19.0 Informatienota 2023 - 35 - Voortgangsrapportage Regionale Energiestrategie (RES) 2023.pdf
Tekst van het document
Dat betekent zo veel mogelijk duurzame opwek met zo min mogelijk infrastructuur (capaciteit), ook wel bekend als systeemefficiëntie. Niet alleen helpt dit om het RES bod haalbaar te maken, maar zo streven we ook naar een betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem. In de RES-regio West-Overijssel is nog veel winst te behalen op het vlak van systeemefficiëntie. Maatregelen ten behoeve van een efficiënter energiesysteem zorgen ervoor dat het aantal uitbreidingen beperkt kan blijven, waardoor ook maatschappelijke kosten en fysieke ruimte worden bespaard. Dat kan door te werken aan een evenwichtiger verhouding zon:wind. Dit bijvoorbeeld door zon-op-land te vervangen door windenergie. Windturbines leveren 3x zoveel energie op dan zonnepanelen bij dezelfde netbelasting. De voorbeeldberekening laat ook zien dat voor eenzelfde netcapaciteit (bijv. 5 MW) een windmolen meer energie opwekt, en dus efficiënter gebruik maakt van de netcapaciteit, dan een zonneweide. Dit is tevens te zien in de opwek van een windmolen gedurende de dag of jaar ten opzichte van een zonnepark; de opwek voor een windmolen is constanter en varieert minder. Niet alleen helpt meer wind om het RES-bod haalbaar te maken, maar zo streven we ook naar een betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem.
Maar denk ook aan het dichter bij elkaar brengen van opwek en afname, het toepassen van cablepooling (zon en wind op de zelfde aansluiting) en potentiële opweklocaties toetsen aan beschikbare (toekomstige) capaciteit. Gezien de tijdsdruk richting 2030 om het bod (voornamelijk het deel wind) te realiseren, is het belangrijk om zo snel mogelijk te starten met het voorbereiden van grote windprojecten, juist vanwege de huidige netcongestie. Omdat de volledige ontwikkelperiode van windenergie en netuitbreidingen beiden een gelijksoortige doorlooptijd hebben, moet goed worden nagedacht hoe de realisatie van windprojecten en netuitbreidingen optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 5.2 Bijdrage RES aan programmering regionale energiesysteem De provincie heeft de regierol op het programmeren van het energiesysteem. Zij heeft bij de start van de RES het initiatief genomen om met de betrokken partijen zoals de netbeheerder(s) en vertegenwoordigers van de twee Overijsselse RES-regio’s het SNIP-overleg te starten: Samen Naar Integraal Programmeren. Voorbeeldberekening wind vs zon Een windmolen van 5 MW met 3500 vollasturen (tijdsduur op vol vermogen gedraaid) levert gemiddeld 17.500 MWh per jaar. Voor een zonneweide van 5 MW met 1.000 vollasturen geldt dat deze in één jaar 5*1.000 = 5.000 MWh opwekt. Een windturbine wekt dus 3x meer energie dan een zonneweide met hetzelfde vermogen.
College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050227/39 23 De projecten en initiatieven die door alle gemeenten zijn aangeleverd t.b.v. de monitor, zijn de basis geweest voor de netimpactanalyse van de netbeheerder (peildatum 2 maart 2023). De uitkomsten en inzichten van deze analyse zijn door de provincie gebruikt om te komen tot een prioriteringsvolgorde in de uitbreidingsinvesteringen van netbeheerders en vastgelegd in het pMIEK (provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat). Deze prioritering is opgesteld op basis van een Afwegingskader dat door Provinciale Staten is vastgesteld ten behoeve van de pMIEK 1.0. In de SNIP-samenwerking is het Afwegingskader besproken en toegelicht. Na vaststelling door PS is het aan alle gemeenten en netbeheerders toegestuurd ter informatie. Het pMIEK bevat een advies over de prioritering van de uitbreidingsinvesteringen die de netbeheerders bij het opstellen van hun investeringsplannen mee zullen nemen (naast aantal andere aspecten zoals veiligheid en leveringszekerheid). Figuur 12: Afwegingskader pMIEK Overijssel De investeringen waarmee de knelpunten voortkomend uit de netimpactanalyse, kunnen worden opgelost, zijn met inzet van het Afwegingskader op volgorde van maatschappelijke prioriteit gezet.
