Bijlage was-wordt tabel aanpassing verordeningen ikv de Omgevingswet 2205255.pdf
Tekst van het document
Was-wordt-tabel wijziging Verordeningen gemeente Steenbergen Wijzigingsbesluit Afvalstoffenverordening gemeente Steenbergen 2019 WAS WORDT Toevoeging artikel 23a Op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt, wordt deze verordening gewijzigd als volgt: a. in artikel 14, tweede lid, onder d, wordt “Waterwet” vervangen door “Omgevingswet”; b. in artikel 16 vervallen: De aanduiding “1.” voor het eerste lid, en het tweede en derde lid; c. in artikel 18 vervalt “en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer” en na het slot van het artikel wordt toegevoegd “Het verbod geldt niet als voor de opslag van afvalstoffen een omgevingsvergunning is afgegeven.”; d. in artikel 19 wordt “anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken” vervangen door “anders dan door afgifte aan de houder van een omgevingsvergunning voor het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen”; e. in artikel 21 wordt na “Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” ingevoegd “of artikel 18.6 van de Omgevingswet”. Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht gemeente Steenbergen WAS WORDT Gelet op: artikel 147 en 149 Gemeentewet en de artikelen 5.4, eerste lid en 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Gelet op: Artikel 18.20, derde lid en 18.23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en artikel 149 van de Gemeentewet
1
WAS Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is; - kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast; - uitvoering: vergunningverlening; - bodemniveau: de spelregels zoals verwoord in de 'Handreiking bij Brabantbrede Verordening kwaliteit Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht' versie 1,10 maart 2016, opgesteld door de Brabantse werkgroep en welke breed gedragen wordt door gemeenten, provincie en omgevingsdiensten. Artikel 3. Betrokkenheid van de raad De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.
WORDT Artikel 1. Definities In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt onder betrokken wetten verstaan: Omgevingswet en Wet milieubeheer, voor zover paragraaf 18.3.3 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing is verklaard.
Artikel 4. Kwaliteitsdoelen 1. Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht gestelde doelen. 2. De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b. de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; c. de financiën.
Artikel 4. Kwaliteitsdoelen 1. Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen gestelde doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie. 2 . De doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de betrokken wetten hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b. de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; c. de financiën.
Artikel 3. Betrokkenheid van de raad De raad ziet toe op de hoofdlijnen van het door burgemeester en wethouders gevoerde beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten.
2
WAS Artikel 5. Kwaliteitsborging 1. Burgemeester en wethouders stellen de kwaliteitscriteria voor de kwaliteit van uitvoering en handhaving vast, alsmede de daaruit voortvloeiende uitvoeringskaders. 2. Het kwaliteitsniveau voor uitvoering en handhaving is minimaal gelijk aan het bodemniveau voor de kwaliteit van uitvoering en handhaving. 3. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de in het eerste lid bedoelde kwaliteitscriteria van toepassing. 4. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. 5. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd opgave. Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Kwaliteit Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht Steenbergen.
WORDT Artikel 5. Kwaliteitsborging 1. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de actuele kwaliteitscriteria van toepassing die in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld zijn inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast. 2 . Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de raad. 3. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of konden worden nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd opgave.
Artikel 6. Intrekking oude regeling De Verordening Kwaliteit Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht Steenbergen wordt ingetrokken op het moment dat de Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht gemeente Steenbergen in werking treedt. Artikel 7. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt tegelijk in werking met de ‘Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet)’. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht gemeente Steenbergen.
Verordening Nadeelcompensatie gemeente Steenbergen WAS
WORDT
Gelet op artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3. Besluit ruimtelijke ordening;
gelet op artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet, titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 15.1 van de Omgevingswet
3
WAS
WORDT Artikel 1. Toepassing Deze verordening is van toepassing op aanvragen om schadevergoeding als bedoeld in artikel 4:126 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient; b. adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordening; c. adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van deze verordening; d. besluit: Besluit ruimtelijke ordening; e. college: het college van burgemeester en wethouders; f. gemeente: gemeente Steenbergen; g. planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening; h. planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening; i. wet: Wet ruimtelijke ordening. Artikel 2. Opdrachtverstrekking Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het besluit of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2. Heffen recht Voor het in behandeling nemen van de aanvraag om schadevergoeding wordt een recht van €500,- geheven.
4
WAS Artikel 3. Adviseur of adviescommissie 1. Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade.
