CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

30.3 Uitgangspunten GGA NW Overijssel - bijlage 2b Almanak WeerribbenWieden.pdf

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken16.306 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1 Almanak DEELGEBIED WEERRIBBEN-WIEDEN EN OMGEVING BIJLAGE 1 Deelgebied: Weerribben-Wieden en omgeving Deelgebied: Staphorsterveld Deelgebied: Mastenbroek-Kamperveen

2 COLOFON Bodemdaling in het veenweidegebied van Overijssel Versie: 2.0 Status: Definitief Datum: Juni 2020 Opdrachtgever: Provincie Overijssel/Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) Projectnummer: 17i377 Partners: Infram, in samenwerking met ORG-ID Auteurs: Goswin van Staveren, Flore Bijker, Lisa Naus, Geert de Vries (Infram), Roelof Westerhof (ORG-ID) en Wilbert Berendrecht (Berendrechtconsultancy) Veranderingen versie 2.0 ten opzichte van versie 1.0: Opmerkingen, aanscherpingen en aanvullingen door gemeentes, natuurbeheerorganisaties, LTO en agrariërs 3 Almanak BIJLAGE 1 DEELGEBIED WEERRIBBEN-WIEDEN EN OMGEVING 4

5 INHOUDSOPGAVE 7 23 29 33 37 59 72 73 p. 1. Introductie gebied: ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke waarden 2. Huidige situatie: systeembeschrijving 3. Cruxen in Weerribben-Wieden en omgeving 4. Ontwikkeling bodemdaling bij werkscenario Doorgaan (autonome situatie) 5. Ontwikkeling bodemdaling bij werkscenario’s Remmen en Stoppen 6. Effecten werkscenario’s Lacunes en leemten in kennis Verklarende woordenlijst 6 Hoofdstuk 1 7 INTRODUCTIE GEBIED: ONTSTAANSGESCHIEDENIS EN RUIMTELIJKE WAARDEN In dit hoofdstuk staan de ontstaansgeschiedenis en de waarden van het gebied centraal. Deze waarden worden in de indicatieve effectbepaling in dit rapport gebruikt. Voor een uiteindelijke afweging van maatregelen dienen de waarden voor natuur, cultuurhistorie, landschap, landbouw, recreatie en leefbaarheid specifieker in beeld worden gebracht. Deze zijn al deels beschreven in andere rapporten en analyses, maar zullen ook verder onderzocht worden gedurende het gebiedsproces.

8 Kraggen- landschap Kraggen- landschap Kraggen- landschap Laagveen- ontginningslandschap: veenpolders Essenlandschap Kampontginningslandschap Jong ontginningslandschap Klei-ontginnings- landschap Jong ontginningslandschap • open, rationeel verkaveld, grote kavels, grootschalige landbouw Kraggenlandschap • afwisselend landschap met opgaande vegetatie en open water • hoge natuurwaarden • recreatie • extensieve landbouw, duurzaam natuurbeheer (o.a. rietteelt) Laagveenontginnings- landschap • open landschap, langgerekte smalle kavels, hoge dichtheid aan sloten, lintbebouwing • deels afgegraven (turfwinning) en ingepolderd Kampontginningslandschap • afwisselend landschap, onregelmatige blokverkaveling • agrarisch gebruik, grotere • kernen Klei-ontginningslandschap • open landschap, smalle kavels met veel ontwateringssloten • grenst aan voormalige Zuiderzee, agrarisch gebruik • klei-op-veen gebied Vollenhove Staphorsterveld Kuinre Steenwijk Giethoorn Blokzijl Meppel RUIMTELIJKE EENHEDEN, RUIMTELIJKE WAARDEN 9 ONTSTAANSGESCHIEDENIS EN RUIMTELIJKE WAARDEN Dit deelgebied bestaat uit de veengebieden van Noordwest Overijssel, gelegen tussen de Noordoostpolder aan de westzijde, en de hoge zandgronden tussen Meppel en Steenwijk aan de oostzijde. Dit uitgestrekte veengebied is ontstaan in samenhang met de veengebieden van Mastenbroek en Staphorsterveld. Vanaf ca. 5000 voor Chr.

bedekten laagveenmoerassen het overgrote deel van het huidige Friesland, Groningen en Overijssel. Ook in het uitgestrekte, laaggelegen gebied tussen de hoger gelegen stuwwallen van Steenwijk en Vollenhove ontstonden moerassen, waarin zich dikke lagen veen ontwikkelden door de ophoging van organische stof. De veenvorming ging door tot omstreeks het jaar 1000 na Chr. Op de hogere gronden en stuwwallen ontstond in de vroege Middeleeuwen de eerste bewoning; vervolgens is van hieruit de rest van het gebied langzaam ontgonnen. Omstreeks 1300 werden de eerste zeedijken aangelegd om het land te beschermen tegen de Zuiderzee. Geomorfologie en landschapstypen Het deelgebied kenmerkt zich door grote geomorfologische en landschappelijke diversiteit. Aan de oostkant liggen de hoger gelegen zandgebieden en stuwwalcomplexen met kampontginningen; drogere gebieden waar kleinschalige akkerbouw te vinden is. Vollenhove ligt ook op een hoger gelegen stuwwal en heeft een vergelijkbaar landschap en landgebruik. Deze hogere gebieden vormen de basis van de ontginningen van het ooit natte, onbegaanbare laagveengebied. Tussen Steenwijk/Meppel en Kuinre/Vollenhove ligt het uitgestrekte laagveenlandschap. Naast agrarisch gebruik en veeteelt werden vanaf de veertiende eeuw grote delen van dit gebied verveend, waardoor een zogenaamd kraggenlandschap is ontstaan.

In eerste instantie werd turf, een belangrijke brandstof, gestoken op de hogere plekken van de regio waar de veenlagen boven de grondwaterspiegel lagen. Al snel ging men over op natte vervening, waarbij de turf met een baggerbeugel omhoog geschept werd. Hierdoor veranderde het landschap langzaam in een uitgestrekt gebied van petgaten (waar het veen uit werd gestoken), legakkers (waar de turf te drogen werd gelegd) en open water. Grote stukken bleven nat en werden gebruikt voor de rietteelt, een handel die een hoogtepunt bereikte in de negentiende eeuw. Een groot deel van dit kraggenlandschap is inmiddels beschermd als natuurgebied. In natuurgebied de Weerribben-Wieden zie je de verschillende stadia van het turfsteken nu nog terug. Pas in de twintigste eeuw zijn er delen van de veenplassen drooggelegd tot veenpolders en voor de landbouw ingericht: de Polder Halfweg, Polder Wetering-Oost, Polder Wetering-West, Polder Gendringen en Polder Giethoorn. In deze veenpolders is door het afgraven van het veen nog maar weinig veen over. Aan de westrand heeft de Zuiderzee tijdens overstromingen een laagje klei achtergelaten op het aanwezige veen (zie ook p. 24). Als bescherming tegen de zee werd een dijk aangelegd, nu nog steeds zichtbaar als een kronkelende dijk tussen de inmiddels ingepolderde Noordoostpolder en het ‘oude land’.

Erlangs liggen historische stadjes die vroeger leefden van de zee, zoals Blokzijl, Kuinre en Vollenhove. In deze randzone heeft geen vervening plaatsgevonden, maar is het gebied na ontwatering gebruikt voor in eerste instantie akkerbouw en later vooral veeteelt. Hierdoor is hier een klei- ontginningslandschap ontstaan, met een kenmerkend langgerekt kavelpatroon met veel sloten. De ontginning van de veengebieden, waardoor het drassige land begaanbaar werd en in gebruik kon worden genomen, gebeurde door het land te ontwateren. Hierdoor wordt het proces van bodemdaling in gang gezet: er komt zuurstof in het bovenste gedeelte van de bodem waardoor het veen oxideert. Dit proces is bij de eerste ontwatering, rond de 5e eeuw, in gang gezet en duurt tot op de dag van vandaag. De veenlandschappen: ruimtelijke karakteristieken en waarden Het kraggenlandschap in het laagveenlandschap is zoals hierboven beschreven ontstaan door de winning van turf. Inmiddels zijn deze gebieden benoemd tot natuurgebied en hebben ze zowel een belangrijke ecologische, waterstaatkundige en recreatieve waarde. Cultuurhistorisch en ecologisch is het kraggenlandschap bijzonder waardevol: de verschillende stadia van vervening zijn nog herkenbaar en er is een hoge biodiversiteit. De stadia worden in stand gehouden door uitgekiend landschapsbeheer.

