CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

12.0 - VNG - Bijzondere ledenbrief rijksbegroting 2025 en de gevolgen voor gemeenten

Raadsvergadering 1 oktober 2024, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken41.052 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Bijzondere ledenbrief Rijksbegroting 2025 en de gevolgen voor gemeenten Rijksbegroting 2025 en de gevolgen voor gemeenten2 Inhoudsopgave Voorwoord 3 1 Gemeentefinanciën 4 2 Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 9 3 Justitie en Veiligheid 22 4 Asiel en Migratie 30 5 Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 34 6 Infrastructuur en Waterstaat 38 7 Economische Zaken 43 8 Klimaat en Groene Groei 48 9 Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 50 10 Sociale Zaken en Werkgelegenheid 53 11 Volksgezondheid, Welzijn en Sport 67 12 Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 75 13 Buitenlandse Zaken, Handel en Ontwikkelingshulp 79 3 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Voorwoord Met deze ledenbrief geeft de VNG u een overzicht van de voor gemeenten belangrijke kabinetsvoornemens in de Rijksbegroting 2025 en de betekenis daarvan voor gemeenten. In een gezamenlijk reflectie van het Centraal Planbureau (CPB), het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) wordt het kabinet bekritiseerd vanwege plannen die gericht zijn op korte-termijnvoordelen. Ze waarschuwen dat bezuinigingen op onderwijs en innovatie op lange termijn nadelig kunnen zijn voor de brede welvaart en de concurrentiepositie van Nederland. Voor gemeenten zijn de kabinetsplannen ook nog weinig concreet.

De komende periode zullen we overleggen met de kabinetsleden om de plannen nader uit te werken. Positief is de bereidheid van het kabinet om met gemeenten in gesprek te gaan over de uitvoerbaarheid van alle ambities, bijvoorbeeld voor wonen en bestaanszekerheid. Maar het kabinet geeft gemeenten onvoldoende perspectief als het gaat om de beschikbaarheid van middelen die nodig zijn om de ambities en gemeentelijke taken te realiseren. De Raad van State benadrukt in zijn rapport dat voldoende financiële middelen voor gemeenten cruciaal zijn voor een stabiele samenwerking met het Rijk. De nieuwe financieringssystematiek, gekoppeld aan het bbp, moet meer stabiliteit brengen, maar de verwachte daling van het gemeentefonds in 2026 baart zorgen. Voldoende financiële armslag voor gemeenten blijft noodzakelijk voor een constructieve relatie met de overheid. De VNG is positief over het feit dat, vooruitlopend op een andere financiering van de Wmo, een bedrag van € 75 miljoen vanaf 2026 oplopend tot € 300 miljoen in 2029 is gereserveerd, en bij de Miljoenennota wordt overgeheveld naar het gemeentefonds. Daar heeft de VNG al langere tijd op aangedrongen, dus we zijn positief dat hieraan gehoor wordt gegeven.

Dat geldt ook voor de specifieke uitkeringen (spuks), die kunnen worden overgeheveld naar de algemene uitkering of naar een decentralisatie uitkering of bijzondere fondsuitkering in het gemeentefonds. Leidend voor de VNG is daarbij dat de korting van 10% op de specifieke uitkeringen (spuks) pas kan worden doorgevoerd als er daadwerkelijk sprake is van een reductie van administratieve lasten. De komende periode werken we mee aan de uitvoering van de voor gemeenten relevante onderdelen van het regeerprogramma en tijdens het overhedenoverleg medio november gaan we verder in gesprek met het kabinet over de noodzaak van voldoende middelen voor gemeenten, om als gemeenten ons werk te kunnen doen. Leonard Geluk Algemeen directeur Vereniging van Nederlandse Gemeenten 4 1 Gemeentefinanciën Nieuwe BBP-systematiek voor accres gemeentefonds schiet tekort Wat wil het kabinet? Het gemeentefonds wordt jaarlijks geïndexeerd met een percentage om de stijgende kosten van gemeenten door inflatie, loonontwikkeling, bevolkingsgroei en toenemende welvaart op te vangen. Voor het vaststellen van dit groeipercentage is het gemeentefonds met de besluitvorming Voorjaarsnota 2024 van het rijk vanaf 2024 gekoppeld aan de nominale ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). Het bedrag van deze jaarlijkse indexering wordt accres genoemd en is te splitsen in een prijs-accres en een volume-accres.

Het prijs-accres voor een jaar wordt definitief bepaald in de meicirculaire gemeentefonds van dat jaar. Er wordt gekeken naar de raming van de ontwikkeling van het prijspeil bbp in maart van het Centraal Economisch Plan (CEP) door het Centraal Planbureau. Het prijs-accres voor 2024 staat dus al vast op de stand meicirculaire gemeentefonds 2024. Voor latere begrotingsjaren worden de prijs-accressen in de meicirculaire geactualiseerd met de ramingen uit het CEP van maart en in de septembercirculaire geactualiseerd met de ramingen uit de Macro Economische Verkenning (MEV) bij de Miljoenennota. Het volume-accres voor een jaar wordt definitief bepaald met het gemiddelde percentage van de gerealiseerde volumegroei van het bbp in de achterliggende 8 jaar (t-9 t/m t-2). Deze percentages voor de jaarlijkse volumegroei bbp worden vastgesteld door het CBS en door het Centraal Planbureau overgenomen in het CEP en in de MEV. De volume-accressen worden in de meicirculaire gemeentefonds geactualiseerd aan de hand van de percentages uit het CEP en in de septembercirculaire geactualiseerd aan de hand van de percentages uit de MEV. Tabel 1 geeft de percentages van het prijs-accres, het volume-accres en de som ervan voor de jaren 2024 tot en met 2029 die volgen uit de MEV 2025. In de onderste rij staan de verschillen met de ramingen van de totale accres-percentages uit de meicirculaire.

Vreemd genoeg wijken de onderstaande percentages voor de accressen die volgen uit de verzamelde bijlagen bij de MEV 2025 van 17 september 2024, af van de percentages in septembercirculaire gemeentefonds 2024. Tabel 1. Accrespercentages septembercirculaire gemeentefonds 2024 MEV 2025/septembercirculaire 2024 2024 2025 2026 2027 2028 2029 Prijspeil bbp / prijs-accres *4,0% 2,7% 2,6% 2,6% 2,4% 2,4% Volumegroei bbp 0,6% 1,5% 1,5% 1,4% 1,2% 1,2% Volumegroei bbp (t-9 / t-2) / volume-accres 2,41% 2,16% 1,94% 1,78% 1,68% 1,56% Accrespercentage totaal 6,41% 4,80% 4,52% 4,33% 3,99% 3,92% Verschil sept.circ. 24 met mei-circ. 24 0,15% 0,35% -0,09% -0,12% -0,23% -0,19% * Betreft de definitieve raming van het prijs-accres op basis raming prijspeil BBP van het CEP 2024 Wat betekent dit voor gemeenten? Of het totale accrespercentage voor een jaar toereikend is, hangt mede samen met de kwaliteit van de raming van het prijs-accres door het Centraal Planbureau. Het verschil tussen de raming en de gerealiseerde inflatie kristalliseert zich immers uit in een wijziging van het beschikbare volume-accres. Bedraagt de gerealiseerde ontwikkeling van het prijspeil bbp in 2024 straks definitief 5,1% zoals in de MEV 2025 wordt geraamd, dan betekent dat een afslag van 1,1% van het volume-accres in 2024.

