CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

17.0 Informatienota 2022 - 58 - Luchtkwaliteit en gezondheid in Overijssel.pdf

Raadsvergadering 29 november 2022, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken20.000 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ook hiervoor geldt dat de effecten van NO2 en PM2,5 naast elkaar optreden, maar dat je als je de getallen bij elkaar optelt, de effecten wel enigszins overschat (zie Tekstvak Keuze indicatoren Gezondheidseffecten). In de epidemiologische studies naar de afname van longfunctie wordt voor zowel NO2 als PM2,5 een effect gevonden. In Overijssel bedraagt de gemiddelde afname van de longfunctie van kinderen bij elkaar genomen 1,5 tot 2%. Op groepsniveau lijkt een dergelijke afname niet veel, maar het is goed te realiseren dat bij dit gemiddelde voor álle kinderen in Overijssel, er ook kinderen zullen zijn met een veel grotere – en merkbare – afname. Bij een deel van de kinderen is de longfunctievermindering bovendien blijvend. Een verlaagde longfunctie, zelfs in milde vorm, werkt door op latere leeftijd en leidt tot meer vroegtijdige sterfte, hartvaatziekten en ziekenhuisopnames voor luchtwegaandoeningen. Verminderde longfunctie is dus een belangrijke gezondheidsdeterminant. KEUZE LUCHTKWALITEITSINDICATOREN GEZONDHEIDSEFFECTEN De GGD Rekentool Luchtkwaliteit en Gezondheid (van de Weerdt, Gehring, & van der Zee, 2021) beschrijft voor de componenten fijn stof en NO2 welke gezondheidseffecten er bij welke blootstelling optreden.

Voor enkele gezondheidseffecten (incidentie hartvaatziekten bij volwassenen, ziekenhuisopnamen door astma, vermindering longfunctie bij kinderen en vroegtijdige sterfte) kan je de gezondheidseffecten met zowel fijn stof als NO2 doorrekenen. De studies waaruit de effectschattingen komen, berekenen doorgaans het effect van één component op een gezondheidseffect en daarbij wordt gecorrigeerd voor blootstelling aan andere componenten. Uit deze studies blijkt dat na correcties voor de aanwezigheid van de andere component, zowel NO2 als fijn stof een effect hebben op de gezondheid. Door de correlatie tussen de verschillende componenten (op plekken waar meer fijn stof voorkomt, komt vaak ook meer NO2 voor en andersom) is het niet mogelijk om deze effecten helemaal uit elkaar te trekken. We verwachten daarom dat als je de gezondheidseffecten die berekend zijn met de afzonderlijke componenten bij elkaar optelt, er enige dubbeltelling zal zijn. Daarom presenteren we de berekeningen voor de verschillende componenten apart. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084231/62 Pagina 29 Ziekte en vroegtijdige sterfte uitgedrukt in meegerookte sigaretten We drukken de blootstelling aan luchtverontreiniging ook uit in het aantal passief gerookte sigaretten per dag.

Hiermee wordt de verontreiniging van de buitenlucht vertaald in een beleidsmatig en communicatief beter vergelijkbare en begrijpelijke risicofactor, namelijk inhalatie van omgevingstabaksrook (passief roken). In Tabel 2 is het effect van het aantal sigaretten gegeven dat per dag passief wordt meegerookt als equivalent voor ziektelast door blootstelling aan luchtverontreiniging weergegeven. De berekening is gebaseerd op de zogenaamde meerookmethode, zie Bijlage 1: Onderzoeksmethode. De gezondheidseffecten die inwoners van Overijssel ondervinden ten gevolge van het inademen van luchtverontreiniging komen overeen met de gezondheidseffecten van het dagelijks meeroken van ruim vier sigaretten. Tabel 2. Aantal passief meegerookte sigaretten per dag door de Overijsselse bevolking als equivalent van de luchtverontreiniging in Overijssel in 2019 Gezondheidseffect (leeftijdscategorie in jaren) Aantal per dag Totale ziektelast uitgedrukt in aantal meegerookte sigaretten (alle leeftijden) 4,1 sigaretten 3.2 Verschillen in gezondheidseffecten tussen gemeenten Er zijn verschillen in de gezondheidseffecten door luchtverontreiniging tussen gemeenten. Dit is afhankelijk van de blootstelling aan luchtverontreinigende stoffen, het aantal inwoners en de leeftijdsopbouw van de bevolking in die gemeente.

In Kaart 9 wordt de bijdrage van NO2 aan de incidentie (procentueel) van astma bij kinderen per Overijsselse gemeente weergegeven voor het jaar 2019. Dit percentage is onafhankelijk van de bevolkingsomvang en is voor de vergelijking tussen gemeenten een betere maat dan de absolute aantallen kinderen met astma. De bijdrage van NO2 aan de incidentie van astma kent een aanzienlijke variatie tussen gemeenten van 13% tot 19%. In gemeenten met hoge NO2 blootstelling (gemeenten met veel wegverkeer) is het aantal kinderen dat astma krijgt door luchtverontreiniging het hoogst. De incidentie voor aandoeningen ten gevolge van fijn stof blootstelling kent een veel minder duidelijke ruimtelijke variatie. De bijdrage van fijn stof aan longkanker bijvoorbeeld, varieert tussen gemeenten van 11,4% tot 14,2%. De fijn stof blootstelling kent immers een kleinere variatie over Overijssel (vergelijk Kaart 3). Dat komt omdat fijn stof veel meer beïnvloed wordt door grootschalige atmosferische processen (vaak samengevat als ‘er is een hoge achtergrondconcentratie’). Verschillen in vroegtijdige sterfte tussen gemeenten worden gegeven in Kaart 10. Hierin is de gemiddelde vroegtijdige sterfte van inwoners van gemeenten gegeven voor de gecombineerde blootstelling aan de indicatoren NO2 en PM10. Deze varieert van 265 tot 331 dagen.

In paragraaf 2.2 kwam aan de orde dat binnen gemeenten een grote variatie in blootstelling bestaat, met name wat betreft NO2. Dit werkt door in de gezondheidsrisico’s: gezondheidsrisico’s zijn in buurten met een hogere blootstelling groter dan in buurten met een lagere blootstelling. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084232/62 Pagina 30 Kaart 9. Het aandeel van het totaal aantal nieuwe gevallen* van astma bij kinderen tussen 0 en 18 jaar dat veroorzaakt wordt door luchtverontreiniging (NO2) per Overijsselse gemeente in 2019 * van het totaal aantal gevallen van deze aandoening in Overijssel, is genoemd percentage toe te schrijven aan luchtverontreiniging Kaart 10. Vroegtijdige sterfte (verloren levensdagen per inwoner) bij de inwoners van 30 jaar en ouder ten gevolge van de gecombineerde blootstelling aan NO2 en PM10, per Overijsselse gemeente in 2019 College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084233/62 Pagina 31 3.3 Ontwikkeling van gezondheidseffecten door de tijd Om inzicht te kunnen hebben in de trend van de gezondheidseffecten in relatie tot luchtkwaliteit over de voorgaande jaren, zijn de gezondheidseffecten ook met de vernieuwde GGD Rekentool Luchtkwaliteit en Gezondheid (van de Weerdt, Gehring, & van der Zee, 2021) berekend over 2013.

In Tabel 3 is de trend in vroegtijdige sterfte (in dagen) en de procentuele bijdrage van gezondheidseffecten aan de totale ziektelast over de jaren 2013 en 2019 in Overijssel gegeven. Voor alle gezondheidsuitkomsten treedt een verbetering op. Dat vloeit logischerwijs voort uit de afnemende blootstelling aan luchtverontreiniging in deze periode (zie ook paragraaf 2.3). Tabel 3. Ontwikkeling in de ziektelast in Overijssel door luchtverontreiniging in 2013 en 2019 (berekend met Rekentool Luchtkwaliteit en Gezondheid 2021). Gezondheidseffect (leeftijdscategorie in jaren) 2013 2019 indicator Vroegtijdige sterfte (30+) in dagen 358 310 PM10+NO2 Laag geboortegewicht (0-1) 9,3% 7,3% PM2,5 Incidentie astma kinderen (0-18) 17,3% 16,2% NO2 Incidentie hartvaatziekten (40+) 10,2% 8,0% PM2,5 19,7% 18,5% NO2 Longkanker (50+) 16,9% 13,4% PM2,5 Ziekenhuisopname astma (alle leeftijden) 2,8% 2,2% PM2,5 2,2% 2,0% NO2 Ziekenhuisopname COPD (alle leeftijden) 3,0% 2,4% PM2,5 Ziekenhuisopname ischemische hartziekte (40+) 1,9% 1,7% NO2 Naarmate de luchtkwaliteit verbetert, treedt er minder vroegtijdige sterfte op. Waar in 2013 nog sprake was van bijna een jaar levensduurverlies, was dat in 2019 nog ruim 10 maanden. In zes jaar tijd is het levensduurverlies met 48 dagen (1,5 maand) verkort. In Figuur 10 is de trend in het aantal passief meegerookte sigaretten per dag gegeven in 2013 en 2019.