De Weerribben-Wieden zijn daarnaast recreatief gezien een nationale en internationale trekpleister; in de zomer zijn er veel watersportmogelijkheden, in de winter kan er geschaatst worden in het doolhof van petgaten en legakkers. De dorpen hebben nog steeds een sterke link met het water en er is een uitgebreid netwerk van kanalen en turfvaarten. 10 HUIDIG LANDGEBRUIK De kaart links toont een momentopname van het landgebruik in het gebied. De data is afkomstig uit het landelijk register (LGN6). Het landgebruik is overheersend agrarisch gras. De Weerribben-Wieden vormen een uitgestrekt natuurgebied. De veenpolders (midden van de kaart) hebben een wisselend landgebruik van agrarisch gras en akkerbouw. Legenda Vanuit de lucht is het karakteristieke patroon van petgaten (weren) en legakkers (ribben) goed te zien. © Joop Schaminée Vanuit de lucht is de kronkelende Zuiderzeedijk goed te zien, met wielen - overblijfselen van dijkdoorbraken - en boerderijen. Bron: areophotostock.com. Rechts: drukte in de Weerribben-Wieden. Bron: rtvoost.nl

11 De klei-op-veengebieden liggen tussen de Weerribben-Wieden en de zeedijk in. De klei-op-veengebieden zijn rationeel ingericht, met langgerekte kavels en een dicht slotenpatroon. De kenmerkende openheid, begrensd door enerzijds de kronkelende oude zeedijk met historische Zuiderzee stadjes en anderzijds de grote natuurgebieden van de Weerribben-Wieden vormt een geheel dat vooral door bewoners sterk gewaardeerd wordt. De zuiderzeedijk is daarnaast een belangrijk bewonerslint en een recreatieve lijn met bijzondere cultuurhistorische elementen, zoals de wielen die getuigen van dijkdoorbraken en de historische havenstadjes. De diepe veenpolders ten oosten van de Weerribben-Wieden kenmerken zich door hun openheid, relatief grote kavels door goede ontwatering en verspreide bebouwing. Ruimtelijk gezien is hier, afgezien van de laanstructuren langs de hoofdwegen, relatief weinig diversiteit. Landbouw Bij de eerste ontginning van het veengebied lag het gebied nog zo hoog dat akkerbouw mogelijk was. Door de bodemdaling, veroorzaakt door de ontwatering van het veen, werd het land al snel te nat en ging men over op veeteelt en zuivelproductie (de klei-op- veengebieden), of turfwinning.

Het economische belang van turfsteken, rietteelt en de visserij leidden ertoe dat de grote droogmakerijen in het gebied pas in de twintigste eeuw tot stand kwamen: de polders Wetering-Oost en Wetering-West pas in 1960. Deze veenontginningen zijn nog steeds grotendeels in agrarisch gebruik met grasland, daar waar de veenlaag heel dun is of zelfs niet aanwezig wordt o.a. mais verbouwd. Melkveebedrijven zijn er in verschillende vormen die bijvoorbeeld afhangen van de visie van de boer op het bedrijf. Sommige bedrijven zijn grondgebonden, kopen weinig voer aan en hoeven weinig mest af te voeren, terwijl andere bedrijven veel koeien hebben per hectare en daarvoor voer kopen en mest afvoeren. Sommige bedrijven doen veel aan weidegang en andere minder, hetzelfde geldt voor weidevogelbeheer. De overeenkomst is dat ze allemaal gras produceren om aan de koeien te voeren en soms wat mais. Op basis van landelijke gegevens is er wel iets te zeggen over een gemiddeld melkveebedrijf. Ongeveer 50% van de melkveebedrijven in Nederland heeft een standaardopbrengst tussen de 250.000 en 500.000 euro en een standaardverdiencapaciteit van 99.000 euro. Zo’n bedrijf heeft ongeveer 50 hectare grond en ongeveer 90 koeien. Ongeveer 25% van de melkveebedrijven is groter dan dit gemiddelde en ongeveer 25% van de melkveebedrijven is kleiner .

Natuur Er zijn in de Noordwest-Overijsselse veengebieden twee belangrijke typen natuur: de moerasnatuur (trilvenen, petgaten, moerasbos, rietlanden en open water) en de veenweidenatuur (weidevogels en bloemrijke graslanden). De Weerribben-Wieden vormt het grootste laagveenmoeras van Europa en bestaat uit een uitgestrekt gebied met meren en kanalen, uitgeveende trekgaten, onvergraven legakkers van wisselende breedte, grotere percelen niet-vergraven veen, verlandend water, trilveen rietlanden, graslanden, ruigteterreinen en moerasbossen. Alle successiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Het is een Natura2000 gebied met bijbehorende doelen en ambities. 12 HUIDIG LANDGEBRUIK HUIDIG LANDGEBRUIK De hoogtekaart van het aandachtsgebied in meters ten opzichte van NAP. De hoger gelegen zandgronden in het noordoosten en de keileembult bij Vollenhove vallen op (felrood), net als de veel lager gelegen Noordoostpolder en de iets lager gelegen landbouwgebieden rondom Scheerwolde (blauwtinten). Ook is (subtiel, zie groene begrenzing) te zien dat de Weerribben-Wieden iets hoger ligt dan haar omgeving. De rand van de Weerribben-Wieden, en op de voorgrond watersport. Legenda -3.5m NAP 0 NAP +3.5m NAP Bron: ahn Noordoostpolder Weerribben-Wieden Vollenhove

13 Bebouwing De havenplaatsen aan de voormalige Zuiderzee, zoals Kuinre, Blokzijl en Vollenhove, waren belangrijk voor de handel in en de doorvoer van producten uit het achterland. Sinds de inpoldering van de Noordoostpolder zijn ze ingesloten door land. Langs de dijk staat verspreide bebouwing. De dorpen in de veengebieden hebben een andere ontstaansgeschiedenis; door de bodemdaling was men vaak na enige tijd gedwongen de dorpen te verplaatsen naar de hoger gelegen delen van het veen. Soms is de oude plek van de dorpen nog in het terrein terug te vinden in de vorm van een reeks lage terpjes of een oud kerkhof. Wanneperveen bijvoorbeeld is twee keer verplaatst, Giethoorn waarschijnlijk drie keer. De veendorpen bestaan uit een oude kern van lintbebouwing. De bebouwing in de veenpolders is nieuwer en verspreid. Recreatie Grote delen van de moerasgebieden zijn in beheer bij de terreinbeherende organisaties: Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Deze gebieden hebben grote aantrekkingskracht op recreanten. Er zijn diverse recreatieve fiets-, wandel- en vaarroutes met de unieke natuur als decor. De toeristische trekpleister Giethoorn en historisch aantrekkelijke Zuiderzeestadjes als Blokzijl, Vollenhove, Kuinre en Zwartsluis zijn gelegen aan de randen van de natuurgebieden.

Vanaf pagina 14 is op een reeks historische kaartbeelden te zien hoe dit gebied is ontwikkeld, vervolgens geeft een fotoreeks een indruk van de huidige situatie. Het westelijke deel bestaat uit voornamelijk veenmosveen en trilveen met kleiafzettingen, het centrale deel uit veenmosveen zonder kleiafzettingen en het oostelijke deel uit zeggeveen dat wordt gekenmerkt door een (steeds verder afnemende) invloed van grondwater. Het westelijke en centrale deel staan niet onder invloed van kwel. Vooral in het westelijke deel vinden bevloeiingen plaats ten behoeve van de rietteelt, die zorgen voor aanvoer van basenrijk oppervlaktewater. Elk deelgebied heeft zijn eigen vegetatiekundig karakter en bepaalde soorten zijn min of meer beperkt tot een van deze deelgebieden. Het gebied is een belangrijk leefgebied voor diverse broedvogels zoals de Roerdomp, de Purperreiger en de Bruine Kiekendief. Ook zijn er veel insecten, waaronder de Grote Vuurvlinder (een ondersoort die nergens anders ter wereld voorkomt). De herstelmaatregelen voor de Natura2000-gebieden De Wieden en Weerribben richten zich de komende tijd vooral op het afgraven van grond, het ontwikkelen van moerasgronden en blauwgrasland, het schrapen van rietland en het ontbossen van dichtgegroeide petgaten.