Zie de verschillen 5 Vereniging van Nederlandse Gemeenten in de ramingen in Tabel 2 die in jaar t plaatsvinden en hoe die vervolgens in jaar t+1 (nadat het percentage dus al is vastgesteld in meicirculaire gemeentefonds) hoger zijn. Dat gaat dan in dit geval van 1,1% om een nadeel van structureel € 400 miljoen. Het is op zich niet bezwaarlijk als het Centraal Planbureau met CEP het een jaar iets te laag met zijn raming zit en het volgende jaar iets te hoog. Op deze wijze heffen positieve en negatieve ramingen elkaar op. Maar een confrontatie van de ramingen voor het lopende jaar van het prijspeil bbp met de realisatie ervan, zoals vastgesteld door het CBS in het jaar erop, leert dat het Centraal Planbureau in de afgelopen zeven jaar met het CEP de ontwikkeling van het prijspeil bbp voor het lopende jaar structureel te laag raamt. Tabel 2 schijnt licht op deze structurele ramingsfout. Het verschil bedraagt gemiddeld ruim 1% per jaar in het nadeel van gemeenten. Tabel 2. Verschil geraamd prijspeil bbp en voorlopige meting gerealiseerd prijspeil bbp Jaar 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 CEP jaar t raming prijspeil bbp 1,8% 2,2% 1,8% 1,5% 3,4% 6,2% 4,0% CEP jaar t+1 meting prijspeil bbp 2,1% 3,0% 2,4% 2,5% 5,4% 7,7% *5,1% Verschil jaar t en t+1 -0,3% -0,8% -0,6% -1,0% -2,0% -1,5% -1,1% * Betreft raming met de MEV 2025, omdat het CEP 2025 komend voorjaar verschijnt.

Met de overstap deze zomer naar de nieuwe bbp-systematiek met ingang van 2024 voor de jaarlijkse indexering van het gemeentefonds gaan gemeenten op deze wijze onbedoeld veel geld mislopen. De taken van gemeenten en de middelen ervoor zijn door de korting vanaf 2026 al uit balans en dit verslechtert op deze wijze in rap tempo verder. Dit kan worden voorkomen door voor de methodiek van het prijs-accres over te stappen naar bijvoorbeeld een afrekening van het definitieve prijs-accres voor een jaar op basis van nacalculatie achteraf in de meicirculaire van het volgende jaar. Vanzelfsprekend moeten de accrespercentages in de circulaires dan ook aansluiten bij de percentages die volgen uit de verzamelde bijlagen bij het CEP en de MEV van het Centraal Planbureau. Tijdens een volgend Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv) zullen we dit met de fondsbeheerders bespreken en aansturen op een passende oplossing. Structurele korting in 2026 op gemeentefonds en neerwaarts schommelende tranches accres Wat wil het kabinet? Naast het volume-accres en het prijs-accres wordt de autonome groei van het gemeentefonds ook beïnvloed door niet-taakgebonden kortingen en stortingen. Die maken ook deel uit van het totale accres waarmee het gemeentefonds in een jaar groeit of krimpt.

Het kabinet Rutte IV was van plan het grootste deel van het extra cumulatief accres voor de periode 2022-2025, in het jaar 2026 af te romen tot een niveau van € 924 miljoen in het gemeentefonds. Per saldo betekent dit een uitname van structureel € 2.349 miljoen in 2026. In onderhandeling met ons is deze uitname later verzacht met een bijdrage van structureel € 924 miljoen in 2026 tot € 1.425 miljoen. Met ingang van 2024 is ook eenzijdig een nieuwe methode ingevoerd voor het berekenen van een accrestranche voor een jaar in latere jaren. Daardoor gaan deze accrestranches in latere jaren schommelen in plaats van plat door te lopen. In de jaren 2026 en 2027 schommelen ze daardoor respectievelijk € 494 miljoen en € 63 miljoen naar beneden. In andere jaren valt de schade erdoor mee. Tot slot zijn gemeenten met de Voorjaarsnota 2024 gecompenseerd voor het lagere accres in de jaren 2024-2026 dat door de overstap naar de bbp-systematiek ontstond. Echter de accrestranche 2025 is daarbij eenmalig met € 675 miljoen gekort. In 2026 wordt dat geld weer aan de accrestranche 2025 toegevoegd. Een en ander leidt tot de opstelling van de accressen van tabel 3. Daarin is uitgegaan van de afwijkende accrespercentages zoals die staan vermeld in de septembercirculaire gemeentefonds 2024. De bijstelling van het volume-accres 2024 ontbreekt dus in de tabel. Tabel 3.

Accressen 2024-2029 Septembercirculaire gemeentefonds 2024 (in miljoen euro) Vereniging van Nederlandse Gemeenten 6 Accres septembercirculaire 24 (in € mln.) 2024 2025 2026 2027 2028 2029 Prijs-accres 2024 1.512 1.487 1.394 1.390 1.384 1.383 Volume-accres 2024 836 822 770 768 765 764 Prijs-accres 2025 1.086 1.018 1.014 1.010 1.009 Volume-accres 2025 798 747 744 741 741 Prijs-accres 2026 1.041 1.037 1.033 1.032 Volume-accres 2026 702 699 697 696 Prijs-accres 2027 1.078 1.074 1.073 Volume-accres 2027 663 660 660 Prijs-accres 2028 1.025 1.025 Volume-accres 2028 639 638 Prijs-accres 2029 1.065 Volume-accres 2029 633 Totaal cumulatief accres excl. 2.348 4.193 5.672 7.393 9.028 10.719 BBP-accres per jaar excl. kortingen & stortingen 2.348 1.845 1.479 1.721 1.635 1.691 Compensatie overstap bbp-systematiek 719 605 -513 -27 -21 -25 Korting accres 22-25 incl. verzachting VJ 23 -1.425 Eenmalige korting 25 overstap bbp-systematiek -675 675 Neerwaartse schommeling accres 22-23 -191 -43 Accrestranche per jaar incl. kortingen & storting 3.067 1.775 25 1.651 1.614 1.666 Verschil meicirculaire 24 0 164 -12 -22 -69 -62 Wat betekent dit voor gemeenten? Het accres voor het jaar 2025 viel in de meicirculaire 2024 door de slechts gedeeltelijke compensatie in dat jaar € 675 miljoen lager uit dan gemeenten eerder hebben begroot.

Door actualisatie van de accrespercentages neemt de accrestranche 2025 daarentegen met € 164 miljoen toe ten opzichte van de meicirculaire 2024. De accrestranche voor het jaar 2026 inclusief de niet-taakgebonden kortingen en stortingen bedraagt per saldo € 25 miljoen. Hierin zit verdisconteerd het terugdraaien van de korting van € 675 miljoen in 2025. Een normaal bbp-accres voor dat jaar had op € 1.743 miljoen uitgekomen. Daarmee bedraagt de structurele niet-taakgebonden korting op het gemeentefonds in 2026 structureel € 2.393 miljoen (= 1743 - 25 + 675). Deze korting vergt een forse ombuigingsinspanning van gemeenten in dat jaar die bovenop de ombuigingen van de hervormingsagenda jeugd komen. Als dan ook het tekort aan prijs-accres door de structurele ramingsfout van het Centraal Planbureau in stand blijft, loopt de omvang van dit financiële gat daarbij snel op. De accressen voor de jaren 2027, 2028 en 2029 zijn respectievelijk € 22 miljoen, € 69 miljoen en € 62 miljoen lager dan in de meicirculaire. Gemeenten staan juist de komende kabinetsperiode voor extra maatschappelijke opgaven, onder andere op het gebied van investeringen.

Hierbij moet worden gedacht aan extra investeringen in de openbare ruimte en bovenwijkse voorzieningen voor de grote woningbouwopgave, in de energietransitie, voor de klimaatadaptatie, in vernieuwing en renovatie van onderwijsgebouwen en in vernieuwing en renovatie van wegen, kaden, bruggen, viaducten en tunnels uit de jaren zestig en zeventig en tachtig. Maar door de korting in 2026 en de noodzaak tot ombuigingen ontbreekt het aan structurele ruimte voor de bijbehorende afschrijvings- en rentelasten ervan. Het is dan ook de vraag of deze extra investeringsopgaven goed van de grond komen. 7 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Raming vrijval BTW-compensatiefonds aan het gemeentefonds Wat wil het kabinet? Gemeenten kunnen hun betaalde BTW van de inkoop voor overheidstaken terugvorderen op het BTW- compensatiefonds (BCF). Omdat de uitgaven van gemeenten gewoonlijk toenemen met inflatie, inwonergroei en welvaart, groeit het BCF jaarlijks met hetzelfde accrespercentage als het gemeentefonds. Daarnaast wordt het BCF bijgesteld voor de BTW-component van taakmutaties. Als gemeenten in een jaar minder declareren op het BCF dan er aan middelen inzit, dan wordt het restant aan het gemeentefonds toegevoegd. Declareren gemeenten meer op het BCF dan erin zit, dan wordt het tekort aangevuld met middelen uit het gemeentefonds.