WORDT Artikel 3. Aanvraag 1.De aanvraag wordt middels een gemeentelijk (digitaal) formulier ingediend. 2.De aanvraag omvat in ieder geval de volgende onderdelen: a. een aanduiding van de schadeveroorzakende gebeurtenis; b. een opgave van de aard van de geleden of te lijden schade en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade en een specificatie daarvan; c. als het schade betreft wegens winst- of inkomstenderving: jaarrekeningen over het jaar waarin schade is geleden en voor zover van toepassing de drie daaraan voorafgaande jaren en de aanslagen vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting; d. als het schade betreft wegens gederfde huurinkomsten: een afschrift van de huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst en een eigendomsakte.
2. Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering. 3. Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van een onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van de waardering van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische verslechtering. 4. Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid van toepassing zijn, worden zowel de in het tweede als het derde lid bedoelde adviseurs aangewezen. 5. Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is. 6. De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.
5
WAS Artikel 4. Deskundigheid en onafhankelijkheid 1. Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen.
WORDT Artikel 4. Adviescommissie 1. Het bestuursorgaan wint slechts advies in bij een adviescommissie voor zover dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om op de aanvraag te kunnen besluiten. 2. Het bestuursorgaan wint in ieder geval geen advies in bij een adviescommissie: a. als zich kennelijk een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 4:126 tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht; b. als de schade kennelijk niet kan worden toegerekend aan een door het bestuursorgaan genomen besluit of verrichte handeling. 3. Een adviescommissie bestaat uit één of meer deskundigen: a. die niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van enig bestuursorgaan van de gemeente Steenbergen; b. die niet betrokken zijn bij de schadeveroorzakende gebeurtenis waarop de aanvraag betrekking heeft.
2. Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.
6
WAS Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie 1. Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:
WORDT Artikel 5. Procedure 1. Het bestuursorgaan besluit binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag, wanneer er geen advies wordt ingewonnen bij een adviescommissie, met inachtneming dat: a. het bestuursorgaan het besluit eenmaal voor ten hoogste 8 weken kan verdagen; b. de aanvrager en de (derde)belanghebbenden worden geïnformeerd. 2. Het bestuursorgaan besluit binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag, wanneer er advies wordt ingewonnen bij een adviescommissie, met inachtneming dat: a. het bestuursorgaan het besluit eenmaal voor ten hoogste 6 maanden kan verdagen; b. de aanvrager en de (derde)belanghebbenden worden geïnformeerd.
a. een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid. 2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen. 3. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.
7
Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie 1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.
Artikel 6. Uitbetaling 1. Bij toewijzing van een aanvraag, wordt de toegewezen schadevergoeding en het heffingsbedrag betaald bij het onherroepelijk worden van het besluit op de aanvraag. 2. Bij afwijzing van een aanvraag wordt het heffingsbedrag niet terugbetaald.
2. Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat. 3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 4. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit. 5. Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt. 6. Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de 8
WAS voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies.
WORDT
7. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen. 8. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren. 9. In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 10. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.
9
WAS Artikel 7. Slotbepalingen 1. Deze verordening treedt in werking op 18 oktober 2008, de eerste dag na bekendmaking van het besluit.
WORDT Artikel 7. Inwerkingtreding 1. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening nadeelcompensatie gemeente Steenbergen’ en treedt tegelijk in werking met de ‘Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet)’. 2. De ‘Procedureverordening 2008 voor advisering en tegemoetkoming in planschade gemeente Steenbergen’ vervalt na inwerkingtreding van deze verordening, het een en ander met inachtneming van artikel 8 van deze verordening.
2. Deze verordening wordt aangehaald als "Procedureverordening 2008 voor advisering tegemoetkoming in planschade"
Artikel 8. Overgangsrecht 1. Een aanvraag, ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening, wordt afgehandeld conform de ‘Procedureverordening 2008 voor advisering en tegemoetkoming in planschade gemeente Steenbergen’. 2. Een aanvraag, ingediend na de inwerkingtreding van deze verordening, wordt afgehandeld conform deze verordening, dat wil zeggen de ‘Verordening nadeelcompensatie gemeente Steenbergen’.
