30.3 Uitgangspunten GGA NW Overijssel - bijlage 2b Almanak WeerribbenWieden.pdf
Tekst van het document
BODEMDALING: DOORGAAN BODEMDALING: STOPPEN SCENARIO STOPPEN: EFFECT OP BODEMDALING doorgaan huidig peilbeheer versus stoppen bodemdaling, na implementeren systeemmaatregelen 48 VEENDIKTE 2020 Legenda geen veen of < 40cm 150 tot 200 cm veen 100 tot 150 cm veen 200 tot 250 cm veen 70 tot 100 cm veen 250 tot 300 cm veen 40 tot 70 cm veen > 300 cm veen -0.78m NAP-1.4m NAP Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben STOPPEN 2020 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v. NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 Peil boezem verhogen tot -0.50m NAPPeil tot aan maaiveld Deze reeks kaarten en bijbehorende doorsnedes geven de bodemdaling weer na implementatie van de systeemmaatregelen behorende bij het werkscenario Remmen. Boven de doorsnedes zijn de systeemmaatregelen weergegeven zoals deze op de vorige pagina’s zijn geïntroduceerd. De doorsnedes zijn ‘technisch’ van aard en zijn gebaseerd op de modeluitkomsten van de scenario-berekeningen. De mitigerende en compenserende (inrichtings-) maatregelen die bij de systeemmaatregelen horen zijn niet in de tekening weergegeven. De kaarten met de situaties in 2050 en 2100 laten zien dat de veenlaag in de polders rondom Scheerwolde intact blijft. In het natuurgebied blijft het pakket metersdik en verandert er eveneens weinig.
In de klei-op-veen-polders is de veendikte wel afgenomen, ondanks de implementatie van de systeemmaatregelen. Op enkele plaatsen is het veen zelfs geheel verdwenen, vooral langs de randen. Tevens wordt de perceelstructuur zichtbaar, wat erop duidt dat in de loop der jaren ‘holle percelen’ ontstaan. Deze percelen hebben een lager midden dan de rand, hetgeen tot gevolg heeft dat er water midden op het perceel kan blijven staan, hetgeen de productiviteit vermindert. Op grotere schaal komt het natuurgebied veel hoger te liggen dan de westelijke polders, hetgeen kwel uit het natuurgebied teweeg brengt en daardoor een deel van de vernatting teniet doet. Dit is goed zichtbaar in de doorsnedes. SCENARIO STOPPEN 49 VEENDIKTE 2050 STOPPEN VEENDIKTE 2100 STOPPEN Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben STOPPEN 2050 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v. NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 Peil boezem verhogen tot -0.50m NAPPeil tot aan maaiveld Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben STOPPEN 2100 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v.
NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 Peil boezem verhogen tot -0.50m NAPPeil tot aan maaiveld 50 VERANDERING WATERSYSTEEM Verandering watersysteem De huidige inrichting van het watersysteem kan niet in elk van de werkscenario’s hetzelfde blijven. Sowieso geldt dit voor ‘remmen’ en ‘stoppen’, maar ook scenario ‘doorgaan’ leidt tot de nodige veranderingen in het watersysteem als gevolg van de optredende bodemdaling. De naastgelegen figuren tonen de verandering in het grondwatersysteem. De consequentie van de ingrepen in het watersysteem bij ‘remmen’ en ‘stoppen’ is dat plaatsen die voorheen wegzijging vertoonden nu kwellen en andersom. Voor scenario’s ‘remmen’ en ‘stoppen’ zijn de veranderingen in watersysteem beschreven bij de scenariobeschrijving en de effectbeschrijvingen. Bij ‘doorgaan’ zijn op enig moment een aantal veranderingen/ aanpassingen nodig in het watersysteem. Scenario ‘doorgaan’ heeft de volgende consequenties: Verandering drooglegging In Weerribben-Wieden e.o. kan er tussen locaties een significant verschil in snelheid van bodemdaling zijn. Dit treedt ook op binnen peilvakken. Opvallend zijn de peilvakken tussen de Noordoostpolder DROOGLEGGING 2020 Legenda Drooglegging (m) <0.2 m 2 tot 3 m > 3m 1 tot 2 m 0.6 tot 1 m 0.2 tot 0.6 m DROOGLEGGING 2050 DROOGLEGGGING 2100 en de Weerribben-Wieden.
Binnen deze polders is een scheiding tussen kwel en infiltratie, waardoor de bodemdaling hier sterk verschillend kan verlopen. Aanpassingen van deze peilvakken zullen in de toekomst nodig zijn. De oorzaak van de diverse bodemdalingssnelheden binnen een peilvak is dat het peil weliswaar mee daalt met de bodemdaling, maar dat de daling van het peil gelijk is gesteld aan de mediaan van de bodemdaling in het peilvak. Hierdoor worden langzamerhand delen van het peilvak te nat dan wel te droog en is er een herinrichting van peilvakken nodig. De figuren onderaan de bladzijde tonen dit effect. Verandering afvoerrichting Dit speelt niet in Weerribben-Wieden e.o. De belangrijkste afvoergemalen kunnen nog steeds uitmalen via de bestaande toevoerroutes, waarbij de richting van het verhang intact blijft, ook bij verdergaande bodemdaling. Verdiepen watergangen Het verlagen van het peil leidt tot minder doorstroomprofiel in de watergangen. Het is dus nodig om de watergangen te verdiepen/ verbreden. In totaal gaat het in Noordwest-Overijssel om gemiddeld 10.000 tot 15.000 m3 grondverzet per jaar.
51 KWEL BIJ DOORGAAN KWEL HUIDIGE SITUATIE KWEL BIJ REMMEN KWEL BIJ STOPPEN Verandering opvoerhoogte en consequenties voor vijzels Door het verlagen van het polderpeil wordt de opvoerhoogte hoogte met consequenties voor het energieverbruik. Dit effect wordt later in deze almanak verder uitgediept. Een ander belangrijk punt is de vraag of de vijzels in de huidige gemalen lang genoeg zijn om te blijven functioneren bij dalend polderpeil. Deze vraag is onderwerp van aanvullend onderzoek. Verandering aanvoer en afvoerbehoefte De verandering van aanvoer en afvoer is berekend voor elk van de scenario’s. Dit is getoond bij de effecten later in deze almanak. Wat deze extra hoeveelheden betekenen voor de capaciteiten van de gemalen alsook de dimensies van het watersysteem is onderwerp van aanvullend onderzoek.