Sinds deze afspraak valt ieder jaar geld uit het BCF vrij aan de algemene uitkering. Voor het jaar 2024 wordt de vrijval aan de algemene uitkering voorlopig geraamd op € 446,7 miljoen. Volgend jaar volgt het definitieve cijfer. In de meicirculaire 2024 viel de definitieve afrekening over het jaar 2023 € 213,8 miljoen hoger uit dan in de septembercirculaire 2023 werd geraamd (€ 359,4 miljoen). Daarmee kwam de totale vrijval over het jaar 2023 uit op € 573,2 miljoen. Wat betekent dit voor gemeenten? Een gemeente mag voor zijn begroting 2025 en voor elke jaarschijf van de meerjarenraming 2026-2029 uitgaan van maximaal zijn aandeel in de definitief gerealiseerde vrijval uit het BCF over het jaar 2023 van € 573,2 miljoen. Een gemeente kan er ook voor kiezen om van lagere bedragen uit te gaan, omdat ze verwacht dat deze vrijval in de toekomst krimpt of om juist behoedzaam te begroten. Door uit te gaan van juist een flink lager bedrag creëert een gemeente als het ware een behoedzaamheidsreserve voor tegenvallers. Deze afweging kan juist voor de komende begroting 2025 en de begroting 2026 die in het najaar van 2025 wordt opgesteld, van belang zijn. Dit in verband met het wegwerken van het financieel ravijn 2026.

Extra volume-accres WMO en het tekort aan volume-accres beschermd wonen Wat wil het kabinet? Met het kabinet Rutte IV in demissionaire status is overeengekomen dat gemeenten vanwege de snelle vergrijzing van de bevolking vanaf 2026 voorlopig structureel € 75 miljoen per jaar extra accres krijgen voor de daardoor sterk stijgende kosten van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Dit in afwachting van de uitkomst van een onderzoek met als doel de gelden voor de Wmo apart te zetten, bijvoorbeeld in de beoogde nieuwe figuur bijzondere fondsuitkering, met een eigen (hogere) indexering. De gelden voor de hogere autonome groei van totaal € 300 miljoen voor de periode 2026 tot en met 2029 zijn met de Miljoenennota 2025 van de aanvullende post van de rijksbegroting overgeheveld naar het gemeentefonds. De middelen voor de Wmo-taak beschermd wonen staan al apart in het gemeentefonds en hebben een eigen indexering. Gemeenten horen ieder jaar voor de volumegroei van de kosten van deze Wmo-taak een bedrag van structureel € 30 miljoen te ontvangen. In 2024 is deze toevoeging achterwege gebleven. Voor het jaar 2025 vergoedt het kabinet slechts € 14,2 miljoen in plaats het volledige bedrag aan gemeenten.

Wat betekent dit voor gemeenten? Met het onthouden van een deel van het volume-accres voor de taak beschermd wonen wordt extra geld dat met de ene hand voor de andere Wmo-taken wordt gegeven met de andere hand weer afgenomen. Gemeenten hebben ieder jaar een behoorlijke indexatie van gelden in het gemeentefonds nodig voor de volumegroei van hun taken. Ook in het geval van de taak beschermd wonen. Sanering specifieke uitkeringen Wat wil het kabinet? In het hoofdlijnenakkoord staat dat alle specifieke uitkeringen (hierna: spuks) met uitzondering van de BUIG (middelen voor de bijstandsverstrekking) worden overgeheveld naar het gemeentefonds. Hiermee wordt een besparing van tien procent gerealiseerd door het wegvallen van administratieve lasten. In de budgettaire bijlage bij het hoofdlijnenakkoord werd uitgegaan van een besparing van € 638 miljoen. Uit de Miljoenennota 2025 blijkt dat dit bedrag is verlaagd naar € 438 miljoen, omdat spuks voor de opvang van Oekraïners, Vereniging van Nederlandse Gemeenten 8 hersteloperatie Groningen en de toeslagenaffaire ook buiten de sanering vallen. De besparing is daarbij niet gekort op het gemeentefonds, maar verwerkt op de departementale begrotingen. De komende maanden wordt geïnventariseerd welke spuks daadwerkelijk worden opgeruimd. Daarvoor is een afwegingskader opgesteld om besluitvorming in de ministerraad begin 2025 voor te bereiden.

Wij en het IPO worden daarbij betrokken. In de begroting van BZK wordt ook een wijziging van de Financiële- verhoudingswet aangekondigd waarmee een nieuw type uitkering binnen het gemeentefonds wordt geïntroduceerd: de bijzondere fondsuitkering. Deze uitkeringsvorm combineert een grote flexibiliteit met geringe administratieve lasten en draagt daarmee bij aan het terugdringen van het aantal spuks. Wat betekent dit voor gemeenten? De spuks kunnen worden overgeheveld naar de algemene uitkering (als de middelen naar alle gemeenten gaan en aansluit bij de verdeling van de algemene uitkering) of naar een decentralisatie uitkering of bijzondere fondsuitkering (als de middelen niet naar alle gemeenten gaan of een afwijkende verdeling kennen) in het gemeentefonds. In theorie is het mogelijk alle spuks om te zetten zonder dat de verdeling van de middelen over gemeenten verandert. Overheveling naar het gemeentefonds betekent dat de aparte verantwoording en de accountantscontrole ervan komt te vervallen. Het is niet gezegd dat dit altijd een besparing van tien procent op het budget oplevert. Dit is voor ons daarom een expliciet aandachtspunt bij het doorlopen van het afwegingskader. Als de tien procent reductie van administratieve lasten niet haalbaar is, dan kan de volledige korting niet worden doorgevoerd óf moeten de taken worden versoberd.

Als een spuk blijft bestaan kan wat ons betreft helemaal geen sprake zijn van een korting. Bijstelling hoogte proceskostenvergoeding WOZ-bezwaarzaken vanwege arrest Hoge Raad Wat wil het kabinet? Met ingang van 1 januari 2024 is de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm in werking getreden. Aanleiding voor deze wet was de toenemende druk van no-cure-no-paybureaus op de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). Met deze wet is onder meer de proceskostenvergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor WOZ-bezwaarzaken verlaagd tot 25%, in de wet uitgedrukt als factor van 0,25.1 De Hoge Raad heeft op 12 juli 20242 een arrest gewezen waardoor het lage tarief voor de proceskostenvergoeding in belasting- en premiezaken in bezwaar buiten toepassing moet blijven. Dat betekent dat de factor van 0,25 moet worden toegepast op het tarief voor overige zaken. Dat tarief is dubbel zo hoog. Daardoor wordt de hiervoor genoemde verlaging van proceskostenvergoeding in WOZ-bezwaarzaken zo goed als volledig ongedaan gemaakt.

In de aanbiedingsbrief waarmee de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst het pakket Belastingplan 2025 bij de Tweede Kamer heeft ingediend, wordt aangekondigd dat naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad het lage tarief voor de proceskostenvergoeding in belasting- en premiezaken in bezwaar uit het Bpb wordt gehaald. Daardoor blijft alleen nog het hoge tarief voor overige zaken over. Om te voorkomen dat de proceskostenvergoeding voor WOZ-bezwaarzaken daardoor wordt verdubbeld, wil het kabinet de factor van 0,25 verlagen naar 0,125. Dit alles zal gebeuren door middel van een nota van wijziging op het pakket Belastingplan 2025. Wat betekent dit voor gemeenten? De verlaging van de factor in de aangekondigde nota van wijziging moet ervoor zorgen dat de proceskostenvergoeding die in de bezwaarfase in WOZ-zaken kan worden toegekend, in lijn blijft met hetgeen de wetgever bij de invoering van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm voor ogen stond. 1 Zie artikel 30a, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken. 2 Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060. 9 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2 Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Weerbare democratie en burgerschap Wat wil het kabinet? Burgers pakken individueel en collectief allerlei zaken op in hun eigen leefomgeving.

