevraag binnen elke gemeente (zie 2.1. en bijlage 1 voor bronvermelding). Hieruit blijkt dat Deventer en Zwolle de grootste warmtevraag hebben. De warmtevraag in Hardenberg is onder andere gevolg van de uitgestrektheid van de gemeente en het groot aantal vakantieparken in de gemeente. Op dit moment hebben alleen Deventer, Kampen en Zwolle een aantal 10 reswestoverijssel .nl warmtenetten, waarbij in Deventer ongeveer 2300 woningequivalenten zijn aangesloten en in Zwolle ongeveer 4200 woningequivalenten. In Kampen worden een aantal tuinbouwbedrijven van warmte via het warmtenet voorzien.

Tussen 2018 en 2030 zal de warmtevraag in de gebouwde omgeving dalen van 12.999 TJ naar 12.308 TJ. De voorspelling voor 2030 is gebaseerd op de gemiddelde energiebesparing (gemiddeld 8,5% besparing in 2030) en de groei of krimp van de bevolking en gebouwenvoorraad per gemeente. Net als voor bij de RES analysekaarten (NP- RES) zijn voor woningen en utiliteit dezelfde kentallen gebruikt. In alle gemeenten daalt de warmtevraag door besparingsmaatregelen, alleen zorgt de bevolkingsgroei netto niet voor een groot verschil van de warmtevraag.  2018 2030  Dalfsen 735,0 681,7  Deventer 2322,8 2154,5  Hardenberg 1613,1 1515,6  Kampen 1236,2 1148,5  Olst-Wijhe 453,1 415,9  Ommen 523,2 496,2  Raalte 952,7 883,6  Staphorst 419,7 402,4  Steenwijkerland 1225,6 1126,6  Zwartewaterland 525,5 497,9  Zwolle 2992,9 2985,6  TOTAAL RES West Overijssel 12998,7 12308,9 Figuur 0.5 Warmtevraag gebouwde omgeving per gemeente 0,0 500,0 1000,0 1500,0 2000,0 2500,0 3000,0 3500,0TJ 2018 2030 Tabel 2.2 Warmtevraag gebouwde omgeving in TJ 11 reswestoverijssel .nl In figuur 2.6 is te zien dat Deventer en Zwolle weliswaar de grootste woningvoorraad hebben, maar ook het grootste aantal woningen die na 1995 zijn (of worden) gebouwd. De twee gemeenten hebben eveneens een hoog percentage corporatiebezit.

Woningen die na 1995 zijn gebouwd zijn meestal vrij eenvoudig te isoleren en aan te sluiten op een LT- (<30°C) of MT-warmtenet (30-50°C). De aanwezigheid van corporatiewoningen maakt de transitie naar aardgasvrije woningen eenvoudiger, door het beperkt aantal stakeholders. 2.4 Seizoensfluctatie in de warmtevraag De warmtevraag ligt in de winter hoger dan in de zomer. Het aanbod per bron kan verschillen van een continue toevoer tot een seizoensaanbod. Richting RSW 1.0 zal verder moeten worden onderzocht hoe de piek- en seizoensvraag gedekt kan worden door het aanbod en in hoeverre opslag (denk aan groengas, waterstof, bodemenergie) en aanpassing van de infrastructuur noodzakelijk is. Figuur 0.6 Woningvoorraad: bouwjaren en percentage huurwoningen 0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 50 0 10000 20000 30000 40000 50000 60000 70000 Bouwjaar <1995 Bouwjaar>1995 Groei tot 2030 Percentage huurwoningen 12 reswestoverijssel .nl 3. Warmtebronnen Welke duurzame warmtebronnen zijn inzetbaar voor het warmtevraagstuk? In hoofdstuk 3 wordt beschreven welke duurzame energiebronnen in de regio beschikbaar zijn. Per bron is onderzocht wat de (theoretische) potentie is. 3.1 Introductie Het doel van de RSW is dat er globaal inzicht wordt gegeven in het regionale verdeelvraag stuk van de beschikbare warmte. Daarvoor is het nodig eerst de beschikbare bronnen in beeld te hebben.

De RSW gaat primair over warmte(bronnen) die intergemeentelijk afstemming en/of coördinatie nodig hebben:  Warmte van versleepbare bronnen: biomassa, biogas, groen gas kan worden getransporteerd naar meerdere gemeenten.  Warmte van grootschalige, niet-versleepbare bronnen: het potentieel aanbod van geothermie en restwarmte kan dusdanig groot zijn dat de warmte via warmtenetten getransporteerd kan worden naar meerdere gemeenten. Toepassingen met bodemenergie en aquathermie, al dan niet in combinatie met een WKO, zijn met uitzonderingen van waterwingebieden op lokale schaal bijna overal toepasbaar. Collectieve of individuele warmtepompen zijn hierbij nodig om deze warmte op te waarderen naar het temperatuurniveau dat noodzakelijk is voor de vraagbehoefte. Omdat afstemming tussen gemeenten hierover minder belangrijk is, zijn deze bronnen vooral van belang voor het opstellen van de gemeentelijke Transitie visie Warmte (TVW). In dit hoofdstuk wordt uitleg en duiding gegeven over de potentie per type warmtebron, waarbij warmte uit bio-energie, restwarmte en geothermie de primaire focus hebben voor de RSW. De bronnen zijn ingedeeld op basis van het temperatuurniveau waarmee ze warmte afgeven. Ook de gebruikte dataregisters van de verschillende warmtebronnen zijn vermeld.

