Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio West-Brabant West.pdf
Tekst van het document
Versie 3 december
Gemeenschappelijke Regeling Jeugdregio West-Brabant West Initulé Gemeenschappelijke Regeling Jeugdregio West-Brabant West De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft, overwegende dat: -
-
de regio West-Brabant West al ruim tien jaar samenwerkt op het gebied van Jeugdzorg; de verantwoordelijkheid voor het organiseren van jeugdzorg een grote uitdaging vormt, waarin gemeenten van elkaar kunnen leren en elkaar kunnen versterken door nader samen op te trekken; de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg minimumeisen stelt aan de regionale samenwerking in de jeugdzorg;
gelet op: -
artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en artikel 2.18 van de Jeugdwet; de verkregen toestemming van de raden van de gemeenten Bergen op Zoom, EttenLeur, Halderberge, Moerdijk, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert;
besluiten dat: de navolgende gemeenschappelijke regeling onder de naam “Gemeenschappelijke Regeling Jeugdregio West-Brabant West ” vast te stellen, luidende als volgt:
HOOFDSTUK I | ALGEMENE BEPALINGEN Begripsbepalingen Artikel 1 Begrippen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. b. c. d. e. f.
‘colleges’: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten; ‘gemeente’: een aan deze regeling deelnemende gemeente; ‘lichaam’: openbaar lichaam bedoeld in artikel 2; ‘regeling’: Gemeenschappelijke Regeling Jeugdregio West-Brabant West ; ‘uitvoerende gemeente’: door het algemeen bestuur aangewezen gemeente die in opdracht van en namens het algemeen of dagelijks bestuur belast is met de uitvoering van een of meerdere taken uit artikel 4. ‘wet’: Wet gemeenschappelijke regelingen;
Het openbaar lichaam
1
Versie 3 december Artikel 2 Openbaar lichaam 1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd Jeugdregio West-Brabant West. Het is gevestigd te Roosendaal. 2. Het rechtsgebied van het lichaam omvat het grondgebied van de gemeenten Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert.
HOOFDSTUK II | DOELSTELLING EN TAKEN Doelstelling Artikel 3 Doelstelling De regeling heeft tot doel te zorgen voor een kwalitatief goede en efficiënte uitvoering van de Jeugdwet, waarvan de kaders zijn vastgelegd in de regiovisie jeugd, in het bijzonder het borgen van de toegankelijkheid, beschikbaarheid en betaalbaarheid van jeugdzorg, door uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 4.
Taken Artikel 4 Taken 1. In het kader van de in artikel 3 genoemde doelstelling zijn de taken van het lichaam in ieder geval: a. het contracteren en/of subsidiëren van aanbieders van (hoog)specialistische jeugdzorg en het uitvoeren van daarmee verband houdende taken en werkzaamheden in het kader van de Jeugdwet. Dit eerste omvat in elk geval, maar beperkt zich niet tot, de vormen van jeugdzorg die op grond van de Jeugdwet regionaal ingekocht moeten worden, in zoverre deze niet al op bovenregionale of landelijke schaal ingekocht worden; b. het uitvoeren van contract- en accountmanagement bij de gecontracteerde aanbieders; c. het verzamelen, verwerken en inzichtelijk maken van informatie over aanbieders en de jeugdigen die zij ondersteunen, ten behoeve van een goede uitvoering van het onder sub b genoemde; d. het voeren van regionaal beleid voor de vormen van jeugdzorg bedoeld in sub a; e. het afstemmen met andere Jeugdregio’s of colleges van regio’s om beschikbaarheid van bepaalde vormen van aanbod te borgen; f. alle ondersteunende activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering het onder sub a t/m e. genoemde. 2. Het lichaam organiseert het regionale expertteam, voor het vinden van passende oplossingen voor jeugdigen met complexe problematiek; 3. Het lichaam faciliteert het gezamenlijk overleg tussen de gemeenten inzake de uitvoering van de Jeugdwet. 4.
Binnen het kader van de in artikel 3 genoemde doelstelling kunnen colleges besluiten tot uitbreiding van de reikwijdte van het te voeren beleid bedoeld in lid 1 sub d. 5. Binnen het kader van de in artikel 3 genoemde doelstelling kan het lichaam diensten verlenen aan deelnemende gemeenten op hun verzoek.
HOOFDSTUK III | HET ALGEMEEN BESTUUR Samenstelling
2
Versie 3 december Artikel 5 Samenstelling 1. Elk deelnemend college wijst uit zijn midden één lid en één plaatsvervangend lid aan voor het algemeen bestuur. 2. Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden het dagelijks bestuur, een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan. 3. Plaatsvervangende leden en voorzitter nemen de taken van de leden en de voorzitter waar bij hun afwezigheid of ontstentenis. Artikel 6 Zittingsduur en aftreden van de leden 1. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van het college. Bij de aanvang van elke zittingsperiode vindt de aanwijzing plaats in een van de eerste vergaderingen van de colleges. 2. De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw gekozen leden van het algemeen bestuur in functie treden. 3. De leden van het algemeen bestuur treden af op het moment van verlies van het wethouderschap of van het voorzitterschap van het college. 4. Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het algemeen bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats het lid is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 5. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen.
Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur, alsmede de voorzitter van het college dat hen heeft aangewezen, schriftelijk op de hoogte. Onverminderd het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de wet, behouden leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.
Werkwijze Artikel 7 Vergaderfrequentie Het algemeen bestuur vergadert ten minste vier maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt, dan wel ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoeken. In het laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken. Artikel 8 Besluitvorming 1. Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd. 2. Bij het nemen van besluiten door het algemeen bestuur wordt te allen tijde gestreefd naar consensus. Indien het op hoofdelijke stemming aankomt, brengen de leden voor de gemeente die zij vertegenwoordigen ieder één stem uit. 3. Besluiten worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen van de aanwezige leden, tenzij de regeling anders bepaalt. 4. In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan niet beraadslaagd worden noch een besluit worden genomen over: a. de vaststelling en wijziging van de begroting; b. de vaststelling van de jaarrekening; c. het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen of opheffen van de regeling; d.
het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan; e. benoeming en ontslag van leden van het dagelijks bestuur. 5. In een besloten vergadering van het algemeen bestuur kan geen besluit worden genomen over het doen van een uitgave voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij deze uitgave is geraamd, is goedgekeurd. 3
Versie 3 december Artikel 9 Reglement van orde 1. Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. 2. Dit reglement, alsmede een wijziging hiervan, wordt ter kennisneming aan de gemeenten toegezonden.
