CConstaterende datSteenbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

BP De Boogerd - Toelichting.pdf

Besluitvormende Vergadering 12 december 2024, gemeente SteenbergenBij agendapunt: 07.: Partitiële herziening structuurvisie en vaststelling bestemmingsplan De Boogerd.21.756 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

c.

de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. • de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Ad c) - Meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Dit betreft het bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Van beide is geen sprake. De geplande nieuwvestiging is echter mogelijk op grond van bepalingen uit de Interim omgevingsverordening, namelijk art. 3.43 Iov (in combinatie met herbegrenzing van het werkingsgebied ‘Verstedelijking afweegbaar’). b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is in paragraaf 3.2.3 getoetst. c. Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

De begrenzing van de beoogde bouwvlakken voor de woningen is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven. Voorwaarden ad b: d. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. Aangetoond wordt dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn. e. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft uitsluitend binnen het plangebied nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 2. f. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Aangetoond wordt dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief door middel van landschappelijke inpassing invulling wordt gegeven aan kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze wordt navolgend besproken. Hiermee krijgt de locatie een extra kwaliteitsimpuls, hetgeen kan worden aangemerkt als meerwaardecreatie. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering van het landschap Toetsingskader Artikel 3.9 Iov schrijft voor dat een bestemmingsplan moet aangeven hoe een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied bijdraagt aan de verbetering van het de kwaliteit van het landschap. De toelichting dient dan ook een verantwoording te bevatten van de wijze waarop de kwaliteitsverbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Deze kwaliteitsverbetering dient binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied te passen. Dit kan bijvoorbeeld verzekerd worden middels landschappelijke inpassing, het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen of het slopen van bebouwing. Beoordeling De gemeente Steenbergen is aangesloten bij het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant. Afspraken over kwaliteitsverbetering zijn gemaakt in het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant.

De regio heeft in het afsprakenkader drie categorieën onderscheidden: • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist; • Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief; • Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Op basis van het Afsprakenkader betreft onderhavig planvoornemen een ‘categorie 3’ ontwikkeling. Voorzien dient te worden in een goede landschappelijke inpassing en een investering van een percentage van de bestemmingswinst. Daartoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, opgenomen in de bijlagen bij de regels. Een toelichting hierop is opgenomen in bijlage 1 bij onderhavige toelichting. De ontwikkeling is gelegen in het gebied ‘Verstedelijking afweegbaar’ ingevolge de kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

De berekening van de investering in kwaliteitsverbetering van het landschap is voor de woonbestemmingen binnen ‘Verstedelijking afweegbaar’ gebied gebaseerd op 1% van de grondprijs per m2. In bijlage 2 van deze toelichting is met een berekening de totale waardevermeerdering bepaald inclusief de bijbehorende tegenprestatie. Hieruit volgt dat een bedrag van € 36.862,50 dient te worden geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van het landschap. De kwaliteit van het landschap wordt verbeterd met een landschappelijk inpassingsplan (opgenomen als bijlage 1 bij de regels). De kosten voor aanleg en beheer van de landschappelijke inpassing (6 jaar) bedragen € 31.529,99. De onderbouwing van de kosten voor de aanleg en het beheer van de kwaliteitsverbetering is eveneens opgenomen in bijlage 2 bij onderhavige toelichting. Daarmee resteert een bedrag van € 5.332,51 dat zal worden gestort in het gemeentelijke groenfonds. Aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is tot slot gewaarborgd in de regels door middel van een voorwaardelijke verplichting. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan kwaliteitsverbetering van het landschap. 3.3.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader De Omgevingswet verplicht dat de provincie een omgevingsverordening vaststelt. De Brabantse Omgevingsverordening zal gelijk met de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking zal treden.

