CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

30.2Uitgangspunten GGA NW Overijssel - bijlage 2a Hoofdrapport Veenweide.pdf

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken23.194 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.2.4 Werkscenario ‘remmen’ (zie bijlage 1: Almanak Mastenbroek - Kamperveen; h. 5) In de denkrichting/het werkscenario ‘remmen’ worden maatregelen gesimuleerd om de bodemdaling te vertragen (zie figuur 2.2). De maatregelen zijn onderwaterdrainage (drainafstand 6 meter) voor een groot deel van het gebied, en de aanleg van een strook open water tussen de Koekoekspolder en de Mastenbroekerpolder, om de wegzijging van Mastenbroekerpolder naar Koekoekspolder te verminderen. De aanleg van deze strook open water betekent het stoppen van de bodemdaling in de bodem onder het open water zelf. Toch is deze maatregel bij het scenario ‘remmen’ gevoegd, omdat het doel van de maatregel het remmen van bodemdaling in de rest van de Mastenbroekerpolder is. Strikt genomen is de maatregel een hybride toepassing van de denkrichtingen 'remmen' en 'stoppen'. De gekozen maatregelen in dit scenario worden in de praktijk elders al toegepast om bodemdaling te remmen. Desondanks zijn er nog vele andere maatregelen denkbaar, zoals peilvakverkleining, opzetten van zomerpeil, verkleinen van slootafstanden mengen van veenbodem met klei of slib en vele anderen. Een combinatie van maatregelen is vaak kansrijker dan een enkele maatregel.

De belangrijkste effecten: Toepassing van deze maatregelen zorgt voor een berekende afname van de bodemdaling voor het gehele gebied van circa 35% ten opzichte van de autonome situatie. • Het werkscenario ‘remmen’ levert een berekende reductie op van circa 200.000 m3 veenoxidatie per jaar in de Mastenbroekerpolder en een reductie van circa 10.000 m3 in het Kamperveen. • Het werkscenario ‘remmen’ levert een berekende reductie op van 30.000 ton CO2 per jaar in de Mastenbroekerpolder en een berekende reductie van nihil ton CO2 in het Kamperveen. • De remming van de bodemdaling voorkomt aanvullende investeringen in watersysteem. Wel neemt de berekende afvoer toe met 10-20 miljoen m3 per jaar en de aanvoer met 10-20 miljoen m3 (gemiddeld jaar). • Het rendement van de landbouw neemt netto af met 0,1 tot 0,5 miljoen euro per jaar. Dit komt geheel ten laste van de aanleg van de buffer, waardoor landbouw daar niet meer mogelijk is. • De remming van de bodemdaling reduceert de benodigde inspanning voor wegen/leidingen/ riolering met een geschatte 0,5 tot 1,5 miljoen euro per jaar. • Het areaal dat potentieel geschikt is voor weidevogels neemt af.

De reden is dat de onderwaterdrainage leidt tot lagere voorjaarsgrondwaterstanden waardoor enerzijds foerageren moeilijker wordt voor bepaalde soorten en anderzijds dat machines eerder het land op kunnen, wat kan leiden tot aanvullende schade aan nesten. Als agrariërs echter rekening houden met broedende vogels (later het land op), hoeft dit geen negatief effect te hebben. Hierbij dient aangetekend dat andere factoren ook een rol spelen, zoals predatie. Bij het ontwikkelen van handelingsperspectief voor de weidevogelgebieden is het van belang alle factoren in de volle breedte te bezien. • Een indicatie van de geschatte aanlegkosten van bovenstaande maatregelen is 25 tot 35 miljoen euro. Hiervan komt 10 tot 20 miljoen euro op conto van de aanleg van de onderwaterdrainage. • Een indicatie van de vermeden schade en verlaagde beheerkosten voor de keuzes in werkscenario 'remmen' ten opzichte van 'doorgaan' komt neer op een afname van circa 1,2 miljoen per jaar. 28 Peil tot aan maaiveld Peil Koekoekspolder gelijk aan maaiveld Mastenbroekerpolder Figuur 2.3 Scenario ‘remmen’ met invulling van de systeemmaatregelen 29 2.2.5 Werkscenario ‘stoppen’ (zie bijlage 1: Almanak Mastenbroek - Kamperveen; h. 5) 2.2.6 Conclusies (ook specifiek per Crux) (zie bijlage 1: Almanak Mastenbroek - Kamperveen; p. 54, p. 56 en h.

6) In het werkscenario ‘stoppen’ worden maatregelen gesimuleerd om de bodemdaling zoveel mogelijk te stoppen (zie figuur 2.3). De maatregelen zijn het verhogen van het zomerpeil in de sloten tot aan maaiveld in de peilvakken die overwegend uit veen bestaan, en het onderwater zetten van de Koekoekspolder met een waterdiepte van circa 2 meter. De gekozen maatregelen in dit scenario worden in de praktijk al toegepast om bodemdaling te stoppen. Desondanks zijn er nog vele andere maatregelen denkbaar. De belangrijkste effecten: • Toepassing van deze maatregelen zorgt voor een berekende afname van de bodemdaling voor het gehele gebied van circa 67% ten opzichte van de autonome situatie. • Toepassing van het scenario leidt tot grootschalige investeringen in het gebied om huizen bewoonbaar te houden en wegen begaanbaar. • Het werkscenario ‘stoppen’ levert een berekende reductie op van circa 365.000 m3 veenoxidatie per jaar in de Mastenbroekerpolder en een reductie van circa 50.000 m3 in het Kamperveen. • Het werkscenario ‘stoppen’ levert een berekende reductie op van circa 50.000 ton Conclusies ‘doorgaan’ • Door lage grondwaterstanden daalt de bodem in dit deelgebied. De daling in de randgebieden is hoger berekend dan in het hart van het veengebied. De verwachting is dat het veen in deze gebieden ook sneller verdwenen is. De huidige dikte van de veenlaag is enkele decimeters.

• De bijbehorende uitstoot van CO2 per jaar daalt autonoom door het opraken van veen, maar blijft overwegend gelijk aan de huidige situatie: circa 70.000 ton in de Mastenbroekerpolder en 15.000 ton in het Kamperveen. • Er treedt enige vermindering van het landbouwpotentieel op vanwege vernatting van de gebieden rondom de Koekoekspolder. • Voor weidevogels treedt nauwelijks verandering op omdat de (voorjaars) grondwaterstand gelijk blijft. • Voor de infrastructuur, kabels & leidingen en bebouwing treedt toenemende schade op, door de doorgaande bodemdaling. • De doorgaande bodemdaling zorgt voor een toenemend waterveiligheidsrisico. Het gebied achter dijkring 10 (Mastenbroekerpolder) en dijkring 11 (Kamperveen) komt lager te liggen. CO2 per jaar in de Mastenbroekerpolder en een berekende reductie van circa 5.000 ton CO2 in het Kamperveen. • Het stoppen van de bodemdaling voorkomt aanvullende investeringen in watersysteem. Wel neemt de berekende afvoer af met 10 tot 15 miljoen m3 per jaar (10 - 15%) en neemt de benodigde aanvoer toe met 1 tot 3 miljoen m3 per jaar (10 - 15%) (gemiddeld jaar). • De remming van de bodemdaling reduceert de benodigde inspanning voor wegen/leidingen/ riolering. Echter zijn mogelijk aanvullende kosten nodig voor regulier beheer vanwege de veel nattere ondergrond. • Het areaal dat potentieel geschikt is voor weidevogels neemt toe.

De reden is dat het vernatten van de landbouwgrond zal leiden tot extensivering van het landbouwgebruik, hetgeen ruimte biedt voor weidevogels. • Een indicatie van de geschatte aanlegkosten van bovenstaande maatregelen is 100 tot 200 miljoen euro. • Een indicatie van toenemende schade en veranderende beheerkosten voor de keuzes in werkscenario 'stoppen' ten opzichte van 'doorgaan' komt neer op circa 1 tot 3 miljoen euro per jaar. Doordoor wordt de schade die ontstaat als een dijk doorbreekt groter. • Werkscenario ‘doorgaan’ leidt tot de noodzaak om vanaf een periode van 30 jaar het watersysteem te herindelen. Tevens leidt doorgaan tot een jaarlijks toenemende kostenpost van 0,1 tot 0,5 miljoen euro wat betreft beheer en onderhoud op onder andere uitmalen en verdieping en verbreding van watergangen. Conclusies ‘remmen’ (zie ook figuur 2.4) • De systeemmaatregelen (onderwaterdrainage en de bufferzone bij de Koekoekspolder) zijn hydrologisch effectief in de Mastenbroekerpolder, met een berekende afname van de bodemdaling van circa 35% en een CO2 reductie van circa 35 - 40% (van 70.000 ton naar 40.000 ton per jaar). • Systeemmaatregelen in het Kamperveen zijn minder effectief, vanwege de veel grotere doorlatendheid van de percelen.