Legenda meer dan 2 mm wegzijging intermediair 0.5 tot 1 mm 0.5 tot 1 mm 1 tot 1.5 mm 1 tot 1.5 mm 1.5 tot 2 mm 1.5 tot 2 mm meer dan 2 mm kwel 52 REMMEN: 2100 STOPPEN: 2100 SCENARIO DOORGAAN, REMMEN, STOPPEN: INVLOED OP BELEVING Onderwaterdrainage - onder maaiveld grondwater tot aan maaiveld HUIDIGE SITUATIE (/DOORGAAN?) REMMEN STOPPEN Peil tot aan maaiveld Peil boezem verhogen tot -0.50m NAP Flexibel peilbeheer handhaven Bufferzones Onderwaterdrainage 53 Invloed op beleving van het landschap doorgaan huidig peilbeheer scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen • Ook in dit scenario wordt het huidige landgebruik van de polder grotendeels voortgezet; landbouw en glastuinbouw blijven de belangrijkste landgebruiksvormen. • Alleen de bufferzones zullen een ruimtelijke verandering in het landschap opleveren (aanleg kades, ontstaan plas-dras situaties). Met ontwerpend onderzoek kan nader bekeken worden hoe deze bufferzone landschappelijk en cultuurhistorisch het meest tot zijn recht komt. • Om de bufferzones mogelijk te maken kan het instrument ruilverkaveling toegepast worden, waardoor de structuur van het landschap in het gebied enigszins kan veranderen.
• Omdat de bodemdaling wordt geremd maar niet wordt gestopt, zullen de effecten zoals beschreven bij ‘doorgaan’ uiteindelijk op de lange termijn ook op gaan treden. • In het werkscenario Stoppen wordt in grote delen van het gebied het peil in de sloten tot aan maaiveld opgezet waardoor de bodem veel natter zal worden. Daardoor kan – afhankelijk van de keuze voor functie en type beheer – een landschap ontstaan met moeras, moerasbos en natte graslanden of natte teelten. Het huidige open landschap zal gevarieerder worden en meer afwisseling tussen open en besloten gedeelten krijgen. De huidige karakteristieken van het veenweidelandschap (openheid, langgerekte kavel- en slootpatronen) zullen transformeren. Hoe is o.a. afhankelijk van het te voeren beheer. • Natuurgebied Weerribben-Wieden zal door verhoging van het peil sterk vernatten, en hierdoor een andere natuurbeleving en landschapsbeleving krijgen. De huidige diversiteit aan landschapstypen (open water en diverse successie-stadia van verlanding) zal qua verhoudingen veranderen naar meer open water. Het instandhouden van de huidige natuurdoelen en bijbehorende doeltypen zal waarschijnlijk niet meer mogelijk zijn. • In dit scenario wordt het huidige landgebruik van de polder grotendeels voortgezet; landbouw en natuur blijven de belangrijkste landgebruiksvormen.
• Verdergaande bodemdaling zal op de lange termijn wel leiden tot grotere hoogteverschillen in het landschap; de bebouwing op terpen/hogere gronden en de meeste infrastructuur zakken minder hard dan de omliggende landbouwgronden. Dit kan uiteindelijk effect hebben op beleving van het landschap (zichtlijnen, openheid). Ook het hoogteverschil tussen de natuurgebieden en de omliggende polders wordt groter. • Op de lange termijn zullen hogere en sterkere keringen nodig zijn door de bodemdaling, waardoor mogelijk oude karakteristieke dijkprofielen worden getransformeerd en zichten worden belemmerd. • Door verdergaande bodemdaling en het meewegen van de peilen zal het veen in de landbouwgebieden uiteindelijk geheel verdwijnen waardoor de landbouwgronden op de zandgronden uitkomen. Dit kan leiden tot ander landgebruik (andere gewassen zoals mais, aardappelen) en dus een andere landschapsbeleving. De karakteristieken van een veenweidegebied (historische kavel- en slootpatronen) zullen dan veranderen. • Het in stand houden van de natte natuur zal steeds complexer worden. Dit kan impact hebben op de beleving van het gebied en het watersysteem (meer aanvoer van water, nazuivering nodig ivm waterkwaliteit) en de gebruiksfuncties (recreatie, wonen).
Noordwest Overijssel: Randzone Noordoostpolder Anno 2020 Doorgaan Remmen Stoppen Anno 2050 Anno 2100 Noordwest Overijssel: Randzone Noordoostpolder Anno 2020 Doorgaan Remmen Stoppen Anno 2050 Anno 2100 Noordwest Overijssel: Randzone Noordoostpolder Anno 2020 Doorgaan Remmen Stoppen Anno 2050 Anno 2100 SCENARIO DOORGAAN, REMMEN, STOPPEN: INVLOED OP BELEVING De effecten op beleving van het landschap zijn subjectief, aangezien elke gebruiker daar zijn eigen perceptie bij heeft. Er is geen oordeel gegeven over de optredende ruimtelijke effecten van de systeemmaatregelen. De verandering van ruimtebeleving als gevolg van autonome processen en/of (gevolgen van) systeemmaatregelen is kort beschreven. Het gaat om effecten van vernatting, verdroging, aanleg van buffers en intensivering/ extensivering van landgebruik en de invloed daarvan op de beleving van het landschap. 54 SCENARIO REMMEN: HYDROLOGISCHE CONCLUSIES EN KANSRIJKE SYSTEEMMAATREGELEN Onderwaterdrainage Flexibel peilbeheer handhaven Bufferzones Kansrijke locaties bufferzone Kansrijke locaties onderwaterdrainage 55 SCENARIO REMMEN: HYDROLOGISCHE CONCLUSIES EN KANSRIJKE SYSTEEMMAATREGELEN Uit het voorgaande blijkt dat de maatregelen behorend bij de werkscenario’s in sommige delen kansrijker zijn dan in andere delen.
