30.2Uitgangspunten GGA NW Overijssel - bijlage 2a Hoofdrapport Veenweide.pdf
Tekst van het document
verkenning bodemdaling veenweidegebied Overijssel Feiten, analyses en bouwstenen voor vervolgkeuzes
verkenning bodemdaling veenweidegebied Overijssel Feiten, analyses en bouwstenen voor vervolgkeuzes
colofon verkenning bodemdaling veenweidegebied Overijssel Versie: 2.0 Status: Definitief Datum: June 2020 Opdrachtgever: Provincie Overijssel/Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) Projectnummer: 17i377 Partners: Infram, in samenwerking met ORG-ID en Berendrecht consultancy Auteurs: Goswin van Staveren, Flore Bijker, Lisa Naus, Geert de Vries (Infram), Roelof Westerhof (ORG-ID) en Wilbert Berendrecht (Berendrechtconsultancy) Veranderingen versie 2.0 ten opzichte van versie 1.0: Opmerkingen, aanscherpingen en aanvullingen door gemeentes, natuurbeheerorganisaties, LTO en agrariërs INFRAM B.V. Postbus 150 3950 AD MAARN Tel: +(0)343 – 745 600 www.infram.nl
5 Samenvatting Aanleiding, doel en positionering In het veenweidegebied van Overijssel daalt de bodem. Deze bodemdaling komt met name door veenoxidatie, wat diverse significante effecten heeft op (het gebruik van) het gebied. Dit zorgt voor problemen en knelpunten in de waterhuishouding, landbouwkundige problemen, ecologische en landschappelijke schade, CO2 uitstoot en schade aan infrastructuur. De gevolgen van bodemdaling zijn bepalend in de discussie over de toekomstige ontwikkelingen van het veenweidegebied van Overijssel. Als er niks verandert, zet de bodemdaling door, met alle gevolgen van dien. Doorgaan met de huidige situatie heeft onomkeerbare gevolgen voor het watersysteem, de landbouw, natuur, infrastructuur en CO2. Ingrepen om de bodemdaling te remmen of te stoppen via maatregelen leiden weer tot andere effecten op eerdergenoemde thema’s. Er moeten dan ook weloverwogen keuzes gemaakt kunnen worden door verschillende partijen. Daarom heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD), samen met provincie Overijssel behoefte aan een verkenning naar feiten en bouwstenen als basis voor een toekomstperspectief in gebieden waar de bodemdaling zich manifesteert. Provincie Overijssel en WDOD trekken hierbij bestuurlijk samen op. Deze studie beschrijft en verbeeldt de resultaten van de verkenning naar feiten en bouwstenen voor vervolgkeuzes.
Om uiteindelijk tot gedragen vervolgkeuzes in het veenweidegebied van Overijssel te kunnen komen is een breed gedeeld en onderschreven fundament van feiten en inzichten noodzakelijk. Dit is nodig voor een juiste probleemanalyse en het kunnen maken van de juiste keuzes. Deze verkenning is daarvoor bedoeld en biedt: • Inzicht in feiten en de maatgevende processen ('hoe werkt bodemdaling eigenlijk?'). • De belangrijkste effecten ('wat gebeurt er? wat gaat er mis? wanneer gebeurt dit ongeveer?'). • En een eerste beeld van handelingsperspectief aan de hand van illustratieve werkscenario’s doorgaan, remmen, stoppen ('wat zijn onze mogelijkheden, wat zijn de kosten en wat zijn de baten?'). Deze verkenning voorziet daarmee in het aanreiken van basisgegevens die inhoudelijk correct zijn en voldoende diepgang en inzichten bieden aan het gebied om gesprekken te voeren en onderbouwde keuzes te maken. Belangrijk doel is dan ook dat het verhaal begrijpelijk en communiceerbaar is. Mede daarom is achterin het rapport een verklarende woordenlijst opgenomen. Drie deelgebieden We maken onderscheid tussen drie deelgebieden. Elk van deze deelgebieden heeft zijn eigen 'veenuitdagingen' door onderscheidende bodemopbouw en hydrologie, landgebruik en cultuurhistorie. De bodemdaling binnen de drie deelgebieden heeft daarnaast ook mogelijke consequenties voor omringende gebieden.
Deze consequenties zijn in deze verkenning ook inzichtelijk gemaakt. Er zijn drie specifieke gebiedsalmanakken voor Mastenbroek-Kamperveen, Staphorsterveld en Weerribben-Wieden en omgeving samengesteld met nadere inhoudelijke achtergrondinformatie, analyses, kaartmateriaal en effectbeschrijvingen van de drie werkscenario’s. Deze drie gebiedsalmanakken zijn als aparte bijlage (bijlage 1) opgenomen. De belangrijkste feiten en conclusies hieruit zijn samengevat in hoofdstuk 2 ‘Synthese deelgebieden’. Doorlopen proces en werkwijze De gepresenteerde feiten, analyses en uitgevoerde berekeningen in dit onderzoek, en dan met name in de gebiedsalmanakken, zijn voornamelijk gebaseerd op bestaande informatie en data. Daarbij is gebruik gemaakt van reeds bij waterschap, provincie en gemeentes aanwezige data. Deze bestaande data zijn met bureaustudie en hulp van gebiedspartijen verzameld en vervolgens bewerkt en geanalyseerd, gebruikmakend van GIS-analyses. Er zijn leemten in data en kennis. Deze zijn opgenomen in de synthese van dit rapport. De resultaten van de analyses en berekeningen zijn voortdurend gecontroleerd en verrijkt in een reeks ambtelijke werksessies met experts. Tijdens de start van deze verkenning bleek dat de problematiek in sommige gebieden als urgent wordt gevoeld. In deze gebieden komen verschillende opgaves bij elkaar, waardoor dilemma’s zichtbaar worden.
De discussie rondom deze gebieden is belangrijk voor het vervolgproces; daarom is gekozen om in deze studie de focus op deze gebieden te richten. Binnen het kader van deze studie worden deze gebieden ‘cruxen’ genoemd. 6 Naast de specifiek uitgelichte crux-gebieden is ook handelingsperspectief onderzocht op het hogere schaalniveau van de deelgebieden, waarbinnen niet meteen urgentie wordt gevoeld. De toekomstige opgaves van de bijbehorende effecten en het handelingsperspectief zijn onderzocht aan de hand van een drietal werkscenario’s. Deze scenario’s zijn opgebouwd aan de hand van drie fundamentele denkrichtingen. Bij elk van deze scenario’s voor de toekomst is klimaatverandering mee berekend, waarbij is uitgegaan van de klimaatscenario's van het KNMI uit 2014. De gebruikte denkrichtingen zijn: 'Doorgaan': de voortzetting van het huidige beleid naar de toekomst rondom peilbeheer en ruimtegebruik. 'Remmen': het beleid van overheden is in dit scenario gericht op het remmen van de bodemdaling. Het belangrijkste doel is tijd te winnen om tijdig tot ruimtelijke adaptatie te komen, waar nodig. 'Stoppen': het beleid van overheden is in dit scenario gericht op het stoppen van bodemdaling door veenoxidatie. Het doel is om het veen te behouden en de ruimtelijke ordening op grote schaal aan te passen.
De werkscenario’s leiden tot wezenlijk verschillende inrichtingen van het veengebied, zowel wat betreft watersysteem als het potentieel voor gebruiksfuncties. Er zijn per scenario dan ook verschillende effecten op aanwezige functies zoals landbouw, natuur, kabels en leidingen et cetera. Daarbij zijn een aantal effecten gemonetariseerd. Gedurende het hele proces is cyclisch gewerkt; na elke stap zijn de uitkomsten in dialoog besproken en waar nodig bijgesteld en/of opnieuw onderzocht voordat gestart werd met de volgende stap. Deze dialoog vond plaats tijdens de maandelijkse interne projectteam-bijeenkomsten en bij een tweetal expertsessies in mei en december 2018. Daarbij is in het kader van de eerste ideevorming met een aantal stakeholders in de veenweiden van Noordwest Overijssel in het voor- en najaar van 2018 gesproken over hun beeld en percepties van de toekomst en hun beeld op de bestaande situatie. Een uitgebreidere beschrijving van de methodiek en werkwijze staat in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 3 geeft de opgehaalde percepties van de belangrijkste stakeholders weer. Bouwstenen voor het vervolg Uit de synthese van de drie deelgebieden uit hoofdstuk 2 komen een aantal bouwstenen voor het vervolg op deze verkenning. De huidige combinatie van ruimtelijke inrichting en waterbeheer leidt tot verlies van veenbodem en daarmee uitstoot van CO2.