Daaruit is een eerste pMIEK voortgekomen waarin de onderstations zijn ingedeeld in vier categorieën variërend van ‘hoogste’ prioriteit tot ‘geen’ prioriteit. Zie figuur 13. Figuur 13: Prioritering in capaciteitsuitbreidingen (peildatum 28 maart 2023) Tussen haakjes de omvang van het knelpunt aan de afname- en invoedingskant (in MW) *HSMS-stations waar momenteel geen aansluiting van een windpark wordt voorzien 5.3 Impact van programmeren voor de RES Voor de RES heeft de maatschappelijke prioritering vanuit het pMIEK op de korte termijn weinig impact doordat de investeringsprocedures al gestart waren voordat het Afwegingskader was opgesteld. Voor investeringen op de middellange termijn (5 tot 10 jaar) kan de prioritering wel gevolgen hebben. De effecten zullen echter per station verschillen. Zo zullen de onderstations waar College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050228/39 24 netcongestie optreedt als gevolg van duurzame opwek, langer moeten wachten op een uitbreiding waardoor duurzame opwekprojecten niet op tijd kunnen worden aangesloten. De netimpactanalyse van de regionale netbeheerders alsook de analyse van TenneT van het RES 1.0 bod hebben uitgewezen dat het RES-bod bijna helemaal aangesloten kan worden in 2030. Daarmee is de impact dus beperkt.
Een aantal onderstations die uitbreiding behoeven vanwege afname- congestie zullen volgens het Afwegingskader versneld worden uitgebreid, wat ook weer extra ruimte biedt voor duurzame opwek. Wanneer vaststelling van de zoekgebieden voor wind uitblijft, kan in het pMIEK ook geen rekening worden gehouden met de daarvoor benodigde capaciteitsbehoefte. Het is mede daardoor belangrijk dat de zoekgebieden voor wind, tijdig bekend zijn. 5.4 Conclusie Er is nog veel winst te behalen met betrekking tot het hoekpunt systeemefficiëntie. In grote delen van West-Overijssel kunnen maatregelen voor systeemefficiëntie de haalbaarheid en betaalbaarheid van het RES-bod vergroten. Gemeenten en provincie spelen hier een belangrijke rol in. Zij kunnen beleidsmatig voorrang geven aan windprojecten of een combinatie van zon-wind projecten en bijvoorbeeld zonnevelden met enkelgebruik niet langer toestaan. Daarnaast moet worden nagedacht over hoe we de verschillende ontwikkelstappen van windprojecten en het moment van aansluiten optimaal op elkaar af kunnen stemmen zonder dat businesscases in gevaar komen en animo onder initiatiefnemers zoals bijvoorbeeld de lokale energie-initiatieven afneemt. Inzicht in waar en wanneer afnameschaarste gaat optreden is alleen op hoofdlijnen beschikbaar.
De actualiteit laat zien dat in steeds grotere delen van Overijsel er geen capaciteit meer beschikbaar is voor nieuwe grootverbruikers. De noodzaak om beide opgaven meer aan elkaar te koppelen, is evident, en vraagt om verbreding van de aanpak waarbij tot dusver de focus lag op duurzame stroomopwekking in relatie tot de netwerkcapaciteit. Prioriteren en programmeren van netwerkuitbreidingen heeft middels SNIP en pMIEK een plek gekregen en blijft een belangrijk thema. Tenslotte spelen decentrale overheden een rol bij het versnellen van realisatie van de benodigde uitbreidingen en verzwaringen van de elektriciteitsinfrastructuur, door ruimte beschikbaar te stellen en/of RO-procedures rondom uitbreidingen te versnellen. College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050229/39 25 6. Warmte (Regionale Strategie Warmte) 6.1 Inleiding actuele RSW De Regionale Structuur Warmte 1.0 (RSW) richtte zich vooral op het neerzetten van een eerste regionaal warmtebeeld. De afgelopen periode hebben we dit beeld herijkt en hebben we daarmee een richting bepaald naar de verdere uitwerking van het warmtedeel in de RSW 2.0. Het regionale warmtebeeld is herijkt op basis van nieuwe gegevens en inzichten.