In het algemeen geldt hydrologisch2 gezien dat onderwaterdrainage kansrijk is als: • Er sprake is van een hydrologische weerstand tussen de grondwaterstand in de percelen en de regionale grondwaterstand. Dit geldt vooral als de grondwaterstand in de percelen hoger is, waardoor er wegzijging plaatsvindt (het water loopt weg naar beneden). Door de aanwezigheid van weerstand lekt niet meteen al het ingebrachte water weg naar de ondergrond. Daarbij geldt dat de verschillen in grondwaterdruk tussen het perceel en de diepe ondergrond niet té groot moeten zijn. • Er sprake is van een situatie waarin de grondwaterstand diep wegzakt tijdens droge periodes. In gebieden met veel kwel wordt het uitzakken door verdamping meestal gedempt door de aanvoer van onderop door kwel. In dat geval kan onderwaterdrainage meestal maar weinig bijdragen en is het wellicht de investering niet waard. • Er geen grote hoogteverschillen zijn binnen de peilvakken. De onderwaterdrains worden onder het niveau van het oppervlaktewaterpeil geplaatst, anders kunnen ze immers niet infiltreren. Sommige peilvakken hebben grote maaiveldverschillen waardoor in de hoge delen het drainniveau (te) ver onder het maaiveld komt en de grondwaterstand pas wordt aangevuld als het al heel ver is weggezakt. Dit leidt tot veenoxidatie en gewasschade in het betreffende perceel.
• Aan de waterbehoefte voldaan kan worden: de aanleg van honderden kilometers drain zorgt voor een grote waterbehoefte. Voor sommige gebieden geldt dat het water in droge periodes moeilijk aan te voeren is. De aanwezigheid van voldoende water in droge periodes is een randvoorwaarde voor grootschalige onderwaterdrainage. • Er voldoende horizontale doorlatendheid is in het perceel. Sommige veen- of kleibodems zijn zo slecht doorlatend dat het water simpelweg het perceel niet instroomt. Uit pilots in Friesland en in het Groene Hart blijk dat dit zo nu en dan optreedt. In dat geval heeft het geen zin om onderwaterdrains aan te leggen. Het is altijd raadzaam om pilots/proeven te doen met onderwaterdrainage in een bepaald gebied alvorens tot grootschalige implementatie over te gaan. Bodems kunnen zeer verschillend zijn in hydrologische eigenschappen. Gebiedskennis hierover opdoen is essentieel. • Onderwaterdrainage leent zich uitstekend voor een combinatie met andere hydrologische maatregelen, zoals opzet van zomerpeil, peilvakverkleining, kleinere slootafstanden of zelfs een naburige buffer. Kansrijke gebieden om te remmen met onderwaterdrainage zijn globaal weergegeven met een gele contour in de kaart. Het gaat om delen van de klei-op-veen-polders waar het water wegzijgt naar de Noordoostpolder of – voor de noordelijke gebieden – naar de Rottige Meenten.
Het voorbehoud hier is wel dat het mogelijk is om de wegzijging naar de Noordoostpolder snel genoeg te kunnen compenseren met infiltratie uit de drains. In het scenario is een drainafstand van vier meter gekozen en deze zorgt in de modelberekeningen voor voldoende aanvulling, behalve aan de uiterste randen van de klei-op-veen-polders. Hier gaat de wegzijging te snel. In het algemeen geldt hydrologisch2 gezien dat een waterbuffer kansrijk is als: • Er sprake is van grote peilverschillen tussen aangrenzende peilvakken, waardoor een sterke lokale kwel- of wegzijgingsstroom tussen het grondwater in de betreffende peilvakken plaatsvindt. De tussen de peilvakken in liggende buffer vangt dan de stroming af waardoor zowel kwel als wegzijging kleiner worden. • Als aan de afvoerbehoefte voldaan kan worden: het teveel aan water in de buffer moet wel worden afgevoerd. Een gecontroleerd peilbeheer is dus nodig. • De inrichting van de buffer redelijkerwijs mogelijk is. Aanleg van een buffergebied betekent functiewijziging met alle uitdagingen die daarbij horen. Kansrijke buffergebieden om de bodemdaling in de natuurgebieden te remmen zijn aangegeven in de kaart als gele contour. Bij deze gebieden is duidelijk te zien dat ze een vernattend effect hebben op het natuurgebied. Bij de andere waterbuffers in dit gebied is het effect klein. Dit komt door de relatief hoge peilen (o.a.
Dorpsgracht Giethoorn) rondom het natuurgebied. De wegzijging uit het natuurgebied komt een stuk verder naar het westen omhoog in de enkele zeer lage peilvakken. Daarbij is de inrichting van een buffergebied bij Giethoorn zeer lastig vanwege de vele huizen. 2. De kansrijkheid van een dergelijke maatregel heeft veel meer aspecten dan alleen hydrologische. Aanlegaspecten, financiële aspecten, waterkwaliteitsaspecten, enzovoorts moeten worden meegenomen in de afweging. De beschreven principes zijn alleen opgesteld met hydrologische argumenten. 56 Peil tot aan maaiveld Peil boezem verhogen tot -0.50m NAP SCENARIO STOPPEN: HYDROLOGISCHE CONCLUSIES EN KANSRIJKE SYSTEEMMAATREGELEN Kansrijke locaties verhogen boezempeil tot -0.50m NAP Kansrijke locaties opzetten peil tot aan maaiveld 57 SCENARIO STOPPEN: HYDROLOGISCHE CONCLUSIES EN KANSRIJKE SYSTEEMMAATREGELEN In het werkscenario ‘stoppen’ zijn als maatregelen opgenomen: peilverhoging in de sloten tot aan maaiveld in de veengebieden met een dikte van meer dan 60 cm, het verhogen van het boezempeil met met gemiddeld 28 cm. In het algemeen geldt hydrologisch3 gezien dat peilopzet tot aan maaiveld kansrijk is als: • De grondwaterstand in het perceel in droge omstandigheden niet lager dan 40 cm onder maaiveld komt. Dit geldt zeker als er sprake is van een bovenliggende kleilaag van minimaal 40 cm dik.
• Het perceel voldoende doorlatend is in horizontale richting. Er is voldoende doorlatendheid nodig in het perceel om het water uit de sloten snel genoeg in het perceel te kunnen laten infiltreren. Zandige veenpercelen voldoen hier in het algemeen aan. • Er geen sprake is van grote wegzijging naar de omgeving. Evenals bij de onderwaterdrainage geldt dat het water niet moet weglekken naar de omgeving. De grondwaterstand in de ondergrond mag niet veel lager zijn (bijvoorbeeld 2 meter) dan de grondwaterstand in het perceel. • Aan de waterbehoefte voldaan kan worden. Aangezien meer water nodig is in de sloten zal de waterbehoefte toenemen. Voor sommige gebieden geldt dat het water in droge periodes moeilijk aan te voeren is. De aanwezigheid van voldoende water in droge periodes is een randvoorwaarde voor deze maatregel. Kansrijke gebieden voor stoppen zijn: • De zandige gronden ten oosten van de Weerribben-Wieden (polder Scheerwolde). Hier is sprake van voldoende horizontale doorlatendheid. De waterstanden blijven hier in de berekeningen vrijwel overal hoger dan 40 cm onder maaiveld, waardoor veenoxidatie stopt. • Het verhogen van het boezempeil tot -50 cm NAP leidt voor het grootste deel van het natuurgebied tot het stoppen van de bodemdaling. Alleen in de noordwesthoek is bodemdaling niet te stoppen met deze maatregel.