Deze invulling van democratisch burgerschap wil het kabinet stimuleren en waar mogelijk worden belemmeringen weggehaald. Het kabinet wil bouwen aan een maatschappelijke alliantie op burgerschap. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten werken op allerlei manieren aan het faciliteren van burgerinitiatieven. Het is bemoedigend dat het kabinet hierbij wil helpen. Het stimuleren van burgerinitiatieven kan op vele manieren en gemeenten doen al veel. Het rijk kan onder andere helpen door juridische belemmeringen weg te nemen en gemeenten te helpen bij het zoeken naar ruimte in subsidieregelingen en aanbestedingsregels. Ook kan het rijk gemeenten helpen om aanjaag- en begeleidingsprogramma’s voor burgerinitiatieven op te zetten, zodat zij de kans krijgen om op te schalen. Dat er middelen beschikbaar komen voor de maatschappelijke alliantie op burgerschap en democratie is positief. We verwachten hiermee dat veel maatschappelijke initiatieven die zich nu al inzetten voor een inclusieve en levendige democratie worden geholpen. We werken nauw samen met het ministerie van BZK om de uitvoering en invulling van deze alliantie te ondersteunen. Daarnaast blijft de VNG samenwerken met BZK op onderwerpen als democratische vernieuwing en het stimuleren van burgerinitiatieven.

Dat geldt ook voor het verzamelen en delen van kennis op het gebied van participatie, zoals digitale participatie, overheidsparticipatie en jongerenparticipatie, onder meer via het kennisplatform Democratie In Actie (lokale-democratie.nl). Versterking participatie Wat wil het kabinet? Op lokaal niveau stimuleert het kabinet de vernieuwing van de democratie met het wetsvoorstel Versterking Participatie op Decentraal Niveau. Wat betekent dit voor gemeenten? De wet Versterking participatie op decentraal niveau treedt in werking op 1 januari 2025. Gemeenten hebben dan twee jaar de tijd om een participatieverordening op te stellen. Hierin leggen gemeenten vast hoe zij hun inwoners willen betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. De VNG zal eind 2024 een model participatieverordening aan gemeenten verstrekken om dit proces te ondersteunen. Integer en weerbaar bestuur Wat wil het kabinet? Het kabinet wil dat volksvertegenwoordigers, bestuurders en ambtenaren met gezag, integer gedrag en respectvolle omgangsvormen het vertrouwen van inwoners kunnen winnen. Agressie, intimidatie en bedreiging in de richting van ambtsdragers zijn volgens het kabinet onacceptabel en ondermijnen het openbaar bestuur.

Subsidies worden verstrekt ter verhoging van de weerbaarheid van het bestuur tegen ondermijning en ter verhoging van de veiligheid van decentrale politieke ambtsdragers, ambtenaren en hun organisaties. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 10 Met het programma Weerbaar Bestuur zet het kabinet in op het versterken van de weerbaarheid van het bestuur en de veiligheid van decentrale politieke ambtsdragers, ambtenaren en hun organisaties. Belangrijke pijlers voor het komende jaar zijn het verder verhogen van bewustwording over risico’s bij decentrale volksvertegenwoordigers, goede nazorg na (online) intimidatie of agressie, veilig wonen en het versterken van gemeentelijke processen die kwetsbaar zijn voor ondermijning. In het bijzonder wordt ingezet op ondersteuning van kleinere gemeenten tegen juridische vormen van intimidatie en andere vormen van ondermijning van de democratische rechtsorde, onder meer door de informatiepositie van het lokaal bestuur te versterken. Wat betekent dit voor gemeenten? Om integer bestuur te bevorderen, dient het kabinet een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in met daarin een verplichte risicoanalyse integriteit voor kandidaat-bestuurders op decentraal niveau. Wij hebben in beginsel positief op dit wetsvoorstel gereageerd, maar ook gevraagd om meer duidelijkheid over bijvoorbeeld de bescherming van persoonsgegevens en proportionele informatie aan de raad.

Verder komt het kabinet met verplichte kwaliteitseisen voor integriteitsonderzoek door externe bureaus. Wij hebben hier zelf om gevraagd en gaan hier samen met BZK aan werken. Er wordt doorgewerkt aan het verhogen van de weerbaarheid van decentrale politieke ambtsdragers, ambtenaren en hun organisaties tegen agressie, intimidatie, bedreiging en ondermijning. Decentrale bestuurders worden ondersteund in het omgaan met maatschappelijk ongenoegen en anti-institutionele sentimenten. De ondersteuning van kleinere gemeenten tegen juridische vormen van intimidatie en andere vormen van ondermijning is nuttig, maar moet wel aansluiten bij de behoefte van gemeenten en ook echt dienend zijn aan de uitvoering/op de werkvloer. De VNG doet al veel rond de versterking van de informatiepositie van het lokaal bestuur. Met BZK werken we graag samen en stemmen we af wie wat doet. Goed bestuur, aantrekkelijkheid ambt Wat wil het kabinet? Het kabinet wil een betrokken, bekwame en betrouwbare overheid. Politieke ambten moeten aantrekkelijk blijven. Dit doen we door in te zetten op het tegengaan van de ervaren werkdruk, meer aandacht te hebben voor diversiteit in het decentraal bestuur en door te zorgen voor een op het ambt toegesneden rechtspositie. Overigens is in het hoofdlijnenakkoord afgesproken om voor 2026 een nullijn te hanteren voor rijksambtenaren.

Deze nullijn geldt ook voor politieke ambtsdragers, omdat de Cao Rijk doorwerkt op de lonen van politieke ambtsdragers. Wat betekent dit voor gemeenten? Deze inzet op goed bestuur is vanuit gemeenten wederzijds. De aangekondigde nullijn in 2026 voor rijksambtenaren werkt door in de beloning van politiek ambtsdragers. Daar waar het de rechtspositie van politieke ambtsdragers raakt, treedt de VNG, via de adviescommissie rechtspositie politieke ambtsdragers, in overleg met het ministerie van BZK. Verkiezingen en nieuw kiesstelsel Wat wil het kabinet? Het versterken van democratische instituties en weerbaar bestuur. Middelen komen beschikbaar voor het uitbreiden van het mandaat van de Kiesraad tot een Kiesautoriteit. Er wordt ingezet op de vernieuwing van het kiesstelsel, het vergroten van de toegankelijkheid en uitvoerbaarheid van verkiezingen, democratisch burgerschap en het versterken van de ondersteuning van de Tweede Kamer en (decentrale) politieke partijen. Ook komt geld beschikbaar voor de structurele kosten van een referendum, weerbaarheid tegen desinformatie en het versterken van een integer en weerbaar bestuur. Zo worden de aanbevelingen uit de evaluatie van de GRECO geïmplementeerd op het gebied van integriteit. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de organisatie van de verkiezingen.

Het is van belang dat het stemproces betrouwbaar en uitvoerbaar is. De Kiesraad is stapsgewijs op weg naar het krijgen van meer verantwoordelijkheid voor het gehele proces van stemmen en tellen. Voor gemeenten is het belangrijk dat deze verschuiving van verantwoordelijkheden in gezamenlijk overleg wordt bepaald. 11 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Daarbij is het van belang dat er aandacht is voor de verbetering van de uitvoerbaarheid van de verkiezingen. Dat kan met een nieuw en kleiner stembiljet en het elektronisch tellen daarvan. Daar zijn nu de eerste stappen in gezet. De invoering van een nieuw kiesstelsel voor alleen de Tweede Kamer brengt vertraging in dit proces. De invoering van een correctief bindend referendum betekent een aanzienlijke verzwaring van de uitvoeringslast voor gemeenten. Van belang is dat daar voldoende middelen tegenover komen te staan. Een uitvoeringstoets is hiervoor op zijn plaats. Op dit moment wordt onderzoek gedaan of de huidige vergoeding via het gemeentefonds voor verkiezingen voldoende en onderbouwd genoeg is. Nieuwe initiatieven en wetsvoorstellen voor de verbetering van het verkiezingsproces moeten onderzocht worden op haalbaarheid, uitvoerbaarheid en kosten. Toegankelijk stemmen Wat wil het kabinet? In vervolg op het Actieplan toegankelijk stemmen 2021 worden verschillende opdrachten uitgezet.