Het gaat om een totaal van circa 1,5 miljoen m3 veen per jaar en een bijbehorende 200.000 tot 250.000 ton CO2 per jaar. Het gaat hierbij uitsluitend om CO2. Andere broeikasgassen zijn niet beschouwd. De bodemdaling zorgt voor extra beheer- en onderhoudskosten (o.a. infrastructuur en kabels en leidingen) en er moeten op regelmatige wijze aanpassingen aan het watersysteem worden gedaan om het aanwezige landgebruik te faciliteren. Dit zorgt voor meerkosten (bestaande uit beheerkosten en inschatting van door bodemdaling benodigde investeringen aan het watersysteem) ten opzichte van niet-dalend gebied. Het gaat om een grove indicatie van 5 tot Werkscenario's 'doorgaan', 'remmen' en 'stoppen'. Bron: Programmabureau Groene Hart / Ronald van der Heide (aangepast) Werkscenario 'doorgaan' Werkscenario 'remmen' Werkscenario 'stoppen' 7 10 miljoen euro per jaar, verdeeld over provincie, waterschap, gemeente, drinkwaterbedrijf en netbeheerders. Tevens kan het leiden tot extra kosten voor particulieren die schade hebben aan de fundering van hun huizen. De effecten van de bodemdaling leiden ertoe dat in sommige gebieden aanwezige typen landgebruik nu of in de nabije tot verre toekomst niet goed naast elkaar kunnen functioneren.
De aandacht in deze studie is vooral gegaan naar de 'cruxen': Mastenbroekerpolder en Kamperveen De belangrijkste crux in dit deelgebied is de overgang tussen Koekoekspolder ten oosten van IJsselmuiden en de rest van de Mastenbroekerpolder. De lagergelegen Koekoekspolder zorgt voor wegzijging uit de landbouwgebieden rondom. Dit zorgt voor suboptimale landbouwrendementen in de randzone en voor meer inundaties omdat het grensgebied steeds lager komt te liggen. Aanpassing van polderpeilen leidt tot problemen voor de rest van de Mastenbroekerpolder. Het remmen van de bodemdaling door de aanleg van onderwaterdrainage lijkt kansrijk voor de Mastenbroekerpolder en kleine delen van het Kamperveen. De aanleg van een bufferzone waarbij het water tot net boven maaiveld wordt opgezet aan de zuid- en oostkant van de Koekoekspolder is hydrologisch gezien kansrijk, maar leidt tot kosten in de orde van 10 tot 20 miljoen euro (directe bouwkosten). Het stoppen van de bodemdaling door veel hogere zomerpeilen wordt als niet kansrijk bestempeld. Functieverandering is dan onontkoombaar, het leidt tot overlast in omringende (bebouwde) gebieden en het leidt naast hoge investeringskosten (100 tot 200 miljoen euro) tot een extra kostenpost per jaar van 1 tot 3 miljoen euro. Weerribben-Wieden en omgeving De belangrijkste crux in Weerribben-Wieden e.o.
is de aanwezigheid van de Natura-2000 gebieden de Wieden en Weerribben die aan de west, noord en oostkant zijn begrensd door landbouwpolders met een voor landbouw geschikt lager waterpeil. Belangrijk is daarnaast de aanwezigheid van de zeer diep gelegen Noordoostpolder, waardoor veel water uit het gebied wegzijgt naar het westen. Door de wegzijging zakken de grondwaterstanden diep weg in de zomer en is er forse bodemdaling. Om de bestaande landbouw mogelijk te houden is het nodig om de peilen mee te verlagen, maar dit versterkt de verdroging van het natuurgebied, met verlies van natuurwaarden tot gevolg. Beide functies naast elkaar handhaven is complex in de huidige situatie en wordt bij handhaving van de huidige natuurdoeltypen en landbouwpraktijk nog complexer in de toekomst. Het remmen van de bodemdaling door de aanleg van onderwaterdrainage in de westelijke landbouwpolders is kansrijk. Omdat het water wegzijgt is een intensieve drainering nodig, hetgeen kostbaar is (10 tot 15 miljoen euro). Het beperken van het uitzakken in de landbouwpolders heeft een zeer positief effect op de verdroging in het natuurgebied. Aan de oostzijde (polders omgeving Scheerwolde) is onderwaterdrainage niet kansrijk. Hier kunnen natte zones in het grensgebied tussen natuur en landbouw helpen, maar de effectiviteit is wisselend. Maatwerk is noodzakelijk.
Het werkscenario 'remmen' is niet in alle gebieden kansrijk, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van bebouwing in de grenszone (Giethoorn). Het stoppen van de bodemdaling door peilopzet tot aan het maaiveld is mogelijk in de landbouwpolders ten oosten van de Weerribben- Wieden. Het effect op het natuurgebied is positief. Echter een transitie van intensieve landbouw/akkerbouw naar een andere functie is nodig. De kosten om dit te realiseren zijn hoog. Investeringskosten zijn 10 tot 20 miljoen euro. Maatschappelijk gezien betekent het opzetten van zomerpeil tot aan het maaiveld een extra kostenpost van 2 miljoen euro per jaar. Staphorsterveld Het Staphorsterveld heeft andere uitdagingen dan de andere twee deelgebieden. Er is sprake van een suboptimale situatie bij de overgang tussen landbouwpolders rondom Natura2000-gebied de Oldematen. De landbouwpolders zijn te nat voor traditionele landbouw. Peilverlaging leidt echter tot wegzijging uit de Olde Maten, wat leidt tot verdroging, aanvullende bodemdaling en verlies van natuurwaarden. Doorgaan met het huidig beleid leidt echter naar verwachting niet tot aanvullende problematiek. Dat neemt niet weg dat de huidige situatie niet optimaal is. Het remmen van de bodemdaling door onderwaterdrainage lukt slechts op enkele locaties op effectieve wijze.
