23.0 Informatienota 2022 - 7 - Startdocument Gebiedsgerichte Aanpak Noordwest Overijssel.pdf
Tekst van het document
Dat geldt zowel voor onderzoek in het agrarische gebied als in de twee natuurgebieden. Daarnaast is er nog veel onbekend op het gebied van effecten van maatregelen. Dit geldt zowel voor stikstofmaatregelen als voor maatregelen gericht op bodemdaling en vermindering van CO2-uitstoot. Vandaar ook het belang van proefprojecten en onderzoeken op landelijk en lokaal niveau. Er wordt veel onderzoek gedaan en in de komende jaren zal steeds meer kennis worden vergaard. Ontwikkelingen zijn niet altijd te voorspellen, maar voor een deel wel te voorzien. Zo zal de stikstofuitstoot door alle bronmaatregelen, in de loop van de jaren verminderen. Ook zal de natuur robuuster worden door het nemen van diverse maatregelen in en rondom de natuurgebieden. Beide voorbeelden hebben mogelijk consequenties voor het Toekomstperspectief. Welke en hoe, dat weten we nog niet. Belangrijk is wel om te bedenken hoe we in de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel om zullen gaan met nieuwe informatie en ontwikkelingen. 11. Werken in deelgebieden maakt lokaal maatwerk mogelijk Gezien de fysieke verschillen en verschillende oplossingsrichtingen voor het tegengaan van bodemdaling, werken we in deelgebieden en waar nodig ook in kleinere gebieden, bv per polder binnen een deelgebied. Concrete maatregelen op bedrijfsniveau moeten besproken worden aan de keukentafel.
Uiteraard moeten we bij het werken in deelgebieden oog houden voor een brede blik en uitwisseling binnen en tussen de deelgebieden. Het werken in deelgebieden biedt kansen om lokaal maatwerk mogelijk te maken, omdat lokale partijen bij de integrale planvorming zijn betrokken. Tegelijkertijd kunnen lokale opgaven die van invloed zijn op het 3 Het Nationaal Park Weerribben Wieden Nieuwe Stijl beslaat een groter gebied, waarin de verbinding natuur – landbouw – recreatie intensiever zal zijn. College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011374/90 30 Toekomstperspectief en/of het uitvoeringsprogramma (gebiedsagenda) van het deelgebied worden meegenomen in de planvorming. Het lokale maatwerk biedt kansen voor een integrale aanpak op polderniveau, als het gaat om tegengaan van stikstofuitstoot en bodemdaling, de wateropgave, extensivering van de landbouw e/o alternatieve teelten/bedrijfsvoering. Daarnaast is vanuit de deelgebieden een nauwe verbinding en participatie met belanghebbenden te maken. 12. Kennis en ervaring opdoen en delen en bottom-up initiatieven dragen bij aan het Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel Er is nog veel onbekend over bijvoorbeeld de effecten op bodemdaling en CO2-uitstoot van maatregelen op het gebied van vernatting. Daarvoor loopt zowel regionaal als nationaal onderzoek.
Ook loopt er nog onderzoek naar de effectiviteit van bronmaatregelen gericht op de stikstofreductie. Ondanks alle onzekerheden moeten we proeftuin durven te zijn en experimenteerruimte hebben. Initiatieven van onderaf aanjagen en trots zijn op wat we zelf kunnen bereiken. En tegelijkertijd effectieve praktijkvoorbeelden van buiten Noordwest Overijssel in het eigen gebied benutten, zoals de ervaringen van de hoogwaterboerderij Zegveld en het Netwerk Praktijkbedrijven. Dit vraagt om een leerhouding. De provincie en de rijksoverheid moet experimenteerruimte en de leerhouding faciliteren wanneer hier vanuit het gebied een beroep gedaan wordt. Voor experimenteerruimte geven is ook “lef” nodig. Als je landbouwpercelen vernat (op verschillende manieren), wat betekent dat dan voor de bedrijfsvoering? Welke innovatieve maatregelen zijn er mogelijk om stikstofuitstoot tegen te gaan? Hoe kunnen we als groep boeren gezamenlijk een manier vinden om te extensiveren, waarbij er wel een goed verdienmodel is? In welk (deel van je) bedrijf is extensief beheer mogelijk? Welke ‘weidevogelmaatregelen’ zijn goed inpasbaar in de agrarische bedrijfsvoering? En zijn deze maatregelen voldoende voor het verbeteren van de weidevogelstand? De uitkomsten van dit soort onderzoeken en pilotprojecten helpen bij de vormgeving van het Toekomstperspectief Noordwest Overijssel.
Dan is het wel van belang om van alle initiatieven die er zijn, op de hoogte te zijn, en er met elkaar over te spreken. Zo is er in Staphorsterveld een pilot uitgevoerd op het gebied van onderwaterdrainage. Dit kan weer bijdragen aan een vervolg in een ander gebied. Gezien het belang van de transitie van de landbouw, zijn uitwisselingen van kennis en ervaring tussen boeren hierbij erg belangrijk. De Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel kan hierin aanjagen en faciliteren, evenals bij lokale initiatieven en projecten. Tenslotte kunnen we leren van en uitwisselen met de ervaringen uit andere gebieden in Overijssel. Behalve bottom-up-projecten om van te leren ten behoeve van een Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel, kunnen er ook bottom-up initiatieven zijn die zelf bijdragen aan de doelen van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel. Het kan helpen deze vanuit de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel te ondersteunen. Het integrale perspectief dient daarbij als denk-/handelingskader. Kernvragen bij deze initiatieven zijn: Wat werkt wel wat werkt niet? Wat is de kosteneffectiviteit? Is het zelfstandig financieel rendabel of wat is het financiële gat? 13.
Koppelkansen van de grote opgaven parallel aan de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel zoveel mogelijk benutten De komende tien jaar verwachten we dat de regio West-Overijssel verder zal groeien met circa 35.000 - 40.000 huishoudens (waarvan 10.000 in Zwolle, binnenstedelijk en in Stadshagen). De woningbouwopgave vraagt om stikstofruimte waardoor mogelijk woningbouwplannen vertraging op kunnen lopen als er geen stikstofreductie is gerealiseerd. De vraag is of dit een groot knelpunt zal zijn omdat de stikstofuitstoot van woningbouw gering is. In de huidige situatie blijkt dat de meeste woningbouwplannen gerealiseerd kunnen worden met intern salderen College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011375/90 31 (bv verdwijnende agrarische functie (bemesten), elektrisch bouwen, gasloos bouwen, afname verkeersbewegingen etc). De Ontwikkelopgave Natura 2000 heeft veel impact in het gebied. Deze opgave staat voor het in een gunstige staat van instandhouding brengen van deze natuurgebieden. Hier worden maatregelen genomen in en rondom de natuurgebieden. Deze maatregelen zijn merkbaar in de omgeving van de natuurgebieden doordat bijvoorbeeld het areaal natuur wordt uitgebreid (binnen de eerder aangegeven kaders: de uitwerkingsgebieden) en er hydrologische maatregelen worden genomen.