Zo zet het rijk in op communicatie voor mensen met een beperking en laaggeletterden. Ook wordt er gewerkt aan experimenten met hulp in het stemhokje. De voorbereidingen in dit wetgevingstraject krijgen een vervolg. Wat betekent dit voor gemeenten? Eerder was de minister van plan om ‘hulp in het stemhokje’ landelijk en wettelijk in te voeren met ingang van de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2026. Nu wordt gesproken over de mogelijkheid om te experimenteren. Welke vorm van ondersteuning en door wie de hulp kan worden gegeven is niet duidelijk. Gemeenten moeten stembureauleden instrueren en voorbereiden op het verlenen van deze hulp aan iedereen die dat zou willen. Ook moeten kiezers geïnformeerd worden over de mogelijkheid om hulp te vragen bij het stemmen. Versterking van de rechtsstaat Wat wil het kabinet? Vernieuwing van het democratisch stelsel en versterking van de rechtsstaat. De toeslagenaffaire en de grote problemen rondom de gaswinning in Groningen en Noord-Drenthe zijn voorbeelden van situaties waarbij de overheid te veel heeft vastgehouden aan de eigen systemen en processen en te weinig oog heeft gehad voor de burger. Vernieuwing van het democratisch stelsel en versterking van de rechtsstaat zijn volgens het kabinet daarom noodzakelijk.

Wat betekent dit voor gemeenten? Het kabinet gaat aan de slag met de uitkomsten van de Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening en van de Staatscommissie rechtsstaat en komt hierover met een kabinetsreactie. Wij zijn betrokken bij de voorbereiding op deze kabinetsreacties om ervoor te zorgen dat gemeenten in het juiste perspectief worden geplaatst. Verder werkt het kabinet onder coördinatie van de minister van BZK en in samenwerking met de minister van SZW als verantwoordelijk bewindspersoon voor Werk aan Uitvoering aan het opsporen, openbaar maken en wegnemen van onevenredige hardheden in beleid, wetgeving en uitvoering. De VNG is hier direct bij betrokken. Tot slot brengt het kabinet op korte termijn het wetsvoorstel in consultatie om constitutionele toetsing van wetten aan verschillende grondrechten door de rechter mogelijk te maken. De mogelijkheid om wetten in formele zin aan de Grondwet te toetsen, heeft directe betekenis voor medebewindstaken van gemeenten. Op termijn geven we daarom ook een consultatiereactie. Elke regio telt Wat wil het kabinet? Het kabinet wil oog hebben voor regionale verschillen en investeren in structurele samenwerking met regio’s. Nationaal beleid wordt getoetst aan de regionale praktijk en belemmeringen op regionale ontwikkeling Vereniging van Nederlandse Gemeenten 12 worden weggenomen, zodat elke regio zich kan ontwikkelen.

Het kabinet vindt de volgende thema’s hierbij urgent: gezondheid en zorg, onderwijs, economie, wonen en bereikbaarheid. Het kabinet ontwikkelt samen met regio’s aan de randen van het land een gebiedsgerichte aanpak met langjarige agenda’s. Deze aanpak is een doorontwikkeling van het bestaande programma Regio’s aan de grens. Bij deze aanpak werken met name de bewindspersonen van 8 ministeries3 samen onder coördinatie van BZK. Het kabinet kondigt in het regeerprogramma aan de regiodeals te willen ombouwen tot structurele investeringsagenda’s in het kader van Elke regio telt. In de begroting van VRO (waar Regiodeals onder vallen) is dit voornemen nog niet te zien. Het kabinet zegt aan de ene kant dat de aanpak van Elke regio telt uit bestaande middelen moet komen, maar aan de andere kant reserveert zij vanaf 2025 € 5 miljoen per jaar voor diverse regio’s om toe te werken naar een strategische investeringsagenda waarin de samenwerking tussen departementen, rijk en regio’s centraal staat. Wat betekent dit voor gemeenten? Het is positief voor gemeenten dat het kabinet de aanpak van Elke regio telt doorzet en de boodschap omarmt.

Het is belangrijk dat het kabinet bij regionale ontwikkeling prioriteit geeft aan regio’s die te maken hebben met een spiraal van verschraling, maar het lijkt er steeds meer op dat de structurele samenwerking zich gaat toespitsen op de 10 regio’s die al zijn uitgekozen voor de aanpak. Het is de vraag of het rijk met daadwerkelijk alle regio’s structureel wil samenwerken en zo ja, welke regio- indeling hierbij wordt gehanteerd. Hierbij is het de vraag of de € 5 miljoen jaarlijks voor een strategische investeringsagenda voor alle regio’s beschikbaar is of alleen de 10 regio’s die elders in de plannen worden benoemd. Uitgaan van provincies als regio’s zou voor in ieder geval een deel van gemeenten onwenselijk zijn. Toetsing van beleid aan de regionale praktijk kan ervoor zorgen dat rijksbeleid beter aangepast wordt aan wat gemeenten en inwoners nodig hebben, maar het is nu nog lastig te voorspellen aan welke regionale praktijk getoetst wordt en hoe. Kortom, het is onduidelijk wat dit betekent voor gemeenten. Focus op specifieke thema’s en ministeries gaat in tegen de aanbevelingen uit Elke regio telt waarin een integrale blik centraal staat. Meest opvallend is dat het ministerie van Justitie en Veiligheid en ministerie van Financiën niet betrokken worden bij deze aanpak.

Justitie is van belang omdat de toegang tot en aanwezigheid van politie overal in het land voor gemeenten een belangrijk onderdeel is van de aanpak op Elke regio telt. Afwezigheid van Financiën is opvallend omdat Elke regio telt voor een belangrijk deel draait om de noodzaak om de rekenmodellen van het rijk aan te passen zodat brede welvaart voor alle inwoners voorop staat (in plaats van economisch rendement). Het is onbekend of het kabinet nog van plan is om deze beleids- en investeringslogica aan te passen en hoe dit kan zonder het ministerie van Financiën. Verdeling taken en bevoegdheden tussen overheden Wat wil het kabinet? Voor een sterk bestuur is het volgens het kabinet van belang dat taken en bevoegdheden aan het best passend bestuurlijk niveau worden toebedeeld. Wat betekent dit voor gemeenten? Het kabinet stelt een beleidskader op voor decentraal en gedeconcentreerd bestuur met een afwegingskader voor het rijk voor de toedeling van taken en bevoegdheden. Daarbij wordt gekeken of een opgave al dan niet via regionale samenwerking kan worden opgepakt. We maken ons er sterk voor dat we direct betrokken blijven bij de uitwerking en gezamenlijke toepassing van dit beleidskader. We letten nadrukkelijk op dat gemeenten zelf kunnen blijven bepalen welke regionale samenwerking zij zinvol vinden.

Balans tussen ambities, taken en middelen Wat wil het kabinet? Een goede balans tussen ambities, taken, middelen (financieel en juridisch) en uitvoeringskracht. Het kabinet benadrukt in het regeerprogramma dat binnen het totale takenpakket van medeoverheden voldoende 3 OCW, VWS, SZW, VRO, I&W, EZ, KGG en LVVN. 13 Vereniging van Nederlandse Gemeenten beleidsmatige ruimte moet overblijven voor het maken van eigen afwegingen én om te realiseren wat nodig is voor hun inwoners. Vanuit de constatering dat overheden samen aan de lat staan voor het realiseren van oplossingen die werken in de praktijk, zet het kabinet in op het eerder en beter betrekken van decentrale overheden bij nieuw beleid. Met het oog hierop intensiveert BZK als coördinerend departement de inzet op trajecten in het kader van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO). De UDO geeft kaders en handvatten voor gezamenlijke beleidsvoorbereiding door rijk en decentrale overheden. De minister van BZK betrekt de resultaten van het UDO-proces in haar advisering richting de ministerraad. In het regeerprogramma is opgenomen dat bij geschillen de wetgever de knoop doorhakt. In een Overhedenoverleg, zo mogelijk voor eind 2024, worden nadere afspraken gemaakt over hoe medeoverheden betrokken worden bij de uitwerking van het regeerprogramma en de uitvoerbaarheid hiervan voor medeoverheden.