De wijzigingen ten opzichte van de huidige Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden hoofdzakelijk veroorzaakt door

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

de eisen die de aankomende Omgevingswet stelt aan de Omgevingsverordening. Verder is er een aantal andere inzichten verwerkt. Dit betreft de volgende onderwerpen: • Er zijn regels opgenomen voor een maximale boordiepte voor bodemenergiesystemen; • Er zijn regels opgenomen voor grondverzet in grondwaterbeschermingszones, inclusief de toepassing voor PFAS-houdende grond; • De regels voor het kappen van houtopstanden zijn aangepast aan de Brabantse Bossenstrategie; • Omgevingskwaliteit heeft een centrale plek gekregen bij de instructieregels voor het omgevingsplan aan gemeenten. Hierbij is een bouw-sloop regeling vormgegeven en is een ruime maatwerkregeling opgenomen ter versterking van omgevingskwaliteit; • De mogelijkheden voor collectieve woonvormen in het buitengebied zijn verruimd; • Er zijn wijzigingen doorgevoerd in de gebieden op de kaart die aangeven waar welke regels gelden. Naast actualisaties zijn er ook gebieden vervallen of samengevoegd. Beoordeling en conclusie In de Omgevingsverordening zijn geen veranderingen voorzien in het beleid ten opzichte van onderhavig voornemen. Ook onder de Omgevingsverordening Noord-Brabant is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met het provinciale beleid.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie gemeente Steenbergen, 2012 Toetsingskader De Structuurvisie 2012 is door de gemeenteraad vastgesteld op 31 mei 2012 (en partieel geactualiseerd op 26 september 2019) en bevat op hoofdlijnen het ruimtelijk beleid van de gemeente Steenbergen voor de komende 10 tot 15 jaar. De verschillende beleidsdocumenten met ruimtelijke consequenties zijn gebundeld tot een uitvoeringsgericht beleidsinstrument voor het gehele grondgebied van de gemeente Steenbergen.

Uitsnede visiekaart uit de Structuurvisie gemeente Steenbergen. Onderhavig plangebied is aangeduid met een rode cirkel.

Beoordeling Op basis van de visiekaart zoals opgenomen in de structuurvisie is het plangebied gelegen buiten de bebouwde kom van Kruisland. Ter plaatse is sprake van de gebiedsaanduiding ‘Kreken tegen het zand’. In het buitengebied zijn landschap, natuur, cultuurhistorie en agrarische bedrijvigheid belangrijk. Het overgangsgebied tussen zand en klei aan de zuidoostzijde van Steenbergen vormt een laagdynamisch gebied, opgedeeld in een besloten bosgebied en het meer open krekenlandschap. In deze gebieden staat zowel de landbouwsector als het behoud en versterken van het groene karakter voorop.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Binnen deze zone bestaan geen ontwikkelingsmogelijkheden voor (grootschalige) woningbouw. Onderhavig planvoornemen is daarmee niet passend binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. Ten behoeve van het opheffen van de strijdigheid van onderhavig planvoornemen met de gemeentelijke structuurvisie en ter onderbouwing van het herbegrenzingsverzoek van het werkingsgebied ‘Verstedelijking afweegbaar’ wordt voor onderhavig plangebied een partiële herziening van de structuurvisie vastgesteld. De partiële herziening van de geldende Structuurvisie is noodzakelijk voor een doelmatige uitvoering van de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Deze herziening betreft enerzijds een kaartaanpassing en anderzijds een beknopte memo waarin de herziening nader wordt toegelicht. Op onderstaande afbeelding is het geactualiseerde kaartbeeld van de partiële herziening van de structuurvisie weergegeven. Hierop is de aanduiding ‘hard woningbouwplan’ ter plaatse van het plangebied van bestemmingsplan “De Boogerd” toegevoegd (nr. 3).

Kaartbeeld partiële herziening Structuurvisie gemeente Steenbergen. Bron: Aveco de Bondt, 2024.

Conclusie Het initiatief is passend binnen de partiële herziene structuurvisie van de gemeente Steenbergen.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

4

Planologisch relevante (milieu)aspecten

4.1 Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. 4.2 Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd.

Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling In het kader van de voorgenomen planontwikkeling heeft in 2023 een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden ter plaatse van het plangebied. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Rapportage van dit door MILON bv uitgevoerde onderzoek is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting.

Zintuiglijk zijn er in de grond geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium en naftaleen aangetoond. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. De hier aangetroffen waarden in de grond en het grondwater zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. De bodemkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen planontwikkeling. Conclusie De bodem geschikt is voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit vormt geen onaanvaardbaar risico voor de gebruikers.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

4.3 Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Dit beleid is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.

Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Behalve dat het RWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Beleid waterschap Brabantse Delta Met het Waterbeheerprogramma 2022–2027 bepaalt Brabantse Delta de doelstellingen en strategie. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer voor Midden- en West-Brabant voor de middellange (2027/2030) en lange termijn (2050). Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Die kerntaken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. Het plangebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta.

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: A. de waterparagraaf schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de maatregelen in de waterparagraaf zijn uitgevoerd, of voor zover; B. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; C. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is, of; D. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; E. de toename aan verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: A. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; B. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; C. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m² of groter is wordt er door het waterschap retentie geëist. Uitbreidingen van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² dienen te voldoen aan de Algemene Regels waterschap Brabantse Delta. Voor uitbreidingen groter dan 10.000 m² geldt sowieso een vergunningplicht. Voor het afkoppelen van verhard oppervlak < 10.000 m² wordt er vanuit het waterschap geen retentie geëist. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied.

Uitsnede van de Keurkaart Beschermde Gebieden van het waterschap Brabantse Delta met het plangebied aangeduid met een gele ster. Bron: Waterschap Brabantse Delta, 2023.

Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur van het waterschap Brabantse Delta volgt dat het plangebied niet gelegen is binnen een attentiegebied, beschermd gebied waterhuishouding of het invloedsgebied Natura 2000. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Verder is het plangebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Bij nieuwe ontwikkelingen dient onderzocht te worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met hemelwater. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is, zal als een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit, een waterparagraaf opgenomen moeten worden. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. Daarnaast worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit hierin meegenomen en omvat het op basis van de gemaakte afwegingen een wateradvies. Ten behoeve van de waterparagraaf voor onderhavige ontwikkeling is door De Roever Omgevingsadvies een watertoets uitgevoerd om inzichtelijk te maken op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders, evenals de uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plan. Deze rapportage is als bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting. Uit de watertoets volgt dat het maaiveld binnen het plangebied een globale hoogteligging van 0,9 m-NAP heeft, waarbij het zuidoostelijke deel van het terrein aanzienlijk lager (0,2 m-NAP) gelegen is dan het overige terrein.

Vanaf maaiveld tot circa 4,3 m-mv bestaat de bodem uit de formatie van Boxtel (midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind). Hieronder is tot circa 8 m-mv de formatie van Waalre aanwezig. Dit is een kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind. Op basis van de Digitale Wateratlas van de provincie Noord-Brabant geldt dat het plangebied is gelegen in een gebied waar sterke kwel voorkomt. Uit de vastgestelde legger van waterschap Brabantse Delta volgt dat er rondom het plangebied A,- en B watergangen zijn gelegen die beheerd worden door het waterschap. Op de kaarten van de provincie Noord-Brabant is de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) weergeven op 0,8-1,2 m-mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt aangegeven op circa 1,8- 2,5 m-mv. In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De hemelwatervoorziening dient dan ook aangepast te worden aan de nieuwe inrichting. In de hemelwatervoorziening wordt het hemelwater afkomstig van het terrein geborgen. Uit de watertoets volgt dat ten opzichte van de huidige situatie het verhard oppervlak zal toenemen met circa 17.290 m2. Daarmee geldt conform het beleid van waterschap Brabantse Delta een benodigde compenserende berging van 1.037 m3 (17.290 m2 x 0,06 m).

De uiteindelijke waterbergingscapaciteit en de locatie van de waterberging zal afhankelijk zijn van de uitwerking van de inrichtingsplannen. Het plangebied bevat aan de oostzijde voldoende ruimte om invulling te geven aan de bergingsopgave. De bergingsvoorzieningen worden via een overstortvoorziening aangesloten op de omliggende watergangen zodat ook bij extreme regenval de kans op wateroverlast wordt beperkt. De definitieve oplossingsrichting wordt in een later stadium nader uitgewerkt in het waterhuishoudkundige plan. Gezien het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 10.000 m2 dient er bovendien een watervergunning aangevraagd te worden. Door middel van een voorwaardelijke verplichting is de nadere uitwerking van de waterhuishouding binnen het plangebied en de uiteindelijke daadwerkelijke bergingseis geborgd in de regels van onderhavig bestemmingsplan. Concluderend volgt uit de watertoets dat de ontwikkeling op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief is uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens toekomstige bouwwerkzaamheden rekening gehouden worden met duurzaam bouwen.

