Toelichting - uitbreiding de Schapenput 2338798.pdf
Tekst van het document
De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. In dit kader hebben waterschap en gemeente vooroverleg gevoerd, waaruit de volgende doelen, uitgangspunten en criteria voor dit plan zijn afgesproken:
Beschrijving huidige situatie In de huidige situatie bestaat het perceel grotendeels uit onverhard oppervlak in de vorm van gras of bosplantsoen. De enige verharding op het perceel is de halfverharding in de vorm van puingranulaat langs de zuidzijde van het perceel (figuur 4.1). Dit pad is in het verleden gebruik voor de aan en afvoeren van bouwmaterialen bij de realisatie van de haven. Het pad is momenteel alleen nog in gebruik door voetgangers die gebruik maken van het wandelpad 'Ommetje de Heen'. Het perceel bestaat uit een dijk van aangebracht zand. Hierdoor ligt het hoger dan de omgeving, minimaal twee meter boven het waterniveau van de Steenbergsche Vliet. Doordat de bodem grotendeels uit zandgrond bestaat kent het een goede infiltratiecapaciteit. Het plangebied betreft een agrarische bestemming dat momenteel wordt gebruik voor natuur/recreatie. Al het hemelwater infiltreert op de plaats waar het valt en het plangebied heeft geen riolering of afvalwater. 34/94
Figuur 4.1 - Verhard pad van puingranulaat (De Neve, 2021) Beschrijving toekomstige situatie In de toekomstige situatie bestaat het perceel nog steeds grotendeels uit onverhard oppervlak in de vorm van gras of bosplantsoen. De enige verharding op het perceel die wordt toegevoegd zijn de glampingtenten en de carports. Elke individuele tent heeft een oppervlakte van 40m2 en elke carport 10m2 (=totaal 50m2 per unit). Met de beoogde 12 tenten wordt dus circa 600m2 aan verharding toegevoegd. Daarnaast blijft ook het pad in de vorm van een natuurlijke halfverharding aan de zuidzijde van het perceel. Ondanks dat de hoeveelheid verhard oppervlak toeneemt kan al het hemelwater nog altijd in het plangebied in de bodem infiltreren. De toevoeging van verharding heeft dan ook geen invloed op de waterhuishouding ter plaatse. Doordat het verhard oppervlak met meer dan 500m2 toeneemt dient een watervergunning aangevraagd te worden. Verder wordt voor elke tent een afvalwaterriolering aangelegd die wordt aangesloten op het gemeentelijk afvalwaterrioleringsstelsel. De accommodaties worden aangesloten op het leidingwater. Verder wordt er geen grondwater onttrokken of wijzigingen aangebracht aan een waterkering.
35/94
Gevolgen voor water De gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding is dan ook beperkt. Zowel de waterkwaliteit als de waterkwantiteit wordt niet negatief beïnvloedt door de beoogde ontwikkeling. Het plan voorziet niet in elementen die het waterhuishoudkundige systemen ter plaatse kunnen verstoren. Hierdoor kan ook de juridische vertaling in het bestemmingsplan achterwege blijven. Het plangebied heeft een aanduiding 'Reserveringsgebied waterberging'. De beoogde ontwikkeling levert geen beperkingen voor het plangebied als waterbergingsgebied, de glampingtenten worden op de dijk gerealiseerd minimaal 2 meter boven het waterpeil. Daarnaast zijn de glampingtenten enkel in het kampeerseizoen beschikbaar, wanneer de waterpeilen laag zijn. Verder heeft het plangebied een aanduiding 'milieuzone - groenblauwe mantel' waarin het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de Groenblauwe mantel voorop staan. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de ecologische of landschappelijke waarden van het gebied. Kortom de beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de waterkwaliteit of waterkwantiteit. Hierdoor vormt het aspect water geen belemmeringen voor de ontwikkeling Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de waterkwaliteit of waterkwantiteit.