Daarbij is het belangrijk aan te geven dat de beschikbare data een eerste overzicht geven, maar dat bepaalde betrouwbaarheidsmarges in acht genomen dienen te worden. Sommige data is niet compleet en verschillende databronnen leveren andere inzichten op terwijl het om dezelfde techniek gaat. In bijlage 2 is een datasheet opgenomen waarin alle bekende bronnen in West -Overijssel zijn opgenomen. In bijlage 3 is een korte toelichting per gemeente gegeven op de datasheet met warmtebronnen. 13 reswestoverijssel .nl 3.2 Hogetemperatuur bronnen  Restwarmte Hoewel dit geen duurzame warmte betreft, is het wel duurzaam onbenutte restwarmte in te zetten voor de warmtevoorziening. Deze warmte kan door middel van een warmtenet worden getransporteerd naar woningen en gebouwen. Op basis van gegevens uit de warmteatlas, de storymaps van de gehouden sprintsessies en gegevens vanuit provincie en gemeenten is een inschatting gemaakt van het totale gemeentelijke potentieel aan restwarmte vanuit de industrie. Het gaat nadrukkelijk om een schatting. De daadwerkelijk beschikbare warmte kan lager uitvallen door transportliezen en seizoensfluctuaties. Op basis van de beschikbare informatie, blijkt dat er geen restwarmtebron aanwezig is in de regio die warmte kan leveren aan meerdere gemeenten in de regio.

Er bl ijkt geen bron van restwarmte te zijn die warmte kan leveren aan meerdere gemeenten in de regio  Geothermie In tabel 3.1 wordt de technisch potentiële winbare warmte uit diepe geothermie (diepte van 1,5 tot 4 km) weergegeven. Thermische energie uit diepe aardlagen betreft hogetemperatuurwarmte tussen de 60 en 80 °C. De theoretische, technisch potentiële winbare warmte uit deze lagen is veelal groot, maar de reëel winbare energie zal lager zijn. Dat komt omdat de investeringskosten fors zijn. Meestal zijn minimaal 6000 woningequivalenten nodig om een businesscase haalbaar te maken. Ook moet rekening gehouden worden met het feit dat niet alle geothermie ook daadwerkelijk winbaar is, gezien restricties vanuit bijvoorbeeld drinkwaterwinning in provinciaal beleid. Afstemming over de ondergrond (interferentie en ruimteverlies) en organisatie tussen gemeenten en sectoren is daarbij belangrijk. Voor de RSW zijn de cijfers gebruikt van de studie van RHDHV/IF van 2019 naar de geothermie potentie in Overijssel. Daarbij zijn de warmtevraag en geldende restricties meegenomen in het bepalen van het aanbod.

Tabel 3.1 Potentie winbare diepe geothermie (bron: RHDHV/IF 20202) Winbare diepe geothermie Energieopbrengst in TJ/jaar Dalfsen 2,7 Deventer 0 Hardenberg 26,7 Kampen 7127 Olst-Wijhe 0 Ommen 6,7 Raalte 0 Staphorst 229,9 Steenwijkerland 542,3 Zwartewaterland 8361 Zwolle 2414 14 reswestoverijssel .nl Voor de gemeenten Kampen, Steenwij kerland, Zwartewaterland en Zwolle kunnen geothermiebronnen het warmteaanbod verhogen. Lopend onderzoek moet hier meer zicht op geven. Bodemenergie, ondiepe, diepe en ultradiepe geothermie In Nederland onderscheidt men drie soorten geothermie. Ondiepe geothermie wordt gewonnen op 500-1000 meter diepte. Ondiepe geothermie wordt verderop behandeld onder de lagetemperatuurbronnen. Er is sprake van diepe geothermie bij winning op 1000-4000 meter diepte. Ultradiepe geothermie (UDG) is het winnen van warmte van meer dan 120 °C uit een diepte van meer dan 4 kilometer. Deze vorm van energiewinning zit nog de fase van kennisontwikkeling en innovatie. De onzekerheden maken dat UDG niet op korte termijn ingezet kan worden voor de warmtewinning in de gebouwde omgeving. In totaal zijn er in Nederland zo’n 20 geothermie installaties die aardwarmte produceren in gebruik, winning heeft meestal plaats tussen 2.000 en 3.000 meter diepte. Als er warmte gewonnen wordt uit lagen ondieper dan 500 meter spreekt met niet van geothermie, maar van bodemenergie.

De potentiestudie geothermie van IF en RHDHV is bedoeld om een realistische inschatting te kunnen maken van de potentie ondiepe en diepe geothermie in West-Overijssel. De uitkomsten van deze studie kunnen -als het gaat om geothermie- dus mogelijk een ander beeld geven dan de resultaten die nu omschreven zijn per gemeente in bijlage 3.  Bio-energie: biomassa, biogas en groen gas Om het totaal potentieel aan warmte uit houtige biomassa en biogas/groen gas in te schatten, is gebruik gemaakt van een CE-Delft rapport, het RENDO onderzoek, nationaal geo-register, de Atlas van Overijssel, de factsheets energie vanuit de provincie en aanvullingen vanuit gemeenten. Zowel biomassa als biogas zijn warmtebronnen die makkelijk regionaal inzetbaar zijn en warmte met een hoge temperatuur kunnen leveren (100-120 °C). Biomassa is verplaatsbaar om vervolgens middels verbranding warmte te winnen. Uit mest kan middels vergisting biogas worden verkregen en na filtering en opwaardering kan dit gas als groen gas in het huidige gasnet worden ingevoerd. Invoeding in het aardgasnet betekent ook dat afnemers geen aanpassingen hoeven te doen. In totaal zijn er voor zo ver nu bekend veertien werkende mestvergisters met WKK in de regio.