Daarnaast wordt de Regionale Energiestrategie (RES) uitgevoerd met een opgave voor windenergie en zonne- energie. Dit is bijvoorbeeld voor Staphorst een belangrijk aandachtspunt. Ten slotte wordt de omzetting naar bos in de zogenoemde bossenstrategie benoemd. Deze grote ontwikkelingen leiden tot ruimtebeslag. Het is van belang om in beeld te krijgen waar deze plannen gaan landen, wat moet? Er wordt verder gepleit om niet af te wachten tot anderen met plannen voor bijvoorbeeld extra bos komen, maar vanuit het gebied NWO aangeven of en zo ja, waar andere opgaven gerealiseerd kunnen worden. Daarbij het waardevolle agrarisch cultuurlandschap in acht nemen. Maak gebruik van het uitdaagrecht (‘challenge to act'). Goede afstemming met de instanties die die grote opgaven realiseren is van belang om het gebiedsproces van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel niet te frustreren. Daarbij moeten we voorkomen dat we kansen mislopen, maar we moeten ook niet vertragen. Daarnaast worden er op verschillende niveaus visies ontwikkeld. Denk aan de provinciale Omgevingsvisie maar ook bijvoorbeeld de visie op het buitengebied waar gemeente Zwartewaterland aan werkt. Wat de deelgebieden missen is duidelijke afstemming van de grote opgaven vooraf en wie ‘bewaakt’ de afstemming? We willen de lusten en lasten in het gebied houden en verdelen.
De grote opgaven kunnen zowel een positief als een negatief effect hebben op het gebiedsproces en het Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel. Het positieve willen we omarmen en kansen meekoppelen (Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel- doelen realiseren, koppelkansen en verdienmodellen benutten), het negatieve vooral voorkomen. Voorop staat het behoud van het waardevolle cultuurlandschap van Noordwest Overijssel (Nationaal Landschap IJsseldelta en Nationaal Park Weerribben Wieden). 14. Financieringsvraagstuk voor en na 2030 Het financieringsvraagstuk is een terugkerend thema. Er is behoefte vanuit de Deelgebiedscommissies om zicht te hebben op de financiering van de maatregelen en voorstellen die voortkomen uit het gebiedsproces. Door het ontbreken van beschikbare middelen aan de voorkant zijn partijen afwachtend om zich ‘vol’ op het gebiedsproces te richten. Daarnaast speelt het ontbreken van rijksfinanciering van de stikstofmaatregelen na 2030. Deze laatste stap is wat betreft reductie het duurste omdat het laaghangende fruit dan weg is en een grote stikstofreductie (van 26% => 50 % in 5 jaar) moet worden gerealiseerd. Ander voorbeeld is dat langjarige financiering voor klimaatmaatregelen nog niet zijn geregeld.
Om een goede gesprekspartner voor het rijk te zijn en middelen binnen te halen, is het belangrijk om het Toekomstperspectief en de gebiedsagenda/uitvoeringsprogramma voor NWO goed uit te werken. Waar willen we naar toe, wat gaan we daarvoor doen, welke middelen dragen partijen en sectoren al bij en wat hebben we extra van het rijk nodig? Het zal o.a. landen in het provinciale gebiedsplan dat uiterlijk juli 2023 aan de minister wordt aangeboden met daarin het aanbod van Noordwest Overijssel voor de reductie van de stikstofemissie. Aandachtspunt is het loskomen van subsidiestromen. Er liggen ook kansen voor het genereren van middelen vanuit het gebied en samen in beeld te brengen hoe budget uit het eigen gebied gegenereerd kan worden. Suggestie is gedaan voor het instellen van een gebiedsfonds waarin diverse budgetten gebundeld kunnen worden. Zie ook het aansprekende voorbeeld van ‘Salland Loont’ dat hiervoor is beschreven. College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011376/90 32 6 Waar gaan we met zijn allen aan werken? Advies van de Deelgebiedscommissies aan de Regiegroep Noordwest Overijssel 6.1 Inleiding De gesprekken in de Deelgebiedscommissies (DGC’s) hebben geleid tot aanpassingen van de puzzelstukjes en van de Rode Draden.
Daarmee is het concept Werkdocument gebiedsanalyse een gezamenlijk document geworden en kan het verder onder de naam Gebiedsanalyse. Daarnaast is er een advies van de Deelgebiedscommissies aan de Regiegroep NWO met bevindingen, aandachtspunten en aanbevelingen voor het vervolg. In dit hoofdstuk is dat advies verwoord. Hoewel iedere DGC haar eigen bijeenkomsten had, zijn vaak gelijkluidende zorgen en aandachtspunten genoemd. In dit advies is de inbreng van de drie DGC’s samengebracht. Daar waar het een specifieke opmerking van één van de DGC’s betreft, is dit expliciet aangegeven. Niet in alle gevallen is er een eenduidig geluid binnen de DGC’s. In de gevallen waar dat aan de orde is, is het dilemma geschetst. De agrarische leden van de DGC Staphorsterveld hebben hun uitgangspunten voor de vervolggesprekken nog apart op een rijtje gezet. Daarin vragen zij aandacht voor aspecten die de huidige landbouwpraktijk ondersteunen en voor vrijwilligheid bij eventuele aanpassingen van die landbouwpraktijk. Een aantal punten komt ook terug in onderstaand advies. De uitgangspunten zijn als bijlage 3 toegevoegd.
In de werksessies van de DGC’s over de verschillende onderdelen van deze gebiedsanalyse is de deelnemers steeds gevraagd naar de herkenbaarheid: ‘Herken je de puzzelstukjes en de rode draden voor Noordwest Overijssel? Herken je ze voor het deelgebied? In onderstaande paragraaf zijn de belangrijkste zaken hieromtrent beschreven. In de gesprekken werd ook duidelijk wat er nog mist aan kennis of informatie die nog aangedragen moet worden door, met name, overheden. In de paragraaf Ontbrekende kennis staan die zaken op een rij. Vervolgens wordt in de paragraaf Aandachtspunten en randvoorwaarden voor het vervolgproces per thema beschreven waar echt rekening mee moet worden gehouden in het vervolgproces. Tenslotte worden, ook geclusterd rond verschillende thema’s, Aanbevelingen gedaan door de DGC’s aan de Regiegroep NWO. In de DGC’s is, naast het bespreken van het Werkdocument gebiedsanalyse, ook aandacht geweest voor kansen, initiatieven, pilotprojecten of ideeën daarvoor en andere uitvoeringsprojecten of -praktijken. In de komende tijd zullen er vervolgstappen worden gezet om samen de ideeën verder uit te werken, inzichtelijk te maken aan welke opgaven ze bijdragen en hoe ze uitgevoerd zouden kunnen worden, en hoe de kennis die dat oplevert gemonitord en gedeeld kan worden. De lijst met ideeën/kansen/projecten is als bijlage 2 aan deze gebiedsanalyse toegevoegd.
De DGC’s hebben in korte tijd zich de problematiek eigen gemaakt en met veel inzet gewerkt aan inbreng voor het advies en voor de Gebiedsanalyse als geheel. De verschillende gezichtspunten van de diverse partijen zijn herkenbaar. In de planvormingsfase, en mogelijk juist ook in de pilotprojecten, kunnen de gesprekken over de verschillende gezichtspunten verder worden gevoerd en zijn er wellicht ook gezamenlijke gezichtspunten te ontwikkelen. Het helpt daarbij ongetwijfeld als er meer duidelijkheid is over meetgegevens, effecten van mogelijke maatregelen en financiering. 6.2 Herkenbaarheid gebiedsanalyse De Deelgebiedscommissies (DGC’s) herkennen de gebiedsanalyse grotendeels. In de DGC’s zijn aanvullend wel de nodige opmerkingen gemaakt over de opgaven die er liggen: College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011377/90 33 • Het is duidelijk dat de problematiek (m.n. stikstof/bodemdaling) speelt en dat er een opgave ligt om deze problematiek aan te pakken, maar de opgave is nog wel erg abstract, vergt een scherpere gebiedsgerichte opgave en er is meer kennis nodig om oplossingen hiervoor te vinden. Er is ook wel twijfel over de haalbaarheid van de opgaven. Het is duidelijk dat deze opgaven vergaande gevolgen hebben voor met name de landbouwsector.