Verder is het de bedoeling om nieuwe petgaten te graven waardoor de verschillende stadia van ‘verlanding’ van het laagveen in het landschap worden behouden. In Weerribben-Wieden e.o. ligt ook een aantal belangrijke weidevogelgebieden. Vogelsoorten zoals de grutto, wulp, kievit en tureluur komen hier plaatselijk nog in hoge dichtheden voor. Voor weidevogels is onder meer een hoge (voorjaars) grondwaterstand van groot belang voor een geschikte leefomgeving met voldoende voedsel. Andere factoren die van belang zijn voor de weidevogelgebieden zijn het beheer van de graslanden en de mate van openheid van de graslanden. 14 1. LEREN VAN DE HISTORIE: REIS DOOR DE TIJD - OMSTREEKS 1850 Schut- en grafkampen - verveend en grotendeels open water Vervening Vervening Plassen onstaan door wegslaag smalle ribben Vervening Ontwatering Vóór de vervening lag hier grotendeels een veenpakket, ter dikte van 2.5 á 3.5 m, aan de oever van de Zuiderzee afgedekt met een kleilaagje. De ontwatering en vervening is rond 1300 al gestart en vanaf 1600 op grote schaal. Na de vervening blijven smalle ribben en trekgaten achter; deels groeien de trekgaten weer dicht: verlanding. Verlande gebieden worden soms als hooiland gebruikt, of als weide voor jongvee of schapen. 15 1.

LEREN VAN DE HISTORIE: REIS DOOR DE TIJD - OMSTREEKS 1850 LEREN VAN DE HISTORIE: REIS DOOR DE TIJD - OMSTREEKS 1900 Deels verland, deels rietsnijden. Smalle langgerekte veenverkaveling Eerste polder deels verland, deels rietsnijden Het grote middengebied wordt ontwaterd, door middel van smalle, langgerekte verkaveling. Naast vervening in hooiland wordt in het gebied ook op grote schaal riet gesneden. Het riet dat in de trekgaten groeit wordt hierbij geoogst en vooral gebruikt als dekriet. Bij Giethoorn wordt de eerste polder aangelegd. 16 Noordoostpolder drooggelegd Inpoldering LEREN VAN DE HISTORIE: REIS DOOR DE TIJD - OMSTREEKS 1950 De Noordoostpolder wordt drooggelegd in 1942. Een deel van het natte kraggenlandschap wordt drooggelegd tot veenpolders. In de rest van het gebied komt de turfwinning ten einde en gaat men over op rietsnijden en extensief gebruik van de grond voor hooi, en begrazing. 17 LEREN VAN DE HISTORIE: REIS DOOR DE TIJD - OMSTREEKS 1950 Inpoldering Inpoldering LEREN VAN DE HISTORIE: REIS DOOR DE TIJD - OMSTREEKS 1960 De inpoldering gaat door; agrarisch grondgebruik neemt toe. Een deel van de omliggende veengebieden wordt opgekocht door Natuurmonumenten. Rond 1950/1960 beleeft de rietsnijderij een crisis door verdroging, veroorzaakt door de aanleg van de IJsselmeerpolders.

Door water uit natte (niet-omkade) gebieden naar binnen te pompen, wordt dit opgelost. Ook visserij en eendenkooien zorgen voor inkomstenbronnen. 18 Recreatie Natuurontwikkeling en recreatie LEREN VAN DE HISTORIE: REIS DOOR DE TIJD - OMSTREEKS 2000 Recreatie en natuurontwikkeling nemen beide sterk toe. In 1992 wordt nationaal park Weerribben-Wieden opgericht: het grootste aaneengesloten laagveenmoeras van Noordwest Europa 19 LEREN VAN DE HISTORIE: REIS DOOR DE TIJD - OMSTREEKS 2000 Agrarisch gebied rond Scheerwolde 20 Weerribben-Wieden - laagveenmoeras

21 bufferzones ingericht als natuurgebieden

22 Hoofdstuk 2 23 Hoofdstuk 2 HUIDIGE SITUATIE: SYSTEEMBESCHRIJVING Om de huidige ontwikkelingen en mogelijke toekomstscenario’s met betrekking tot bodemdaling te helpen doorgronden en te duiden, wordt in dit hoofdstuk een systeembeschrijving van dit deelgebied gegeven. Het systeem bestaat enerzijds uit aanwezige bodems en bodemsoorten (waar bevindt zich veen, en hoe dik is het pakket?) en anderzijds uit het gedrag van het grondwater in deze lagen, aangezien de dynamiek van grondwater een belangrijke rol speelt bij bodemdaling. 24 BODEMTYPEN: VEEN, KLEI OP VEEN De kaart toont een onderverdeling van de veengebieden in dit deelgebied in twee bodemtypen: veen direct aan het oppervlak (lichtpaars) en veen met daarbovenop een kleilaag (donkerpaars). Overige bodemtypen zijn kleurloos gelaten. De aanwezige kleilaag langs de rand van de Noordoostpolder, de voormalige Zuiderzee, is afgezet door overstromingen vanuit deze Zuiderzee. De twee boorprofielen in de kaart geven een voorbeeld van de bodemopbouw in elk van de twee bodemtypen. In de praktijk is de bodembouw vrij divers binnen bodemtypen. Desondanks is de onderverdeling nuttig omdat de snelheid van veenoxidatie principieel verschilt tussen veen met klei erop en veen zonder klei. De doorsnede (onder) laat de opbouw van het landschap in Weerribben-Wieden e.o. zien.

Hierin is duidelijk te zien dat de Noordoostpolder een stuk lager ligt dan het ‘oude land’. De dikke laag veen tussen de oude dijk aan de westzijde (links) en het Drents plateau aan de oostzijde (rechts) is deels afgegraven en ingepolderd. In de doorsnedes en de boorprofielen is ook de dikte van het veen te zien. Onder de veenlaag bevindt zich een zandige laag. Klei op veen Veen Legenda ~400 cm -mv ~400 cm -mv ~90 cm -mv ~50 cm -mv ~320 cm -mv veen veen Boorprofiel Boorprofiel Veen zand zand klei Noordoostpolder Polders ScheerwoldeWeerribben- Wieden Drents Plateau Veen Klei op ` Zand Veen Klei op ` Zand Noordoostpolder Weerribben - Wieden Polders Drents Plateau Noordoost-polder Weerribben- Wieden Polders Drents Plateau veen veen Doorsnede A- A’ A A’ 25 VEENDIKTE: HUIDIGE SITUATIE Deze kaart toont een indicatie van de huidige dikte van het veen. Diktes minder dan 40 cm worden niet getoond. De reden hiervoor is dat tussen bodeminventarisatie en de huidige situatie zoveel tijd kan liggen, dat het veen inmiddels verdwenen is. Bij het maken van de veendiktekaart is gebruik gemaakt van boringen die tot zeker 20 jaar geleden zijn gedaan. In de tussentijd kan veel veen verdwenen zijn, vooral in de gebieden met grote drooglegging. Het is sterk aanbevolen om de veendiktekaart te verifiëren tijdens verdere uitwerking van handelingsperspectieven in toekomstige gebiedsprocessen.

Uit de kaart blijkt dat aan de westrand van het deelgebied en in de natuurgebieden de dikste veenpakketten liggen. Deze zijn het dikst omdat het meeste veen in het holoceen werd afgezet op de relatief ongestoorde laag-dynamische vlaktes achter de kustlijn van de voormalige Zuiderzee. Wel zijn op diverse plaatsen gaten in het veen vanwege overstroming vanuit zee, waardoor het veen op diverse plaatsen geheel of gedeeltelijk is weggeslagen. De dikte van het veen neemt af richting het oosten, waar uiteindelijk de zandige laag aan het oppervlak komt (zie ook de doorsnede op de vorige pagina). Ook is op de kaart te zien dat in de polders rondom Scheerwolde het veenpakket aanzienlijk dunner tot geheel verdwenen is door de turfwinning die heeft plaatsgevonden. In het natuurgebied Weerribben-Wieden is het veenpakket meerdere meters dik op die plaatsen waar geen ontgravingen hebben plaatsgevonden. De ontgravingen zijn zichtbaar als plassen in het landschap; hier is het veen verdwenen. De dikte van het veenpakket is te verklaren uit de laag-dynamische positie van de veenmoerassen maar ook doordat het gebied nooit intensief landbouwkundig ontgonnen is. Het heeft altijd ‘natte’ omstandigheden gekend. De doorsnede (onder) geeft de situatie weer bij de randzone naast de Noordoostpolder. Hier is ook de kleilaag op aangegeven (donkerpaars), en de peilgebieden met de bijbehorende peilen.

