CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

3.2 Onderzoeksraad voor Veiligheid_Rapport 'Kinderen in nood'

Raadsvergadering 20 oktober 2026, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken73.181 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 9 van 9

Aan de hand van deze datums kon per opvangvorm geteld worden welke v­nummers (uniek identificatie nummer dat het COA gebruikt voor elke bewoner, red.) op welke dag aanwezig waren. Uit deze dagelijkse bezetting is het gemiddelde per jaar berekend door de bezetting van alle dagen op te tellen en te delen door het aantal dagen in dat jaar. De gemiddelde bezetting geeft een indicatie van hoeveel mensen zich in (welk type) opvangvormen bevonden gedurende het jaar. Dit geeft ook een indicatie van hoelang personen op een locatie verblijven. De methodiek maakt piekmomenten binnen een jaar niet meer zichtbaar.’ (Citaat uit Noyon, Barsegyan, Vink & Pluymaekers, Incidenten en misdrijven door bewoners van COA- en tgo-locaties 2017-2024, 30 juni 2025.) tegen personen verbaal (zoals schelden of dreigen met woorden) en agressie en geweld tegen personen non­verbaal (zoals een agressieve houding of gebaren). Het totaal aantal agressie­ en geweldsincidenten is de optelsom van deze drie categorieën. Dit totale aantal betreft het aantal incidenten dat plaatsvindt op een opvanglocatie, niet het aantal (unieke) betrokkenen. Vervolgens hebben we een splitsing gemaakt tussen het aantal incidenten dat per jaar is geregistreerd op reguliere opvang­ locaties waar kinderen wonen, en op noodopvanglocaties waar kinderen wonen.

Hetzelfde hebben we gedaan voor reguliere amv­locaties en amv­noodopvanglocaties. Deze absolute aantallen geregistreerde agressie­ en geweldsincidenten per type locatie hebben we afgezet tegen de gemiddelde bezetting361 van deze typen locaties per jaar. Deze gemiddelde bezetting per jaar geeft een indicatie van het gemiddeld aantal personen dat per jaar op een type opvanglocatie verblijft. Het relatieve aantal incidenten in de opvang, zoals gerapporteerd in figuur 26 en 27, is berekend door het totale aantal incidenten te delen door deze gemiddelde bezetting. Om de data gemakkelijker te kunnen interpreteren, is dit relatieve aantal incidenten vermenigvuldigd met 100. In de figuren en data die we presenteren in hoofdstuk 3.2.3 zijn de centrale ontvangstlocaties Ter Apel en Budel buiten beschouwing gelaten. Deze locaties omvatten verschillende modaliteiten, Kinderen in nood, september 2026 | Bijlage F 161 bijvoorbeeld ook locaties voor mensen die overlastgevend gedrag vertonen zoals een procesbeschikbaarheidslocatie. Het is lastig om een strikte scheiding te maken tussen de geregistreerde incidenten per modaliteit en de sociale leefomgeving van een kind.

Wanneer we Ter Apel en Budel wel meenemen in onze analyses, zien we dat de verschillen tussen reguliere locaties en noodopvanglocaties in het aantal geregistreerde incidenten standhouden, hoewel deze verschillen iets minder groot zijn voor kinderen in gezinnen. Data met betrekking tot incidenten in de amv­opvang zijn nagenoeg vergelijkbaar. Zelfbeschadigend gedrag, waaronder zelfverwonding en suïcidaal gedrag In paragraaf 3.2.3 rapporteren we cijfers over het aantal geregistreerde meldingen van ‘verbale suïcidedreiging’ en ‘zelf­ destructieve acties’ onder alleenstaande kinderen die in de nood­ opvang verblijven. ‘Zelfdestructieve acties’ wordt in de incidenten­ registratie gebruikt als een containerterm voor incidenten waarbij sprake is van zelfverwonding, ­verbranding, honger­ en/of dorst­ stakingen en suïcidepogingen (zonder dodelijke afloop).362 Suïcides worden niet door het COA zelf geregistreerd, maar door de GGD en zijn daarom niet meegenomen in de data opgevraagd bij het WODC. Deze cijfers zijn direct aangeleverd door het WODC. De Onderzoeksraad heeft zelf geen analyses uitgevoerd op deze data. In tegenstelling tot de data gerapporteerd in de overzichten van het WODC363, worden in de analyses van de Onderzoeksraad honger­ en/of dorststakingen niet meegenomen in de categorie ‘zelfdestructieve acties’.