De reden is de al relatief natte poldergebieden, maar ook de bodemgesteldheid, die zandig is ten oosten van het natuurgebied. Vanwege het ontbreken van urgentie ligt het voor de hand om in het vervolg heel specifiek op zoek te gaan naar kansrijke gebieden voor remmen van bodemdaling. Uit de analyse volgt dat er wel degelijk gebieden zijn waar maatschappelijke kostenbesparing mogelijk is. Het stoppen van de bodemdaling is mogelijk, maar brengt hoge kosten met zich mee, met een relatief klein rendement in termen van functieverbetering of besparing van uitstoot van broeikasgassen. Het wordt in dit gebied als niet kansrijk beschouwd. 8
9 Samenvatting 5 1 Kader van de verkenning 11 1.1 Achtergrond, context en positionering 13 1.2 Doel en ondezoeksvragen van de voorliggende verkenning 13 1.3 Inhoudelijke begrenzing van de opdracht 13 1.4 Opgave 15 1.5 Beleidskader 17 2 Synthese deelgebieden 21 2.1 Inleiding 22 2.2 Mastenbroekerpolder en Kamperveen 24 2.3 Weerribben-Wieden en omgeving 32 2.4 Staphorsterveld 41 3 Percepties gebied 49 3.1 De bedoeling van het rondje langs de velden 51 3.2 Kijkrichtingen op de ontwikkeling van de veenweiden 51 3.3 Kijkrichting van belangrijke stakeholders in het landelijk gebied 52 3.4 Strategische vragen voor de toekomst van de veenweiden 54 4 Methodiek en werkwijze 59 4.1 Basis en methodiek 60 4.2 Onderzoek naar toekomstperspectieven via werkscenario’s 61 4.3 Expertsessie 1: vertaling werkscenario’s in maatregelen 62 4.4 Modelberekeningen werkscenario’s en conclusies 62 4.5 Expertsessie 2: ‘beoordelen resultaten werkscenario’s’ 62 4.6 Effectbepaling van de werkscenario’s’ 63 Verklarende woordenlijst 65 Inhoudsopgave Deelgebied: Staphorsterveld Deelgebied: Mastenbroek - Kamperveen Deelgebied: Weerribben-Wieden en omgeving Bijlage 1: Almakken - Mastenbroek - Kamperveen - Weerribben-Wieden en omgeving - Staphorsterveld Bijlage 2: Nadere verantwoording basisinformatie, modellering, methodiek, technische achtergronden & kosten en baten Foto linkerpagina: Hesselingendijk, nabij Kanaal
Steenwijk-Ossenzijl, in deelgebied Weerribben- Wieden en omgeving 10 Hoofdstuk 1 11 Kader van de verkenning In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens de achtergronden, de opgave, het doel, de inhoudelijke begrenzing en het bijbehorende beleidskader van de verkenning veenweide Overijssel aan de orde. Bij de opgave is in een apart kader ook toegelicht hoe bodemdaling werkt. Voor de hele rapportage geldt dat de toelichtende teksten toegankelijk zijn voor iedereen. Desondanks is ‘vakjargon’ niet te vermijden. Cursief gedrukte woorden zijn opgenomen in de verklarende woordlijst die achterin het rapport is opgenomen. 12 Deelgebied: Staphorsterveld Deelgebied: Mastenbroek Kamperveen Deelgebied: Weerribben-Wieden en omgeving Figuur 1.1 De drie deelgebieden in deze studie 13 1.1 Achtergrond, context en positionering In het veenweidegebied van Overijssel daalt de bodem. Deze bodemdaling komt met name door veenoxidatie, wat diverse negatieve effecten heeft op de omgeving. Dit zorgt voor problemen en knelpunten in de waterhuishouding, landbouwkundige problemen, ecologische en landschappelijke schade, CO2 uitstoot en schade aan infrastructuur. Eind 2016 heeft Waterschap Drents Overijsselse Delta (hierna te noemen WDOD) via het platform Samen Werkt Beter (bestuurlijk verenigde stakeholder met o.a.
de landbouwsector en natuurorganisaties) het initiatief genomen om een verkenning te starten naar de problemen en bijbehorende nader te definiëren opgaven en eigenaarschap in het veenweidegebied in Overijssel. In 2017 heeft een eerste globale verkenning plaatsgevonden naar deze problemen en opgaven als gevolg van bodemdaling. Hierbij is kennis opgehaald over bijvoorbeeld veendiktes. Ook zijn er gebiedssessies georganiseerd om de verschillende belangen en waarden in het gebied te verkennen en in een vroeg stadium het gebied te betrekken. Op basis hiervan zijn enkele cruxen benoemd waar een duidelijke opgave ligt op de korte termijn; dus gebieden waar waarden/ belangen conflicterend zijn. Er moeten anno 2019 dan ook weloverwogen keuzes gemaakt kunnen worden door verschillende partijen. Daarom hebben het WDOD en de provincie Overijssel behoefte aan een verkenning naar feiten en bouwstenen als basis voor een toekomstperspectief in gebieden waar de bodemdaling zich manifesteert. Provincie Overijssel en WDOD trekken hierbij bestuurlijk samen op. 1.2 Doel en onderzoeksvragen van de voorliggende verkenning 1.3 Inhoudelijke begrenzing van de opdracht Om uiteindelijk tot gedragen vervolgkeuzes in het veenweidegebied van Overijssel te kunnen komen is een breed gedeeld en onderschreven fundament van feiten en inzichten noodzakelijk.
Dit is nodig voor een juiste probleemanalyse en het kunnen maken van de juiste keuzes. Deze verkenning is daarvoor bedoeld en biedt: • Inzicht in feiten en de maatgevende processen ('hoe werkt bodemdaling eigenlijk'). • De belangrijkste effecten ('wat gebeurt er? wat gaat er mis? wanneer gebeurt dit ongeveer?'). • En een eerste beeld van handelingsperspectief aan de hand van illustratieve werkscenario’s doorgaan, remmen, stoppen ('wat zijn onze mogelijkheden, wat zijn de kosten en wat zijn de baten?'). Daarbij was het doel om, in ambtelijke afstemming met het gebied, via ‘joint fact finding’ nog scherper de uitgangspunten, opgaven en mogelijke Voor deze studie is gekeken naar alle laagveengebieden in Noordwest Overijssel met een veendikte van minimaal 40 cm op maximaal 1 meter onder maaiveld. Vervolgens zijn er drie deelgebieden onderscheiden (figuur 1.1); elk van deze deelgebieden heeft zijn eigen 'veenuitdagingen' door onderscheidende bodemopbouw en hydrologie en ‘dynamiek’ toekomstperspectieven van bodemdaling en hun consequenties in beeld te brengen. De gezamenlijke joint-factfinding heeft middels twee ambtelijke werksessies in mei en december 2018 en opgehaalde gebiedspercepties plaatsgevonden.
Deze verkenning voorziet daarmee in het aanreiken van basisgegevens die inhoudelijk correct zijn en voldoende diepgang en inzichten bieden aan het gebied om gesprekken te voeren en onderbouwde keuzen te maken. Naast dit document zijn ook drie specifieke gebiedsalmanakken voor Mastenbroek - Kamperveen, Staphorsterveld en Weerribben- Wieden en omgeving samengesteld (zie figuur 1.1) met nadere inhoudelijke achtergrondinformatie, analyses, kaartmateriaal en effectbeschrijvingen van de drie werkscenario’s. door landgebruik, economische activiteiten en cultuurhistorie. De bodemdaling binnen de drie deelgebieden heeft daarnaast ook mogelijke consequenties voor omringende gebieden. Deze consequenties zijn in deze verkenning ook inzichtelijk gemaakt. 14 Oxidatie is de grootste oorzaak van bodemdaling. Oxidatie treedt op in veen boven het grondwaterniveau waar de toetredende zuurstof reageert met het organische materiaal en omzet in CO2 en nutriënten die op den duur uitspoelen, waardoor het bodemvolume afneemt en de bodem daalt. Klink treedt op als het grondwaterniveau in veen- en kleigrond wordt verlaagd. Bij veengrond neemt bij verlaging van de grondwaterstand de opwaartse druk af met als gevolg dat de druk van de bovengrond toeneemt en de ondergrond samendrukt.
Bij klei verdwijnt door verlaging van de grondwaterstand het water tussen de kleideeltjes, waardoor de kleideeltjes dichter op elkaar komen te liggen en de bodem daalt. De klink van veen is beduidend groter dan de klink van klei. Krimp treedt op als door uitdroging het water uit de bovenlaag verdampt en de vaste bodemdelen naar elkaar worden gedrukt. Vooral in zeer droge periodes (zoals de zomer van 2018) kan krimp tot aanzienlijke bodemdaling leiden. Tenzij de bodem gaat scheuren, verdwijnt de bodemdaling weer, als de bodem natter wordt. Zetting treedt op als gevolg van externe belasting, waardoor de bodem samendrukt. Zetting treedt met name op in bebouwde gebieden door bebouwing van huizen en aanleg van infrastructuur. Nederland bevindt zich al ruim zestig miljoen jaar in de randzone van een dalend Noordzeebekken. Het noordwesten van ons land en het Nederlands deel van de Noordzee dalen, terwijl de oost- en zuidranden van het bekken omhoogkomen. Het noordwesten daalt hierdoor gemiddeld vijfentwintig millimeter per eeuw of meer. In het zuidoosten stijgt de bodem gemiddeld enkele millimeters per eeuw.