Erfgoedverordening gemeente Steenbergen 2022 WAS gelet op: artikel 147 en 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
WORDT gelet op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988;
10
Artikel 1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: a. rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het b. rijksmonumentenregister; gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen: 1. Zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; 2. Terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1; c. gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a; d. beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; e. commissie ruimtelijke kwaliteit: de commissie als bedoeld in de Verordening regelende de samenstelling en taak van de commissie ruimtelijke kwaliteit gemeente Steenbergen 2015 en die op basis van art.15 Monumentenwet 1988 is ingesteld met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de erfgoedverordening en het monumentenbeleid; f.
gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven; g. landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden: landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen,
Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:
11
-
gemeentelijke adviescommissie: adviescommissie omgevingskwaliteit Steenbergen
-
gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;
-
minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
-
omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument;
-
plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;
-
programma van eisen (PvE): programma dat door het college van burgemeester en wethouders wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;
-
rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister.
waarbij onderscheid wordt gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans; h. provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven; i. archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn; j. hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of informatie; k. middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie; l. lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten of informatie; m. plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; n. programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; o. gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de archeologische paragraaf van het bestemmingsplan; p. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; q. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen; r.
bouwhistorisch onderzoek: rapportage waarin de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur wordt vastgesteld, dat naar oordeel van Burgemeester en Wethouders voldoet aan de ‘Richtlijn bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; 12
WAS s. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
WORDT
t. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 2. Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.
Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht;
13
WAS Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de commissie ruimtelijke kwaliteit. 3. Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant. Artikel 4. Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 15 van overeenkomstige toepassing.
WORDT
Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1. De commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit, maar in ieder geval binnen 26 weken na de adviesaanvraag.
Artikel 5. Voorbescherming
Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.
Artikel 4. Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.
1. De bescherming van paragraaf 3 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.
14
WAS Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.
WORDT Artikel 6. Advies gemeentelijke adviescommissie 1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Steenbergen. 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.
Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.
Artikel 7. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.
2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 8. Wijzigen van de aanwijzing 1. Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.
Artikel 8. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.
2. Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.
2. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege. 4. De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.
15
WAS Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing 1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
WORDT Artikel 9. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.
2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan dienovereenkomstig artikel van de monumentenverordening van de provincie Noord-Brabant.
2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3, eerste lid. 3. Paragraaf 3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
3. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.
16
WAS Artikel 10. Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, sub 1, te beschadigen of te vernielen. 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder b, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het tweede lid is niet vereist indien deze activiteit betrekking heeft op: a. gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of; b. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van een gemeentelijk monument dat uit oogpunt van de monumentenzorg geen waarde heeft. 4. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 5.
Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.
WORDT Artikel 10. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 2 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
17
WAS Artikel 11. De schriftelijke aanvraag 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. 2. Voor zover het voor een goede besluitvorming van belang is, kan het college de aanvrager verzoeken om een bouwhistorisch onderzoek van het object te overleggen. Artikel 12. Termijnen advies 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de commissie ruimtelijke kwaliteit voor advies. 2. Binnen twee weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de commissie ruimtelijke kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college.
WORDT Artikel 11. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 12. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: 1˚ plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2˚ doen van begravingen of asbijzettingen, of 3˚ ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.
Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.
18
WAS Artikel 13. Weigeringsgronden en het stellen van voorschriften 1. De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. 2. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg. Artikel 14. Intrekken van de vergunning De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: 1. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; 2. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; 3. blijkt dat de vergunninghouder de vergunningvoorwaarden als bedoeld in artikel 13 niet naleeft.
WORDT
Artikel 15. Advies inzake bezwaar Indien door het Bevoegd gezag wordt gevraagd, brengt de commissie ruimtelijke kwaliteit binnen twee weken haar advies uit over de naar voren gebrachte bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om omgevingsvergunning, voor zover de bezwaren betrekking hebben op het belang van de Monumentenzorg.
Artikel 15. Toezichthouders
Artikel 13. Weigeringsgronden 1. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.
Artikel 14. Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 11 of met het bepaalde krachtens artikel 12, derde lid, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden.
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de inspecteurs van het met handhaving belaste organisatieonderdeel van de gemeente Steenbergen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
19
Artikel 16, De schriftelijke aanvraag 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend. 2. Voor zover het voor een goede besluitvorming van belang is, kan het college de aanvrager verzoeken om een bouwhistorisch onderzoek van het object te overleggen.