Bevoegdheden Artikel 10 Bevoegdheden 1. Het algemeen bestuur kan een uitvoerende gemeente aanwijzen. De uitvoerende gemeente is Roosendaal, zolang het algemeen bestuur niet anders beslist. 2. Het algemeen bestuur besluit met unanimiteit van stemmen over de wijze waarop de financiële bijdragen van gemeenten voor het gebruik van de ingekochte jeugdzorg bepaald worden. 3. Het algemeen bestuur neemt een apart besluit met unanimiteit van stemmen over de omvang van de inzet door de uitvoerende gemeente en het lichaam en de wijze waarop de hiermee gemoeide kosten worden doorberekend aan de gemeenten voor de vaststelling van hun financiële bijdrage. 4. Verder behoren alle andere bevoegdheden in het kader van deze regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, aan het algemeen bestuur.
Inlichtingen en verantwoording Artikel 11 Inlichtingen 1. Een lid van het algemeen bestuur geeft aan de raad van de gemeente op de in die gemeente gebruikelijke wijze alle inlichtingen die door de raad, of een of meer leden daarvan, worden verlangd. Op gelijke wijze dient het lid aan het college van de desbetreffende gemeente inlichtingen te verschaffen. 2. Een lid van het algemeen bestuur kan door de raad van de gemeente op de in die gemeente gebruikelijke wijze ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop het lid de gemeente in dat bestuur heeft vertegenwoordigd. Artikel 12 Verantwoording 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden en de colleges van de gemeenten ongevraagd alle informatie, waaronder periodieke rapportages, die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en de colleges van de gemeenten alle inlichtingen die door één of meer leden van die raden of colleges worden verlangd. 3. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken verlangde inlichtingen zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk of ter vergadering. 4.
De inlichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden niet verstrekt indien dit strijdig is met het openbaar belang of de geheimhoudingsplicht zich hier tegen verzet. 5. Het reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de vorige leden bepaalde.
Zienswijzen Artikel 13 Zienswijzen 1. De raden van deelnemende gemeenten worden op basis van deze regeling in de gelegenheid gesteld om binnen 12 weken hun zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van de volgende besluiten: a. Het aanwijzen van een uitvoerende gemeente als bedoeld in artikel 10. b. Het uitbreiden of inkrimpen van taken voor de uitvoerende gemeente als bedoeld in artikel 10. c. Het vaststellen van het uittredingsplan als bedoeld in artikel 33; 4
Versie 3 december d. Het vaststellen van het liquidatieplan als bedoeld in artikel 38 lid 3; 2. In aanvulling op het eerste lid kan het algemeen bestuur besluiten om ten aanzien van andere voorgenomen besluiten de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen. 3. Als de zienswijzeprocedure wordt toegepast, dan geldt daarbij de zienswijzeprocedure van artikel 36 eerste tot en met vierde lid van de wet met dien verstande dat de termijn twaalf weken bedraagt.
Participatie Artikel 14 Participatie 1. Het algemeen bestuur kan een participatieverordening vaststellen ten aanzien van welke besluiten ingezetenen van de betrokken gemeenten en andere belanghebbenden betrokken worden en de wijze waarop participatie plaatsvindt. 2. Zo lang geen participatieverordening is vastgesteld, kunnen ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden via reguliere procedures bij de colleges en raden van de gemeenten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid in het kader van deze regeling.
HOOFDSTUK IV | HET DAGELIJKS BESTUUR Samenstelling Artikel 15 Samenstelling 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter van het algemeen bestuur en maximaal vier leden, door en uit het algemeen bestuur aangewezen. 2. Geen zitting in het dagelijks bestuur neemt het lid dat namens het college van de uitvoerende gemeente onderdeel uitmaakt van het algemeen bestuur, tenzij het algemeen bestuur anders bepaalt. 3. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat alle colleges een lid en plaatsvervangend lid hebben aangewezen zoals bedoeld in artikel 5 lid 1. 4. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, vierde lid, vindt het aanwijzen van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of anderszins openvallen, plaats uiterlijk één maand na dat openvallen. 5. Het lidmaatschap van een lid van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege indien: a. diens lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op grond van artikel 6; of b. het algemeen bestuur dat het lid heeft aangewezen schriftelijk het ontslag verleent indien: i. het lid daar om verzoekt; ii. het lid het vertrouwen niet meer bezit van het algemeen bestuur uit wiens midden men is aangewezen.
Werkwijze Artikel 16 Werkwijze van het dagelijks bestuur 1. Het dagelijks bestuur vergadert ten minste tien maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt, of ten minste één lid van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk onder opgave van de te behandelen onderwerpen verzoekt. In het laatste geval vindt de vergadering plaats binnen twee weken. 2. Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement, alsmede een wijziging hiervan, wordt aan het algemeen bestuur ter kennisneming overgelegd.
5
Versie 3 december
Bevoegdheden Artikel 17 Bevoegdheden 1. Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd: a. het dagelijks bestuur van het lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of regeling het algemeen bestuur of de voorzitter hiermee is belast; b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren, tenzij bij of krachtens de wet of regeling de voorzitter hiermee is belast; c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het lichaam; d. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het lichaam te besluiten; e. te besluiten namens het lichaam of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; f. ten aanzien van het beheer van inkomsten en uitgaven van het lichaam; g. ten aanzien van de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; h. te besluiten omtrent de aanstelling, de schorsing en ontslag van de secretaris. 2. Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en doet alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit. Artikel 18 Taakuitoefening 1.
Het dagelijks bestuur oefent, voor zover het algemeen bestuur daartoe besluit en naar door dat bestuur te stellen regels, de aan het algemeen bestuur wettelijk toegekende of krachtens de regeling hem toevallende bevoegdheden uit, met uitzondering van: a. het vaststellen en wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de rekening; c. het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig hoofdstuk XI van deze regeling; d. het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve en andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelname daaraan. 2. Van besluiten van het algemeen bestuur als bedoeld in het eerste lid doet het dagelijks bestuur onverwijld mededeling aan de gemeenten.