De ontwikkeling laat een daling zien van 4,9 meegerookte sigaretten per dag in 2013 tot 4,1 meegerookte sigaretten per dag in 2019. Figuur 10. Ontwikkeling van het aantal passief meegerookte sigaretten per dag door inwoners van Overijssel als equivalent voor de blootstelling aan luchtverontreiniging College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084234/62 Pagina 32 4. Bronnen van luchtverontreiniging in de Overijsselse regio’s In dit rapport beschrijven we de emissies (uitstoot) per regio in Overijssel, zoals beschikbaar in de nationale emissieregistratie (zie verder Bijlage 1: Onderzoeksmethode). Op de kaarten staan taartdiagrammen per regio. De omvang (grootte) van de taart komt overeen met de totale omvang van de emissie in die regio (in Megakilo, Mkg, zie de cirkels in de legenda - 1 Megakilo is gelijk aan 1000 ton of 1 miljoen kilogram). De verdeling (stukjes van de taart) representeert de bijdrage van de verschillende bronnen (kleuren in de legenda, zie voor nadere toelichting op de bronnen Bijlage 1: Onderzoeksmethode). In juni 2022 heeft het RIVM een zogenaamde GCN-tool uitgebracht (https://gcn-app.rivm.nl/) waarin ook de cijfers van zowel emissies als concentraties per gemeente beschikbaar zijn.

Het RIVM heeft deze tool ontwikkeld in het kader van het Schone Lucht Akkoord, en hiervoor gebruik gemaakt van een methode die zij samen met de GGD hebben ontwikkeld (https://awgl.nl/projecten/bronbijdragen- luchtverontreiniging-op-lokaal-niveau-gcn-project). Op deze RIVM website staan voor de emissie data van 2018. Deze zijn niet altijd direct vergelijkbaar met de emissiedata die we in dit rapport gebruiken (nationale emissieregistratie 2019). 4.1 Bronnen van stikstofdioxide (NO2) Emissie De belangrijkste bron van uitstoot (emissie) van NO2 in Overijssel is wegverkeer (39%), op de voet gevolgd door landbouw (31%). Stikstofdioxide ontstaat in verbrandingsprocessen. Maar ook bij biologische processen zoals de afbraak van organisch materiaal (vertering, of biologisch beschikbaar maken van nutriënten) komt NO2 vrij. De bronnen van uitstoot van stikstofdioxide in de landbouw zijn naast aardgasgebruik, dan ook dierlijke mest, kunstmest, en emissies uit bodems (met een hoog gehalte aan organisch materiaal). De uitstoot van landbouwvoertuigen wordt niet aan de landbouw toegekend, deze vallen onder ‘mobiele werktuigen’. Andere mobiele werktuigen zijn bijvoorbeeld bulldozers en andere machines in de bouw en grondverzet, en ook aggregaten behoren hiertoe. In Overijssel vormen de mobiele werktuigen gezamenlijk 13% van de uitstoot van stikstofdioxide.

Uit Kaart 11 blijkt de regionale verscheidenheid in bronnen: in de plattelandsregio’s is er logischerwijs meer bijdrage vanuit de landbouw, in de regio Netwerkstad Twente is naast wegverkeer industrie een belangrijke bron. Industriële bronnen (formeel ENINA – ENergieopwekking, INdustrie en Afvalverwerking) van stikstofdioxide in Overijssel zijn veelal rioolwaterzuiveringsinstallaties en vrij kleinschalige maakindustrie (voeding, metaalelektro, textiel, kunststof). In Netwerkstad Twente zijn de afvalverbranding en chemische industrie grotere bronnen. SAMENGEVAT • De belangrijkste bronnen van luchtverontreiniging in Overijssel zijn landbouw en houtstook. Ook industrie en wegverkeer zijn nog steeds belangrijke bronnen. • De bijdrage van de landbouw (met name veeteelt) aan primair en secundair gevormd fijn stof is groot en is de afgelopen jaren weinig tot niet afgenomen. Ook de bijdrage van houtstook is niet afgenomen. • De bijdragen van industrie en wegverkeer zijn de afgelopen jaren flink omlaag gegaan. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084235/62 Pagina 33 Kaart 11. Uitstoot van NO2 in Mkg/jaar per regio in Overijssel in 2019. De taartdiagrammen geven de omvang (grootte van de cirkel) en bijdrage van de verschillende bronnen (kleuren van de taartstukjes) weer. De sector ‘Industrie’ is inclusief energieopwekking en afvalverwerking.

De emissie kan ook worden bekeken in de GCN-tool van het RIVM. Deze komen vanuit de zelfde database (nationale emissieregistratie) maar zijn van een vroeger jaar (2018) dan hier gerapporteerd (2019). Doordat er (op basis van voortschrijdend inzicht) aanpassingen zijn gedaan in de nationale emissieregistratie, zijn er soms best opmerkelijke verschillen. Zo is vanaf 2019 de NO2 bijdrage van landbouwgronden meegenomen in de emissieregistratie (Schijndel, 2020), met een grotere bijdrage van de landbouw tot gevolg. De cijfers in Kaart 11 zijn van recenter datum en geven waarschijnlijk een reëler beeld dan de emissiecijfers gepresenteerd in de GCN-tool. Concentratie De bijdrage van deze bronnen aan de uitstoot is niet gelijk aan de bijdrage aan de concentratie luchtverontreiniging. Ook uitstoot in omliggende regio’s in binnen- en buitenland is van groot belang voor de concentraties luchtverontreiniging. De bijdrage vanuit het buitenland aan de concentraties stikstofdioxide is in Kaart 11 niet weergegeven. Via de GCN-tool van het RIVM is die data wel beschikbaar: De buitenlandse bijdrage (aan de concentratie) varieert dan flink; bijvoorbeeld van 64% in de grensregio (Losser) tot 34% in Kampen (https://gcn-app.rivm.nl/).

Wegverkeer (in Nederland) bepaalt in datzelfde overzicht grofweg een kwart tot een derde van de concentratie stikstofdioxide, gevolgd door achtereenvolgens mobiele werktuigen (minder dan 10 procent), landbouw en consumenten in College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084236/62 Pagina 34 Nederland. De buitenlandse bijdrage wordt overigens door dezelfde bronnen veroorzaakt – maar dan buiten Nederland, en in vergelijkbare verhoudingen. 4.2 Bronnen van PM10 Emissie Zoals inzichtelijk is gemaakt in Kaart 12 verschilt de uitstoot van PM10 flink over de regio’s. In de regio’s Zuidwest Twente en Netwerkstad Twente wordt er met ca 0,5 Mkg/jaar veel meer uitgestoten dan in Zwolle-Kampen of Noordwest Overijssel (ca 0,16 Mkg/jaar). De belangrijkste bronnen van PM10 uitstoot in Overijssel zijn landbouw (29%), industrie (25%), houtstook (17%) en wegverkeer (13%). Overigens wordt in de emissieregistratie de bijdrage van de landbouw door secundair fijn stof niet meegenomen7, en ontbreekt deze bijdrage daarmee zowel in bovenstaand percentage als in de verdeling per regio, op Kaart 12. In de regio’s Vechtdal, Zuidwest Twente, Noordoost Twente, Noordwest Overijssel en Salland is landbouw (zelfs zonder het secundair fijn stof mee te tellen) de grootste bron van PM10 uitstoot.