Doordat de hoeveelheid verhard oppervlak met meer dan 500m2 toeneemt is een watervergunning noodzakelijk, deze wordt voor de realisatie van de hoeveelheid verharding aangevraagd. Dit zal geen problemen vormen voor de planvorming omdat in het plangebied voldoende ruimte is om dit hemelwater te bergen. Hierdoor vormt het aspect water geen belemmeringen voor de ontwikkeling
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden, gemengde gebieden en rustige buitengebieden.
36/94
Onderzoek Het plangebied is te kenmerken als een rustig buitengebied. Bij de geplande ontwikkeling worden bedrijfshindergevoelige functies gerealiseerd, te weten recreatiewoningen. Bedrijfshindergevoelige functie Wat betreft de te ontwikkelen bedrijfshindergevoelige functie is de (eventuele) aanwezigheid van bedrijven in de directe omgeving van belang. In figuur 4.2 zijn de bedrijven in de omgeving weergegeven. In de onderstaande tabel is tevens de richtafstand en de werkelijke afstand tot de bedrijven opgenomen. Bedrijfssoort
Richtafstand
Afstand plangebied
Richting
Jachthaven de Schapenput
10m
0m
Ten westen
Agrarisch bedrijf
30m
110m
Ten zuidwesten
Verblijfsrecreatie van de jachthaven
30m
210m
Ten zuidwesten
Figuur 4.2 - Omliggende bedrijven (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Uit de tabel komt naar voren dat er mogelijk overlast veroorzaakt wordt door de jachthaven zelf. Het perceel waar de tenten geplaatst worden grenst aan het bestemmingsvlak van de jachthaven. De werkelijke afstand tussen de eerste tent en de activiteiten op de jachthaven is echter groter. De eerste tent komt op circa 25 meter van de terreingrens te staan. Op het terrein van de jachthaven staat aan deze zijde een bedrijfswoning.
37/94
Tussen de bedrijfswoning en het terrein voor de tenten ligt ook nog een strook grond van circa 10 meter breed met de bestemming Natuur. De afstand tussen de jachthaven en de tenten zal dan ook voldoende zijn. Daarnaast speelt mee dat de exploitatie van de tenten een activiteit is van de jachthaven. De jachthaven heeft dan ook baat bij dat er een goed overnachtingsklimaat wordt gegarandeerd ter plaatse van de Glampingtenten. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het project.
4.6
Wegverkeerslawaai
Beleid en normstelling De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor. Onderzoek Binnen het plangebied worden 12 Glampingtenten mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) betreft deze ontwikkeling geen realisatie van geluidsgevoelige functie(s) en dient derhalve geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit neemt niet weg dat moet worden nagegaan of ter plaatse van het recreatieterrein sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Doordat voldoende afstand is tot omliggende bedrijven (zie paragraaf 4.5), doordat in de directe omgeving van het plangebied geen wegen zijn gelegen en doordat in het stiltegebied slechts 6km/h gevaren mag worden met een gemotoriseerde boot, kan gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Conclusies Het wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
38/94
4.7
Luchtkwaliteit
Beleid en normstelling Wet Milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) Onderzoek Wet Milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof respectievelijk 16,98 ug/m3 en 16,76 ug/m3 bedragen. Direct langs de Zeelandweg-Oost (als maatgevende doorgaande weg in de omgeving van het plangebied) blijken de waarden voor luchtkwaliteit ruimschoots onder de grenswaarden, uit de Wet milieubeheer, te zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In figuur 4.3 is het rekenpunt ten opzichte van het plangebied weergegeven.
39/94
Figuur 4.3 - Plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van rekenpunt (rood omcirkeld) Onderzoek NIBM De ontwikkeling maakt de realisatie van 12 glampingtenten mogelijk. Deze ontwikkeling is dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt.
De uitkomst van de NIBM-tool is dat de ontwikkeling binnen het plangebied niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
40/94
Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.8
Archeologie
Beleid en normstelling Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Bestemmingsplan In de Nederlandse wetgeving wordt aan artikel 5 uit het Verdrag van Malta invulling gegeven door middel van artikelen 38, 39 en 40 uit de Monumentenwet. In deze artikelen is bepaald dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan.
Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel. In artikel 41a van de Monumentenwet is bepaald dat artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, niet van toepassing zijn op plangebieden met een oppervlakte kleiner dan 100 m². Bij projecten die deze oppervlakte overschrijden dient het archeologisch belang altijd te worden meegewogen in de belangenafweging. Gemeenten kunnen van deze grens afwijken, mits de redenen hiervoor goed onderbouwd kunnen worden. Archeologiebeleid Gemeente Steenbergen Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk.
41/94
Onderzoek Archeologiebeleid in de gemeente Steenbergen is geregeld in onder andere de Erfgoedverordening en de archeologische waardenkaart. Het plangebied heeft op de locatie een aanduiding als een gebied met een middelhoge archeologische trefkans, waar grondwerken niet zonder meer zijn toegestaan. De verordening vereist dan ook nader onderzoek. De wet schrijft voor dat de archeologische waarden in het nieuwe bestemmingsplan moeten worden opgenomen, waarbij gebruik dient te worden gemaakt van de contouren op de cultuurhistorische waardenkaart. Echter heeft op Schapenput-de Heen, op een nabij gelegen perceel, al eerder een archeologisch onderzoek plaatsgevonden, namelijk in 2014. Op basis van het onderzoek in 2014 is geconcludeerd dat er geen behoudenswaardige resten aanwezig waren en werd dat gedeelte vrijgegeven. Het is plausibel om dit te extrapoleren naar het huidige plangebied. Op basis van de huidige inzichten en op basis van het eerdere onderzoek van 2014 heeft de gemeente geadviseerd dat de middelhoge verwachting op de archeologische waardenkaart teruggebracht kan worden tot een lage verwachting binnen het plangebied. Overigens hoort er in het bestemmingsplan geen benoeming te staan van de graafwerkzaamheden, het betreft de vraag: is hier archeologie te verwachten of niet.
Nu zegt men op pagina 42 eigenlijk: de bodemverstoringen zullen heel klein zijn, dus is er geen archeologische waarde. Dat zal aangepast moeten worden. Voor archeologie heeft de gemeente een archeologische waardenkaart. . Daarbij komt dat voor de beoogde ontwikkeling minimale graafwerkzaamheden verricht hoeven te worden, die ten alle tijden onder een eventuele vrijstelling zouden vallen. De benodigde graafwerkzaamheden zijn enkel voor ondergrondse voorzieningen zoals kabels, leidingen en rioleringen naar de glampingtenten. Conclusie Het aspect archeologie zal de uitvoering van de ontwikkeling niet belemmeren.
4.9
Cultuurhistorie
Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
42/94
Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. Onderzoek De locatie is altijd buitendijks gebied geweest. Eerst onder directe invloed van de zee en na de bouw van de sluis bij Benedensas alleen als buitendijks gebied van de Steenbergsche Vliet (zie figuur 4.4, kaartbeeld circa 1900). De meest recente ingreep in het gebied dateert van midden jaren '80 van de vorige eeuw. Door de bouw van de Philipsdam steeg het waterpeil van de Vliet met circa 80 centimeter. Daarom is door het toenmalige Hoogheemraadschap langs de hele Vliet de oever aangepakt. In die periode is het aanzien ontstaan dat het plangebied nu heeft.
Figuur 4.4 - Historische topografische kaart, circa 1900 (Bron: Topotijdreis) De cultuurhistorische waardenkaarten van zowel de gemeente Steenbergen als van de provincie Noord-Brabant zijn geraadpleegd. Daaruit blijkt dat in of in de directe nabijheid van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde element dat is opgenomen op de kaart is de Heensedijk. Het plangebied ligt op zodanige afstand van deze dijk dat de ontwikkeling geen invloed heeft op de cultuurhistorische waarde ervan.
43/94
Conclusie Het geplande ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.10 Ecologie Beleid en normstelling Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen
44/94
van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Houtopstanden Onderdeel van de Wet Natuurbescherming (Wnb) is de Boswet, dit is opgenomen onder het hoofdstuk 'Houtopstanden'. Het doel van de Boswet is het areaal bos en houtopstanden te beschermen. Bos mag daarom niet zomaar worden gekapt.