Denk daarbij aan lokaal beleid in de Transitievisies Warmte (TVW), wijkuitvoeringsplannen (WUP) en recente onderzoeken naar bovenlokale bronnen en landelijke cijfers van de klimaatmonitor. Op basis van de herijking van de regionale warmtematch hebben we een scherper zicht gekregen op de voor de regio West-Overijssel relevante regionale warmtethema’s. Met name als het gaat om de inzet van bovenlokale warmtebronnen en warmte-infrastructuur. Deze thema’s zijn door de regionale werkgroep uitgewerkt en voorgelegd aan het ambtelijk en bestuurlijk platform. Dat heeft een duidelijke richting opgeleverd, waar ook de regionale meerwaarde wordt ervaren en waar (nog) niet. Tenslotte hebben we een aantal denkrichtingen ontwikkeld voor de bovenlokale aspecten van de warmtetransitie en welke rol de RES-samenwerking daarin kan vervullen. De bedoeling is om deze denkrichtingen in de RSW 2.0 verder uit te werken en waar nodig te komen tot bestuurlijke afspraken op regionaal niveau, zodat er een stevige basis ligt om de uitvoering op deze regionale warmtethema’s ter hand te nemen. 6.2 Actualisatie van het regionale warmtebeeld Ontwikkelingen sinds RSW 1.0 Door diverse ontwikkelingen is het regionale warmtebeeld sinds de RSW 1.0 veranderd. Zo hebben we de afgelopen jaren te maken gehad met een coronacrisis en energiecrisis.
Alle West-Overijsselse gemeenten hebben een lokale Transitievisie Warmte vastgesteld. De eerste wijkuitvoeringsplannen zijn opgesteld en vastgesteld. En in de regio is een aantal collectieve (warmtenet)projecten in onderzoeks- en voorbereidingsfase. Tegelijk zien we dat het speelveld flink in beweging is en wordt er op landelijk en Europees niveau gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving. Denk daarbij bijvoorbeeld aan: Wet collectieve warmtevoorzieningen, Hybride warmtepompen als nieuwe standaard vanaf 2026, de kamerbrief over Programma Groen Gas en bijmengverplichting Groen Gas en verhoogde Europese ambities n.a.v. energiecrisis (o.a. verdubbeling doel groengas). Regionale warmtevraag De ontwikkeling van de regionale warmtevraag hebben we in de herijking uitgewerkt met als referentiejaar 2019. Verwacht wordt dat deze zich zal ontwikkelen van 12,9 PJ in 2019, naar 11,7 PJ in 2030, naar 9,5 PJ in 2050. Richting 2050 wordt dus een reductie van de warmtevraag verwacht van 27% (ten opzichte van 2019). Hierin is ook tot 2030 de verwachte groei van woningbouw meegenomen. Deze besparing kan gerealiseerd worden door isoleren, inzet van zuiniger apparaten en verandering van gedrag. De energiecrisis van 2021/2022 heeft geleerd dat er onder druk een flinke warmtevraagreductie mogelijk is (tot wel 25% of meer).