In de regio Netwerkstad Twente is industrie de grootste bron van PM10 uitstoot, in de regio Zwolle-Kampen is dat wegverkeer. Kaart 12. Uitstoot van PM10 in Mkg/jaar per regio in Overijssel in 2019 De taartdiagrammen geven de omvang (grootte van de cirkel) en bijdrage van de verschillende bronnen (kleuren van de taartstukjes) weer. De belangrijke bijdrage van de landbouw aan secundair fijn stof ontbreekt op deze kaart. De sector ‘Industrie’ is inclusief energieopwekking en afvalverwerking. 7 In vroeger jaren gold dit ook voor de uitstoot van ‘condenseerbaar fijn stof’ bij houtstook. Dat is inmiddels, met terugwerkende kracht, wel opgenomen in de emissieregistratie (https://emissieregistratie.nl/onderwerpen/condenseerbaar-fijnstof) College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084237/62 Pagina 35 Concentratie De bijdrage van bronnen aan de uitstoot is niet gelijk aan de bijdrage aan de concentratie luchtverontreiniging. Voor de concentratie is ook uitstoot in omliggende regio’s in binnen- en buitenland van groot belang. Informatie hierover kan worden verkregen in de GCN-tool van het RIVM: In de grensstreek is de bijdrage vanuit het buitenland aan de concentraties PM10 ruim de helft, in het westen van de provincie is dat circa een derde (https://gcn-app.rivm.nl/).

De bijdrage van de landbouw aan de concentratie, de lucht die wordt ingeademd, is een stuk groter dan Kaart 12 suggereert. Bij bepaling van de uitstoot (kaart 12) wordt secundair fijn stof niet meegenomen, terwijl bekend is dat in Overijssel minstens zoveel secundair fijn stof gevormd wordt uit de ammoniakuitstoot van de landbouw (zie paragraaf 1.3) als dat er direct als fijn stof door de landbouw wordt uitgestoten. In veel gemeenten in Overijssel is in de concentratie fijn stof de hoeveelheid secundair fijn stof die wordt toegeschreven aan de landbouw zelfs anderhalf tot drie keer zoveel als de hoeveelheid primair fijn stof (https://gcn-app.rivm.nl/). Bronnen die stikstofdioxide uitstoten dragen overigens ook bij aan de secundaire vorming van fijn stof (zie paragraaf 1.3), de primaire en secundaire fijn stof-bijdrage van deze bronnen aan de concentratie is via eerdergenoemde RIVM-website in te zien. 4.3 Bronnen van PM2,5 Emissie Kaart 13. Uitstoot van PM2,5 in Mkg/jaar per regio in Overijssel in 2019. De taartdiagrammen geven de omvang (grootte van de cirkel) en bijdrage van de verschillende bronnen (kleuren van de taartstukjes) weer. De belangrijke bijdrage van de landbouw aan secundair fijn stof ontbreekt op deze kaart. De sector ‘Industrie’ is inclusief energieopwekking en afvalverwerking.

College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084238/62 Pagina 36 Ook voor PM2,5 valt op dat de uitstoot in Netwerkstad Twente (0,31 Mkg/jr) en Zuidwest Twente (0,24 Mkg/jr) vele malen groter is dan die in Noordoost Overijssel (0,08 Mkg/jr). De belangrijkste bron van primair PM2,5 in Overijssel is met bijna een derde het stoken van hout door consumenten. Het gaat hier om (sfeer)verwarming door middel van houtstook door consumenten (open haard, kachel) en barbecueën op houtskool. Andere belangrijke bronnen zijn industrie (27%) en wegverkeer (51%). In de dichter bevolkte regio’s zien we daarnaast betekenisvolle bijdrage van ‘consumenten’. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om uitstoot via vuurwerk, roken en vreugdevuren. Het secundair gevormd PM2,5 is ook hier niet opgenomen in het figuur, de emissieregistratie geeft deze gegevens niet. Concentratie De bijdrage van bronnen aan de uitstoot is niet gelijk aan de bijdrage aan de concentratie luchtverontreiniging. Voor de concentratie is ook uitstoot in omliggende regio’s in binnen- en buitenland van groot belang, evenals de secundaire vorming van PM2,5 (zie paragraaf 1.3). In Overijsselse gemeenten wordt minimaal de helft van de PM2,5 concentratie bepaalt door uitstoot in het buitenland, waarvan driekwart bestaat uit secundair gevormd PM2,5.

De primaire en secundaire bijdrage van bronnen aan de concentratie kan per gemeente worden nagekeken in de GCN-tool van het RIVM (https://gcn-app.rivm.nl/). Ter illustratie zijn in Figuur 11 de samengevatte overzichten voor Ommen en Zwolle (willekeurig gekozen) opgenomen. In deze figuur is duidelijk te zien dat de secundaire bijdrage (via de ammoniak en stikstofdioxide uitstoot, zie paragraaf 1.3) van de landbouw aan PM2,5 concentraties in Overijssel nog vele malen groter is dan de primaire. Dit geldt ook voor wegverkeer, waarvan de uitgestoten stikstofdioxide reageert tot fijn stof (zie paragraaf 1.3). In mindere mate is hetzelfde te zien voor industrie. Figuur 11: Bijdrage van bronnen aan de concentratie PM2,5 in 2019 voor de gemeenten Ommen en Zwolle, met onderscheid in herkomst (primair uitgestoten of secundair gevormd). Bewerking van gcn- app.rivm.nl * Consumenten: deze categorie is hier inclusief houtstook (de categorieën houtstook en consumenten uit bovenstaande kaarten opgeteld) Deze informatie kan via gcn-app.rivm.nl voor elke Nederlandse gemeente worden bekeken De betekenisvolle (secundaire) bijdrage van scheepvaart in deze gemeenten zonder erg veel scheepvaart komt voor een belangrijk deel voort uit de zeer grootschalige verspreiding (dit betekent: op wereldniveau) van zwaveloxiden in de atmosfeer.

Zwaveloxiden zijn afkomstig van zwavelhoudende brandstoffen (in Europa alleen nog toegestaan voor bepaalde zeescheepvaart). Zij kunnen, net als stikstofoxiden, met ammoniak reageren tot secundair fijn stof. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084239/62 Pagina 37 4.4 Nationale trends in emissies Een aantal bronnen van luchtverontreiniging is de laatste jaren een stuk kleiner geworden. Andere bronnen worden daarmee relatief grotere bronnen van luchtverontreiniging. Voor de nationale trends gebruiken we de overzichten uit de nationale emissieregistratie met de uitstoot per sector. Deze sectoren zijn vergelijkbaar met de eerder in dit hoofdstuk genoemde bronnen, de sector consumenten komt grofweg overeen met huishoudens (inclusief houtstook), de sector HDO (handel, diensten en overheid) en Bouw zijn eerder in dit hoofdstuk onder ‘overig’ geschaard). Voor nadere toelichting over de bronnen en sectoren verwijzen we naar Bijlage 1: Onderzoeksmethode. Stikstofoxiden De bijdragen van industrie en verkeer aan de emissie van stikstofoxiden (NOx, dat is NO2 en NO samen) zijn gedaald in de afgelopen decennia, zie Figuur 12. Dat komt door beleid en maatregelen van de EU, de rijksoverheid, provincies en gemeenten. Op landelijk niveau is verkeer (wegverkeer en scheepvaart) nog steeds de grootste bron van NOx, daarna landbouw en industrie.

De helft van de nationale bijdrage van verkeer (de blauwe staaf in de figuur) is afkomstig van (zee)scheepvaart. Deze bijdrage is de laatste jaren nauwelijks gedaald, de bijdrage van ander verkeer (met name wegverkeer) wel. Scheepvaart speelt in Overijssel overigens bijna geen rol. Figuur 12. De uitstoot van stikstofoxiden (NOx) door verschillende bronnen in Nederland in de afgelopen 30 jaar (bewerking van: emissieregistratie.nl). De bron ‘consumenten’ is de totale bijdrage van consumenten minus de houtstook van consumenten. PM10 De bijdragen van industrie en verkeer aan PM10 emissies zijn de afgelopen decennia ook flink gedaald (Figuur 13). Ook bij PM10 is te zien dat de bijdrage van houtstook nauwelijks is afgenomen en daardoor belangrijker is geworden. Onder de overige bijdrage van consumenten vallen onder meer sigaretten, woningbranden, vuurwerk en vreugdevuren. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084240/62 Pagina 38 Figuur 13. De uitstoot van PM10 door verschillende bronnen in Nederland in de afgelopen 30 jaar (bewerking van: emissieregistratie.nl). De bron ‘consumenten’ is de totale bijdrage van consumenten minus de houtstook van consumenten. De belangrijke bijdrage van de landbouw (veeteelt) aan secundair fijn stof ontbreekt hier.

