CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

15.0 Schriftelijke vragen GL - Jacht op hazen en konijnen - beantwoording 20211103.pdf

Raadsvergadering 9 november 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken77.590 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 9

College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_006361/284 College van burgemeester en wethouders GOEDGEKEURD Vergadering van 2 november 2021 Beleid en Uitvoering - Samenleving en Ontwikkeling 13 2021_B&W_00636 Beantwoording raadsvragen fractie Groen Links over jacht op hazen en konijnen. Samenstelling: Aanwezig: de heer J.H. Bats, Burgemeester; de heer B. Harmsma, Wethouder; mevrouw T. Jongman, Wethouder; de heer M. Scheringa, Wethouder; mevrouw T. Bijl, Wethouder; mevrouw J.C. de Groot, Secretaris Nota van antwoord Vraag en antwoord Vraag 1: Kunt u aangeven hoeveel hazen en konijnen er in de periode van 2018 tot aan heden zijn afgeschoten, ook in het kader van schadebestrijding? Antwoord: De jaarcijfers over afschot van hazen en konijnen zijn 22066 (2018 t/m 2020). Deze informatie kunt u vinden via https://overijssel.faunabeheereenheid.com/jaarverslagen/. Vraag 2: Welke maatregelen gaat u treffen om de hazen- en konijnenpopulatie te beschermen en te vergroten? Antwoord: Het gemeentebestuur van Steenwijkerland is volgens de Wet natuurbescherming niet het bevoegd gezag om maatregelen te treffen. Dat is de provincie. Binnen Overijssel is voor de periode 2019-2024 een faunabeheerplan vastgesteld. In het faunabeheerplan wordt aangegeven voor welke soorten duurzaam beheer en schadebestrijding nodig is en voor welke soorten schadepreventie noodzakelijk is.

Ook staan hier de maatregelen in die uitgevoerd moeten worden. Daarnaast dient het faunabeheerplan als basis voor ontheffingsaanvragen en verstrekken van opdrachten en vergunningen. Het beheerplan staat in de bijlage. Vraag 3; Bent u bereid het jagen op konijnen en hazen te gaan verbieden? Antwoord: Dit is een bevoegdheid van de provincie. Vervolg N.v.t. Bijlagen 1. 20211014 - Schriftelijke vragen GL - Jacht op hazen en konijnen.pdf 2. Faunabeheerplan-2019-2024-Overijssel.pdf College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_006362/284 Schriftelijke vragen conform artikel 39 van het Reglement van Orde Aan het College van Steenwijkerland Betreft: Jachtseizoen – rode lijst hazen en konijnen Datum: 14-10 -2021 Geachte college, Zols u weet staat de haas en het konijn op de rode lijst. De rode lijst is een lijst waarop bedreigde dieren en planten staan benoemd. Op 15 oktober start het jachtseizoen en wat GroenLinks betreft is het tijd om het tij te keren en ons in te zetten voor onder andere de haas.

 Kunt u aangeven hoeveel hazen en konijnen er in de periode van 2018 tot aan heden zijn afgeschoten, ook in het kader van schadebestrijding?  Welke maatregelen gaat u treffen om de hazen- en konijnenpopulatie te beschermen en te vergroten?  Bent u bereid het jagen op konijnen en hazen te gaan verbieden? Aletta Makken GroenLinks College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_006363/284 Faunabeheerplan Overijssel 2019-2024 College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_006364/284 Faunabeheerplan Overijssel 2019-2024 Versie definitief 20190226 Opdrachtgever Stichting Faunabeheereenheid Overijssel Postbus 11 7411 SC Deventer Opdrachtnemer Eelerwoude Postbus 53 7470 AB Goor T (0547) 26 35 15 F (0547) 26 33 15 E info@eelerwoude.nl I www.eelerwoude.nl Projectgegevens: Projectnummer: P9007 Datum: 20-12-2018 Projectleider: R. Pol Opgesteld: R. Pol, M. Leenen Gecontroleerd: M. Gelink College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_006365/284 Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................ ................................ ................................ ... 1 Omschrijving faunabeheerplan ................................................................................................ 1 Stichting Faunabeheereenheid Overijssel ...............................................................................

1 Werkgebied .............................................................................................................................. 3 Ontheffingen en opdrachten .................................................................................................... 3 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4 2 Organisatie van de uitvoering ................................ ................................ ...... 5 Wet en regelgeving .................................................................................................................. 5 Actoren ..................................................................................................................................... 5 Rollen en verantwoordelijkheden ............................................................................................ 5 Wildbeheereenheden (WBE’s) ................................................................................................. 7 Professionaliteit WBE’s ........................................................................................................... 7 Communicatie en samenwerking ............................................................................................

8 Naleving ................................................................................................................................. 10 Monitoring .............................................................................................................................. 11 3 Korte omschrijving werkgebied FBE ................................ ......................... 13 Bewoningskernen .................................................................................................................. 13 Infrastructuur ........................................................................................................................ 13 Grote natuurgebieden ............................................................................................................ 14 Agrarisch grondgebruik ......................................................................................................... 15 Natura 2000-gebieden ........................................................................................................... 15 4 Beleid ................................ ................................ ................................ ....... 17 Rijksbeleid ..............................................................................................................................

17 Provinciaal beleid ................................................................................................................... 17 Uitbreiding op voorhand verleende ontheffing ...................................................................... 19 Organisatie ............................................................................................................................. 20 Het begrip ‘belangrijke schade’ ............................................................................................. 21 Preventieve middelen ............................................................................................................ 21 5 Doelstellingen ................................ ................................ ........................... 22 Algemeen ............................................................................................................................... 22 Duurzaam beheer .................................................................................................................. 22 6 Beheer en schadebestrijding ................................ ................................ .... 24 Toelichting op de uitwerking van beheer en schadebestrijding per soort ............................ 24 Uitgangspunten voor het beheer en schadebestrijding hoofdlijnen......................................

24 7 Watervogels ................................ ................................ .............................. 25 Brandgans .............................................................................................................................. 25 Grauwe gans .......................................................................................................................... 39 Kolgans .................................................................................................................................. 55 Kleine rietgans ....................................................................................................................... 69 College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_006366/284 Toendrarietgans ..................................................................................................................... 75 Rotgans .................................................................................................................................. 82 Smient .................................................................................................................................... 87 Knobbelzwaan ........................................................................................................................

95 Meerkoet .............................................................................................................................. 104 8 Grofwild ................................ ................................ ................................ .. 111 Ree (Capreolus capreolus spp capreolus) ........................................................................... 111 Edelhert (Cervus elaphus) ................................................................................................... 123 Damhert (Dama dama) ........................................................................................................ 126 Wild zwijn (Sus scorfa) ......................................................................................................... 130 9 Wildsoorten ................................ ................................ ............................ 143 Algemeen ............................................................................................................................. 143 Houtduif (Columba palumbus) ............................................................................................. 145 Konijn (Oryctolagus cuniculus) ............................................................................................