Wat betekent dit voor gemeenten? Wanneer gemeenten en rijk bij beleidsontwikkeling eerder om tafel zitten biedt dit de mogelijkheid, om in lijn met onze verenigingsstrategie, de praktijk meer leidend te laten zijn bij nieuw beleid voor gemeenten. Dit moet leiden tot een betere balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoerbaarheid. De genoemde intensivering van de rol van BZK bij de UDO kan helpen deze samenwerking tussen rijk en gemeenten beter van de grond te krijgen. De afspraak is dat gemeenten ook betrokken worden bij de nadere uitwerking van het regeerprogramma. Dit biedt de mogelijkheid om te komen tot voorstellen die beter aansluiten bij wat in de gemeentelijke praktijk nodig is en tot een betere balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht te komen. Tegelijkertijd constateren we dat er op dit moment sprake is van een forse disbalans. Dat leidt bij gemeenten tot noodgedwongen bezuinigingen op veel verschillende vlakken en daardoor staat de beleidsmatige ruimte voor eigen lokale afwegingen juist onder druk. In het Overhedenoverleg is daarom afgesproken om op een aantal opgaven met gemeenten in kaart te brengen hoe groot die disbalans is en wat de effecten voor inwoners en gemeenten zijn. De passage dat bij geschillen de wetgever de knoop doorhakt, biedt voor gemeenten niet het gewenste handelingsperspectief bij onverwachte ontwikkelingen.

Responsieve en dienstbare overheid Wat wil het kabinet? Een overheid die responsief, dienstbaar en realiserend is. Voor het effectief oppakken van maatschappelijke opgaven en het vertrouwen van inwoners in de overheid is een bekwaam en betrokken bestuur essentieel. Dat betekent volgens het kabinet dat de overheid luistert, leert en snel bijstuurt op signalen uit de samenleving. Het kabinet zet daarom in op de Wet versterking waarborgfunctie Awb. Het kabinet wil ook actief signalen ophalen en knelpunten oplossen om te zorgen voor een betere aansluiting tussen beleid, uitvoering en leefwereld. Onevenredige hardheden in beleid, wetgeving en uitvoering gaat het kabinet gericht opsporen, openbaar maken en aanpakken onder coördinatie van de minister van BZK en in nauwe samenwerking met de overige bewindspersonen waaronder in het bijzonder de minister van SZW als verantwoordelijk bewindspersoon voor Werk aan Uitvoering. Het oplossen van geconstateerde onevenredige hardheden is - onder aanvoering van de minister van BZK - een verantwoordelijkheid van de ministerraad. Jaarlijks wordt een openbaar rapport uitgebracht getiteld “Hardheden en oplossingen”. Ook wordt ingezet op een vereenvoudigingsagenda.

Wat betekent dit voor gemeenten? Met het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb worden volgens het kabinet al diverse aanpassingen doorgevoerd om de dienstverlening van de overheid te verbeteren, persoonlijk contact te bevorderen, de menselijke maat te versterken en hardheden te voorkomen. Dit wetsvoorstel is echter nog Vereniging van Nederlandse Gemeenten 14 volop in voorbereiding en we hebben hier een kritische consultatiereactie op gegeven. Het wetsvoorstel bevat veel open normen die nadere duiding vergen. Anders dreigt rechtsonzekerheid voor overheid en burgers en is het effect van dit wetsvoorstel tegengesteld aan het beoogde doel. Bovendien moeten uitzonderingen voor het fysiek domein en het belastingdomein blijven bestaan om wetgeving uitvoerbaar voor gemeenten te houden. Verder vindt het kabinet het van groot belang dat het maken van één enkele fout, een burger niet langer diep in de problemen mag brengen. Aanvullend op het wetvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb zal het kabinet daarom bezien of een verdere versterking van het recht op vergissen uniform en domeinoverstijgend op korte termijn gerealiseerd kan en moet worden. We houden dit nauwlettend in de gaten en hebben hierover direct contact met het ministerie. Gemeenten kunnen signalen over hardheden en knelpunten in beleid aandragen bij de minister van BZK.

Enkele middelen die daarvoor gebruikt kunnen worden zijn bijvoorbeeld de Stand van de Uitvoering gemeenten en het Platform Sociaal Domein. Ondersteuning decentrale volksvertegenwoordiging Wat wil het kabinet? Een versterking van de positie van decentrale volksvertegenwoordigingen en besturen. Voor een goed functionerend decentraal bestuur is adequate en toereikende ondersteuning van volksvertegenwoordigingen volgens het kabinet van groot belang. Daarom zet het kabinet in 2025 in op de verbetering van de ondersteuning van volksvertegenwoordigers, waaronder de gemeentelijke en provinciale griffie en rekenkamer, alsmede de lokale ombudsfunctie. Wat betekent dit voor gemeenten? Dat er extra middelen komen voor kleine griffies is positief. De beroeps- en belangenverenigingen (van de griffiers, rekenkamers en raadsleden in dit geval) trekken samen op met BZK om verdere uitvoering te geven aan deze plannen. Meer ondersteuning voor bijvoorbeeld griffies, met name in kleinere gemeenten zou veel betekenen voor de lokale democratie, door het versterken en beter in stelling brengen van de vertegenwoordigende rol van de gemeenteraad. Wet op de politieke partijen Wat wil het kabinet? Het kabinet heeft in 2024 het voorstel voor de Wet op de politieke partijen (Wpp) ingediend bij de Raad van State voor advies.

Het wetsvoorstel bevat regels over de transparantie van de interne organisatie, transparantie van politieke advertenties, financiering en subsidiëring van decentrale partijen en een specifieke regeling voor het verbieden van politieke partijen. Ook wordt in 2025 de oprichting van de Nederlandse Autoriteit politieke partijen (NApp) voorbereid, die toezicht gaat houden op de regels uit de wet. In het wetsvoorstel is een grondslag gecreëerd voor een subsidieregeling voor decentrale politieke partijen. Hiervoor is in de jaren 2025-2027 € 8,3 miljoen jaarlijks gereserveerd. De totstandkoming en ingangsdatum van deze subsidieregeling is afhankelijk van de inwerkingtreding van de Wpp. Wat betekent dit voor gemeenten? In gemeenten zijn ruim een derde van de raadsleden afkomstig van een lokale politieke partij en ook in een derde van de colleges zijn lokale politieke partijen vertegenwoordigd. Gelijke ondersteuning van alle partijen komt ten goede aan onze democratie. De Wet op de politieke partijen geeft een basis om ook subsidie aan lokale partijen te versterken. Helaas voor gemeenten is deze wet nog steeds niet ingediend bij het parlement. De VNG heeft zich ingezet voor een tijdelijke subsidieregeling met het oog op de raadsverkiezingen van 2026. Maar het kabinet geeft aan te willen wachten op de invoering van de nieuwe wet.

Op dit moment is de voorgenomen subsidie voor lokale politieke partijen niet structureel geregeld. Er is slechts geld vrij gemaakt voor de eerste drie jaar na 15 Vereniging van Nederlandse Gemeenten invoering van de wet. Op de ALV van juni 2024 is de motie ‘gelijke subsidieregeling voor landelijke en lokale partijen’ aangenomen. De VNG blijft zich inzetten voor een (tijdelijke) subsidieregeling voor lokale politieke partijen. Open overheidsinformatie Wat wil het kabinet? Het kabinet zet in op meer actieve openbaarmaking, snellere beantwoording van Woo-verzoeken en het verder op orde brengen van de informatiehuishouding. Om de uitvoerbaarheid van de Woo te verbeteren is het kabinet voornemens om maatregelen te treffen om misbruik van de Woo tegen te gaan en de samenhang tussen de verschillende informatiewetten te verbeteren. Daarnaast zal het kabinet op korte termijn starten met onderzoeken naar de uitvoeringslast, kosten en de (benodigde) capaciteit voor de Woo. De geplande wetsevaluatie van de Woo wordt naar voren gehaald, waarbij onder andere wordt bezien of de overheid de letter én de geest van de Woo naleeft. Wat betekent dit voor de gemeenten? Vanaf november 2024 treedt de wettelijke verplichting om informatie, behorende tot zeventien informatiecategorieën benoemd in de Woo, gefaseerd in werking.