PM2,5 De bijdragen van verkeer en industrie aan PM2,5 emissies zijn de afgelopen jaren flink gedaald (Figuur 14). De bijdrage van houtstook (de bepaling hiervan is enige jaren geleden bijgesteld, de nieuwe methode die rekening houdt met de bijdrage van zogenaamde ‘condenseerbaar fijn stof’ is met terugwerkende kracht toegepast in deze figuur) is gelijk gebleven en is nu een belangrijke bron van de overgebleven luchtverontreiniging. Figuur 14. De uitstoot van PM2,5 door verschillende bronnen in Nederland in de afgelopen 30 jaar (bewerking van: emissieregistratie.nl). De bron ‘consumenten’ is de totale bijdrage van consumenten minus de houtstook van consumenten. De belangrijke bijdrage van de landbouw (veeteelt) aan secundair fijn stof ontbreekt hier. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084241/62 Pagina 39 Belangrijk om te vermelden bij Figuur 14, is dat het secundair gevormde PM2,5 in de emissieregistratie niet wordt meegenomen. Als je de vorming van secundair PM2,5 wel meeneemt, is de bijdrage van de landbouw aanzienlijk hoger. Secundair fijn stof wordt gevormd uit NO2 en ammoniak (NH3), zie paragraaf 1.3. In Figuur 15 is te zien dat de emissie van ammoniak in Nederland de afgelopen jaren niet meer is gedaald en dat landbouw (veeteelt) verreweg de belangrijkste bron is van ammoniak uitstoot.

Daarmee is landbouw (veeteelt) dus een belangrijke bron van secundair PM2,5. Figuur 15. De uitstoot van ammoniak (NH3) door verschillende bronnen in Nederland in de afgelopen 30 jaar (bewerking van: emissieregistratie.nl). De bijdrage van de landbouw is met name afkomstig van veeteelt. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084242/62 Pagina 40 5. Conclusies en advies Conclusies In dit rapport is de blootstelling aan luchtverontreiniging in Overijssel in 2019 en 2013 beschreven (Hoofdstuk 2). Hieruit blijkt dat de blootstelling aan fijnstof en stikstofdioxiden in Overijssel in de afgelopen jaren is afgenomen, zoals in heel Nederland. Dat is goed voor de gezondheid. Maar uit de analyse blijkt ook dat in Overijssel op geen enkel woonadres aan de gezondheidskundige advieswaarden voor luchtkwaliteit van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wordt voldaan. De gezondheidsschade van luchtverontreiniging is groot: In Hoofdstuk 3 is berekend dat inwoners van Overijssel gemiddeld ruim 10 maanden korter leven ten gevolge van de in Hoofdstuk 2 beschreven blootstelling aan luchtverontreiniging. Luchtverontreiniging is daarnaast bij ruim 1 op de 5 volwassenen de oorzaak van hun hart- en vaatziekte, en bij 1 op de 6 kinderen komt hun astma hierdoor. Luchtverontreiniging is hiermee een van de belangrijkste oorzaken van ziektelast in Overijssel.

In Hoofdstuk 4 is nagegaan wat de belangrijkste bronnen van luchtverontreiniging in Overijssel zijn. Dit zijn: landbouw, houtstook, industrie en wegverkeer. Uit de analyse bleek ook dat de uitstoot van industrie en verkeer flink daalde, terwijl de uitstoot van houtstook en landbouw vrijwel gelijk bleef. Beleidsopties voor gezondere lucht in Overijssel 5.1 Gezondheid meewegen in beleid Gemeenten (en andere overheden) staan voor stevige opgaven op het gebied van klimaat, stikstof, wonen, mobiliteit en ruimte. De GGD signaleert dat luchtverontreiniging een aanzienlijke bijdrage levert aan de ziektelast in Overijssel. De aanpak van luchtverontreiniging is nauw gerelateerd aan de eerder BELEIDSOPTIES SAMENGEVAT • De GGD adviseert gemeenten in Overijssel om in te zetten op gezonde lucht door: o De neveneffecten op luchtkwaliteit en gezondheid expliciet mee te nemen bij het maken van beleidskeuzes op dossiers als klimaat, stikstof, wonen en mobiliteit. Hiermee kan veel gezondheidswinst voor de inwoners van Overijssel worden behaald. o De uitstoot van luchtverontreiniging aan de bron te verminderen. De GGD geeft hiervoor een aantal concrete mogelijkheden. o Aandacht te hebben voor gezondheid bij de bouw van nieuwe woningen en inrichting van nieuwe woonwijken.

En maatregelen voor gezondere lucht, als deel van een gezonde leefomgeving, in te zetten om gezondheidsachterstanden te verkleinen. o Gevoelige bestemmingenbeleid toe te passen om zo de meest gevoelige groepen extra te beschermen. • Gezonde lucht is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. De GGD adviseert gemeenten om mee te doen met het Schone Lucht Akkoord. • De GGD denkt graag met gemeenten en provincie mee. De GGD beschikt over veel aanvullende gegevens die samen met de binnen de GGD beschikbare expertise over luchtverontreiniging en gezondheid kunnen worden ingezet. De GGD kan zo iedere gemeente advies op maat geven. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084243/62 Pagina 41 genoemde opgaven. Tegelijkertijd ziet de GGD dat in de complexe beleidskeuzes over bijvoorbeeld stikstof en klimaat waarvoor gemeenten (en andere overheden) gesteld worden, luchtkwaliteit en gezondheid beperkt een overweging zijn. Op dossiers als wonen zien we die aandacht, mede onder invloed van de Omgevingswet, toenemen. De GGD adviseert gemeenten in Overijssel, alsook de Provincie Overijssel, de neveneffecten voor luchtkwaliteit en gezondheid expliciet mee te nemen bij het maken van beleidskeuzes bij de grote opgaven met betrekking tot klimaat, stikstof, wonen, mobiliteit en ruimte. Zo kan veel gezondheidswinst voor de inwoners van Overijssel worden behaald.

En wordt voorkomen dat beleid wordt gemaakt dat het ene dossier vooruit helpt, maar het andere dossier juist niet. Samenwerking tussen verschillende domeinen en afdelingen binnen gemeenten (en andere overheden) is essentieel om effecten op luchtkwaliteit en gezondheid in beeld te brengen. De GGD kan ondersteunen bij het inzichtelijk maken van de impact van beleid op gezondheid van inwoners. Stikstof De ‘Stikstofaanpak’ heeft tot doel de stikstofdepositie in natuurgebieden terug te brengen, ter bescherming van de natuur. Het beleid richt zich daarom op het beperken van de stikstofuitstoot in de vorm van ammoniak (met name veehouderij) en stikstofoxiden (verbrandingsprocessen). Beperken van de stikstofuitstoot is echter ook goed voor de gezondheid. Door het terugdringen van de ammoniakuitstoot (NH3) in de veehouderij worden de concentraties (secundair) fijn stof lager (zie afbeelding en paragraaf 1.3 en 4.4). De beperking van de stikstofuitstoot leidt daarmee tot verbetering van de luchtkwaliteit en dus tot gezondheidswinst. Bij het nemen van stikstofmaatregelen, zijn de bronmaatregelen de gezondste.

Denk hierbij aan verminderen van vee of mest, stalmaatregelen (zoals stalvloeren, strooiseltypen, filters, luchtwassers) College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084244/62 Pagina 42 en maatregelen in bedrijfsvoering (zoals aanpassing voer, mestopslag en bemesting, dat wil zeggen moment, wijze en mate van aanwending mest). Ook beperkingen van andere stikstofbronnen, denk aan de landelijke snelheidsverlaging op snelwegen sinds begin 2020 en de emissierichtlijnen voor industrie en verkeer die steeds strenger worden, zorgen voor een verbetering van de luchtkwaliteit. Het verlaagt de uitstoot van stikstofdioxide (NO2). En daarmee wordt zowel de blootstelling aan stikstofdioxide als aan fijn stof (zie afbeelding en paragraaf 1.3) teruggebracht. En dat zorgt dus voor gezondheidswinst. Gemeenten en provincie kunnen zelf ook bijdragen aan beperken van stikstofemissie, bijvoorbeeld door kritisch te kijken naar het eigen wagenpark of verwarming van gebouwen. Ook als belangrijk opdrachtgever kunnen provincie en gemeente de stikstofuitstoot beperken, namelijk door projecten (zoals weg- of woningbouw) schoon aan te besteden. Binnen het Schone Lucht akkoord is uitgezocht wat juridisch mogelijk is, en hoe dit praktisch kan worden uitgevoerd. Er liggen handreikingen klaar.