Inlichtingen en verantwoording Artikel 19 Inlichtingen en verantwoording 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 2. Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het algemeen bestuur alle inlichtingen, die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig zijn, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet. 3. Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen, tenzij het algemeen belang zich daartegen verzet. 4. Het reglement van orde voor het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de leden een, twee en drie bepaalde.
HOOFDSTUK V | DE VOORZITTER Artikel 20 Voorzitter 1. De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur. 6
Versie 3 december 2. Het algemeen bestuur beslist omtrent schorsing en ontslag van de voorzitter.
Bevoegdheden Artikel 21 Taken 1. De voorzitter is belast met het bevorderen van een goede behartiging van de zaken van het lichaam. 2. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en van het dagelijks bestuur. 3. De voorzitter tekent alle stukken die van het algemeen of van het dagelijks bestuur uitgaan. 4. Voorts is de voorzitter, naast het leiden van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur, belast met: a. het terstond ter tafel brengen van alle tot het algemeen en/of het dagelijks bestuur gerichte brieven en andere stukken in de vergadering van het orgaan tot welks bevoegdheid het nemen van een beslissing omtrent de daarin behandelde zaak behoort; b. het daadwerkelijk doen uitvoeren van de besluiten van het dagelijks bestuur; c. het zo nodig instellen van een onderzoek, voordat bepaalde zaken ter overweging en beslissing worden voorgelegd aan het algemeen en/of het dagelijks bestuur. Artikel 22 Vertegenwoordiging 1. De voorzitter vertegenwoordigt het lichaam in en buiten rechte. 2. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam is betrokken, wordt het lichaam door de plaatsvervangend voorzitter vertegenwoordigd.
Indien de plaatsvervangend voorzitter ook behoort tot een bestuur van een gemeente die partij is in een rechtsgeding waarbij het lichaam betrokken is, wordt het lichaam vertegenwoordigd door een ander, door de voorzitter aan te wijzen lid van het dagelijks bestuur.
HOOFDSTUK VI | AMBTELIJKE ONDERSTEUNING De secretaris Artikel 23 secretaris 1. De secretaris is onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast met a. de leiding van het lichaam; b. de aansturing van het personeel; en c. de zorg voor een juiste taakvervulling door het lichaam 2. De secretaris is secretaris van het algemeen en het dagelijks bestuur. Hij/zij is in de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur aanwezig, tenzij het algemeen of het dagelijks bestuur anders beslist. 3. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de secretaris mede ondertekend. 4. De secretaris treft met instemming van het dagelijks bestuur een regeling voor vervanging bij afwezigheid. Artikel 24 archivering 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het lichaam. 2. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de regeling die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 7
Versie 3 december 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13 Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde bestuursorganen, is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Roosendaal. 5. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de regeling, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de gemeente Roosendaal. 6. De archivaris van de gemeente Roosendaal brengt jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de regeling die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 7. Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten over de uitoefening van de opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de regeling. 8. Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag of een voortgangsbericht uit aan het interbestuurlijk toezicht over de uitoefening van de opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de regeling. 9. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden geregeld. 10.
In de verklaring zoals genoemd in het vorige lid kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling. 11. Bij opheffing van de regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4, lid 1, Archiefwet 1995.
HOOFDSTUK VII | EXTERN KLACHTRECHT Artikel 25 Extern klachtrecht 1. Klachten zoals bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht worden behandeld conform de klachtprocedures van de gemeente Roosendaal. De Commissie Ombudsman is bevoegd tot behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover en zolang Roosendaal beschikt over een ombudsvoorziening die (mede) bevoegd is voor het lichaam; anders wijst het algemeen bestuur een voorziening aan. 2. Indien er sprake kan zijn van klachten jegens het lichaam zoals bedoeld in de artikel 4.2.1 lid 1 van de Jeugdwet dan treft het algemeen bestuur een regeling zoals bedoeld in dit artikel voor de behandeling van zulke klachten.
HOOFDSTUK VIII | COMMISSIES Artikel 26 Commissies 1. Het algemeen bestuur kan commissies van advies aan het algemeen bestuur instellen ten behoeve van de in artikel 4 genoemde taken. 2. Een lid van het dagelijks bestuur fungeert als voorzitter van de commissie. 3. De secretaris fungeert als secretaris van de commissie. 4. De leden van commissies van advies die geen burgemeester, wethouder of lid van een gemeenteraad zijn, kunnen een vergoeding ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie, met inbegrip van de daarvoor benodigde reistijd. 5. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor de vergaderingen van de commissies vast.
HOOFDSTUK IX | FINANCIËLE BEPALINGEN 8
Versie 3 december
Financiële voorschriften Artikel 27 Financiële voorschriften en aanbestedingsbeleid 1. Het algemeen bestuur stelt ten behoeve van haar financiën bij verordening het volgende vast: a. de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. b. regels voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. c. Uitgangspunten voor het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. d. regels over het verrichtten van periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het door het lichaam gevoerde bestuur. 2. Het dagelijks bestuur stelt een inkoop- en aanbestedingsbeleid vast ten behoeve van de taak als genoemd in lid 1 sub a van in artikel 4.
Begroting van het lichaam Artikel 28 Begroting van het lichaam 1. Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een begroting, met meerjarenraming en uitvoeringsplan op voor het volgende kalenderjaar, met daarbij een toelichting van baten en lasten. Deze begroting is zodanig ingericht dat daaruit blijkt welke kosten verband houden met de uitvoering van elke taak en de ondersteuning vanuit de uitvoerende gemeente en welk deel daarvan vervolgens aan elke gemeente wordt doorberekend. Indien het dagelijks bestuur een groei in het benodigde budget voorziet, dan wordt dit expliciet toegelicht. 2. Het dagelijks bestuur zendt vóór 1 februari van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, via de kaderbrief de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Het dagelijks bestuur stelt de ontwerpbegroting en meerjarenraming met toelichting op en zendt deze vóór 1 april toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. 4. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de zienswijzen van de raden, alsmede de reactie daarop vanuit het dagelijks bestuur, toe aan de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 5. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor zij dient.