• Het rendement van sommige landbouwpercelen in de Mastenbroekerpolder kan enigszins verbeteren ten opzicht van de huidige situatie door de aanleg van onderwaterdrainage. Dit komt door de drainerende werking van de drains 30 Onderwaterdrainage Bufferzone Kansrijke locaties bufferzone Kansrijke locaties onderwaterdrainage Peil tot aan maaiveld Peil Koekoekspolder gelijk aan maaiveld Mastenbroekerpolder Kansrijke locaties opzetten peil Koekoekspolder Kansrijke locaties opzetten peil tot aan maaiveld Figuur 2.4 Kansrijke systeemmaatregelen bij het werkscenario ‘remmen’ (kansrijkheid is alleen gericht op het succes van het remmen van bodemdaling) Figuur 2.5 Kansrijke systeemmaatregelen bij het werkscenario ‘stoppen’ (kansrijkheid is alleen gericht op het succes van het stoppen van bodemdaling) 31 in de winter (minder natschade) en bestrijding droogteschade in zomer (minder droogteschade). • Onderwaterdrainage kan, zonder mitigerende maatregelen, door de snellere afvoer voor landbouwkundige gebruik negatieve gevolgen hebben voor het areaal weidevogels, door de lagere grondwaterstanden in het voorjaar. Hierbij dient aangetekend dat andere factoren ook een rol spelen, zoals predatie. Bij het ontwikkelen van handelingsperspectief voor de weidevogelgebieden is het van belang alle factoren in de volle breedte te bezien.

• Er zijn investeringen nodig op perceelschaal en voor de hydrologische inrichting van de waterbuffer. De benodigde afvoercapaciteit van het gebied neemt toe met 10%. De benodigde aanvoercapaciteit neemt toe met 50 tot 60%. • De investeringen benodigd voor de waterbuffer lijken niet terugverdiend te kunnen worden wanneer vergeleken met vermeden schade. Daarvoor zijn de kosten van grondaankoop in relatie tot het overigens duidelijke hydrologische rendement te hoog. Voor onderwaterdrainage ligt dit anders. Er lijkt op basis van kengetallen enig evenwicht te zitten tussen benodigde kosten en rendement over een periode van 10 tot 20 jaar. Specifiek voor de cruxen • Overgang Mastenbroekerpolder/ Koekoekspolder. De aanleg van de bufferzone bij de Koekoekspolder in combinatie met de aanleg van onderwaterdrainage in de naastgelegen percelen in de Mastenbroekerpolder is effectief voor het vertragen van bodemdaling bij het werkscenario ‘remmen’. De tussen de peilvakken inliggende buffer vangt de stroming af, waardoor zowel kwel als wegzijging kleiner worden. Onderwaterdrainage mitigeert wegzijging van grondwater in droge omstandigheden nog verder. Aanleg van een buffer betekent wel functiewijziging van het huidige grondgebruik ter plaatse van de buffer met alle bijbehorende uitdagingen. • Verdroging in zuidoosten Mastenbroekerpolder en Kamperveen.

Vooral in het zuidoosten van de Mastenbroekerpolder is onderwaterdrainage kansrijk voor het remmen van bodemdaling (zie figuur 2.4), de bijbehorende principes in acht nemend. Vanwege de grotere doorlatendheid en wegzijging in het Kamperveen is de effectiviteit van onderwaterdrainage in Kamperveen klein. In het zuidoosten van de Mastenbroekerpolder worden door het vertragen van de bodemdaling de hoogteverschillen binnen een peilvak niet snel groter, waardoor eventuele extra schade door verdroging wordt beperkt. • Genemuiden. Bij het werkscenario ‘remmen’ werkt de systeemmaatregel onderwaterdrainage licht positief. Verzakkingen en bijbehorende schade bij bebouwing vermindert door het afnemen van de bodemdaling doordat het uitzakken van de grondwaterstand afneemt. Conclusies ‘stoppen’ (zie ook figuur 2.5) • Veenoxidatie neemt sterk af door het peil op te zetten naar maaiveld. CO2 reductie is circa 70% (van 70.000 ton naar 20.000 ton per jaar). • Opzetten van het peil tot aan maaiveld leidt in grote delen van het veengebied tot het stoppen van bodemdaling, maar vereist meerdere functieveranderingen, vooral in de landbouw. Landbouw in de huidige vorm is niet meer mogelijk vanwege de veel optredende plas-dras-omstandigheden in het gebied. Rekening houdend met het huidige gebruik van grasland, neemt het berekend rendement van de landbouw af met 3-7 miljoen euro (40 tot 60%) per jaar.

• Voor de bebouwing zijn de gevolgen zeer negatief, vanwege natschade en natte kruipruimten en optrekkend vocht. Verzakkingen door bodemdaling worden wel gestopt. • Voor de infrastructuur zijn de gevolgen in principe negatief omdat 151 km aan wegen overlast ondervindt door het opzetten van het peil (o.a. opdrijvende wegen, hogere waterstanden onder bruggen). • Voor weidevogels is het werkscenario ‘stoppen’ naar verwachting gunstig, vanwege de extensivering van de landbouw. • Het effect op de waterveiligheid is positief omdat de bodemdaling stopt/sterk afneemt. • Er is geen sprake van terugverdienen van de investeringskosten (naar schatting 100 tot 200 miljoen euro per jaar). Naar verwachting nemen de kosten van beheer en gederfde inkomsten toe met 1 tot 3 miljoen euro per jaar. Specifiek voor de cruxen • Het onder water zetten van de Koekoekspolder in combinatie met peilverhoging tot aan maaiveld in de rest van de Mastenbroekerpolder leidt tot het vrijwel stoppen van bodemdaling. De consequentie is dat het huidig landgebruik (veeteelt) niet meer mogelijk is en dat er aanzienlijke schade zal ontstaan aan infrastructuur (wegen), aan bebouwing in de Mastenbroekerpolder, maar ook aan bebouwing buiten het veengebied zoals in Kampen, door het uitstralingseffect van de maatregelen. • Genemuiden.

Bij het werkscenario ‘stoppen’ leidt het verhogen van het peil tot aan maaiveld tot afname van schade door daling, maar zorgt ook voor nieuwe problemen zoals het onbereikbaar worden van wegen in hoogwatersituaties, het opdrijven van wegen en vochtschade door te hoog water bij bebouwing. 32 2.3 Weerribben-Wieden en omgeving 2.3.1 Situatieschets (zie bijlage 1: Almanak Weerribben-Wieden e.o.; h. 1 en 2) Het veengebied in Weerribben-Wieden e.o. bestrijkt het natuurgebied de Weerribben-Wieden, dat deels ontveend is en deels nog uit een dik (tot > 3m) veenpakket bestaat. Samen met natuurgebied Olde Maten vormen de Weerribben- Wieden het grootste laagveenmoeras van west- Europa. De Weerribben-Wieden is een Natura2000 gebied met veenmoeras gerelateerde natuurdoeltypen. Het waterpeil is hoger dan de landbouwpolders die het natuurgebied omringen. Ten westen van de Wieden en Weerribben liggen landbouwpolders (veeteelt) tussen het natuurgebied en de Noordoostpolder in.