Artikel 16. Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing, indien: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring, te weten: in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde, of in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m2, of in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2; c. in het vigerend omgevingsplan bepaling zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; c.
de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek of het uitvoeren van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied, zoals aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart. 4. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Steenbergen archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 sub c van de Erfgoedwet, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:
20
WAS
WORDT a. het college een programma van eisen goed te keuren als bedoeld in artikel 1 van deze verordening, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek; b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen;
Artikel 17, Termijnen advies 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de commissie ruimtelijke kwaliteit voor advies. 2. Binnen twee weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de commissie ruimtelijke kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. Artikel 18, stellen van voorschriften Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.
Artikel 17. Intrekken oude verordening De Erfgoedverordening gemeente Steenbergen 2015 wordt ingetrokken.
Artikel 18. Overgangsrecht 1. Een krachtens de Erfgoedverordening gemeente Steenbergen 2015 aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening gemeente Steenbergen 2015.
Artikel 19. Advies inzake bezwaar
Artikel 19. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt tegelijk in werking met de ‘Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet)’.
Indien door het Bevoegd gezag wordt gevraagd, brengt de commissie ruimtelijke kwaliteit binnen twee weken haar advies uit over de naar voren gebrachte bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om omgevingsvergunning, voor zover de bezwaren betrekking hebben op het belang van de Monumentenzorg.
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening gemeente Steenbergen 2022
21
Artikel 20. Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder b, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder i, de bodem dieper dan 50 cm. onder de oppervlakte te verstoren. 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: a. het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt: °. in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 1 Ha, of; °. in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m2, of; .° in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2. b. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; c. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; d.
het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan,de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden; e. 22
WAS een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: °. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of °. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of °. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
WORDT
Artikel 21. Opgravingen en begeleiding 1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Steenbergen. onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: a. het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder n, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek; b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder m van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen. 3. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 4. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Artikel 22. Procedure De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 20, tweede lid, onder e, en artikel 21, eerste lid, onder b. 23
WAS Artikel 23. Tegemoetkoming in schade Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen; b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10; c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, vierde lid; d. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder d; e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 21, tweede lid, tweede volzin. Artikel 24. Strafbepaling Degene, die handelt in strijd met het vierde lid van artikel 10 en artikel 20 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.
WORDT
24
WAS Artikel 25. Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: a. Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in artikel 1, onder b, sub 1; de inspecteurs van het met handhaving belaste organisatieonderdeel van de gemeente Steenbergen. b. Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in artikel 1, onder b, sub 2; de inspecteurs van het met handhaving belaste organisatieonderdeel van de gemeente Steenbergen. 4. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel 26. Intrekken oude regeling De Monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006 wordt ingetrokken. Artikel 27. Overgangsrecht 1. De op grond van de onder artikel 26 ingetrokken Monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 26 ingetrokken verordening. Artikel 28. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 november 2015 in werking.
WORDT
Artikel 29. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening Gemeente Steenbergen 2015.
Bomenverordening Steenbergen WAS
WORDT
Gelet op artikel 149 Gemeentewet
Gelet op de artikelen 108 en 147 lid 1 van de Gemeentewet 25
Artikel 1: begripsomschrijvingen A: houtopstand Een of meer bomen en/of struiken, hakhout, houtwal, een grotere ( lint) begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen; B: boom Een houtachtig, overblijvend gewas met een diameter van de stam van minimaal 10 centimeter, zijnde een stamomtrek van 31,4 centimeter, op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld gerekend langs de stam. Ingeval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede/stamomvang van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingplicht kunnen voorschriften gesteld of maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 10 centimeter diameter op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld.
C: hakhout Een of meer bomen en/of struiken of boomvormers, die met het doel periodiek te worden geveld, na elke velling opnieuw op de stronk uitlopen; D: boomvormers Een hoogopgaand, houtachtig, overblijvend, meerstammig gewas; E: houtwal Een grotere ( lint) begroeiing bestaande uit heesters, struiken, bomen ( bijvoorbeeld hagen en heggen) met een minimale breedte van 0,75 meter en een minimale hoogte van 1,30 meter; F: Bos Houtopstand die een zelfstandige eenheid vormt die; Ofwel een grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; Ofwel bestaat uit rijbeplanting van meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen; G: vormbomen Knotbomen, leibomen en alle andere bomen waarvan uit de vorm blijkt dat ze regelmatig worden geknot en geleid; H:
Artikel 1: Begripsomschrijvingen a. bomenlijst: de door het College vastgestelde “lijst met waardevolle en monumentale bomen Steenbergen”, waarop zowel bomen in eigendom van de gemeente als bomen in eigendom van derden staan; b. boom: een levend, houtachtig, overblijvend gewas met een diameter van de stam van minimaal 10 centimeter, zijnde een stamomtrek van 31,4 centimeter, op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld gerekend langs de stam. Ingeval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede/stamomvang van de dikste stam; c. boomvormers: een hoogopgaand, houtachtig, overblijvend, meerstammig gewas; d. College: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen; e. compensatieplan: plan voor de aanplant van een boom of bomen teneinde het verlies van een al dan niet met vergunning gevelde boom of bomen te compenseren, op een andere plek dan die van de gevelde boom of bomen; f.