Een groot deel van de oude vergisters zet het biogas om in elektriciteit, maar er is een trend zichtbaar naar primaire biogasproductie en directe warmtelevering naar (industriële) afnemers. Het CE-Delft rapport schat de technisch-economische potentie voor groen gas (na opwaardering van biogas) in West-Overijssel op 50-100 miljoen m3. 15 reswestoverijssel .nl Binnen de regio is er in vergelijking met de potentie van biomassa veel biogas vanuit met name mestvergisting beschikbaar. Deze warmtepotentie ligt in de meeste gevallen meer dan dubbel zo hoog als de potentie van overige biomassa. Dit heeft te maken met de relatief grote veestapel in de regio. In de regio West -Overijssel is de theoretisch e p otentie uit bio - energie hoog, in de vorm van biomassa, biogas en groengas. 3.3 Lagetemperatuur bronnen  Ondiepe Geothermie Ondiepe geothermie is thermische energie uit ondiepe aardlagen. In de praktijk liggen deze lagen qua diepte tussen WKO en diepe geothermie in. De warmteonttrekking ligt op dieptes tussen 500 -1250 m. De technisch potentiële winbare warmte uit deze lagen heeft een temperatuur van tussen de 15 en 40 °C. In combinatie met opwaardering door warmtepompen biedt ondiepe geothermie een basis voor een LT of MT warmtenet. Om de warmtepotentie van ondiepe geothermie in te schatten is gebruik gemaakt van data vanuit h et nationaal georegister uit 2014.

Deze data geeft een theoretische technische potentie weer, waarbij de werkelijk winbare potentie lager zal uitvallen.  Aquathermie Aquathermie is de verzamelnaam voor warmtewinning uit water. Bij deze techniek wordt warmte onttrokken uit water (20 °C), door een warmtenet getransporteerd naar woningen of gebouwen en door middel van een warmtepomp opgewaardeerd voor tapwater en ruimteverwarming. We onderscheiden drie vormen van aquathermie: 1. Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO): gezien de grote hoeveelheid oppervlaktewater is de theoretische TEO-potentie in de meeste gemeenten in de RES-regio hoog. Onderzoeksbureau ROM3D heeft de technische potentie voor TEO berekend. Omdat de financiële haalbaarheid (lage COP warmtepomp, hoge isolatiekosten) niet is meegenomen, zal de werkelijk winbare potentie veel lager uitvallen. CE Delft verwacht dat TEO in theorie aan 40% van de warmtevraag in stedelijk gebied kan voldoen. Ook omdat het lage temperatuurwarmte betreft, kan TEO lang niet voor elke woning of gebouw gebruikt worden. Daarom is bij de kaarten van ROM3D een maximale dekkingsgraad van 35% van de warmtevraag (van de gebouwde omgeving) als uitgangspunt genomen, voor gevallen waar de dekkingsgraad nu veel hoger is.

De theoretische potentie voor thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) is hoog, in de praktijk moet blijken in hoeverre deze ook realiseerbaar is tegen aanvaardbare kosten.

16 reswestoverijssel .nl 2. Thermische energie uit afvalwater (TEA): De warmtepotentie uit afvalwater, dus uit het effluentwater van rioolgemalen en rwzi’s is ingeschat op basis van de STOWA Geo-app. Deze app geeft de technische warmtepotentie van directe levering weer. De totale warmtepotentie TEA ligt voor alle gemeentes binnen West-Overijssel onder de 10% in relatie tot de totale warmtepotentie van de gemeente. In combinatie met WKO kan de absolute potentie TEA met nog ongeveer 20% stijgen volgens de Geo -app. De warmtepotentie van rioolleidingen en effluentleidingen is niet meegenomen in de inventarisati e. 3. Thermische energie uit drinkwater (TED): Warmtewinning uit drinkwater. De potentie hiervan is echter zeer klein en de schaalgrootte is alleen voor individuele gemeenten relevant. Doordat aquathermie alleen op lokale schaal gebruik kan worden, is deze w armtebron minder relevant voor de Regionale Structuur Warmte.  Bodemenergie Gesloten bodemenergiesystemen (bodemlussen) of open bodemenergiesystemen (wko) kunnen tijdens de winter warmte uit de ondiepe bodem halen. Wanneer rekening wordt gehouden met bodem beperkingen en interferentie (beïnvloeding tussen de energiesystemen), kunnen deze energiesystemen in veel gevallen worden toegepast. Afstemming op bovengemeentelijk niveau is niet van toepassing en dus zijn deze energiesystemen niet relevant voor de RSW.

3.4 Overzicht bronnen Figuur 3.1 geeft een eerste kwantitatieve duiding (op een schaal van 1 tot 10) van de warmtepotentie in de regio West-Overijssel. Er is onderscheid gemaakt tussen warmtebronnen die regionale afstemming of coördinatie nodig hebben en lokale warmtebronnen, waarbij de coördinatie alleen op gemeente- of wijkniveau dient te gebeuren. De meeste regionale bronnen leveren warmte van hoge (> 70 °C) of gemiddelde temperatuur (30-70 °C). De lokale warmtebronnen leveren lagetemperatuurwarmte (< 30 °C), hoewel deze met warmtepompen opgewaardeerd kan worden. Verder is aangegeven wat het verschil is tussen het theoretische aanbod en het realistische of winbare potentieel. Van het theoretische potentieel is slechts een beperkt aandeel daadwerkelijk inzetbaar voor warmte levering. Bron Aanbod theoretisch potentieel Aanbod realistisch potentieel Temperatuur Regionale warmtebronnen Geothermie 8 4 MT-HT Groen gas 6 3,6 HT Biomassa 3 1,8 HT Restwarmte 4 0,8 MT-HT Lokale warmtebronnen TEO 5 0,5 LT TEA 1 0,5 LT Bodemenergie 6 5,4 LT Figuur 3.1 Globale duiding warmte-aanbod regio West-Overijssel 17 reswestoverijssel .nl In figuur 3.2 zijn per gemeente alle warmtebronnen samengebracht in overzicht met daarin de bestaande bronnen, de geplande warmtebronnen en de potentie aan mogelijke warmtebronnen.

In hoofdstuk 4 worden deze variabelen verder omschreven en samengebracht met de warmtevraag. Figuur 3.2 Overzicht potentieel HT en LT warmtebronnen per gemeente (zie ook bijlage 2 en 3 voor een nadere specificatie per bron) In bijlage 3 is per gemeente een nadere toelichting gegeven op warmtebronnen die zijn opgenomen in de datasheet met bovenlokale warmtebronnen (zie bijlage 2).