In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen ‘Woningbouw nieuwbouw’, ‘Woningbouw beheer’ en Utiliteitsbouw’ is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. In 2010 is door de gemeente Steenbergen de Erfgoednota Steenbergen en haar kansrijke verleden 2010-2020 vastgesteld. Vanwege diverse ontwikkelingen en veranderingen in het (nationale) erfgoedveld is de beleidsnota geactualiseerd.

In de raadsvergadering van 21 december 2017 zijn de uitgangspunten voor de nieuwe Erfgoednota vastgesteld door de gemeenteraad. De nota ‘Van gemeentelijk erfgoedbeleid naar gemeenschappelijk erfgoed’ is een inhoudelijke uitwerking van deze uitgangspunten. Beoordeling Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het plangebied is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘West-Brabantse Venen’. Deze regio bestaat uit van een zwak golvend dekzandlandschap op een oud-pleistocene ondergrond met afsluitende kleilagen. De voornaamste ontwikkelstrategie betreft hier het behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio. Gezien de aard en omvang van onderhavig planvoornemen wordt geen afbreuk gedaan aan de bestaande waarden binnen deze regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. Ook kent het initiatief niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld, behouden of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van regionale ambities. Deze ligging heeft derhalve geen invloed op het initiatief. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen in, of in de directe omgeving van, het plangebied. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster.

4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaald dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. In 2010 is door de gemeente Steenbergen de Erfgoednota Steenbergen en haar kansrijke verleden 2010-2020 vastgesteld. Gezien diverse ontwikkelingen en veranderingen in het (nationale) erfgoedveld is deze beleidsnota geactualiseerd in de vorm van de nota ‘Van gemeentelijk erfgoedbeleid naar gemeenschappelijk erfgoed’ (vastgesteld op 19 april 2018).

Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Steenbergen met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster.

Beoordeling Op basis van de ‘Archeologische waarden- en verwachtingenkaart’ van de gemeente Steenbergen is ter plaatse van het plangebied sprake van een ‘Hoge archeologische verwachting’. Voor gebieden met een hoge verwachting geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemverstoringen vanaf 100 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld. De ondergrond binnen het plangebied bestaat uit een dekzandrug, de bodem is een zogenaamde veldpodzol. Dat betekent dat je op vrij geringe diepte (50-60 cm) zand hebt, mogelijk met een dunne kleilaag erop. Het is een van de meest noordelijke stukken zandgrond in de wijde omgeving. Er is kans op het aantreffen van sporen uit een brede range van cultuurperioden, inclusief de steentijd vanwege de overgang van zand naar veen. Er zijn geen aanwijzingen dat de bodem binnen het plangebied diep verstoord is. Een verkennend booronderzoek gaat derhalve niet veel informatie opleveren. Om de aan-/afwezigheid van archeologische resten in de bodem te

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

bepalen is een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) nodig. Dat geeft inzicht in de daadwerkelijk trefkans op sporen en kan in de toekomst helpen om andere delen van de dekzanden rond Kruisland te beoordelen. Voor een proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. Conclusie Ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden binnen het plangebied is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning slechts verleend wordt na uitvoering van archeologisch onderzoek met inachtneming van de uit het onderzoek gebleken noodzakelijke maatregelen. 4.6 Ecologie 4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 8 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’ en op een afstand van circa 10 km van het Natura 2000-gebied ‘Krammer Volkerak’. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van de omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming om zodoende woningen te kunnen realiseren. De grenzen van het plangebied vallen buiten de grenzen van de Natura 2000-gebieden. Op basis hiervan zijn verlies aan oppervlakte of versnippering uitgesloten. Effecten zoals trillingen, licht, geluid en optische effecten kunnen wel op grotere afstanden optreden. Omdat de afstand van het plangebied tot de grenzen van de Natura 2000gebieden meer dan 500 meter bedraagt kunnen deze overige effecten worden uitgesloten.