Voor dit besluit is ten minste een twee derde meerderheid van het aantal uit te brengen stemmen vereist. 6. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting en meerjarenraming binnen twee weken na vaststelling toe aan de deelnemende gemeenten. 7. Het dagelijks bestuur zendt de begroting en de meerjarenraming binnen twee weken na vaststelling, doch uiterlijk vóór 15 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 8. Het dagelijks bestuur zendt begrotingswijzigingen voordat deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling worden aangeboden, toe aan de raden van de gemeenten. Daarop is het gestelde in de leden 3 en 4 van dit artikel overeenkomstig en uitsluitend van toepassing wanneer deze leiden tot een hogere gemeentelijke bijdrage bij enige deelnemer. De datum van 1 april als genoemd in lid 3 is niet van toepassing op begrotingswijzigingen. 9. Begrotingswijzigingen worden vastgesteld door het algemeen bestuur waarbij ten minste een twee derde meerderheid van het aantal uit te brengen stemmen vereist is. 10. De begroting, alsmede het proces van op- en vaststellen daarvan voldoet aan de door alle gemeenteraden in gezamenlijkheid vastgestelde toepasselijke beleidsregels voor verbonden partijen. Indien de daarin opgenomen termijnen afwijken van het hierboven bepaalde, zijn de voornoemde beleidsregels leidend. 9
Versie 3 december
Rekening van het lichaam Artikel 29 Rekening van het lichaam 1. Het dagelijks bestuur legt jaarlijks verantwoording af aan het algemeen bestuur over de baten en lasten over het afgelopen begrotingsjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarrekening, het jaarverslag met de daarbij behorende bescheiden en de berekening van de door de gemeenten verschuldigde bijdrage, alsmede het rapport van bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar de getrouwheid van de baten en lasten door een daartoe overeenkomstig het bepaalde in artikel 213 lid 2 van de Gemeentewet bevoegde accountant. 2. Uiterlijk 1 april in het jaar volgend op het jaar waarover verantwoording wordt afgelegd, levert de secretaris inzake het onderdeel SiSa (verantwoording bijdragen van andere overheden) door een daartoe bevoegd accountant gecertificeerde gegevens aan bij de gemeenten ten behoeve van hun accountantscontrole. 3. Het algemeen bestuur controleert de jaarrekening over het afgelopen jaar en stelt haar vast. 4. Het dagelijks bestuur zendt de voorlopige jaarrekening en het jaarverslag uiterlijk 15 april aan de colleges van de gemeenten toe. 5. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, vergezeld van de daarbij behorende documenten zoals omschreven in lid 1, ter kennisneming toe aan de colleges en raden van de gemeenten. 6.
Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch uiterlijk vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan Gedeputeerde staten. 7. De rekening alsmede het proces van op- en vaststellen en de gevolgen ervan voldoen aan de, door alle gemeenteraden in gezamenlijkheid vastgestelde toepasselijke beleidsregels voor verbonden partijen. Indien de daarin opgenomen termijnen afwijken van het hierboven bepaalde, zijn de voornoemde beleidsregels leidend.
HOOFDSTUK X | GESCHILLEN Artikel 30 Mediation In geval van geschillen als bedoeld in artikel 28 van de wet, zullen partijen trachten deze in eerste instantie op te lossen met behulp van mediation.
HOOFDSTUK XI | TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Toetreding Artikel 31 Toetreding 1. Toetreding tot deze regeling is slechts mogelijk na wijziging van de indeling van gemeenten in jeugdregio´s zoals bedoeld in artikel 2.17 van de Jeugdwet, dan wel na opheffing van de verplichte regionale samenwerking zoals bedoeld in artikelen 2.18 en 2.19 van de Jeugdwet. 2. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van toetreding. e. Aan toetreding kunnen door het algemeen bestuur bepaalde voorwaarden worden verbonden. f. Alle colleges van de gemeenten dienen in te stemmen met een besluit tot toetreding en de eventuele voorwaarden die hieraan worden verbonden.
10
Versie 3 december g. Onverminderd het bepaalde in artikel 30, derde lid, gaat toetreding in op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop alle colleges van de gemeenten hebben ingestemd met het besluit tot toetreding, tenzij het algemeen bestuur met instemming van de gemeenten anders bepaalt.
Uittreding Artikel 32 Uittreding 1. Uittreding uit deze regeling is slechts mogelijk na wijziging van de indeling van gemeenten in jeugdregio´s zoals bedoeld in artikel 2.17 van de Jeugdwet, dan wel na opheffing van de verplichte regionale samenwerking zoals bedoeld in artikelen 2.18 en 2.19 van de Jeugdwet. 2. Wanneer voldaan is aan de voorwaarde in het eerste lid, dan kan een college uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad. 3. Een college zendt het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. 4. Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan tegen 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op de datum van de in het tweede lid bedoelde ontvangstdatum. 5. Het dagelijks bestuur zendt een besluit tot uittreding van een college aan de colleges van de overige gemeenten. 6. De colleges van de overige gemeenten kunnen gedurende een periode van 3 maanden na de toezending zoals bedoeld in het vorige lid een zienswijze toezenden aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur betrekt de zienswijzen bij het opstellen van het uittredingsplan. Artikel 33 Uittredingsplan 1. Het algemeen bestuur stelt een uittredingsplan vast.
Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding voor het lichaam en uitvoerende gemeente. 2. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 3. Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 4. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in artikel 36, lid 1. 5. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het lichaam en uitvoerende gemeente, die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een gemeente zijn. 6. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het lichaam en uitvoerende gemeente, die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, in het bijzonder jegens jeugdzorgaanbieders, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 7.
Het lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten als bedoeld in het vijfde en zesde lid, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, als bedoeld in artikel 36, lid 1, in rekening bij de uittredende gemeente. De uittredende gemeente is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. 8. Kosten die de uittredende gemeente maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van uittredende de gemeente. 11
Versie 3 december 9. De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op:
a. relevante regelgeving; b. relevante jurisprudentie; c. feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 10. Het lichaam alsmede de uittredende gemeente is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 11. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het vierde lid wordt een risico-opslag van tien procent toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. 12. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. Artikel 34 Externe deskundige 1.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het algemeen bestuur, voor specifieke onderdelen van het uittredingsplan andere deskundigen inschakelen. 2. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige
ingeschakelde deskundigen vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel 33, lid 5. 3. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van
een gezamenlijke voordracht van de uittredende gemeente en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het algemeen bestuur. Artikel 35 Uittreedsom 1. Ten minste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 33, derde lid en op de jaarrekening van het openbaar lichaam over het meest recent verstreken begrotingsjaar. 2. Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de
definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 33, derde lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 3. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de
uittredende gemeente de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende gemeente of deze laatste de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer
12
Versie 3 december dient te betalen. Als de uittredende gemeente kiest voor betaling in termijnen kan het algemeen bestuur een rentevergoeding in rekening brengen. Artikel 36 Verplichtingen uittreder 1. De uittredende gemeente is gehouden zich in te spannen de formatie van het lichaam en uitvoerende gemeente die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van
het lichaam en uitvoerende gemeente en die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.