156 Haas (lepus europaeus) ....................................................................................................... 164 Wilde eend (Anas platyrhynchos) ......................................................................................... 169 Fazant (Phasianus colchicus) .............................................................................................. 178 10 Landelijke vrijstelling ................................ ................................ ........... 185 Inleiding landelijke vrijstelling ............................................................................................. 185 Zwarte kraai (Corvus corone) .............................................................................................. 187 Kauw (Corvus monedula) ..................................................................................................... 196 Vos (Vulpes vulpes) .............................................................................................................. 203 Grote Canadese gans (Branta canadensis canadensis) ...................................................... 218 11 Overige soorten ................................ ................................ .................... 226 Roek (Corvus frugilegus) .....................................................................................................

226 Spreeuw (Sturnus vulgaris) ................................................................................................. 234 12 Exoten en verwilderde dieren ................................ ............................... 240 Algemeen ............................................................................................................................. 240 Nijlgans (Alopochen aegypticus) .......................................................................................... 240 Indische gans (Anser indicus) .............................................................................................. 250 Rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis) ............................................................................ 253 Marterhond (Nyctereutes procyonoides) ............................................................................. 255 Verwilderde kat (Felis sylvestris catus) ............................................................................... 256 13 Overige soorten (schadehistorie) ................................ .......................... 258 Das (Meles meles) ............................................................................................................... 258 Kleine zwaan (Cygnus bewickii) ...........................................................................................

265 Kokmeeuw (Croicocephalus ridibundus) ............................................................................. 271 Bijlagen ................................ ................................ ................................ ........ 277 College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_006367/284 1 1. Inleiding Omschrijving faunabeheerplan In het faunabeheerplan Overijssel staat de uitvoering van het faunabeleid beschreven. De belangrijkste taak van de Faunabeheereenheid (FBE) is het beheer van populaties dieren en het voorkomen of beperken van schade die wilde dieren aanrichten aan onder andere de wettelijke belangen voor de volksgezondheid en openbare veiligheid, de vliegveiligheid, de landbouw en aan flora en fauna. Alle in het wild levende diersoorten zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Enkele diersoorten veroorzaken schade, waarbij de ene diersoort meer schade aanricht dan de andere. Naast schade aan agrarische belangen (zoals vraat en vertrapping door ganzen), speelt ook het belang van openbare veiligheid (verkeersaanrijdingen en waterkeringen) en schade aan flora- en fauna (predatie van weidevogels of korhoenders, verrijking voedselarme habitats). Om bovengenoemde schade te voorkomen en te bestrijden en soorten duurzaam te beheren zijn in de wet uitzonderingen gemaakt.

Provincies zijn bevoegd gemaakt om in het kader van schadebestrijding en beheer vrijstellingen te geven van verboden, personen aan te wijzen om bepaalde diersoorten in hun aantal te beperken en om ontheffingen te verlenen en opdrachten te verstrekken om actief in te grijpen om een populatie te beperken. Dit is mogelijk onder voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op de voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan de huidige staat van instandhouding van de soort. In het faunabeheerplan wordt aangegeven voor welke soorten duurzaam beheer en schadebestrijding nodig is en voor welke soorten schadepreventie noodzakelijk is. Ook staan hier de maatregelen in die uitgevoerd moeten worden. Daarnaast dient het faunabeheerplan als basis voor ontheffingsaanvragen en verstrekken van opdrachten en vergunningen. Voorbeelden van maatregelen die in het faunabeheerplan worden genoemd zijn preventieve maatregelen zoals hekken of vlaggen plaatsen en verjaging door mens en hond en daarnaast is afschot van aantallen dieren een uiterst middel. Deze maatregelen zijn opgesteld op basis van jarenlange monitoring van schadeveroorzakende diersoorten en door de monitoring van het aantal schades per diersoort. In dit faunabeheerplan wordt per diersoort ingegaan op deze monitoringsgegevens.

Stichting Faunabeheereenheid Overijssel Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben bij besluit van 6 januari 2004, kenmerk LNL/2003/1566, de stichting Faunabeheereenheid Overijssel erkend als samenwerkingsverband van jachthouders voor het hele grondgebied van Overijssel. De taken en verantwoordelijkheden van de College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_006368/284 2 faunabeheereenheid staan vermeld in het artikel 3.12 van de Wet natuurbescherming en Provinciale omgevingsverordening. De Stichting Faunabeheereenheid Overijssel bestaat uit een bestuur met een afgevaardigde namens: 1. Particulier grondbezit: • Overijssels Particulier Grondbezit (OPG) 2. Land- en Tuinbouw Organisatie Noord (LTO Noord), in overleg met: • Nederlandse Vakverbond van Varkenshouders (NVV) • Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV) 3. Terrein beherende organisaties (TBO’s): • Landschap Overijssel (LO) • Staatsbosbeheer Overijssel (SBB) • Vereniging Natuurmonumenten (NM) 4. Maatschappelijke organisaties: • Natuur en Milieu Overijssel (NMO) 5.

Jachthouders met een jachtakte uit het werkgebied van de faunabeheereenheid Overijssel, de besturen van de WBE in de provincie Overijssel zelfstandig en afzonderlijk, in overleg met: • Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging (KNJV) • Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer (NOJG) • Vereniging Het Reewild (VHR) De voorzitter van het bestuur van de faunabeheereenheid is onafhankelijk en niet verbonden aan één van de voornoemde organisaties. De faunabeheereenheid neemt een sleutelpositie in bij de voorbereiding en uitvoering van planmatig, duurzaam faunabeheer in de provincie Overijssel. Deze draagt hierdoor in hoge mate bij aan het behoud en de ontwikkeling van een gezonde en diverse faunastand. Daarbij draagt de faunabeheereenheid zorg voor een gedegen afweging van belangen van de participerende partijen in een gezamenlijk faunabeheerplan voor de toekomst. De Overijsselse WBE’s zijn daarnaast de spil in de feitelijke uitvoering van het plan waarbij duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. Dit conform artikel 3.14 lid 1 van de Wet Natuurbescherming.