Deze doorsnede zal in het vervolg van dit beeldverhaal nog vaker terugkomen. -0.78m NAP-1.4m NAP Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben DOORGAAN 2020 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v. NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 Noordoostpolder Polders ScheerwoldeWeerribben- Wieden Legenda geen veen of < 40cm 150 tot 200 cm veen 100 tot 150 cm veen 200 tot 250 cm veen 70 tot 100 cm veen 250 tot 300 cm veen 40 tot 70 cm veen > 300 cm veen Doorsnede A- A’ A A’ 26 GRONDWATERSITUATIE (I) Deze kaart en bijbehorende doorsnede geven de huidige grondwatersituatie weer. In de bruinige gebieden vindt wegzijging plaats; het grondwater stroomt hier weg naar omliggende gebieden met lagere grondwaterstanden. De blauwgroene gebieden zijn de kwelgebieden; hier stroomt grondwater naartoe. Een belangrijke karakteristiek van de hydrologie in dit gebied is enerzijds de aanwezigheid van het Drents Plateau met hoge grondwaterstanden aan de oostkant en anderzijds de Noordoostpolder (westkant) en de Friese polders (noordkant) met beide lage grondwaterstanden. De stroming op grote schaal is hierdoor oost-west gericht. Dit is weergegeven op de doorsnede links; de grote grondwaterstromingen zijn de dikke pijlen. Een andere belangrijke hydrologische karakteristiek voor het gebied van Weerribben-Wieden e.o.

is het feit dat het Weerribben-Wieden systeem een hoger peil heeft dan de directe omgeving. De Weerribben-Wieden vormen onderdeel van het boezemsysteem en hebben een zomerpeil van -0,73m NAP en een winterpeil van -0,83m NAP. Gemiddeld is het peil -0,78m NAP. In de directe omgeving van de Weerribben liggen polders met lagere grondwaterstanden dan de Weerribben. Aan de westkant variëren de polderpeilen van -1 tot -1,5 m NAP aan de oostkant van -1m NAP tot -3m NAP in enkele zeer diepe polders. Door deze peilverschillen vindt lokaal stroming plaats, waardoor water vanuit de Weerribben of het hogere land als kwel omhoog komt in de laagste polders. In de polders tussen de Noordoostpolder en de Weerribben vindt daardoor kwel plaats aan de oostelijke kant van de polders en wegzijging aan de westelijke kant. Dit is weergegeven in doorsnede A-A’ en met de blauwe pijlen op de kaart. In het oostelijk deel concentreert de kwel zich op de paar zeer diepe polders (blauwe vlekken op de kaart). Voor het overige deel is er sprake van wegzijging veroorzaakt door de grotere grondwaterstroming van oost naar west. In het grootste deel van de veengronden vindt dus wegzijging plaats. De consequentie hiervan is dat de grondwaterstanden in droge periodes niet alleen dalen door verdamping, maar ook door wegzijging.

Legenda Weerribben-Wieden doorsnede B - B’ doorsnede A - A’ doorsnede C-C’ mv: -0.5 mv: -0.75 mv: -1.25 mv: -0.85 mv: -1.50 boezem: +0.8 mv: -3 mv: -0.5 dijk: +4.5 peil: -0.78 peil: -0.78 peil: -0.78 peil: -2.6 peil: -2.4 peil: -5.15 peil: -1.4 peil: -0.78 peil: -2.0 mv: -2.0 Polders Scheerwolde Weerribben- Wieden Polder Polder Plas-dras Weerribben-Wieden Noordoostpolder randzone Weerribben-Wieden doorsnede B - B’ doorsnede A - A’ doorsnede C-C’ mv: -0.5 mv: -0.75 mv: -1.25 mv: -0.85 mv: -1.50 boezem: +0.8 mv: -3 mv: -0.5 dijk: +4.5 peil: -0.78 peil: -0.78 peil: -0.78 peil: -2.6 peil: -2.4 peil: -5.15 peil: -1.4 peil: -0.78 peil: -2.0 mv: -2.0 Polders Scheerwolde Weerribben- Wieden Polder Polder Plas-dras Weerribben-Wieden Noordoostpolder randzone Weerribben-Wieden doorsnede B - B’ doorsnede A - A’ doorsnede C-C’ mv: -0.5 mv: -0.75 mv: -1.25 mv: -0.85 mv: -1.50 boezem: +0.8 mv: -3 mv: -0.5 dijk: +4.5 peil: -0.78 peil: -0.78 peil: -0.78 peil: -2.6 peil: -2.4 peil: -5.15 peil: -1.4 peil: -0.78 peil: -2.0 mv: -2.0 Polders Scheerwolde Weerribben- Wieden Polder Polder Plas-dras Weerribben-Wieden Noordoostpolder randzone Doorsnede A- A’ Doorsnede B- B’ Doorsnede C- C’ A B C C’ A’ B’ meer dan 2 mm wegzijging grondwaterstroom peilvakken met bijbehorend peil Drents plateau Noordoostpolder Friese polders wegzijgingwegzijging wegzijging wegzijging wegzijging wegzijgingkwel kwel kwel

kwelkwel intermediair 0.5 tot 1 mm 0.5 tot 1 mm 1 tot 1.5 mm 1 tot 1.5 mm 1.5 tot 2 mm 1.5 tot 2 mm meer dan 2 mm kwel Veen Klei op ` Zand Veen Klei op ` Zand Noordoostpolder Weerribben - Wieden Polders Drents Plateau Noordoost-polder Weerribben- Wieden Polders Drents Plateau veen veen -0.78 -0.78 -1.15 -1.13 -2.7 -3.1 -2.68 -0.78 -0.78-2.6 -1.53 -1.32 -1.4 -1.57-1.6 -1.6 -0.78 -1.23 -1.1 -0.5 +1.27 27 GRONDWATERSITUATIE (I) Gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) Legenda 0 tot 30 cm 120 tot 150 cm 90 tot 120 cm 60 tot 90 cm 30 tot 60 cm Legenda 0 tot 30 cm 120 tot 150 cm 90 tot 120 cm 60 tot 90 cm 30 tot 60 cm Waterbalans zomer Waterbalans winter maaiveld drooglegging: afstand slootpeil t.o.v. maaiveld * peil: afstand slootpeil t.o.v. NAP GHG: gemiddeld hoogste grondwaterstand GLG: gemiddeld laagste grondwaterstand Waterbalans zomer Waterbalans winter maaiveld drooglegging: afstand slootpeil t.o.v. maaiveld * peil: afstand slootpeil t.o.v. NAP GHG: gemiddeld hoogste grondwaterstand GLG: gemiddeld laagste grondwaterstand Waterbalans zomer Waterbalans winter maaiveld drooglegging: afstand slootpeil t.o.v. maaiveld * peil: afstand slootpeil t.o.v.

NAP GHG: gemiddeld hoogste grondwaterstand GLG: gemiddeld laagste grondwaterstand GRONDWATERSITUATIE (II) Deze twee kaarten geven de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG, boven) en de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG, onder) weer. In de principeprofielen naast de kaarten worden deze begrippen toegelicht; de grondwaterstand is afhankelijk van de grondwaterstromen (op kleine schaal, van en naar de sloten, maar ook op grotere schaal, zie vorige pagina) en van de balans tussen verdamping en neerslag. Hierbij spelen verschillende factoren een rol, zoals het peil in de sloten dat beïnvloed wordt door waterbeheer, en het landgebruik dat de hoeveelheid verdamping/ neerslag beïnvloedt. Over het algemeen is er in de zomer meer verdamping dan neerslag en zakt het grondwater uit. Deze uitzakking is het grootst tussen de sloten in, zoals in de schets ‘waterbalans zomer’ is weergegeven. Dit is een zogenaamde ‘inbollingssituatie’. De GLG1 is de grondwaterstand die past bij deze situatie, en dan in een relatief droge zomersituatie. In de winterperiode is dit juist andersom; er is meer neerslag dan verdamping. Dit is een zogenaamde ‘opbollingssituatie’ zie het tweede profiel. De GHG1 is de periode die past bij deze situatie en dan in een relatief natte wintersituatie De GLG kaart laat zien dat de natuurgebieden van de Weerribben- Wieden duidelijk natter zijn dan de omliggende gebieden.

Dit komt door uitgekiend waterbeheer, om de omstandigheden voor de aanwezige natuur te optimaliseren. De polders rondom Scheerwolde hebben de laagste GLG, om landbouwkundige omstandigheden te optimaliseren. Door de zandige ondergrond en goede doorlatendheid van de bodem kan hier de grondwaterstand goed worden gecontroleerd via het slootpeil. De GHG van de polders rondom Scheerwolde (zie onderste kaart) is daarom ook in de winterperiode nog relatief laag. De randzone met de klei-op-veen-polders in het gebied tussen de Weerribben-Wieden en de Noordoostpolder is daarentegen nat in de winter (GHG). Dit wordt veroorzaakt door de hoge polderpeilen en relatief kleine droogleggingen. Toch vindt hier veel wegzijging plaats naar de Noordoostpolder hetgeen zichtbaar is in de randzone langs de dijk in de GLG-kaart. 1. De GLG of GHG is een maat voor een droge of natte situatie. De formele definitie is: het bepalen van het gemiddelde van de drie hoogste of laagste grondwaterstanden per jaar voor minimaal 8 aaneengesloten jaren en dan vervolgens deze te middelen tot een enkel getal. 28 Hoofdstuk 3 29 Hoofdstuk 3 CRUXEN IN WEERRIBBEN-WIEDEN EN OMGEVING In het deelgebied is een aantal locaties aan te wijzen waar verschillende opgaven in relatie tot bodemdaling samenkomen. Voor deze verkenning is het interessant in te zoomen op deze crux-locaties (cruxen).