Niet kansrijke gebieden voor stoppen zijn: • Een belangrijk deel van klei-op-veen polders. Door de slechte doorlatendheid komt het water niet genoeg het perceel in om de wegzijging te compenseren. Bodemdaling wordt niet gestopt. 3. De kansrijkheid van een dergelijke maatregel heeft veel meer aspecten dan alleen hydrologische. Aanlegaspecten, financiële aspecten, waterkwaliteitsaspecten, enzovoorts moeten worden meegenomen in de afweging. De beschreven principes zijn alleen opgesteld met hydrologische argumenten. 58 Hoofdstuk 6 59 Hoofdstuk 6 EFFECTEN WERKSCENARIO’S: - DOORGAAN HUIDIG PEILBEHEER - REMMEN BODEMDALING - STOPPEN BODEMDALING 60 Een blik op het oosten richting natuurgebied de Weerribben-Wieden en het open water van de Beulakkerwijde, en rechts het begin van de hogere zandgronden tussen Vollenhove en Sint Jansklooster
61 INLEIDING Zoals ook beschreven in bijlage 2 beoordelen we de effecten voor onderstaande thema’s: • landbouw • natuur • infrastructuur en kabels & leidingen • bebouwing • watersysteem • broeikasgassen Deze beoordelingen zijn tot stand gekomen op basis van meerdere sessies met experts van waterschappen, provincies en gemeenten. In alle gevallen is bij de beoordeling beargumenteerd, hoe tot de beoordeling is gekomen. Er zal altijd een mate van subjectiviteit zitten in de beoordeling. Het is dan ook het advies om deze beoordelingen niet als absoluut te zien maar ze te gebruiken in de gebiedsgesprekken die nog volgen in het proces. De effecten zijn onder te verdelen in twee typen: 1. effecten die het direct gevolg zijn van het aanleggen van de systeemmaatregelen 2. effecten die het gevolg zijn van de verandering van de systeemwerking ná implementatie van de maatregelen Voor het beoordelen van de effecten werken we met een vijfpuntsschaal en wordt beoordeeld ten opzichte van de huidige situatie. De huidige situatie is de referentie en is neutraal, score 0. • Een effect is neutraal, scoort 0, als het gewenste gebruik of functie niet noemenswaardig verschilt van de huidige situatie. • Een effect is positief, scoort +, als de omstandigheden voor het gewenste gebruik of functie verbetert ten opzichte van de huidige situatie.
• Een effect is zeer positief, scoort ++, als de omstandigheden voor het gewenste gebruik of functie duidelijk verbetert ten opzichte van de huidige situatie. • Een effect is negatief, scoort -, als de omstandigheden voor het gewenste gebruik of functie verslechtert ten opzichte van de huidige situatie. • Een effect is zeer negatief, scoort - -, als de omstandigheden voor het gewenste gebruik of functie sterk verslechtert ten opzichte van de huidige situatie. 62 LANDBOUW doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen Legenda 50 tot 100% 30 tot 50% 0 tot 30% - - Met de Waterwijzer (Stowa, 2018) wordt bepaald wat de theoretische gewasopbrengst of afname/toename van gewasopbrengst is, bij een gegeven bodemdaling en bijbehorende grondwaterstanden. De effecten van bodemdaling op de landbouw kunnen zo kwantitatief in beeld gebracht worden. De kleuren tonen drie klassen in hoeverre de maximale opbrengst wordt verminderd door de combinatie bodemtype/ hydrologische omstandigheden. Het oordeel is (licht) negatief omdat: • Het landbouwpotentieel verbetert door de aanleg van onderwaterdrainage (al dan niet combinatie met de bufferzone).
Oorzaken: [1] schade door verdroging wordt beperkt door de inlaat van water via de drains [2] schade door vernatting wordt op diverse plaatsen ook beperkt omdat de drains drainerend werken in de winter/natte situatie. • De beperking van bodemdaling leidt tot minder variaties van droogleggingen binnen peilgebieden. • De bufferzones leiden plaatselijk tot vermindering van het landbouwpotentieel, vanwege het onderwater zetten en de uitstraling via het grondwater naar naastgelegen. percelen. • Totaalbeeld is per saldo vergelijkbaar met scenario ‘doorgaan’. Het oordeel is zeer negatief omdat: • Het bestaande landgebruik niet goed meer mogelijk is Polder Scheerwolde) vanwege de veel optredende plas-dras- omstandigheden in het gebied. Dit leidt tot: a) vermindering van de gewasopbrengst (veel akkers) b) vermindering van toegankelijkheid vee & materieel. • Het bestaande landgebruik minder goed mogelijk is in de klei-op- veenpolders ten westen van de weerribben. Extensieve landbouw lijkt mogelijk aangezien percelen minder nat zijn door wegzijging. • Teelten die natte omstandigheden prefereren zijn kansrijker dan het huidige landgebruik. Echter, er is nog weinig praktijkervaring rondom het economisch rendement, in ieder geval niet met een intensieve bedrijfsvoering.
Bij een eventueel toekomstig positief economisch perspectief voor de natte teelten, verandert het oordeel over dit werkscenario. - - Het oordeel is (licht) negatief omdat: • Er enige vermindering van het landbouwpotentieel optreedt, doordat delen van het gebied sneller dalen dan andere. De droogleggingen variëren daardoor meer binnen een peilgebied, waardoor er op de laagst gelegen percelen meer kans is op inundatie of natte omstandigheden en op de hoger gelegen percelen schade door droogte. 63 NATUUR Huidige situatie Natura2000 Foerageergebied ganzen en smienten 0 0- Natura2000 + overige natuur Weidevogels doorgaan huidig peilbeheer na implementeren systeemmaatregelen scenario Remmen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen Het oordeel is (licht) negatief omdat: • Het maaiveld daalt rondom natuurgebieden waardoor de bodem droger wordt door wegzijging van (grond)water. Er is meer kwalitatief goede wateraanvoer nodig om natuurdoeltypen in stand te houden of te verbeteren. Het oordeel is neutraal omdat: • Gekwalificeerde habitats voor de Weerribben-Wieden blijven in stand. Kans voor gesprek met EU over doelen/klimaat adaptatie op de lange termijn. • Afname wegzijging is positief voor de vorming van trilveen • Op lange termijn lijkt het echter lastig én kostbaar om natuurdoeltypen in stand te houden.
