Toelichting.pdf
Tekst van het document
Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Op de CHW van de provincie Noord-Brabant valt de locatie grotendeels binnen het voormalige schootsveld.
Figuur 5.1: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant, locatie zwart omlijnd Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
25
Beleid gemeente Steenbergen In 2010 is door de gemeente Steenbergen de Erfgoednota Steenbergen en haar kansrijke verleden 20102020 vastgesteld. Een praktische beleidsnota met daarin aandacht voor het brede veld van cultureel erfgoed: gebouwde monumenten, archeologie en cultuurlandschap. Gezien diverse ontwikkelingen en veranderingen in het (nationale) erfgoedveld is de beleidsnota in 2017 geactualiseerd. Het beleid is op cultuurhistorisch vlak met name gericht op de volgende ambities voor monumenten en beeldbepalende panden: • Duurzaam behouden en ontwikkelen van de voor Steenbergen cultuurhistorisch waardevolle objecten voor nu en in de toekomst • Het behouden en versterken van de beeldkwaliteit van de historische kernen en het buitengebied Daarnaast ligt er ook de ambitie om religieus erfgoed in Steenbergen duurzaam te behouden en te ontwikkelen. In de Erfgoednota is een cultuurhistorische inventarisatiekaart opgenomen.
Historische zichtrelaties - Schootsveld Historische stedenbouw - Bebouwingsconcentraties Figuur 5.2: Uitsnede Cultuurhistorische inventarisatiekaart gemeente Steenbergen, locatie zwart omcirkeld
Conclusie Volgens de CHW van de provincie Noord-Brabant is de planlocatie voor een groot deel gelegen binnen een vlak met cultuurhistorische waarde, namelijk het voormalige schootsveld. Het schootsveld was vroeger het gebied dat door een vuurwapen bestreken werd. In een dergelijk gebied mochten vroeger geen zichtbeperkende objecten worden aangebracht. Volgens de gemeentelijke cultuurhistorische inventarisatiekaart is de planlocatie gelegen binnen het vlak ‘Historische stedenbouw - Bebouwingsconcentraties’ en deels gelegen binnen het voormalige schootsveld. Als gevolg van ingrepen uit het verleden (met name inbreiding) is het voormalige schootsveld ter plaatse van de planlocatie volgebouwd en niet meer waarneembaar. Buiten de vesting is het Schootsveld nog onbebouwd. Dit bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die de cultuurhistorische waarden van het voormalige schootsveld kunnen aantasten. Vanwege de nabije ligging tot de oude stadskern dient nieuwe bebouwing zorgvuldig te worden ingepast en qua korrelgrootte en uitstraling aan te sluiten op de omgeving. Het voorlopig stedenbouwkundig plan speelt hierop in en het bouwplan zal worden getoetst door de Commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK). Het planvoornemen vormt geen belemmering voor het behoud van deze cultuurhistorisch waardevolle elementen. 5.1.2
Archeologie
Landelijk beleid In het landelijk beleid betreffende archeologie is het bewaren van archeologische waarden in situ (in de bodem) het uitgangspunt. Nederland heeft namelijk in 1992 het Verdrag van Valletta/Malta getekend waarin behoud van archeologische waarden in situ voorop staat. Met de Wijzigingswet (Wamz 2007) op o.a. de Monumentenwet 1988 is dit in Nederland van kracht geworden. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-72016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2024 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
26
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
Beleid gemeente Steenbergen In 2010 is door de gemeente Steenbergen de Erfgoednota Steenbergen en haar kansrijke verleden 20102020 vastgesteld. Een praktische beleidsnota met daarin aandacht voor het brede veld van cultureel erfgoed: gebouwde monumenten, archeologie en cultuurlandschap. Gezien diverse ontwikkelingen en veranderingen in het (nationale) erfgoedveld is de beleidsnota in 2017 geactualiseerd. In de Erfgoednota is ook een archeologische inventarisatie- en verwachtingenkaart opgenomen.