Er wordt benadrukt dat ook de andere sectoren hun aandeel van de oplossing van de stikstofproblematiek moeten realiseren. • Wat betreft de bodemdaling in de veenweidegebieden is duidelijk dat, als er geen maatregelen worden genomen, dit een onomkeerbaar proces is. Bodemdaling is een probleem dat herkend wordt en vertraagd moet worden. Bij de door de bodemdaling (oxidatie van veen) veroorzaakte CO2-uitstoot is minder beeld. De oplossing vernatten wordt erkend, maar benadrukt wordt dat ook andere maatregelen tegen veenoxidatie moeten worden onderzocht. • Het beeld van grondgebondenheid van de landbouw en de drie-eenheid veenweide-gras-koeien wordt breed gedragen. De Gebiedscoöperatie IJsseldelta ziet in de plaats van ‘gras’ het liefste ‘vochtig gras’ in deze drie-eenheid. Dat er in ‘de landbouw’ op diverse thema's veranderingen nodig zijn is duidelijk, maar een helder perspectief ontbreekt. De impact van stappen zetten, waarvan achteraf blijkt dat het de verkeerde stappen waren, is enorm (b.v. specifieke stalsystemen). Biologische landbouw wordt niet als dé oplossing gezien, omdat de grond daarvoor te duur is (extensievere productie) en de afzetmarkt beperkt. Overigens loopt biologische landbouw voor een groot deel tegen dezelfde zaken aan als gangbare landbouw. Biologische landbouw is waar het past bij het bedrijf en de ondernemer wel een mooi bedrijfsmodel.
Alleen als er middelen zijn om landbouwgrond af te waarderen of om landbouwgrond langdurig te kunnen pachten tegen gunstige voorwaarden ontstaan er kansen voor extensieve landbouw w.o. biologische of natuurinclusieve landbouw. • De DGC Polder Mastenbroek/Kamperveen vraagt aandacht voor de gevolgen voor de tuinbouwsector in de Koekoekspolder. Maatregelen in de randzone Koekoekspolder kunnen grote gevolgen hebben voor de veiligheid in de Koekoekspolder. Onderzoek naar de randzone loopt. • De agrarische partijen in de DGC Polder Mastenbroek/Kamperveen geven aan dat vooral de recent toegevoegde teksten beter herkenbaar zijn. De input vanuit de bijeenkomsten kwam hier duidelijker naar voren. Wat wel blijft is dat het voor een groot deel nog vrij hoog over blijft. Vooral als we het over de kwaliteit van de natuur hebben (hoe kwaliteit te definiëren), de impact van opgaves uit overig ruimtegebruik en het perspectief voor de landbouw. Daar moet in het vervolgproces een flinke slag geslagen worden aan het in beeld brengen van informatie en het concreet maken. • Natura 2000-ontwikkelingen spelen vooral in/rond de Wieden Weerribben en Olde Maten en Veerslootlanden. In de Natura 2000-gebieden langs de rivieren is er een heldere afbakening door de dijken en is er minder discussie over de grenzen van gebruiksdoelen. Bovendien zijn daar minder stikstofgevoelige habitattypen.
• Het is goed dat de opgaven in combinatie, integraal, worden benaderd en op die manier aan oplossingen gewerkt gaat worden. Het gevaar dat wordt gezien is, dat wanneer het té complex wordt, het verzandt in goede bedoelingen en het stil komt te liggen. 6.3 Ontbrekende kennis Zoals in de paragraaf hierboven al aan de orde kwam, is er meer kennis nodig om daadwerkelijk in de DGC’s aan de slag te kunnen gaan met de planvorming naar een Toekomstperspectief. Een deel van die kennis zal vanuit de overheden en landelijke onderzoekscentra (moeten worden) aangeleverd (technische kennis en beleid). Andere kennisvragen zullen in de DGC’s nader gespecificeerd moeten worden en daarna worden onderzocht, of kunnen vanuit de DGC’s zelf worden opgepakt. Tenslotte kunnen zich tijdens de planvorming ook nog onderzoeksvragen aandienen. De volgende kennislacunes zijn genoemd: Overheden/landelijke onderzoeksprogramma’s (met lokale pilotprojecten): • Effectiviteit van de verschillende bronmaatregelen stikstof; College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011378/90 34 • Effectiviteit van maatregelen tegen bodemdaling en CO2-uitstoot (b.v. mengen veen met klei, , overzanden van de veenlaag met onderliggend zand, onderwaterdrainage); • Gemeten waarden van emissies (stikstof/CO2) nu en vanaf nu ook met regelmaat meten (monitoring).
Op rijksniveau wordt op dit moment volop gewerkt aan het opstarten van de monitoring van stikstof en broeikasgassen. Waar relevant, ook monitoring van regionale opgaven waarbij goede afstemming plaats vindt rond data en methodiek tussen de verschillende niveaus van monitoring. Feitelijk geldt dit ook voor het meten van emissies. • Hoeveel water is er nodig voor veenweidemaatregelen, en is dat ook voorradig in droge perioden? In hoeverre bedreigt klimaatverandering de wateraanvoer? • Detaillering van hoe (ondergrondse) waterstromen lopen (op hoofdlijnen in Infram-rapport). Dit bepaalt namelijk voor een groot deel welke maatregelen wel of niet werken. Deze vraag speelt met name in Polder Mastenbroek omdat daar de bijzondere situatie met de laaggelegen Koekoekspolder bestaat. Voor de polders grenzend aan de oostzijde van de Weerribben is al een onderzoek gedaan dat een gedetailleerde uitwerking is van het Infram-rapport; • Hoe kunnen dierziektes als leverbot en salmonella worden voorkomen als de veengronden worden vernat? Wat kunnen we leren van andere gebieden over dierziektes als gevolg van vernatting? • Duidelijkheid over de stedelijke ontwikkeling van Zwolle, Kampen en Zwartewaterland; • Wat is de bedoeling van b.v. de bossenstrategie? Is er een opgave voor NWO? Waar? Hoeveel? • Ook andere opgaven uit het puzzelstukje ‘overige ruimtegebruik’ moeten worden gespecificeerd.
• Hoeveel geld is er beschikbaar vanuit de verschillende opgaven voor Noordwest Overijssel? Deelgebiedscommissies en overheden/onderzoekscentra samen: • Wat is precies kringlooplandbouw/duurzame landbouw/natuurinclusieve landbouw? Waar moeten we naartoe? Zonder duidelijk doel kom je er niet en dus is het belangrijk hierover een gezamenlijk beeld te hebben (minimaal op NWO-niveau). Welke bedrijven scoren al goed op kringlooplandbouw en wat kun je daarvan leren? • Bodemonderzoek in natuurgebieden en monitoring daarvan in de komende jaren. • Tuinbouw, bepalen welke informatie nodig is en daarna die informatie achterhalen; • Randzone Koekoekspolder. In lopend onderzoek goed de mogelijkheden en consequenties voor de tuinbouw in de Koekoekspolder meenemen (via projectgroep/klankbordgroep). 6.4 Aandachtspunten en randvoorwaarden voor vervolgproces (Toekomstperspectief en Uitvoeringsprogramma) Zoals eerder is aangegeven hebben de opgaven vergaande gevolgen voor de agrarische sector. De landbouw moet echter wel perspectief hebben voor de toekomst. De meeste van onderstaande aandachtspunten zijn daarom ook daarop gericht. Ook voor de hiervoor benodigde financiën wordt veel aandacht gevraagd. Hieronder wordt echter eerst ingegaan op overkoepelende punten. Tenslotte wordt ook aandacht gevraagd voor het herstel van de natuur.