In dit hoofdstuk worden de cruxen beschreven. 30 Polders rondom Scheerwolde: Landbouwgebieden: - veranderende bodemsamenstelling door verdwijnen veen - toename kwel door bodemdaling Natuurgebieden: - verdroging natuurgebied door toename weg- zijging naar lager gelegen landbouwgebied Landbouwgebied klei-op- veen Verdroging door wegzijging naar lagere gebieden Zwartsluis: Optreden van schade aan infrastructuur en mogelijk bebouwing als gevolg van bodemdaling In dit deelgebied is een aantal locaties aan te wijzen waar verschillende opgaven samenkomen. Deze cruxen helpen om enerzijds deze opgaven specifieker te onderzoeken en anderzijds ook juist hier de oplossingen te zoeken. De cruxen liggen dan ook ten grondslag aan de systeembeschrijving en aan de scenario’s die in de volgende hoofdstukken worden beschreven. De cruxen in dit gebied zijn weergeven op de kaart en worden hieronder beschreven. Landbouwgebied klei-op-veen De situatie Tussen de oude dijk langs de Noordoostpolder en het Natura2000- gebied Weerribben-Wieden bevinden zich landbouwgebieden die in gebruik zijn door veehouderijbedrijven (grasland). Het peil in deze gebieden wordt beheerst op een gemiddeld peil van -1,40m NAP en -1,60m NAP. De veendikte varieert van 1 tot meter langs de Weerribben tot 2 meter richting de zeedijk. Delen met een dunner pakket komen voor, vermoedelijk door historische overstromingen uit zee.

Er is overal een kleidek aanwezig bovenop het veenpakket. Richting de zeedijk wordt dit kleipakket dikker van 40 cm tot meer dan 1 meter. De polders bevinden zich naast de Noordoostpolder, waar peilen lager dan -5m NAP voorkomen. Door het peilverschil van 3 tot 4 meter is er grote wegzijging uit de gebieden. Ook treedt er wegzijging op naar de lager gelegen gebieden in Friesland (Rottige Meente), ten noorden van het plangebied. De wegzijging zorgt voor lage GLG’s (grondwaterstanden in de zomer) en leidt tot bodemdaling, vooral op de plekken met weinig kleidek. Tegelijkertijd bevindt zich aan de oostkant van deze polders het natuurgebied, dat in principe op boezempeil wordt gehouden. Het boezempeil varieert hier tussen -0,73m NAP en -0,83 NAP. Hierdoor vindt uit een strook aan de rand van het natuurgebied wegzijging plaats naar zowel de Noordoostpolder alsook naar een deel van de westelijk gelegen landbouwpolders. Door deze wegzijging vindt ook hier bodemdaling plaats. Waarom een cruxgebied Ondanks de relatief hoge oppervlaktewaterpeilen zijgt het water weg uit de percelen en kan er landbouwschade door droogte ontstaan. Meebewegen met de bodemdaling om landbouw mogelijk te houden betekent een groter peilverschil tussen natuurgebied en landbouwpolders.

De consequentie daarvan is dat er nog meer water wegzijgt uit het natuurgebied, waardoor daar de bodemdaling zal toenemen en de natuurwaarden verder onder druk komen. Legenda geen veen of < 40cm 150 tot 200 cm veen 100 tot 150 cm veen 200 tot 250 cm veen 70 tot 100 cm veen 250 tot 300 cm veen 40 tot 70 cm veen > 300 cm veen Veendikte 2020 CRUX: EEN ONDERDEEL VAN HET VEENWEIDEGEBIED WAAR MEERDERE BELANGEN BIJ ELKAAR KOMEN, WAAR URGENTIE WORDT GEVOELD EN WAAR DILEMMA’S STERK ZICHTBAAR WORDEN 31 In de huidige situatie is de landbouw economisch gezien niet optimaal. Daarnaast is er sprake van bodemdaling in het natuurgebied. Aanpassingen aan het peil in het landbouwgebied leiden ofwel tot meer schade voor het landbouwgebied (bij verhoging van het peil) ofwel tot meer schade voor voor het natuurgebied (bij verlaging). De betrokken partijen • Agrariërs in het klei-op-veen-gebied • Waterschap Drents Overijsselse Delta • Staatsbosbeheer als natuurbeheerder van de Weerribben • Provincie Overijssel • Wetterskyp Fryslan Polders rondom Scheerwolde De situatie Ten oosten van de Weerribben en ten noorden van de Wieden bevindt zich een aantal landbouwpolders. Er vindt hier afwisselend veeteelt op gras en akkerbouw plaats. Het veen is in deze polders voor een belangrijk deel verdwenen. Deels komt dit door afgraving.

Sommige afgravingen zijn ingepolderd waardoor er een aantal polders met lage polderpeilen is. De polders rondom Scheerwolde zijn laaggelegen met peilvakken variërend van -1.5m NAP tot -3m NAP. Vooral deze diep gelegen polders hebben sterke kweldruk vanuit de omgeving. Aangezien de natuurgebieden op boezempeil liggen (-0.73m tot -0.83m NAP) zijgt er water weg uit de natuurgebieden naar de laaggelegen polders. Door het lage peil van de polders is er sprake van snelle bodemdaling door veenoxidatie. Het vermoeden is dat voor sommige delen in Scheerwolde het veen is verdwenen, waardoor de bodem niet meer verder daalt. Het is hier van groot belang om de actuele bodemopbouw te gebruiken bij het verdere gebiedsproces. Binnen een aantal decennia zal, bij ongewijzigd beleid, het veen in de landbouwgebieden verdwenen zijn. Een beleid van ‘peil volgt bodemdaling’ leidt tot grotere peilverschillen tussen natuurgebied en landbouwgebied, waardoor én de wegzijging en uit de natuurgebieden én de bodemdaling zal toenemen. Op diverse plaatsen langs de Weerribben zijn ‘buffers’ ingericht met een hoger oppervlaktewaterpeil met als bedoeling de wegzijging uit het natuurgebied te remmen. Waarom een cruxgebied De wegzijging uit het natuurgebied leidt tot verdroging en een bedreiging van de natuurwaarden. Dit speelt nu al.

Tegelijkertijd moet voor de landbouw een voldoende laag peil in stand worden gehouden om goed te kunnen blijven boeren. Peilverhoging in de landbouwgebieden leidt tot economische schade voor de landbouw. Peilverlaging of voortzetten van huidig beleid leidt tot schade aan de natuurwaarden. Er staat daardoor druk op een optimaal waterbeheer en ruimtelijke inrichting van de gebieden. Oplossingen als buffers zijn niet overal makkelijk realiseerbaar, bijvoorbeeld omdat het stedelijk gebied van Giethoorn grenst aan het natuurgebied. De betrokken partijen • Agrariërs in het klei-op-veen-gebied • Waterschap Drents Overijsselse Delta • Staatsbosbeheer als natuurbeheerder van de Weerribben • Natuurmonumenten als natuurbeheerders van de Wieden • Gemeente Steenwijkerland in verband met inpassingsvraagstukken • Provincie Overijssel Zwartsluis De situatie In het bebouwde gebied van Zwartsluis, gemeente Zwartewaterland, is sprake van verzakking van tuinen, wegen en mogelijk bebouwing. Er is geen inventarisatie beschikbaar maar het is bekend bij de gemeente dat dit speelt. De verzakkingen zorgen voor ongemak en leiden bovendien tot extra kosten in het beheer en onderhoud van wegen, leidingen, riolen en overige openbare ruimte. Het stedelijk gebied van Zwartsluis heeft eigen peilvakken met een hoger peil dan de agrarische gebieden van de polder Mastenbroek.