18 reswestoverijssel .nl 4. Matchen warmtevraag en -aanbod Hoe matcht vraag en aanbod In hoofdstuk 4 is de match beschreven tussen vraag en aanbod (bronnen) en tot welke conclusies dat leidt. 4.1 Introductie Voor de Regionale Structuur Warmte is het belangrijk om een overzicht te hebben van de regionale warmtevraag en de huidige en mogelijke warmtebronnen die in deze warmtevraag kunnen voorzien. Daarom vergelijken we in dit hoofdstuk de warmtevraag (hoofdstuk 2) met het aanbod aan warmtebronnen (hoofdstuk 3). Na het overzicht zullen er enkele (voorlopige) conclusies en opmerkingen worden gemaakt. 4.2 Overzicht Om een inschatting te maken van de match tussen de warmtevraag en het warmteaanbod in de RES -regio West Overijssel zijn de vraag en aanbod op gemeenteniveau met elkaar vergeleken. Figuur 4.1 geeft een overzicht van de match op gemeenteniveau; waarbij het aanbod is onderverdeeld in laagtemperatuur (LT) warmte en hoogtemperatuur (HT) warmte. Figuur 4.2 geeft het zelfde overzicht, zonder de potentie van laagtemperatuur warmte. Voor de bestaande gebouwde omgeving is laagtemperatuur warmte namelijk niet zonder meer inzetbaar. 19 reswestoverijssel .nl Figuur 4.1 Match warmtevraag en warmteaanbod Figuur 4.2 Match warmtevraag en HT warmteaanbod

20 reswestoverijssel .nl De volgende variabelen zijn daarbij meegenomen: - Vraag gebouwde omgeving  De warmtevraag van woningen en de utiliteit zoals beschreven in 2.3. Dit betreft de huidige warmtevraag (peiljaar 2018). - Vraag industrie en landbouw  De beschikbare data van de warmtevraag van de industrie en de landbouwsector (peiljaar 2018). Zoals beschreven in 2.2.2 is er onvoldoende lokale data beschikbaar, waardoor alleen de beschikbare of door gemeente aangeleverde data is meegenomen. - Bestaand aanbod HT  Warmtebronnen die op dit moment worden gebruikt voor de warmtevoorziening door HT- warmte (bio-energie, geothermie, restwarmte). - Gepland aanbod HT  HT- Warmtebronnen die op dit moment gerealiseerd worden of bruikbaar gemaakt worden . - Potentieel aanbod HT  Het potentieel beschikbare aanbod aan HT-warmte (bio-energie, geothermie, restwarmte) en LT bronnen (aquathermie en ondiepe geothermie). - Bestaand aanbod LT  Warmtebronnen die op dit moment worden gebruikt voor de warmtevoorziening door LT- warmte (aquathermie en ondiepe geothermie). - Gepland aanbod LT  LT- Warmtebronnen die op dit moment gerealiseerd worden of bruikbaar gemaakt worden . - Potentieel aanbod LT  Het potentieel beschikbare aanbod aan LT warmte (aquathermie en ondiepe geothermie).

21 reswestoverijssel .nl Dekkingsgraad per gemeente Tabel 4.1 geeft een overzicht welk percentage van de warmtevraag in de gebouwde omgeving kan worden gedekt met een bepaalde bron. De warmtevraag uit de industrie en landbouwsector is hierin niet meegenomen, omdat hierover voor veel gemeente geen betrouwbare cijfers zijn. Voor de specifieke uitwerking is dit wel nodig, omdat bepaalde bronnen wellicht zijn toegedacht aan de warmtevraa g van de industrie en landbouwsector. Belangrijk is ook om te beseffen dat het om de dekkingsgraad per gemeente gaat. Vraag gebouwde omgeving (TJ) Diepe geothermie Ondiepe geothermie Bio-energie Restwarmte TEA TEO Dalfsen 735,0 0% 22% 33% 10% 2% 29% Deventer 2322,8 0% 0% 21% 4% 7% 36% Hardenberg 1613,1 0% 14% 56% 1% 2% 35% Kampen 1236,0 577% 15% 43% 8% 10% 35% Olst-Wijhe 453,1 0% 0% 75% 0% 0% 35% Ommen 523,2 1% 14% 116% 18% 5% 35% Raalte 952,7 0% 0% 23% 0% 9% 10% Staphorst 419,7 55% 49% 83% 36% 0% 36% Steenwijkerland 1225,6 44% 24% 38% 0% 7% 35% Zwartewaterlan d 525,5 1591% 142% 37% 0% 3% 35% Zwolle 2992,9 81% 16% 9% 2% 7% 35% Tabel 0.1 Theoretische dekkingsgraad per bron 4.3 WKO, warmtenetten en warmtepompen In de overzichten uit 4.2 zijn geen WKO-systemen, warmtenetten en warmtepompen meegenomen. Dat heeft de volgende redenen: WKO en bodemlussen Een WKO vooral een opslagmedium.

De WKO moet vanwege regeneratie gevoed wordt vanuit andere bronnen, zoals TEO of zonnecollectoren. Wanneer er geen regeneratie zou worden toegepast, zou alle warmte onttrokken worden uit de bodem. Voor gesloten energiesystemen, bodemlussen tot 140 m, blijft de bodemtemperatuur wel gelijk. Deze zijn niet meegenomen in de RSW, omdat ze uitgezonderd de provinciale beperkingen in vrijwel alle gebieden te realiseren zijn. Verder gelden er in de provincie specifieke uitsluitingsgebieden voor WKO’s, vanwege provinciaal beleid en/of drinkwaterbescherming. Er mogen geen boringen dieper dan 50 meter worden uitgevoerd, waardoor WKO’s, maar ook geothermieprojecten niet of onder zeer strenge voorwaarden zijn toegestaan. Dit verbod geldt voor het grondgebied van de gemeenten Deventer, Olst-Wijhe, Raalte en voor een deel van het grondgebied in de gemeenten Dalfsen en Zwolle. Voor Zwolle is de maximale boordiepte overigens 90 meter. De precieze ligging van de uitsluitingsgebieden is te vinden in de Atlas van Overijssel. 22 reswestoverijssel .nl Warmtenetten De gemeenten Deventer, en Zwolle kennen één of meerdere warmtenetten. In Kampen is er een warmtenet in ontwikkeling in het glastuingebied. Deze warmtenetten zijn geen bron, maar infrastructuur. De warmtenetten dienen op een warmtebron, zoals een geothermieput of biomassacentrale aangesloten te zijn.