362 Het COA definieerde in 2015 ‘zelfdestructieve acties’ als ‘feitelijke actie van een COA­bewoner waarbij hij of zij zichzelf op een destructieve manier iets heeft aangedaan. Voorbeelden hiervan zijn honger­ en dorststakingen, het innemen van een grote hoeveelheid pillen, automutilatie en ophanging zonder dodelijke afloop.’ (Bron: COA, Geregistreerde COA en Politie meldingen op en rondom COA opvanglocaties, 2015. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg­672482.pdf [laatst geraadpleegd op 30 juni 2026]). 363 Zie bijvoorbeeld: Noyon, Barsegyan, Vink & Pluymaekers, Incidenten en misdrijven door bewoners van COA- en tgo-locaties 2017-2024, 30 juni 2025; Noyon, Barsegyan, Vink & Pluymaekers, Incidenten en misdrijven onder bewoners van COA- en gemeentelijke opvanglocaties 2019-2025, 2 juli 2026. 364 Kamerstukken II 2025­26, 19 637, nr. 3474. Zie ook COA, Infographic - Inventarisatie leef- en verblijfsomstandigheden van kinderen en alleenstaande kinderen (amv) in de asielopvang van het COA, september 2025. Slotopmerking: Het WODC heeft in reactie op het conceptrapport aangegeven dat het dankzij een nieuw rapportagesysteem van het COA in 2026 completere gegevens ontvangt over de bezetting en (daarmee) incidenten op opvanglocaties.

Op basis van de nieuwe data constateerde het WODC dat er een random onderrapportage was van zowel het aantal mensen dat op COA­ locaties verbleef als het aantal betrokkenen bij incidenten. Naar aanleiding van de inzagereactie zijn de herziene data opgevraagd bij het WODC en in het rapport opgenomen. Bijkomstigheid is dat er nu ook data over heel het jaar 2025 beschikbaar was. F.3 Enquête leef- en verblijfsomstandigheden In het voorjaar van 2025 heeft het COA een enquête uitgezet onder de locatiemanagers van alle locaties die door het COA worden beheerd, om zicht te krijgen op de leef­ en verblijfs­ omstandigheden van kinderen.364 Aangezien TGO­locaties niet door het COA worden beheerd, zijn deze locaties niet mee­ genomen in de inventarisatie. In de vragenlijst werd getoetst of locaties aan verschillende criteria voldeden, zowel wat betreft wettelijke verplichtingen waaraan het COA moet voldoen als wat betreft kwaliteitsstandaarden waarvan het COA graag ziet dat locaties daaraan voldoen. De vragenlijst is uitgezet tussen 16 april 2025 en 16 mei 2025. De locatiemanagers van alle 222 locaties waar kinderen verbleven, hebben de vragenlijst ingevuld. Het COA heeft in deze vragenlijst gevraagd of er kinderen op de locatie woonden ten tijde van de dataverzameling. Echter Kinderen in nood, september 2026 | Bijlage F 162 is niet gevraagd hoeveel kinderen op de locatie woonden.

Om hier zicht op te krijgen, hebben we de informatie uit de enquête gekoppeld aan de locatielijst van 1 mei 2025 (middenpunt van de dataverzamelingsperiode) die we van het COA hebben ontvangen (zie hierboven). Hierdoor konden we ook inzicht geven over hoeveel kinderen leefden op locaties met specifieke kenmerken. In de gepubliceerde inventarisatie van het COA worden percentages weergegeven van het aantal locaties dat bevestigend scoort op de tien verschillende criteria die zijn onderzocht. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen locatiesoorten (noodopvang en azc365) en tussen de doelgroepen (alleenstaande kinderen en kinderen in gezinnen). Vanwege de specifieke focus op noodopvang in dit onderzoek analyseren wij enkel de locaties die worden aangeduid als noodopvang, waarbij we een onderscheid maken tussen kinderen in gezinnen die worden opgevangen op noodopvanglocaties (78 locaties) en alleenstaande kinderen die worden opgevangen op amv­ noodopvanglocaties (36 locaties). In ons rapport blijven we zo dicht mogelijk bij de originele vraagstelling die door het COA is gehanteerd in de enquête. Slechts op een paar punten waarover we rapporteren was er sprake van ontbrekende scores. Indien dit het geval was, is uitgelegd wat we hiermee hebben gedaan.

Huisvesting In paragraaf 3.2.1 rapporteren we in hoeverre voorlichting over de brand-, verkeers- en zwemveiligheid is gegeven op locaties. Het COA definieert voorlichting in zijn inventarisatie breder dan 365 Met azc wordt hier alle opvang bedoeld die geen noodopvang betreft, ofwel opvang die in dit onderzoek wordt aangeduid als reguliere opvang. De term azc heeft hier geen betrekking op de modaliteit van een locatie. bovengenoemde aspecten. Wij analyseren daarom enkel de vragen ‘Kinderen ontvangen altijd voorlichting over brandveiligheid’, ‘Kinderen ontvangen altijd voorlichting over verkeersveiligheid’, en ‘Kinderen ontvangen altijd voorlichting over zwemveiligheid’. We hebben per locatie een somscore berekend, waaruit naar voren komt op hoeveel van deze aspecten kinderen voorlichting krijgen. Ook is locatiemanagers gevraagd of op de locatie een afgesloten ruimte is waar gezinnen samen (zouden) kunnen overnachten. De toelichting die hierop werd gegeven in de enquête was dat met een afgesloten ruimte een ruimte bedoeld wordt met muren/ stevige wandjes (geen zeil), een deur waarmee de ruimte kan worden afgesloten en een hard plafond (geen open gat of zeil). In paragraaf 3.2.1 rapporteren we op hoeveel locaties de locatiemanager aangaf dat dit niet het geval was en hoeveel kinderen dit betreft.