In de oude delen van Zwartsluis wordt weinig veen verwacht in de bovenste meter van de ondergrond; dit komt mogelijk door gebrek aan data, aangezien Zwartsluis niet op een rivierduin is gesticht en veen dus wel te verwachten is. In de directe omgeving is de dikte van het veen veelal meer dan drie meter. Er is sprake van een afdekkend kleidek direct onder het oppervlak van 30 tot 40 centimeter. Het is bekend uit andere delen van het land dat een belangrijk deel van de zakking in stedelijk gebied wordt veroorzaakt door zetting van de slappe grond. Dit wil zeggen dat de grond wordt ineengedrukt onder het gewicht van de gebouwde structuren. Dit proces wordt niet beïnvloed door de waterstand. Het is echter denkbaar dat ook in deze gebieden veenoxidatie plaatsvindt, die voor een deel van de in de praktijk ervaren bodemdaling zorgt. Waarom een cruxgebied In de huidige situatie is er sprake van bodemdaling die zorgt voor maatschappelijke kosten en ongemak. Verdergaande bodemdaling kan de problemen verergeren, maatregelen kunnen de mate van schade door bodemdaling mitigeren. De betrokken partijen • Private partijen in Zwartsluis (bewoners, bedrijven) • Gemeente Zwartewaterland vanuit bestemmingstaak en beheertaak openbare ruimte • Waterschap Drents Overijsselse Delta vanuit waterbeheer.

CRUX: EEN ONDERDEEL VAN HET VEENWEIDEGEBIED WAAR MEERDERE BELANGEN BIJ ELKAAR KOMEN, WAAR URGENTIE WORDT GEVOELD EN WAAR DILEMMA’S STERK ZICHTBAAR WORDEN 32 Hoofdstuk 4 33 Hoofdstuk 4 ONTWIKKELING BODEMDALING BIJ WERKSCENARIO DOORGAAN (AUTONOME SITUATIE) De toekomstige opgaven en bijbehorende effecten onderzoeken we aan de hand van een drietal werkscenario’s zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 3 Methodiek. Deze scenario’s zijn opgebouwd aan de hand van drie fundamentele denkrichtingen, waarbij bij elk van de toekomstscenario’s de klimaatverandering is meeberekend. Het werkscenario Doorgaan wordt in dit hoofdstuk toegelicht. De werkscenario’s Remmen en Stoppen en de bijbehorende effecten op bodemdaling worden in het volgende hoofdstuk toegelicht. 34 Deze serie kaarten en doorsnedes geven de verwachte bodemdaling aan, in de autonome situatie. Dit beschouwen we als het werkscenario ‘Doorgaan’. In dit scenario wordt het huidige waterbeheer doorgezet: peil volgt functie. Concreet betekent dit dat de bodemdaling met de huidige snelheid doorzet en het peil hierop wordt aangepast. Deze situatie dient als referentie voor het analyseren van andere mogelijke toekomstscenario’s, zoals beschreven in het volgende hoofdstuk. De kaartreeks en de bijbehorende doorsnedes laten zien dat in 2050 al een bodemdaling is opgetreden van ca. 30 cm en in 2100 op sommige plekken zelfs meer dan 60 cm.

In 2100 is het veenpakket flink afgenomen en in delen van het gebied verdwenen. De mate van bodemdaling verschilt per locatie en is onder andere afhankelijk van de specifieke bodemgesteldheid, het landgebruik en het peilregime. Men ziet dat in de klei-op-veen polders sprake is van relatief snelle bodemdaling, vooral in die delen die wegzijgen naar de Noordoostpolder. Het deel van de polders dat onder invloed staat vanuit kwel vanuit het natuurgebied daalt veel minder snel. In het natuurgebied zelf vindt ook enige bodemdaling plaats, vooral aan de randen, alwaar grondwater wegzijgt naar de naastgelegen polders met lagere peilen. In de polders rondom Scheerwolde is sprake van snelle bodemdaling vanwege de grote droogleggingen en bijbehorende lage grondwaterstanden. In 2050 is hier vrijwel al het veen verdwenen. -0.78m NAP-1.4m NAP Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben DOORGAAN 2020 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v. NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 Legenda geen veen of < 40cm 150 tot 200 cm veen 100 tot 150 cm veen 200 tot 250 cm veen 70 tot 100 cm veen 250 tot 300 cm veen 40 tot 70 cm veen > 300 cm veen VEENDIKTE 2020SCENARIO DOORGAAN 35 Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben DOORGAAN 2050 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v.

NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben DOORGAAN 2100 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v. NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 VEENDIKTE 2050 BIJ DOORGAAN MET HUIDIG PEILBEHEER VEENDIKTE 2100 BIJ DOORGAAN MET HUIDIG PEILBEHEER 36 Hoofdstuk 5 37 Hoofdstuk 5 ONTWIKKELING BODEMDALING BIJ WERKSCENARIO’S REMMEN EN STOPPEN De toekomstige opgaven en bijbehorende effecten onderzoeken we aan de hand van een drietal werkscenario’s zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 3 Methodiek. Deze scenario’s zijn opgebouwd aan de hand van drie fundamentele denkrichtingen, waarbij bij elk van de toekomstscenario’s de klimaatverandering is meeberekend. Het werkscenario Doorgaan is in hoofdstuk 4 toegelicht. De werkscenario’s Remmen en Stoppen en de bijbehorende effecten op bodemdaling worden in dit hoofdstuk toegelicht. 38 Onderwaterdrainage Flexibel peilbeheer handhaven Bufferzones Onderwaterdrainage: • Onderlinge afstand 4 tot 6 meter • De bovenkant van de drain wordt minimaal 45 cm en maximaal 75 cm onder maaiveld aangelegd • De bovenkant van de drain ligt minimaal 15 en maximaal 25 cm onder het slootpeil • Oppervlak: ca. 3400 hectare • Totale lengte: ca.

6800 km 1 3 2a 2b Noordwest Overijssel: Randzone Noordoostpolder Anno 2020 Doorgaan Remmen Stoppen Anno 2050 Anno 2100 SCENARIO REMMEN: SYSTEEMMAATREGELEN VOOR HET REMMEN VAN HET BODEMDALINGSPROCES Onderwaterdrainage Noordoostpolder Klei-op-veengebieden Buffer 1: • Water tot aan maaiveld in sloten (median) • Oppervlak: 227 hectare • Peil: -1,33 m NAP Buffer 2a: • Water tot aan maaiveld in sloten (median) • Oppervlak: 219 hectare • Peil: -0,63 m NAP Buffer 2b: • Water tot aan maaiveld in sloten (median) • Oppervlak: 127 hectare • Peil: -0,22 m NAP Buffer 3: • Water tot aan maaiveld in sloten (median) • Oppervlak: 68 hectare • Peil: -0,4 m NAP 39 Om de bodemdaling te remmen worden in dit scenario de volgende systeemmaatregelen doorgevoerd (zie voor de gedetailleerde technische uitgangspunten: bijlage 2): 1. In de klei-op-veen gebieden aan de westranden van het deelgebied wordt onderwaterdrainage toegepast. De drains worden op 4 tot 6 meter afstand van elkaar en op 15 cm onder het zomerpeil aangebracht. De drainafstanden van 4 meter worden aangebracht in het gebied waarvan het grondwater wegzijgt naar de Noordoostpolder. Zo wordt getracht voldoende water in de percelen te krijgen bij droge omstandigheden. De drains zorgen ervoor dat in de zomer de grondwaterstand niet te ver uitzakt, waardoor er minder oxidatie van het veen optreedt en dus de bodemdaling afneemt.

De drains worden alleen toegepast in gebieden waar het veen minimaal 60 cm dik is. Daarnaast dragen de drains ook bij aan een snellere afvoer van water bij hoge waterstanden waardoor wateroverlast in de winterperiode af zal nemen. 2. Zoals beschreven in de crux van dit gebied, zijn vooral de grenzen tussen de natuurgebieden (Weerribben-Wieden) en de dieper gelegen veenpolders kwetsbaar. Het verschil in waterstanden zorgt ervoor dat het grondwater van de hoger gelegen natuurgebieden naar de polders stroomt. De natuur droogt uit, met o.a. bodemdaling tot gevolg; de polders hebben wateroverlast. De bodemdaling in de natuurgebieden kan verminderd worden door het aanleggen van bufferzones: natte zones die zowel een hydrologische als een ecologische functie hebben. In de huidige situatie is er reeds een aantal buffers langs het natuurgebied ingericht. Om de bufferzones mogelijk te maken zijn in de betreffende gebieden functieveranderingen nodig en zullen er aanpassingen voor bebouwing en infrastructuur moeten komen en zijn nieuwe kades nodig om het water vast te houden. 3. In de Weerribben-Wieden wordt flexibel peilbeheer toegepast, waardoor gedurende het jaar het waterpeil zo wordt aangepast dat het optimaal is voor zowel hydrologische als ecologische doelen.