Deze kenmerken zich door de aanwezigheid van een laag klei boven op het Landbouwgebied klei-op- veen Verdroging door wegzijging naar lagere gebieden Zwartsluis: Optreden van schade aan infra- structuur en mogelijk bebouwing als gevolg van bodemdaling Legenda geen veen of < 40cm 150 tot 200 cm veen 100 tot 150 cm veen 200 tot 250 cm veen 70 tot 100 cm veen 250 tot 300 cm veen 40 tot 70 cm veen > 300 cm veen Veendikte 2020 veen, die dikker wordt (tot circa 1 meter dik) in de richting van de oude zuiderzeedijk. Een ander gebied bestaat uit de landbouwpolders ten oosten van de Weerribben en ten westen van Giethoorn. Hier is het veen op diverse plekken dun en mogelijk al verdwenen. Sommige van deze polders hebben een veel lager peil dan het peil in het natuurgebied (>2m peilverschil). Opvallend is dat er akkerbouw wordt bedreven in deze landbouwpolders. De belangrijkste kenmerken van het gebied in de huidige situatie bij huidig waterbeheer zijn: • De bodemopbouw in het deelgebied Weerribben-Wieden e.o.

kent een Figuur 2.6 Veendikte en cruxen in deelgebied Weerribben-Wieden en omgeving Polders rondom Scheerwolde: Landbouwgebieden: - veranderende bodemsamenstelling door verdwijnen veen - toename kwel door bodemdaling Natuurgebieden: - verdroging natuurgebied door toename wegzijging naar lager gelegen landbouwgebied Scheerwolde 33 2.3 Weerribben-Wieden en omgeving 2.3.1 Situatieschets (zie bijlage 1: Almanak Weerribben-Wieden e.o.; h. 1 en 2) 2.3.2 De opgaven (zie bijlage 1: Almanak Weerribben-Wieden e.o.; h. 3) Een aantal urgent gevoelde uitdagingen in dit gebied zijn gerelateerd aan veenbodemdaling, de zogenaamde ‘cruxen’ (zie ook figuur 2.6). Deze zijn: 1. In de klei-op-veen-polders ten westen van de Weerribben zijgt veel water weg uit de bodem naar de meters lager liggende Noordoostpolder. Er kan dus landbouwschade door droogte plaatsvinden en de bodem zakt hierdoor relatief snel. Om voor de landbouw de droogleggingen groot genoeg te houden in geval van natte situaties was het vigerende beleid van het waterschap om het peil mee te laten zakken met de bodemdaling. In dat geval neemt de wegzijging uit het natuurgebied toe en daalt de bodem hier ook. Daarbij is aanvoer van water van goede kwaliteit nodig naar het natuurgebied om de wegzijging te compenseren. Deze situatie is nu al aan de gang en zichtbaar in het landschap.

Zowel landbouw als natuur functioneert hier niet optimaal. 2. De polders in het gebied rondom Scheerwolde hebben diepe droogleggingen om de oxideert in Weerribben-Wieden e.o., hetgeen neerkomt op circa 92.500 ton CO2 per jaar. • De grondwatersituatie is complex. In de diepe polders komt veel kwel voor maar voor het overige deel is sprake van wegzijging, veroorzaakt door de groter grondwaterstroming van oost naar west richting de Noordoostpolder. De consequentie daarvan is dat de grondwaterstanden in droge periodes niet alleen dalen door verdamping, maar ook door grootschalige wegzijging. Water uit het natuurgebied zijgt weg naar omringende polders en naar de Noordoostpolder. De polders met veen zijn bemalen. Als er watervraag in de polders is gebeurt de inlaat van water vanuit de boezem. Het water in het natuurgebied maakt onderdeel uit van de boezem en wordt op boezempeil gehouden (gemiddeld over een jaar -0,78m NAP). akkerbouw goed te faciliteren. Het gevolg is echter dat een groot peilverschil ontstaat tussen natuurgebied en landbouwgebied. Wegzijging uit het natuurgebied met bijbehorende verdroging en bodemdaling is het gevolg. De snelle daling van de bodem in de landbouwgebieden nodigt uit tot verdere verlaging van het peil (tot het veen weg is). Dit maakt de peilverschillen groter.

Tevens worden de uitmaalhoeveelheden in de polder groter door de toenemende kwel uit het natuurgebied. 3. Schade aan bebouwing en extra (beheers-) inspanningen (wegen, leidingen) nabij Zwartsluis, in het zuidelijk deel van het gebied. Wegen, waterleidingen, riolering en elektriciteitskabels hebben te lijden onder ongelijkmatige zakkingen van de bodem. Tuinen en openbare ruimte verzakken. Dit blijkt al in de praktijk te gebeuren. Beheer van ruimte en water leidt hier tot maatschappelijk hogere kosten. 4. Het omlaag brengen van de CO2 uitstoot als gevolg van oxidatie van het veen. onderverdeling in twee typen. Ten eerste het veen direct aan het oppervlak en ten tweede veen met daarop een dunne kleilaag, langs de randen van de voormalige Zuiderzee. Natuurgebied de Weerribben- Wieden kent, daar waar geen ontgravingen hebben plaatsgevonden, grotendeels een dik veenpakket (variërend van 1 tot 3 meter) met aan de westzijde een dun kleidek (circa 50 cm). De polders, zoals rondom Scheerwolde, bestaan uit zand met een klein veendek aan de randen (40 tot 70 cm) door de turfwinning die in het verleden heeft plaatsgevonden. Algemeen geldt dat de dikte van het veenpakket afneemt van west naar oost waar uiteindelijk een zandige laag aan de oppervlakte komt.

(zie figuur 2.6) • Bodemdaling zorgt ervoor dat in de huidige situatie circa 680.000 m3 veen per jaar 2.3.3 Werkscenario ‘doorgaan’ (zie bijlage 1: Almanak Weerribben-Wieden e.o.; h. 4) Het werkscenario ‘Doorgaan’ geeft inzicht in de verwachte bodemdaling in de autonome situatie, als we geen systeemmaatregelen toepassen. Deze situatie dient als referentie voor het analyseren van de twee andere werkscenario’s. De belangrijkste effecten: • De analyses laten zien dat in 2050 een gemiddelde bodemdaling is opgetreden van ca. 30 cm, en in 2100 meer dan 60 cm. De mate van bodemdaling verschilt per locatie. • Het veenpakket is in 2100 flink afgenomen en in delen van het gebied verdwenen (zie almanak pag. 35). • Men ziet dat in de klei-op-veen polders sprake is van relatief snelle bodemdaling, vooral in die delen die wegzijgen naar de Noordoostpolder. • Het deel van de polders dat onder invloed staat vanuit kwel vanuit het natuurgebied daalt veel minder snel. In het natuurgebied zelf vindt ook enige bodemdaling plaats, vooral aan de randen, waar grondwater wegzijgt naar de naastgelegen polders met lagere peilen. • In de polders rondom Scheerwolde is sprake van snelle bodemdaling, vanwege de grote droogleggingen en bijbehorende lage grondwaterstanden. In 2050 is hier vrijwel al 34 het veen verdwenen bij voortzetting van het huidig peilbeheer.

• De veenoxidatie gaat onverminderd door, hetgeen inhoudt dat in 2050 circa 650.000 tot 700.000 m3 veen per jaar oxideert volgens de berekeningen. • De bijbehorende berekende uitstoot van CO2 per jaar blijft hoog met circa 90.000 tot 95.000 ton in het zichtjaar 2050. Doordat op diverse locaties het veen geheel verdwijnt wordt de totale CO2 uitstoot autonoom lager (uitstoot per jaar in 2050 is ca 30% lager dan in 2020). • Er treedt enige vermindering van het landbouwpotentieel op, doordat delen van het gebied sneller dalen dan andere. Door de variërende drooglegging is op de laagst gelegen percelen meer kans op inundatie of natte omstandigheden en op de hoger gelegen percelen kans op schade door droogte. • Het beheer van wegen/leidingen/riolering blijft duurder in de dalende gebieden dan in de niet- dalende gebieden (circa 1 tot 5 miljoen euro per jaar). • Door de daling van het maaiveld rondom de Weerribben-Wieden zijn de effecten voor natuur negatief. Door de bodemdaling en verdergaande peilverlaging in de landbouwgebieden neemt de wegzijging uit het natuurgebied toe. Dit leidt vooral aan de randen tot verdroging en bodemdaling en het maakt het noodzakelijk om meer gebiedsvreemd water aan te voeren om de natuurwaarden in stand te houden. Voor weidevogels treedt nauwelijks verandering op omdat de (voorjaars)grondwaterstand gelijk blijft.

• De doorgaande bodemdaling zorgt voor een toenemend waterveiligheidsrisico. Het gebied achter dijkring 9 komt lager te liggen. Doordoor wordt de schade die ontstaat als een dijk doorbreekt groter. Dit kan in de toekomst leiden tot strengere normering en bijbehorende extra versterkingen aan de dijken. • De peilaanpassing ('peil volgt bodemdaling') die hoort bij het werkscenario 'doorgaan' leidt tot een aantal extra opgaven voor het watersysteem: ◊ Om voldoende berging/afvoerend volume in de watergangen te houden moeten de bodems worden verdiept. Voor de watergangen die het waterschap beheert betekent dit dat circa 12.000 m3 Onderwaterdrainage Flexibel peilbeheer handhaven Bufferzones Figuur 2.7 Scenario ‘remmen’ met invulling van maatregelen 35 2.3.4 Werkscenario ‘remmen’ (zie bijlage 1: Almanak Weerribben-Wieden e.o.; h. 5) In de denkrichting/het werkscenario ‘remmen’ worden maatregelen gesimuleerd om de bodemdaling te vertragen (zie figuur 2.7). De maatregelen zijn onderwaterdrainage voor het westelijk deel en noordelijk deel van het gebied (de klei-op-veen-polders) met landbouw, en het intensief draineren van het westelijke deel met een drainafstand van vier meter, aangezien er grote wegzijging wordt verwacht. In het noordelijk deel wordt een drainafstand van 6 meter aangenomen.