Historische kernen Hoge archeologische verwachting Middelhoge archeologische verwachting (ondiep) Middelhoge archeologische verwachting (dekzand) Lage archeologische verwachting Geen archeologische verwachting Attentiegebied militair Attentiegebied steentijd
Figuur 5.3: Uitsnede archeologische inventarisatie- en verwachtingenkaart Steenbergen, locatie zwart omcirkeld
Uit de archeologische inventarisatie- en verwachtingenkaart blijkt dat de planlocatie ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachting, de historische kern van Steenbergen. Vanwege deze hoge archeologische verwachting heeft er een verkennend archeologisch onderzoek plaats gevonden. Conclusie Er is door Transect een archeologisch bureau-onderzoek en een inventariserend verldonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat vanaf een diepte van circa 20 centimeter onder maaiveld resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig kunnen zijn. Deze resten hangen samen met de haven en de vesting Steenbergen. Er wordt geadviseerd de hoge archeologische verwachting van het plangebied als zodanig uit te werken. In het kader van de uiteindelijke ontwikkeling wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren (inventariserend veldonderzoek, karterend/waarderende fase). Dit onderzoek kan zich dan richten op zowel lineaire elementen op de verschillende kaarten (de haven en de kadewal), als op eventueel onbekende, niet op kaarten ingetekende structuren. Een dergelijk onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Hiervoor is op voorhand van het onderzoek een Programma van Eisen (PVE) nodig, dat door de gemeente moet zijn beoordeeld en goedgekeurd.
De resultaten van het vervolgonderzoek zullen te zijner tijd worden opgenomen in deze toelichting. De archeologische dubbelbestemming wordt in dit bestemmingsplan gehandhaafd zodat eventuele archeologische resten bescherming kennen. Ter plaatse van de planlocatie is een archeologische dubbelbestemming opgenomen waarin staat dat er een onderzoeksplicht geldt voor ingrepen van meer dan 100 m² en een diepte van meer dan 50 centimeter onder maaiveld. 5.2
Bodem
Onderzoek Tritium Advies heeft voor de planlocatie een bodemonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen herinrichting van de onderzoekslocatie. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan.
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
27
Conclusie In het rapport is opgenomen dat de aangetoonde verontreinigingen in overeenstemming zijn met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetoonde gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek leveren geen beperkingen op ten aanzien van het voorgenomen gebruik van de locatie. In de grond zijn (bijmengingen met) puin waargenomen. Puin van onbekende herkomst en kwaliteit dient als asbestverdacht te worden beschouwd. Derhalve wordt in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit geadviseerd een verkennend asbestonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek zal, vooruitlopend op (grond)werkzaamheden in het gebied, worden uitgevoerd. De resultaten hiervan zullen te zijner tijd worden opgenomen in deze toelichting. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. 5.3
Milieu
5.3.1 Flora en Fauna In het kader van de natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Het plangebied ligt buiten beschermde (natuur)gebieden zoals het NNB (Natuur Netwerk Noord-Brabant, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) of een Natura-2000 gebied. Onderzoek Regelink ecologie en landschap b.v. heeft voor de planlocatie een gebiedsbrede potentie-inschatÝng uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Gebiedsbrede potentie-inschatÝng Woningbestand Stadlander West-Brabant, documentkenmerk: RA20083-01, 01 december 2020’. De rapportage gaat over verschillende deelgebieden gelegen in de gemeentes Steenbergen en Woensdrecht. Hieronder worden de bevindingen en conclusies voor het deelgebied aan de Gummarusvelden en het Doktersdreefje in Steenbergen verder toegelicht. Gebieden De planlocatie ligt op respectievelijk circa 9 kilometer en circa 5 kilometer van de Natura 2000-gebieden ‘Oosterschelde‘ en ‘Krammer-Volkerak‘. Door de ligging van de planlocatie in de bebouwde kom en de aanwezigheid van bebouwing en wegen tussen de planlocatie en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring als gevolg van de ingreep op Natura 2000-gebieden uitgesloten.
ca. 5 km ca. 9 km
Krammer-Volkerak Oosterschelde Figuur 5.4: Uitsnede kaart Natura-2000 gebieden, locatie zwart omcirkeld
28
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
De realisatiefase veroorzaakt stikstofuitstoot door het gebruik door het (beperkt) gebruik van machines en door woon-werk-verkeer. Een aanvullende toetsing met een AERIUS-berekening om de stikstofdepositie te berekenen is daarom nodig. Deze berekening stikstofdepositie is uitgevoerd en wordt toegelicht in paragraaf 5.3.2.