Aangezien deze doelen niet altijd dezelfde maatregelen vragen zal hier altijd naar een balans gezocht moeten worden; het effect op bodemdaling is hierbij een belangrijk argument. SCENARIO REMMEN: SYSTEEMMAATREGELEN VOOR HET REMMEN VAN HET BODEMDALINGSPROCES De systeemmaatregelen hebben een remmend effect op de bodemdaling waardoor er nog steeds negatieve effecten zullen optreden naar aanleiding van de nog aanwezige bodemdaling. Ook de voorgestelde systeemmaatregelen om de bodemdaling te verminderen kunnen negatieve effecten hebben op andere functies. Onderstaande maatregelen kunnen deze effecten mitigeren/compenseren. Deze maatregelen maken echter geen deel uit van de scenario’s en zijn bedoeld als suggestie. • Hoogwatercircuits bij o.a. Giethoorn, waardoor de bestaande bebouwing minder last heeft van verzakkingen, veroorzaakt door bodemdaling. • Funderen van wegen/infrastructuur en funderen woningen • Bedrijfsvoering aanpassen op verandering bodemsamenstelling, in gebieden waar het veen zal verdwijnen – evt. laatste rest veen door het zand ploegen om bodemkwaliteit te versterken. • Afname productiviteit landbouwgrond compenseren. • Ecologische waarden van Weerribben-Wieden behouden/versterken door aanvoer water van goede kwaliteit (moet er meer of minder water worden aangevoerd met deze maatregel?) E.g. gebruiken helofytenfilters en natuurvriendelijke oevers.

• Meer oppervlaktewater creëren in natuurgebieden. • Maatwerk waterbeheer toepassen, bv heterogene droogleggingen (bedrijfsschaal). • Ruilverkaveling nodig om buffers te creëren. • Daarnaast zal er op beperkte schaal ook functieverandering plaats moeten vinden. De buffers vormen een nieuw landschap; hieraan kunnen verschillende functies gekoppeld worden. De hydrologische functie, waarvoor het grondwater hoog genoeg moet zijn, kan worden gecombineerd met natuurontwikkeling, recreatie of zelfs economische functies zoals natte teelten/visteelt. 40 Legenda < 30cm droger 5 tot 10 cm natter geen effect groter dan 5cm 10 tot 20 cm natter 5 tot 20 cm droger 20 tot 30 cm natter 20 tot 30 cm droger 30 tot 50 cm natter > 50 cm natter Deze kaart geeft een beeld van het effect van de maatregelen in het scenario Remmen; het geeft het verschil weer in de laagste grondwaterstand tussen het scenario Remmen en het doorgaan met het huidige peilbeheer. De buffers rondom de Wieden springen meteen in het oog: in deze zone wordt het water in de sloten opgezet tot aan maaiveld, waardoor de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) meer dan 50 cm hóger (dichter aan het maaiveld) komt te liggen dan in de huidige situatie. Het wordt in de buffers ten zuiden van Scheerwolde (1) en de buffer nabij Giethoorn (2) in droge omstandigheden lokaal meer dan 50 cm natter dan in de huidige situatie.

Bij deze buffers is ook een duidelijke vernatting te zien in het natuurgebied zelf, wat gunstig is voor de bestrijding van bodemdaling. De andere buffers rondom Giethoorn hebben minder effect, zowel binnen de buffergrenzen als in het natuurgebied. De reden hiervoor is dat er al hoge grondwaterstanden zijn vanwege de Dorpsgracht van Giethoorn, die op boezempeil niveau staat (gemiddeld -0,78m NAP). De wegzijging uit het natuurgebied lijkt vooral te worden veroorzaakt door de verder weg gelegen lage polders in het gebied rondom Scheerwolde. De gebieden waarin onderwaterdrainage is toegepast worden natter in droge situaties. Het meeste effect wordt bereikt in de gebieden die een lage GLG hebben in de huidige situatie als gevolg van wegzijging. Wel is ook hier zichtbaar dat er zeer lokaal verschillen zijn, die te maken hebben met verschillende weerstanden van de deklaag (soms is immers het veen/klei nagenoeg afwezig door historische doorbraken van de Zuiderzee). De drainageafstand is hier 4 meter gekozen omdat de vrees bestond dat het water sneller het perceel uit zou zijgen dan het erin gebracht kon worden vanwege de drains. Modelmatig lukt het om het water er zo snel in te brengen dat er een aanzienlijke verlaging optreedt. De praktijk zal moeten uitwijzen of dit daadwerkelijk lukt.

In ieder geval betekent deze ingreep een grote toename van de watervraag in deze gebieden (zie hoofdstuk ‘effecten’ later in dit beeldverhaal). 1 2 SCENARIO REMMEN: EFFECT OP GRONDWATERSTAND verschil in de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen remmen van bodemdaling en doorgaan huidige peilbeheer, na implementeren systeemmaatregelen 41 Legenda geen veen/ geen bodemdaling 2.5 tot 5 mm per jaar 5 tot 10 mm per jaar 10 tot 15 mm per jaar > 15 mm per jaar < 2.5 mm per jaar 500.000 m3 geoxideerd veen per jaar 325.000 m3 geoxideerd veen per jaar 90.000 m3 geoxideerd veen per jaar 90.000 m3 geoxideerd veen per jaar 40.000 m3 geoxideerd veen per jaar 35.000 m3 geoxideerd veen per jaar 50.000 m3 geoxideerd veen per jaar 50.000 m3 geoxideerd veen per jaar Deze twee kaarten geven weer in hoeverre de maatregelen in het scenario Remmen effect hebben op de snelheid van bodemdaling. De linkerkaart geeft de autonome situatie weer; de rechterkaart de situatie na implementatie van maatregelen bedoeld om de bodemdaling te remmen. In de kaarten staat de totale hoeveelheid geoxideerd veen per jaar, uitgesplitst in vier deelgebieden. Deze getallen geven een goed beeld van de afname van de bodemdaling. Voor het gehele gebied neemt de bodemdaling met 26% af.

Er is een duidelijk verschil te zien in bodemdaling: in de randzone tussen de Weerribben-Wieden en de Noordoostpolder is de bodemdaling afgenomen van op veel plekken >15 cm per jaar tot veel plekken minder dan 5 mm per jaar. Dit toont het succes van de maatregel ‘onderwaterdrainage’ op het remmen van de bodemdaling in dit gebied. Er blijven echter ook nog voldoende plekken over in dit gebied waar de bodem snel blijft dalen. Dit leidt tot lokale hoogteverschillen, zoals te zien in de ‘veendiktekaarten’ op de volgende pagina’s. Wel ziet men dat aan de randen van de polders die het dichtst bij de Noordoostpolder liggen, nog steeds snelle bodemdaling is berekend. Dit toont de moeilijkheid van het remmen van de bodemdaling in dit gebied door de grote wegzijging naar de Noordoostpolder. Alles bij elkaar wordt voor dit deelgebied nog steeds een indicatieve daling van de oxidatie van 175.000 m3 veen per jaar berekend. Uit de kaart blijkt dat de snelheid van de bodemdaling in de polders rond Scheerwolde in dit scenario niet of nauwelijks verandert. De reden is dat hier maar weinig maatregelen zijn toegepast. De buffers hebben enig effect op het remmen van de bodemdaling binnen het natuurgebied zelf, mits aangelegd op een logische plaats.

BODEMDALING: DOORGAAN BODEMDALING: REMMEN SCENARIO REMMEN: EFFECT OP BODEMDALING doorgaan huidig peilbeheer versus remmen bodemdaling, na implementeren systeemmaatregelen 42 Legenda geen veen of < 40cm 150 tot 200 cm veen 100 tot 150 cm veen 200 tot 250 cm veen 70 tot 100 cm veen 250 tot 300 cm veen 40 tot 70 cm veen > 300 cm veen -0.78m NAP-1.4m NAP Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben REMMEN 2020 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v. NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 Flexibel peil handhavenOnderwaterdrainage Deze reeks kaarten en bijbehorende doorsnedes geven de bodemdaling weer na implementatie van de systeemmaatregelen behorende bij het scenario Remmen. Boven de doorsnedes zijn de systeemmaatregelen weergegeven zoals deze op de vorige pagina’s zijn geïntroduceerd. De doorsnedes zijn ‘technisch’ van aard en zijn gebaseerd op de modeluitkomsten van de scenario-berekeningen. De mitigerende en compenserende (inrichtings-) maatregelen die bij de systeemmaatregelen horen, zoals de buffers met bijbehorende dijken en opgezet waterpeil, zijn niet in de tekening weergegeven. De kaart met de situatie in 2050 laat zien dat de veenlaag in de polders rondom Scheerwolde nagenoeg verdwenen is en in 2100 geheel.