Overkoepelend • De DGC Staphorsterveld vraagt zich af in hoeverre zij invloed heeft op de dingen die komen gaan in relatie tot het beleid, dat op een zoveel grotere schaalgrootte en met een zoveel grotere reikwijdte, door de Europese Unie wordt gemaakt; • Gevraagd wordt om duidelijkheid van de overheid ten aanzien van de opgaven. Ook consistentie van beleid, c.q. van de verschillende beleidsterreinen die elkaar raken, is een belangrijk aandachtspunt; • Bewustwording dat het niet nemen van maatregelen op termijn tot problemen leidt en (sterker nog) de erkenning van de urgentie om ingrijpende transities te maken, behoeft veel aandacht in dit proces. Samenwerking tussen betrokken partijen en het creëren van draagvlak bij die partijen en hun achterban én College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011379/90 35 bij de andere bewoners (m.n. agrariërs) in het gebied, is hierbij essentieel. Belangrijk om gezamenlijk te zoeken naar de juiste manier om communicatie met het gebied vorm te geven (wanneer, welke boodschap, hoe, wie).
• We gaan in het gebiedsproces uit van de criteria die zijn genoemd in de NOVI: “Functies mogen niet leiden tot afwenteling (anderen hebben er nu of later last van) en we maken waar mogelijk gebruik van het stapelen van functies.” • Helderheid van de gemeentes Kampen en Zwartewaterland in hoeverre ze ambities hebben om een deel van de veenweide als bouwgrond te bestempelen. Gemeente Zwolle heeft dat inmiddels verduidelijkt. Dat bepaalt de discussie die we in het deelgebied voeren en ook de houding en betrokkenheid van ondernemers in het gebied, dit kan ook een discussie over grondwaarde opleveren. Wat als er veenweide- maatregelen genomen worden, je grond wordt afgewaardeerd en het wordt vervolgens woningbouw wordt? Heeft dit effecten op de waarde?; • Steun van de overheid bij grondposities en in het gebied houden van de grond ten behoeve van doelen van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel. Aandachtspunt vanuit de agrarische partijen hierbij is ook het behoud van agrarische gronden ten behoeve van agrarische doelen. • De provincie en de rijksoverheid moeten experimenteerruimte en de leerhouding faciliteren wanneer hier vanuit het gebied een beroep gedaan wordt. Voor experimenteerruimte geven is ook “lef” nodig. • Transparante communicatie is in elk proces, maar zeker in een gebiedsproces een belangrijk aandachtspunt.
• Monitoring van effecten van maatregelen en van emissiewaarden. • De agrarische partijen in DGC Mastenbroek / Kamperveen geven aan dat uit de toelichting over emissie van de industrie opviel dat de wijze waarop de emissie van de industrie wordt bepaald zeer weinig fijnmazig is. Voor de landbouw wordt heel veel bedrijfsspecifieke informatie gebruikt. Het roept ergernis op dat van industriële bedrijven, zelfs wanneer deze heel dicht bij stikstofgevoelige natuur liggen, een grove benadering gehanteerd wordt terwijl van de landbouw tot de laatste koe alles in beeld is. Vooral als je dat bekijkt in het licht van rechtspraak over het RAV-systeem. • Borgen kennis delen binnen DGC’s, tussen DGC’s, tussen DGC’s en Regiegroep en vanuit de ambtelijke organisatie als het gaat om nieuwe inzichten (uit onderzoek) of nieuw beleid. Landbouw • Voor een goede gelijkwaardige samenwerking, is het voor veel agrarische leden van de DGC’s van belang dat het vakmanschap en de kennis van boeren wordt erkend. Om verder stappen te zetten is het goed om ook te zien wat er de afgelopen decennia al veel inspanning is verricht en is bereikt op het gebied van terugdringen van de stikstofuitstoot. Ook dragen boeren met hun agrarisch natuurbeheer bij aan natuur en landschap. • Er moet toekomstperspectief zijn voor de landbouw in Noordwest Overijssel.
Het tegengaan van uitstoot van stikstof en broeikasgassen zal deels door (innovatieve) technische maatregelen bereikt kunnen worden, en voor het andere deel zal een (omschakeling naar een) andere bedrijfsvoering de oplossing moeten bieden. De landbouwleden geven aan dat de financiële rek in de landbouw eruit is en dat voor beide oplossingsrichtingen financiering vanuit de overheid noodzakelijk is. Behalve daar waar het gaat om omschakelingskosten naar een andere bedrijfsvoering, moet er ook een verdienmodel zijn voor die nieuwe bedrijfsvoering. • Voor een verdienmodel zijn langjarige afspraken over diverse groenblauwe / maatschappelijke diensten (ook GLB) essentieel. Daarnaast is het van belang dat er integraal naar de nieuwe bedrijfsvoering, waarin maatschappelijke diensten worden verleend, wordt gekeken, zowel vanuit beleid (vinden van een optimum van de verschillende beleidsopgaven) als vanuit financiering (o.a. moet stapeling van de verschillende financieringsstromen mogelijk zijn, het liefst gebundeld); • Als er lokale bronmaatregelen worden genomen in de deelgebieden, zoals bijvoorbeeld het aanlengen van mest met water, is het noodzakelijk dat deze ‘stikstofreductie’ ingeboekt kan worden zodat het inzichtelijk is en er besloten kan worden hoe deze stikstofwinst ingezet kan worden. Boeren die op die manier op veengrond mest uitrijden kunnen dat nu al opgeven aan RVO.
Deze informatie komt terug in de College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011380/90 36 emissieregistratie en t.z.t. in de monitoring. Daar staat echter geen vergoeding tegenover. Daarvoor een vergoeding krijgen zou de vraag kunnen zijn. Als het in de praktijk nu niet gebeurt zou je het als regionale N-bronmaatregelen kunnen voorstellen. • Er wordt speciale aandacht gevraagd voor jonge boeren; • Onder (een vrij groot deel van) de boeren wordt als risico gezien dat agrarisch natuurbeheer kan leiden tot het vóórkomen van bijzondere soorten. Een bewijs dat de wijze van beheer voldoet en juist zo beheerd zou moeten blijven. Een groot deel van de soortenrijkdom hangt samen met agrarisch gebruik, maar wel bij een veel langere stikstofdruk zoals bij agrarisch natuurbeheer ook wordt nagestreefd. Hoewel dat een trots gevoel kan geven, wordt het risico gezien dat dit beperkingen oplevert voor de agrarische bedrijfsvoering. Het kan zijn dat er minder stikstof uitgestoten mag worden (zie bijvoorbeeld de leefgebieden-discussie, die overigens in de eerstvolgende uitgave van Aerius gerepareerd wordt). Ook bestaat de angst dat als er veel natuurwaarden zijn op een perceel, dat het perceel natuur moet worden.
Indien het maatschappelijk wenselijk is dat er agrarisch natuurbeheer is, dan moet de overheid de agrariërs garanderen dat deze negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering er niet zullen komen (c.q. terug worden gedraaid als bij de leefgebiedendiscussie); • Als optie voor alternatief gebruik van veenweidepercelen ten behoeve van het tegengaan van bodemdaling en CO2-uitstoot, worden natte teelten genoemd door overheden en onderzoeksinstellingen. Melkveehouders zien natte teelten niet als optie, omdat dat een totaal andere tak van de landbouw is dan de melkveehouderij. Door hen wordt het gezien als uit productie nemen van geschikte weidegrond. Mogelijk zijn riettelers wél geïnteresseerd in natte teelten (inclusief eventuele uitbreiding van de rietteelt). Er is wel een initiatief (initiatievenlijst) om lisdoddes te kweken ten behoeve van natuurlijke vezels voor de tapijtindustrie. Een ander aspect is dat, als het technisch al mogelijk is en het daadwerkelijk positief werkt tegen de uitstoot van (alle) broeikasgassen, het financieel (afzetmarkt) nog niet aantrekkelijk is. • In DGC Wieden Weerribben wordt aandacht gevraagd voor garantieprijzen voor riet. • De agrarische partijen in de DGC Mastenbroek / Kamperveen vragen aandacht voor het legaliseren van de PAS-melders en interimmers. Hier zit grote druk op i.v.m. procedures en handhavingsverzoeken.