Wijziging Artikel 37 Wijziging 1. Een voorstel aan de colleges van de gemeenten tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door ten minste drie gemeenten. 2. Alle gemeenteraden dienen in te stemmen met een voorstel tot wijziging van deze regeling, conform het hierover in de Wet gemeenschappelijke regeling bepaalde. 3. De wijziging van de regeling treedt niet eerder in werking dan nadat deze overeenkomstig artikel 39 bekend is gemaakt.
Opheffing Artikel 38 Opheffing 1. Opheffing van deze regeling is slechts mogelijk na wijziging na opheffing van de verplichte regionale samenwerking zoals bedoeld in artikelen 2.18 en 2.19 van de Jeugdwet. 2. Wanneer sprake is van de situatie zoals in lid 1 kan de regeling worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle gemeenten. 3. Het algemeen bestuur stelt, de raden van de gemeenten gehoord, een liquidatieplan vast en regelt de vereffening van het vermogen. 4. De organen van het lichaam blijven, zo nodig, na het tijdstip van de beëindiging in functie totdat de liquidatie is beëindigd.
HOOFDSTUK XII | SLOTBEPALINGEN Inwerkingtreding Artikel 39 Inwerkingtreding 1. Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd en treedt in werking op 1 januari 2027, maar niet voordat zij is bekendgemaakt. 2. Het college van de gemeente Roosendaal draagt zorg voor bekendmaking en voor verzending van de regeling aan Gedeputeerde Staten. 3. Lid 2 is ook van toepassing op besluiten tot wijziging, opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding.
Slotbepalingen Artikel 40 Evaluatie 1. Het functioneren van de regeling wordt twee jaar na inwerkingtreding en vervolgens elke vier jaar, na afloop van het derde jaar van een raadsperiode, door het algemeen bestuur geëvalueerd en zo nodig worden op basis hiervan wijzigingen doorgevoerd. 13
Versie 3 december 2. Het algemeen bestuur stelt daartoe vooraf het doel en de reikwijdte van de evaluatie, alsmede de bij de evaluatie in het bijzonder te betrekken thema’s en de wijze van evalueren vast. In ieder geval zal die evaluatie betrekking hebben op de ervaringen met de financiële afspraken en de vereisten die in de regeling zijn opgenomen voor bestuurlijke besluitvorming. Artikel 41 Titel De regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling Jeugdregio West-Brabant West . Ondertekening Aldus vastgesteld op dd-mm-jjjj in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, de secretaris, de burgemeester,
Aldus vastgesteld op dd-mm-jjjj in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur, de secretaris, de burgemeester,
Aldus vastgesteld op dd-mm-jjjj in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, de secretaris, de burgemeester,
Aldus vastgesteld op dd-mm-jjjj in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, de secretaris, de burgemeester,
Aldus vastgesteld op dd-mm-jjjj in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal,
14
Versie 3 december de secretaris, de burgemeester,
Aldus vastgesteld op dd-mm-jjjj in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, de secretaris, de burgemeester,
Aldus vastgesteld op dd-mm-jjjj in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, de secretaris, de burgemeester,
Aldus vastgesteld op dd-mm-jjjj in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, de secretaris, de burgemeester,
Aldus vastgesteld op dd-mm-jjjj in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, de secretaris, de burgemeester,
MEMORIE VAN TOELICHTING Algemene toelichting De meeste jeugdigen hebben gelukkig de kansen om veilig en gezond op te groeien. Voor een deel vraagt dat echter hulp aan de jongeren zelf en/of hun ouders of verzorgers. Sinds 2015 zijn de gemeenten ervoor verantwoordelijk om die hulp te organiseren. Het is een grote uitdaging om onze meest kwetsbare jeugdigen op tijd van passende en kwalitatief hoogwaardige hulp te voorzien en aandacht te hebben voor het werkplezier van medewerkers en professionals tegen de achtergrond van een schaarste aan personeel en publieke middelen. Gemeenten kunnen het zichzelf makkelijker maken door hun krachten te bundelen en van elkaar te leren via regionale samenwerking. Dit wordt in deze regio al met succes gedaan vanaf 2015 en zullen we blijven doen. Per 2027 wordt vanuit het Rijk verlangd dat zij die samenwerking formaliseren via een gemeenschappelijke regeling. Dit vormt dan ook de 15
Versie 3 december aanleiding voor het treffen van de regeling die voor u ligt. Tegelijkertijd grijpen we deze kans aan om de onderlinge samenwerking verder te verbeteren. De uitgangspunten voor deze samenwerking zijn verwoord in de regiovisie. De Gemeenschappelijke Regeling Jeugdregio West-Brabant West , hierna te noemen: de regeling, regelt de samenwerking tussen de gemeenten Bergen op Zoom, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Woensdrecht en Zundert voor de uitvoering van een aantal taken waarvoor de gemeenten verantwoordelijk zijn in het kader van de Jeugdwet. In artikel 2.6 van de Jeugdwet is een aantal verantwoordelijkheden van het college aangegeven. Zo is het college er verantwoordelijk voor dat ‘er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is’ om aan een aantal nader in de Jeugdwet genoemde taken te voldoen. Daarnaast is in artikel 2.16, eerste lid, van de Jeugdwet geregeld dat colleges met elkaar samenwerken, wanneer dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet wenselijk is. Deze regeling is een uitwerking van die bepaling. Dat komt tot uiting in de doelstelling, zoals verwoord in artikel 3 van de regeling. Hiervoor wordt in deze regeling een openbaar lichaam in het leven geroepen.