De GGD kan gemeenten en provincie ondersteunen met het inzichtelijk maken van de gezondheidswinst die gepaard gaat met de stikstofmaatregelen. Houtstook Houtstoken is populair. En door de hoge gasprijzen lijken meer mensen hout te zijn gaan stoken. Ook zien we in de praktijk wel dat mensen overstappen op houtkachels in wijken waarvan bekend is dat ze binnen enkele jaren van het gas af gaan. Houtstook is een grote bron van luchtverontreiniging (zie ook paragraaf 4.2 en 4.4). Deze verontreiniging leidt tot gezondheidseffecten (zie Hoofdstuk 3), bovendien veroorzaken houtkachels veel geurhinder. In Overijssel rapporteert zo’n 20% van de inwoners geurhinder van houtkachels (zie ook https://ijssellandscan.nl en www.twentsegezondheids verkenning.nl), de hinder van barbecues en andere tuinvuren is zelfs nog iets hoger (tot 22%). Een toename van houtstook is voor de luchtkwaliteit ongewenst. De GGD adviseert gemeenten en provincie om maatregelen te nemen om houtstook verregaand te reduceren, zie ook kader en www.ggdghor.nl/thema/ houtrook. Bron: Tijdschrift Lucht (2021) nummer 3 College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084245/62 Pagina 43 Aandachtspunt hierbij is het verwarmen van woningen, stallen, of andere gebouwen met kleine biomassaketels (tot 15 MW) of pelletkachels.

Ook deze stoten fijn stof uit, weliswaar niet zo veel als een conventionele houtkachel, maar de keuze voor een pelletkachel of biomassaketel zijn voorbeelden waar een “duurzame” keuze zeker niet een gezonde keuze is. Ook bij het verbranden van biomassa in (grote) biomassacentrales en het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales komen fijn stof en stikstofoxiden vrij. Van alle manieren van houtverbranding, is de verbranding in (grote) centrales wel het meest efficiënt: er wordt relatief veel energie uit het hout gehaald. Door de efficiënte verbranding in een grote centrale is het daarnaast de minst vervuilende wijze van houtverbranding, en er zijn meer technologische mogelijkheden om de uitstoot nader te beperken (denk aan filters). De GGD adviseert gezondheid expliciet mee te wegen bij de besluitvorming rondom biomassacentrales en het bijmengen van biomassa in elektriciteitscentrales. Naast houtstook in kachels, zijn ook vreugdevuren een belangrijke bron van houtrook. Evenals verbranden van (snoei)afval op brandstapels of in vuurtonnen, zoals in veel Overijssels buitengebied wordt gedoogd of toegestaan. De GGD adviseert gemeenten om gezondheidsaspecten expliciet mee te wegen bij het al dan niet toestaan van deze vormen van houtstook.

Binnen het Schone Lucht Akkoord (zie paragraaf 5.3) is een Themagroep Houtstook actief waarin door de deelnemende gemeenten kennis wordt ontwikkeld en ervaringen worden uitgewisseld om te komen tot een beperking van houtstook en/of een betere aanpak van houtrookoverlast. Naast gemeenten nemen ook diverse (juridisch) adviserende partijen en experts deel aan de themagroep, onder meer in pilots in Utrecht, Helmond en Nijmegen. Meer over de activiteiten van deze themagroep leest u op de website van het Schone Lucht Akkoord (https://www.schoneluchtakkoord.nl/thema/houtstook- particuliere-huishoudens/uitvoeringsagenda-sla-houtstook/). Klimaat In het Nederlandse klimaatakkoord en de Europese Green Deal staan veel maatregelen die niet alleen de uitstoot van broeikasgassen terugbrengen, maar ook de uitstoot van fijn stof en stikstofdioxide verlagen. In Nederland is de ambitie om in 2030 de CO2 emissies met 55% te verminderen ten opzichte van 1990. In het Klimaatakkoord staan afspraken over de maatregelen die worden genomen om de klimaatdoelen te halen. Dat zijn afspraken op het gebied van: - gebouwde omgeving - landbouw en landgebruik - elektriciteit - industrie - mobiliteit Gemeenten en provincie hebben een grote rol bij de CO2 reductie. Op het gebied van de gebouwde omgeving is dat onder andere via de gemeentelijke warmtevisies.

Het is belangrijk om hierin het risico op toename particuliere houtstook mee te nemen, alsook mogelijkheden van gemeenten en provincie om de uitstoot van biomassacentrales te reduceren (zie voorgaande paragraaf over houtstook). Ook op het gebied van klimaatmaatregelen voor de landbouw, deze maatregelen worden op dit moment nog uitgewerkt, krijgt het lokaal bestuur waarschijnlijk een belangrijke rol. Op het gebied van industrie en bedrijven kunnen gemeenten en provincie bij programma’s en subsidies voor energiebesparing een koppeling maken met vermindering van uitstoot van luchtverontreiniging. Voor de opwek van elektriciteit is in relatie tot luchtkwaliteit de uitstoot van biomassacentrales van belang (zie paragraaf ‘Houtstook’). College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084246/62 Pagina 44 Gemeenten en provincie kunnen op het gebied van mobiliteit bijdragen door de hoeveelheid autoverkeer te verminderen (zie ook paragraaf ‘Gezonde mobiliteit’), en door het faciliteren van elektrisch rijden, bijvoorbeeld door de aanleg van laadinfrastructuur. In het Schone Lucht Akkoord wordt op deze thema’s ook een koppeling gemaakt met zowel het klimaatakkoord als het de stikstofaanpak. De GGD adviseert gemeenten en provincie het Schone Lucht Akkoord en het Klimaatakkoord te verbinden en gezondheid expliciet mee te nemen in de afweging van klimaatmaatregelen .

Woningbouwopgave Er is een groot tekort aan (geschikte) woningen in Nederland. De komende jaren wordt daarom een groot aantal woningen bijgebouwd, ook in Overijssel. De GGD vraagt aandacht voor gezondheid, waaronder luchtkwaliteit, bij het bouwen van nieuwe woningen en de inrichting van nieuwe woonwijken. De GGD adviseert om rekening te houden met mogelijke gezondheidseffecten van luchtverontreiniging bij nieuwbouw van woningen. Dit betekent dat de GGD adviseert om geen nieuwe gevoelige bestemmingen, waaronder woningen, te bouwen nabij drukke (snel)wegen en nabij veehouderijbedrijven (zie ook paragraaf 5.3). Daarnaast adviseert de GGD om bij inrichting van een nieuwe woonwijk fietsen en wandelen te faciliteren (zie ook paragraaf ‘Gezonde Mobiliteit’). Dit komt onder meer naar voren in de ‘Bouwstenen gezonde leefomgeving’ van GGD IJsselland en GGD Twente. Voor meer aandachtspunten voor en voorbeelden van een gezonde woonomgeving bieden de GGD Kernwaarden Gezonde Leefomgeving (www.ggdghor.nl/thema/kernwaarden-gezonde- leefomgeving/) een mooi startpunt (GGD GHOR Nederland, 2021). Gezondheidsachterstanden De gezondheid van mensen met een hoog inkomen of hoge opleiding is in Nederland een stuk beter dan de gezondheid van mensen met een laag inkomen of lage opleiding.

Mensen College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084247/62 Pagina 45 met een hoge sociaal economische status (SES) leven 15 jaar langer in goede gezondheid dan mensen met een lage sociaal economische status (Raad voor de Volksgezondheid, 2021). Veel gemeenten zijn bezig met het terugdringen van de gezondheidsachterstanden bij de groep mensen met een lage sociaal economische status. Mensen met een lage sociaal economische status leven vaker in een ongezondere leefomgeving. Ook het gezonder maken van de leefomgeving kan daarom bijdragen aan het tegen gaan van gezondheidsachterstanden (Raad voor de Volksgezondheid, 2021). Gemeenten kunnen in hun luchtkwaliteitsbeleid de keuze maken om de luchtkwaliteit te verbeteren op plekken waar veel mensen wonen met een laag inkomen of lage opleiding (lage SES). Vaak kan dit in samenhang met ander beleid (zie ook paragraaf 5.1), denk bijvoorbeeld aan het verbeteren van de fietsinfrastructuur om zowel (emissie van) auto- en brommer/scootergebruik terug te dringen als bewegen te bevorderen. Gezonde mobiliteit Het aantal mensen met (ernstig) overgewicht neemt toe in Nederland en veel Nederlanders bewegen te weinig. Overgewicht en gebrek aan bewegen leiden tot gezondheidsproblemen. In het Nationale Preventieakkoord en de lokale preventieakkoorden zijn plannen gemaakt om bewegen te stimuleren.