College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_006369/284 3 Werkgebied Het werkgebied waarop dit plan betrekking heeft is de gehele provincie Overijssel. Het werkgebied van de faunabeheereenheid is gebied dekkend en onderverdeeld in WBE’s, die uitvoering geven aan faunabeheer (zie bijlage 1). In het werkgebied van de faunabeheereenheid bevindt zich grondgebied van een aantal organisaties die niet zijn aangesloten bij de faunabeheereenheid. In hoofdzaak zijn dit gebieden van provincie, waterschappen, gemeenten (woonkernen), Nederlandse Spoorwegen/ProRail, Domeinen/ Rijkswaterstaat en nutsbedrijven. Deze organisaties vallen wel onder de werking en regelgeving van dit faunabeheerplan. De faunabeheereenheid maakt met deze organisaties afspraken voor uitvoering van het faunabeheer op WBE’s-niveau. Dit wordt naast het faunabeheerplan in afspraken nader uitgewerkt. Een uitzondering hierop is vliegveld Twente dat nog niet onder de werking van dit faunabeheerplan valt. De faunabeheereenheid zal met vliegveld Twente afstemming zoeken voor de uitvoering van het faunabeheer en staat voor om vliegveld Twente op te nemen als werkgebied van de WBE Lonneker Losser. Binnen de begrenzing van de werkgebieden van de WBE’s vallen ook de gemeenten.

Hierdoor is het voor gemeentebesturen mogelijk de uitvoering van maatregelen voor schadebestrijding te doen uitvoeren door de WBE’s waarbinnen de gemeente ressorteert. Het faunabeheerplan geldt voor de periode 1 september 2019 tot en met 31 augustus 2024. Gezien de stand en het ontwikkelen van inzicht kan het gewenst zijn het plan tussentijds aan te passen. Ontheffingen en opdrachten Voordat een ontheffing of opdracht aan de faunabeheereenheid kan worden afgegeven ex artikel 3.17 en 3.18 van de Wet natuurbescherming, moet worden voldaan aan een aantal eisen die gesteld zijn in de Wet natuurbescherming. Een van de eisen is dat er een faunabeheerplan moet zijn. Dit is, zoals hieronder weergegeven, vastgelegd in artikel 3.12 lid 1van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.12 van de Wet natuurbescherming geeft de volgende regels aan ten aanzien van het faunabeheerplan: • Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de faunabeheereenheid werkzaam is. Ingeval een gezamenlijk faunabeheerplan is vastgesteld door faunabeheereenheden in verschillende provincies, geschiedt de goedkeuring door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het leefgebied van de soort grotendeels is gelegen, in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het leefgebied mede is gelegen.

Een goedgekeurd faunabeheerplan wordt openbaar gemaakt door de betreffende faunabeheereenheid. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063610/284 4 • Provinciale Staten stellen per verordening regels op waaraan de faunabeheereenheid en het faunabeheerplan moeten voldoen. De regels hebben betrekking op: o De omvang en begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid. o De aard, de omvang en de noodzaak van de te verrichten handelingen waarvoor een ontheffing wordt verleend of opdracht wordt verleend. o De wijze waarop en de periode waarin, die handelingen worden verricht. o De vertegenwoordiging van maatschappelijk organisaties in het bestuur van de faunabeheereenheid. Daarnaast bevat de Provinciale omgevingsverordening regels ten aanzien van het faunabeheerplan. De FBE kan bij de ontheffingsaanvraag verzoeken om nadere voorschriften verbonden aan de ontheffing. Tevens kan de FBE nadere voorschriften verbinden aan de machtiging tot het gebruik van de ontheffing. Bijvoorbeeld dat de FBE het gebruik van de ontheffing op zon- en feestdagen niet toe staat en/of het aantal jachtaktehouders wat gebruik mag maken van de ontheffing voor bepaalde soorten is beperkt in relatie tot de oppervlakte van het werkgebied van de WBE. Het laatste is met name van toepassing bij het gebruik van de ontheffing vos en knobbelzwaan.

De ontheffingen, aanwijzingen en opdrachten die verleend zijn, zijn of voor het werkgebied van de gehele provincie verleend of per individueel werkgebied van een WBE. Ook na een fusie van twee of meer WBE’s blijft beheer en schadebestrijding nog steeds mogelijk, in het werkgebied van de WBE zoals die toegestaan was ten tijde van het genomen besluit. Leeswijzer In dit plan wordt het faunabeheer in het werkgebied van de faunabeheereenheid beschreven. Ten grondslag aan dit faunabeheerplan liggen de volgende documenten: • Wet natuurbescherming en bijbehorende Besluiten en Regelingen; • Faunabeheerplan 2014-2019; • Aanvullend Faunabeheerplan paragraaf wildsoorten (jacht); • Aanvullend Faunabeheerplan paragraaf vrijgestelde soorten; • Kader Faunabeheerplan 2019-2024; • Evaluatie Faunabeheerplan Overijssel; • POV. De ervaringen met de uitvoering van het Faunabeheerplan 2014-2019 zijn meegenomen in het nieuwe faunabeheerplan. Deze zijn in de evaluatie beschreven en meegenomen in het kader Faunabeheerplan 2019-2024. In dit kader is de opbouw opgesteld en zijn de aandachtspunten beschreven. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063611/284 5 2 Organisatie van de uitvoering Wet en regelgeving In de Wet natuurbescherming (art. 3.12 Wnb) en de provinciale omgevingsverordening Overijssel (hoofdstuk 7 POV) is vastgelegd waar het faunabeheerplan aan moet voldoen.

Voor de uiteindelijke goedkeuring door GS van Overijssel dient het Faunabeheerplan te voldoen aan het Kader Faunabeheerplan 2019 – 2024. Actoren 2.2.1 Provincie Overijssel De provincie bepaalt het beleid binnen de landelijke kaders, gehoord alle belanghebbenden, waaronder de stakeholders (zie hieronder). Om te zorgen dat het beleid uitvoerbaar is, pleegt de provincie ook overleg met het bestuur van de Stichting Faunabeheereenheid Overijssel (FBE). 2.2.2 Stakeholders Met stakeholders bedoelen we de organisaties van belanghebbenden bij populatiebeheer, schadebestrijding en jacht die oprichter zijn van de FBE, of later daarin zijn toegetreden. Deze organisaties zijn enerzijds betrokken bij het bepalen van het beleid van de provincie en dragen anderzijds verantwoordelijkheid voor het functioneren van de FBE. Zij dragen in bepaalde combinaties een bestuurslid voor in de FBE. 2.2.3 Faunabeheereenheid (FBE) De FBE is een samenwerkingsverband waarin jachthouders zijn vertegenwoordigd. Ook is een “maatschappelijke organisatie die het doel behartigt van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren” in de FBE vertegenwoordigd. De FBE voert, onder leiding van een onafhankelijke voorzitter, het vastgestelde provinciale faunabeleid uit.