Daarnaast zijn in het scenario een aantal buffers rondom het natuurgebied toegepast, met een peil met een hoogte tussen het peil van het natuurgebied en het peil in de landbouwpolders rondom Scheerwolde. Hierbij is het een belangrijke notie dat in dit illustratief bedoelde scenario de buffers in het landbouwgebied zijn aangelegd. Het is echter ook mogelijk om de buffers binnen de grenzen van het natuurgebied aan te leggen. Het effect om bodemdaling te remmen zal dan wel minder zijn, omdat het peil in het natuurgebied hoger ligt dan het peil in het landbouwgebied. Daardoor wordt het effect op het beperken van bodemdaling kleiner. De gekozen maatregelen in dit scenario worden in de praktijk elders al toegepast om bodemdaling te remmen, zo zijn er al diverse buffers ingericht langs het natuurgebied. Desondanks zijn er nog vele andere maatregelen denkbaar. De belangrijkste effecten: • Toepassing van deze maatregelen zorgt voor een berekende afname van de bodemdaling voor het gehele gebied van circa 35% ten opzichte van de autonome situatie (i.e. scenario ‘doorgaan’) Er is een duidelijk verschil te zien in bodemdaling: in de randzone tussen de Weerribben-Wieden en de Noordoostpolder neemt de bodemdaling op veel plekken af van circa 15 mm per jaar naar minder dan 5 mm per jaar. Er blijven echter nog veel plekken over waar de bodem snel blijft dalen.

Dit leidt tot lokale hoogteverschillen. • Het werkscenario remmen levert een berekende reductie op van 180.000 m3 veenoxidatie per jaar. • Het werkscenario remmen levert een berekende reductie op van 16.000 ton CO2 per jaar. • De remming van de bodemdaling voorkomt aanvullende investeringen in het watersysteem. De berekende afvoer neemt af met circa 1 - 5 miljoen m3 per jaar. De aanleg van onderwaterdrainage leidt tot een hogere afvoerbehoefte omdat de drains ook werken in natte omstandigheden. Daarentegen zorgen de buffers rondom het natuurgebied voor minder afvoer, omdat kwelwater uit het natuurgebied wordt geborgen in de buffers. Het berekend netto effect is een kleine afname van de jaarlijks af te voeren hoeveelheid. • De jaarlijkse aanvoerbehoefte van het hele gebied neemt af met 1 - 5 m3 miljoen per jaar. De aanleg van onderwaterdrainage zorgt voor een grotere watervraag voor deze polders. Daarentegen zijgt veel minder water weg uit de natuurgebieden door buffers en hogere grondwaterstanden in de landbouwpolders, zodat ook minder aanvoer nodig is om het natuurgebied op peil te houden. Het berekende netto effect is een kleine afname van de aan te voeren hoeveelheid. • Het rendement van de landbouw neemt af met 0,5 tot 1 miljoen euro per jaar. De reden is het verlies aan landbouwopbrengsten in de buffergebieden, alwaar het veel natter wordt in dit werkscenario.

• De remming van de bodemdaling reduceert de benodigde inspanning voor wegen/leidingen/ riolering voor een geschatte 1 tot 2 miljoen euro per jaar. • Een indicatie van de geschatte aanlegkosten van bovenstaande maatregelen is 10 tot 15 miljoen euro. Het grootste deel van de kosten bestaat uit de aanleg van de onderwaterdrainage. • De vermeden kosten voor waterbeheer (minder benodigde verdieping waterbeheer, minder aanpassingen aan kunstwerken vanwege opvoerhoogte of stuwhoogte, minder toename van energiekosten) bedragen circa 0,1 tot 0,5 miljoen euro per jaar. • Een indicatie van het totaal aan vermeden schade, verminderde opbrengsten en verlaagde beheerkosten voor de keuzes in werkscenario 'remmen' ten opzichte van 'doorgaan' komt neer op een afname van de kosten van 1 tot 2 miljoen euro per jaar. Hiervan is infrastructuur, zoals hierboven beschreven, veruit de grootste kostenpost. grondverzet per jaar extra. ◊ De bodemdaling is verschillend binnen een peilvak waardoor droogleggingen sterk gaan variëren. Een aanpassing van de landbouwpraktijk of van het watersysteem is op middellange termijn (circa 30 jaar) nodig, dit laatste in de vorm van nieuwe peilvakken/stuwen/gemalen.

◊ De daling van het peil leidt tot aanvullende energiekosten wegens toename van de opvoerhoogte alsook dat het water in de polder te diep wordt voor de maximale diepte van de vijzels van de belangrijkste gemalen. ◊ Bovenstaande extra opgaven leiden tot een geschatte kostenpost van 1 tot 5 miljoen euro per jaar. 36 Peil tot aan maaiveld Peil boezem verhogen tot -0.50m NAP 2.3.5 Werkscenario ‘stoppen’ (zie bijlage 1: Almanak Weerribben-Wieden e.o.; h. 5) In het werkscenario ‘stoppen’ worden systeemmaatregelen gesimuleerd om bodemdaling te stoppen (zie figuur 2.8). De maatregelen zijn het verhogen van het peil in de sloten tot aan maaiveld (zowel in de veengebieden als in de klei-op-veen gebieden), en het jaarrond verhogen van het boezempeil in de Weerribben- Wieden met gemiddeld 28 cm tot circa 0,5 m – NAP. De gekozen systeemmaatregelen (onderwaterdrainage, (tijdelijk) verhogen waterpeil) in dit scenario worden in de praktijk al toegepast om bodemdaling te stoppen. Desondanks zijn er nog vele andere maatregelen denkbaar. De belangrijkste effecten: • De maatregelen zorgen voor een berekende afname van de bodemdaling voor het gehele gebied van circa 60 % ten opzichte van de autonome situatie. • Toepassing van het scenario leidt tot grootschalige investeringen in het gebied om huizen bewoonbaar en wegen begaanbaar te houden.

Het gaat in ieder geval om > 1000 panden en > 100 km aan wegen. • Het werkscenario ‘stoppen’ levert een berekende reductie op van circa 300.000 m3 veenoxidatie per jaar in Weerribben-Wieden e.o. • Het werkscenario ‘stoppen’ levert een berekende reductie op van circa 55.000 ton CO2 per jaar. • Er is sprake van grote achteruitgang van het verdienpotentieel van de bestaande landbouw. Het berekend economisch rendement neemt af met 5 tot 10 miljoen euro per jaar. • Het stoppen van de bodemdaling zorgt dat de berekende afvoer afneemt met circa 3 tot 7 m3 per jaar (circa 5%) en dat de benodigde Figuur 2.8 Scenario ‘stoppen’ met invulling van maatregelen 37 2.3.6 Conclusies (ook specifiek per Crux) (zie bijlage 1: Almanak Weerribben-Wieden e.o.; p. 54, p. 56, en h. 6) Conclusies ‘doorgaan’ • Door lage grondwaterstanden daalt de bodem in dit deelgebied. De bodemdaling in de polders rondom Scheerwolde is het snelst door de grote droogleggingen. De verwachting is dat het veen in deze gebieden binnen 30 jaar voor een belangrijk deel verdwenen is. De randzones van de klei-op-veen gebieden dalen eveneens sneller dan de delen nabij het natuurgebied. De reden hiervoor is dat in de randgebieden de wegzijging hoger berekend wordt. • De bijbehorende uitstoot van CO2 per jaar daalt autonoom door het opraken van veen.

In 2050 wordt verwacht dat circa 95.000 ton CO2 wordt uitgestoten door veenoxidatie. • Er treedt enige vermindering van het landbouwpotentieel op omdat binnen peilvakken verschillen zijn in snelheid van bodemdaling, waardoor de snelst dalende delen op termijn te nat worden en de langzaamst dalende delen te droog. • Voor weidevogels treedt nauwelijks verandering op omdat de (voorjaars) grondwaterstand gelijk blijft. • Voor de infrastructuur, kabels & leidingen en bebouwing blijft gelden dat aanvullend beheer en maatregelen nodig zijn ten opzichte van niet-veengebieden. • Werkscenario 'doorgaan' leidt tot de noodzaak om vanaf een periode van 30 jaar het watersysteem deels te herindelen. Extra en toenemende kosten moeten worden gemaakt om het watersysteem dienend te houden aan de aanwezige functies. • Er treedt mogelijk schade op aan funderingen van gebouwen. Conclusies ‘remmen’ (zie figuur 2.9) • De systeemmaatregelen, bestaande uit onderwaterdrainage en de inrichting van enkele buffers met peil tot aan maaiveld, hebben wisselende effectiviteit op het remmen van de bodemdaling. • De bodemdaling in de klei-op-veen-polders kan deels worden geremd met een dicht netwerk van onderwaterdrainage (afstand 4 meter). Wel dient hierbij opgemerkt te worden dat meer water moet worden aangevoerd om die vervolgens weg te laten wegzijgen.