dunning: het vellen van een of meerdere bomen dat gebeurt als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende boom of bomen in de houtopstand;
g. fruitboom: een boom die deel uitmaakt van fruitteelt op commerciële basis; h. hakhout: een of meer bomen en/of struiken of boomvormers, die met het doel periodiek te worden geveld, na elke velling opnieuw op de stronk uitlopen; i.
herplant: het planten van een boom of bomen teneinde het verlies van een al dan niet met vergunning gevelde boom of bomen te compenseren;
j.
houtopstand: een of meer bomen en/of struiken, hakhout, houtwal, een grotere (lint) begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen;
k. houtwal: een grotere ( lint) begroeiing bestaande uit heesters, struiken, bomen (bijvoorbeeld hagen en heggen) met een minimale breedte van 0,75 meter en een minimale hoogte van 1,30 meter; l.
kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de boom;
m. kaart: de door het College vastgestelde “kaart beschermde groenelementen”, waarop zowel bomen in eigendom van de gemeente als bomen in eigendom van derden staan; n. monetaire boomwaarde: vervangingskosten van een boom, uitgedrukt in euro’s. Deze waarde omvat onder meer de kosten die nodig zijn om 26
Fruitboom Een boom die deel uitmaakt van fruitteelt op commerciële basis; I: knotten Het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; J: kandelaberen Het tot op de hoofdtakken inkorten van houtopstand; K: dunning Velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand; L: vellen Kappen, afzagen, kandelaberen, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel bovengronds als ondergronds, waarvan met weet of behoort te weten dat die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben dan wel de natuurlijke vorm van de houtopstand kunnen aantasten; M: herplanten Het planten van een houtopstand teneinde het verlies van een al of niet met vergunning gevelde houtopstand te compenseren; N: iepziekte Aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi ( Buism.) Nannf. ( syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau.) O: iepenspintkever Het insekt, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus ( F.) en Scolytus multistratus ( Marsch) en Scolytus pygmaeus. P: bebouwde kom De bebouwde kom van de gemeente Steenbergen zoals vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de boswet; Q: landbouwgronden
een vergelijkbare boom op dezelfde locatie te realiseren; o. rooien: het geheel verwijderen van het bovengrondse en ondergrondse deel van de houtopstand; p. vellen: het kappen, rooien, dunning, dan wel verrichten van handelingen, zowel bovengronds als ondergronds, waarvan men weet of behoort te weten dat die de dood of ernstige beschadiging van de boom ten gevolge kunnen hebben.
27
Gronden in gebruik voor de landbouw als bedoeld in artikel 1 van de landbouwwet; R: boomwaarde Wijze waarop de waarde van bomen wordt bepaald uitgedrukt in geld, te weten ‘Methode Raad’. S: methode Raad De waarde van bomen wordt bepaald door het product van de volgende factoren: De geïndexeerde eenheidsprijs ( per cm2 stamoppervlakte op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld.) De standplaatsfactor; De plantwijzefactor; De afschrijvingsfactor; De onderhoudsindicatie; Conditie; Herplantindicatie; T: bomenlijst De door het college meest recente vastgestelde lijst Waardevolle en Monumentale bomen Steenbergen’. Het betreft waardevolle bomen van gemeente, particulieren en bedrijven. U: kaart ‘beschermde groenelementen’ De door het college meest recente vastgestelde ‘kaart met beschermde groenelementen Steenbergen’. Het betreft beschermde groenelementen van gemeente, particulieren en bedrijven. V: boompaspoort Een overzicht van de algemene gegevens van de boom, levensverwachting en conditie. W: Monumentale bomen van Nederland van de Bomenstichting Lijst opgesteld door de Bomenstichting. Eigenaren van bijzondere bomen kunnen aan de bomenstichting vragen of hun houtopstand
28
WAS op de monumentale bomenlijst mogen worden geplaatst.