Droog bos met productie Haagbeuken- en essenbos Kruiden- en faunarijk grasland Beek en bron Figuur 5.5: Uitsnede kaart NNB, locatie zwart omlijnd
De planlocatie ligt buiten gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat een nader onderzoek naar de soorten huismus, gierzwaluw en vleermuis noodzakelijk is. Regelink, ecologie en landschap, heeft dit onderzoek uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat binnen de planlocatie geen nestlocaties van de huismus en gierzwaluw aanwezig zijn. Wel zijn er binnen de planlocatie verblijfplaatsen en paarterritoria van vleermuizen aanwezig. Door de voorgenomen ontwikkeling verdwijnt er één kraamverblijfplaats en vijf paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Ook verdwijnt er bij uitvoering één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis. Daarnaast bestaat het risico dat tijdens de werkzaamheden dieren worden gedood of verwond. Voordat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, dient een mitigatieplan opgesteld te worden. In dit plan staat beschreven op welke manier de negatieve effecten worden verzacht dan wel worden voorkomen: • Er dient een onthefÏng van de Wet natuurbescherming (Wnb) te worden aangevraagd, het mitigatieplan dient als onderbouwing bij de onthefÏngsaanvraag. Bij de onthefÏngsaanvraag is er een wettelijk belang nodig én dient de staat van instandhouding niet te verslechteren door de ingreep.
In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die vastlegt dat de gronden ter plaatse van de bestemming ´Woongebied´ pas mogen worden bebouwd en in gebruik worden genomen nadat er onthefÏng op de Wnb is verleend door het bevoegd gezag. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden.
Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
29
5.3.2 Stikstofdepositie De diversiteit van de natuur gaat in Europa al lange tijd achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna wordt daarom op Europees niveau als noodzakelijk gezien en heeft vorm gekregen in Natura 2000. Dit is een netwerk van waardevolle natuurgebieden in de Europese Unie. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. In Nederland is het Programma Aanpak Stikstof opgezet om de doelen van Natura 2000 te realiseren en ook tegelijkertijd ruimte voor economische ontwikkeling toe te staan. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Derhalve moet worden gesteld dat vergunningen nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van (een toename van) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. In dat geval is er in ieder geval geen sprake van significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof en is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) niet aan de orde. Hoewel plannen niet vergunningsplichtig zijn onder de Wnb (het opstellen van plannen is niet aan te merken als stikstof producerende activiteit) is het wel mogelijk het rekeninstrument AERIUS te gebruiken om het (bestemmings)plan op haalbaarheid te toetsen.
Uit het rekeninstrument AERIUS blijkt of er sprake is van stikstofdepositie ten gevolge van het plan. Dit geeft een beeld over de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor wat betreft de Wnb. Tritium Advies B.V heeft voor de planlocatie een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn vervat in het rapport ´Berekening stikstofdepositie Gummarushofjes te Steenbergen, Tritium Advies B.V., documentkenmerk 2502816JK-01, 4 augustus 2025’. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig. De meest nabij gelegen stikstofgevoelig habitat ligt in het Natura 2000-gebied ‘Krammer-Volkerak’ op ca. 5,4 kilometer afstand. Conclusie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2024.2.1. blijkt dat er ten gevolge van het planvoornemen geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden ten gevolge van de gebruiks- en aanlegfase in de verschillende rekenjaren. Een vergunning ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is derhalve niet aan de orde. Bovendien moet worden opgemerkt dat er géén rekening is gehouden met interne saldering en er desondanks geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden.
De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van de uitvoering van het beoogde planvoornemen.
5.3.3
Waterparagraaf
Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren.