Aan de randen van de polders gaat de wegzijging te snel, hier werkt de maatregel niet. • Een bijbehorend voordeel is dat de wegzijging uit het natuurgebied naar het westen minder snel gaat, omdat er hogere grondwaterstanden zijn in de landbouwpolders. In het natuurgebied wordt de bodemdaling ook geremd. De afname van wegzijging uit het natuurgebied leidt tot een verminderde aanvoerbehoefte naar het natuurgebied. Netto neemt de aanvoerbehoefte naar het natuurgebied en de landbouwpolders af met ca. 5%. • De buffergebieden kunnen kansrijk zijn om bodemdaling binnen het natuurgebied te remmen. Het werkt niet goed als er zeer lage peilgebieden in de nabijheid zijn. Rondom Giethoorn is het zeer lastig een buffergebied te realiseren vanwege de aanwezige bebouwing en infrastructuur. • Het rendement van sommige landbouwpercelen kan enigszins verbeteren ten opzichte van de huidige situatie, door de aanleg van onderwaterdrainage. Dit komt door de drainerende werking van de drains in de winter (minder natschade) en bestrijding droogteschade in zomer (minder droogteschade). • De investeringen behorend bij dit scenario lijken te kunnen worden terugverdiend in een periode van 10 tot 20 jaar. aanvoer toeneemt met 8 tot 12 m3 per jaar (10 - 15%) (gemiddeld jaar).

Zowel de afname van de afvoer als de toename van de aanvoer wordt veroorzaakt door de hogere peilen en hogere wegzijging naar buiten het veengebied. • De remming van de bodemdaling reduceert de benodigde inspanning voor wegen/leidingen/ riolering. Echter zijn mogelijk aanvullende kosten nodig voor regulier beheer vanwege de veel nattere ondergrond. Deze zijn niet in beeld gebracht. • Het areaal dat potentieel geschikt is voor weidevogels neemt toe. De reden is dat het vernatten van de landbouwgrond zal leiden tot extensivering van het landbouwgebruik, hetgeen ruimte biedt voor weidevogels. • Een indicatie van de geschatte aanlegkosten van bovenstaande maatregelen is 10 tot 20 miljoen euro. De voornaamste aanlegkosten bestaan uit voorzieningen om huizen vochtdicht en wegen begaanbaar te maken. • Een indicatie van toenemende schade en veranderende beheerkosten voor de keuzes in werkscenario 'stoppen' ten opzichte van 'doorgaan' komt neer op ca. 1 tot 3 miljoen euro per jaar.

38 Onderwaterdrainage Flexibel peilbeheer handhaven Bufferzones Kansrijke locaties bufferzone Kansrijke locaties onderwaterdrainage Peil tot aan maaiveld Peil boezem verhogen tot -0.50m NAP Kansrijke locaties verhogen boezempeil tot -0.50m NAP Kansrijke locaties opzetten peil tot aan maaiveld Figuur 2.9 Kansrijke systeemmaatregelen bij het werkscenario ‘remmen’ (kansrijkheid is alleen gericht op het succes van het remmen van bodemdaling) Figuur 2.10 Kansrijke systeemmaatregelen bij het werkscenario ‘stoppen’ (kansrijkheid is alleen gericht op het succes van het stoppen van bodemdaling) 39 Specifiek voor de cruxen • Overgangsgebied klei-op-veen-polders en Weerribben-Wieden. Het remmen van de bodemdaling met onderwaterdrainage in de klei-op-veen-polders ten westen van de Weerribben heeft potentie voor de crux: er zijgt meer water weg uit de klei-op-veen- polders door de onderwaterdrainage, maar de grondwaterstand is gemiddeld hoger in droge situaties en lager in natte situaties. Hierdoor is de noodzaak om het peil te verlagen kleiner en is in alle gevallen de wegzijging uit het natuurgebied kleiner. Naast het feit dat dit de bodemdaling remt, betekent dit ook dat er minder gebiedsvreemd water hoeft te worden aangevoerd, hetgeen ook positief is voor de natuurwaarden.

Een kanttekening hierbij is dat de aanvoer van water naar de klei-op-veen-polders via de boezem in het natuurgebied gebeurt. Een zoektocht naar een andere manier van wateraanvoeren ligt voor de hand om echt rendement te hebben van de maatregel. • Overgangsgebied polders Scheerwolde en Weerribben-Wieden. De buffers leiden op kleine schaal tot vermindering van wegzijging aan de oostzijde van het natuurgebied. Echt kansrijk zijn de maatregelen om bodemdaling te remmen niet, enkele locaties uitgezonderd. De reden is dat de peilen in enkele polders rondom Scheerwolde zo laag zijn, dat water uit de omgeving blijft opkwellen in deze polders; dit water is mede afkomstig uit wegzijgend water uit het natuurgebied, zelfs na aanleg van buffers. • Zwartsluis. Bij het werkscenario ‘remmen’ werkt de systeemmaatregel onderwaterdrainage niet noemenswaardig op eventuele schade aan bebouwing. Er is geen groot effect nabij het stedelijk gebied van Zwartsluis. Wel wordt aanzienlijk bespaard op het onderhoud van wegen, kabels en leidingen: indicatief berekend 1 tot 2 miljoen euro per jaar. Conclusies ‘stoppen’ (zie figuur 2.10) • Veenoxidatie neemt sterk af door het peil op te zetten tot aan maaiveld. De CO2 reductie is ruim 50% (van 82.000 ton naar 40.000 ton per jaar).

• Opzetten tot aan maaiveld leidt in grote delen van het veengebied tot het stoppen van bodemdaling, maar vereist meerdere functieveranderingen, vooral in de landbouw. Landbouw in de huidige vorm is niet meer mogelijk vanwege de veel optredende plas- dras-omstandigheden in het gebied. Dit geldt overal, maar vooral voor de kavels met akkerbouw. Het berekend rendement van de landbouw per jaar neemt af met 5-10 miljoen euro (30 tot 60%) per jaar. • Voor de bebouwing zijn de gevolgen zeer negatief vanwege natschade en natte kruipruimten en optrekkend vocht. Verzakkingen door bodemdaling worden wel gestopt. • Voor de infrastructuur zijn de gevolgen in principe negatief omdat ruim 100 km aan wegen overlast ondervinden van het opzetten van het peil (o.a. opdrijvende wegen, hogere waterstanden onder bruggen). • Voor weidevogels is het werkscenario ‘stoppen’ naar verwachting gunstig, vanwege de extensivering van de landbouw. • De investeringen benodigd voor dit scenario worden niet terugverdiend door besparingen in beheer en onderhoud. De kosten voor beheer en onderhoud nemen juist toe, met circa 1-3 miljoen euro per jaar. Specifiek voor de cruxen • Overgangsgebied klei-op-veen-polders en Weerribben-Wieden. Het blijkt moeilijk om de bodemdaling te stoppen door het opzetten van het peil. Het water komt minder snel de percelen in dan dat het verdampt/wegzijgt.

Hierdoor zijn de randen van de percelen natter dan de middens. Er ontstaan in de loop der jaren ‘holle percelen’, waarbij het midden lager komt te liggen dan de rand. Het relatief geringe vernattende effect van de maatregelen blijkt bij lange na niet genoeg om de bodemdaling te stoppen. De bodemdaling wordt wel geremd, maar over het gehele gebied genomen is dit maar iets meer dan bij het scenario ‘remmen’ waar onderwaterdrainage wordt gebruikt maar geen peilverhoging wordt toegepast. Het opzetten van het peil in het natuurgebied leidt tot minder bodemdaling, hetgeen gunstig is. Wel komt een aanzienlijk deel van het natuurgebied onder water te staan. Dit is negatief is voor aanwezige natuurwaarden, die gedijen bij plas-dras-omstandigheden. Tevens moet veel gebiedsvreemd water worden aangevoerd voor het hogere peil. • Overgangsgebied polders Scheerwolde en Weerribben-Wieden. Vanwege de relatief doorlatende bodem lukt het goed om de grondwaterstand tot aan maaiveld te houden. De bodemdaling in de landbouwpolders wordt geheel gestopt en er is een sterk vernattend effect voor het natuurgebied. De maatregelen in dit scenario vereisen wel grootschalige aanpassingen aan bestaande infrastructuur, bewoning en landbouwgebruik. • Zwartsluis.