Houtopstanden die hieronder vallen, mogen enkel worden gekapt onder bepaalde voorwaarden. Zo is er een meldplicht en dient drie jaar na het kappen van de bomen hetzelfde areaal bos aanwezig te zijn in de vorm van jonge bomen. Daarnaast geldt een herplantplicht, de provincie is hiervoor het bevoegd gezag. Onderzoek Gebiedsbescherming De dichstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen; - Krammer - Volkerak op ruim 1,3km ten noordwesten van het plangebied - Oosterschelde op ruim 5,9 km ten westen In 4.5 is het plangebied (rood vierkant) ten opzichte van Natura 2000-gebieden weergegeven.
Figuur 4.5 - Plangebied (rode stip ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden.
45/94
De voornaamste verstoring voor Natura-2000 gebieden betreft stikstofdepositie, dit is berekend door middel van een AERIUS-berekening. Hierbij is onderscheidt gemaakt in de gebruiksfase en de aanlegfase. Gebruiksfase De Glampingtenten worden energie neutraal uitgevoerd en de verkeersaantrekkende werking neemt nauwelijks toe in de gebruiksfase. De stikstofdepositie in de beoogde situatie bedraagt dan ook 0,00 mol/ha/jaar. Aanlegfase De stikstofdepositie in de aanlegfase dient ook berekend te worden. De stikstofdepositie in de aanlegfase bedraagt 0,00 mol/ha/jaar. De volledige AERIUS berekening is te vinden in bijlage 2 en 3 van deze toelichting. Soortenbescherming De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 12 Glampingtenten. Hiervoor worden de volgende werkzaamheden, die mogelijk soorten kunnen verstoren, uitgevoerd: Verwijderen van bomen en begroeiing Lichte bouwwerkzaamheden Verder kunnen ook bij de ingebruikname van het gebied als verblijfs- en overnachtingsplaats mogelijk beschermde soorten worden verstoord. Het plangebied ligt immers langs het Natuurnetwerk Nederland. Bij de voorbereiding van de ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet Natuurbescherming (Wnb) de geplande ontwikkeling niet in de weg staat.
Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet Natuurbescherming zal kunnen worden verkregen. Verkennend ecologisch onderzoek Om te achterhalen welke beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn is een ecologische onderzoek uitgevoerd (E.C.O.Logisch B.V., Quickscan Camping Jachthaven de Schapenput te De Heen, 8-7-2021). Hieruit blijkt dat het projectgebied mogelijk functies herbergt voor de bever, boommarter, bunzing, hermelijn en de wezel en beschermde vleermuizen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. In het ecologisch onderzoek is aanbevolen nader onderzoek uit te voeren naar voortplantings- en rustplaatsen van de boommarter, bunzing, hermelijn en de wezel. Het projectgebied valt binnen een gedeelte van het NNN gebied de Steenbergsche Vliet. Het ontstaan van negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten.Hiervoor wordt aanbevolen een NNN toets uit te voeren. Het volledig verkennend ecologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 4. NNN-effectanalyse Na aanleiding van het verkennend ecologisch onderzoek is een NNN effectanalyse gemaakt. Hieruit blijkt dat per saldo minder overlast zal zijn op NNN gebied. De NNN effectanalyse is weergegeven in bijlage 5.