Hiervoor moeten gemeenten aansluiten op de landelijke verwijsindex met zoekmachine. Daarnaast moeten maatregelen worden getroffen om de duurzame toegankelijkheid van digitale informatie te borgen en de informatie op orde te brengen. De gemeenten worden ondersteund bij de implementatie van de Woo door het VNG-programma Grip op informatie. Er komen maatregelen om de uitvoeringslast te verminderen en misbruik van de Woo tegen te gaan. Door onderzoek te doen naar de kosten en personele inzet wordt inzichtelijk gemaakt wat de uitvoering van de Woo in de praktijk betekent. Verantwoorde AI, algoritmes, data en digitale technologie Wat wil het kabinet? Het kabinet legt de nadruk vooral op ethisch en transparant gebruik van AI en algoritmen. Voor AI-modellen komt er een wetenschappelijke standaard. Het kabinet versterkt in lichte mate de algoritmetoezichthouder en breidt de inzet op het Algoritmeregister uit. Daarnaast werkt de overheid aan het implementeren van de Europese AI-verordening zodat AI op een verantwoorde en rechtmatige manier kan worden ingezet, met oog voor veiligheid, privacy en rechtsbescherming. Ook zet het kabinet in op de implementatie van de Open Data Richtlijn, de Datagovernanceverordening (DGA) en de Dataverordening (Data Act).

Bij alle activiteiten stelt het kabinet het waarborgen van mensenrechten centraal, ook bij de ontwikkeling en mogelijke toepassing van (nieuwe) technologieën. Wat betekent dit voor gemeenten? Duidelijkheid en financiële middelen voor gemeenten om AI in te zetten voor administratieve verlichting blijven vooralsnog beperkt voor gemeenten. Hoewel het kabinet stappen onderneemt om de inzet van AI & Algoritmen ethisch verantwoord plaats te laten vinden, zijn er weinig concrete toepassingen voor het gebruik van AI in gemeentelijke administraties opgenomen. Gemeenten krijgen te maken met strengere regels en normen rond het gebruik van algoritmen, maar moeten mogelijk zelf initiatieven ontwikkelen om AI in hun dienstverlening te integreren. Datagedreven werken staat centraal in de Interbestuurlijke Datastrategie (IBDS), een van de programma’s waar geld voor vrij is gemaakt. De IBDS richt zich onder andere op het wegnemen van technische, juridische en ethische bezwaren om datadelen en datagebruik overheidsbreed te kunnen toepassen. En een andere belangrijke pijler is de ontwikkeling van kennis, methoden en toolkits om datagedreven werken mogelijk te maken. Ook gemeenten hebben toegang tot deze instrumenten en adviezen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten 16 Basisinfrastructuur op orde Wat wil het kabinet? Het kabinet wil de dienstverlening richting burgers en ondernemers verder verbeteren door door te blijven gaan met het op orde brengen van de digitale basisinfrastructuur van de overheid. Standaardisering, kaderstelling en meer samenwerking is nodig om silo’s te doorbreken en zo effectiever te opereren als één overheid. Er is planmatig gewerkt aan de benodigde vernieuwing van de Generieke Digitale Infrastructuur. Voorzieningen als DigiD, Digitaal Ondernemersplein en MijnOverheid zijn en blijven zo een betrouwbare gemeenschappelijke digitale basis voor burgers, ondernemers en publieke dienstverleners. Wat betekent dit voor gemeenten? In 2025 zijn er subsidies voor het programma Werk aan Uitvoering, voor de herinzet van digitale apparaten. Voor de Loketfunctie overheidsbrede loketten wordt met ontwikkelactiviteiten verbinding en samenhang gezocht voor een logische ontsluiting van overheidsdiensten. Ook komt hier geld voor beschikbaar. Hierdoor kunnen burgers en ondernemers gemakkelijker hun weg vinden en zaken met de overheid regelen. Met Your Europe krijgt men via een centraal digitaal loket toegang tot relevante overheidsdiensten en overheidszaken in een andere lidstaat.

Digitale open strategische autonomie Wat wil het kabinet? Het kabinet wil strategische autonomie door bijvoorbeeld de ontwikkeling van het Nederlands taalmodel GPT-NL te ondersteunen en de mogelijkheid voor een nationale AI-faciliteit te verkennen. Met de Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) wordt verder gewerkt aan het verminderen van onwenselijke afhankelijkheden. In dit verband komt er een rijksbrede IT-sourcingsstrategie. Ook evalueert het kabinet momenteel het rijksbrede cloudbeleid en komt er een herzien cloudbeleid begin 2025. Wat betekent dit voor gemeenten? Ook gemeenten kennen onwenselijke afhankelijkheden op het gebied van IT. De inzet van het kabinet is voor gemeenten positief, omdat gemeenten alleen door interbestuurlijk op te trekken en Europese sturingsmechanismen te gebruiken hun digitale onafhankelijkheid kunnen versterken. Digitale weerbaarheid Wat wil het kabinet? Het kabinet zal komend jaar de Europese Network and Information Security Directive (NIS2-richtlijn) implementeren met de nationale Cyberbeveiligingswet (Cbw). Hiermee krijgt de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) een wettelijke basis waar de overheid aan moet voldoen. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) zal optreden als centrale, onafhankelijke toezichthouder op de overheid.

Wat betekent dit voor gemeenten? Met deze wetten krijgen gemeenten nieuwe taken in het voorkomen en beperken van de maatschappelijke schade die ontstaat door cyberincidenten. Dit vraagt om een versteviging van de rol en taken van de Functionaris Gegevensbescherming (FG), de Chief Information Security Officer (CISO) en de adviseur Openbare Orde en Veiligheid. In meerdere departementale begrotingen staan posten voor implementatie van aankomende wet- en regelgeving NIS-2 en CER, maar dat geld is niet bestemd voor gemeenten. Ook VNG krijgt er nieuwe taken bij. Een nieuwe toezichthouder, de RDI met een nieuw toezichtstelsel heeft effecten op de diensten ENSIA. Om gemeenten goed te kunnen blijven bedienen en de balans te bewaren tussen centrale voorzieningen vanuit het NCSC en sectorale voorzieningen vanuit de IBD als CSIRT voor gemeenten, dient dit samen verder te worden uitgewerkt. 17 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Digitale Veiligheid Wat wil het kabinet? In lijn met het hoofdlijnenakkoord worden de bevoegdheden van de AIVD en MIVD in verband met de digitale ontwikkelingen in de wetgeving aangepast. De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt zo snel mogelijk geactualiseerd.

De aanpak van digitale dreigingen door statelijke actoren en cybercriminelen wordt versterkt door het kabinet; intensieve samenwerking tussen overheid, veiligheidsdiensten, wetenschap en bedrijfsleven wordt bevorderd. Hetzelfde geldt voor economische en kennisveiligheid. Wat betekent dit voor gemeenten? In lijn met de afspraken in het bestuurlijk convenant digitale veiligheid is het van belang dat deze aanpak zijn weg vindt in de uitwerking van de fundamentele systeemuitdagingen. Het gaat om de vertaling van het fysieke naar het digitale veiligheidsstelsel. Ook is een betere informatiepositie nodig bij dreigingen en kwetsbaarheden, zowel binnen als buiten de gemeente. Tot slot zou er een structurele financiering moeten komen voor de verhoging van digitale veiligheid op lokaal niveau. Nationale veiligheid Wat wil het kabinet? De AIVD voorziet dat er de komende jaren diepgaander onderzoek nodig is voor het beschermen van nationale veiligheidsbelangen tegen de dreiging vanuit onder andere statelijke actoren en criminele ondermijning van de democratische rechtsorde. Het kabinet investeert met deze uitgangspunten in de operationele slagkracht en de toekomstbestendigheid van de AIVD. Wat betekent dit voor gemeenten? Het kabinet hecht meer en meer belang aan nationale veiligheid.