De verhoging van de waterstand leidt tot stoppen of significant remmen van de bodemdaling, waardoor schade aan bebouwing, infrastructuur en kabels en leidingen door bodemdaling vermindert. Wel moeten aanzienlijke investeringen worden gedaan om het gebied bewoonbaar en bereikbaar te houden. 40 Het Staphorsterveld heeft minder urgente uitdagingen dan de andere twee deelgebieden. Er is wel sprake van een suboptimale situatie bij de over- gang tussen landbouwpolders rondom Natura2000-gebied de Olde Maten. Landbouwgebied: - de landbouwpolders zijn te nat - toename kwel door bodemdaling Natuurgebied: - verdroging natuurgebied, door toename wegzijging naar lager gelegen landbouwgebied. - aanvoeren water goede kwaliteit wordt moeilijker door hoogteverschillen - regionaal grondwatersysteem verandert door toename hoogteverschillen (minder kwel vanuit Drents plateau naar natuurgebied) Legenda geen veen of < 40cm 150 tot 200 cm veen 100 tot 150 cm veen 200 tot 250 cm veen 70 tot 100 cm veen 250 tot 300 cm veen 40 tot 70 cm veen > 300 cm veen Veendikte 2020 Figuur 2.11 Veendikte en cruxen in deelgebied Staphorsterveld 41 2.4.1 Situatieschets (zie bijlage 1: Almanak Staphorsterveld; h. 1 en h. 2) 2.4 Staphorsterveld Staphorsterveld is een veengebied, gelegen tussen het Zwarte Water aan de westzijde en de (iets) hogere zandgronden bij Staphorst.

Dit veengebied is ontstaan als deltagebied in samenhang met de veengebieden van Mastenbroek en Weerribben- Wieden e.o. Het natuurgebied Olde Maten en de rand langs het Zwarte Water vormen een afwisselend gebied met open en gesloten delen. Een groot deel van de kavels tussen Olde Maten en het Zwarte water is in extensief landbouwkundig gebruik. Het oostelijk deel van het gebied heeft een meer open structuur, met intensiever agrarisch landgebruik en een grotere ontwatering. Hier ligt ook het blauwgraslandreservaat Veerslootlanden. Kenmerken van Staphorsterveld in de huidige situatie met huidig waterbeheer zijn: • Het gebied helt licht af van oost naar west. Het oostelijk deel ligt ongeveer een halve meter hoger dan het westelijk deel. De afwatering vindt ook overwegend in oost-westelijke richting plaats richting het Zwarte Water. • Kenmerkend voor het gebied is het dikker worden van het veenpakket van oost naar west. Tevens wordt het gebied van oost naar west minder zandig. Halverwege de Olde Maten wordt het veen bedekt met een dunne laag klei, die in de richting van het Zwarte Water steeds dikker wordt tot circa 3 meter dik. Ten zuiden en ten oosten van de Olde Maten is de veendikte ten hoogste circa 1.5 meter dik. Het gebied onder de blauwgraslanden van de Veerslootlanden heeft een veendikte variërend van 0,5 tot 1,5 meter (zie figuur 2.11).

• De kaart met de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (zie almanak p. 27) laat zien dat de veengebieden ten oosten en noordwesten van de Olde Maten en Veerslootlanden ook in droge situaties relatief nat blijven. In deze gebieden is er sprake van goed doorlatende bodems en op diverse plaatsen een kwelsituatie. De gebieden ten westen van de Olde Maten zijn ook relatief nat, wat vooral veroorzaakt wordt door kwel uit het Zwarte Water en kleinere droogleggingen. • Het natuurgebied zelf heeft een flexibel peil, waarbij het waterpeil in de boksloten (en daarmee het grondwater) meebeweegt met de weersomstandigheden. Bij grondwaterstanden onder -1,20m NAP wordt water ingelaten. De bodems zijn overwegend slechtdoorlatend. • Bodemdaling zorgt ervoor dat in de huidige situatie circa 320.000 m3 veen per jaar oxideert, hetgeen neerkomt op circa 45.000 ton CO2 per jaar. 2.4.2 De opgaven (zie bijlage 1: Almanak Staphorsterveld; h. 3) Een aantal urgent gevoelde uitdagingen in dit gebied zijn gerelateerd aan veenbodemdaling, de zogenaamde ‘cruxen’ (zie figuur 2.11). Deze zijn: 1. De moeilijkheid om in dit gebied de landbouwwaarden en natuurwaarden te verenigen via het waterbeheer. Voor de landbouw is zowel het gebied aan de westzijde als het gebied aan de oostzijde te nat.

Peilverlaging is echter niet altijd wenselijk, aangezien dat tot (meer) wegzijging uit het natuurgebied kan leiden met als resultaat teloorgang van sommige natte natuurwaarden. 2. Daarnaast bestond voorafgaand aan deze analyse de vrees dat door wisselende snelheden van bodemdaling de oostkant van het gebied sneller zakt dan de westkant, waardoor afwatering onder vrij verval niet meer mogelijk is. Deze analyse toont echter aan dat dit niet het geval lijkt te zijn. 3. Het omlaag brengen van de CO2 uitstoot als gevolg van oxidatie van het veen. 2.4.3 Werkscenario ‘doorgaan’ (zie bijlage 1: Almanak Staphorsterveld; h. 4) Het werkscenario ‘Doorgaan’ geeft inzicht in de verwachte bodemdaling in de autonome situatie, als we geen systeemmaatregelen toepassen. Deze situatie dient als referentie voor het analyseren van de twee andere werkscenario’s. De belangrijkste effecten: • De analyses laten zien dat in 2050 een bodemdaling is opgetreden van ca 10 tot 30 cm. De mate van bodemdaling verschilt per locatie. De uiterwaarden van het Zwarte Water dalen volgens de berekeningen het snelst. Wel is het de vraag hoeveel veen of veenachtig materiaal hier nog daadwerkelijk aanwezig is. In ongeveer de helft van het veengebied is de daling < 5 mm per jaar. Binnen het natuurgebied zelf daalt het aanwezige veen snel (>10 mm per jaar) op diverse plaatsen.

• In 2050 is ten oosten van de Klaas Kloosterweg (waaraan veel boerderijen liggen) nergens meer veen te vinden met een dikte van meer dan 40 cm. In 2100 is het meeste veen ten oosten van de Olde Maten en Veerslootlanden verdwenen of dunner dan 40 cm (zie almanak pag. 35). 42 Onderwaterdrainage Flexibel peil handhaven Figuur 2.12 Scenario ‘remmen’ met invulling van de maatregelen 43 • In de Olde Maten zelf is in de huidige situatie een veenpakket van 100 tot 200 cm, maar dit wordt in sommige delen snel dunner. In 2100 is te zien dat in het grootste deel het veen dunner is dan 100 cm. Met het huidig peilbeheer in het natuurgebied zal het veen op den duur geheel verdwijnen. De reden is dat het grondwater slecht te sturen is vanuit de in het gebied aanwezige sloten. Bij droge zomers zal de grondwaterstand ver uitzakken, ondanks inlaat van water. • Wel zal de bodemdaling in het natuurgebied langzamer gaan met de tijd, omdat de kwelstroom van de omgeving naar het natuurgebied gaat toenemen als het natuurgebied harder daalt dan de omgeving. Dit beperkt de mate van uitzakking van de grondwaterstand in de zomer. • Ten westen van de Olde Maten blijft het veen in het algemeen een dik pakket van meer dan twee meter. Dit komt door de in veel percelen relatief natte omstandigheden en de aanwezigheid van een laag klei op het veen, die veenoxidatie helpt te voorkomen.