Wanneer een bron veel potentie heeft, kan de warmte door een warmtenet getransporteerd worden naar naburige gemeenten. Warmtepompen Een warmtepomp is een individuele of kleinschalig collectieve warmteoplossing. Warmte uit de lucht of bodem wordt met behulp van warmtewisselaars onttrokken en door een warmtepomp naar een hogere temperatuur gebracht, zodat deze als ruimteverwarming ingezet kan worden. Warmtepompen kunnen in principe ‘technisch’ op elke locatie worden ingezet. Soms is het ook nodig warmte afkomstig van la ge temperatuurbronnen, zoals TEO, op te waarderen naar midden of hoog temperatuurwarmte met een warmtepomp. Voor warmtepompen geldt in principe dat het isolatieniveau in huizen minimaal label B moet zijn voor een effectief gebruik. Dat betekent dat het energetisch en financieel onrendabel is om warmtepompen voor bijvoorbeeld oude panden in historische centra in te zetten. 4.4 Werkelijk potentieel aanbod is onzeker Voor het potentieel aanbod is het belangrijk de uitgangspunten uit 3.2 mee te nemen. In veel gevallen gaat het om een ‘technisch’ potentieel aanbod. Verdiepend onderzoek moet uitwijzen of het financieel en juridisch mogelijk is deze potentiele bronnen te gebruiken als warmteaanbod. Bovendien is dat afhankelijk van het isolatieniveau van de huizen en de bebouwingsdichtheid.

In de Transitievisie Warmte en de Wijkuitvoeringsplannen werkt elke gemeente dit op wijkniveau verder uit. 4.5 Bovenlokale en lokale bronnen Wel is het belangrijk dat over bepaalde bronnen regionale afstemming plaatsvindt wann eer de bronnen ingezet kunnen worden in andere gemeenten dan de gemeente waar de bron is gevestigd. Biomassa en duurzame gassen kunnen bijvoorbeeld in de heel de regio worden ingezet, doordat het makkelijk te transporteren is. En voor geothermie geldt dat de capaciteit als er meerdere bronnen kunnen worden geboord vaak zo groot is, dat de warmte via een warmtenet getransporteerd kan worden naar meerdere gemeenten. In paragraaf 3.2 is ingegaan op mogelijkheden voor de bovenlokale of bovengemeentelijke inzet van deze warmtebronnen. 4.6 Warmtebronnen versus all-electric oplossingen Waarschijnlijk kan een gedeelte van de warmtevraag in de regio niet worden gedekt door de beschikbare warmtebronnen, zoals beschreven in hoofdstuk 2 en 3. Elektrische warmtepompen kunnen een belangrijke rol spelen om de onbalans tussen regionale warmtevraag en het regionale warmteaanbod op te vullen. Duurzame elektriciteit zal daarbij voornamelijk worden geleverd door zonne- en windenergie. 23 reswestoverijssel .nl Dit brengt echter wel de nodige uitdagingen met zich mee.

Allereerst gaat dit in veel gevallen gepaard met hoge investeringen in de woning en ook in het elektriciteitsnetwerk. Ook is netverzwaring noodzakelijk om verdere elektrificatie van de warmtevoorziening mogelijk te maken. Tenslotte is het aanbod van duurzame elektriciteit, zoals windenergie en zonne-energie, en de warmtevraag (zie par 4.2) niet constant gedurende het jaar. Netbeheerders staan dan voor de uitdaging om elektriciteitsnetten zo robuust te maken om piekmomenten zoveel als mogelijk op te vangen. Bovenstaande uitdagingen, met de opmerkingen uit 4.2 dat warmtepompen alleen kunnen worden toegepast met een minimaal energielabel, maken dat er ingezet moet worden op besparing door isolatie en gekeken moet worden naar andere warmtebronnen die voorhanden zijn in de regio. 4.7 Enkele conclusies Naar aanleiding van de match tussen warmtevraag en warmteaanbod en bovenstaande opmerkingen zijn er enkele deel(conclusies) te trekken:  De match tussen vraag en aanbod (figuur 4.1) toont voor een aantal gemeente(n) een onbalans, zeker omdat voor het potentieel aanbod onzekerheidsmarges meegenomen dienen te worden. De onbalans kan worden opgevuld door individuele en collectieve elektrische warmteopties en het slim verdelen van de beschikbare warmte over de verschillende gemeenten.  Er zijn grote verschillen per gemeente.

De stedelijke gemeenten Deventer, Kampen en Zwolle hebben kwantitatief de grootste warmtevraag, waarbij Deventer te maken heeft met een boringsvrije zone.  Voor de gemeenten Kampen, Zwartewaterland en Zwolle geldt dat geothermiebronnen het warmteaanbod kunnen verhogen. Wel moeten financiële analyses uitwijzen in hoeverre warmtedistributie van deze geothermie-warmte haalbaar is.  Bij de potentie voor m.n. diepe geothermie hebben we te maken met een intergemeentelijk verdeelvraagstuk. Bovengemeentelijke afstemming wat betreft financiering, operatie en logistiek is nodig.  De theoretische potentie TEO is erg hoog, maar aangezien het LT warmte betreft, is aanslui ting op oudere woningen door noodzakelijke isolatiemaatregelen en aanschaf van een warmtepomp kostbaar. Bovendien is in veel gevallen ook een WKO noodzakelijk. De verwachting is dat de werkelijke potentie van TEO daardoor een stuk lager is. In de RSW is de dekkingsgraad van de TEO potentie gemaximeerd op 35% van de warmtevraag.  In de RES-regio West Overijssel is veel bio-energie in de vorm van biomassa en biogas of groengas aanwezig. Omdat hiermee warmte met hoge temperaturen kan worden verkregen, is het ge schikt voor veel woningen en gebouwen. Tegelijkertijd is het de vraag of de mest ook als energie in dezelfde gemeente ingezet wordt. Veel mest uit het Zwartewaterland gaat nu bijvoorbeeld naar de Noordoostpolder.