Klink Krimp Oxidatie Verandering van grondgebruik/landgebruik De heterogene bodemopbouw van de Alblasserwaard Verschil in bodemdaling door heterogene bodemopbouw Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Zetting Tektonische daling Klink: samendrukken bodem door toenemen druk daling grondwaterniveau o� CO� CO� druk veen klei zavel boezempolder polder boezempolder polder Natte en droge gebruiksfuncties scheiden. grootschaliger deelgebieden Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Klink Krimp Oxidatie Verandering van grondgebruik/landgebruik De heterogene bodemopbouw van de Alblasserwaard Verschil in bodemdaling door heterogene bodemopbouw Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Zetting Tektonische daling Klink: samendrukken bodem door toenemen druk daling grondwaterniveau o� CO� CO� druk veen klei zavel boezempolder polder boezempolder polder Natte en droge gebruiksfuncties scheiden.
grootschaliger deelgebieden Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Klink Krimp Oxidatie Verandering van grondgebruik/landgebruik De heterogene bodemopbouw van de Alblasserwaard Verschil in bodemdaling door heterogene bodemopbouw Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Zetting Tektonische daling Klink: samendrukken bodem door toenemen druk daling grondwaterniveau o� CO� CO� druk veen klei zavel boezempolder polder boezempolder polder Natte en droge gebruiksfuncties scheiden. grootschaliger deelgebieden Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Klink Krimp Oxidatie Verandering van grondgebruik/landgebruik De heterogene bodemopbouw van de Alblasserwaard Verschil in bodemdaling door heterogene bodemopbouw Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Zetting Tektonische daling Klink: samendrukken bodem door toenemen druk daling grondwaterniveau o� CO� CO� druk veen klei zavel boezempolder polder boezempolder polder Natte en droge gebruiksfuncties scheiden.
grootschaliger deelgebieden Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Klink Krimp Oxidatie Verandering van grondgebruik/landgebruik De heterogene bodemopbouw van de Alblasserwaard Verschil in bodemdaling door heterogene bodemopbouw Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Zetting Tektonische daling Klink: samendrukken bodem door toenemen druk daling grondwaterniveau o� CO� CO� druk veen klei zavel boezempolder polder boezempolder polder Natte en droge gebruiksfuncties scheiden. grootschaliger deelgebieden Onderwaterdrainage in de zomer (links) en winter Hoe werkt bodemdaling Het veenweidelandschap verandert door het proces van bodemdaling. Vijf processen spelen een belangrijke rol bij bodemdaling van veen- en kleigrond: oxidatie van organische stof, klink, krimp, zetting en tektonische daling. In het algemeen geldt dat eenmaal gedaalde bodem niet meer omhoog komt; het is een onomkeerbaar proces. De bodemdalingsprocessen worden hieronder kort beschreven. Oxidatie Zetting Tektonische daling Krimp Klink Figuur 1.2 Schematische weergave van het cascade-effect van bodemdaling. 15 1.4 Opgave Bodemdaling in veenweidegebieden vindt voornamelijk plaats door oxidatie (zie kader op linkerpagina: Hoe werkt bodemdaling). Het onderzoek in deze verkenning richt zich dan ook op de vraag hoe dit proces is te remmen of te stoppen.
Andere processen spelen ook, maar deze dalingen zijn lastig kwantificeerbaar, zijn vaak lokaal en gekoppeld aan seizoensgebonden oorzaken (krimp en zwelling van klei) of tijdelijke oorzaken, zoals bronbemalingen of de zakking die plaatsvindt door (tijdelijke) bovenbelasting. De achtergrondzetting (door bijvoorbeeld klink) die optreedt in de kleigebieden (dus zonder nieuwe bovenbelasting) is vele malen kleiner dan de bodemdaling door veenoxidatie. Om deze en eerdergenoemde reden is aan de voorkant besloten om aan klink en zetting geen kwantitatieve aandacht te besteden in dit document. Wat zijn de effecten? De bodemdaling leidt tot allerlei maatschappelijke effecten; zo kan bodemdaling effect hebben op de bestaande functies en het ruimtegebruik, op het beheer van de ruimte en op de mogelijkheden die de ruimte biedt voor toekomstig gebruik. Effecten door bodemdaling zorgen vaak weer voor afgeleide effecten; dit wordt het cascade-effect van bodemdaling genoemd. Figuur 1.2 illustreert dit fenomeen. De figuur toont voor het bodemdalingsproces veenoxidatie een aantal primaire effecten ('uitstoot CO2', 'Uitspoeling nutriënten', 'Verdwijnen veen' en 'Maaivelddaling') die vervolgens weer leiden tot een reeks van secundaire effecten zoals schade aan infrastructuur, waterhuishoudkundige knelpunten, ecologische en landschappelijke schade en landbouwtechnische problemen.
Ook wordt het verband tussen ontwatering en veenoxidatie weergegeven. Veenoxidatie vindt plaats door ontwatering van de veengrond, waardoor zuurstof bij het veen komt en hiermee reageert. Het effect hiervan is bodemdaling, met als gevolg dat het gebied weer dieper ontwaterd dient te worden om bruikbaar te houden, waardoor ook de oxidatie doorgaat. Dit is een onomkeerbaar en zichzelf versterkend proces. De maatschappelijke opgave De gevolgen van bodemdaling zijn bepalend voor de discussie over de toekomstige ontwikkelingen van het veenweidegebied in Overijssel. Als er niks verandert, zet de bodemdaling door, met alle gevolgen van dien. Maatregelen die de bodemdaling kunnen remmen of zelfs stoppen hebben voor het watersysteem, de landbouw, natuur, infrastructuur en CO2 verschillende gevolgen. Er moeten dan ook weloverwogen keuzes gemaakt kunnen worden door verschillende partijen.
16 ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! !! ! ! !!!!! !!!!!!!! ! ! ! ! ! ! ! !! !!! !! !!! ! !! ! ! ! ! ! !!!! !! !!! ! !!!! ! ! ! ! !!! ! !!! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! !! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !!! ! ! ! ! !! ! ! !! !! ! ! ! ! ! ! !!!! ! !! !!! ! ! !! !!!!!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! !! ! ! ! !! ! !!!!!! !!!!! ! !! !! ! ! !!! ! !!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^^^^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^^^ ^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^
^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ !!I !!I !!I !!I !!S !!S !!S !!S !!S !!S !!S !!S !!S !!I !!S !!!! !! !! !! !! !! !! !! !! Zwolle Hengelo Enschede Deventer Almelo Oldenzaal Kampen Borne Steenwijk Raalte Ommen Hardenberg Rijssen Nijverdal IJsselmuiden Zwartsluis Wijhe Wierden Vroomshoop Vriezenveen Vollenhove Tubbergen Staphorst Ootmarsum Olst Oldemarkt Nieuwleusen Markelo Losser Lemeler- veld Hellendoorn Heino Hasselt Haaksbergen Grams- bergen Goor Genemuiden Enter Diepenveen Denekamp Den Ham Delden Dedemsvaart Dalfsen Balkbrug Marienheem Marienberg Zenderen Zalk Wilsum Wesepe Welsum Weerselo Wanneperveen Vasse Steenwijkerwold Slagharen Sint Jansklooster Sint Isidorushoeve Saasveld Rouveen Rossum Oudleusen Ossenzijl Nieuw- Heeten Luttenberg Lettele Lemele Lattrop Langeveen Kuinre Kloosterhaar Holten Hengevelde Heeten Glanerbrug Giethoorn Geesteren Eesveen Boekelo Blokzijl Blankenham Belt-Schutsloot Bathmen Albergen Nieuw-Amsterdam Erica Emmer-Compascuum Dalen Schoonebeek Zuidwolde Vorden Borculo Hollandscheveld Westerbork Uelsen Neuenhaus Emlichheim Oldebroek 't Harde Klazienaveen Neede Lochem Beilen Coevorden Twello Vaassen Wolvega Hattem Eerbeek Elburg Nunspeet Hoogeveen Zutphen Meppel Emmeloord