De manier waarop de FBE dat doet, legt het vast in het faunabeheerplan en legt daarover jaarlijks verantwoording af met behulp van het jaarverslag. Elk bestuurslid van de FBE dient het gezamenlijke belang van alle stakeholders, en niet het eigen belang van zijn of haar stakeholder (‘collegiaal bestuur’). Het faunabeheerplan bevat de gemeenschappelijke aanpak en overbrugt zoveel als mogelijk is de belangentegenstellingen over de uitvoering. Rollen en verantwoordelijkheden De afgelopen jaren zijn er door de provincie gesprekken gevoerd met de stakeholders van de FBE en de FBE over een meer professionele samenwerking. Het opgestelde kader faunabeheerplan 2019- 2024 is één van de resultaten van de gesprekken. Afgesproken is dat de resultaten ook worden verankerd in het faunabeheerplan. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verhouding tussen provincie en stakeholders, de verhouding tussen stakeholders en de FBE en de verhouding tussen de provincie en de FBE. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063612/284 6 2.3.1 Verhouding provincie - stakeholders Aangesloten leden of organisaties van de stakeholders hebben belang bij het voorkomen, beperken of bestrijden van schade en het duurzaam beheren van populaties van in het wild levende dieren waarbij rekening wordt gehouden wordt met de specifieke kenmerken van het gebied.

Hierbij kan er sprake zijn van tegengestelde belangen en uitgangspunten. Leden van aangesloten organisaties of stakeholders kunnen als professional maar ook als vrijwilliger betrokken zijn bij beheer, schadebestrijding en jacht. De stakeholders hebben dan ook een eigen belang bij de inhoud van het provinciale beleid. De provincie betrekt ze dan ook bij het vaststellen daarvan. Hoewel de stakeholders ook belang hebben bij de uitvoering, heeft de provincie daarover geen overleg met de stakeholders, maar wel met de FBE. De provincie zal de stakeholders aanspreken op het functioneren van de FBE, waarvoor zij samen verantwoordelijkheid dragen. 2.3.2 Verhouding stakeholders – bestuursleden FBE Zowel de stakeholders als de FBE hebben belang bij adequate uitvoering van het faunabeleid. Het beleid van de provincie gaat niet zover, dat de uitvoering daarvan is ‘dichtgeregeld’. De stakeholders staan dichter bij de praktijk van de uitvoering en zijn toegerust om daaraan invulling te geven. Zij hebben daartoe een faunabeheereenheid opgericht, die in de wet is erkend. De uitvoering van het beleid heeft de provincie opgedragen aan de FBE. De grondgebruikers (inclusief TBO’s) en de WBE’s met hun leden zijn daarbij onmisbaar. De provincie heeft zich bereid verklaard de werkzaamheden van de FBE te subsidiëren.

De stakeholders doen een (meestal) bindende voordracht voor de bestuursleden van de FBE. Bestuursleden handelen in hun functie zonder last en ruggenspraak met de rechtsperso(o)n(en)/ organisatie(s) door welke zij zijn voorgedragen. De FBE is wettelijk verplicht een faunabeheerplan vast te stellen. Het is van belang dat het faunabeheerplan uitvoerbaar is met een zo breed mogelijk draagvlak. 2.3.3 Verhouding provincie – bestuur FBE De provincie stelt het beleid vast, de FBE draagt zorg voor de uitvoering van het beleid. Deze relatie is in wet- en regelgeving vastgelegd. Om het opstellen en goedkeuren van het faunabeheerplan soepel te laten verlopen, heeft de provincie de criteria voor de goedkeuring vastgelegd in het kader faunabeheerplan 2019-2024. Daarin is veel geregeld, maar veel ook nog niet. Dat laatste is de vrije ruimte waarin de FBE zijn afwegingen en keuzes kan maken voor een adequate uitvoeringspraktijk. De provincie verwacht van de FBE professionaliteit. Dat betekent, dat de FBE staat voor de kwaliteit van zijn besluiten en werkzaamheden, alsmede de mate waarin het de stakeholders kan binden aan zijn besluiten (wat betreft de uitvoeringspraktijk). Punt van aandacht is in hoeverre de grondgebruikers zelfverantwoordelijkheid nemen voor het voorkómen, beperken, bestrijden en melden van schade. Als zij die taak uitbesteden zullen zij daarover afspraken moeten maken.

Het is niet mogelijk om individuele grondgebruikers te binden aan het faunabeheerplan dan wel hen te verplichten het faunabeheerplan uit te voeren. Elke grondeigenaar/grondgebruiker bepaalt de feitelijke uitvoering zelf. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063613/284 7 Wildbeheereenheden (WBE’s) WBE’s zijn organisaties van vrijwilligers (‘jagers’). De wet (art. 3.14 Wnb) verplicht jachthouders met een jachtakte zich te organiseren in een WBE. De wet geeft de WBE’s vervolgens ook taken: a) uitvoeren van het faunabeheerplan en b) bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. Die grondgebruikers of terreinbeheerders kunnen ook zelf lid worden van een WBE, maar zijn dat niet verplicht. De WBE’s staan niet in een hiërarchische relatie met de FBE of de provincie, maar zijn wel cruciaal voor de uitvoering van het faunabeheerplan. Door het faunabeheerplan goed te keuren bindt de provincie de WBE’s indirect aan de uitvoering daarvan. Het is daarom van belang aandacht te geven aan de voorwaarden die de WBE’s in staat stellen goed te functioneren.

Door middel van twee formele bijeenkomsten, te weten 28 januari 2019 te Staphorst en 29 januari 2019 te Markelo, zijn de besturen van de WBE’s door de FBE gehoord (art. 3,12 lid 6 Wnb). De FBE heeft de verkregen input schriftelijk vastgelegd. De input van de WBE’s had o.a. betrekking op het faunabeleid, op de inhoud van het faunabeheerplan en op de uitvoering, met name de samenwerking met grondgebruikers. Een deel van de input heeft geleid tot aanpassing van het concept faunabeheerplan. Van de WBE’s wordt verlangd dat ze gegevens verschaffen over trendtellingen van diersoorten, registratie van afschot en van dood gevonden dieren. Samenwerken met lokale vrijwilligersorganisaties in het gebied van de WBE kan op dit punt – maar ook meer in het algemeen - meerwaarde hebben. Het samenwerken binnen een vereniging vraagt een actief bestuur en betrokken leden. Die betrokkenheid moet onder andere blijken uit het werken overeenkomstig het faunabeheerplan. De Provinciale Omgevingsverordening) (POV) voorziet in de mogelijkheid dat het lidmaatschap van de WBE door het bestuur van de WBE kan worden opgezegd wanneer het lid niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de WBE, gehoord de FBE.