Deze gaat in aantal gevallen ten koste van comfort (energiearmoede) en/of economische activiteit. Inzet warmtebronnen in lokale TVW’s In onderstaande tabel is op een rij gezet op welke warmtebronnen gemeenten inzetten in hun lokale Transitievisies Warmte. College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050230/39 26 Figuur 14: Warmtebronnen per lokale Transitievisie Warmte Duidelijk is dat alle gemeenten inzetten op Groen Gas én elektrificatie (hybride en/of all-electric). We zien niet of nauwelijks inzet van hoge temperatuur restwarmte in de regio. Zwolle, Deventer en Kampen zetten in op geothermie, al is dat nog wel omgeven met de nodige onzekerheden onder meer op het vlak van beperkingen, draagvlak en kosten. Een aantal gemeenten zet daarnaast ook in op LT-warmtebronnen: Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) en/of Afvalwater (TEA). Ook hierbij is de daadwerkelijke inzet van bronnen nog onzeker. Regionaal warmtebeeld in een warmtebalans Vanuit de herijking van vraag en aanbod is het volgende samenvattende regionale warmtebeeld ontstaan. In het rood/oranje is de totale regionale warmtevraag weergegeven en de verwachte ontwikkeling daarvan in 2030 en 2050. Daarnaast is gekleurd het aanbod aan warmtebronnen weergegeven. Om het verschil tussen theoretische potentie en realistische benutting duidelijk te maken, is een HOOG en LAAG aanbod uitgewerkt.
Figuur 15: Regionaal warmtebeeld in een warmtebalans Geothermie Restwarmte Groengas TEO TEA Hybride All-electric Dalfsen x x x x Deventer ? x x x x x Hardenberg x x x x x Kampen x x x x Olst-Wijhe x x x x x Ommen x x x x x Raalte x x x Staphorst x x x Steenwijkerland x x x x Zwartewaterland x x x x Zwolle x x ? ? x x College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050231/39 27 Draaiknoppen om de regionale warmtebalans te beïnvloeden In de warmtebalans zijn genummerd een aantal ‘draaiknoppen’ weergegeven die ingezet kunnen worden om de warmtebalans te beïnvloeden. Dit betreft: 1. Meer besparing (indien realistisch); 2. Aanleg warmtenetten om basislast te dekken; 3. Groengas (maximaal) inzetten; 4. Elektrificatie resterende warmtevraag (restant). Uit de regionale warmtebalans blijkt heel duidelijk dat het al of niet benutten van de potentie voor groengas en HT-bronnen (geothermie) voor warmtenetten een groot effect heeft op de elektrificatie van de resterende warmtevraag. Anders geformuleerd, als de potentie voor Groen Gas en HT- bronnen voor warmtenetten niet wordt benut zullen veel woningen en gebouwen op basis van elektriciteit verwarmd moeten worden. Dat vergroot de al bestaande netwerkproblemen en brengt ook een extra opwekdoelstelling met zich mee.
6.3 Thema’s voor de RSW 2.0 Op basis van de herijking van het regionale warmtebeeld zijn de volgende conclusies getrokken over de inzet van bovenlokale warmtebronnen en een regionale warmte-infrastructuur. Deze conclusies zijn bepalend voor de warmtethema’s waarop verdere verdieping nodig is. Deze thema’s zijn ook vastgesteld door het bestuurlijk platform als denkrichting voor de RSW 2.0, deze worden hieronder nader omschreven. Wel een regionaal warmtethema in RES/RSW - Elektrificatie van de resterende warmtevraag vormt een substantieel onderdeel van het warmte-aanbod. De wens is om regionaal een betere duiding te krijgen bij de verwachte omvang van deze opgave. Daarom actualiseren we de cijfermatige onderbouwing uit de RES 1.0, zodat deze in de RES 3.0 kan worden geagendeerd als (extra) opwekdoelstelling voor na 2030. - Er zijn veel onduidelijkheden, onzekerheden en risico’s bij de ontwikkeling van warmtenetten. Daarom is regionale kennisdeling en samenwerking gewenst met name op het vlak van de inrichting van de Governance om op dit thema tot verdere opschaling te komen. - Slim samenwerken en kennisdelen over de lokale warmtetransitie onder andere door het goed koppelen van de regionale ondersteuningsstructuur vanuit Nationaal Programma Landelijke Warmtetransitie (NPLW) aan de gemeenten.