Ook is de concurrentie met hoge temperatuur toepassingen waarvoor geen 24 reswestoverijssel .nl alternatief groot (bijv. industrie).). Het is belangrijk dat de regio besluit welke rol en regie zij inneemt om de allocatie van bio-energie strategisch en slim in te zetten.  Zoals in 4.6 beschreven, zal een verdere elektrificering van de warmtevoorziening leiden tot meer druk op het elektriciteitsnet. Het is daarom zaak om de druk op de duurzame elektriciteitsopwek zo laag mogelijk te houden en dus optimaal in te zetten op (lokale) warmtebronnen voor het verduurzamen van de warmtevraag. De netbeheerders hebben vervolgens een belangrijke rol hierin om deze uitdagingen op een strategische wijze op te lossen en het elektriciteitsnet toekomstbestendig te maken. Ook de politiek zal voor een extra opgave hierdoor komen te staan.  Richting 2030 en 2050 moet voor de warmtevraag rekening gehouden worden met besparingsmaatregelen in alle sectoren. De industrie en landbouwsectoren hebben binnen het Klimaatakkoord hun eigen doelen gesteld (dit bepaalt ook het restwarmteaanbod richting 2030). Voor de gebouwde omgeving geldt dat door de besparingsmaatregelen de warmtevraag in alle gemeenten zal dalen, waarbij de gemeente Zwolle door de voorspelde bevolkingsgroei te maken heeft met de kleinste netto daling. 25 reswestoverijssel .nl 5.

Regionale warmtevraagstukken Welke warmtevraagstukken moeten regionaal worden opgepakt? In hoofdstuk 5 zijn de regionale warmtevraagstukken beschreven die de komende jaren verder moeten worden uitgediept. Per vraagstuk is een korte introductie en een mogelijk vervolg uitgewerkt. 5.1 Introductie Volgend uit de warmtevraag, het warmteaanbod en de (mis)match volgen een aantal regionale warmtevraagstukken. Deze vraagstukken zijn geselecteerd omdat:  deze intergemeentelijk zijn en daarmee een regionaal effect hebben en daarmee ook niet ‘op te lossen’ zijn binnen de gemeentelijke Transitievisies Warmte (TVW);  er een verdelingsvraagstuk aan de orde is. Dit verdelingsvraagstuk heeft betrekking op:  ofwel een theoretisch vraagoverschot: meer vraag dan lokaal aanbod (met name in stedelijke gebieden);  ofwel een theoretisch overschot van bronnen: meer aanbod/potentie dan lokale vraag (met name in ruraal gebied).  er synergievoordelen te behalen zijn door zaken niet alleen uit te zoeken, maar in gezamenlijkheid op te pakken. De voorgestelde regionale warmtevraagstukken betreffen: 1. geothermie: als duurzame bron voor stedelijke warmtenetten; 2. hernieuwbare gassen (biogas, groengas en waterstof): breed inzetbaar voor warmtevraag in de regio; 3. Nationale (bovenregionale) vraagstukken om te agenderen bij het Rijk.

Deze vraagstukken worden in dit hoofdstuk verder uitgediept waarbij per onderwerp steeds een korte inleiding op het onderwerp is uitgewerkt en ook enkele regionale vraagstukken worden beschreven, gevolgd door een aantal concrete vervolgacties hoe de regio West-Overijssel hiermee verder wil richting 2030. 5.2 Geothermie  Achtergrond Geothermie kan als warmtebron voor een warmtenet in de gebouwde omgeving dienen, aangezien geothermie een zekere en continue bron is van hoge temperatuur warmte. Een open warmtenet (met eventueel meerdere bronnen) is dan optimaal om de warmte naar de woningen te brengen. Technisch kan geothermische warmte over een afstand van 10 tot 30 kilometer getransporteerd worden. Daarbij bepaalt de plek van de bron en de kwaliteit van de bron hoe deze het best ingezet kan worden. Dit vraagt om afstemming binnen de RSW (RES) en een doorontwikkeling van de huidige wetgeving. 26 reswestoverijssel .nl De toepassing van diepe geothermie in de gebouwde omgeving staat nog in de kinderschoen en. De eerste geothermieprojecten zijn met name ontwikkeld vanuit sectoren zoals de tuinbouw met een hoge warmtevraag. Mogelijk kunnen deze projecten verder doorontwikkeld worden naar de gebouwde omgeving.

Om geothermie in de gebouwde omgeving toe te passen is een hoge vraag en/of een grote dichtheid van bebouwing nodig, anders is de businesscase in de meeste gevallen niet haalbaar. Vooraf moeten hoge investeringen gedaan worden voor onder meer proefboringen om te bepalen of geothermie überhaupt ingezet kan worden. Dat brengt een discussie met zich mee over de eventuele financiering van een regionale infrastructuur en eventuele kosten die niet gedekt worden (onrendabele top). Of daar daadwerkelijk sprake van is , heeft alles te maken met de configuratie van een bron en netwerk (afstanden, temperatuur, isolatie, etc.). Over de componenten van een warmtenet op basis van geothermie moeten dan maatwerkafspraken gemaakt worden ten aanzien van de financiering. Technisch kan warmte uit geothermie over een afstand van 10 tot 30 kilometer getransporteerd worden  Rol geothermie in regio West-Overijssel In de regio West-Overijssel kan geothermie op twee manieren een belangrijke rol spelen in de warmtetransitie. Allereerst op plaatsen met een grote warmtevraag vanwege veel (oudere) woningen, met een hoge dichtheid in de bebouwde omgeving. Concreet gaat het dan om de steden als Zwolle, Deventer, Kampen en Steenwijk.