Professionaliteit WBE’s In de afgelopen planperiode is op initiatief van de FBE een traject van voorlichting en ondersteuning gestart met als doel de WBE’s beter te informeren en verder te professionaliseren. Vanuit dit traject is een werkgroep - bestaande uit een afvaardiging van bestuursleden WBE’s - gestart met het thema “professionaliteit WBE”. Deze werkgroep werkt een voorstel uit om verdere professionalisering binnen WBE’s te stimuleren. Uitgangspunt hierbij is dat initiatieven vanuit de eigen gelederen meer stimuleren en beter gedragen worden dan regels die opgelegd worden. Teneinde het hoofd te kunnen bieden aan de administratieve lastendruk, de kosten die daarmee gepaard gaan en aan het geringe aanbod van nieuwe en goede bestuurders, worden de WBE’s gestimuleerd om meer met elkaar samen te werken of zelfs over te gaan tot schaalvergroting d.m.v. fusies. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063614/284 8 Hiervoor ontwikkelt de FBE in samenwerking met de WBE’s een pakket stimuleringsmaatregelen. Van belang hierbij is de notie dat aan een vereniging van vrijwilligers (lees de WBE) door de wetgever (art. 3.14 Wnb) verplichtingen zijn opgelegd ten dienste van grondgebruikers of TBO’s.

Communicatie en samenwerking Voor een adequate uitvoering van het faunabeheerplan is een professionele communicatie en samenwerking tussen betrokken partijen randvoorwaarde. 2.6.1 Communicatie Bestuursleden van de FBE zijn afgevaardigd vanuit de volgende stakeholders: Overijssels particulier grondbezit (OPG), terrein beherende organisaties (TBO’s; zijnde de Stichting Landschap Overijssel, Staatsbosbeheer en de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten), agrarische sector (LTO i.o.m. vereniging melkveehouderij vakbond en vereniging varkenshouderij vakbond), de jachthouders met een jachtakte (WBE’s i.o.m. KJV, NOJG en VhR), maatschappelijke organisatie (Natuur en Milieu Overijssel; NMO). De FBE neemt besluiten t.b.v. de uitvoering van het faunabeheerplan. De bestuursleden hebben zitting zonder last en ruggespraak met hun achterban. Dat wil geenszins zeggen dat de bestuursleden geen contact met hun achterban hebben. Periodiek overleg met hun achterban/leden wordt als vanzelfsprekend gezien. De grondeigenaren/grondgebruikers (incl. TBO’s) zijn voor wat betreft hun gronden en terreinen de regisseur en hebben wettelijk de bevoegdheid te bepalen op welke wijze faunabeheer in het algemeen en schadebestrijding in het bijzonder op hun gronden en terreinen vorm krijgt. Voor gebieden met een landbouwfunctie kan dit daardoor anders zijn dan voor gebieden met een natuurfunctie.

De grondeigenaren /grondgebruikers (incl. TBO’s) zijn echter ook de probleemhebber als het gaat om het voorkómen, beperken en bestrijden van schade veroorzaakt door in het faunabeheerplan beschreven in het wild levende, beschermde diersoorten. Dit vraagt dan ook de nodige afstemming en samenwerking met de overige grondgebruikers en WBE’s met respect voor ieders specifieke doelen en omstandigheden. De besturen WBE zijn met hun leden (jacht(akte)houders), de feitelijke uitvoerders van het faunabeheerplan. Het uitvoeren van het faunabeheerplan doen zij als wettelijke taak, in samenwerking met én ten dienste van grondgebruikers of TBO’s. Hiertoe overleggen de partijen (WBE’s, grondgebruikers en TBO’s) periodiek met elkaar en stemmen zij de noodzakelijk te nemen acties met elkaar af. De besturen WBE en hun leden dienen op de hoogte te zijn van de uitvoering van het faunabeheerplan en de jongste ontwikkelingen die hierop betrekking hebben. Onder coördinatie van de WBE tellen haar leden o.a. de wildsoorten, de landelijke vrijgestelde soorten en de ontheffingssoorten, registreren het afschot en is inzicht in het welzijn (ziekte) van de soorten. Op WBE niveau is inzicht in de gewasschade veroorzaakt door de diverse soorten en in de aanrijdingen met reeën en wilde zwijnen opvraagbaar bij de FBE.

Individuele jachthouders hebben door contact met de grondgebruikers ook zicht op de inzet en de werking van de preventieve middelen/maatregelen om schade te voorkomen/beperken. Belangrijk is dat binnen de WBE’s College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063615/284 9 periodiek besproken wordt wat de effecten van jacht, beheer en schadebestrijding zijn op de soorten en de ontwikkeling van de schade veroorzaakt door die soorten. Op deze wijze krijgen de WBE’s en haar leden een adequaat beeld van wat er in het veld speelt en wat de effecten van jacht, beheer en schadebestrijding in hun samenhang zijn. Door het beleggen van (regionale) bijeenkomsten tussen FBE, WBE’s en grondgebruikers (inclusief TBO’s) wordt de communicatie en de samenwerking tussen FBE en WBE’s, tussen WBE’s onderling en tussen WBE’s, grondgebruikers en TBO’s bevorderd. Door het houden van regionale bijeenkomsten komt meer focus op de regionale knelpunten en wordt voorkomen dat deelnemers uit een andere regio geconfronteerd worden met voor hen niet herkenbare knelpunten. Het betrekken van de grondgebruikers en TBO’s bij de regionale bijeenkomsten levert voor de uitvoerende partijen meer kennis op over en aandacht voor de rol en positie van de grondgebruiker en de TBO’s.

Bovendien geeft het inzicht in de specifieke kenmerken van het gebied welke van belang zijn voor een adequate uitvoering van het beheer en het voorkomen, beperken en bestrijden van schade aan in de wet genoemde belangen. Ten behoeve van de uitvoering van het faunabeheerplan ondersteunt de FBE haar bestuursleden bij informatieoverdracht richting de achterban en bij bijeenkomsten van stakeholders onderling. Waar nodig faciliteert de FBE deze bijeenkomsten. Het is belangrijk dat de ambtelijke organisatie van de provincie en de FBE op de hoogte zijn van de actuele ontwikkelingen, mogelijkheden en belemmeringen voor wat betreft de uitvoering van het faunabeheerplan. Hiertoe worden, voorafgaand aan de reguliere vergaderingen van het FBE- bestuur, tussen de ambtelijke organisatie en de FBE-organisatie zgn. vooroverleggen gehouden. Aanvullend hebben in dit kader de verantwoordelijk gedeputeerde en de voorzitter FBE halfjaarlijks of zo veel vaker als nodig een overleg. De FBE is gehouden jaarlijks verslag uit te brengen aan gedeputeerde staten (GS) over de uitvoering van het faunabeheerplan. Dit jaarverslag wordt gepubliceerd op de website van de FBE. Op deze website worden voorts verder van belang zijnde nieuwsberichten gepubliceerd.