- Tot slot is het blijven monitoren van de voortgang van de warmtetransitie (lokaal en regionaal) van belang om te weten of de gestelde doelen bereikt worden of dat andere regionale inzet gewenst is. Geen regionaal warmtethema in RES/RSW - Vraagreductie: energiebesparing levert een belangrijk bijdrage aan het bereiken van de warmtebalans. Immers, wat je niet gebruikt hoef je ook niet op te wekken. Het besparen en isoleren wordt door gemeenten lokaal opgepakt, ondersteund door landelijke subsidies. - Industriële restwarmte is niet beschikbaar als bovenlokale warmtebron en daarmee is dit geen regionaal warmtethema. - Geothermie als hoge temperatuurbron is inzetbaar in Zwolle en Kampen en in Deventer mogelijk in de toekomst, vooralsnog is dit een lokaal of intergemeentelijk thema. - In de regio is veel potentie voor de opwek van groen gas uit mest aanwezig. Lokaal wordt er volop ingezet om deze potentie te benutten door kleinschalige en grootschalige mestvergisting. Dit is ook onderkend in de RSW 1.0. Deze lijn houden we vast. Wel blijft het College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050232/39 28 lastige om geschikte locaties voor opwek te vinden. We monitoren of in de toekomst een regionaal doel, beleid of aanpak nodig of wenselijk is om tot verder opschaling te komen.
- In de regio West-Overijssel zijn er geen kansen zijn voor een fysieke regionale warmte- infrastructuur (zie ook de RSW 1.0 inzake het onderscheid in versleepbare en niet- versleepbare bronnen). 6.4 Conclusie De afgelopen periode is de richting bepaald voor de verdere uitwerking van het warmtedeel in de RES 2.0. Daarbij is geconcludeerd dat de elektrificatie van de warmtevraag aanscherping van deze richting nodig maakt. Verder wordt er op regionaal niveau gewerkt aan inrichting van de samenwerking NPLW en de mogelijk ontwikkeling van een regionaal warmte(netwerk)bedrijf. De regionale warmtemonitor is in ontwikkeling en deze wordt gekoppeld aan de RES brede monitoring. De conclusie is dan ook dat de RSW (het warmtedeel van de RES) op koers ligt ten aanzien van die onderwerpen waarop regionale meerwaarde kan worden bereikt. College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050233/39 29 7. Participatie 7.1 Voortgang participatie Algemeen De energietransitie heeft impact op de directe leefomgeving van iedereen: ons landschap gaat veranderen. Daarom is het belangrijk dat iedereen begrijpt waarom deze energietransitie noodzakelijk is en besluitvorming hierover nodig is. Door zoveel mogelijk mensen te betrekken bij die energietransitie werken we aan maatschappelijke acceptatie.
Er zijn verschillende vormen om mensen te betrekken: tijdens het maken van beleidskeuzes (procesparticipatie), maar ook tijdens de uitvoering van het project (projectparticipatie). In die laatste fase zijn het realiseren van eigenaarschap, de verdeling van de lusten en de lasten en invloed en/of zeggenschap belangrijk. Figuur 16: Participatiekader RES West-Overijssel In West-Overijssel is er voor gekozen om de procesparticipatie op de RES zo laag mogelijk neer te leggen. Dat wil zeggen bij de gemeenten. Wel is er op RES niveau een adviesgroep voor regionale maatschappelijke partners (waaronder de energiecoöperaties) en vindt er kennisdeling plaats tussen gemeenten via het provinciale programma NEO. 7.2 Lokaal Eigendom 7.2.1 Stand van zaken beleid lokaal eigendom De RES-regio West-Overijssel heeft als doelstelling dat minimaal 50% van de projecten voor grootschalige opwek in lokaal eigendom ontwikkeld worden. Lokaal eigendom is belangrijk om voldoende maatschappelijke acceptatie te realiseren voor de totstandkoming van grootschalige zonneparken en windmolens. De ambities van enkele gemeenten gaan verder dan in de RES 1.0 is opgenomen, soms met een streven naar 100% lokaal eigendom. De revenuen in de lokale gemeenschap houden en zeggenschap voor inwoners, zijn voor West-Overijssel belangrijke onderdelen van dat lokaal eigendom die in energieprojecten goed geborgd moeten zijn.