De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking 30
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo). Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP 2022-2027) vastgesteld op 3 december 2021. Een belangrijk uitgangspunt van het programma is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water-en bodemsysteem in 2050. Het RWP beschrijft de KRW-doelen, de vertaling naar de uitvoering, de randvoorwaarden voor de te behalen doelen en bijgaande onzekerheden en hoe daarmee omgegaan wordt. Dit alles met als doel om in 2027 te voldoen aan de normen van de Europese KRW waarbij de grondwatervoorraad weer in balans is en de hydrologische randvoorwaarden voor natuur op orde zijn. Ook wordt met het RWP voldaan aan de verplichtingen uit de Europese Richtlijn OverstromingsRisico’s (ROR).
Binnen de Waterwet, en straks de nieuwe Omgevingswet, vormt het RWP van de provincie Noord-Brabant, samen met het Nationaal Waterprogramma en de waterbeheerplannen van de waterschappen, het planstelsel voor het waterbeleid. Provincies leggen op regionaal niveau de strategische doelen vast. In de waterbeheerplannen van de waterschappen worden de voorwaarden voor uitvoering daarvan opgenomen. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het beleid van het Waterschap Brabantse Delta is voor de komende jaren vastgelegd in het Waterbeheer programma 2022 – 2027 ‘Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater.
De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. (rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)). Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) gemeente Steenbergen Door middel van het GRP 2020-2023 legt de gemeente Steenbergen vast wat ze wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het beschrijft de uitdagingen op korte en lange termijn. Het GRP vervult vier hoofdfuncties:
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
31
1. Kader gemeentelijke zorgplichten • overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater; 2. Interne afstemming • met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners; 3. Externe afstemming • gemeentelijke partners zoals scholen, maatschappelijke instellingen, (sport)verenigingen maar ook burgers en bedrijven; 4. Continuïteit en voortgangsbewaking • vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie). In het plan is vastgelegd dat de particulier primair verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater is. Waar dit redelijkerwijs niet mogelijk is kan een aansluiting op de gemeentelijke riolering worden overwogen. In gescheiden gerioleerde wijken en bij nieuwbouw zal de particulier het hemelwater gescheiden van het afvalwater moeten aanbieden (conform het bouwbesluit). In drukrioleringsgebieden dient de particulier het hemelwater op zijn perceel zelf te verwerken. Dit mag niet worden aangesloten op de drukriolering. Bij ontwikkelingen > 2.000 m2 gelden de regels van de Brabant Keur ten aanzien van het realiseren van waterberging.
Bij woningbouwontwikkelingen ≥ 500 m2 en < 2.000 m2 is het streven om - indien doelmatig en inpassend in de omgeving - de regels van de Keur eveneens toe te passen. Compenserende maatregelen i In het beoogde plan is er sprake van sloop van bestaande woningen en de ontwikkeling van nieuwe woningen. Om een goed beeld te geven over de retentie opgave is berekend wat het huidige en het toekomstige verhard oppervlak ter plaatse van de planlocatie is. Het toekomstige aandeel verharding is berekend aan de hand van het stedenbouwkundig plan. In de nieuwe situatie zal het aandeel verhard en bebouwd oppervlak toenemen met circa 850m2 tot 900m2. Omdat de toename van het aandeel verhard en bebouwd oppervlak meer bedraagt dan 500 m2 (en minder dan 10.000 m2) wordt de rekenregel door het waterschap Brabantse Delta toegepast en moeten er compenserende maatregelen worden getroffen. Om invulling van de waterbergingsopgave in het bestemmingsplan vast te leggen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De gronden met de bestemming ‘Woongebied’ mogen slechts worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat binnen de planlocatie voldoende waterberging is gerealiseerd en in stand gehouden wordt. De nadere uitwerking van de waterberging dient nog plaats te vinden. In het plan zijn echter groene ruimten aanwezig die inzetbaar zijn voor het realiseren van waterberging.
Daarnaast zijn andere oplossingen voor waterberging, zoals infiltratiekratten onder parkeerkoffers, denkbaar. De verwachting is dan ook dat de waterbergingsopgave goed opgelost kan worden in het plan.