Het oordeel is neutraal omdat: • De huidige bedreiging van verdroging door wegzijging vermindert en meer mogelijkheden ontstaan voor natte veennatuur. Wel moeten de huidige natuurdoeltypen worden aangepast omdat veel gronden permanent onder water komen te staan en daarmee te nat worden voor bijvoorbeeld “vochtige heiden” of “blauwgrasland”. • Er is wel veel inlaat van gebiedsvreemd (boezem)water nodig. De kwaliteit van dit water is meestal niet bevorderlijk voor de ontwikkelingen van het veengebied en bijbehorende natuurdoelen. Het oordeel is neutraal omdat: • Er nauwelijks verandering is in (voorjaars)grondwaterstanden. Dit komt omdat het peil wordt aangepast aan bodemdaling conform huidig beleid/praktijk. Hierdoor blijft het geschikt areaal voor weidevogels gelijk aan de huidige situatie. • Er naar verwachting geen verandering plaats vindt in mate van intensiteit van het landbouwbedrijf wat betreft maaimethodes/frequenties etc. 0 0 Het oordeel is neutraal omdat: • Er geen negatief effect hoeft op te treden, als er door de agrariërs rekening wordt gehouden met broedende weidevogels. Betreding van percelen is naar verwachting eerder mogelijk, wat een negatief effect kan hebben op de weidevogels als er geen vogelvriendelijke maatregelen worden genomen.
De onderwaterdrainage zorgt door snellere afvoer ook voor lagere voorjaarswaterstanden, wat kan leiden tot afname van geschikt areaal voor weidevogels. • De bufferzones bieden lokaal kansen voor weidevogels evenals kleine delen van de naastgelegen nattere percelen. Het oordeel is (licht) positief omdat: • Er sprake is van hogere voorjaarsgrondwaterstanden in gebieden die nu te droog zijn voor weidevogels. In sommige gebieden (met name delen van het veengebied in het zuidoosten en noordwesten) komt de grondwaterstand niet boven maaiveld en ontstaan plas-dras situaties. In andere delen komt het water wel boven maaiveld, waardoor de kansen voor veel weidevogels aldaar klein zijn. • De verwachting is dat de intensiteit van landbouw of ander ruimtegebruik in dit scenario extensiveert, wat gunstig is voor de weidevogels. + Natura2000 + overige natuur Verdroging of vernatting door veranderende grondwaterstromen (kwel/ infiltratie) kan leiden tot het niet halen van (Natura2000) doelstellingen (habitattypen gerelateerd aan veenmoeras zoals trilvenen, veenmosrietlanden maar ook blauwgraslanden et cetera). De habitattypen in de Wieden - Weerribben hebben vochtige omstandigheden en nutrientarm water nodig. Voor weidevogels is onder meer een hoge (voorjaars) grondwaterstand van groot belang voor een geschikte leefomgeving met voldoende voedsel.
Andere factoren die van belang zijn voor de weidevogelgebieden zijn het beheer van de graslanden en de mate van openheid van de graslanden. Weidevogels 64 INFRASTRUCTUUR EN KABELS & LEIDINGEN - - + - + + + Wegen Kabels en leidingen Riool Gas en Elektra Het oordeel is (licht) positief omdat: • Verzakkingen en bijbehorende schade aan wegen wordt verminderd door het remmen van de bodemdaling. Dit geldt alleen voor wegen die zijn aangelegd op een veen en/of klei-veen ondergrond. • Daarentegen komt ca 20 km weg onder water te staan door de aanleg van de waterbuffers. Het oordeel is negatief omdat: • Verdergaande bodemdaling leidt tot meer schade aan de wegen. Het oordeel is (licht) negatief omdat: • Circa 120 km aan wegen overlast ondervindt van het opzetten van het peil tot aan maaiveld: • De overlast bestaat uit kans op opdrijven van wegen en aanpassingen van wegen die nodig zijn, maar ook aan duikers en bruggen door hogere waterstanden. • De bodemdaling wordt vrijwel geheel gestopt, waardoor schade door verzakkingen niet meer voorkomt bij funderingen van bruggen/duikers/ kunstwerken. • Wegen kunnen in natte periodes onder water komen te staan Het oordeel is positief omdat: • Bodemdaling wordt beperkt. Het oordeel is negatief omdat: • Door ongelijke zakking treden scheuringen op of ontstaat gebrek aan doorstroming.
Door verlies van veendikte krijgen leidingen mogelijk te weinig dekking (grond boven de kabel). Een minimum van 1 meter is noodzakelijk om schade aan de leidingen te voorkomen. Precieze dekkingen en diepteliggingen zijn niet bekend. Het oordeel is zeer positief omdat: • Nauwelijks nog bodemdaling optreedt. doorgaan huidig peilbeheer na implementeren systeemmaatregelen scenario Remmen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen 0-5 mm/ jaar 381 km 5-10 mm/jaar 45 km >10 mm/jaar 56 km 0-5 mm/ jaar 2208 km 5-10 mm/jaar 741 km >10 mm/jaar 564 km 0-5 mm/ jaar 694 km 5-10 mm/jaar 62 km >10 mm/jaar 83 km 0-5 mm/ jaar 410 km 5-10 mm/jaar 29 km >10 mm/jaar 41 km 0-5 mm/ jaar 2687 km 5-10 mm/jaar 524 km >10 mm/jaar 303 km 0-5 mm/ jaar 712 km 5-10 mm/jaar 48 km >10 mm/jaar 77 km 0-5 mm/ jaar 450 5-10 mm/jaar 21 >10 mm/jaar 10 0-5 mm/ jaar 3010 km 5-10 mm/jaar 316 km >10 mm/jaar 186 km 0-5 mm/ jaar 797 km 5-10 mm/jaar 39 km >10 mm/jaar 2 km Infrastructuur De aanwezige wegen kunnen op twee manieren schade ondervinden binnen de beschouwde scenario’s. 1. Door bodemdaling; e.g. scheuren, problemen bij overgangen kunstwerken. Het effect van bodemdaling op wegen wordt kwantitatief bepaald door te analyseren hoeveel kilometer weg aan een bepaalde hoeveelheid bodemdaling blootgesteld wordt.