Beleidsmatig is de verankering van de afspraak rondom lokaal eigendom goed onderweg. Wel is het beleid en jurisprudentie op dit onderwerp voortdurend aan verandering (en toetsing door rechters) onderhevig. Kennisuitwisseling over zowel het beleidsmatig verankeren van lokaal eigendom als het vormgeven van projecten met lokaal eigendom blijft nodig. College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050234/39 30 Daarnaast zien we dat het door de provincie ontwikkelde instrumentarium LEIF (Lokale Energie Initiatieven – Financiering) meer lokale initiatieven in staat stelt, vorm te geven aan projecten met lokaal eigendom. Gemeenten zijn vaak nog zoekend welk instrumentarium zij zelf aanvullend in kunnen zetten op dit onderwerp en hoever zij hierin willen gaan. De gedachtevorming rond lokaal eigendom in de warmteketen staat nog in de kinderschoenen. Het verdient aanbeveling ook hier komende periode aandacht aan te besteden. Het zou kunnen dat er een waterbedeffect in de regio gaat ontstaan waarbij actief geshopt gaat worden door commerciële ontwikkelaars tussen gemeenten waar de regelgeving optimaal in elkaar steekt voor de eigen businesscase. We monitoren dit effect via de monitor en hebben op dit moment nog geen aanleiding om te denken dat dit actief gebeurt.
Toch verdient het aanbeveling om ook op dit vlak beleidskaders zoveel als mogelijk op elkaar aan te laten sluiten. Figuur 17: Beleidsmatige verankering lokaal eigendom 7.2.2 Voortgang 50% lokaal eigendom In de RES-regio wordt veel aandacht besteed aan lokaal eigendom en dit is dan ook goed verankerd in beleid. Daarmee zien we ook dat nieuwere wind- en zonprojecten vaak een aanzienlijk deel lokaal eigendom bevatten. Sterker, bij met name windprojecten zien we ook een veel hoger percentage dan 50% per project. Ook projecten met 100 % lokaal eigendom zijn ondertussen gerealiseerd of zitten in de pijplijn. Met name bij zonneparken ervaren veel gemeenten nog knelpunten als het om realisatie van lokaal eigendom gaat. Deze plannen zaten vaak al in procedure voordat beleidskaders lokaal eigendom vastgesteld waren. 7.3 Rol energiecoöperaties In praktisch alle gemeenten in onze RES-regio zijn energiecoöperaties actief. In veel gemeenten wordt er goed samengewerkt tussen deze energiecoöperaties en de gemeenten om samen tot de meest optimale invulling van projecten te komen. Hiervoor zijn diverse ondersteuningsfaciliteiten opgericht vanuit gemeenten en de provincie. Een voorbeeld hiervan is de LEI-F. De LEI-F speelt in op de behoeftes van lokale energie-initiatieven in de ontwikkelfase van projecten.