Emmen Gronau Nordhorn Apeldoorn Ontwikkelingsperspectieven Overzichtskaart 0 2,5 5 7,5 10 km aanduidingen nr. 170001_1 Ontwikkelingsperspectief Stedelijke netwerken als motor Topwerklocaties Woon- en werklocaties binnen de stedelijke netwerken Binnensteden binnen de stedelijke netwerken Ontwikkelingsperspectief Hoofdinfrastructuur: vlot en veilig Autosnelweg Autoweg Spoorweg Vaarweg Bijzondere gebiedscondities benutten Stads- en dorpsrandgebieden ! Ontwikkelingsperspectief Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) Zone ondernemen met natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland Het watersysteem Bijzondere gebiedscondities benutten: landgoederen Historische landgoederen^^ Verdwenen landgoederen^^ Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap Wonen en werken in een kleinschalig mixlandschap Ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap !!I Hoogdynamische plekken binnen de stedelijke netwerken Kenniscentra binnen de stedelijke netwerken Stadsassen binnen de stedelijke netwerken !!S Stationsomgevingen binnen de stedelijke netwerken Gebiedsontwikkeling Technology Base Twente Glastuinbouw Steden binnen de stedelijke netwerken met voorkeurslocaties voor logistieke bedrijven met een (boven)regionaal profiel Ontwikkelingsperspectief Steden en
dorpen als veelzijdige leefmilieus Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken Binnensteden en (historische) dorpskernen buiten de stedelijke netwerken Stad buiten de stedelijke netwerken met voorkeurslocatie voor logistieke bedrijven met een (boven)regionaal profiel ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! !! ! ! !!!!! !!!!!!!! ! ! ! ! ! ! ! !! !!! !! !!! ! !! ! ! ! ! ! !!!! !! !!! ! !!!! ! ! ! ! !!! ! !!! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! !! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !!! ! ! ! ! !! ! ! !! !! ! ! ! ! ! ! !!!! ! !! !!! ! ! !! !!!!!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! !! ! ! ! !! ! !!!!!! !!!!! ! !! !! ! ! !!! ! !!! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! ! !! ! ! ! ! ! ! ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^^^^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^^^ ^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^
^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^ ^^^^ ^^ ^^ !!I !!I !!I !!I !!S !!S !!S !!S !!S !!S !!S !!S !!S !!I !!S !!!! !! !! !! !! !! !! !! !! Zwolle Hengelo Enschede Deventer Almelo Oldenzaal Kampen Borne Steenwijk Raalte Ommen Hardenberg Rijssen Nijverdal IJsselmuiden Zwartsluis Wijhe Wierden Vroomshoop Vriezenveen Vollenhove Tubbergen Staphorst Ootmarsum Olst Oldemarkt Nieuwleusen Markelo Losser Lemeler- veld Hellendoorn Heino Hasselt Haaksbergen Grams- bergen Goor Genemuiden Enter Diepenveen Denekamp Den Ham Delden Dedemsvaart Dalfsen Balkbrug Marienheem Marienberg Zenderen Zalk Wilsum Wesepe Welsum Weerselo Wanneperveen Vasse Steenwijkerwold Slagharen Sint Jansklooster Sint Isidorushoeve Saasveld Rouveen Rossum Oudleusen Ossenzijl Nieuw- Heeten Luttenberg Lettele Lemele Lattrop Langeveen Kuinre Kloosterhaar Holten Hengevelde Heeten Glanerbrug Giethoorn Geesteren Eesveen Boekelo Blokzijl Blankenham Belt-Schutsloot Bathmen Albergen
Nieuw-Amsterdam Erica Emmer-Compascuum Dalen Schoonebeek Zuidwolde Vorden Borculo Hollandscheveld Westerbork Uelsen Neuenhaus Emlichheim Oldebroek 't Harde Klazienaveen Neede Lochem Beilen Coevorden Twello Vaassen Wolvega Hattem Eerbeek Elburg Nunspeet Hoogeveen Zutphen Meppel Emmeloord Emmen Gronau Nordhorn Apeldoorn Ontwikkelingsperspectieven Overzichtskaart 0 2,5 5 7,5 10 km aanduidingen nr. 170001_1 Ontwikkelingsperspectief Stedelijke netwerken als motor Topwerklocaties Woon- en werklocaties binnen de stedelijke netwerken Binnensteden binnen de stedelijke netwerken Ontwikkelingsperspectief Hoofdinfrastructuur: vlot en veilig Autosnelweg Autoweg Spoorweg Vaarweg Bijzondere gebiedscondities benutten Stads- en dorpsrandgebieden ! Ontwikkelingsperspectief Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) Zone ondernemen met natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland Het watersysteem Bijzondere gebiedscondities benutten: landgoederen Historische landgoederen^^ Verdwenen landgoederen^^ Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap Wonen en werken in een kleinschalig mixlandschap Ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap !!I Hoogdynamische plekken binnen de stedelijke netwerken Kenniscentra binnen de stedelijke netwerken Stadsassen binnen de
stedelijke netwerken !!S Stationsomgevingen binnen de stedelijke netwerken Gebiedsontwikkeling Technology Base Twente Glastuinbouw Steden binnen de stedelijke netwerken met voorkeurslocaties voor logistieke bedrijven met een (boven)regionaal profiel Ontwikkelingsperspectief Steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken Binnensteden en (historische) dorpskernen buiten de stedelijke netwerken Stad buiten de stedelijke netwerken met voorkeurslocatie voor logistieke bedrijven met een (boven)regionaal profiel Figuur 1.4. Uitsnede uit Overzichtskaart Ontwikkelperspectieven (Provincie Overijssel) Uitvoering beleid en beschermingsregimes: Beleidslijnen en programma’s zoals: Klimaatakkoord (CO2) IBP Startnota Nationale Omgevingsvisie Vervolgproces Start verkenning bodemdalingsproblematiek Veenweidegebied Overijssel: Zoeken naar informatie, focus, peilen draagvlak, leggen netwerkverbanden. Verzamelen feiten & bouwstenen Ambtelijke en gebiedsconsultaties N2000, KRW Peilbesluiten Weidevogels Bestemmingsplannen Figuur 1.3 Hoofdlijnen beleidslijnen, programma’s en beschermingsregimes in interactie met het veenweidegebied Overijssel 17 1.5 Beleidskader Deze paragraaf schetst beleidslijnen en ontwikkelingen in het veenweidegebied in relatie tot bodemdaling in Noordwest Overijssel.
Er zijn verschillende ontwikkelingen gaande op het gebied van bodemdaling, maar ook ontwikkelingen die daar indirect invloed uitoefenen (o.a. uitwerking klimaatakkoord, interbestuurlijk programma rijk - provincie, et cetera). Daarmee is er per definitie interactie tussen dit project en de ontwikkelingen op andere beleidsvelden. Huidig beleid in relatie tot bodemdaling in het veenweidegebied Natuur In het veenweidegebied van Overijssel bevinden zich diverse natuurgebieden. Vegetatie in deze laagveengebieden is kwetsbaar en waardevol. De natuur valt onder te verdelen in het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 gebieden, en natuur in het agrarische cultuurlandschap (denk aan houtwallen, poelen en bosjes. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) bestaat uit een samenhangend netwerk van gebieden met natuurwaarden. Het natuurnetwerk in Overijssel maakt hier deel van uit. Binnen dit natuurnetwerk liggen natuurgebieden die vanwege de hoge natuurwaarden (inter)nationale bescherming genieten, waaronder de Nationale Parken en een groot deel van de Natura 2000-gebieden. Een groot deel van de natuur in het veenweidegebied heeft de status van Natura 2000-gebied. Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden die zijn aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het veenweidegebied kent de volgende Natura 2000 gebieden: Oldematen- Veerslootslanden en Weerribben-Wieden.