• De veenoxidatie gaat onverminderd door, hetgeen inhoudt dat in 2050 circa 320.000 m3 veen per jaar oxideert. • De bijbehorende uitstoot van CO2 per jaar is berekend op circa 45.000 ton. Doordat op diverse locaties het veen geheel verdwijnt wordt de totale CO2 uitstoot autonoom lager (uitstoot per jaar in 2050 is ca 25% lager dan in 2020). • Er treedt enige vermindering van het landbouwpotentieel op, doordat delen van het gebied sneller dalen dan andere. Door de variërende drooglegging is op de laagst gelegen percelen meer kans op inundatie of natte omstandigheden en op de hoger gelegen percelen schade door droogte. • Voor natuur geldt dat de snellere bodemdaling in het natuurgebied op den duur leidt tot meer kwel, zoals hierboven beschreven. De bodemdaling leidt niet tot extra verdroging, hetgeen een aandachtspunt is voor het natuurgebied. De verwachting is dat de bodemdaling in scenario ‘Doorgaan’ geen negatief effect heeft op de natuurwaarden. • Het beheer van wegen/leidingen/riolering blijft duurder in de dalende gebieden dan in de niet- dalende gebieden (berekend op circa 0,5 tot miljoen euro per jaar) . • De doorgaande bodemdaling zorgt voor een toenemend waterveiligheidsrisico. Het gebied achter dijkring 9 en 53 komt lager te liggen. Doordoor wordt de schade die ontstaat als een dijk doorbreekt groter.

Dit kan in de toekomst leiden tot strengere normering en bijbehorende extra versterkingen aan de dijken. • De peilaanpassing ('peil volgt bodemdaling') die hoort bij het werkscenario 'doorgaan' leidt tot een aantal extra opgaven voor het watersysteem: ◊ Om voldoende berging/afvoerend volume in de watergangen te houden moeten de bodems worden verdiept. Voor de watergangen die het waterschap beheert betekent dit dat circa 7.000 m3 grondverzet per jaar extra. ◊ De bodemdaling is verschillend binnen een peilvak, waardoor droogleggingen sterk gaan variëren. Een aanpassing van de landbouwpraktijk of van het watersysteem is op middellange termijn (circa 30 jaar) nodig, dit laatste in de vorm van nieuwe peilvakken/stuwen/gemalen. ◊ De daling van het peil leidt tot aanvullende energiekosten wegens toename van de opvoerhoogte, alsook dat het water in de polder te diep wordt voor de maximale diepte van de vijzels van de belangrijkste gemalen. ◊ Bovenstaande extra opgaven leiden tot een geschatte kostenpost van 0,5 tot 1 miljoen euro per jaar voor het veengebied ten opzichte van andere ondergronden. 2.4.4 Werkscenario ‘remmen’ (zie bijlage 1: Almanak Staphorsterveld; h. 5) In de denkrichting/het werkscenario ‘remmen’ worden maatregelen gesimuleerd om de bodemdaling te vertragen (zie figuur 2.12).

De maatregelen zijn onderwaterdrainage (6 meter onderlinge afstand, in totaal circa 3500 hectare) in alle veengebieden rondom Olde Maten met een dikte van meer dan 60 cm in de huidige situatie, en het continueren van het huidige flexibel peilbeheer in Olde Maten. De belangrijkste effecten: • Toepassing van deze maatregelen zorgt voor een berekende afname van de bodemdaling voor het gehele gebied van circa 10 % ten opzichte van de autonome situatie (i.e. scenario ‘doorgaan’). Dit is beduidend minder dan in de andere deelgebieden. De redenen hiervoor zijn dat enerzijds er in veel gebieden al relatief weinig bodemdaling was, en anderzijds dat de onderwaterdrainage in diverse delen minder effectief is (zie conclusies). Het meeste resultaat wordt geboekt op percelen rondom de Olde Maten. De mate van effectiviteit kan lokaal echter al erg verschillen. • Het werkscenario ‘remmen’ levert een berekende reductie op van 5.000 ton CO2 per jaar. 44 Peil opzetten tot maaiveld Flexibel peil handhaven Figuur 2.13 Scenario ‘stoppen’ met invulling van de maatregelen 45 Peil opzetten tot maaiveld • De remming van de bodemdaling voorkomt de bij het scenario ‘doorgaan’ genoemde aanvullende investeringen in het watersysteem. Wel neemt de berekende benodigde afvoer toe met circa 1 – 5 miljoen m3 per jaar.

De aanleg van onderwaterdrainage leidt tot een hogere afvoerbehoefte omdat de drains ook werken in natte omstandigheden en water dus sneller wordt afgevoerd. • De jaarlijkse aanvoerbehoefte van het hele gebied neemt toe met circa 1 miljoen m3 per jaar. De aanleg van onderwaterdrainage zorgt voor een grotere watervraag voor de polders. Wel zien we in het Staphorsterveld dat de aanvoerbehoefte laag is in vergelijking met andere gebieden. • Het rendement van de landbouw blijft vrijwel gelijk. De reden hiervoor is het relatief geringe effect van de maatregelen op de grondwaterstand. Het effect dat wel wordt bereikt heeft nauwelijks invloed op het verdienpotentieel van de aanwezige landbouw. • De remming van de bodemdaling reduceert de benodigde inspanning voor wegen/leidingen/ riolering voor een geschatte 0,1 tot 0,5 miljoen euro per jaar. • Een indicatie van de geschatte aanlegkosten van bovenstaande maatregelen is 5 tot 10 miljoen euro. Deze kosten bestaan uit de bouwkosten van de onderwaterdrainage. • De vermeden kosten voor waterbeheer (minder benodigde verdieping waterbeheer, minder aanpassingen aan kunstwerken vanwege opvoerhoogte of stuwhoogte, minder toename van energiekosten) bedragen circa 0,1 tot 0,5 miljoen euro per jaar.

• Een indicatie van het totaal aan vermeden schade, verminderde opbrengsten en verlaagde beheerkosten voor de keuzes in werkscenario 'remmen' ten opzichte van 'doorgaan' komt neer op een afname van de kosten van 0,5 tot 1 miljoen euro per jaar. 2.4.5 Werkscenario ‘stoppen’ (zie bijlage 1: Almanak Staphorsterveld; h. 5) In het werkscenario ‘stoppen’ worden maatregelen gesimuleerd om de bodemdaling zoveel als mogelijk te stoppen (zie figuur 2.13). In zowel de klei-op-veen gebieden als de veenpolders wordt het peil in de watergangen opgezet tot aan maaiveld. Het huidige ‘natuurlijk’ peilbeheer in de Olde Maten wordt gecontinueerd. De belangrijkste effecten: • Toepassing van deze maatregelen zorgt voor een berekende afname van de bodemdaling voor het gehele gebied van circa 80% ten opzichte van de autonome situatie. Bodemdaling wordt nagenoeg gestopt behalve voor sommige delen van de Olde Maten en de uiterwaarden van het Zwarte Water (waarbij het onzeker is hoeveel venig materiaal zich hier daadwerkelijk bevindt.) • Toepassing van het scenario leidt tot grootschalige investeringen in het gebied om huizen bewoonbaar en wegen begaanbaar te houden. Het gaat in ieder geval om 1000-1500 panden en 100 tot 200 km aan wegen. • Het werkscenario ‘stoppen’ levert een berekende reductie op van circa 250.000 m3 veenoxidatie per jaar in deelgebied Staphorsterveld.

• Het werkscenario ‘stoppen’ levert een berekende reductie op van circa 35.000 ton CO2 per jaar. • Er is sprake van grote achteruitgang van het verdienpotentieel van de bestaande landbouw. Het berekend economisch rendement neemt af met 5 tot 10 miljoen euro per jaar. • Het stoppen van de bodemdaling zorgt ervoor dat de berekende afvoer afneemt met circa 5 tot 10 miljoen m3 per jaar (circa 15-25%) en dat de benodigde aanvoer toeneemt met 5 tot 10 miljoen m3 per jaar (100 - 200%) (gemiddeld jaar). Zowel de afname van de afvoer als de toename van de aanvoer wordt veroorzaakt door de hogere peilen en hogere wegzijging naar buiten het veengebied in dit werkscenario. • De remming van de bodemdaling reduceert de benodigde inspanning voor wegen/leidingen/ riolering. Echter zijn mogelijk aanvullende kosten nodig voor regulier beheer vanwege de veel nattere ondergrond. Deze zijn niet in beeld gebracht. • Het areaal dat potentieel geschikt is voor weidevogels neemt toe. De reden is dat het vernatten van de landbouwgrond zal leiden tot extensivering van het landbouwgebruik, hetgeen ruimte biedt voor weidevogels. • Een indicatie van de geschatte aanlegkosten van bovenstaande maatregelen is 10 tot 20 miljoen euro. De voornaamste aanlegkosten bestaan uit voorzieningen om huizen vochtdicht en wegen begaanbaar te maken.