Ook in de klei-op-veen-polders is de veendikte afgenomen ondanks de duidelijke verhoging van de GLG door de maatregelen. Op enkele plaatsen is het veen verdwenen. Op deze plaatsen was al een dunnere veenlaag vanwege de historische doorbraken uit de Zuiderzee. Vanwege de lagere hydrologische weerstand van de ondergrond zakt hier de grondwaterstand diep weg waardoor de kleinere dikte veen ook nog eens sneller oxideert. Het veenpakket in het natuurgebied blijft zelfs tot na 2100 meerdere meters dik. Het is in de huidige situatie al dik en door de natte omstandigheden, daalt het veen langzaam. De doorsnedes tonen dat het natuurgebied op den duur steeds hoger komt te liggen dan de polders eromheen, zelfs bij remmen van de bodemdaling. VEENDIKTE 2020SCENARIO REMMEN 43 Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben REMMEN 2050 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v. NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 Flexibel peil handhavenOnderwaterdrainage Peilgebied Noordoostpolder Peilgebied Weerribben-Wieden Peilgebied Dijk Wieden Weerribben REMMEN 2100 0 -0.5 0.5 Hoogte in meters t.o.v.

NAP Afstand in meters -1.0 1.0 -1.5 -2.0 -2.5 -3.0 -3.5 5000 1000 1500 2000 2500 Flexibel peil handhavenOnderwaterdrainage Waterbuffer Waterbuffer VEENDIKTE 2050 REMMEN VEENDIKTE 2100 REMMEN 44 Peil tot aan maaiveld Peil boezem verhogen tot -0.50m NAP Noordwest Overijssel: Randzone Noordoostpolder Anno 2020 Doorgaan Remmen Stoppen Anno 2050 Anno 2100 SCENARIO STOPPEN: SYSTEEMMAATREGELEN VOOR HET TEGENGAAN VAN HET BODEMDALINGSPROCES Peil tot aan maaiveldPeil boezem verhogen Noordoostpolder Klei-op-veengebieden 45 Om de bodemdaling te stoppen worden in dit werkscenario de volgende systeemmaatregelen doorgevoerd (zie voor de gedetailleerde technische uitgangspunten: bijlage 2): 1. In zowel de klei-op-veen gebieden als de veenpolders wordt het peil opgezet tot aan maaiveld. Het doel is om de grondwaterstand – ook in de zomer – niet verder te laten uitzakken dan de onderkant van de bovenliggende kleilaag. In dat geval treedt geen veenoxidatie op. 2. In de Weerribben-Wieden wordt het peil jaarrond verhoogd naar -0.50 m NAP. SCENARIO STOPPEN: SYSTEEMMAATREGELEN VOOR HET TEGENGAAN VAN HET BODEMDALINGSPROCES De beschreven systeemmaatregelen hebben grote impact op de huidige functies van het gebied. Het is de verwachting dat vele mitigerende maatregelen of functieveranderingen nodig zijn in dit scenario.

Deze worden in deze studie niet nader uitgewerkt, aangezien deze onderdeel moeten zijn van het gebiedsproces. Een aantal mogelijkheden wordt hier als suggestie meegegeven: • In de agrarische gebieden zal de vorm van landbouw niet meer mogelijk zijn, omdat de omstandigheden te nat zullen zijn. Er is dus een functieverandering nodig. De volgende functies zouden toegepast kunnen worden: a. natuurontwikkeling / plasdras b. extensieve landbouw / agrarisch natuurbeheer c. natte teelten d. weidevogels • Op een aantal locaties kan de huidige vorm van landbouw (veeteelt) wellicht nog interessant zijn; hier kan gedacht worden aan compensatie van de afgenomen productiviteit. • De bestaande infrastructuur en bebouwing, dorpskernen en losse bebouwing, dienen aangepast te worden aan de nieuwe omstandigheden. 46 Legenda < 30cm droger 5 tot 10 cm natter geen effect groter dan 5cm 10 tot 20 cm natter 5 tot 20 cm droger 20 tot 30 cm natter 20 tot 30 cm droger 30 tot 50 cm natter > 50 cm natter Deze kaart geeft een beeld van het effect van de systeemmaatregelen in het werkscenario Stoppen; het geeft het verschil weer in de laagste grondwaterstand tussen het scenario Stoppen en het doorgaan met het huidige peilbeheer. In de polders rondom Scheerwolde wordt de grondwaterstand minimaal 50 cm hoger dan de situatie met huidig peilbeheer bij droge omstandigheden.

Het opzetten van het peil in de sloten tot aan maaiveld heeft een groot effect. Een belangrijke reden hiervoor is dat de percelen in dit gebied zandig zijn en daarmee goed doorlatend. De grondwaterstanden worden hierdoor sterk beïnvloed door de slootpeilen. Eventuele dalingen van de grondwaterstand door verdamping worden aangevuld vanaf de sloten. Stijgingen worden op hun beurt snel afgevoerd, hoewel er veelal water op het land zal komen te staan. Het effect van het opzetten van peil strekt zich uit tot buiten het gebied waarin de maatregelen zijn genomen. De grondwaterstand in droge omstandigheden stijgt met minimaal 10 cm tot voorbij Steenwijk en oostelijk van de A32. In het natuurgebied is de boezem met gemiddeld 28 cm opgezet. Dit leidt dan ook voor de meeste gebieden tot een stijging van de grondwaterstand van 20 tot 30 cm bij droge omstandigheden. Op enkele plekken is de stijging lager. Hier wordt een deel van de maatregel tenietgedaan doordat de wegzijging het effect beperkt. Dit zien we vooral in het noordwesten van de Weerribben en op veel plaatsen aan de randzones van het natuurgebied. In de klei-op-veen polders westelijk van het natuurgebied is het effect beperkter. In de verschilkaart wordt de perceelstructuur zichtbaar, wat aangeeft dat er midden op het perceel minder effect is dan dichtbij de sloten.

De peilopzet tot aan maaiveld heeft midden op de percelen in het algemeen beperkt effect omdat het water uit de sloten minder snel horizontaal de percelen instroomt dan het vanuit de onderkant wegzijgt. De bodem van deze polders is in het algemeen slecht doorlatend, waardoor dit effect optreedt. Daarnaast lijken de slootafstanden (variërend van 50 tot 100 meter) in de huidige situatie te groot om de maatregel voldoende effectief te maken. SCENARIO STOPPEN: EFFECT OP GRONDWATERSTAND verschil in de gemiddelde laagste grondwaterstand tussen stoppen bodemdaling en doorgaan huidig peilbeheer, na implementeren systeemmaatregelen 47 500.000 m3 geoxideerd veen per jaar 210.000 m3 geoxideerd veen per jaar 90.000 m3 geoxideerd veen per jaar 30.000 m3 geoxideerd veen per jaar 40.000 m3 geoxideerd veen per jaar 20.000 m3 geoxideerd veen per jaar 50.000 m3 geoxideerd veen per jaar 15.000 m3 geoxideerd veen per jaar Legenda geen veen/ geen bodemdaling 2.5 tot 5 mm per jaar 5 tot 10 mm per jaar 10 tot 15 mm per jaar > 15 mm per jaar < 2.5 mm per jaar Deze twee kaarten geven weer in hoeverre de systeemmaatregelen in het scenario Stoppen effect hebben op de snelheid van bodemdaling. De linkerkaart geeft de autonome situatie weer; de rechterkaart de situatie na implementatie van maatregelen bedoeld om de bodemdaling te stoppen.

In de kaarten staat de totale hoeveelheid geoxideerd veen per jaar, uitgesplitst in vier deelgebieden. Deze getallen geven een goed beeld van de afname van de bodemdaling. Voor het gehele gebied neemt de bodemdaling met circa 60% af. Er is een duidelijk verschil te zien in bodemdaling. In de gebieden ten oosten van de natuurgebieden is de bodemdaling voor een groot deel gestopt, wat past bij het vernattende effect van de systeemmaatregelen. De hoeveelheid veen die per jaar oxideert daalt van ca 90.000 m3 tot 35.000 m3. Daarbij wordt deze hoeveelheid vooral veroorzaakt door een paar kleine gebieden, waar de daling heel snel wordt berekend. Binnen de grenzen van het natuurgebied stopt de bodemdaling vrijwel geheel, met als uitzondering de eerder genoemde locaties waar wegzijging naar de omgeving plaats vindt. De bodemdaling remt hier wel tot snelheden van minder dan 5 mm per jaar. In klei-op-veen gebieden ontstaat een ander beeld. Het relatief geringe vernattende effect van de maatregelen blijkt bij lange na niet genoeg om de bodemdaling te stoppen. De bodemdaling wordt wel geremd, maar over het gehele gebied genomen maar iets meer dan het scenario ‘remmen’ waar onderwaterdrainage wordt gebruikt, maar geen peilverhoging. Op basis van de berekeningen oxideert nog steeds 210.000 m3 veen per jaar na implementatie van de maatregelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/29d96b2a-e252-4760-847b-3ba004d2acca?agendaItemId=e85fce5d-982f-4d20-b414-71773ac5a01a