Daarnaast kan geothermie een bijdrage leveren bij een hoge warmtevraag vanuit de landbouw- of industriesector, dit is bijvoorbeeld aan de orde in Zwartewaterland (tapijtcluster) en in Kampen (tuinbouwgebied Koekoekspolder). Vanuit de Topwerklocatie Tapijt in Zwartewaterland is onderzoek gedaan naar de geschiktheid van diepe geothermische warmte voor het productieproces. Dit blijkt echter ongeschikt door zowel de hoogte van de temperatuur als variatie in de benodigde warmte. In Kampen zijn al concrete geothermieprojecten ontwikkeld voor de tuinbouwsector. De potenti e van deze projecten is groter dan het huidige gebruik, waardoor dit kansen oplevert voor de gebouwde omgeving. Echter, eerste verkennende studies laten zien dat dit vooralsnog risicovol en duur is, daarom is dit (nog) niet verder uitgewerkt. De gemeenten Zwolle en Deventer willen graag gebruik maken van geothermie als duurzame bron voor warmtenetprojecten in de stad. Uit eerste verkennende studies blijkt dat er in Zwolle waarschijnlijk mogelijkheden zijn om geothermie lokaal te benutten, dit zal door een p roefboring gevalideerd moeten worden. Voor de gemeente Deventer ligt dit anders; de behoefte aan geothermie als duurzame warmtebron is groot, maar vanwege diverse restricties (met name op het gebied van drinkwater) is het niet mogelijk om hier gebruik van te maken.

Vraag is of deze warmte van elders aangeleverd kan worden door bijvoorbeeld een regionaal warmtenet, vanuit een bron buiten de gemeentegrens van Deventer. 27 reswestoverijssel .nl  Benodigde vervolgacties Bij het verder in kaart brengen (van de potentie) van geothermie in de regio West-Overijssel zijn de volgende vervolgacties noodzakelijk in de verdere aanpak van dit vraagstuk: 1. Nadere inventarisatie van warmtevraag en -aanbod van bronnen; waardoor inzicht ontstaat in de intergemeentelijke match (RSW versie 1.0), met input van potentiestudie welke wordt uitgevoerd in opdracht van de provincie en een landelijk onderzoeksprogramma vanuit EBN; 2. Vervolgstudie naar potentie: meer en beter zicht op de daadwerkelijke potentie van geothermie (m.a.w. wat krijg je echt uit de bodem): het bronnenoverzicht zou dan uitgebreid kunnen worden met gegevens over de kwaliteit (werkelijke temperatuurniveaus) per bron; 3. Proefboren: daadwerkelijk boren is nodig om tot een realistische inschatting van het potentieel te komen; 4. Verkenning ondergrond: verkennen van (on)mogelijkheden voor geothermie in uitsluitings - (restrictie)gebieden en afstemmen benodigde ruimtereserveringen in de ondergrond om zo tot een gezamenlijk toekomstbeeld voor o.a. geothermie te komen. 5.

Bronnenstrategie uitwerken: gericht op de strategische locatiebepaling van bronnen (met als doel maximalisatie in relatie tot de kwaliteit van de warmtevraag) en de vraag hoe we om gaan met de benutting van de beschikbaar bronnen (regie); 6. Randvoorwaarden voor de verdeling van ‘intergemeentelijke geothermie’ uitwerken (technisch, financieel, organisatorisch). 7. Bestuurlijke regionale discussie over de “gunfactor” en mogelijke socialisatie van duurzame warmte (Groningendiscussie). Die discussie leidt tot een afsprakenset (politiek-bestuurlijk): hoe gaan we regionaal om met verdeling van geothermie (het allocatievraagstuk). Waar is de beschikbare warmte het beste inzetbaar en onder welke randvoorwaarden en hoe borgen we daarbij keuzevrijheid bij aanbied er en afnemers? 8. Uitwerken financieringsstrategie op basis van randvoorwaarden en discussie over allocatie. 9. Lobby richting rijk met betrekking tot: dekking van kosten, aanpassing wetgeving en socialisatie van de warmte, zie verder ook paragraaf 5.4.  Tijdpad Het realiseren van een geothermieproject kost naar schatting minimaal 5 tot 7 jaren. Dat maakt dat de bijdrage van diepe geothermie aan de energievoorziening tot 2030 zeer bescheiden of zelfs nihil zal zijn.

Voor de periode van 2030 tot 2050 wordt diepe geothermie wel als een belangrijke duurzame warmtebron gezien voor vooral Kampen, Zwolle, Deventer (en in mindere mate Zwartewaterland en Steenwijkerland). Tot aan 2030 zal meer zicht ontstaan op de haalbaarheid van geothermieprojecten en dan zal ook bekend worden voor hoeveel procent deze techniek kan bijdragen aan een duurzame warmtevoorziening in de regio. In de tussentijd is de doelstelling om in 2023 in Zwolle (lokaal project) te starten met warmtelevering uit geothermie en is het streven om voor eind 2030 2 tot 3 geothermieprojecten te realiseren in West-Overijssel. 28 reswestoverijssel .nl 5.3 Hernieuwbare gassen Voor de gebouwde omgeving bestaan diverse verduurzamingsopties. De inzet van hernieuwbare gassen is aantrekkelijk in woningen en wijken waar andere opties zoals warmtenetten en elektrificatie niet haalbaar zijn. Het voordeel van hernieuwbare gassen is de energie-efficiënte levering van hoge temperatuur warmte en dat deze (met enkele aanpassingen) ingevoed kunnen worden in het bestaande aardgasnetwerk. Voor groen gas (opgewaardeerd biogas) kan dit direct. Voor waterstof lijken kleine aanpassingen noodzakelijk , maar het onderzoek hierover is nog volop gaande. Eerste uitkomsten laten zien dat bijmengen van waterstof in aardgasleidingen goed mogelijk is.