Hoe langer het duurt hoe groter het economische en mentale leed voor de getroffen ondernemers. Natuur • Volledig herstel natuur vergt (veel) meer dan onder de Kritische Depositiewaarde (KDW) blijven; ook hydrologie en relatie met omgeving moet op orde zijn (ontsnipperen, verstoring beperken, etc). Als dat niet op orde komt, is het beneden de KDW komen niet zo zinvol. • Vanuit de agrarische vertegenwoordiging uit de deelgebiedscommissies wordt gepleit voor bodemanalyses in natuurgebieden. Hiermee kan de stikstoflevering uit de bodem in beeld gebracht worden. En vervolgens in relatie worden gebracht met de potentie van de stikstofgevoelige natuur. Deelgebiedsspecifiek DGC Polder Mastenbroek / Kamperveen vraagt om een bredere kijk op mogelijke maatregelen in de randzone Koekoekspolder, waar nu een onderzoek naar loopt. Er lijkt nu al een tunnelvisie te zijn: onder water zetten met zonnepanelen erbovenop. Er zijn ook andere maatregelen mogelijk waarbij bijvoorbeeld ook het zo veel mogelijk behouden van landbouwgrond de aandacht krijgt. Daarbij moeten we ook goed kijken naar de effecten in de Koekoekspolder. Een inventarisatie van alternatieven is nodig. Polder Mastenbroek is een kansrijk gebied voor weidevogels. Veel agrariërs spannen zich nu al hiervoor in. Goed om juist in deze polder in te zetten op weidevogelbeheer.
Ook Kamperveen en Staphorsterveld zijn bijna geheel zoekgebied voor weidevogelbeheer (subsidie agrarisch natuurbeheer). In Staphorsterveld kan het weidevogelbeheer (met vernattingsmaatregelen) goed aansluiten op Oldematen Veerslootlanden. Daarmee worden meerdere doelen gediend. College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011381/90 37 De Gebiedscoöperatie IJsseldelta pleit voor aanvullend beleid voor vrijkomende grond: dat de grond alleen gebruikt mag worden om de waarden van het gebied te behouden of te versterken. In en binnen de verschillende deelgebieden is er een variatie aan grondsoorten. Dat kan effect hebben op de effectiviteit van de verschillende maatregelen tegen bodemdaling. Pilotprojecten van verschillende maatregelen op verschillende grondsoorten zijn dan ook van belang om inzicht te krijgen in de werkbaarheid en effectiviteit van de maatregelen. Daarnaast vereisen de vele grondsoorten ook meer variatie in bouwplannen en bemestingsplannen. Vooral in deelgebied Wieden Weerribben, met een grote tak akkerbouw, zijn er goede mogelijkheden om hierop aan te haken en te streven naar een gesloten kringloop van mineralen op dit schaalniveau. Dit geldt ook voor deelgebied Staphorsterveld, in relatie met een grote akkerbouwtak in andere delen van de gemeente Staphorst.
6.5 Aanbevelingen Integraal Toekomstperspectief In de deelgebieden willen we werken aan een gezamenlijk gedragen integraal Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel, met perspectiefrijke oplossingen voor de problematiek die in deze gebiedsanalyse staat beschreven. Het minder in hokjes denken en handelen is daarbij nodig. Het moet een toekomstbeeld zijn voor eenieder die in het deelgebied woont en werkt, met name voor de agrarische ondernemers, al moeten we ook streven naar sterke gemeenschappen die niet afhankelijk zijn van één bedrijfstak. Het zou wel mooi zijn als ‘de boer trots is dat hij hier boert, hoe hij dat doet en hoe hij daarbij maatschappelijke doelen realiseert’. Om te kunnen werken aan het integrale Toekomstperspectief, is het nodig dat er minder in hokjes wordt gedacht vanuit de opgaves; stikstof, veenweide, Natura 2000, klimaat, het hangt allemaal met elkaar samen. Er is lef en daadkracht nodig om te ontvlechten. Zowel qua proces als qua financieringsstromen en beleid. Het is van belang om voor het optimum te gaan voor de verschillende doelstellingen, niet voor het maximum op één beleidsterrein met een veel lagere opbrengst op een ander terrein. Dit optimum komt waarschijnlijk de overkoepelende thema’s leefbaarheid, landschap en identiteit van Noordwest Overijssel ook ten goede.
Het is belangrijk om in het Toekomstperspectief ook een visie op het toekomstig beheer aan de orde te laten komen met daarbij aandacht voor organisatie, financiering en uitvoering. Kennis opdoen Er is nog veel kennisontwikkeling nodig. In Noordwest Overijssel willen we hieraan bijdragen met pilotprojecten. Delen van kennis is essentieel. Hoewel er al veel ideeën en initiatieven zijn (zie bijlage) die bijdragen aan oplossingen in de deelgebieden, is er ook nog veel onbekend. Voor een deel gaat dat om kennis die in ontwikkeling is. Daar waar we in Noordwest Overijssel kunnen bijdragen aan die kennisontwikkeling, specifiek ook voor de verschillende deelgebieden in NWO, moeten we dat vooral doen (pilotprojecten). We adviseren de Regiegroep daar de benodigde middelen voor (menskracht, kennisnetwerk en geld) voor beschikbaar te stellen. Daar waar het gaat om informatie die overheden kunnen geven over hun plannen, opgaven en financiering, wordt geadviseerd dit ook te doen. We adviseren de Regiegroep te faciliteren in het beschikbaar krijgen van de ontbrekende kennis, zoals in de paragraaf Ontbrekende kennis is benoemd. Kennisuitwisseling binnen en buiten Noordwest Overijssel is zeer College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011382/90 38 belangrijk in deze periode waarin er nog zoveel ontwikkelingen op kennisgebied zijn.
We adviseren de Regiegroep NWO voor deze kennisuitwisseling de benodigde middelen beschikbaar te stellen (b.v. voor excursies, onderzoeken en verkenningen). Regie op het proces Regiegroep en overheden wordt gevraagd regie voor vervolgproces op zich te nemen voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen. In de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel werken we als overheden, maatschappelijke organisaties en gebiedspartijen samen aan een Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel en een daarbij horende Gebiedsagenda. De overheden hebben de Uitgangspunten voor dit gebiedsproces vastgesteld4, die ook door de maatschappelijke partijen zijn onderschreven. In de gebiedsanalyse zijn de meeste opgaven duidelijk geworden. Daar waar dat nog niet het geval is, worden de overheden gevraagd deze alsnog kwantitatief en/of ruimtelijk te verduidelijken. We adviseren de Regiegroep om in het vervolgproces, samen met de betrokken overheden, de regie te nemen bij de planvorming, bij het faciliteren van bottom-up-initiatieven die bijdragen aan de doelen, in de kennisontwikkeling en in de samenwerking binnen en tussen de DGC’s en met de Regiegroep. In de DGC Wieden Weerribben is voorgesteld om de Stichting Nationaal Park Weerribben Wieden een grote rol te geven in de verdere planvorming en uitvoering.