Hierbij is het van belang dat de informatievoorziening vanuit de inlichtingendiensten naar lokaal bestuur goed ingericht is. Centrum voor Informatiebeveiliging en Privacy Wat wil het kabinet? Het Centrum voor Informatiebeveiliging en Privacy (CIP) ontvangt een bijdrage voor het Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) ondersteuningsprogramma en het Inkoopeisen Cyber Security- programma (ICO) om de invoering van de BIO en de verhoging van de veiligheid van uitbestedingen te stimuleren. Wat betekent dit voor gemeenten? Het is nog onbekend hoeveel daarvan gericht is op de gemeentelijke praktijk. De behoefte op gemeentelijk niveau is anders dan op rijksniveau. De aansluiting van het aanbod van het CIP en van de IBD dient verder onderzocht te worden om de dienstverlening aan gemeenten te optimaliseren. Inclusieve dienstverlening Wat wil het kabinet? Voor de stabiliteit en weerbaarheid van onze democratische rechtsstaat is het belangrijk dat de overheid responsief, dienstbaar en realiserend is. Via een Agenda voor vernieuwing van de democratie, rechtsstaat, het bestuur en controle hierop gaat BZK werken aan het herstellen van het vertrouwen van burgers in de politiek en de overheid. Bij de opgave wordt gewerkt voor en met burgers, waarbij wordt ingezet op terugdringen van de complexiteit van regelgeving en een andere houding en ander gedrag van ambtenaren.

Belangrijk daarin is luisteren, reflectie, signalen oppakken en gezamenlijk leren van fouten. Het kabinet zet daarom in op een fundamentele omslag in de werkwijze van de rijksdienst en de decentrale overheden en op het vergroten van het lerend vermogen van de overheid. In 2025 gaat het kabinet door met de beweging naar een proactieve overheid. Dit betekent dat burgers en ondernemers eerder worden benaderd geadviseerd over regelingen waar ze recht op hebben. In het Vereniging van Nederlandse Gemeenten 18 hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat de bereikbaarheid van overheidsorganisaties voor burgers en ondernemers verbeterd moet worden. Uitgangspunt daarbij is dat mensen via alle kanalen makkelijke toegang hebben tot publieke dienstverlening. Daarnaast wordt ook ingezet op het identificeren en wegnemen van knelpunten in wet- en regelgeving. In 2025 wordt ingezet op aanbieden van toegankelijke en gebruiksvriendelijke digitale dienstverlening. Er wordt gewerkt aan overheidsbrede dienstverlening die beter aansluit bij het dagelijks leven van burgers en ondernemers. Onder andere door aan te sluiten op levensgebeurtenissen. Dit vraagt nauwe samenwerking tussen het rijk, publieke dienstverleners en medeoverheden, waarbij deze zoveel mogelijk als één overheid optreden richting burgers en ondernemers.

Overheidsorganisaties worden geholpen met het verbeteren van de digitale toegankelijkheid van hun websites en apps. Om te zorgen dat iedereen mee kan in de digitale samenleving, worden digitale vaardigheden een veilige en vertrouwde omgang met nieuwe technologieën, zoals AI, door burgers gestimuleerd. Wat betekent dit voor de gemeenten? Gemeenten spelen volgens het kabinet een cruciale rol in het realiseren van een responsieve overheid. Met het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb worden diverse aanpassingen doorgevoerd om de dienstverlening van de overheid te verbeteren, persoonlijk contact te bevorderen, de menselijke maat te versterken en hardheden te voorkomen. Ook wordt verplicht om besluiten in begrijpelijke taal toe te lichten. Het ministerie van BZK gaat onevenredige hardheden in beleid, wetgeving en uitvoering gericht opsporen, openbaar maken en aanpakken. Departementen, medeoverheden en publieke dienstverleners geven uitwerking aan een continue feedbackloop tussen beleid, uitvoering en de burger (tussen plan en praktijk), zodat de overheid met de geleerde lessen kan zorgen voor een betere aansluiting tussen beleid en uitvoering en het voorkomen van onevenredige hardheden.

In 2025 wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van Overheidsbrede loketten die op een samenhangende wijze overheidsdiensten ontsluiten zodat burgers gemakkelijker hun weg vinden bij contact met overheid. De begroting laat echter zien dat de middelen voor koplopergemeenten voor het inrichten en het uitvoeren van praktijkinitiatieven wordt beperkt van ruim € 3 miljoen in 2024 tot € 839.000 in 2025. Met het Persoonlijk Digitaal Regelingenoverzicht (PDR) wordt gewerkt aan het proactief informeren. De ambitie hierbij is een integraal advies te geven over de regelingen waar burgers en ondernemers recht op hebben, op basis van persoonlijke gegevens die al bij de overheid bekend zijn. Voor de regiefunctie van de Informatiepunten Digitale Overheid (IDO’s) is er voor gemeenten € 17 miljoen beschikbaar via een specifieke uitkering. Vanaf 2026 zijn er minder middelen begroot vanwege de opname van de spuk in het gemeentefonds die gepaard gaat met een korting van 10%. Het budget daalt dan terug naar ongeveer € 15 miljoen. Gemeenten worden ondersteund via ICTU en VNG bij het sneller en beter toegankelijk maken van websites en apps. ICTU pakt de uitrol van het project NL Design System op voor het toegankelijk en gebruiksvriendelijk maken van websites. Gemeenten kunnen hiervan gebruik maken. Dat kan onder andere via het VNG-programma Omnichannel dat componenten ontwikkelt op basis van de NLDS.

Logius zorgt voor de ontwikkeling van NL Doc: een tool die ervoor zorgt dat PDF’s digitaal toegankelijk omgezet worden naar HTML. Ook wordt de DigiHandig-app ontwikkeld met laagdrempelige lesmodules om burgers digitaal vaardiger te maken en mensen spelenderwijs via een tablet mediawijs te maken. Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving Wat wil het kabinet Miljoenennota: Artikel 6. Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving bespreekt de uitgaven op digitaal terrein. De uitgaven op dit artikel kennen een oploop in 2028 doordat de middelen voor de hoogwaardige dienstverlening één overheid (ruim 100 miljoen euro), vanaf dat jaar nog op de BZK begroting staan. Een groot deel van het budget in eerdere jaren is overgeboekt naar het gemeentefonds. BZK werkt 19 Vereniging van Nederlandse Gemeenten samen met gemeenten toe naar een nieuwe governance structuur met als doel om als overheid een integrale en geïntegreerde dienstverlening aan te kunnen bieden. Ook zou het de dienstverlening begrijpelijker en hoogwaardiger moeten maken. Wat betekent dit voor gemeenten? Het is nog onduidelijk wat dit voor gemeenten betekent. De zinsnede “vanaf dat jaar nog op de BZK begroting staan” suggereert dat er vanaf 2028 100 miljoen uit het gemeentefonds wordt gehaald en weer wordt teruggeboekt naar BZK.

Archieven Wat wil het kabinet? Om beter bestuur te realiseren moet de digitale basisinfrastructuur worden versterkt en de informatiehuishouding verder op orde worden gebracht. Het kabinet moderniseert daarom de Archiefwet om ook digitale informatie goed te kunnen beheren. Met een gemoderniseerde wet en door het toezicht daarop te versterken, kunnen overheidsorganisaties hun digitale informatie vanaf het moment van creatie effectief beheren. Dat draagt bij aan betrouwbare en toegankelijke overheidsinformatie voor burgers, journalisten, wetenschappers en de overheid zelf. OCW zet met partners in op een meerjarig implementatieprogramma. Ook wordt geïnvesteerd in de opleidingen en in bij- en nascholing van archief- en informatieprofessionals. Wat betekent dit voor de gemeenten? Het wetsvoorstel voor de nieuwe Archiefwet verkort de overbrengingstermijn naar de archiefbewaarplaats van 20 naar 10 jaar, verplicht de aanwijzing van de archivaris en is beter toegespitst op het beheer van digitale overheidsinformatie. De verwachting is dat de nieuwe Archiefwet niet eerder dan 1 januari 2026 in werking zal treden. Vanuit het VNG-programma Grip op informatie worden gemeenten voorbereid op de implementatie. Van belang zijn onder meer de inrichting van een e-depotvoorziening en het opstellen van een informatiebeheerplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/ed6d9d8b-144e-4ef2-a0dd-47e6b60a43f9?agendaItemId=0a176fb8-f93d-49be-a578-db8788b86176