Daarnaast rapporteert het COA in zijn inventarisatie informatie over de speelmogelijkheden op een locatie. Wij hebben ons in ons onderzoek specifiek gericht op de aanwezigheid van een binnenruimte en een buitenruimte waar kinderen kunnen spelen. De binnenruimte waar kinderen kunnen spelen mag een ruimte zijn die voor meerdere doelgroepen ingezet kan worden. De buitenruimte betreft ruimte op de locatie of in de nabije omgeving waar kinderen kunnen spelen. Ook deze ruimte mag voor meerdere doelgroepen ingezet worden. Kookfaciliteiten In paragraaf 3.2.2 over autonomie rapporteren we over het aantal locaties waar geen eigen kookgelegenheden zijn. Deze informatie Kinderen in nood, september 2026 | Bijlage F 163 is gebaseerd op de volgende stelling uit de enquête: ‘Bewoners zijn in de gelegenheid om zelfstandig of in samenwerking met een cateraar te koken’. Locatiemanagers konden hierop ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden. We rapporteren in de tekst het aantal negatieve antwoorden. Aandachtsfunctionaris Huiselijk geweld/ Kindermishandeling In paragraaf 3.2.3 over de sociale omgeving rapporteren we over de aanwezigheid van een functionaris bij wie kinderen in een gezin of alleenstaande kinderen terecht kunnen met problemen. In de enquête wordt gevraagd of er minimaal twee aandachtsfunctionarissen huiselijk geweld/ kindermishandeling aanwezig zijn op een locatie.

In de tekst wordt het aantal negatieve antwoorden op deze vraag weergegeven. Onderwijs In paragraaf 3.2.4 over persoonlijke ontwikkeling rapporteren wij over locaties waarop toegang tot onderwijs niet gegarandeerd kan worden. De vraag over toegang tot basisonderwijs is gebaseerd op de volgende stelling: ‘Alle kinderen in de leeftijd 5 t/m 12 jaar gaan binnen 12 weken na asielaanvraag naar het primair onderwijs’. Locatiemanagers konden met ‘ja’ of ‘nee’ aangeven of deze stelling van toepassing was voor de locatie of in de nabije omgeving. Voor toegang tot middelbaar onderwijs is de volgende stelling voorgelegd, die op dezelfde manier kon worden beantwoord: ‘Alle kinderen in de leeftijd 13 t/m 17 jaar gaan binnen 12 weken na asielaanvraag naar de internationale schakelklas (ISK)/ het voortgezet onderwijs/ MBO’. Voor verschillende locaties ontbrak een antwoord op deze vragen, omdat op deze locaties geen kinderen verbleven in de bovengenoemde leeftijdscategorieën. Bij het berekenen van de percentages zijn daarom de locaties met missende waardes buiten beschouwing gelaten. Er zijn echter enkele kanttekeningen te plaatsen bij deze data. Ten eerste stelt de enquête dat deze vraag met ‘nee’ beantwoord moet worden als ten minste een kind op de locatie geen tijdige toegang heeft tot onderwijs.

Het is dan ook niet duidelijk hoeveel minderjarigen geen toegang hadden, en met hoeveel maanden de termijn van drie maanden is overschreden. Ten tweede stelt het COA dat de locatiemedewerkers onvoldoende in beeld hebben of leerlingen door verhuizingen tussen locaties in totaal langer dan drie maanden op onderwijs hebben moeten wachten. Ten derde tonen de cijfers dat er ook op reguliere COA­locaties en reguliere amv­locaties vaak late toegang is tot onderwijs, wat duidt op algehele capaciteitsproblemen in het ISK­onderwijs. Onderzoeksraad mr. C.J.L. van Dam MPM, voorzitter dr. E.A. Bakkum dr. S.C. Douglas dr. V.J. Batelaan, secretaris-directeur a.i. bezoekadres: Lange Voorhout 9, 2514 EA Den Haag postadres: Postbus 95404, 2509 CK Den Haag telefoon: 070 333 70 00 e-mail: info@onderzoeksraad.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/fbe908eb-ba9e-4ff3-a713-2db16f55b1ff?agendaItemId=53d70ee7-8623-44b4-b71b-d1ac1641679f