In deze fase, die vaak ook risicovol is, ontbreekt het de initiatieven aan toegang tot financiering. Anderzijds missen zij toegang tot expertise op dit onderwerp. Door de initiatieven op beide fronten te faciliteren zullen meer projecten gerealiseerd worden. De LEI-F is een lening om de kosten die in de ontwikkelperiode gemaakt worden, te kunnen financieren. Lokale initiatieven kunnen deze lening ook gebruiken om kennis en kunde van een pool aan experts op het gebied van lokale energie in te huren. College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050235/39 31 De energiecoöperaties die vooroplopen bij het realiseren van grootschalige energieprojecten hebben een werkgroep geformeerd die de RES van adviezen voorziet. De voorzitter van deze werkgroep heeft zitting in de adviesgroep van de RES en de besturen van de energiecoöperaties worden regelmatig betrokken bij bijeenkomsten van de RES. 7.4 Communicatie In lijn met de landelijke berichtgeving en communicatie vanuit de NP RES vertellen wij vanuit de RES West-Overijssel het regionale verhaal over de energietransitie waarbij we vooral ingaan op realisatie van 1,8 TWh aan hernieuwbare energie met zon en wind en de rol van het netwerk daarin. Dat doen we door eenduidige communicatie naar inwoners en ondernemers te stimuleren en te faciliteren. We zetten daarbij in op heldere uitleg over het waarom van zon en wind.
Daarin trekken we gezamenlijk op met de communicatieadviseurs van de 11 gemeenten van West-Overijssel, de provincie en de waterschappen. We hebben daarvoor o.a. een Communicatieplatform RES West- Overijssel opgezet wat regelmatig bij elkaar komt om elkaar te informeren, kennis te delen en te inspireren. Door interessante cases in te brengen, bieden we elkaar handvatten en wordt er ingezoomd op onderliggende thema’s als participatie, polarisatie en ‘fake news’. Actuele thema’s van deze tijd. Gezamenlijk is er gecommuniceerd door middel van een persbericht over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van het PlanMER. Hierin is uitleg gegeven over wat deze notitie inhoudt en over de periode van terinzagelegging. Dit bericht is op de website van alle gemeenten gepubliceerd en op de website van de RES West-Overijssel. Ook is een persbericht opgesteld over de Tussenstand van juni 2022. 7.5 Conclusies Doordat de procesparticipatie voor bijvoorbeeld zoekgebieden en beleidskaders bij gemeenten ligt, is het moeilijk om op RES niveau uitspraken te doen over de effectiviteit van de participatie. Wel zien we dat in alle gemeenten de inwoners uitgebreid betrokken zijn en worden bij de beleidsvorming. Lokaal eigendom speelt daar een belangrijke rol bij. Lokaal eigendom is een belangrijke ambitie en randvoorwaarde in West-Overijssel.
Bijna alle gemeenten hebben hier beleid op geformuleerd en er wordt actief op gestuurd bij projecten. Bij nieuwere projecten is lokaal eigendom bijna altijd goed geregeld. Met name bij de grootschalige windprojecten wordt een hoog percentage lokaal eigendom gerealiseerd. Bij de zonneparken zien we dat een aantal plannen al in procedure waren voordat de beleidsregels rondom lokaal eigendom vigerend waren waardoor dit niet op alle plekken te realiseren blijkt. Dit is jammer omdat het onderwerp ook in onze regio op sommige plekken tot stevige polarisatie leidt waarbij het niet helpt als niet aan verwachtingen van omwonenden voldaan kan worden terwijl dit op het vlak van lokaal eigendom wel de intentie is. West-Overijssel ligt op dit onderwerp op schema. College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050236/39 32 8. Vooruitblik naar 2023-2025 8.1 Verder met de uitvoering Gelet op de urgentie en de uitkomst van de RES-monitor, waaruit blijkt dat de realisatie van wind achter blijft, is er aanleiding om meer te sturen op de realisatie van deze ambitie. Met name rond de windambitie is het van belang scherp te krijgen welke ambitie uiteindelijk leidend gaat zijn en is sturing nodig. Het bod (de optelling van de gemeentelijke biedingen) uit de RES 1.0 blijkt namelijk niet werkbaar om een juiste balans tussen wind en zon te realiseren.