Op nog grotere afstanden van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen negatieve effecten plaatsvinden door stikstofdepositie. In de Natura 2000-gebieden ‘Brabantse Wal’ en ‘Krammer Volkerak’ bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. Als er bij de ingreep stikstof wordt uitgestoten zijn de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden mogelijk in het geding. Bij de voorgenomen ingreep vindt naar verwachting stikstofuitstoot plaats. Hierdoor zijn negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Op het aspect stikstofdepositie wordt in navolgende paragraaf ingegaan. Op circa 550 meter afstand van het plangebied ligt een planologisch beschermd gebied binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB-gebieden). Dit betreft een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Dit netwerk van verbindingszones mag niet door een ingreep worden aangetast. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant ter plaatse, zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Deze beschermde gebieden zijn op dusdanige afstand gelegen dat negatieve effecten, waaronder geluid, trillingen en optische verstoring, ten gevolgen van het plan op

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

voorhand kunnen worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van onderhavig initiatief en de ligging van het plangebied buiten het Natuurnetwerk Brabant valt derhalve redelijkerwijs uit te sluiten dat het planvoornemen enige invloed kan hebben op de kwaliteit van het beschermde natuurgebied. De gunstige staat van instandhouding van deze in het kader van de Wet ruimtelijke ordening beschermde gebieden komt daarmee niet in het geding door de beoogde ingreep. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde natuurgebieden. 4.6.2 Stikstof Toetsingskader Het plangebied is gelegen op circa 8,3 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming van Natura 2000-gebieden is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld.

Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling In juli 2023 is door De Roever Omgevingsadvies voor onderhavige ontwikkeling een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (en in oktober 2024 geactualiseerd ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan). Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, afgezet tegen de emissies als gevolg van de referentiesituatie, niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden kunnen worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 4.6.3 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.

Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Beoordeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in juli 2023 door De Roever Omgevingsadvies een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan Wet natuurbescherming heeft tot doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Rapportage van de quickscan Wet natuurbescherming is als bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting. Uit de quickscan volgt dat er geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna verwacht worden. De conclusies uit de quickscan worden navolgend per soortgroep belicht. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Flora Van het plan worden geen negatieve effecten op beschermde flora verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Zoogdieren Vleermuizen Van het plan zijn geen negatieve effecten op beschermde vleermuissoorten te verwachten. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Overige zoogdieren Negatieve effecten op overige zoogdieren worden niet verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk.

Vogels Broedvogels In en rondom het plangebied bevinden zich mogelijke nestplaatsen. Het is daarom noodzakelijk om de bouwwerkzaamheden te starten buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg 15 maart tot 15 juli), of te werken op een manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. Op deze manier kan zonder nader onderzoek, mitigatie of compensatie worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Soortenbescherming worden overtreden voor wat betreft algemene vogelsoorten. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Zo’n werkprotocol dient te worden opgesteld door een ter zake deskundige, en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Ook zijn werkzaamheden binnen het broedseizoen mogelijk zonder werkprotocol, indien ter plaatse door een deskundige wordt vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten aanwezig zijn. Een ontheffing is dan niet noodzakelijk. Jaarrond beschermde vogels Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vogelsoorten uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vissen Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vissen uitgesloten.

Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Reptielen en amfibieën Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op reptielen en amfibieën uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van soortenbescherming is niet noodzakelijk.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Ongewervelden Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op ongewervelden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Algemeen Het uitvoeren van nader soortspecifiek ecologisch onderzoek of een ontheffing in het kader van soortenbescherming is niet noodzakelijk gebleken. De in het plangebied te verwachten soorten genieten hooguit lichte bescherming onder de Soortenbescherming; een algehele vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht is onverminderd van toepassing. In de nabijheid waargenomen beschermde soorten, zijn bij het terreinbezoek niet waargenomen binnen het plangebied. De aangetroffen biotopen zijn bovendien niet geschikt als leefgebied voor beschermde soorten. Hiermee is aangetoond dat de Soortenbescherming niet zal worden overtreden met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Artikel 1.11, de zorgplicht, van de Wet natuurbescherming is en blijft altijd van kracht: Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Binnen het plangebied bevinden zich tot slot geen houtopstanden die betrekking hebben tot artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming.