Er zijn drie categorieën gebruikt: < 5 mm bodemdaling per jaar, 5 tot 10 mm/jaar en > 10 mm/jaar. 2. Het opzetten van het peil; noodzaak tot verhogen van de weg, mogelijke problemen met stabiliteit, uitspoeling wegfundering. Weergegeven is het aantal kilometer weg wat door het opzetten van het peil problemen kan ondervinden. Onder de categorie riool vallen persleidingen (meestal waterschap) en vrij verval leidingen (gemeenten). Onder de categorie gas en elektra vallen lagedruk gasleidingen, laagspanningskabels en middenspanningskabels. Effecten van bodemdaling zijn voor beide categorieën negatief op twee manieren: 1. Door ongelijke zakking treden scheuringen op of ontstaat gebrek aan doorstroming. 2. Door verlies van veendikte krijgen leidingen mogelijk te weinig dekking (grond boven de kabel). Een minimum van 1 meter is noodzakelijk om schade aan de leidingen te voorkomen. Precieze dekkingen en diepteliggingen zijn niet bekend. Om te bepalen hoeveel kilometer aan rioolleidingen bodemdaling ervaren zijn drie categorieën gebruikt: < 5 mm bodemdaling per jaar, 5 tot 10 mm/jaar en > 10 mm/jaar. Kabels & leidingen 65 BEBOUWING - + - - Zakkingen & paalrot Het oordeel is (licht) positief omdat: • Verzakkingen en bijbehorende schade van woningen wordt voorkomen door het remmen van de bodemdaling.
Dit geldt voor woningen en boerderijen die niet op terpen staan en mogelijk voor woningen in stedelijk gebied. • Door de aanleg van de bufferzones is het nodig om enkele huizen aan te passen en is er mogelijk hinder door vernatting voor dicht bij de buffer gelegen huizen. Dit leidt tot een lokaal nadeel. Het oordeel is negatief omdat: • In de bebouwde gebieden van de gemeente Steenwijkerland nu reeds sprake is van verzakking van tuinen, wegen en mogelijk bebouwing. Er is geen inventarisatie beschikbaar, maar het is bij deze gemeente bekend dat dit speelt. De verzakkingen zorgen voor ongemak, maar ook voor extra kosten in het beheer en onderhoud van wegen, leidingen, riolen en overige openbare ruimte. • Over paalrot is niks bekend. Het oordeel is zeer negatief omdat: • Woningen die niet op terpen staan te maken krijgen met zeer natte omstandigheden, wat leidt tot natschade. • Het verhogen van het peil tot maaiveld leidt tot hogere grondwaterstanden in de directe omgeving. Het bebouwde gebied in de veengebieden (o.a. Blokzijl, Giethoorn) krijgt te maken met nattere omstandigheden, wat leidt tot meer natte kruipruimten en optrekkend vocht. • Verzakking door bodemdaling wordt daarentegen vrijwel geheel gestopt.
doorgaan huidig peilbeheer na implementeren systeemmaatregelen scenario Remmen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen Zakkingen & paalrot De gebouwen in de veenweidegebieden van Overijssel lopen door (ongelijke) bodemdaling twee soorten risico’s. Ten eerste het risico op paalrot voor huizen die op houten palen zijn gefundeerd. Paalrot wordt veroorzaakt door het dalen van het grondwaterniveau, waardoor houten palen die voorheen onder water stonden nu aan zuurstof worden blootgesteld en hierdoor gaat rotten, met als gevolg verzakking, scheefstand en andere schade. Dit speelt alleen bij scenario’s die leiden tot lage(re) grondwaterstanden. Ten tweede kan (ongelijke) bodemdaling leiden tot schade aan constructies en aansluitingen met nutsleidingen, vooral bij woningen die helemaal niet gefundeerd zijn. De (ongelijke) bodemdaling heeft ook tot gevolg dat bijvoorbeeld tuinen en erven sneller zakken dan de gefundeerde woningen.
66 WATERSYSTEEM: WATERAANVOER EN -AFVOER Legenda > 750 mm/jaar 500 tot 750 mm/jaar 400 tot 500 mm/jaar 300 tot 400 mm/jaar 200 tot 300 mm/jaar 100 tot 200 mm/jaar < 100 mm/jaar doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen 82 Mm3 per jaar -133 Mm3 per jaar 79 Mm3 per jaar -129 Mm3 per jaar 92 Mm3 per jaar -128 Mm3 per jaar - - -+ + + Gemiddelde wateraanvoer Zie toelichting op volgende pagina Getallen in de kaarten: totale hoeveelheid benodigde wateraanvoer per jaar Gemiddelde waterafvoer Zie toelichting op volgende pagina Getallen in de kaarten: totale hoeveelheid benodigde waterafvoer per jaar 67 Afvoerbehoefte gemiddelde wateraanvoer gemiddelde waterafvoer doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen - WATERSYSTEEM: WATERAANVOER EN -AFVOER Het oordeel is (licht) negatief omdat: • Het op peil houden van de peilvakken in droge periodes, alsook de verhoging van het boezemgebied tot een grotere waterbehoefte leidt. Deze neemt toe met 10 Mm3/jaar. Het oordeel is (licht) positief omdat: • De afvoer neemt met 5 Mm3/jaar af omdat de waterpeilen hoger zijn, waardoor de gemalen minder snel hoeven aan te slaan om uit te malen.
Wateraanvoer en afvoer Systeemmaatregelen hebben effect op het waterbeheer van het gebied. Voor onderwaterdrainage moet er extra water aangevuld worden in de zomerperiode om het grondwater aan te vullen. In deze periode kunnen er watertekorten zijn (zeker in dit gebied) waardoor het water niet beschikbaar is en daarnaast vergt het investeringen om het water er te krijgen. In het voorjaar neemt de waterafvoer toe om de grondwaterstanden naar beneden te krijgen; in deze periode zijn er al pieken in de afvoer. 0 0 + Het oordeel is (licht) positief omdat: • De afvoer afneemt, vanwege de implementatie van de buffers. Kwel uit de natuurgebieden hoeft minder te worden uitgemalen in landbouwpolder. De afvoer neemt daarentegen toe door de aanleg van onderwaterdrainage, die in de winter ook afvoerend werkt. Netto is het effect voor het gebied echter een afname van de afvoerhoeveelheid. + + Het oordeel is (licht) negatief omdat: • In alle peilgebieden met de onderwaterdrainage en buffers de waterbehoefte toeneemt met ongeveer 3 Mm3/jaar. Echter in het boezemgebied neemt de waterbehoefte sterk af, met in totaal 6 MmZ per/jaar door de sterk verminderde wegzijging. Hierdoor neemt de totale aanvoerbehoefte af met circa 3Mm3/jaar. Hierbij dient gezegd dat de doorvoer van water via de boezem naar de peilvakken met onderwaterdrainage niet is meegenomen in de berekening.