De natuurwaarden in deze gebieden worden beschermd door de Wet Natuurbescherming en het bijbehorende vergunningstelsel. Het is de verantwoordelijkheid van de provincie om voor die gebieden te bepalen welke extra herstel- en beheermaatregelen nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren. Door de maaivelddaling in naastgelegen agrarische gebieden is er grote kans op verdroging; door water aan te voeren worden de negatieve effecten hiervan zoveel mogelijk beperkt. Het veenweidegebied is een kansrijk leefgebied voor weidevogels. De provincie heeft grote delen van het open grasland aangewezen als gebied waar weidevogelbeheer plaats kan vinden. In deze leefgebieden zet de provincie in op een efficiënt en effectief agrarisch natuurbeheer. Het beheer wordt uitgevoerd door collectieven voor agrarisch natuurbeheer. Omdat weidevogels onder druk staan is er door de provincie samen met andere partijen ook een actieplan weidevogels opgesteld. Waterkwaliteit De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) bepaalt dat de wateren een goed leefgebied vormen voor de planten en dieren die er thuishoren. Er is een norm gesteld aan nutriënten in het oppervlaktewater. Voor KRW zijn beschermde gebieden aangewezen, zoals de boezem van de Wieden Weerribben. In deze gebieden gelden aanvullende kwaliteitseisen.
Waterbeheerders hebben de opgave om deze beschermde gebieden in te passen in hun waterbeheers- en stroomgebiedbeheersplannen. Veel overheidspartijen hebben geen specifiek beleid omtrent bodemdaling, het wordt vaak niet genoemd. En als dit wel gebeurt, is er vaak geen verdere invulling over hoe hier specifiek mee om te gaan. In het nationale beleid heeft bodemdaling een plaats gekregen in de Startnota voor de Nationale Omgevingsvisie. In deze startnota komt het volgende aan de orde: 'Hoe kunnen de waarden die de natuurlijke omgeving kunnen vervullen voor de mens, worden behouden en benut?' Dit vraagt om het bepalen van een richting in relatie tot de omgang met bodemdaling in veenweidegebieden: gaat men door met peilverlaging, waarmee de huidige landbouwproductie in stand gehouden kan worden of moet het peil worden verhoogd, waardoor bodemdaling wordt afgeremd en verdroging van natuurgebieden wordt tegengegaan? De provincie Overijssel heeft in haar omgevingsvisie als één van de ontwikkelingsperspectieven het faciliteren van agrarisch ondernemen in grootschalige landschappen. Grote delen van het veenweidegebied van Overijssel vallen hieronder. Dit perspectief is niet direct gerelateerd aan bodemdaling.
Strekking van dit perspectief is dat het gebieden aanwijst waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming – zoals innovatieve vormen van landbouw en hernieuwbare energie - de ruimte krijgt (zie figuur 1.4). Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap' mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities 18 voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering). In de provinciale omgevingsverordening is opgenomen dat in het veenweidegebied het waterbeheer in principe gericht is op grasland en daarbij horende peilen. In deze gebieden gelden de volgende ruimtelijke kwaliteitsambities: • zichtbaar en beleefbaar mooi landschap, • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel, • continu en beleefbaar watersysteem. Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) WDOD heeft geen concreet beleid betreffende bodemdaling. De resultaten uit deze studie zijn mede input voor de aanpak van bodemdaling bij het WDOD. Van oudsher was (en is formeel nog steeds) het beleid 'peil volgt functie'.
In afwachting van nieuw beleid van provincie en waterschap (op basis van de uitkomsten van deze verkenning) zijn de reguliere peilbesluiten grotendeels stopgezet. Gemeentelijk beleid Het veenweidegebied van Overijssel beslaat vier gemeentes: Kampen, Staphorst, Steenwijkerland en Zwartewaterland. Kampen stelde in 2008 een structuurvisie voor 2030 op. Staphorst publiceerde in 2017 een concept omgevingsvisie evenals de gemeente Steenwijkerland. Zwartewaterland heeft nog geen omgevingsvisie, maar is wel gestart met een plan van aanpak. Daarnaast is er het vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Zwartewaterland' uit 2013. Ook zijn de gemeentelijke Rioleringsplannen (GRP) met betrekking tot bodemdaling relevant. Met betrekking tot bodemdaling wordt het volgende specifiek per gemeente aangegeven: • Gemeente Kampen geeft in de structuurvisie (2008) aan dat er knelpunten zijn tussen economische behoeftes en landschappelijke kwaliteit in polder Mastenbroek en de overgang naar de Koekoekspolder. Een belangrijk knelpunt hierbij is de waterhuishouding. • Gemeente Staphorst geeft in de Omgevingsvisie (2017) aan dat de boeren als beheerders rekening moeten houden met de natuurwaarden. • De gemeente Steenwijkerland geeft in de Omgevingsvisie (2017) aan dat de gemeente te maken heeft met bodemdaling in de veengebieden. Dit vraagt om nieuwe oplossingen.
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten worden gewerkt aan een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van het grondgebied. Samen met andere partijen bereidt de gemeente zich hierop voor. • Gemeente Zwartewaterland geeft in het Bestemmingsplan Buitengebied (2013) aan dat het aantal landbouwbedrijven zal verminderen door bodemdaling. Om bodemdaling te beperken is goed peilbeheer nodig, gericht op het GGOR (‘gewenst grond- en oppervlaktewaterregime). Het peilbeheer dient de landbouwfunctie, maar diepere ontwatering is niet toegestaan. • De GRP van Kampen noemt verzakking van de riolering door slappe bodems een reden voor extra reiniging. • De GRP van Zwartewaterland geeft aan dat er grondwater in de riolering infiltreert en afvalwater exfiltreert naar aanleiding van het verzakken van de leidingen door veenbodems. • Daarnaast wordt in de GRP’s van Zwartewaterland en Steenwijkerland het beleidskader Nationaal Bestuursakkoord Water aangehaald, waarin onder andere bodemdaling als probleem wordt aangekaart. 19 Lopende ontwikkelingen (beleidslijnen en programma’s) Beleidsmatig kader: Samenkomen provinciaal en landelijk proces Hieronder worden de verschillende lopende relevante ontwikkelingen beschreven die een verband hebben met het veenweideproject van de Provincie en het Waterschap.
De ambitie van het hoofdlijnen-klimaatakkoord is om ca 1.0 Mton CO2 eq. minder uit te stoten, door veranderingen in het landgebruik in het veenweidegebied. Vernatten helpt de bodemdaling te beperken en de CO2-emissie te verlagen. Hoe en met welke snelheid bepalen voor korte en middellange termijn het landgebruik. Het is aan de partijen die betrokken zijn bij het klimaatakkoord om met richtinggevende keuzes te komen (stand van zaken februari 2019). In het hoofdlijnenakkoord is aangegeven welke maatregelen ingezet kunnen worden voor het realiseren van de opgave in het veenweidegebied. Het gaat om een inzet van een maatregelen- mix, zoals vermindering peilbeheer, aanpassing drainage en functieverandering. Voorgestelde aanpak is dat de provincies de regie gaan voeren over een door hen te organiseren gebiedsgericht proces met grondgebruikers (o.a. agrariërs), maatschappelijke actoren en medeoverheden gericht op: • De opstelling van een programma 2020-2030 per veenweidegebied (klaar einde 2019/ voorjaar 2020). • Een samenhangende aanpak met andere processen zoals bodemdaling, klimaatadaptatie, Regionale Energie strategieën (RES) en Natura2000 Weerribben- Wieden, in het kader van de gebiedsgerichte aanpak vanuit het Interbestuurlijk programma Vitaal Platteland.
• Het in beeld brengen van verwachte maatregelen en benodigd instrumentarium, kosten en financieringsmogelijkheden en ‘verdienmodellen / middelen'. • Starten pilots en onderzoek voor onderwaterdrainage / nieuwe teelten en financieringsstructuren. Voor het 'Lange termijn perspectief 2050' ligt er de huidige opgave van een reductie van 1.0 Mton CO2 eq. een potentieel van 4,5 Mton CO2 eq. In het concept Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is voor 2050 nul emissie vanuit veenweidegebieden opgenomen. Interbestuurlijk programma Vitaal Platteland (IBP) Het Rijk en de koepels IPO, VNG en UvW besloten via het Interbestuurlijk Programma (IBP) gericht te gaan samenwerken aan een aantal majeure opgaven die alle vier de overheidslagen raken. De samenwerkingsovereenkomst tussen de koepels en het Rijk over het IBP-Vitaal Platteland is in juli 2018 getekend. Afgesproken is in te zetten op een gebiedsgerichte aanpak in gebieden waar meerdere grote opgaven samenkomen. Voor Overijssel is de 'kop van Overijssel' in beeld bij het IBP Vitaal Platteland. De opgaven betreffen onder meer: • De Natura2000-opgave voor Weerribben- Wieden (inclusief de problemen met de kwaliteit van het oppervlaktewater); • De opgave voor de veenweiden (klimaat en bodemdaling); • De verduurzaming van de landbouw. Er is een sterke relatie tussen het IBP en deze Verkenning van de Veenweide.