De effecten van de ingreep op houtopstanden hoeft om deze reden niet getoetst te worden aan de Wnb. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming. 4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Alle wegen in Nederland met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger zijn conform de Wet geluidhinder gezoneerd. Indien een geluidgevoelig object (zoals een woning) wordt opgericht in de onderzoekszone van een weg, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden om aan te tonen dat aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan of dat ontheffing noodzakelijk is.

Hoewel onderhavig plangebied niet is gelegen binnen een onderzoekszone in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh), maar wel binnen de invloedssfeer van enkele wegen met een 30 km/uur-zone, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de cumulatieve geluidbelasting van de omliggende wegen. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting ten hoogste 50 dB bedraagt aan de noordzijde van het appartementencomplex. Nader onderzoek naar de gevelwering zal niet aan de orde zijn. Voor het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat wordt gebruik gemaakt van de ‘kwaliteitsindicatie geluid’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De geluidniveaus ter plaatse van de beoogde woningen variëren van lager dan 45 tot 50 dB. De milieukwaliteit wordt daarom over het algemeen gekwalificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen wordt derhalve als acceptabel aangemerkt. De cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) staat een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichtingen. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als rustig buitengebied. Richtafstanden gelden derhalve onverkort en zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. De locatie bevindt zich nabij de richtafstand van enkele omliggende milieubelastende functies. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van. Hierbij is gemeten vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van de dichtstbijzijnde beoogde woonbestemming. Inrichting

Locatie

Maximale milieucategorie

Richtwaarde VNG

Afstand tot plangebied

Bestemming ‘Sport’ Bestemming ‘Bedrijf’ met aanduiding ‘zend-/ontvangstinstallatie’ Bestemming ‘Agrarisch’ met bouwvlak

Sportpark ’t Hoogje Perceel SBG02-K-3192

3.1 1

50 meter 10 meter

20 meter 120 meter

Roosendaalseweg 28

2

30 meter

120 meter

Bestemming ‘Bedrijf’ Bestemming ‘Agrarisch’ met bouwvlak

Molenweg 11 Molenweg 9

2 2

30 meter 30 meter

160 meter 180 meter

Zoals blijkt uit de tabel kan niet aan alle richtafstanden worden voldaan. In de huidige situatie wordt het gedeelte van het sportpark direct ten noorden van het plangebied echter verhuurd aan een school voor hondentraining (SBI-94991 – Hondendressuurterrein). De lestijden van deze hondentraining zijn beperkt tot één uur per dag (en op zaterdagochtend twee uur). Dit levert per week slechts maximaal acht uur aan potentiële geluidbelasting op. Hieruit volgt dat ter plaatse van het plangebied derhalve gedurende de week in overwegende mate sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bovendien is de voorgevel van de dichtstbijzijnde woning in het plangebied niet op kortere afstand gelegen dan de gevel van een bestaande woning grenzend aan de hondenschool, waardoor deze bestaande woning reeds maatgevend is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende milieubelastende functies. Het gedeelte van het sportpark dat in gebruik is ten behoeve van tennisbanen is overigens gelegen op een afstand van circa 60 meter tot de voorgevel van de meest dichtbijgelegen woning in het plangebied, waardoor voldaan wordt aan de gestelde richtwaarde van 50 meter voor tennisbanen uit de VNGbrochure. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert het onderhavige planvoornemen omliggende inrichtingen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden.

Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering. 4.9 Geurhinder en veehouderijen Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woonen verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De normen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

bebouwde kom). De standaard geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij zijn in navolgende tabel opgenomen.