46/94
Ecologisch vervolgonderzoek Marterachtigen De onderzoekslocatie vervult redelijkerwijs een beschermde functie als vaste rust- en voorplantingsplaats en essentieel foerageergebied voor de bunzing. Voor de voorgenomen werkzaamheden is een soortenontheffing benodigd, aangezien overtreding op verbodsartikelen in de Wet natuurbescherming niet te voorkomen is; • De onderzoekslocatie vervult geen functie als migratieroute voor de bunzing; • De onderzoekslocatie vervult geen beschermde functie voor de wezel, hermelijn, steenmarter en boommarter; • De onderzoekslocatie vervult een functie voor algemene broedvogels als nestlocatie en foerageergebied; • De onderzoekslocatie vervult een functie voor algemeen grondgebonden zoogdieren als leefgebied en vaste rusten verblijfplaatsen. Aanbevelingen en adviezen Bever De bever wordt uitgesloten, het plangebied blijkt immers geen functioneel leefgebied, door het ontbreken van onder andere knaagsporen. Vleermuizen Er is gebleken dat de bomen op de onderzoekslocatie ongeschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen door de afwezigheid van geschikte openingen in de bomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De noordelijke en zuidelijke zijden van de bosschage vervullen geen functie als vliegroute door het ontbreken van een verbindende functie tussen verblijfplaatsen, foerageergebieden en/of andere vliegroutes.
In geval deze bosschage door enkele sporadische vleermuizen als vliegroute wordt gebruikt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot het verlies van de functie door het behoud van voldoende bomen om als volwaardige vliegroute te functioneren aan beide kanten. De watergang met hoge oevervegetatie blijft daarnaast aan beide zijde intact. De bosschage kan functioneren als foerageergebied voor vleermuizen. Door de voorgenomen ingreep vindt geen vermindering aan foerageergebied plaats en daarnaast wordt de onderzoekslocatie niet als een essentiële functie voor lokale populatie vleermuizen verwacht door voldoende alternatieven in de directe omgeving. Het volledig vervolgonderzoek naar vleermuizen is weergegeven in bijlage 7. Er behoeft voor de vleermuizen geen ontheffing van de bepalingen van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd Aanbevelingen Aanbevolen wordt om een ontheffingsaanvraag in te dienen bij de Omgevingsdienst Brabant -Noord voor de bunzing. Bij het indienen van de uitgevoerde onderzoeken is een ecologisch activiteitenplan een vereiste. In een ecologisch activiteitenplan staat onder andere een nadere uitwerking van de voorgenomen werkzaamheden, onderbouwing van de planontwikkeling, ecologische compensatie en maatregelen. Er dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11, Wet natuurbescherming) tijdens de werkzaamheden en in de permanente situatie.
Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het broedseizoen van vogels (maart tot september) wordt voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie geadviseerd. Daarnaast wordt geadviseerd om conform een ecologisch werkprotocol de werkzaamheden uit te voeren, in ieder geval bij het bouwrijp maken van de projectlocatie, aangezien een groot aantal soorten aanwezig is op de locatie.
47/94
Ontheffingsaanvraag De ontheffingsaanvraag wordt momenteel voorbereid en het activiteitenplan wordt opgesteld. Conclusie Het beschermingsregime en de noodzakelijke maatregelen worden uitvoerbaar geacht. Hierdoor staat het aspect ecologie, met inachtneming van deze maatregelen, de ontwikkeling niet in de weg.
4.11 Landschap Beleid en normstelling Artikel 3.9 'Kwaliteitsverbetering landschap' uit de Interim-Omgevingsverordening luidt dat 'een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving'. Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant is geregeld in het ''Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant''. De handreiking bevat afspraken die in het regionaal ruimtelijk overleg (RRO) van West-Brabant zijn gemaakt. Ruimtelijke ontwikkelingen worden in de handreiking ingedeeld in verschillende categorieën, deze zijn hieronder weergegeven.
Onderhavige ontwikkeling valt in categorie 3 van de handreiking. Deze ontwikkelingen hebben over het algemeen een beduidende invloed op de omgeving door vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of substantiële bestemmingswijziging. Uitgangspunt van de investering in het landschap is dat de kwaliteitsverbetering in verhouding moet zijn met de ruimtelijke ontwikkeling. Dat betekent dat ‘rood’ wordt omgerekend naar een tegenprestatie in euro’s, welke wordt omgezet in een fysieke tegenprestatie. Wanneer dat niet mogelijk is, kan worden volstaan met een financiële tegenprestatie, waarbij het investeringsbedrag in het groenfonds van de betreffende gemeente wordt gestort. Onderzoek Voor het bepalen van de grootte van de landschappelijke kwaliteitsinvestering dient eerst berekend te worden wat de uiteindelijke waardevermeerdering van het perceel wordt. Het perceel heeft momenteel een agrarische bestemming. Dit wordt gedeeltelijk bestemd voor 'Recreatie' en gedeeltelijk bestemd voor 'Groen'.