Personen, niet zijnde afgevaardigden van stakeholders of hun leden, die vragen stellen over het faunabeleid en/of de uitvoering van het faunabeheerplan worden doorverwezen naar de afdeling communicatie van de provincie. 2.6.2 Samenwerking Teneinde te komen tot nadere afstemming en organisatie van een gedragen uitvoering van het faunabeheerplan m.b.t. o.a. ganzen in de natuurterreinen is door de WBE’s, TBO’s en LTO in aanwezigheid van de FBE op 20-11-2018 te Staphorst (zie bijlage 13) besproken en besloten dat de schadebestrijding veroorzaakt door overwinterende ganzen op de huidige beperkte schaal zal worden voortgezet en dat m.n. de populatie overzomerende grauwe ganzen wordt teruggebracht College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063616/284 10 naar de aantallen van 2005 (Sovon-16) en begint met preventie d.m.v. nestbehandeling (legselbeperking). Overeengekomen is dat partijen “veldafspraken” maken over de concrete uitvoering hiervan, reeds te beginnen in het voorjaar 2019, in de gebieden waar de stand ganzen het meest broeden. Afgesproken is, dat het een gezamenlijke aanpak vraagt van TBO’s, WBE’s en overige grondgebruikers. De veldafspraken, die uitgeschreven worden in een gebiedsplan, bevatten een overzicht van de noodzakelijke maatregelen en de praktische invulling daarvan: “wie gaat waar, wanneer en hoe aan de slag met de uitvoering”.

Per gebiedsplan wordt jaarlijks verslag gedaan van de uitgevoerde maatregelen, de ontwikkeling van de schade, de aantallen zomerganzen en de aantallen ganzen die geschoten zijn (per soort en per maand). Deze informatie dient als input voor een opvolgend “gebiedsplan”. De gemaakte afspraak tussen grondgebruikers, TBO’s en WBE’s beschouwt de FBE als opmaat voor nadere afspraken en samenwerking m.b.t. de invulling en het uitvoering geven aan het faunabeheerplan. Te denken valt aan nadere afspraken en samenwerking bij knelpunten bij de uitvoering van het faunabeheerplan met betrekking tot het terugdringen van schade veroorzaakt door winterganzen, het terugdringen van de predatiedruk veroorzaakt door o.a. vos en kraai ten behoeve van de bescherming van weide- en akkervogels en het beheer van reeën in het kader van de verkeersveiligheid. Voor wat betreft de opstartfase van “veldafspraken” (gebiedsplannen) initieert en faciliteert de FBE de opstartfase, teneinde de uitvoerende partijen (grondgebruikers, TBO’s en WBE’s) nader bij elkaar te brengen. Naleving De provincie verleent ontheffingen op aanvraag aan de FBE. De FBE kan de WBE’s machtigen om daar gebruik van te maken. De WBE kan op haar beurt individuele jacht(akte)houders daartoe machtigen. Aan het gebruik van de ontheffingen kan de provincie voorschriften verbinden.

De provincie wil de naleving van de ontheffingen en de daarin opgenomen voorschriften bevorderen. Dat wordt gedaan door: • Ervoor te zorgen dat het doel van het beleid brede bekendheid krijgt; • Het beleid en instrumentarium vooraf te toetsen op uitvoerbaarheid; • De regels en voorwaarden, en de consequenties van niet naleving, vooraf bekend te maken; • Betrokkenen aan te spreken op hun gedrag. Daadwerkelijke handhaving en het opleggen van sancties wordt door de provincie beschouwd als sluitstuk. De FBE is als houder van de ontheffing verantwoordelijk voor het gebruik van de ontheffing en de naleving van de in de ontheffing opgenomen voorschriften. Dat blijft zo ook als de FBE anderen College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063617/284 11 machtigt van een ontheffing gebruik te maken. De provincie trekt samen met de FBE op om de naleving van de voorschriften door WBE’s en hun leden te bevorderen. Daarmee wordt ondersteund, dat de doelen van het faunabeheerplan op een adequate wijze worden behaald en het uiterste middel, het intrekken van een ontheffing of machtiging tot gebruik van de ontheffing, niet hoeft te worden toegepast.

In de halfjaarlijkse bijeenkomsten tussen FBE en WBE’s en de overige contacten met de WBE’s, bijvoorbeeld tijdens de algemene ledenvergaderingen zal door de FBE gewezen worden op de noodzaak om gemeenschappelijk toe te zien op het nakomen van de voorschriften gesteld in de verleende machtigingen tot gebruik van de ontheffing. Daarnaast zal de FBE bij de periodieke monitoring van de data, opgenomen in de applicatie voor registratie, toezien op het juist en tijdig registreren van de tellingen en het afschot. Bij de constatering van een tekortkoming deelt de FBE dit met het bestuur van de WBE en overlegt over de te nemen stappen/maatregel. Als een WBE of een van haar leden handelt in strijd met het faunabeheerplan of de verleende ontheffingen kan dat leiden tot een besluit van de provincie of de FBE om de betrokken WBE of het betrokken lid uit te sluiten van verder gebruik van de machtiging tot gebruik van de ontheffing. Monitoring In het eindrapport Evaluatie Faunabeheer Overijssel (Berenschot 13-02-2018) wordt aanbevolen om in de komende faunabeheerplanperiode (voldoende) aandacht te schenken aan monitoring van het faunabeleid en de uitvoering van het faunabeleid. Om trends te kunnen vaststellen, en verbanden te kunnen aantonen zijn jaarlijkse gegevens noodzakelijk. In de evaluatie van de afgelopen planperiode kwam het belang hiervan duidelijk naar voren.

In het evaluatierapport is vermeld dat beleids- en uitvoeringscyclus nog niet optimaal op elkaar aansluiten. De provinciale beleidscyclus wordt gevoed met data en bevindingen uit de praktijk zodat de uitvoeringspraktijk op grond van actuele (bijgestelde) kaders snel kan inspelen op de actuele ontwikkelingen rond bijvoorbeeld nieuwe diersoorten of schade-ontwikkelingen. Deze actuele ontwikkelingen kunnen leiden tot aanpassing van verleende ontheffingen of aanvraag van nieuwe ontheffingen. Het verkrijgen, analyseren en presenteren van gegevens is van groot belang voor de uitvoering van planmatig faunabeheer. Het is, behalve een wettelijke plicht, noodzakelijk voor: • inhoudelijk en juridisch onderbouwen van vrijstellingen, ontheffingen en opdrachten; • controleren en evalueren van de ingezette maatregelen (bijv. hand aan de kraan); • signaleren van ontwikkelingen; • bijstellen van doelen. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063618/284 12 De FBE ontwikkelt in samenwerking met de provincie en BIJ12 een monitoringsplan.