De keuze voor deze publiekrechtelijke vorm van samenwerking heeft te maken met het feit dat het hier om de uitvoering van taken gaat waarmee een groot publiek belang is gemoeid en veel geld gemoeid is. Daarom is er bewust gekozen voor een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid, met de mogelijkheid om op eigen naam rechtshandelingen te verrichten, dat ook recht doet aan de onderlinge verhoudingen tussen de gemeenten in deze regio. We komen in de toelichting bij artikel 1 van deze regeling terug op deze keuze. De regeling is sober opgezet. Nadrukkelijk is ervoor gekozen om in de tekst niet datgene te regelen waarin de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) al voorziet. In de toelichtingen op de artikelen zijn verwijzingen naar die wet wel opgenomen. Ook hetgeen is afgesproken in de Nota verbonden partijen of diens opvolger is zo min mogelijk in deze regeling vastgelegd. Zo blijft de regeling zoveel mogelijk aangesloten bij de toekomstige ontwikkelingen op het gebied van regionale samenwerking. Nadere regelgeving kan worden opgenomen in verordeningen of – waar het gaat om werkwijze van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur – reglementen van orde, om qua werkwijze en procedures zo flexibel mogelijk te kunnen opereren.
Hoofdstuk I | algemene bepalingen Begripsbepalingen Artikel 1 begrippen In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen uit de regeling gedefinieerd. Naast het lichaam, wordt ook een ‘uitvoerende gemeente’ gedefinieerd. De uitvoerende gemeente voert in opdracht van het openbaar lichaam taken uit. Dat wordt gedaan om de huidige situatie in ieder geval bij de inwerkingtreding van de regeling te handhaven. Op het moment van inwerkingtreding voert Roosendaal de taken voor de regio uit. Alle medewerkers die daarmee belast zijn, werken dan ook bij deze gemeente. Dit is een constructie die naar tevredenheid werkt. De formulering van artikel 10 (bevoegdheden van het Algemeen Bestuur, zie verderop) biedt wel de mogelijkheid om in de toekomst een deel of zelfs alle medewerkers in dienst te nemen bij het openbaar lichaam, zonder dat de regeling daarvoor veranderd hoeft te worden. Het Algemeen bestuur krijgt in artikel 10 een discretionaire bevoegdheid om een uitvoerende gemeente aan te wijzen. Daarmee heeft het de vrijheid ook niet een uitvoerende gemeente aan te wijzen. Bij de inwerkingtreding van deze regeling is Roosendaal de uitvoerende gemeente.
16
Versie 3 december Het openbaar lichaam Artikel 2 Openbaar lichaam De jeugdzorg is de afgelopen jaren een enorm uitdagend dossier gebleken, waarbij het nodig is dat gemeenten de krachten op regionaal niveau bundelen om er het hoofd aan te kunnen bieden. Dat betekent voor onze regio ook dat we gezamenlijk op willen trekken in het voeren van beleid, in het bijzonder op het gebied van de vormen van jeugdzorg die we gezamenlijk inkopen (zie artikel 4 hieronder). Dat overwegende, ligt de vorm van een openbaar lichaam als gekozen vorm het meest voor de hand.
Hoofdstuk II | Doelstelling en taken Doelstelling Artikel 3 Doelstelling Met de invoering van de Jeugdwet in 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor het organiseren van de jeugdzorg (primair) bij gemeenten. In de Jeugdwet wordt echter al de mogelijkheid genoemd om samen te werken (artikel 2.16, eerste lid): “De colleges werken met elkaar samen, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is.” Met de inwerkingtreding van de Wet verbeteren beschikbaarheid jeugdzorg is deze samenwerking een stuk minder vrijblijvend geworden: op sommige onderdelen zijn gemeenten verplicht om samen te werken, om zo de beschikbaarheid van bepaalde vormen van jeugdzorg te garanderen. Daarmee onderscheiden we twee redenen om samen te werken. De eerste is omdat we sommige taken van de jeugdwet regionaal beter en goedkoper uit kunnen voeren dan lokaal. Met name dat eerste is in het licht van de grote opgave die de jeugdzorg vormt, de belangrijkste. De tweede reden is dat samenwerking op sommige onderdelen simpelweg verplicht is met het oog op de toegankelijkheid van de jeugdzorg. De doelstelling van deze regeling omvat beide redenen. Taken Artikel 4 Taken Artikel 2.19 Jeugdwet legt een minimum aan vast taken dat in regionaal verband moet worden uitgevoerd. Daarbij wordt aangesloten in artikel 4 lid 1 van deze regeling.
Dat betreft de inkoop en subsidiering van bepaalde vormen van specialistische jeugdzorg (lid 1 sub a), het contact onderhouden met de gecontracteerde aanbieders (sub b), het monitoren van gegevens om op basis van de ontwikkelingen bij te kunnen sturen (sub c), het voeren van overleg met andere regio’s (sub e) en −tot slot− het organiseren van het regionaal expertteam (lid 2). Maar vanwege onze ambitie willen we méér doen dan het wettelijk minimaal vereiste. De inkoop van (hoog)specialistische jeugdzorg is nauw verbonden met het daarvoor gehanteerde beleid, zoals de toegangscriteria ervoor. Het vergroot de effectiviteit van de jeugdhulp erg, wanneer uitvoering en beleid in dezelfde hand liggen. Het voeren van beleid voor de vormen van jeugdzorg die regionaal ingekocht worden (lid 1 sub d), behoort daarom ook tot de taken, alsmede het faciliteren van regionaal overleg (lid 2). Het gaat hier bij het voeren van beleid om het beleidsmatig invulling geven aan de taken die zijn opgedragen, zoals colleges van B&W dat ook doen bij de uitvoering van hun wettelijke taken. Het gaat dus niet om de verordenende en kaderstellende bevoegdheid van gemeenteraden. De uiteindelijke besluitvorming over de regelgeving en vaststelling van algemene kaders, zoals een regiovisie en verordeningen, blijft bij de gemeenteraad liggen.