In het IBP is het veenweidegebied één van de gebieden waar een opgave ligt voor bodemdaling en waar de overheden gezamenlijk een aanpak voor moeten verzinnen. In Noordwest Overijssel willen de partijen deze verkenning als bouwsteen inzetten voor de dialoog in het gebiedsproces. Nationaal programma bodemdaling & Nationaal Kennisprogramma bodemdaling (NKB) Het Rijk is overgegaan tot het opzetten van een 'nationaal kennisprogramma bodemdaling' (NKB). Het tegengaan van en het omgaan met (adaptatie) bodemdaling wordt door het Rijk onderkend als een belangrijke maatschappelijke (cross-sectorale) opgave. De initiatiefnemers van het 'nationaal kennisprogramma bodemdaling' willen kennis ontwikkelen over het gedrag van veenbodems, en over de relaties tussen bodemdaling, waterbeheer, klimaat en CO2-uitstoot. En ook over (kosten-) effectieve ingrepen om te voorkomen dat de bodem van veengebieden meer zakt dan nu gebeurt. In het kennisprogramma staat de vraag centraal wat een doelmatige aanpak is van de maatschappelijke opgave om te werken naar een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van landelijke en stedelijke gebieden waar bodemdaling speelt.
20 Hoofdstuk 2 21 Synthese deelgebieden In deze synthese zijn per deelgebied (Mastenbroek - Kamperveen, Staphorsterveld en Weerribben-Wieden en omgeving de belangrijkste feiten, analyses en uitkomsten van de berekeningen beschreven en verbeeld met kaarten. Bij de uitgevoerde berekeningen voor de drie werkscenario’s ‘doorgaan’, ‘remmen’ en ‘stoppen’ zijn tevens de belangrijkste effecten beoordeeld voor thema’s zoals landbouw, natuur, het watersysteem en broeikasgassen met bijbehorende conclusies. Deze beoordelingen zijn tot stand gekomen op basis van meerdere sessies met experts van waterschappen, provincies en gemeenten. Deze synthese is bedoeld als goede en toegankelijke basis voor het toekomstige gebiedsproces. De syntheses geven in vogelvlucht de belangrijkste aspecten van de drie gebiedsalmanakken weer. Deze almanakken bevatten meer detailniveau en verbeeldingen. Ze staan in bijlage 1 van deze rapportage. 22 Om de bevindingen in deze synthese goed te begrijpen en te duiden is kennis van een aantal aspecten en begrippen nodig. • Crux: een onderdeel van het veenweidegebied waar meerdere belangen bij elkaar komen, waar urgentie wordt gevoeld en waar dilemma’s sterk zichtbaar worden. Een crux helpt enerzijds de opgaven specifieker te onderzoeken, en anderzijds ook juist hier de oplossingen te zoeken.
• Werkscenario’s: deze scenario’s zijn opgebouwd aan de hand van drie fundamentele denkrichtingen, waarbij bij elk van deze scenario’s de klimaatverandering is meeberekend. De gebruikte werkscenario’s zijn: ◊ 'Doorgaan': de voortzetting van het huidige beleid naar de toekomst rondom peilbeheer en ruimtegebruik; ◊ 'Remmen': het beleid van overheden is in dit scenario gericht op het remmen van de bodemdaling. Het belangrijkste doel is tijd te winnen om, waar nodig, gestaag tot ruimtelijke adaptatie te komen. ◊ 'Stoppen': het beleid van overheden is in dit scenario gericht op het stoppen van bodemdaling door veenoxidatie. Het doel is om het veen te behouden en de ruimtelijke ordening op grote schaal aan te passen. 2.1 Inleiding • Geen van voorgaande scenario’s is bedoeld als werkelijkheid. Het zijn werkscenario’s, die de keuzeruimte voor elk van de deelgebieden op hoofdlijnen omspannen. Uit de effectenanalyse blijkt of voor sommige deelgebieden systeemmaatregelen aantrekkelijk kunnen zijn. • Systeemmaatregelen: toegepaste maatregelen in de rekenmodellen die direct effect hebben op bodemdaling en/of het hydrologische systeem van het deelgebied, waardoor de bodemdaling wordt geremd of gestopt. • Veenoxidatie: veenoxidatie is in het beschouwde gebied de belangrijkste oorzaak van bodemdaling.
Oxidatie treedt op in veen boven het grondwaterniveau, waar de toetredende zuurstof reageert met het organische materiaal en dit omzet in CO2 en nutriënten die op den duur uitspoelen, waardoor het bodemvolume afneemt en de bodem daalt (zie ook de beschrijving van de opgave, hoofdstuk 1.4). Daarnaast zijn er nog lacunes en leemten in kennis: Omdat geen inventarisatie beschikbaar is van zakkingen en paalrot bij bebouwing is in de vervolgfase een inventarisatie en effectbeoordeling nodig om te onderzoeken bij hoeveel woningen dit speelt. Wel is bekend dat het voorkomen van paalrot ten opzichte van west Nederland relatief
23 De genoemde effecten op veiligheid zijn (nog) niet in getallen uitgedrukt. Hiervoor zijn overstromingsberekeningen nodig, die binnen de kaders van deze verkenning niet zijn uitgevoerd. De relatie met waterkwaliteit is zeer complex. Er is geen bruikbaar model aanwezig om hierover met cijfers onderbouwde uitspraken te doen. De precieze bodemprocessen bij veenoxidatie zijn nog niet goed genoeg begrepen en verdienen aandacht in het vervolg. Het is uit de praktijk bekend dat het effect van onderwaterdrainage sterk verschillend is per situatie. Er is een pilot gaande in het Staphorsterveld, die inzichten levert. Resultaten zijn echter niet zomaar toepasbaar op andere delen van het Overijssels veengebied. De maatregelen die zijn onderzocht in deze verkenning zijn niet alle kansrijke maatregelen. De effectiviteit van andere maatregelen is vooralsnog niet bekend op hetzelfde detailniveau als de in deze verkenning toegepaste. De kostenbeschouwingen zijn op basis van indicatieve getallen. Niet voor alle getallen is regionale informatie beschikbaar. Het verdient aanbeveling deze voor het vervolg te inventariseren. klein van omvang is. Het in het westen bekende beeld speelt hier naar verwachting veel minder. In de effecten- en kostenanalyse ontbreekt soms brondata. Een voorbeeld is diepteligging van riolering/gasleidingen/elektra.
Bij vervolgonderzoek verdient het aanbeveling om deze data te ontsluiten/onderzoeken. Bij de berekeningsresultaten in bijlage 2 is aangegeven waar en welke data ontbreekt. De relatie tussen bodemdaling en gaswinning is niet onderzocht. Al na de drooglegging van de Noordoostpolder zijn er maatregelen getroffen in verband met verzakkingen (schaderegeling). Er spelen vragen in gemeente Steenwijkerland over verzakkingen. Er zijn echter weinig/geen gevallen/problemen bekend (bron: gemeente Steenwijkerland). Voor geen van de gebieden is het gehalte organische stof in de veenlagen bekend. Dit maakt veel uit voor de grootte van effecten. Een hoog gehalte organische stof betekent snellere bodemdaling door veenoxidatie en meer CO2- uitstoot. Naast CO2 zijn lachgas (NO2) en methaan (CH4) andere belangrijke broeikasgassen. Deze zijn niet berekend, aangezien hier geen bruikbare berekeningsmethodiek voor beschikbaar is. Foto: Conradsweg, natuurgebied de Olde Maten, in deelgebied Staphorsterveld 24 • De bodemopbouw in de Mastenbroek en Kamperveen bestaat grotendeels uit veengrond met een kleidek. De dunste veenlagen bevinden zich aan de zuidrand. De dikste bevinden zich bij Genemuiden (4 tot 5 meter dik) (zie figuur 2.1).