Onderdeel van het monitoringsplan is het opzetten van een jaarlijkse informatie- en monitoringcyclus (zie figuur 1) waarmee het beleid en beheer periodiek en tussentijds gevoed wordt met informatie om: • de voortgang van de uitvoering van het beleid te monitoren; • actuele ontwikkelingen snel in beeld te krijgen; • meer zicht te krijgen op de effectiviteit van maatregelen; • relatief eenvoudig in tussentijdse informatiebehoeften te voorzien. Figuur 1. Jaarlijkse informatie- en monitoringcyclus In het jaarverslag van de FBE worden de uitkomsten van de monitoring opgenomen. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063619/284 13 3 Korte omschrijving werkgebied FBE Bewoningskernen 3.1.1 Steden en dorpen Kenmerkend aan de kernen in Overijssel is de grote concentratie steden in de zuidoosthoek van de provincie. Hier vormen de steden Almelo, Hengelo, Borne, Enschede en Oldenzaal een dicht bebouwd gebied (stadsgewest). Enkele grote steden in de overige delen van Overijssel zijn Zwolle (provinciale hoofdstad), Kampen en Deventer, die vlak tegen de grens met Gelderland aanliggen, en Steenwijk in het noorden van de provincie.

Infrastructuur 3.2.1 Rijkswegen De belangrijkste rijkswegen die de provincie Overijssel doorsnijden zijn: • A28: Zwolle – Amersfoort; • A1: Deventer – Duitse grens; • A50: Arnhem – Zwolle; • A35: Almelo – Enschede; • A32: Staphorst – Heerenveen. Met name de A1 vormt een belangrijke verkeersader met een hoge verkeersintensiteit. 3.2.2 Provinciale en gemeentelijke wegen In Overijssel bevindt zich een uitgebreid netwerk van provinciale wegen. Vooral in het oostelijk deel van de provincie in het gebied tussen Rijssen – Tubbergen – Denekamp – Haaksbergen komt een hoge dichtheid aan wegen voor. Het midden van de provincie (Deventer – Zwolle – Hardenberg – Rijssen) telt maar enkele provinciale wegen die de grotere kernen met elkaar verbinden. Het Noordelijke deel van Overijssel telt een gemiddelde dichtheid van provinciale wegen die voornamelijk aansluiten op de aangrenzende provincies (Drenthe, Friesland en Gelderland). Uiteraard liggen er naast Rijks- en provinciale wegen ook veel gemeentelijke wegen in het werkgebied van de faunabeheereenheid. 3.2.3 Waterwegen De belangrijkste waterwegen in Overijssel zijn het Twentekanaal (Enschede – Zutphen en zijtak Almelo) en het Overijssels kanaal (Zwolle – Vroomshoop – Almelo). Laatstgenoemd kanaal bevat meerdere aftakkingen, onder andere in zuidelijke richting naar Deventer, en in noordelijke richting naar Gramsbergen.

Deze zijtak wordt ook kanaal Almelo – De Haandrik genoemd. Verder zijn het Meppelerdiep, de Vecht (Ommen monding) en het Zwarte Water als natte infrastructuur te noemen. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063620/284 14 3.2.4 Overige wateren Naast de hierboven genoemde waterwegen die van belang zijn voor de scheepvaart, al dan niet recreatief, zijn er ook een aantal wateren te duiden die van belang zijn voor natuur, waterbeheer en de landbouw. De belangrijkste in deze zijn de Reest, Overijsselse vecht, Dinkel, IJssel, Regge en het Zwarte Water. 3.2.5 Spoorwegen De provincie wordt doorsneden door een aantal treinsporen zoals blijkt uit figuur 2. Figuur 2. Spoorwegnetwerk in provincie Overijssel (bron: www.ns.nl, spoorboekje 2018) Grote natuurgebieden De grote natuurgebieden in Overijssel zijn als volgt te typeren: Hoogveenrestanten De hoogveenrestanten zijn na de grootschalige veenafgravingen van de 19e eeuw gespaard gebleven. Zij komen in de oostelijke helft van de provincie voor. Voorbeelden van dergelijk hoogveenrestanten zijn het Haaksbergerveen, het Witteveen, de Engbertsdijksvenen, het Wierdense Veld en het Aamsveen. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063621/284 15 Laagveengebieden Door het afgraven van het laagveen in het noordwesten van Overijssel zijn grote complexen van petgaten en legakkers ontstaan.

Hier bevinden zich tegenwoordig grote natte natuurgebieden. De gebieden de Weerribben, de Wieden en de Olde Maten In Noord West Overijssel zijn de belangrijkste representanten van dit type natuurgebied. Bos- en heidegebied In Overijssel komen veel natuurgebieden voor die uit droge bos- en heidegebieden bestaan. Deze zijn vooral te vinden op de grote stuwwallen, zoals de Sallandse Heuvelrug, de Lemelerberg en het stuwwalcomplex van Ootmarsum. Agrarisch grondgebruik Zowel de lage natte polders en laagveenontginningen als op de overige drogere gronden van Overijssel is de melkveehouderij de grootste agrarische tak. De varkens- en pluimveehouderij komen meer in de oostelijke helft van de provincie voor. In heel Overijssel wordt veel snij- en korrelmaïs ten behoeve van de veehouderij verbouwd. In de regio Hardenberg en Steenwijk komen concentraties van pure akkerbouw voor de belangrijkste gewassen zijn aardappelen, suikerbieten, granen en in toenemende mate bloembollen. Naast de gangbare akkerbouw komen ook tuinbouw, boomteelt, fruitteelt en vollegrondsgroenteteelt steeds meer voor. Voor de groenteteelt is dat de regio Kampen en voor de boomteelt de regio Twente. Natura 2000-gebieden Nederland kent circa 160 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn.

Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Voor een omschrijving en de geldende doelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied wordt verwezen naar de site van het Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/). In bijlage 2 is de ligging weergegeven van de Natura 2000-gebieden in de provincie Overijssel. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063622/284 16 In de provincie Overijssel zijn 24 gebieden begrensd als Natura 2000-gebied.

Natura 2000-gebied Vogel- en/of Habitat- richtlijn (VR / HR) Aamsveen HR Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek HR Bergvennen & Brecklenkampse Veld HR Boetelerveld HR Borkeld HR Buurserzand & Haaksbergerveen HR Dinkelland HR De Wieden* HR & VR Engbertsdijksvenen HR & VR Ketelmeer & Vossemeer* VR Landgoederen Oldenzaal HR Lemselermaten HR Lonnekermeer HR Olde Maten & Veerslootslanden HR Sallandse Heuvelrug HR & VR Springendal & Dal van de Mosbeek HR Rijntakken* HR & VR Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht HR & VR Vecht- en Beneden-Reggegebied HR Veluwerandmeren* HR & VR Weerribben HR & VR Wierdense Veld HR Witte Veen HR Zwarte Meer* HR & VR * Provinciegrensoverschrijdend Natura 2000-gebied Figuur 3. Natura 2000-gebieden Overijssel Voor het eventuele gebruik van een vrijstelling (art. 3.16 Wnb), ontheffing (art. 3.17 Wnb) of opdracht (art. 3.18 Wnb) in Natura 2000-gebieden kan een vergunning ex. art. 2.7 Wnb noodzakelijk zijn. Zie ook de beheerplannen van de Natura 2000-gebieden. Het gebruik van een vrijstelling, ontheffing of opdracht mag geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000- gebieden. Wanneer deze maatregel in de Natura 2000-gebieden toch toegepast zou worden en significant negatieve effecten zou kunnen hebben is een vergunning noodzakelijk.