48/94
De bruto opbouwmaat van de tenten van de initiatiefnemer bedraagt 10 x 12 meter. Hierdoor zou elke tent een oppervlakte van circa 160m2 nodig hebben. Hierbij komt nog een toegangspad van 20 m2, daarmee omvat elke tent een opperlakte van 180m2. Met 12 tenten komt dit op totaal (=12*180m2=) 2160m2. Naast de aparte clusters dient het gezamenlijke toegangspad dat langs de zuidzijde van het gehele perceel loopt ook bestemd te worden ten behoeve van recreatie. Dit pad is circa 300 meter lang en 3 meter breed, en daarmee 900m2 groot. De totale oppervlakte ten behoeve van recreatie bedraagt daarmee 3.060m2. In de berekening hebben we dit afgerond op 3100m2. De overige ruimte op het perceel wordt bestemd voor 'groen'. In figuur 4.6 is de waardevermeerdering uitgerekend, hierbij is de huidige waarde ten opzichte van de toekomstige waarde bepaald. Waardevermeerdering Hoeveelheid
Prijs
Waarde
Huidige waarde Agrarisch
€ 69.000,11.500 m
2
€ 6,- per m
2
Toekomstige waarde Recreatie Groen
€ 69.000,€ 101.400,-
3.100 m
2
€ 30- per m
8.400 m
2
2
Waardevermeerdering
€ 1- per m
2
€ 93.000,€ 8.400,€ 32.400,-
Figuur 4.6 - Waardevermeerdering grond Uit de berekening blijkt dat er een waardevermeerdering is van € 32.400,-. De landschappelijke kwaliteitsinvestering bedraagt 20% van de waardevermeerdering van het perceel en komt daarmee op € 6.480,-. Groenplan Het groenplan voorziet in de aanplant van bomen, nieuw bosplantsoen, heesters, vaste planten en bloemrijk grasland. Hierbij is de focus gelegd op beleving: een fijne kampeerbeleving aan de waterkant in de ecologische hoofdstructuur (Natuur Netwerk Brabant). Zintuigelijke beleving zal er voor de recreanten en passanten middels de uitgekiende beplantingskeuze meer dan volop zijn: beleving voor de ogen, beleving voor de oren, beleving voor de neus en beleving voor de smaakpapillen. Er komt door dit plan een grote sprong in natuurwaarden en biodiversiteit, met recht een landschappelijke kwaliteitsimpuls. Aan de wettelijke investeringseis wordt ruimschoots voldaan. Er wordt zelfs ruim 125% van de berekende waardevermeerdering van de grond geïnvesteerd in de landschappelijke kwaliteitsverbetering. Het groenplan omvat onder meer inrichtingstekeningen per cluster, beplantingslijsten en een kostenraming. Het volledige groenplan is weergegeven in bijlage 7 van deze toelichting.
49/94
Conclusie De landschappelijke kwaliteitsinvestering staat gelijk aan de waardevermeerdering van de grond. Het aspect landschap vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12 Kabels en leidingen Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. Onderzoek In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan. Conclusie De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.13 Externe veiligheid Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Relevant is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 106 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing of bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting.
50/94
De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen Relevant is de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (circulaire RVGS) en in de toekomst ook het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid (BTEV). Op basis van de circulaire RVGS geldt het volgende: Voor bestaande situaties gelden er plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten de grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar en de streefwaarde van 10-6 per jaar. In nieuwe situaties geldt ter plaatse van kwetsbare objecten de grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR geldt een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Vooruitlopend op het BTEV zijn in de circulaire RVGS veiligheidsafstanden opgenomen uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water1. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.