5.3.4
Wegverkeerslawaai
Beleid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, scholen, ziekenhuizen, etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In de Wet Geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied. Voor woningen binnen een onderzoekszone is een maximaal toelaatbare geluidsbelasting (Lden) op de gevel ten gevolge van verkeerslawaai vastgesteld op 48 dB (voorkeursgrenswaarde) en een maximaal te verlenen onthefÏngswaarde van 63 dB voor het binnenstedelijk gebied. Conclusie Op circa 800 meter afstand tot de planlocatie ligt de Rondweg-Oost. De Rondweg-Oost betreft een 80 km/uur weg. Voor wegen buiten de bebouwde kom, en bestaande uit twee rijstroken, geldt een geluidszone van 250 meter. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling buiten de zone valt en er dus geen onderzoeksplicht geldt. 32
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
De planlocatie is gelegen in een rustige omgeving in het centrum van Steenbergen. Het Doktersdreefje, Noordwal, Nieuwstad, Jan van Bruhezestraat en Oostdam zijn wegen rondom de planlocatie en betreffen wegen met een 30-km-regime. Voor 30 km/u wegen geldt op grond van de Wet geluidhinder geen onderzoeksplicht. De nieuw te bouwen woningen zullen aan het binnenniveau van 33 dB moeten voldoen. Daarmee zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.
5.3.5
Bedrijven en milieuzonering
Beleid Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
Kantoor Dokstersdreefje 2 Nutsvoorziening Oostdam (achter 19) St.Gummaruskerk Westdam 83 Detailhandel Oostdam 28 Detailhandel Grote Kerkstraat 5-7 Figuur 5.5: Overzicht omliggende bedrijven, planlocatie zwart omlijnd
Gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De planlocatie is gelegen aan de Gummarusvelden en het Doktersdreefje in het centrum van Steenbergen. Hier komen op een relatief korte afstand verschillende functies voor. Zo zijn in de omgeving van het plangebied onder meer de bestemmingen ‘Detailhandel’, ‘Maatschappelijk’, ‘Horeca’, ‘Wonen’ en ‘Bedrijf’ gelegen. Gelet op het gemengd voorkomen van deze functies kan het gebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden als opgenomen in de VNG-publicatie kunnen hierdoor met één afstandsstap worden teruggebracht. In de omgeving van de planlocatie zijn planologisch gezien meerdere bedrijven mogelijk. Achter het perceel aan de Oostdam 19 is een nutsvoorziening gesitueerd die valt onder milieucategorie 2. De richtafstand voor nutsvoorzieningen in deze categorie bedraagt 30 meter. Bij toepassing van de classificatie ‘‘Gemengd gebied’’ kan deze afstand worden terug gebracht naar 10 meter. De feitelijke afstand tussen de planlocatie en de nutsvoorziening bedraagt circa 20 meter.
Er wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter.
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
33
Aan de Westdam 83 is de Sint-Gummaruskerk gesitueerd. De kerk valt onder milieucategorie 2 en heeft een richtafstand van 10 meter, bij toepassing van de classificatie ‘gemengd gebied’. De feitelijke afstand tussen de planlocatie en de kerk bedraagt circa 15 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand van 15 meter. In de huidige situatie zijn er al al woningen gelegen op een kortere afstand tot de kerk. Aan de Oostdam 28 is detailhandel gevestigd. Het bedrijf valt onder milieucategorie 1 en heeft een richtafstand van 10 meter en bij toepassing van de classificatie ‘Gemengd gebied’ 0 meter (bouwkundige scheiding). De feitelijke afstand tussen de planlocatie en het bedrijf bedraagt circa 70 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Aan de Grote Kerkstraat 5-7 is detailhandel gevestigd. Dit bedrijf valt onder milieucategorie 1 en heeft een richtafstand van 10 meter en bij toepassing van de classificatie ‘Gemengd gebied’ 0 meter (bouwkundige scheiding). De feitelijke afstand tussen de planlocatie en het bedrijf bedraagt circa 70 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Aan Doktersdreefje 2 is een kantoor mogelijk. Dit bedrijf valt onder milieucategorie 1 en heeft een richtafstand van 10 meter en bij toepassing van de classificatie ‘Gemengd gebied’ 0 meter (bouwkundige scheiding). De feitelijke afstand tussen de planlocatie en het bedrijf bedraagt circa 35 meter.