Voor directe levering van biogas is een speciaal netwerk nodig of het biogas dient eerst opgewaardeerd te worden tot aardgaskwaliteit (tot groen gas). Ook zijn gassen gemakkelijk op te slaan en bieden hiermee ook een mogelijkheid voor seizoensopslag. Hiermee kan worden ingespeeld op de mismatch tussen warmtevraag en warmteaanbod door het tijdelijke opslag van bijvoorbeeld overtollige elektriciteit in gasvorm (waterstof). Derhalve kan de ontwikkeling van duurzame gassen in de regio West - Overijssel een belangrijke rol spelen in de warmtetransitie. Een belangrijke kanttekening is dat hernieuwbare gassen op dit moment beperkt beschikbaar zijn en tot 2030 op landelijke niveau dan ook slechts een beperkte bijdrage kunnen leveren aan de warmtetransitie (Expertise Centrum Warmte). De hernieuwbare gassen dienen daarom ingezet te worden voor hoge temperatuur- (HT) of stoomtoepassingen. Deze toepassingen zijn met name in de industriesector nodig. In veel gevallen zijn daar ook geen andere opties om te verduurzamen. Alleen daar waar in de gebouwde omgeving geen andere verduurzamingsopties zijn, is de inzet van hernieuwbare gassen voor het verwarmen van gebouwen waarschijnlijk. 5.3.1 Biogas en groen gas Vanwege de grote agrarische sector in deze regio, is de potentie aan mest en reststromen voor de biogasproductie hoog.

Op dit moment wordt slechts 4% van de total e mesthoeveelheid in de provincie Overijssel (+/- 7,5 miljoen ton) gebruikt voor mestvergisting, zodat een groot gedeelte van de potentie aan biogas niet benut wordt als energiebron. Dit economisch groengaspotentieel in 2030 uitgaande van vergisting, wordt ingeschat tussen de 25-150 miljoen m3 in de RES-regio West-Overijssel, zo blijkt uit recent onderzoek: “Potentieel van lokale biomassa en invoedlocaties van groengas” (CE Delft, 2020, pag . 45). Dit terwijl de omzetting naar biogas ook een belangrijke rol kan spelen in de stikstofreductie bij de agrarische bedrijven en de transitie naar een circulaire landbouw. Wanneer biogas ontdaan wordt van verontreinigingen en overtollig CO2, spreken we van groen gas. Biogas kan na een eenvoudige reinigingsstap rechtstreeks aan bedrijven geleverd worden die hun brander daarop moeten aanpassen. In een bestaand (openbaar) aardgasnet mag alleen biogas ingevoed worden als dat op aardgaskwaliteit is gebracht (groen gas). Directe levering van biogas zal met name grootverbruikers betreffen, voor de gebouwde omgeving zal dit in groen gas vorm zijn. Een biogasnetwerk exploiteren en beheren mag in Nederland –naast een publiek netwerkbedrijf– elk private partij wettelijk gezien. 29 reswestoverijssel .nl De provincie en de netbeheerders zetten in op een groter aandeel biogas/groen gas in de provincie.

Gemeenten in de regio denken dat het aandeel groen gas in hun gemeenten kan stijgen tot 15% van het totale warmteaanbod richting 2030. Netbeheerder RENDO heeft zelfs de ambitie uitgesproken dat richting 2030 100% van het gas dat zij transporteert in haar afzetgebied afkomstig is van duurzame bronnen , let wel dat betekent ook handhaving van de bestaande gasinfrastructuur. Trends mestvergisting in Overijssel In Overijssel is er op dit moment een trend (en veel animo) voor kleinschalige monomestvergisting op boerderijschaal, waarbij meerdere boeren via een gezamenlijke biogasleiding biogas leveren aan een of meerder afnemers. In Noord Deurningen (Twente) is met zes boeren de 1e ‘biogashub’ gerealiseerd en zij leveren aan twee bedrijven, in Oxe bij Deventer volgt binnenkort een tweede biogashub met vijf boeren. Tegelijk zien we ook grote mestvergisters (meestal covergisters) ontstaan of groeien. Denk aan Agro Energie Hardenberg (ca. 200.000 ton mestinput). Nieuwe vergisters die biogas in een wkk omzetten naar elektriciteit vormen in Overijssel de uitzondering. Die optie loont namelijk alleen als ook de warmte die in de wkk ontstaat, nuttig gebruikt of afgezet kan worden.

Om de ontwikkeling van biogas en groen gas te stimuleren ligt er vooral een taak rondom kennisuitwisseling: het informeren over de technische en financiële aspecten van bio gas of groen gas en bijbehorende technologieën. Op dit moment geven boeren aan onvoldoende kennis en midde len te hebben om te willen investeren. Een nog grotere uitdaging is om de businesscase voor mestvergisting rendabel te krijgen. In Overijssel maken initiatiefnemers graag gebruik van de financieringsinstrumenten van de provincie (Energiefonds Overijssel, subsidiemogelijkheden) of van het Rijk, aanvullend op de nodige SDE+-regeling. Er is dringend lobby nodig voor een gunstiger SDE-tarief voor vergistingsprojecten. De businesscase hangt namelijk sterk af van het SDE+- tarief. Dit punt wordt door het netwerk van (branche)organisaties uit de sector ook al opgepakt. Naast de lobby met betrekking tot de SDE+-subsidie is ook afstemming met het Rijk (EZK) gewenst over de verdeling van de lokaal geproduceerde hernieuwbare gassen (biogas en groen gas). Voor rurale gemeenten worden biogas en groen gas namelijk gezien als één van de essentiële en ook betaalbare oplossingen. In de regio West-Overijssel maken gemeenten zich echter zorgen over de inzet van lokaal geproduceerd hernieuwbaar gas; dat mogelijk naar de grote industrie of historische binnensteden elders zou gaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/09d270d5-bd60-47d5-a57c-937f1a352831?agendaItemId=8ec6d3b5-98cc-44ef-8a3b-442101d51977