• Een indicatie van toenemende schade en veranderende beheerkosten voor de keuzes in werkscenario 'stoppen' ten opzichte van 'doorgaan' komt neer op circa 1 tot 5 miljoen euro per jaar. 46 Onderwaterdrainage Flexibel peil handhaven Kansrijke locaties onderwaterdrainage Peil opzetten tot maaiveld Flexibel peil handhaven Kansrijke locaties handhaven flexibel peil Kansrijke locaties opzetten peil tot aan maaiveld Figuur 2.14 Kansrijke systeemmaatregelen bij het werkscenario ‘remmen' (kansrijkheid is alleen gericht op het succes van het remmen van bodemdaling) Figuur 2.15 Kansrijke systeemmaatregelen bij het werkscenario ‘stoppen’ (kansrijkheid is alleen gericht op het succes van het stoppen van bodemdaling) 47 Kansrijke locaties handhaven flexibel peil Kansrijke locaties opzetten peil tot aan maaiveld 2.4.6 Conclusies (ook specifiek per Crux) (zie bijlage 1: Almanak Staphorsterveld; p. 54, p. 56, en h. 6) Conclusie ‘doorgaan’ • Doorgaan met het huidige peilbeheer leidt naar verwachting niet tot onoverkomelijke problemen voor het veengebied van het Staphorsterveld. De bodemdaling in het natuurgebied zal zich enigszins stabiliseren naar de toekomst. Tevens kan de huidige drooglegging gecontinueerd worden zonder dat er noemenswaardige wegzijging uit het natuurgebied zal plaatsvinden. Het blijft echter een suboptimale situatie voor met name de landbouwfunctie.

Conclusies ‘remmen’ (zie figuur 2.14) • De systeemmaatregel bestaat uit onderwaterdrainage, die over het algemeen een beperkt effect heeft op het remmen van de bodemdaling. Slechts enkele samenhangende gebieden lijken hydrologisch gezien kansrijk. Deze uitspraak geldt voor een grove schaal. Voor individuele percelen kan onderwaterdrainage nog wel interessant zijn. • De onderwaterdrainage is hydrologisch gezien beperkt effectief in het Staphorsterveld vanwege de relatief hoge zomergrondwaterstanden in het gebied. Deze worden veroorzaakt door zowel de aanwezigheid van kwel als het feit dat in het oostelijke deel de grondwaterstand sterk wordt gestuurd door het peil van het oppervlaktewater. Doordat er al hoge grondwaterstanden zijn is het effect minder groot. • Het rendement van sommige landbouwpercelen kan lokaal enigszins verbeteren ten opzichte van de huidige situatie door de aanleg van onderwaterdrainage. Dit komt door de drainerende werking van de drains in de winter (minder natschade) en bestrijding droogteschade in zomer (minder droogteschade). De landbouwschadeberekeningen tonen echter geen significant positief effect. • Aangezien er relatief veel kabels en leidingen in de gebieden liggen waar de bodemdaling wordt geremd, is er lokaal wel sprake van effectieve maatregelen.

Dit komt tot uiting in de besparing van beheer en onderhoudskosten (circa 0,1 tot 0,5 miljoen euro per jaar). • Vanwege dit berekende positieve effect lijken de investeringen behorend bij dit scenario te kunnen worden terugverdiend in een periode van 10 tot 20 jaar. • Het remmen van de bodemdaling vermindert of voorkomt systeemingrepen in het watersysteem, zoals nieuwe polders, nieuwe kunstwerken of andere aanvoer- en afvoerrichtingen. Specifiek voor de crux • De essentie van de crux is dat er een suboptimaal evenwicht is tussen de natuurfunctie en de landbouwfuncties. De maatregelen bij remmen verbeteren dit evenwicht enigszins, omdat het peilverschil tussen natuurgebied en landbouwgebied weinig groter zal worden. De status quo van de natuurwaarden blijft daarmee bewaard. Wel geldt dat delen van het natuurgebied zullen verzakken. De verwachting is dat dit effect in snelheid zal afnemen naarmate de kwel uit de omgeving naar het natuurgebied zal toenemen. Op enig moment stabiliseert de bodemdaling op autonome wijze in dit scenario. Conclusie ‘stoppen’ (zie figuur 2.15) • Het opzetten van het peil tot aan maaiveld is een effectieve maatregel om bodemdaling nagenoeg te stoppen voor het overgrote deel van het gebied.

• Opzetten tot aan maaiveld leidt in grote delen van het veengebied tot het stoppen van bodemdaling, maar vereist meerdere functieveranderingen, vooral in de landbouw. Landbouw in de huidige vorm is niet meer mogelijk vanwege de veel optredende plas- dras-omstandigheden in het gebied. • De investeringen benodigd voor dit scenario worden niet worden terugverdiend door besparingen in beheer en onderhoud en beperken van CO2-uitstoot. Eerder nemen de kosten voor beheer en onderhoud toe met circa 1-5 miljoen euro per jaar. Specifiek voor de crux • De consequentie van het opzetten van het peil in de landbouwpolders is dat de Olde Maten zelf ook grotendeels zal vernatten. Dit heeft een negatief gevolg voor de aanwezige natuurwaarden. Aangezien de landbouwwaarden ook sterk achteruitgaan helpt dit scenario de crux niet. 48 Hoofdstuk 3 49 Percepties gebied Om te horen hoe de belangrijkste stakeholders tegenover deze verkenning staan is een zogenaamde ‘Ronde langs de velden’ gemaakt. Hiermee willen we inzichtelijk maken vanuit welke invalshoeken de belangrijkste stakeholders in het landelijk gebied naar de veenweidenproblematiek kijken en welke strategische vragen dit oplevert. De verschillende invalshoeken en posities hebben een plek gekregen in dit verhaal; de inhoud is getoetst bij de betrokkenen.

50 Foto's genomen tijdens eerste deel verkenning: praktijkdag 28 september 2017 (boven, twee keer), waardensessies Mastenbroek- Kamperveen (midden links), Weerribben-Wieden en omgeving (midden rechts), Staphorsterveld (linksonder) en rechtsonder de kennissessie op 6 december 2017. 51 3.1 De bedoeling van het rondje langs de velden 3.2 Kijkrichtingen op de ontwikkeling van de Veenweiden De discussie over de toekomst van de veenweidegebieden in Overijssel raakt verschillende actoren en wordt vanuit verschillende opgaven aangevlogen (natuur, waterbeheer, klimaat, economie, landschap, recreatie). Partijen kijken op verschillende manieren naar de opgaven en hanteren verschillende randvoorwaarden voor oplossingsrichtingen voor omgaan met bodemdaling door veenoxidatie. Dit verslag beschrijft wat ons is opgevallen tijdens bijeenkomsten en gesprekken met betrokkenen bij het gebied en wat we mee willen nemen naar de volgende fase van de ontwikkeling van de veenweidevisie. In het kader van de eerste idee vorming is er met een aantal stakeholders in de veenweiden van Noordwest Overijssel gesproken over hun beeld van de toekomst en hun visie op de bestaande situatie. In de gesprekken lag de nadruk op de situatie in het landelijk gebied omdat hier bodemdaling door veenoxidatie optreedt. In stedelijk gebied treedt bodemdaling vooral op door zetting.

Er zijn in totaal 10 bijeenkomsten geweest waaraan ongeveer 60 verschillende mensen deelnamen (veel mensen waren overigens meerdere malen aanwezig): • Najaar 2017: drie waardensessie waarin ondernemers, bewoners, overheden en nutsbedrijven deelden wat ze wilden bereiken en voorkomen bij de ontwikkeling van de veenweiden Hoe kijken mensen naar de toekomst van de veenweiden? Vanuit welk handelingsperspectief willen en kunnen zij aan oplossingen werken? Vanuit welke richting kijken ze naar de opgaven en dilemma’s? Kunnen we een gemeenschappelijk verhaal vinden waarop we onze keuzes over hoe om te gaan met bodemdaling kunnen baseren? In Overijssel zijn er grofweg drie veengebieden. Hoewel de problematiek in de gebieden verschillend is, zijn er geen belangrijke verschillen gevonden in de manier waarop stakeholders naar oplossingen kijken. We maken daarom in dit stuk geen onderscheid tussen de verschillende gebieden. • 27 maart: 12 agrarische ondernemers in het gebied Olde Maten/Veerslotenlanden • 3 april: beleidsadviseur en omgevingsmanager WDOD voor samenhang met andere trajecten provincie en waterschap • 10 april: 11 agrarische ondernemers in het gebied Mastenbroek-Kamperveen • 18 april: LTO Steenwijkerland, over inhoudelijke punten veenweideproblematiek • 30 april: Staatbosbeheer • 3 mei: gemeente Kampen • 15 mei: LTO Steenwijkerland over het gebied Weerribben-Wieden e.o.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/d4db0011-e316-4dd5-8777-2a3fb1ecade9?agendaItemId=e85fce5d-982f-4d20-b414-71773ac5a01a