Het oordeel is neutraal omdat: • Deze vergelijkbaar is met de huidige situatie. Het oordeel is neutraal omdat: • Deze vergelijkbaar is met de huidige situatie. 68 doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen WATERSYSTEEM: OPVOERHOOGTE GEMALEN Legenda > 50 cm extra opvoerhoogte 40 -50 cm extra opvoerhoogte 30 -40 cm extra opvoerhoogte 20 -30 cm extra opvoerhoogte 10 -20 cm extra opvoerhoogte 0 -10 cm extra opvoerhoogte Legenda > 50 cm extra opvoerhoogte 40 -50 cm extra opvoerhoogte 30 -40 cm extra opvoerhoogte 20 -30 cm extra opvoerhoogte 10 -20 cm extra opvoerhoogte 0 -10 cm extra opvoerhoogte Legenda 0 tot 10 cm opvoerhoogte minder 10 tot 50 cm opvoerhoogte minder 50 tot 75 cm opvoerhoogte minder 75 tot 100 cm opvoerhoogte minder >125 cm opvoerhoogte minder Bodemdaling van de veengebieden leidt ertoe dat de hoogteverschillen tussen binnendijkse (de veengebieden) en buitendijkse gebieden (een rivier, kanaal of het IJsselmeer) toenemen en daarmee ook de hoogte die een gemaal moet overbruggen om water uit de veenpolders te pompen (‘opvoerhoogte’). Op onderstaande kaarten zijn de gemalen weergegeven met het effect van bodemdaling op de opvoerhoogten.
De kleuren geven aan in hoeverre de huidige opvoerhoogte toeneemt door bodemdaling bij het scenario Doorgaan en - in mindere mate - bij remmen. Bij het scenario Stoppen neemt de huidige opvoerhoogte af. De belangrijkste gemalen zijn groter en met naam weergegeven. Hoe nadelig deze veranderingen zijn hangt samen met de geschatte verandering van energieverbruik en de snelheid waarmee aanpassingen nodig zijn. Deze vragen zijn onderwerp van aanvullend onderzoek. 69 Primaire kering Regionale kering doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen - Het oordeel is neutraal omdat de bodemdaling geremd wordt. Het oordeel is positief omdat de bodemdaling stopt/ sterk afremt. Het oordeel is negatief omdat de bodemdaling doorgaat in het huidige tempo. Keringen en de wateropgave Zie onderstaande toelichting op de scocre. +0 Toenemend veiligheidsrisico door bodemdaling De normen voor primaire veiligheid zijn gebaseerd op een risicobenadering. Risico is kans * gevolg. Bij toenemende bodemdaling wordt het gebied achter de dijkring 9 lager en bijgevolg wordt de schade die ontstaat als een dijk doorbreekt groter. Daarbij zal het LIR (lokaal individueel risico) ook toenemen als gevolg van hogere stroomsnelheden nabij de bres en diepere inundaties in de polders.
De mogelijkheid is er dat de normen voor dijken langs dijkring 9 strenger zullen worden bij toekomstige verdergaande bodemdaling. Voor regionale veiligheid geldt hetzelfde, hoewel in het veengebied van Weerribben-Wieden e.o. alleen de kering langs het Meppelerdiep en een kering langs het riviertje de Lende op de grens tussen Overijssel en Friesland als regionale kering zijn aangewezen. Als het hoogteverschil tussen de kruinhoogte van de dijk en achterland groter wordt, worden de regionale normen mogelijk ook strenger. Op dit moment worden regionale keringen genormeerd op schadeklassen per overstroming. Bij meer potentiële schade, worden de eisen aan de regionale keringen eveneens strenger. Dit effect is in het bovenste figuur (rechts) geïllustreerd voor een fictief profiel. De verticale schaal is opgerekt om het mechanisme duidelijk te maken. Afname van stabiliteit binnenwaarts door bodemdaling Een van de faalmechanismen waarop de veiligheid van een dijk wordt getoetst is de stabiliteit van de taluds. Door een instabiel talud bestaat de kans dat de dijk gaat afschuiven, zeker als er ook sprake van overslag van water. De bodemdaling kan een negatieve invloed op dit faalmechanisme hebben vanwege het feit dat bodemdaling aan één of beide zijdes van de kering zorgt voor steilere taluds en daarmee meer risico op instabiele kades.
Dit mechanisme is geïllustreerd in onderstaande figuur (onder). Voortschrijdende tijd en bodemdaling Illustratie gevolgen regionale veiligheid naar aanleiding van bodemdaling: Illustratie faalmechanisme ‘Stabiliteit Binnenwaarts’’: Voortschrijdende tijd en bodemdaling WATERSYSTEEM: EFFECTEN OP WATERVEILIGHEID Dijkring 9 70 Een blik op het westen richting natuurgebied de Weerribben-Wieden
71 70.000 ton CO2 per jaar 30.000 ton CO2 per jaar 10.000 ton CO2 per jaar 4.500 ton CO2 per jaar 5.500 ton CO2 per jaar 3.000 ton CO2 per jaar 7.000 ton CO2 per jaar 2.000 ton CO2 per jaar 45.000 ton CO2 per jaar 10.000 ton CO2 per jaar 4.500 ton CO2 per jaar 7.000 ton CO2 per jaar BROEIKASGASSEN: CO 2 doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen Het oordeel is positief omdat: minder veenoxidatie...(26%) Het oordeel is zeer positief omdat: Het oordeel is (zeer) positief want veel minder veenoxidatie... (58%) Het oordeel is neutraal omdat: Dunne stukken veen, veel oxidatie, straks opgebrand, totale CO2 uitstoot wordt autonoom lager + ++0 Snelheid/ hoeveelheid CO2 uitstoot De hoeveelheid CO2 die wordt uitgestoten door oxidatie van veen wordt per scenario kwantitatief in beeld gebracht. Dit wordt berekend met behulp van de fysische eigenschappen van veen en de verwachte bodemdaling per scenario. In de kaarten staat de totale hoeveelheid uitgestoten ton CO2 per jaar voor de verschillende deelgebieden. In dit onderzoek is niet gekeken naar de impact van veenoxidatie op de andere broeikasgassen lachgas en methaan. Het wordt aanbevolen dit in het vervolg wel mee te nemen.