Voor de inkoop van jeugdzorg geldt daarnaast dat sommige zorgvormen ook bovenregionaal of landelijk ingekocht worden. Daarom wordt deze omstandigheid genoemd in lid 1, sub a. Met de zinsnede “en daarmede verband houdende taken en werkzaamheden” in datzelfde onderdeel wordt aangeduid dat niet alleen de inkoop van jeugdzorg wordt overgedragen aan het openbaar lichaam, maar ook aanverwante zaken, zoals de professionals in de toegang. 17
Versie 3 december De precieze vormen van jeugdzorg die regionaal ingekocht worden, wordt −anders dan dat dit tenminste het wettelijk vereiste betreft− niet nader gespecificeerd in dit onderdeel. De reden hiervoor is dat het niet nodig is om de hele regeling aan te passen, wanneer de regionaal in te kopen vormen van jeugdzorg iets bijgesteld zou worden. De subsidiëring van aanbieders van (hoog)specialistische jeugdzorg komt in de regel nauwelijks voor. Er is daarom voor gekozen om hier alleen de subsidiebeschikkingsbevoegdheid bij het openbaar lichaam te beleggen. Het openbaar lichaam kan dus geen subsidieverordening vaststellen – dat betreft een raadsbevoegdheid en zou een raadsregeling vergen. Dat strekt te ver voor deze regeling. Mocht het toch nodig zijn om de subsidiebevoegdheid uit te oefenen, dan gaat het lichaam daarbij uit van de gemeentelijke verordeningen. Artikel 2.19 lid 2 Jeugdwet bepaalt nochtans dat daarbij geen verschillen in de subsidievoorwaarden tussen de gemeenten zijn toegestaan. In het 3e lid is als taak opgenomen het bevorderen van gezamenlijk overleg van de gemeenten voor de uitvoering van de jeugdhulptaken, die in overeenstemming met de Jeugdwet aan de gemeenten zijn opgedragen.
Dit is bedoeld om gemeenten van elkaar te laten leren en met elkaar uit te wisselen juist ook op de onderdelen van het jeugdhulplandschap die geen onderdeel vormen van de taken van het lichaam. In lid 4 regelt de mogelijkheid voor de deelnemende gemeenten om de beleidstaak die aan het openbaar lichaam opgedragen is, uit te breiden ten opzichte van wat al in de regeling bepaald is. Hiervoor is instemming van alle colleges van B&W vereist. Voor zover de aanvullende taken een publiekrechtelijke bevoegdheid betreft, is een delegatiebesluit vereist. In lid 5 is de mogelijkheid geregeld voor gemeenten om extra taken bij het lichaam te beleggen. Hiervoor moeten zij een verzoek doen aan het algemeen bestuur (alle taken die niet ergens anders zijn belegd, liggen bij het algemeen bestuur op grond van artikel 10 lid 4). De taken moeten binnen het doel van het lichaam vallen, om de doelmatigheid van het lichaam te borgen. N.B. Er zijn ook bepaalde taken die niet opgedragen worden aan het lichaam, in het bijzonder de taken die al belegd zijn bij de Gemeenschappelijke Regeling voor Geweld in Afhankelijkheidsrelaties (GIA) en Meldpunt Crisiszorg West-Brabant.
Hoofdstuk III | het algemeen bestuur Samenstelling Artikel 5 het algemeen bestuur Artikel 13, eerste lid Wgr bepaalt dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling die is getroffen of mede is getroffen door gemeenteraden, bestaat uit leden, die per deelnemende gemeente door de raad uit zijn midden, de voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders worden aangewezen. Dit artikel is ook van toepassing als de regeling uitsluitend wordt getroffen door colleges van burgemeester en wethouders (artikel 13, zesde lid Wgr). Echter met dien verstande dat in dat geval men artikel 13, eerste lid tot en met vijfde lid, zo moet lezen dat waar ‘gemeenteraad’ staat ‘college van burgemeester en wethouders’ moet worden gelezen. Aangezien in deze regeling uitsluitend collegebevoegdheden betreft, heeft dit tot gevolg dat de leden van het algemeen bestuur door en vanuit de colleges worden aangewezen. Werkwijze Artikelen 7, 8, 9 werkwijze van het algemeen bestuur In artikel 7 is bepaald dat het algemeen bestuur minimaal vier keer per jaar vergadert. Hiervoor is gekozen met het oog op de P&C-cyclus. Aan de hand van de P&C-cyclus is er elk kwartaal een plan of rapportage dat het algemeen bestuur moet bespreken. Vaker vergaderen over ook andere onderwerpen is natuurlijk ook mogelijk.
18
Versie 3 december In artikel 8 is expliciet opgenomen dat bij het nemen van besluiten wordt gestreefd naar consensus. De bepaling is opgenomen om enigszins tegenwicht te bieden aan een aantal bepalingen in de regeling die erop neerkomen dat elke gemeente een vetorecht heeft als over bepaalde onderwerpen besloten moet worden. Dit vetorecht dient derhalve gezien te worden als een uiterst middel. Verder is artikel 22, eerste lid Wgr voor de werkwijze van het algemeen bestuur van belang. Hierin zijn diverse bepalingen uit de Gemeentewet die betrekking hebben op de werkwijze van de raad (lees in dit geval: college) van overeenkomstige toepassing verklaard. Zo regelt artikel 30 Gemeentewet dat voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming de volstrekte meerderheid vereist is van hen die een stem hebben uitgebracht. Voor bepaalde besluiten kan daarvan worden afgeweken, in welk geval dit in de regeling dient te worden vastgelegd. Dat is gebeurd in artikel 8, eerste, tweede en derde lid en in artikel 28, eerste en achtste lid. Vergaderingen van het algemeen bestuur zijn in beginsel openbaar. Het algemeen bestuur kan besluiten dat vergaderingen achter gesloten deuren plaatsvinden. Omwille van de transparantie benoemt artikel 8 lid 4 een aantal onderwerpen die hiervan uitgezonderd zijn: zij kunnen alleen in openheid besproken worden.
Bevoegdheden Artikel 10 Bevoegdheden Alle bevoegdheden komen toe aan het algemeen bestuur, tenzij deze expliciet aan een ander orgaan (lees: het dagelijks bestuur of de uitvoerende gemeente) zijn opgedragen. Dat opdragen van taken aan het dagelijks bestuur kan middels delegatie op grond van artikel 33a Wgr. De uitvoerende gemeente kan taken middels mandaat worden opgedragen. In lid 1 is het algemeen bestuur een discretionaire bevoegdheid verleend om een uitvoerende gemeente aan te wijzen. Bij ingang van de gemeenschappelijke regeling is Roosendaal de uitvoerende gemeente, tot dat het algemeen bestuur anders besluit. Het algemeen bestuur is niet verplicht een uitvoerende gemeente aan te wijzen, zodat het ook kan besluiten dat het openbaar lichaam (op den duur) taken zelf uitvoert. Voor een aantal expliciet genoemde besluiten van het algemeen bestuur is in lid 2 en 3 bepaald dat deze unaniem genomen dienen te worden, gelet op het grote (financiële) belang hiervan voor elke afzonderlijke gemeente. Deze besluiten betreffen de omvang van de inzet van de uitvoerende gemeente en de wijze waarop bepaald wordt hoe hoog de kosten per gemeente zijn die worden doorberekend in verband met de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam en de jeugdzorg zelf. Als een uitvoerende gemeente is aangewezen, dan sluit het dagelijks bestuur een dienstverleningsovereenkomst met die gemeente.