Daarbij is de wens dat er door de GGA NWO organisatiecapaciteit en kennis wordt ingebracht. Landbouw en rietsector Veel opgaven in de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel komen terecht op het bordje van de landbouwsector. Om de bedrijfsvoering om te vormen naar een bedrijf dat ook maatschappelijke diensten levert, is een aantal randvoorwaarden en voorstellen benoemd. Het komende decennium zal de landbouw in Noordwest Overijssel doorontwikkelen naar een vorm van landbouw die toekomstbestendig en passend is in dit gebied met veel laag gelegen veenweidegronden en stikstofgevoelige natuurgebieden. In het gebiedsproces zal er enerzijds aandacht moeten zijn voor ontwikkelingsmogelijkheden op individueel bedrijfsniveau en anderzijds voor ontwikkelingsmogelijkheden op gebiedsniveau. Dat gebiedsniveau is met name van belang voor maatregelen op het gebied van het watersysteem en voor opgaven die extra ruimte kosten, zoals (verdere) extensivering van de melkveehouderij. Om de bedrijfsvoering om te vormen naar een bedrijf dat, naast voedselproductie, ook andere maatschappelijke doelen realiseert, is er een aantal randvoorwaarden en adviezen door de DGC’s aangegeven: • Er moet een verdienmodel zijn voor de nieuwe bedrijfsvoering. We adviseren de betaling/waardering voor maatschappelijke diensten vanuit één loket te regelen.
Het loket kan bijvoorbeeld worden gevormd door Collectief Noordwest Overijssel. In dat loket zouden financieringsstromen van de verschillende maatschappelijke diensten samen moeten komen en ook als één ‘pot voor maatschappelijke diensten’ fungeren (financiële ontschotting). Dit houdt in dat er ook beleidsmatige ontschotting nodig is: we gaan voor een optimale mix van maatschappelijke doelen, waarbij mogelijk niet het maximale van één van de doelen 4 Zie hiervoor paragraaf 1.2 van de Reader. College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011383/90 39 wordt gehaald, maar het maatschappelijke resultaat als geheel het hoogste is, passend binnen de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf. • Voor het nemen van (bron)maatregelen is het van belang om te kijken wat er in het gebied speelt (met welke maatregelen kun je in dit gebied wat mee?) en die ook passend zijn op bedrijfsniveau en binnen de bedrijfsvoering. Voorstel is om specialistische kennis, in de vorm van maatwerk voor bedrijfsadvies ‘aan de keukentafel’ mogelijk te maken. Suggestie is om een adviseurspoule op te zetten met kennis vanuit diverse invalshoeken en kennis over het gebied, of te werken met Vouchers (naar voorbeeld SABE). Om zo te bekijken welke maatregelen effectief zijn en aansluiten bij het bedrijf.
Om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden op de verschillende bedrijven, maar ook om mee te denken met de agrariërs over de toekomst van hun bedrijf, is daarnaast de blijvende inzet van een ervencoach (of een andere agrarisch adviseur met oog voor maatschappelijke opgaven) essentieel. De DGC’s adviseren de Regiegroep derhalve middelen voor maatwerkadvies en de inzet van ervencoaches voor deze bedrijfsontwikkelingen. Het is erg belangrijk dat gemeentes in hun ruimtelijk beleid oog blijven hebben voor de ruimte die de blijvers nodig hebben om zich te blijven ontwikkelen. Alleen dan houd je een vitale sector over. Indien initiatieven voor verbrede activiteiten zich aandienen kunnen gemeentes in ruimtelijk beleid een faciliterende rol aannemen (mits passend binnen gebied). Aan de DGC Wieden Weerribben neemt een vertegenwoordiger van de rietsector deel, maar de rietsector is zeer divers van samenstelling. Daarom heeft de gemeente Steenwijkerland het initiatief genomen om met vertegenwoordigers van de verschillende groepen uit de rietsector samen het gesprek aan te gaan. Een eerste gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden. De relatie met de TBO’s (terreinbeherende organisaties) en de provincie (natuurbeleid) is gelegd. De vertegenwoordigers in de rietsector hebben een groot gevoel van verbondenheid met het gebied en hebben ook ideeën over de toekomst ervan.
Uit de gesprekken zal ook input geleverd worden voor het vervolg van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel. Voor nu is het belangrijk dat dit parallelle spoor even de ruimte krijgt om problemen en oplossingsrichtingen in beeld te krijgen en de gezamenlijkheid onderling en met de TBO’s en de provincie Overijssel te versterken. Water In hoeverre een robuust watersysteem samen kan gaan met maatwerk op polderniveau of zelfs bedrijfsniveau zal in het vervolgproces verder onderzocht moeten worden. Het waterschap staat een klimaatverandering bestendig robuust watersysteem voor ogen, waarbij door het waterschap snel kan worden ingegrepen bij (of voorafgaande aan) grote hoeveelheden neerslag. Droogte dient overigens eveneens kaderscheppend te zijn voor peilbeheer. Verder vindt het dat onderbemaling “niet meer van deze tijd” is. Een mogelijkheid is dat het waterschap het HAKLAM-systeem hanteert: hoog als het kan, laag als het moet. Het winterpeil zou daarbij hoger kunnen. Functie en gebruik speelt daarbij een rol. Anderen benadrukken juist het benodigde maatwerk op polderniveau en zelfs op bedrijfsniveau. Het is de vraag in hoeverre deze inzichten daadwerkelijk zo tegenover elkaar staan als het nu lijkt en of er anders een combinatie mogelijk is.
Maatwerk op polderniveau moet goed onderzocht worden op mogelijkheden en wenselijkheid, bij extreme droogte of neerslag kan dit problemen geven. Het mag niet leiden tot een onbeheerbaar cq onbeheersbaar systeem. Of dat er keuzes gemaakt kunnen worden qua inrichting (op bepaalde natte plekken bijvoorbeeld functie volgt peil) of qua acceptatie van wateroverlast (bv met schadevergoeding). Belangrijk is in ieder geval om gedetailleerd inzicht te krijgen in het oppervlaktewatersysteem en grondwaterstromen. Dit is een verdieping van de hydrologische informatie in het rapport Verkenning bodemdaling veengebieden Overijssel. Voor de polders aan de oostzijde van de Weerribben is een dergelijk onderzoek al gedaan. Het gaat in dit vraagstuk niet alleen om de robuustheid van het watersysteem, maar ook om de effecten van maatregelen tegen bodemdaling door veenoxidatie. College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011384/90 40 Natuur en landschap Verruiming van de mogelijkheden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer en met langjarige contracten, is essentieel voor uitwisseling en verversing van soorten in de natuurgebieden. Er wordt gepleit voor grotere zoekgebieden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer en meer ruimte om contracten hiervoor af te sluiten.
Van groot belang is daarbij dat er lange termijn zekerheid is voor de agrariërs die die contracten aangaan, zodat het ook haalbaar is om dit te implementeren in de bedrijfsvoering. Overigens is dat natuurlijk ook in het belang van de natuur en het landschap. Extra landschapselementen (passend bij het landschap ter plekke) is ook aantrekkelijk voor de beleving van het landschap door bewoners, recreanten en toeristen. Voor het ‘landen’ van de RES-opgave in Noordwest Overijssel zijn biodiversiteit en passendheid (of passend maken) in het landschap ook een belangrijk aandachtspunt voor de beleving ervan. Er wordt aandacht gevraagd voor de stikstof-opgave ten behoeve van natuur, omdat de insteek nu vooral lijkt te zijn dat er stikstofruimte voor nieuwe ontwikkelingen gezocht moet worden. Grond, grondinstrumentarium en bedrijfsgebouwen Er is behoefte aan het snel oprichten van een grondbank, gevuld met door de overheden aangekochte grond. Vanuit beschikbare grond is het beter mogelijk om na te denken over hoe de opgaven gerealiseerd kunnen worden. Kavelruil speelt daar mogelijk ook een rol in. Het is duidelijk dat er een grote ruimteclaim is voor alle opgaven. Het is altijd goed om te kijken of meervoudig ruimtegebruik mogelijk is, maar ook dan is er nog een grote vraag naar grond om de opgaven te kunnen realiseren.