Ligging geurgevoelig object Concentratiegebied

Binnen gebouwde kom 3 ouE/m3

Buiten bebouwde kom 14 ouE/m3

Geen concentratiegebied

2 ouE/m3

8 ouE/m3

De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtergrondbelasting' genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. Beoordeling Voorgrondbelasting Het grondgebied van de gemeente Steenbergen is niet gelegen in een door het Rijk aangewezen concentratiegebied, waardoor voor het plangebied, gelegen buiten de bebouwde kom, voor een geurgevoelig object conform de Wet geurhinder en veehouderij voor de voorgrondbelasting een standaardnorm van 8 ouE/m3 geldt. Artikel 6 van de Wgv stelt dat bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde. Steenbergen heeft een eigen geurverordening vastgesteld, maar de standaardnormen voor het buitengebied zijn niet aangepast. In de nabije omgeving van het plangebied is op circa 300 meter de dichtstbijzijnde veehouderij gelegen. Het betreft hier een melkrundveebedrijf aan de Roosendaalseweg 26 waar blijkens het Bestand Veehouderij Bedrijven sprake is van de volgende veebezetting: • zoogkoeien ouder dan 2 jaar: 15 dieren (A2.100).

In de Regeling geurhinder en veehouderij is voor categorie A2 (zoogkoeien ouder dan 2 jaar) geen geuremissiefactor vastgesteld. Conform de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 4) geldt hiervoor buiten de bebouwde kom een afstandseis van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige bestemmingen. Gelet op deze afstand is voor deze categorie een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd ter plaatse van het plangebied en wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad. De dichtstbijzijnde maatgevende veehouderij met dieren met een geuremissie is de veehouderij aan de Kleine Spellestraat 10. Deze ligt echter op circa 1.500 meter afstand van het plangebied en vormt derhalve geen belemmering ten aanzien van geurbelasting. Achtergrondbelasting Het plangebied is gelegen in een gebied waar op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gezien er in de omgeving slechts in beperkte mate veehouderijen aanwezig zijn en gelet op de ruime afstand hiervan tot het plangebied, biedt deze kaart een acceptabele indicatie van de kwaliteit van de leefomgeving, met de geurbelasting weergegeven in ouE/m3. De achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is zeer goed (0-3 ouE/m3).

Gelet op de kwalificatie van het woon- en leefklimaat, is binnen het plangebied ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Indicatie achtergrondbelasting geur. De locatie is aangegeven met een rode ster. Bron: ODZOB, 2023.

Geitenhouderijen Op basis van het rapport 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio- aerosolen' (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Binnen een straal van 2 kilometer tot het plangebied bevinden zich echter geen veehouderijen met het primaire bedrijfstype 'Geiten' of veehouderijen met een ander primair bedrijfstype waar tevens het houden van geiten vergund is. Geconcludeerd kan worden dat eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen derhalve niet van invloed zijn op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Tenslotte is op basis van art. 2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen zijn derhalve niet van invloed op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering.

4.10 Driftblootstelling spuitzones Toetsingskader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen gevoelige objecten zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn dus evenmin bruikbaar (ABRvS 23 september 2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (water toevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht, maar ook hierin zijn geen afstandsnormen voor spuitzones opgenomen. Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, zoals een woon- en tuinbestemming, in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is indicatief.

Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zonder nadere onderbouwing wordt geaccepteerd (ABRvS 23 september 2009, 200900570/1/R2 & ABRvS 15 februari 2006, 200504921/1), maar dat betekent niet dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Met andere woorden: onder omstandigheden kan van de vuistregel worden afgeweken. Omdat elk geval anders is, dient dit per situatie te worden onderzocht en afgewogen. Beoordeling De agrarische gronden direct ten oosten van het plangebied zijn in gebruik ten behoeve van open fruitteelt, waarbij gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. De afstand vanaf dit perceel tot aan de meest dichtbij gelegen woon- of tuinbestemming binnen het plangebied betreft minimaal 50 meter waardoor aan de richtafstand tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object kan worden voldaan. Conclusie Ter plaatse van het plangebied is met betrekking tot spuitzones een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd en worden omliggende kwekerijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

datum referentie

22 oktober 2024 231122_AdB_RAP_0001_v3.0

Uitsnede EV Signaleringskaart met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.gemeente-steenbergen.nl/api/v1/meetings/1735/documents/20663