Artikel 33b Wgr legt de bevoegdheid om privaatrechtelijke rechtshandelingen aan te gaan immers bij het dagelijks bestuur. In deze dienstverleningsovereenkomst worden afspraken gemaakt over de uitvoering van de taken en financiën. Inlichtingen en verantwoording Artikelen 11 en 12 Inlichtingen en verantwoording Artikel 11 heeft betrekking op het geven van inlichtingen (aan college en raad) en het afleggen van verantwoording (aan de raad) door een lid van het algemeen bestuur, voor zover het zijn of haar gemeente betreft. Dit is een uitvloeisel van de verplichting genoemd in artikel 16 Wgr. De wijze waarop de inlichtingen dienen te worden verstrekt of de verantwoording dient te worden afgelegd, kan per gemeente verschillen. Artikel 12 gaat vervolgens over het verschaffen van inlichtingen door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter aan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten. De hoofdregel is dat het algemeen bestuur proactief (ongevraagd) alle informatie verstrekt die voor een juiste beoordeling van het beleid nodig is. Daarnaast 19
Versie 3 december worden inlichtingen zo spoedig mogelijk of in ieder geval binnen twee maanden verstrekt als dit door één of meer leden van de raden of colleges wordt verlangd. Lid 4 bepaalt dat inlichtingen niet worden verstrekt indien dit strijdig is met het openbaar belang of de geheimhoudingsplicht zich hier tegen verzet. Dit betekent ook dat inlichtingen in principe niet om andere redenen niet kunnen worden verstrekt. Lid 5 gelast het algemeen bestuur in het reglement van orde nader te regelen hoe alle ongevraagde en gevraagde informatie wordt verstrekt. Zienswijzen Artikel 13 Zienswijzen Artikel 13 heeft betrekking op de zienswijzeprocedure voor plannen en besluiten van het algemeen bestuur. De zienswijzeprocedure houdt in dat het algemeen bestuur belangrijke concept-plannen en besluiten eerst langs de gemeenteraden stuurt voordat het definitieve besluit wordt genomen. De gemeenteraden krijgen daarmee de kans inhoudelijk te reageren op het concept-plan of besluit waarna het algemeen bestuur die reacties betrekt in haar besluitvorming. Artikel 13 somt een aantal concept-besluiten en plannen op die in ieder geval langs de gemeenteraden moeten voor een zienswijze. Lid 2 verleent de bevoegdheid aan het algemeen bestuur om ook andere besluiten voor zienswijze voor te leggen aan de gemeenteraden.
Lid 3 sluit de procedure tot slot aan bij de wet, maar verlengt de termijn tot 12 weken, zodat er voldoende tijd is om alle gemeenteraden te betrekken. De zienswijzeprocedure voor de ontwerpbegroting is geregeld in hoofdstuk IX financiële bepalingen. Daar wordt de gehele procedure voor het vaststellen van de begroting besproken. De zienswijzeprocedure wijkt bovendien iets af voor de ontwerpbegroting, omdat deze door het Dagelijks bestuur naar de gemeenteraden wordt verstuurd. Participatie Artikel 14 Participatie Artikel 14 heeft betrekking op de wijze waarop ingezeten en belanghebbenden betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Dit is een uitvloeisel van de verplichting genoemd in artikel 10 lid 7 en 8 Wgr. Zolang de regeling niet anders bepaalt, is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. In de GR kan worden geregeld dat dit anders wordt vormgegeven. Het algemeen bestuur heeft de mogelijkheid om een participatieverordening op te stellen voor het openbaar Lichaam, waarmee kan worden afgeweken van de standaardverplichting van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb. Dit kan door een bestaande participatieverordening van een van de deelnemende gemeenten in werking te stellen of door een gezamenlijke participatieverordening op te stellen.
Hoofdstuk IV | Het dagelijks bestuur Samenstelling Artikel 15 Samenstelling Het dagelijks bestuur wordt gevormd door leden van het algemeen bestuur. Deze leden blijven ook lid van het algemeen bestuur. Een openbaar lichaam kent namelijk altijd een monistisch stelsel. Het dagelijks bestuur wordt elke collegeperiode opnieuw gevormd door en uit het nieuwe algemeen bestuur. Werkwijze Artikel 16 Werkwijze van het dagelijks bestuur In artikel 16 is een aantal bepalingen met betrekking tot de vergaderingen van het dagelijks bestuur opgenomen. Aangezien het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam belast is met bevoegdheden die aan het college van burgemeester en wethouders toekomen, zijn ook 20
Versie 3 december voor het college relevante artikelen uit de Gemeentewet in dit verband van toepassing (volgt uit artikel 22, eerste lid Wgr). Hierbij moet met name worden gedacht aan artikel 56 (vergaderquorum: ten minste de helft van de zittende bestuursleden dient aanwezig te zijn voor beraadslaging/besluitvorming), artikel 58 (van toepassing verklaring van artikel 28, eerste tot en met derde lid, artikel 29 en artikel 30 Gemeentewet: bepalingen m.b.t. stemming en besluitvorming) en artikel 59 (staking van stemming) van de Gemeentewet. Het tweede lid bepaalt dat het dagelijks bestuur voor zijn vergadering een reglement van orde vaststelt dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd. In dit reglement kan het dagelijks bestuur nadere bepalingen opnemen ten aanzien van zijn vergaderingen. Hierbij moet gedacht worden aan bepalingen omtrent de openbaarheid van de vergaderingen en de mogelijkheid personen, al dan niet op uitnodiging, de vergadering te laten bijwonen en hen hierin een adviserende stem te geven. Bevoegdheden Artikel 17 Bevoegdheden Het dagelijks bestuur is − zoals de naam al suggereert − belast met het dagelijks bestuur van het lichaam, analoog met de rol van de colleges in gemeenten (cf. artikel 160 lid 1 Gemeentewet). Deze bepaling is daarom ook geformuleerd naar het evenbeeld van artikel 160 Gemeentewet.