Om tot een toekomstperspectief te komen in de DGC’s is het van belang dat er beschikbaarheid is van grond. Daarom wordt geadviseerd zo spoedig mogelijk te starten met het opzetten van een grondbank voor de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel. Met de grond van door de overheid aangekochte (stoppende) bedrijven kan de grondbank worden gevuld. De agrarische vertegenwoordigers benadrukken het belang om deze in belangrijke mate in te zetten voor de versterking van de agrarische bedrijven. De bedrijfsgebouwen en erven van aangekochte bedrijven kunnen een rol spelen in de leefbaarheid van het gebied. In de DGC ’s wil men meedenken over mogelijke nieuwe functies. De verantwoordelijke overheden wordt geadviseerd hierover met de DGC's in gesprek te gaan. De prijs van grond (koop/pacht) is een belangrijk aandachtspunt bij de inzet van grond voor de realisatie van de opgaven. Voor het extensiveren van de landbouw en vernatten van de percelen, zal er sprake moeten zijn van afwaardering van de grond tot een reëel bedrag (voortbrengend vermogen) dat op te brengen is voor individuele agrariërs of bijvoorbeeld een coöperatie. Er wordt nadrukkelijk geadviseerd het inzetten van het instrument vrijwillige kavelruil te faciliteren, mocht daar in de deelgebieden behoefte aan zijn.
College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011385/90 41 7 Vervolgproces Deze Gebiedsanalyse wordt in de Regiegroep Noordwest Overijssel op 4 november 2021 besproken. In de vergadering van de Regiegroep NWO op 1 juli aangegeven dat het advies van de Deelgebiedscommissies zwaarwegend zal zijn in de besluitvorming over deze Gebiedsanalyse. De conclusies die de Regiegroep NWO uit deze Gebiedsanalyse trekt, worden opgenomen in het Startdocument dat in conceptvorm op 8 december door de Regiegroep NWO wordt besproken. In het Startdocument komt te staan waar in de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel aan zal worden gewerkt én de manier waarop dat zal gebeuren. Natuurlijk worden de DGC’s geïnformeerd over de uitkomsten van de vergaderingen van de Regiegroep NWO. Na accordering van het concept-Startdocument in de Regiegroep NWO, wordt het ter bespreking en instemming aangeboden aan de participerende organisaties in de regiegroep. De overheden zullen het in hun colleges bespreken en daarin ook de gemeenteraden en Algemeen Bestuur van het waterschap betrekken. Het college van Gedeputeerde Staten zal een voorstel aan Provinciale Staten doen om middelen beschikbaar te stellen voor het vervolgproces (onder voorbehoud van vaststelling van het definitieve Startdocument).
Na de consultatieronde binnen de participerende organisaties zal in een volgend overleg van de Regiegroep NWO aan een definitief Startdocument worden gewerkt en worden geaccordeerd. Daarna wordt het definitieve Startdocument ter besluitvorming aangeboden aan de colleges van de betrokken overheden. Dit hele proces zal een aantal maanden duren. In de tussentijd kunnen de DGC’s eerst verder met het verder uitwerken van de initiatieven/projectenlijst en is er tijd om de reeds voorgestelde excursies / uitwisselingsbijeenkomsten te organiseren en te laten plaatsvinden. Daarnaast kan alvast worden nagedacht en gesproken over hoe de Gebiedsagenda gevuld kan worden. Na vaststelling van het Startdocument (en de beschikbaarheid van middelen) kan de werkwijze van projecten – onderzoek – planvorming (Toekomstperspectief voor NWO) verder worden opgepakt. Toekomstperspectief en Gebiedsagenda Het Startdocument is de basis voor het werken aan het Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel en de hieraan gekoppelde uitvoeringsagenda. Voor de twee hoofdopgaven (veenweide en stikstof) wordt uit het Toekomstperspectief en de Gebiedsagenda de benodigde informatie gehaald voor de documenten die het rijk vraagt op deze opgaven: 1. Gebiedsplan Stikstof.
Gedeputeerde Staten van alle provincies leggen uiterlijk begin 2023 het provinciale Gebiedsplan stikstof voor aan de minister met de bijdrage van de landelijk vereiste depositiereductie. De Gebiedsagenda Noordwest Overijssel is input voor het wettelijk verplichte provinciale gebiedsplan stikstof. 2. Regionale Veenweidestrategie (RVS). Conform opgave Klimaatakkoord. De RVS is opgedeeld in 3 fases. Het startdocument (met de Verkenning bodemdaling veenweide in Overijssel als bijlage) zal dienst doen als RVS 1.0 dat eind 2021 ingediend moet worden. RVS 2.0 (2023) en RVS 3.0 (2026) volgen later. College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011386/90 42 Bijlage 1 Generieke bronmaatregelen voor de landbouw Overzicht generieke bronmaatregelen voor landbouw Legenda 'Uitvoering': * Uitvoering door RVO Regeling vastgesteld en in werking. Regeling nog niet vastgesteld en/of nog niet in werking. Contouren wel bekend. Nog niet in werking en regeling nog niet vastgesteld. Landelijk generiek Maatregel Toelichting Uitvoering Verwacht effect N** Impact Overijssel Verhoging subsidieregeling sanering varkenshouderij * SRV-1 is oorspronkelijk als geurmaatregel geïnitieerd. SRV-2 is veel meer een stikstof- bronmaatregel, vooral gericht op emissies vanuit concentratiegebieden.
Totaal € 455 mln In werking sinds eind 2019 SRV-1: € 180 mln SRV-2: € 241 mln Landelijk Emissie 0,8 kton NH3/j; Depositie 8,5 mol/ha/j Een relatief klein aantal (<50) varkenshouderijen participeren in regeling Stoppersregelingen veehouderijen: 1. Gerichte opkoop veehouderijen (‘piekbelasters’) 2. Landelijke beëindigingsregeling veehouderijen (Lbv) 1. Bedrijven met hoge stikstofbelasting op N2000. Opgekochte bedrijven verdwijnen geheel, incl. stikstofruimte. Vrijkomende grond kan nieuwe bestemming krijgen of bijv. extensivering. 1. Landelijke regeling vanaf 4 november van kracht. Nog uitwerken per provincie. Totaal: € 350 mln Landelijk Emissie 0,9 kton NH3/j; Depositie 9,1 mol/ha/j Totaal ca. €7,5mln beschikbaar voor Overijssel (1e/2e tranche). Inmiddels aantal belangstellenden na openstelling inschrijving door GS 2. Bedoeld voor stimulering stoppers met bepaalde stikstofbelasting op N2000. Uitvoering via Rijk / RVO. 2. Planning: tweede kwartaal 2021?? Totaal: € 1000 mln Landelijk Emissie 3,0 kton NH3/j; Depositie 31,7 mol/ha/j Binnenkort volgt publieke consultatie.