College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063623/284 17 4 Beleid Rijksbeleid Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Met het in werking treden van deze wet is de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet komen te vervallen. Het recht om te jagen wordt gecontinueerd. Nieuw in deze wet is dat naast het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren ook de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht dienen te geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan. Het faunabeheerplan ten aanzien van de jacht en de schadebestrijding door grondgebruikers dient een globaal karakter te hebben. Voor het beheer van populaties fungeert het faunabeheerplan net als onder de Flora- en faunawet, als basis voor de ontheffing verlening voor provincies. Het faunabeheerplan dient op hoofdlijnen inzicht te bieden in de ontwikkeling van populaties van verschillende diersoorten. En dat op basis van redelijkerwijs beschikbare gegevens (populatieschattingen en trendtellingen die al plaatsvinden) waardoor er geen administratieve lastenverhoging ontstaat. Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciale Omgevingsverordening (POV) De provincie heeft haar beleid omtrent faunabeheer nader uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsverordening en in het Kader Faunabeheerplan 2019-2024.

In hoofdstuk 7 van de POV, het hoofdstuk Natuur, is de Wnb geïmplementeerd. In de POV staan de regels vermeld waaraan het nieuwe faunabeheerplan moet voldoen. Artikel 7.8.2 Reikwijdte Faunabeheerplan Het faunabeheerplan geldt voor tenminste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid. Artikel 7.8.3 Geldigheidsduur Faunabeheerplan 1. In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 5 jaren heeft. 2. De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld. Daarnaast zijn er specifieke eisen met betrekking tot beheer en schadebestrijding. Artikel 7.8.4 Eisen aan een faunabeheerplan – beheer en schadebestrijding Het faunabeheerplan bevat tenminste de volgende gegevens: a) De omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid. b) Een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063624/284 18 c) Kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar.

d) Een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer en schadebestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 °, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° en artikel 3.10, tweede lid, aanhef en onderdeel b tot en met d, van de Wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan. e) Een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde belangen in de 5 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van een faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren. f) De huidige en gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten. g) Per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken en schade te voorkomen. h) Per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen.

i) Voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen. j) Een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden. k) Voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen. l) Een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald. Artikel 7.8.5 Eisen aan een faunabeheerplan – uitoefening jacht Het faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht minimaal de volgende gegevens: a) Kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt. Voor zover deze exacte gegevens ontbreken kan worden volstaan met een schatting van deze populaties en trendgegevens van deze populaties. b) Een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan.

c) Een afwegingskader voor de redelijke wildstand aan de hand waarvan de individuele jachthouder dit in zijn jachtveld kan bepalen. College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063625/284 19 Artikel 7.8.6 Goedkeuring Alvorens een faunabeheerplan vast te stellen, hoort de faunabeheereenheid de binnen haar werkgebied werkzame WBE’s over de inhoud van het plan (art. 3.12 lid 6 Wnb). Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de faunabeheereenheid werkzaam is. Een goedgekeurd faunabeheerplan wordt openbaar gemaakt door de betreffende faunabeheereenheid. Uitbreiding op voorhand verleende ontheffing In dit faunabeheerplan wordt voor een aantal soorten de onderbouwing gegeven voor ontheffingen op voorhand. Dit lukt echter niet als er geen schadehistorie is, want alleen voor werkgebieden van WBE’s met een aantoonbare belangrijke schade in het verleden kan op voorhand een ontheffing worden aangevraagd. Gedurende de looptijd van het plan kunnen meer schadegegevens beschikbaar komen, waardoor een ontheffing op voorhand kan worden uitgebreid (wijzigingsbesluit) met één of meerdere werkgebieden van WBE’s.

4.3.1 Voorwaarden voor aanvulling van een ontheffing op voorhand Om aan een op voorhand verleende ontheffing werkgebieden van WBE’s te kunnen toevoegen, middels een wijzigingsbesluit, gelden de volgende voorwaarden: • Soort is schadesoort op grond van het faunabeheerplan, waarvoor op het grondgebied van andere WBE’s in Overijssel al op voorhand een ontheffing is verleend; • Van de betreffende soort zijn wel al binnen het werkgebied van de toe te voegen WBE schadegevallen vastgesteld, maar deze zijn ten tijde van de afgifte van de ontheffing (nog) niet als ‘belangrijke schade’ aangemerkt. 4.3.2 Handelswijze toevoegen werkgebied WBE Bij de soortenbehandeling (hoofdstuk 8 t/m 21) in het faunabeheerplan staan de voorwaarden waar men aan moet voldoen (noodzakelijke preventieve middelen) om in aanmerking te komen voor toevoeging van het schadegebied aan de ontheffing, die op basis van het faunabeheerplan wordt verleend.

• WBE of grondgebruiker constateert het ontstaan van mogelijk belangrijke schade veroorzaakt door een soort; • WBE geeft in mailbericht aan de faunabeheereenheid aan: o Welke soort(en) de schade veroorzaakt; o Op welke locatie (perceelniveau) inclusief kaartbeeld; o Gegevens grondgebruiker van schade percelen (kadastrale percelen); o Gewasgegevens (soort gewas en groeistadium); o Getroffen maatregelen om schade te voorkomen en beperken (visueel en akoestisch); o Overzicht van gedocumenteerde schadegevallen binnen WBE; o Indicatie van het schadebedrag en indien beschikbaar een berekening van het schadebedrag aan de hand van taxatierapport of een berekening van mogelijke belangrijke schade aan de College van burgemeester en wethouders - 2 november 2021 - 2021_B&W_0063626/284 20 hand van concrete schadegegevens afkomstig van het BIJ12 m.b.t. de soort, gegevens over de populatieontwikkeling en reeds uitgekeerde bedragen; o Verklaring waarom de schade niet voorzienbaar was, c.q. het betrokken gebied ontbreekt in het faunabeheerplan; o Aangeven of de schade al is getaxeerd door het BIJ12, en zo niet waarom nog niet; • De FBE: o Controleert volledigheid gegevens; o Geeft indien gegevens onvolledig of onvoldoende zijn aan de WBE aan wat er ontbreekt; o Speelt het verzoek (met onderbouwing) om een wijziging van de op voorhand verleende ontheffing door aan de provincie Overijssel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/76d15840-0ec0-4aef-ba71-9af176503148?agendaItemId=3d82f736-511f-4e52-9955-6e930de97e94