Er wordt voldaan aan de richtafstand. Adres
Functie
Oostdam (achter 19)
Categorie
Richtafstand
Richtafstand Feitelijke afstand bij toepassing tot plangebied gemengd gebied
Voldoet
Nutsvoorziening categorie 2
30 m
10 m
ca. 20 m
Ja
Westdam 83
Kerk
categorie 2
30 m
10 m
ca. 15 m
Ja
Oostdam 28
Detailhandel
categorie 1
10 m
0m
ca. 70 m
Ja
Grote Kerkstraat 5-7
Detailhandel
categorie 1
10 m
0m
ca. 70 m
Ja
Doktersdreefje 2
Kantoor
categorie 1
10 m
0m
ca. 35 m
Ja
Figuur 5.6: Overzicht omliggende bedrijven
Conclusie In de omgeving van de planlocatie zijn planologisch gezien vijf bedrijven mogelijk. In beginsel kan er aan de richtafstand van twee van deze bedrijven niet worden voldaan. Het gaat om de kerk en een nutsvoorziening. Gelet op het feit dat de planlocatie in gemengd gebied is gelegen kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden teruggebracht. Daarmee kan er worden voldaan aan alle richtafstanden. Omdat er in de huidige situatie op een kortere afstand tot de bedrijven reeds bestaande kwetsbare objecten (woningen) zijn gelegen worden de uitbreidingsmogelijkheden van deze bedrijven door de beoogde ontwikkeling niet beperkt. Geurhinder Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van (individuele) veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn. In artikel 3 van de Wgv zijn de geurnormen opgenomen.
Voor bedrijven waarvoor een geuremissie is vastgesteld gelden de richtafstanden uit de VNG-brochure voor de afstand tot een geurgevoelige functie. Er zijn ook diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Hiervoor gelden minimaal aan te houden afstanden. Deze zijn opgenomen in artikel 4 van de Wgv. De minimale afstandseisen zijn van toepassing: • 100 meter bij ontwikkelingen gelegen binnen de bebouwde kom • 50 meter bij ontwikkelingen gelegen buiten de bebouwde kom Bij het onderscheid binnen de bebouwde kom/buiten de bebouwde kom gaat het om de ligging van het geurgevoelige object. De planlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom. In de omgeving van de planlocatie zijn er planologisch gezien geen agrarische bedrijven mogelijk. Het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf betreft een veehouderij aan de Groeneweg 4 en is gelegen op circa 900 meter afstand van de planlocatie. 34
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
Conclusie In de omgeving van de planlocatie zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Het aspect geurhinder heeft geen negatieve effecten op de beoogde planontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect “milieuzonering bedrijven” er geen beperkingen zijn voor de geplande ontwikkeling ter plaatse van de planlocatie. 5.3.8 Luchtkwaliteit Sinds 2007 is de nieuwe Wet luchtkwaliteit in werking getreden. In deze wet zijn grenswaarden opgenomen die bindend zijn voor de overheid. In de wet wordt aangegeven dat bij uitoefening van bestuurlijke bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit ten aanzien van een bepaalde luchtverontreinigende stof de betreffende grenswaarden in acht moeten worden genomen. Omdat grenswaarden bindend zijn, stellen ze beperkingen aan activiteiten waardoor overschrijding van de grenswaarden voor de buitenluchtkwaliteit geldt. Een toetsing aan grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer is in dit project niet aan de orde. De geringe omvang van het plan impliceert dat ‘in niet betekenende mate wordt bijgedragen’ aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Figuur 5.9: NIBM berekening
Conclusie De huidige luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Op de kaart van de NSL Monitoringstool blijkt dat de concentraties aan NO2, O3, PM10 en PM2,5 lager liggen dan de hiervoor geldende grenswaarden. Het plan is dermate beperkt van aard dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Grenswaarden worden niet overschreden als gevolg van deze ontwikkeling. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. 5.4 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimumbeschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (het groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord binnen het invloedsgebied. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het “Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in het “Besluit externe veiligheid transportroutes” en het “Besluit externe veiligheid buisleidingen”(Bevb). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg). De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
35
Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatÝng te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In het kader van de verantwoording van het groepsrisico moet advies gevraagd worden aan de regionale brandweer.