Verdunnen mest met water * Investeringssubsidieregeling voor de aanleg van waterbassins tbv verdunnen drijfmest Vanaf tweede kwartaal 2021 (€ 21 mln per jaar) Totaal: € 105 mln Landelijk Emissie 1,0- 2,0 kton NH3/j; Depositie 1,5-3,7 mol/ha/j Aandachtspunten zijn beschikbaarheid van water + risico op uitspoeling meststoffen naar grondwater. Subsidieregeling brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) * Uitvoering loopt via RVO. Bedrijven kunnen subsidie krijgen voor kansrijke innovatie, dan wel voor bewezen maatregel doorvoeren. De eerste tranche is opengesteld op 19 mei 2020. In 2021 volgt tweede tranche.. Totaal: € 172 mln + € 250 mln uit Klimaatakkoord Landelijk Varkenshouderij: 1,4- 2,0 kton NH3 / 10-14 mol. Melkveehouderij: 2,6 - 3,7 kton NH3 / 19- 27 mol In Overijssel is 78% van de stallen ingericht tbv melk- en kalfkoeien en overig rundvee, de rest is voor varkens (17%) en pluimvee (11%). Vergroten aantal (uren) weidegang Vergroten aantal uren weidegang melkvee tot 1600-1650 uren/jaar. Vanaf tweede kwartaal 2021 Totaal: € 3 mln Landelijk Emissie 0,2- 0,5 kton NH3/j Realistisch als meer aansluitend verkaveld wordt. Verlagen ruw eiwitgehalte veevoer Door uitgebalanceerde voer- en management eiwitgehalte terugbrengen tot ca 160 gram ruw eiwit per kg droge stof . De maatregel voor 2020 is geschrapt.
Begin 2021 volgt nieuwe aanpak, mn voor melkvee, waarvoor 73 mln beschikbaar is. 8-40 mol/ha/j Ntb NB innovatie via project praktijk netwerkbedrijven? College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011387/90 43 Alternatieve mestverwerking (anders dan uitrijden). Nog geen nadere informatie beschikbaar. Vanaf tweede kwartaal 2021 Totaal: € 15 mln Nog geen data beschikbaar Ntb Omschakelfonds Subsidieregeling voor bedrijven die extensiveren cq icm andere verdienmodellen met kringlooplandbouw willen experimenteren of hiertoe willen omschakelen. Per 18/11 2020 van kracht. Totaal: € 175 mln voor periode 2020-2023 Niet gekwantificeerd Begin eerste kwartaal 2021 nadere toelichting uitvoering. ** Landelijke cijfers obv data PBL College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011388/90 44 Bijlage 2 Uitgangspunten voor vervolgtraject landbouwleden DGC Staphorsterveld • Lokale bronmaatregelen, zoals bos op landbouwpercelen, alleen als daar draagvlak voor is bij de boeren. In geen plannen voor bos in Staphorsterveld. • Bedrijfsspecifieke evenwicht bemesting. Als er meer geoogst wordt mag er meer bemest worden. Nutriënten binden in gewas.
• Meer bemesten d.m.v organische mest, minder kunstmest • Versterking weidevogels biedt kansen, maar wil je dit laten slagen dan moet er meer ruimte komen voor flexibel agrarisch beheer, zoals het vroeger mogen bemesten als het land in januari bijvoorbeeld droog is. • Versterking weidevogels buiten Natura 2000 gebied, en meer flexibeler maaidatum. Als er geen vogels zijn mag er eerder gemaaid worden. Minder kalender landbouw. • Goed verdienmodel, duidelijke afspraken en met te indexeren bedragen. Optie is ook om bij weidevogelbeheer te vergoeden per nest, niet per hectare. • Een basis vergoeding per hectare en een extra vergoeding per nest • Landbouwgrond moet blijvend landbouwkundig gebruikt kunnen worden en landbouwkundig waterpeil houden. • Peil volgt functie, niet andersom. Wel afhankelijk van plek en mogelijk gebruik aanpassen, maar functie (landbouw) niet. Peil landbouw wordt niet aangepast • Alle aanpassingen in de bedrijfsvoering (bijv alternatieve teelten) moeten op vrijwillige basis mogelijk zijn. Zo kan elke ondernemer kiezen wat bij zijn/haar bedrijfsvoering passend en lonend is. • Toekomstbestendigheid; economisch ecologisch, en sociaal. Economisch moet op de eerste plaats staan. • Betaling maatschappelijke diensten kunnen voor een duurzame landbouw van essentieel belang zijn, maar de landbouw blijft voorop staan.
Ook voor deze diensten geldt dat er goede vergoeding tegenover moet staan. De vergoeding moet uit de markt komen, geen herverdeling van bijvoorbeeld melkgeld. • De latente ruimte in de NB vergunning moet behouden blijven. Als koeien bijvoorbeeld niet drachtig geworden zijn, mag dat niet worden afgestraft door latente ruimte in te moeten leveren. • De latente ruimte blijft beschikbaar, ook als er door dierziekte of andere calamiteit tijdelijk minder vee aanwezig is • Weidegang en bemesten moeten vergunningvrij blijven. Dit om weidegang te bevorderen. Hiervoor dient voldoende drooglegging te zijn i.v.m. draagkracht voor weidend vee. • Alternatieven eerst d.m.v. proeftuin uitproberen voordat het wordt opgelegd. • De maatregel ‘zand op veen (en uit de ondergrond) brengen’ is in het Staphorsterveld een optie die nader onderzocht moet worden. • De bodemdaling is in Staphorsterveld minimaal “er is praktisch gezien geen veen”. • Begrenzing Natura 2000 mag niet groter worden. • De natuur heeft een vrije invulling zolang de landbouw er geen last van heeft. Dit is destijds in de landinrichting Rouveen afgesproken. Gaat om juridisch standpunt. Praktisch gezien kan er meer samenhang zijn tussen natuur en landbouw. • Grondbank; grond die als landbouwgrond wordt opgekocht, moet landbouwgrond blijven.
College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011389/90 45 Bijlage 3 Annotatie DGC Wieden Weerribben over Gebiedsanalyse Aan: de Regiegroep GGA Aanpak stikstof en veenweideproblematiek Noordwest Overijssel; 4-11-2021 Op 27 oktober is de DGC Weerribben Wieden via de mail gevraagd om goedkeuring van de stukken, zoals die aan de Regiegroep zouden worden voorgelegd. De leestijd bleek te kort en in overleg met de voorzitter is aangegeven dat leden tot woensdag 3 november schriftelijk konden reageren. Toegezegd is dat de laatste reacties met een annotatie door de voorzitter zouden worden ingebracht in de Regiegroep op 4 november. Deze annotatie ligt nu voor. Niet alle leden hebben ingestemd met de stuken: • Deze leden kunnen zich vinden in de gebiedsbeschrijving, de rode draden en de puzzelstukjes, maar • als het gaat om het document (de gebiedsanalyse), kan er geen goedkeuring worden gegeven: - Het document wordt ervaren als niet compleet: veel onderzoek loopt nog, of moet nog gebeuren. Ook beleid moet nog gemaakt worden. Die basis wordt als gemist ervaren. - Te weinig tijd gehad om alles te lezen en na te kijken.
Voor het vervolgproces richting Startdocument en definitieve Gebiedsanalyse geven deze leden in ieder geval de volgende aandachtspunten mee: - Herstel van hydrologie - (uit faseren van) Rietbranden (NOx, verontreiniging) - We moeten intensiever met elkaar en sector in gesprek: er moeten initiatieven worden opgestart. - De rol van de Stichting Weerribben Wieden: er wordt ervaren dat zij een te grote rol (en zeggenschap) krijgt in het gebiedsproces; - Natuurherstel =/= Aanleg nieuwe natuur College van burgemeester en wethouders - 8 februari 2022 - 2022_B&W_0011390/90