Er is echter nog geen nieuw besluit genomen over de verhouding wind en zon. Dit zal onderdeel uit moeten maken van de RES 2.0. Dat bepaalt namelijk ook of er beleidsmatig in de komende periode nog bijgestuurd gaat worden. Het zwaartepunt zal de komende periode in ieder geval komen te liggen op realiseren van de geformuleerde ambities (met name wind) en kennisdeling. Gelet op de ruimtelijke inpassingsprincipes ligt het voor de hand dat windinitiatieven in meerdere grote clusters ontwikkeld worden in gemeentegrensoverschrijdende zoekgebieden. Daarvoor is subregionale samenwerking nodig. Gegeven deze situatie én de rol die de provincie heeft is het raadzaam om de provincie te vragen regie te nemen in het aanwijzen van deze clusters en de ontwikkeling daarvan samen met betrokken partners ter hand te nemen. Gezien de maatschappelijke ontwikkelingen rondom monofunctionele zonnevelden is het zeer denkbaar dat nieuw beleid nieuwe ontwikkeling van zon op land gaat remmen. Dit heeft naast een ruimtelijk effect een positief effect op de wind:zon verhouding maar mogelijk ook impact op de haalbaarheid van het RES bod. 8.2 RES in het samenhangende regionale energiesysteem Overleg en afstemming vindt plaats in het ambtelijke en bestuurlijke SNIP (Samen naar Intergraal Programmeren) overleg, de pMIEK wordt ook in dit overleg besproken.
Prioriteren en programmeren wordt gedaan via het afwegingskader van de pMIEK. Dit betreft een groeidocument, de indeling naar verschillende niveaus van prioriteit aan de hand van het afwegingskader kan wel wijzigen wanneer de opwek- of afnameplannen in de omgeving veranderen. De basis voor het advies in het pMIEK zijn de cijfers uit de netimpactanalyse uitgevoerd door Enexis, de cijfermatige input vanuit de gemeenten is daarom essentieel. De eerstvolgende netimpactanalyse zal onderdeel van de input vormen voor een eventuele wijzing van de prioritering van de HS/MS stations. De capaciteitsuitbreidingen van de Enexis-stations komen ook terug in de investeringsplannen van de netbeheerder(s), belangrijk is dat TenneT aangeeft wanneer zij haar stations en tracés verzwaard heeft. Gemeenten willen graag meer inzicht in de uitbreidingsinvesteringen en de planning hiervan. 8.3 Kruisbestuiving van RES met andere programma’s is nodig Gemeenten hebben ieder een bod gedaan in de RES 1.0. Samen komen tot uitvoering en daarmee ook de ruimtelijke kwaliteit borgen, is nu de opgave en daar wordt verder vorm aan gegeven. De wind- en zonopgaven op land, landen vooral in het landelijk gebied.
Kruisbestuiving van de RES met programma’s als het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG) en de Bossenstrategie maar ook bijvoorbeeld de woningbouwopgave en de uitbreiding van bedrijventerreinen biedt kansen om te komen tot die integrale aanpak. Daarnaast kunnen reeds geplande investeringen in groen, een businesscase voor wind/zon rendabeler maken (en andersom). Inwoners vragen nadrukkelijk om een integrale blik. Zie ook het voorbeeld ZSDZ. 8.4 Vooruitblik kaderstellende besluitvorming en verantwoordingsmomenten In de zomer van 2023 worden de afspraken RES 1.0 geëvalueerd. Deze Voortgangsrapportage is daar belangrijke input voor. Daarnaast loopt het proces rondom het PlanMER. Deze PlanMER zal samen met de RES 2.0 eind 2023 ter inzage worden gelegd. Deze Voortgangsrapportage en de PlanMER College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050237/39 33 samen leveren input voor de RES 2.0. Vaststelling van de RES 2.0 vindt plaats door de raden, Staten en algemeen besturen en is voorzien in maart 2024. College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050238/39 College van burgemeester en wethouders - 27 juni 2023 - 2023_B&W_0050239/39