Natte koeltoren Tankstation
Figuur 5.10: Uitsnede risicokaart, planlocatie zwart omlijnd
Op een afstand van circa 700 meter ten oosten van de planlocatie is een tankstation gelegen. Aan de richtafstand van 50 meter wordt ruimschoots voldaan. Op een afstand van circa 740 meter ten westen van de planlocatie is een natte koeltoren gelegen. Volgens het RIVM is er sprake van het laagste risicoklasse als een natte koeltoren minstens 600 meter van een woonomgeving vandaan staat. Dat is in deze situatie het geval. De dichtsbijzijnde gasleiding ligt op circa 1.2 kilometer afstand ten zuiden van de planlocatie. Conclusie Uit de risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat de planlocatie niet ligt binnen: • het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; • de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • het invloedsgebied van een basisnet; • een toekomstig plasbrandaandachtsgebied en • het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
36
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
5.5 Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen die vanuit planologisch opzicht van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling.
5.6 Vormvrije m.e.r. beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. In de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Het planvoornemen behoort tot de categorie D11.2 ‘De aanleg, wijziging, of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’, zoals genoemd in de bijlage bij het besluit milieueffectrapportage. Het plan blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Wel is een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling nodig. Conclusie Gelet op de geringe omvang van het project, de in het kader van dit bestemmingsplan uitgevoerde analyses en onderzoeken (zie ook de voorgaande paragrafen) én het verschil tussen de daadwerkelijke activiteit in relatie tot de drempelwaarden waaruit een m.e.r.-beoordelingsplicht voortvloeit (vanaf 75 ha.), kan geconcludeerd worden dat bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen onevenredige nadelige milieueffecten voortkomen die het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van de m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Het plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.
Deze is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
37
6
Juridische aspecten
6.1. Het juridische plan Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen binnen het gebied van deze herziening. Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) gehanteerd. Zo zijn de bestemmingen qua benaming en volgorde afgestemd op de SVBP 2012. Het bestemmingsplan is afgestemd op de Wro en het Bro. Daarnaast zijn de op grond van de Bro verplicht gestelde regels voor het overgangsrecht en de anti-dubbeltelregel conform de daarvoor gestelde standaarden in de regels opgenomen. Ook de Wro biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot uit te werken. Het onderhavige bestemmingsplan is niet zeer gedetailleerd, maar wel gebaseerd op het stedenbouwkundig plan. Het bestemmingsplan biedt nog enige flexibiliteit. Voor het plangebied is de planopzet primair gericht op ontwikkeling. Één en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan. 6.2.
Beschrijving van de bestemmingen
6.2.1 Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 van de regels bevat bepalingen die, net als de in hoofdstuk 3 opgenomen “Algemene regels”, algemeen gelden voor alle bestemmingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen (artikel 1) en het artikel betreffende de wijze waarop bijvoorbeeld hoogtematen en oppervlaktematen moeten worden gemeten en berekend. In Hoofdstuk 3 zijn onder andere procedureregels, algemene gebruiksregels en flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In Hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en de slotregel opgenomen. 6.2.2
Bestemmingen
Groen De voor de bestemming ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, in-en uitritten en water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, kunstobjecten en straatmeubilair. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen of speelvoorzieningen worden gebouwd. De oppervlakte van deze gebouwen mag niet meer bedragen dan 25m2 en de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter. Woongebied De voor de bestemming ‘Woongebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken geen gebouwen zijnde, erven, tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, wegen en paden, in/ uitritten, kunstobjecten en straatmeubilair. Het aantal woningen binnen de bestemming mag niet meer bedragen dan 79. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak worden gebouwd. Er zijn aaneengebouwde en twee-aaneengebouwde woningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ zijn tevens gestapelde woningen toegestaan. Maximale goot- en bouwhoogtes zijn per bouwvlak vastgelegd op de verbeelding. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor natuurbescherming.
De gronden met de bestemming ‘Woongebied’ mogen worden bebouwd en gebruikt onder de voorwaarde dat onthefÏng op de Wet natuurbescherming is verleend door het bevoegd gezag. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor waterberging. De gronden met de bestemming ‘Woongebied‘ mogen worden bebouwd en gebruikt onder de voorwaarde dat voldoende waterberging is gerealiseerd conform het geldende beleid van het bevoegd gezag. Tenslotte is in de regels opgenomen dat er 94 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden voor maximaal 79 woningen.