Hierbij is onder andere aandacht voor fietsen en lopen naar het werk in plaats van met de auto. Een aantal gemeenten werkt met het STOP principe, waarbij in het mobiliteitsbeleid de prioriteit eerst gaat naar Stappen, dan Trappen, dan Openbaar vervoer en tot slot de Personenauto. De overstap van auto naar fietsen of lopen betekent ook minder luchtverontreiniging. Ook is in juli 2022 het Nationaal Toekomstbeeld Fiets gepresenteerd door het Rijk, samen met gemeenten en provincies, met als doel om het aantal fietsbewegingen te verhogen, onder andere door stimulering via werkgevers en door het bouwen van fietsenstallingen bij stations. Binnen de provincie Overijssel lopen, in samenwerking met andere Overijsselse overheden en organisaties zoals ‘Stichting 365 dagen fietsen in Overijssel’ initiatieven op het gebied van fietsstimulering - zoals het kernnet fiets. Tegelijkertijd zijn veel inwoners van Overijssel erg aangewezen op de auto. Er lijkt nog veel ruimte te zijn voor verdere fietsstimulering en - facilitering, bijvoorbeeld door het verbeteren van de infrastructuur en voorzieningen. Ook versterken van het openbaar vervoer (met name tussen kernen/wijken) en deelmobiliteit kan hier aan bijdragen, zie voor suggesties GGD Kernwaarden Gezonde Leefomgeving (www.ggdghor.nl/thema/kernwaarden-gezonde-leefomgeving/) (GGD GHOR Nederland, 2021).

5.2 Bronbeleid Beleid bij de bron is de meest effectieve manier om de luchtkwaliteit te verbeteren. De GGD vindt bronbeleid daarom de beste keuze voor de vermindering van blootstelling en gezondheidseffecten. Denk hierbij aan het wegnemen van de bron (fiets in plaats van auto) en verminderen van de bron (snelheidsverlaging). De grootste bronnen van luchtverontreiniging in Overijssel zijn landbouw, houtstook, industrie en wegverkeer. In het Tekstvak ‘Voorbeelden van bronbeleid’ staat een aantal mogelijke bronmaatregelen genoemd. In voorgaande paragrafen is ook al veel bronbeleid genoemd. Zo komt in de paragraaf over het stikstofbeleid bronbeleid voor de landbouw aan de orde, bevat de paragraaf over houtstook een kader met bronmaatregelen, en komt in de paragraaf over klimaat de koppeling met energiebesparing in de industrie aan bod. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084248/62 Pagina 46 Het Schone Lucht Akkoord (zie paragraaf 5.3) biedt veel kennis over en ervaring met mogelijke bronmaatregelen, waaronder ook de (juridische) borging ervan. In het SLA wordt ook innovatie gefaciliteerd middels de cofinanciering van pilots. De GGD’en denken graag mee met provincie en gemeenten in de aanpak van bronnen.

5.3 Gevoelige bestemmingenbeleid In 2018 adviseerde de Gezondheidsraad naast een generieke verbetering van de luchtkwaliteit, om ook het aantal ‘hoogblootgestelden’ terug te brengen. Daarbij heeft de Gezondheidsraad in het bijzonder aandacht voor mensen die ‘hooggevoelig’ zijn (kinderen, ouderen, mensen met luchtwegproblemen). Concreet adviseren zij naast de aanpak van lokale bronnen, ook aandacht te hebben voor het zodanig inrichten van de leefomgeving dat de afstand wordt vergroot tussen voorzieningen als woningen, scholen, kinderdagverblijven en lokale bronnen van fijn stof en stikstofdioxiden (Gezondheidsraad, 2018). Naast bronbeleid adviseert de GGD daarom om lokaal extra maatregelen te nemen ter bescherming van zogenoemde hoogrisicogroepen zoals kinderen, ouderen en mensen met luchtwegproblemen. Dit om verdere gezondheidsrisico’s onder deze groep te reduceren. De GGD adviseert dit te doen door gevoelige bestemmingenbeleid: Het niet bouwen van nieuwe gevoelige bestemmingen, waaronder woningen, scholen, kinderopvang en verzorgingshuizen, nabij belangrijke bronnen, en geen nieuwe belangrijke bronnen bij bestaande woningen. Concreet richt de GGD advisering zich hierbij op drukke wegen en veehouderijen. De GGD gaat graag met gemeenten in gesprek over het vormgeven van gevoelige bestemmingenbeleid.

De Omgevingswet, en met name het Omgevingsplan, biedt ruimte om dergelijk beleid goed te borgen. Ook beschikken GGD IJsselland en GGD Twente, in aanvulling op wat in dit rapport wordt gepresenteerd, over data over wonen nabij gevoelige bestemmingen in Overijssel. Deze VOORBEELDEN VAN BRONBELEID Wegverkeer -Minder wegverkeer, o.a. door stimuleren lopen, fietsen en OV -Schoner wegverkeer, o.a. schone (binnen)stadsdistributie, milieuzones, stimuleren elektrificatie -Lagere maximumsnelheid Mobiele werktuigen (te weten bouwverkeer, bouwmachines, aggregaten, etc.) -Schonere werktuigen, o.a. door schoon aanbesteden en eisen in vergunningverlening (o.a. bij infrastructurele werken, bouw en evenementen) - Schonere eigen werktuigen, o.a. huisvuil ophalen, gemeentewerken De GGD adviseert gevoelige bestemmingen - niet direct aan drukke wegen te plaatsen en 300 meter afstand te houden tot snelwegen. De afstanden en definities zijn gebaseerd op brede wetenschappelijke consensus over het optreden van gezondheidsrisico’s nabij druk wegverkeer (RIVM, 2018). Het gaat hierbij om gezondheidsrisico’s zoals beschreven in hoofdstuk 3. Meer weten? GGD Richtlijn Luchtkwaliteit en gezondheid, 2018. - 250 meter afstand te houden tot andere veehouderijbedrijven (in geval van geitenhouderij: 2km).

De afstandscriteria voor veehouderijbedrijven zijn gebaseerd op het voorzorgbeginsel, afhankelijk van de precieze lokale situatie kan er door de GGD tot een afwijkend advies worden gekomen (RIVM, 2020). Meer weten? GGD Richtlijn Veehouderij en gezondheid, 2020. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084249/62 Pagina 47 informatie kunnen zij toepassen in de advisering. Binnen het Schone Lucht Akkoord (SLA) tenslotte, wordt ook samengewerkt aan dit thema (zie paragraaf 5.3 en Tekstvak ‘Schone lucht akkoord – werkgroepen gericht op meer generieke thema’s’). 5.4 Gezonde lucht is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid: Schone Lucht Akkoord GGD’en vinden het verbeteren van de luchtkwaliteit een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid (zie ook: www.ggdghor.nl/thema/ luchtverontreiniging). In het Schone Lucht Akkoord wordt deze gezamenlijke verantwoordelijkheid opgepakt. Het Schone Lucht Akkoord is een akkoord tussen Rijk, provincies en gemeenten. Het doel van dit akkoord is om de gezondheidsschade door luchtvervuiling te verminderen. Het streven is om gezondheidswinst te behalen door in 2030 ten opzichte van 2016 de uitstoot van binnenlandse bronnen minimaal te halveren. Samenwerking is daarvoor essentieel. In Overijssel hebben de gemeenten Hengelo en Deventer, en provincie Overijssel het Schone Lucht Akkoord ondertekend.

Op www.schoneluchtakkoord.nl/schone-lucht- akkoord/deelnemers staat het actuele overzicht van deelnemers. Figuur 16. Deelnemende provincies en gemeenten aan Schone Lucht Akkoord (stand van zaken 1 juli 2022). Bron: www.schoneluchtakkoord.nl. N.B. Ondertekening door de gemeente Zwolle had op 1 juli nog niet plaatsgevonden Door het Schone Lucht Akkoord te ondertekenen, kunnen overheden profiteren van de kennis en ervaring die op wordt gedaan in de werkgroepen. Er is budget van het Rijk voor(co)financiering van (pilot)projecten en maatregelen. Bij ondertekening committeert een deelnemer zich aan samenwerking voor gezondere lucht. Elke deelnemende partij stelt een uitvoeringsagenda op en koppelt de voortgang daarvan terug. In het Schone Lucht Akkoord wordt in een aantal themagroepen en werkgroepen gewerkt aan uitvoering van pilots, ontwikkeling van effectieve maatregelen en worden juridische mogelijkheden verkend. De GGD’en in Nederland dragen met expertise en ervaring bij aan verschillende themagroepen van het Schone Lucht Akkoord. Themagroepen zijn onder meer actief op verlaging van uitstoot door mobiele werktuigen, industrie, binnenvaart, landbouw, mobiliteit en houtstook. In het tekstvak ‘Schone Lucht Akkoord - werkgroepen gericht op reductie van emissies door specifieke bronnen’ staan enkele voorbeelden van activiteiten in deze werkgroepen.