• Berekeningen van hoeveelheden van geoxideerd veen tonen dat in de huidige situatie circa 500.000 m3 veen per jaar oxideert in Mastenbroek en 120.000 m3 veen per jaar in Kamperveen, hetgeen neerkomt op een berekende hoeveelheid van circa 70.000 ton CO2 per jaar in Mastenbroek en 15.000 CO2 per jaar in Kamperveen. • De polders in de beide gebieden zijn bemalen. Rand Koekoekspolder - veranderende bodemsamenstelling door verdwijnen veen - bodemdaling versnelt door weg- zijging naar laag gelegen Koekoeks- polder, waardoor het gebied vaker inundeert: meer schade Zuidoost hoek Mastenbroek: Verdroging door groot peilvak Genemuiden: Optreden van schade aan infrastructuur en mogelijk bebouwing als gevolg van bodemdaling Kamperveen: in zuidelijke delen verdroging door groot peilvak Legenda geen veen of < 40cm 150 tot 200 cm veen 100 tot 150 cm veen 200 tot 250 cm veen 70 tot 100 cm veen 250 tot 300 cm veen 40 tot 70 cm veen > 300 cm veen Veendikte 2020 Figuur 2.1 Veendikte en cruxen in Mastenbroekerpolder en Kamperveen 2.2 Mastenbroekerpolder en Kamperveen 2.2.1 Situatieschets (zie bijlage 1: Almanak Mastenbroek - Kamperveen; h. 1 en 2) De Mastenbroekerpolder is een veenpolder tussen de IJssel, het Zwarte Water, IJsselmuiden/ Kampen en het Kampereiland die vooral bestaat uit landbouwgronden.
In het noordwesten bevindt zich de Koekoekspolder, die veel lager ligt (circa 2 meter) dan de rest van de Mastenbroekerpolder. In de Koekoekspolder is glastuinbouw een belangrijke functie. Het Kamperveen bestaat uit de veengronden die ingeklemd liggen tussen IJssel en de hoge gronden ten zuiden van de IJssel. Kenmerken van Mastenbroekerpolder en Kamperveen in de huidige situatie met huidig waterbeheer zijn: 25 2.2 Mastenbroekerpolder en Kamperveen 2.2.2 De opgaven (zie bijlage 1: Almanak Mastenbroek - Kamperveen; h. 3) 2.2.3 Werkscenario ‘doorgaan’ (zie bijlage 1: Almanak Mastenbroek - Kamperveen; h. 4) Een aantal urgent gevoelde uitdagingen in dit gebied zijn gerelateerd aan veenbodemdaling, de zogenaamde ‘cruxen’ (zie figuur 2.1). Deze zijn: 1. Suboptimale landbouwrendementen in de randzone tussen de Koekoekspolder in het noordwesten van de Mastenbroekerpolder; dit probleem is gerelateerd aan de grote wegzijging van water uit de Mastenbroekerpolder naar de Koekoekspolder, waardoor de bodem nabij de Koekoekspolder sneller daalt en de droogleggingen te klein worden/er sneller water op maaiveld komt bij hoogwatersituaties. Bij verlagen van het peil in de randzone om de landbouw te faciliteren daalt de bodem nog sneller en ontstaat bovendien een nieuwe randzone langs de nieuw verlaagde peilvakken.
Zo houdt het probleem zich niet alleen in stand maar verplaatst de randzone zich steeds verder oostwaarts. Het werkscenario ‘Doorgaan’ geeft inzicht in de verwachte bodemdaling in de autonome situatie, als we geen systeemmaatregelen toepassen. Deze situatie dient als referentie voor het analyseren van de twee andere werkscenario’s. De belangrijkste effecten: • De analyses laten zien dat in 2050 een gemiddelde bodemdaling is opgetreden van ca. 30 cm, en in 2100 meer dan 40cm. De mate van bodemdaling verschilt per locatie. • Het veen verdwijnt vanuit het zuiden tot halverwege de Mastenbroekerpolder. Goed zichtbaar is dat bodemdaling vooral binnen de percelen plaatsvindt, aangezien de ontwateringsstructuur zichtbaar wordt in de veendiktekaart van 2100 (zie almanak pag. 35). • In de Koekoekspolder blijft nauwelijks veen over. De reden hiervoor is vooral dat het veen hier toch al dun is. • In het Kamperveen verdwijnt het veen grotendeels vanwege de lage grondwaterstanden in droge omstandigheden. Slechts enkele plukken blijven over. • De veenoxidatie gaat onverminderd door, hetgeen inhoudt dat in de Mastenbroekerpolder in 2050 circa 500.000m3 veen per jaar oxideert en in het Kamperveen circa 120.000 m3. • De bijbehorende uitstoot van CO2 per jaar blijft bestaan. Voor 2050 wordt een uitstoot berekend van circa 70.000 ton in de Mastenbroekerpolder en 15.000 ton in het 2.
Verdrogingsschade in het zuidoosten van de Mastenbroekerpolder en het Kamperveen. Dit wordt veroorzaakt door de combinatie van grote peilvakken en ongelijkmatige bodemdaling. Hierdoor ontstaat verschillen in drooglegging binnen peilvakken, wat voor sommige gebieden een te grote drooglegging kan betekenen en daardoor verdroging. 3. Eventuele schade aan bebouwing en extra (beheer)inspanningen (wegen, leidingen) nabij Genemuiden in het noordoosten van de Mastenbroekerpolder. Wegen, waterleidingen, riolering en elektriciteitskabels hebben te lijden onder ongelijkmatige zakkingen van de bodem. Daarnaast kan er schade aan bebouwing optreden. 4. Het omlaag brengen van de CO2 uitstoot als gevolg van oxidatie van het veen. Kamperveen. Door opraken van het veen wordt de totale CO2 uitstoot autonoom lager (uitstoot per jaar in 2050 is circa 70% van de uitstoot per jaar in 2020). • Er treedt enige vermindering van het landbouwpotentieel op in de tijd, doordat delen van het gebied sneller dalen dan andere. Door de variërende drooglegging is op de laagst gelegen percelen meer kans op inundatie of natte omstandigheden en op de hoger gelegen percelen schade door droogte. • Het beheer van wegen/leidingen/riolering blijft intensiever en duurder dan in niet-veen- gebieden. • De schade aan funderingen van gebouwen zal toenemen.
• De doorgaande bodemdaling zorgt voor een toenemend waterveiligheidsrisico. Het gebied achter dijkring 10 (Mastenbroekerpolder) en dijkring 11 (Kamperveen) komt lager te liggen. Doordoor wordt de schade die ontstaat als een dijk doorbreekt groter. Het is vanwege het ontbreken van berekeningen onbekend hoe groot dit effect is. • De peilaanpassing ('peil volgt bodemdaling') die hoort bij het werkscenario 'doorgaan' leidt tot een aantal extra opgaven voor het watersysteem: ◊ Om voldoende berging/afvoerend volume in de watergangen te houden moeten de bodems worden verdiept. Voor de watergangen die het waterschap beheert betekent dit dat circa 13.000 m3 grondverzet per jaar extra. 26 Onderwaterdrainage Bufferzone Figuur 2.2 Scenario ‘remmen’ met invulling van de systeemmaatregelen 27 ◊ De bodemdaling is verschillend binnen een peilvak, waardoor droogleggingen sterk gaan variëren. Een aanpassing van de landbouwpraktijk of van het watersysteem is op middellange termijn (circa 30 jaar) nodig, in de vorm van nieuwe peilvakken/ stuwen/gemalen/onderbemalingen. ◊ De daling van het peil leidt tot aanvullende energiekosten wegens toename van de opvoerhoogte, alsook dat het water in de polder te diep wordt voor de maximale diepte van de vijzels van de belangrijkste gemalen. ◊ Bovenstaande extra opgaven leiden tot een geschatte kostenpost van minimaal 0,1 tot 0,5 miljoen euro per jaar.