38
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
Waarde - Archeologie De voor ‘Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Ter plaatse van deze gronden mogen bestaande bouwwerken worden herbouwd of verbouwd, mits de bestaande oppervlakte en de bestaande diepte niet worden uitgebreid. Nieuwe bouwwerken mogen worden gebouwd, mits de diepte niet meer bedraagt dan 0,50 m en de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m2. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken en een omgevingsvergunning verlenen indien de archeologische waarden in voldoende mate zijn zekergesteld of die waarden niet worden geschaad. 6.2.3
Algemene regels en slotbepaling
Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Algemene bouwregels In dit artikel zijn de algemeen geldende regels opgenomen ten aanzien van de maten van bestaande bebouwing. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn de algemeen geldende regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het bouwen van gebouwen, het overschrijden van bebouwingsgrenzen en het afwijken van de bestemmingsgrenzen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn algemene wijzigingsregels opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders om bestemmingen te wijzigen voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemming of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag niet meer dan 20% worden vergroot. Algemene procedure regels Algemene procedureregels waarin is bepaald welke procedure doorlopen wordt bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid.
Overige Regels De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Indien het strijdig gebruik na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode van langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan “Gummarushofjes”.
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
39
7
Uitvoerbaarheid
7.1. Economische uitvoerbaarheid Naast de planologische haalbaarheid van het project zoals getoetst in voorgaande paragrafen, zal ook inzicht moeten worden gegeven in de financiële uitvoerbaarheid van het project (artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro)). Onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening vormt de mogelijkheid om bij de ontwikkeling van bouwlocaties een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Dit vindt plaats door een exploitatieplan, waarin deze verdeelsleutel vast ligt. In de toelichting op elk bestemmingsplan moet aandacht worden besteed aan het exploitatieplan. In het Bro (artikel 6.2.1) is voorgeschreven voor welk type bouwplannen een exploitatieplan moet worden opgesteld, indien het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd. Het gaat om onder andere nieuwbouwplannen, zoals thans aan de orde. Uiteraard moet sprake zijn van kosten, die verhaalbaar zijn. Van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het verhaal van kosten op een andere wijze verzekerd is en/of het instellen van inrichtingseisen via een exploitatieplan niet nodig is. De verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan vervalt hierdoor. De gemeente Steenbergen heeft een overeenkomst gesloten met woningcorporatie Stadlander ter borging van het kostenverhaal.
7.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omgevingsdialoog Op 6 juni 2023 is er in het kader van de beoogde ontwikkeling een inloopavond georganiseerd. Tijdens deze inloopavond zijn belanghebbenden over het plan geïnformeerd en kregen zij de kans om zowel mondeling als schriftelijk te reageren op het plan. Een verslag van de inloopavond is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Reacties op ontwerp bestemmingsplan Het voorontwerp bestemmingsplan is in juni 2023 ter beoordeling naar de provincie Noord-Brabant gestuurd. De provincie heeft het plan bekeken aan de hand van de provinciale belangen zoals die zijn verwoord in de Brabantse Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De provincie heeft aangegeven dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 1 november 2023 tot 14 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Er zijn in totaal vijf zienswijzen ingediend. Na de termijn van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan hebben omwonenden vragen gesteld over het plan. Alhoewel de termijn was gesloten zijn de belangen van deze omwonenden (ondanks het ontbreken van een zienswijze) meegewogen.
In de bij dit bestemmingsplan gevoegde nota van zienswijzen is de inhoud van de zienswijzen verkort weergegeven alsmede de reactie vanuit de gemeente. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan. Daarnaast is er sprake van een aantal ambtshalve wijzigingen. Ook die staan vermeld in de nota van zienswijzen.
40
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Gummarushofjes’ - 28 juli 2025
41
Spijksedijk 8 4207 GN Gorinchem t 0183 - 821 497 w welmersburgstedenbouw.nl e info@welmersburg.nl