College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084250/62 Pagina 48 Ook zijn er werkgroepen die zich buigen over participatie en gevoelige groepen en hoogst blootgestelden, zie hiervoor het tekstvak ‘Schone Lucht Akkoord – werkgroepen gericht op meer generieke thema’s’. Meer informatie over de bezigheden binnen de themagroepen kan worden nagelezen op de website van het SLA: ga naar www.schoneluchtakkoord.nl/thema/, kies vervolgens voor een themagroep naar keuze en klik dan rechts in het menu op ‘maatregelen in de uitvoeringsagenda’. Er volgt dan een actiegerichte toelichting, veelal inclusief links naar praktisch bruikbare documenten. Deelnemers aan het Schone Lucht Akkoord kunnen via de website alle documenten van de themagroepen inzien. Een deel van de informatie is ook voor niet-deelnemers beschikbaar. SCHONE LUCHT AKKOORD - WERKGROEPEN GERICHT OP REDUCTIE VAN EMISSIES DOOR SPECIFIEKE BRONNEN Mobiele werktuigen Onderzoek naar en experimenteren met aanbestedingsregels, handhaven en toezicht, informatievoorziening richting aannemers. Ontwikkeling van (juridische) voorbeeldteksten om op te nemen in aanbestedingstrajecten. Er wordt tevens gewerkt aan een subsidieregeling voor uitstootvrij bouwmateriaal. Er wordt hier een koppeling gemaakt met de doelen uit het Klimaatakkoord voor emissieloze bouwlogistiek.

Industrie Juridische mogelijkheden voor vergunningverlening zijn in beeld gebracht. Er is informatie ter ondersteuning voor vaststellen emissiegrenswaarden in vergunningen. Het doel is om uitstoot en groei verder te ontkoppelen en een continue daling van emissies te bewerkstelligen. Houtstook van particuliere huishoudens Er is voorlichtingsmateriaal ontwikkeld over houtstook. Gemeenten experimenteren in pilots met subsidieregelingen voor het weghalen of dicht maken van de schoorsteen en met de juridische en praktische mogelijkheden voor het inrichten van houtstookvrije wijken. Er is ook aandacht voor handhaving van overlastsituaties, hiervoor wordt een routewijzer ontwikkeld. Binnenvaart en havens Er is een kennisdocument opgesteld over walstroom, zero-emissie binnenhaven, aanbesteding en stimuleringsmogelijkheden. Het streven is om emissies uit de binnenvaart in 2035 met 35% te verminderen ten opzichte van 2015. Landbouw Juridische mogelijkheden voor scherper vergunnen zijn opgesteld. Praktijkkennis over luchtwassers wordt uitgewisseld. Het streven is om emissies uit de landbouw (met name veeteelt) in 2030 met 37% te verminderen ten opzichte van 2015. Mobiliteit De werkgroep mobiliteit is nog in de opstartfase. Er zijn wel veel maatregelen opgenomen in het Schone Lucht Akkoord.

Zo zet de rijksoverheid in op een verdere aanscherping van Europese emissie-eisen en verbetering van monitoring en toezicht, met name gericht op (oudere) dieselvoertuigen. Gemeenten werken onder meer aan schone stadsdistributie en OV- en fietsbeleid. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084251/62 Pagina 49 SCHONE LUCHT AKKOORD - WERKGROEPEN GERICHT OP MEER GENERIEKE THEMA’S Participatie en Citizen Science In deze werkgroep wordt overlegd hoe overheden bedrijven en burgers kunnen informeren over luchtkwaliteit en maatregelen, omdat ook bedrijven en burgers kunnen bijdragen aan verbetering van de luchtkwaliteit. Ook het meten van luchtkwaliteit door/met burgers komt in deze werkgroep aan bod. Monitoring In deze werkgroep wordt bijgehouden wat de voortgang is bij de verschillende deelnemers aan het Schone Lucht Akkoord. Er wordt daarnaast gewerkt aan diverse tools waarmee de deelnemende overheden snel een inschatting kunnen doen van de gezondheidsimpact, belangrijke bronnen, en effectiviteit van maatregelen of beleidsmogelijkheden binnen de eigen bevoegdheden. Hierbij wordt met interesse gekeken, en deels zelfs voortgebouwd, op de Gelderse rapportages over luchtkwaliteit en gezondheid van de Gelderse GGD’en.

Gevoelige groepen en hoogst blootgestelden Het Gezondheidsraadadvies omtrent het beperken van hoogblootgestelden en het beschermen van hoogrisicogroepen heeft geleid tot een werkgroep Gevoelige groepen en hoogst blootgestelden in het Schone Lucht Akkoord. Deze werkgroep kijkt onder meer naar juridische mogelijkheden voor gevoelige bestemmingen beleid. Ook kijkt de werkgroep naar een goede methode voor het vaststellen van zogenaamde ‘hotspots’, plekken met hoge concentraties luchtverontreiniging, zodat overheden extra maatregelen kunnen nemen om de concentraties op deze hotspots te verlagen. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084252/62 Pagina 50 6. Bibliografie Denissen, S. (2022). Luchtkwaliteit en gezondheid in de provincie Noord-Brabant. GGD Gezondheid, Milieu en Veiligheid Brabant. Gezondheidsraad. (2018). Gezondheidswinst door schonere lucht. Den Haag: Gezondheidsraad. https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/adviezen/2018/01/23/gezondheidswinst-door- schonere-lucht Gezondheidsraad. (2021). Risico's van ultrafijnstof in de buitenlucht. Den Haag: Gezondheidsraad. GGD GHOR Nederland. (2021). Kernwaarden Gezonde Leefomgeving. Raad voor de Volksgezondheid. (2021). Een eerlijke kans op gezond leven. RIVM. (2013). Dossier Fijn Stof, Hoofdstuk Luchtkwaliteit. Opgehaald van RIVM. RIVM. (2018). GGD Richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid.

Bilthoven: RIVM. https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2018-0016.pdf . RIVM. (2020). GGD Richtlijn Veehouderij en Gezondheid. Bilthoven: RIVM. RIVM. (2020). Monitoringsrapportage NSL 2020. Bilthoven: RIVM. https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0164.pdf RIVM. (2021). Impactvolle determinanten: Luchtkwaliteit. Bilthoven: RIVM. https://www.rivm.nl/sites/default/files/2021- 07/LR_012065_131709_Factsheet_luchtkwaliteit_V5.pdf RIVM. (2021). Monitoringsrapportage NSL 2021. Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Bilthoven: RIVM. Schijndel, M. v. (2020). Toelichting emissieraming landbouw 2020 - 2030. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. van de Weerdt, R., & Zuurbier , M. (2017). Naar een gezonde lucht in Gelderland - update 2017. Arnhem: GGD Gelderland-Midden. van de Weerdt, R., Gehring, U., & van der Zee, S. (2021). GGD Rekentool Luchtkwaliteit en Gezondheid. Arnhem: Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving. van de Weerdt, R., Zuurbier, M., Willems, J., & Dijkema, M. (2019). Luchtkwaliteit in Gelderland. Arnhem: GGD Gelderland-Midden. van de Weerdt, R., Zuurbier, M., Willems, J., & Dijkema, M. (2022). Luchtkwaliteit en Gezondheid in Gelderland - rapportage februari 2022 over de luchtkwaliteit in 2019. Arnhem: GGD Gelderland- Midden. Velders G.J.M., e. a. (2020).