Legenda geen veen/ geen co2 uitstoot 1 tot 2.500 Kg/ha/jr 2.500 tot 5.000 Kg/ha/jr 5.000 tot 10.000 Kg/ha/jr 10.000 tot 15.000 Kg/ha/jr 15.000 tot 20.000 Kg/ha/jr > 20.000 Kg/ha/jr
72 Een blik op het oosten richting natuurgebied de Weerribben-Wieden, vanuit de randzone langs de Noordoostpolder, met op de voorgrond de Roomsloot Lacunes en leemten in kennis: Omdat geen inventarisatie beschikbaar is van zakkingen en paalrot bij bebouwing is in de vervolgfase een inventarisatie en effectbeoordeling nodig om te onderzoeken bij hoeveel woningen dit speelt. Wel bekend is dat het voorkomen van paalrot, ten opzichte van west Nederland relatief klein van omvang is. Het in het westen bekende beeld speelt hier naar verwachting veel minder. In de effecten- en kostenanalyse ontbreekt soms brondata. Een voorbeeld is diepteligging van riolering/gasleidingen/elektra. Bij vervolgonderzoek verdient het aanbeveling om deze data te ontsluiten/onderzoeken. Bij de berekeningsresultaten in bijlage 2 is aangegeven waar en welke data ontbreekt. De relatie tussen bodemdaling en gaswinning is niet onderzocht. Al na de drooglegging van de Noordoostpolder zijn er maatregelen getroffen in verband met verzakkingen (schaderegeling). Er spelen vragen in gemeente Steenwijkerland over verzakkingen. Er zijn echter weinig/geen gevallen/problemen bekend (bron: gemeente Steenwijkerland). Voor de gebieden is het gehalte organische stof in de veenlagen niet bekend. Dit maakt veel uit voor de grootte van effecten.
Een hoog gehalte organische stof betekent snellere bodemdaling door veenoxidatie en meer CO2-uitstoot. Naast CO2 zijn lachgas (NO2) en methaan (CH4) andere belangrijke broeikasgassen. Deze zijn niet berekend, aangezien hier geen bruikbare berekeningsmethodiek voor beschikbaar is. De genoemde effecten op veiligheid zijn (nog) niet in getallen uitgedrukt. Hiervoor zijn overstromingsberekeningen nodig, die niet binnen de kaders van deze verkenning zijn uitgevoerd. De relatie met waterkwaliteit is zeer complex. Er is geen bruikbaar model aanwezig om hierover met cijfers onderbouwde uitspraken te doen. De precieze bodemprocessen bij veenoxidatie zijn nog niet goed genoeg begrepen en verdienen aandacht in het vervolg. Het is uit de praktijk bekend dat het effect van onderwaterdrainage sterk verschillend is per situatie. Er is een pilot gaande in het Staphorsterveld, die inzichten levert. Resultaten zijn echter niet zomaar toepasbaar op andere delen van het Overijssels veengebied. De maatregelen die zijn onderzocht in deze verkenning zijn niet alle kansrijke maatregelen. De effectiviteit van andere maatregelen is vooralsnog niet bekend op hetzelfde detailniveau als de in deze verkenning toegepaste. De kostenbeschouwingen zijn op basis van indicatieve getallen. Niet voor alle getallen is regionale informatie beschikbaar.
Het verdient aanbeveling deze voor het vervolg te inventariseren. 73 VERKLARENDE WOORDENLIJST Boksloten Waterloop Crux Een onderdeel van het veenweidegebied waar meerdere belangen bij elkaar komen, waar urgentie wordt gevoeld en waar dilemma’s sterk zichtbaar worden. Een crux helpt enerzijds de opgaven specifieker te onderzoeken, en anderzijds ook juist hier de oplossingen te zoeken Deklaagweerstand Weerstand veroorzaakt door een deklaag, waardoor grondwaterstromen worden beïnvloed Drooglegging Hoogteverschil slootpeil t.o.v. maaiveld Indicator Manier om effect te beschouwen; indicatoren helpen om abstracte thema’s toch kwantitatief in beeld te brengen Joint fact finding Gezamenlijk onderzoek Jong ontginningslandschap Grootschalige productielandschappen die relatief recent in gebruik zijn genomen. Kampontginningen Ontginningen op iets minder vruchtbare grond aan de rand van een zandlandschap Klei- ontginningslandschap Open landschap met onregelmatig verkavelingspatroon Kraggenlandschap Landschap bestaande uit trilveen, die ‘kraggen’ vormen met een hoge diversiteit aan vegetatie, zoals riet en veenmossen. Beschermd landschapstypen (habitatrichtlijn) Kwelgebieden Hier stroomt grondwater naartoe Laagveenontginning Open landschap met veenbodems, verkaveling ontstaan door occupatie vanuit de bewoonde hogere randen.
Ontwatering met hoge dichtheid aan sloten en vaarten Maten- en flieren landschap Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs beken, in de natuurlijke laagten, heeft ontwikkeld Mediaan Gemiddelde (de mediaan is de middelste waarde in een reeks getallen die gerangschikt zijn naar grootte) Oeverwal ontginningslandschap Hoger gelegen zandgronden met onregelmatige verkaveling Peilvak Een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd Systeemmaatregelen Maatregelen met effect op het watersysteem/ hydrologische systeem van een gebied Veenoxidatie Veenoxidatie is in het beschouwde gebied de belangrijkste oorzaak van bodemdaling.
Oxidatie treedt op in veen boven het grondwaterniveau waar de toetredende zuurstof reageert met het organische materiaal en omzet in CO2 en nutriënten die op den duur uitspoelen, waardoor het bodemvolume afneemt en de bodem daalt (zie ook de beschrijving van de opgave in het hoofdrapport) Wateropgave De ruimtelijke en technische maatregelen die nodig zijn om de watersystemen op orde te brengen of te houden (te voldoen aan de in het kader van het Nationaal bestuursakkoord Water (NBW) afgesproken normen voor wateroverlast welke nader zijn uitgewerkt in de provinciale Waterverordening) Wegzijging Het grondwater stroomt hier weg naar omliggende gebieden met lagere grondwaterstanden Werkscenario’s Deze scenario’s zijn opgebouwd aan de hand van drie fundamentele denkrichtingen met de daarbij behorende mix van robuuste en beproefde maatregelen, waarbij bij elk van deze scenario’s de klimaatverandering is meeberekend. De werkscenario's zijn illustratief maar hypothetisch; in de praktijk gaat het om maatwerk 74