WORDT
Artikel 2: kapverbod 1. Het is verboden zonder vergunning van college een houtopstand te vellen of te doen vellen, wanneer de houtopstand voorkomt op de bomenlijst, de kaart ‘beschermde groenelementen’, voldoet aan de beschrijving ‘bos’ en/of voorkomt op de lijst van de Monumentale Bomen van Nederland van de Bomenstichting. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 16; 3. Het college kan toestemming geven tot direct vellen, indien direct sprake is van grote gevaarzetting of van vergelijkend spoedeisend belang. De mondelinge toestemming wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de aanvrager alsmede aan de belanghebbende toegezonden. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod in uitgesloten gebieden, aangegeven op de kaart ‘beschermde groenelementen’, geldt niet voor; a. Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; b. Fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; c. Kweekgoed; d.
Houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en; geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are of, in geval van rijbeplanting , gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20.
Artikel 2: Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te vellen, wanneer de boom: a. voorkomt op de bomenlijst; b. voorkomt in gebieden aangegeven op de kaart; 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. bomen die vanwege een wettelijke plicht moeten worden geveld; b. dunning van een boom, tenzij de te vellen boom voorkomt op de bomenlijst. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod voor een boom die voorkomt in gebieden aangegeven op de kaart geldt niet voor: a. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; b. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen; c. kweekgoed.
29
WAS Artikel 3: aanvraag vergunning 1. De vergunning als bedoeld in artikel 2 moet schriftelijk gemotiveerd met gebruikmaking van het daartoe door burgemeester en wethouders vastgestelde aanvraagformulier en onder bijvoeging van een situatieschets worden aangevraagd. De aanvraag dient te geschieden door of namens en onder overlegging van een schriftelijke machtiging van degene, die krachtens zakelijk recht, of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. 2. Wanneer door de teammanager van de dienst Regelingen ( LASER) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan het college een afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het college dit afschrift mede als een vergunningaanvraag. 3. Op de aanvraag tot vergunning dient binnen 8 weken na ontvangst een beslissing genomen te worden. Het college kan deze termijn met 6 weken verlengen.
WORDT Artikel 3: Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt gevoegd: a. iedere te vellen boom op een kaart, foto of tekening geïdentificeerd met een nummer en de locatie; b. de reden voor het vellen van iedere boom. 2. De aanvraag dient te geschieden door of namens en onder overlegging van een schriftelijke machtiging van degene, die krachtens zakelijk recht, of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
30
WAS Artikel 4: zakelijk karakter vergunning 1. De vergunning geldt zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsverkrijgende. 2. De rechtsverkrijgende is verplicht van de rechtsovergang binnen twee weken schriftelijk mededeling te doen aan burgemeester en wethouders.
WORDT Artikel 4: Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1. De omgevingsvergunning voor het vellen van een boom die is opgenomen in de bomenlijst, kan slechts worden verleend in het geval van: a. grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid; b. ziekte, voor zover dat de dood van de boom tot gevolg heeft. 2. De omgevingsvergunning voor het vellen van een boom die voorkomt in gebieden aangegeven op de kaart kan worden geweigerd dan wel onder voorschriften verleend, na afweging van onderstaande aspecten: a. boomsoort: i.
duurzaamheid;
ii. boomgrootte; iii. inheemse soort; iv. dendrologische waarde. b. stamdiameter c. levensverwachting d. groeivorm e. ruimtelijke betekenis: i.
schaarste;
ii. zichtbaarheid; iii. landschappelijke waarde; iv. waarde van dorps- en stadschoon. f.
cultuurhistorische betekenis
3. Bij verlening van een omgevingsvergunning voor het vellen kunnen een of meer van de hierna genoemde verplichtingen worden opgelegd: a. verplaatsen van de boom; b. herplant van de boom ; c. het voldoen aan het compensatieplan, opgesteld door de aanvrager en door het College goed te keuren; d. het storten van een vergoeding ter hoogte van de monetaire waarde van de boom in het gemeentelijke bomenfonds, welke wordt gebruikt voor de aanplant van nieuwe bomen; 4. Het College kan toestemming geven tot direct vellen van een boom, als sprake is van acute gevaarzetting of van vergelijkend spoedeisend belang. De mondelinge toestemming wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de aanvrager en aan de belanghebbende toegezonden.