Effects of European emission reduction on air quality in the Netherlands and the associated health effects. Atmospheric Environment. WHO. (2021). WHO global air quality guidelines: particulate matter (PM2.5 and PM10), ozone, nitrogen dioxide, sulfur dioxide and carbon monoxide. Geneva: World Health Organisation. https://apps.who.int/iris/bitstream/handle/10665/345329/9789240034228- eng.pdf?sequence=1&isAllowed=y Zuurbier, M., & van de Weerdt, R. (2015). Naar een gezonde lucht in Gelderland. Arnhem: GGD Gelderland-Midden. College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084253/62 Pagina 51 Bijlage 1: Onderzoeksmethode Bepalen blootstelling van de Overijsselse bevolking Luchtverontreiniging kan worden berekend en gemeten. Beide methoden kennen voor- en nadelen en onzekerheden, zoals beschreven in de GGD Richtlijn Luchtkwaliteit en Gezondheid (RIVM, 2018). Als het gaat om gezondheid in relatie tot luchtkwaliteit is het belangrijk de blootstelling van inwoners te kennen. De blootstelling van de inwoners kan berekend worden door de concentratie op de gevels van woningen te berekenen met de Aerius Lucht Rekentool in combinatie met de Monitoringtool en de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen). Met deze methode kan de bijdrage van wegverkeer op de woningen nauwkeurig worden meegenomen, indien informatie beschikbaar is over de hoeveelheid (lokaal) verkeer.

De bijdragen van industrie en veehouderij zijn iets minder nauwkeurig, want deze bijdragen worden berekend aan de hand van vergunde emissies. De uitstoot van andere bronnen als scheepvaart en houtrook is met nog meer onzekerheden omgeven. Lokale omstandigheden kunnen er bovendien voor zorgen dat de blootstelling lokaal lager of hoger is dan berekend. Door de gegevens te middelen over gemeenten en buurten wordt een betrouwbaar beeld gegeven van de jaargemiddelde blootstelling aan fijn stof en stikstofdioxide. In opdracht van de provincie Overijssel heeft het bureau LichtVerkeer berekeningen gemaakt van de jaargemiddelde blootstelling van de Overijsselse bevolking voor de jaren 2013 en 2019. Er is gebruik gemaakt van de AERIUS Lucht Rekentool en de gegevens uit de Monitoringtool versie 2020 voor het rekenjaar 2019. Echter, provincie Overijssel en de Overijsselse gemeenten zijn officieel geen deelnemer meer van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Wegbeheerders zijn daarom niet meer verplicht om de verkeersgegevens in de Monitoringtool actueel te houden. Een aantal gemeenten en de provincie doet dit nog wel, maar niet allemaal. Om de verkeersbijdrage aan de luchtkwaliteit in 2019 te berekenen voor de gemeenten waarvan geen recente verkeersgegevens beschikbaar zijn, is een correctiefactor toegepast.

Dit houdt in dat de verkeersintensiteiten per gemeente zijn opgehoogd op basis van de groei van het verkeer op de provinciale wegen binnen die gemeente. Bij een vijftal gemeenten (Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst en Zwartewaterland) zijn helemaal geen verkeersgegevens bekend, ook geen oudere gegevens. Daarom is het voor deze gemeenten niet mogelijk om verkeersintensiteiten te corrigeren met een ophoogfactor. Er is voor deze gemeenten dus geen specifieke bijdrage van de lokale wegen te berekenen. Daarom wordt de blootstelling van inwoners van deze gemeenten onderschat. Deze onderschatting geldt met name voor NO2, omdat voor NO2 de lokale verkeersbijdrage relatief groter is dan voor fijn stof. Voor het berekenen van de blootstelling voor het jaar 2013 is versie 2014 van de Monitoringtool gebruikt. Het berekenen van de verkeersbijdrage aan de concentraties op pandniveau voor het rekenjaar 2013 bleek echter niet mogelijk. Bureau LichtVerkeer heeft daarom een alternatieve werkwijze ontwikkeld om de verkeersbijdrage van de concentraties op de woningen te kunnen berekenen voor het jaar 2013, via schalingsfactoren t.o.v. het jaar 2019. De details van deze werkwijze zijn te vinden in de technische rapportage van Lichtverkeer (zie bijlage 1).

Om de blootstelling van de bevolking te berekenen is de concentratie van het component per pand gekoppeld aan het aantal personen dat op het adres woont. Voor het vaststellen van het aantal panden met woonfunctie en het aantal bewoners is gebruik gemaakt van de BAG (versie november 2020) en het CBS (1 januari 2020). Voor 2013 zijn dezelfde populatiegegevens gebruikt als voor 2019. Vervolgens zijn voor verschillende ruimtelijke schaalniveaus (provincie, gemeente, buurt) de bevolkingsgewogen College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084254/62 Pagina 52 jaargemiddelde concentraties berekend, oftewel: de blootstelling. Door de GGD is de jaargemiddelde blootstelling van de bevolking aan NO2, PM2,5 en PM10 geanalyseerd en gevisualiseerd in kaarten en tabellen. De kaarten zijn vervaardigd met het software pakket QGIS (V3.16.4). Voor de gemeente- en buurtindeling is uitgegaan van de indeling op 1 januari 2020. De categorie-indeling van de waarden (en daarmee van de labels in de legenda) is enerzijds gekozen op basis van de verdeling van de data en anderzijds op basis van “mooie grenzen”. Gezondheidseffecten van luchtverontreiniging De gezondheidseffecten die het gevolg zijn van luchtverontreiniging zijn berekend met de recente update van de GGD Rekentool Luchtverontreiniging & Gezondheid (van de Weerdt, Gehring, & van der Zee, 2021).

De rapportage over de berekeningsmethodiek, alsmede een Excel werkblad, zijn te vinden op de website van de Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving (www.awgl.nl/projecten/ggd- rekentool-luchtkwaliteit-en-gezondheid-update-2021). Met de GGD Rekentool kan voor de blootstellingsindicatoren PM10, PM2,5 en NO2 een aantal gezondheidseffecten worden berekend. In de rekentool zijn alleen gezondheidseffecten opgenomen waarvan een relatie met luchtverontreiniging causaal of waarschijnlijk causaal is. De bijdrage van luchtverontreiniging door PM10, PM2,5 en NO2 aan het gezondheidseffect wordt berekend uit de blootstelling-respons relatie en de incidentie van het gezondheidseffect in de Nederlandse populatie (op 1 januari 2020) voor de betreffende leeftijdscategorie. De uitkomst is beschreven als het aantal cases dat toegeschreven kan worden aan de blootstelling aan luchtverontreiniging (attributieve cases) en als percentage van de blootstelling aan de totale ziektelast. In Tabel 4 zijn de gezondheidseffecten met de bijbehorende blootstellingsindicatoren gegeven die in de GGD Rekentool zijn opgenomen. Tabel 4. Overzicht met welke blootstellingsindicatoren welke gezondheidseffecten worden berekend in de GGD Rekentool Luchtkwaliteit en Gezondheid.

Gezondheidseffect Leeftijdscategorie (jaren) Blootstellingsindicator Vroegtijdige sterfte 30+ PM10, PM2,5, NO2 Laag geboortegewicht 0-1 PM2,5 Incidentie astma kinderen 0-18 NO2 Afname longfunctie 0-18 NO2, PM2,5 Incidentie hartvaatziekten (totaal) 40+ NO2, PM2,5 Ziekenhuisopnames astma Alle leeftijden NO2, PM2,5 Ziekenhuisopnames COPD Alle leeftijden PM2,5 Ziekenhuisopnames ischemische hartziekten Alle leeftijden NO2 Longkanker 50+ PM2,5 Luchtverontreiniging veroorzaakt ook andere gezondheidseffecten (neurologische aandoeningen, stofwisselingsziekten en effecten op het ongeboren kind) maar die zijn (nog) niet goed te kwantificeren. Daarnaast zijn er meer schadelijke componenten in het luchtverontreinigingsmengsel aanwezig die ook invloed hebben op de gezondheid. Bij de update van de GGD Rekentool heeft een update plaatsgevonden van de zogenaamde “meerookmethode”. De meerookmethode heeft als doel om luchtverontreiniging uit te drukken in het aantal passief gerookte sigaretten per dag om daarmee in de risicocommunicatie de mate van College van burgemeester en wethouders - 15 november 2022 - 2022_B&W_0084255/62 Pagina 53 verontreiniging van de buitenlucht uit te drukken in een vergelijkbare bekende risicofactor, namelijk inhalatie van omgevingstabakrook (passief roken). De indicatoren waarop de meerookmethode is gebaseerd zijn PM2,5 en NO2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/02eb4504-cd99-4469-a198-c56304467351?agendaItemId=bc1830b3-25a8-421b-8a28-400c642f499a