Aan de hand van de Basisnetten wordt al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek
Figuur 4.7 - Uitsnede risicokaart met het plangebied groen omkaderd
51/94
Risicorelevante inrichtingen Uit de risicokaart voor Nederland blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn met een externe werking op het plangebied. Vervoer gevaarlijke stoffen Er zijn geen (spoor)wegen in de omgeving van het plangebied die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook vindt er in de omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het water. Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
52/94
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische toelichting
Algemeen
In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting.
Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld. Aangezien de ontwikkeling een uitbreiding van de bestaande jachthaven betreft, is gekozen voor een herziening van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Steenbergen - 1e herziening''.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
Recreatie - Jachthaven - 2: Deze bestemming maakt het uitoefenen van activiteiten gericht op verblijfsrecreatie mogelijk. De beoogde bestemming is geschikt voor verblijfsrecreatie verblijf met daarop 12 glampingtenten die alleen in het seizoen beschikbaar worden gesteld voor bezoekers. Ter plaatse van de bestemming zijn tevens bijbehorende voorzieningen zoals kabels, leidingen en andere aansluitingen toegestaan. Groen De bestemming groen is gebruikt voor het borgen van de groene inpassing van het recreatiegebied. Dit omvat onder andere het bosplantsoen, de bomen, de struiken, de (onverharde) paden en het kruidenrijke graslanden. Groen
53/94
54/94
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Inspraak en vooroverleg In het kader van de inspraak en vooroverleg zijn alle betrokken stakeholders geïnformeerd over het planvoornemen. De reactie van de provincie en het waterschap zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Zienswijze Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraaks van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Om een plan als dit tot een succes te maken, is het noodzakelijk om er een onderscheidend of zelfs uniek concept van te maken. In de regio zijn nog niet veel aanbieders van dergelijke recreatie mogelijkheden (momenteel is er slechts één binnen de gemeente Steenbergen). Bezien over heel Nederland zijn veruit de meeste van dit soort accommodaties te huur op campings of soortgelijke terreinen. In dit plan liggen de recreatie units echter verder uit elkaar, in de natuur, met ruim uitzicht en een directe connectie met het water door de beschikbare roeiboot. De initiatiefnemer heeft dus een heel andere beleving voor ogen. Dit plan is waarschijnlijk uniek in Nederland en daarmee zeer onderscheidend ten opzichte van de markt. Qua klanten richt Jachthaven de Schapenput zich op mensen die op zoek zijn naar rust, ruimte en natuur. De vraag hiernaar is groot, vooral bij mensen die de hectiek van alledag even helemaal willen ontvluchten. Dat deze vraag bestaat, wordt bevestigd de huidige ecovloties in het seizoen continu volgeboekt zijn.
Verwacht wordt dat die vraag zich ook vertaalt naar de Glampingtenten.
55/94
De ervaring leert dat de mensen die komen voor rust en natuur zelf ook rust houden en voorzichtig omgaan met de natuur. De verstoring van de natuur (en andere klanten) is daarom minimaal. De belangstelling voor een dergelijk concept zal naar verwachting (langzaam) moeten groeien. Daarom is het plan om de accommodaties gefaseerd te realiseren. In eerste instantie twee of vier stuks, afhankelijk van de vraag die in de aanlegfase geconstateerd wordt. Dit voorkomt leegstand in het geval dat de vraag onverhoopt toch tegen blijkt te vallen. Mocht daarentegen de vraag veel sneller stijgen dan voorzien, kunnen de overige locaties snel gerealiseerd worden. Een ander voordeel van gefaseerde realisatie is dat deze ontwikkeling vanuit eigen middelen gefinancierd wordt. Financiering van het plan is daarom geen probleem en vormt dus geen risico voor de uitvoering wanneer een bestemmingsplan is vastgesteld. Kortom; het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is en de kosten worden gedekt uit de opbrengst van de verhuur van de Glampingtenten. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Het kostenverhaal is verzekerd aangezien er een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt gesloten. Het plan is hiermee voor de gemeente een kostenneutrale ontwikkeling.
56/94