Bijlage nota bodembeheer 2222964.pdf
Tekst van het document
Onafhankelijk van de toepassingseis op basis van de (gebiedsspecifieke) toepassingskaart van het betreffende gebied waar toegepast gaat worden, mag er op deze gevoelige bestemmingen alleen worden toegepast indien deze partij voldoet aan de kwaliteitseisen van de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. Voor de gepaste bewijsmiddelen wordt verwezen naar hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota.
6.2
Beleid De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij de melding toepassen van grond en baggerspecie ter plaatse van gevoelige bestemmingen binnen haar grondgebied of aan de volgende voorwaarden is voldaan: Bewijs dat de toe te passen partij voldoet aan de kwaliteitseisen voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur is aan de melding toegevoegd. Voor de gepaste bewijsmiddelen wordt verwezen naar hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota. Onder gevoelige bestemmingen vallen de in bijlage 6 genoemde bestemmingen.
Blad 27 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
Deel 2: Beleidsregels bodem Het aanscherpen van de toepassingseisen is in principe een wijziging ten opzichte van de algemene regels van ofwel het Besluit bodemkwaliteit (oud) ofwel het Besluit bodemkwaliteit (nieuw) en het Bal (milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie). De algemene regels bieden een bepaald beschermingsniveau voor het milieu en kunnen derhalve tot op bepaalde hoogte versoepeld worden. De deelnemende gemeenten hebben over het algemeen de wens om de bodemkwaliteit binnen hun beheergebied aanvullend te beschermen. In de volgende hoofdstukken wordt beschreven hoe deze gemeenten gebruik maken van hun bevoegdheid om te versoepelen en om eventueel aanvullende eisen te stellen bij het toepassen van grond en baggerspecie. Binnen het stelsel van de Omgevingswet worden regels met betrekking tot toepassingseisen in principe verwerkt als maatwerkregels of decentrale regels in het omgevingsplan en als toepasbare regels in het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Echter, door het bodembeleid nu vast te leggen in beleidsregels, wordt voorkomen dat er na inwerkingtreding van de Omgevingswet een beleidsvacuüm ontstaat.
Blad 28 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
7
Grondwaterbeschermingsgebieden
7.1
Onderbouwing Binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten zijn een aantal grondwaterbeschermingsgebieden gelegen. Hoe met grondwaterbeschermingsgebieden dient te worden omgegaan door lokale overheden is heden beschreven in de provinciale (interim) omgevingsverordening (IOV). Omdat de omgevingsverordening aan wijzigingen onderhevig is, dient altijd de meest recente versie geraadpleegd te worden via de site van de provincie NoordBrabant3. Daarnaast wordt naar verwachting in 2022 de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant onder het stelsel van de Omgevingswet van kracht4. Op dat moment gelden de regels van de vigerende Omgevingsverordening. Volgens de huidige omgevingsverordening5 is het niet toegestaan om in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen, behalve wanneer 1. De kwaliteit van de grond of baggerspecie: a. De kwaliteitseis voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur niet overschrijdt; b. De maximale waarden van de kwaliteitseis voor de bodemkwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt en de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; 2.
Het baggerspecie betreft die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen en op het aangrenzend perceel wordt verspreid, met het oog op het herstellen of verbeteren van deze percelen; 3. Wanneer het een grootschalige bodemtoepassing betreft en door middel van onderzoek wordt aangetoond dat door de toepassing de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt. Grondwaterbeschermingsgebieden onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet dienen provincies te beschikken over een omgevingsverordening. De omgevingsverordening vervangt onder meer de huidig vigerende IOV. Daar de Wet bodembescherming vervalt op het moment de Omgevingswet van kracht wordt, zijn in de omgevingsverordening aanvullende regels opgenomen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen. Voor gemeenten zijn in de omgevingsverordening instructieregels opgenomen, welke opgenomen dienen te worden in het omgevingsplan. Deze instructieregels zijn eenvoudig opvraagbaar via de viewer van de omgevingsverordening.
Voor de actuele regels met betrekking tot grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden dient altijd de vigerende provinciale omgevingsverordening te worden gehanteerd.
https://www.brabant.nl/onderwerpen/omgevingsbeleid https://www.omgevingswetinbrabant.nl/omgevingswet-in-brabant/brabantse-omgevingsverordening/ 5 https://www.brabant.nl/actueel/regelingen/cvdr628718_4 (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, versie 23 november 2021) 3 4
Blad 29 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
7.2
Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij de melding voor het toepassen van grond of baggerspecie of de voorgenomen toepassing plaatsvindt binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Voor de contouren van de grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden wordt aangesloten bij de contouren die door de provincie zijn aangegeven. Indien de toepassing plaatsvindt binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, toetst de gemeente dan wel de daartoe aangewezen instantie, of aan de eisen die gesteld zijn in de vigerende omgevingsverordening van de provincie. In de Interim omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant6 (versie 23 november 2021), geldig op moment van schrijven van deze Nota, is het volgende opgenomen: 1. Toepassing van grond of baggerspecie in een waterwingebied is in principe niet toegestaan tenzij de kwaliteit van de partij voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur; 2. Toepassing van grond of baggerspecie in een grondwaterbeschermingsgebied is toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende eisen: a. De toe te passen partij grond of baggerspecie bedraagt maximaal 5000 m3. Bij een toepassing groter dan 5000 m3 dient een melding te worden verricht conform artikel 6.10 van de omgevingsverordening5; b. De toe te passen grond of baggerspecie is van voldoende kwaliteit; c.
De kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem is gelijk of slechter dan de toe te passen grond of baggerspecie. 3. Er is sprake van grond of baggerspecie van voldoende kwaliteit als die: a. De achtergrondwaarde niet overschrijdt; of b. Afkomstig is uit het betreffende grondwaterbeschermingsgebied en voldoet aan: i. De maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen bij toepassing op of in de bodem; ii. De maximale waarde van de kwaliteitsklasse A bij toepassing in oppervlaktewater. De hierboven genoemde regels zijn afkomstig van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant, versie 23 november 20216 paragraaf 2.1.2 en 2.1.3, betreffende waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. In bijlage 4 zijn de betreffende regels uit de concept Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant7 opgenomen, welke naar verwachting van kracht zullen zijn op het moment dat de Omgevingswet tevens in werking treedt. De gemeente toetst altijd aan de eisen die gesteld zijn in de vigerende omgevingsverordening van de provincie. N.B.: met het toepassen van baggerspecie wordt niet bedoeld: het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen in het kader van onderhoud van de watergangen inclusief weilanddepots. Zie hiervoor de algemene regels die gelden voor het verspreiden van baggerspecie (hoofdstuk 17 in deel 3 van deze Nota).
Concept Omgevingsverordening Noord-Brabant (november, 2021). Beschikbaar via https://www.brabant.nl//media/114f34edb623480fa4fa0d0a455c9753.pdf 7
Blad 30 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
Indien aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan, kan de gemeente medewerking verlenen aan de voorgenomen toepassing. Dat wil in deze zeggen: als in afwijking van de regels uit de omgevingsverordening wordt gehandeld, kan handhavend worden opgetreden.
Blad 31 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
8
Uitzonderingsregel bij opslag van partijen
8.1
Onderbouwing In hoofdstuk 19 in deel 3 van deze Nota, zijn de voorwaarden, die worden gesteld aan de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie buiten inrichtingen, beschreven. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet valt deze activiteit onder de milieubelastende activiteit opslaan van grond en baggerspecie. De algemene regels hiervoor zijn opgenomen in het Bal. Eén van de voorwaarden bij tijdelijke opslag van grond en baggerspecie onder het stelsel van de Wet bodembescherming is dat de kwaliteitsklasse van de partij grond of baggerspecie die in opslag wordt genomen, vergelijkbaar dan wel beter moet zijn dan de kwaliteitsklasse van de bodem waarop de opslag plaatsvindt (NB: dit geldt niet voor kortdurende opslag, dat wil zeggen: korter dan 6 maanden). Deze voorwaarde past prima binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader, en dus wanneer de betreffende partij grond van een locatie buiten de regio wordt aangevoerd of wanneer het baggerspecie betreft. Echter, bij grondverzet binnen het beheergebied, waar er bewust voor is gekozen dat lokaal verslechtering van de bestaande bodemkwaliteit mag optreden, leidt dit tot problemen.
In die gevallen kan zich namelijk de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem bijvoorbeeld de kwaliteitsklasse landbouw/natuur heeft, wel partijen grond van de klasse wonen of klasse industrie mogen worden toegepast maar dat dezelfde partijen grond daar niet tijdelijk mogen worden opgeslagen, zonder te treffen maatregelen. Dit staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Om deze discrepantie onder het stelsel van de Wet bodembescherming te verhelpen staat de gemeente toe dat partijen grond die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen op een bepaalde locatie binnen de gemeente mogen worden toepast, eveneens, voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk in opslag mogen worden genomen. Deze tijdelijke opslag mag maximaal 6 maanden duren. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de bovengenoemde eis aan de kwaliteit van de partij die tijdelijk wordt opgeslagen, losgelaten. In het Bal komt voor de milieubelastende activiteit opslaan van grond of baggerspecie de toets aan de ontvangende bodem niet meer terug. De algemene regels voor het opslaan van grond en baggerspecie zijn opgenomen in paragraaf 4.122 van het Bal.
Artikel 4.1250 van het Bal beschrijft in welke gevallen een eindonderzoek bodem vereist is na opslag van grond en baggerspecie. Een eindonderzoek bodem is niet vereist in het geval de opgeslagen grond of baggerspecie volgens artikel 4.1272 van het Bal op de plaats van opslaan tevens mag worden toegepast. In paragraaf 4.122 van het Bal worden enkele aanvullende eisen genoemd die van toepassing zijn op het opslaan van grond en baggerspecie. Indien gewenst is om af te wijken van de in het Bal gestelde regels, kan de gemeente onder voorwaarden een maatwerkvoorschrift uitschrijven. Initiatiefnemers kunnen hiervoor een verzoek doen bij de gemeente.
Blad 32 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
8.2
Aanvullende eisen bij tijdelijke opslag Heusden De gemeente Heusden wenst de kwaliteit van de bodem aanvullend te beschermen bij het tijdelijk opslaan van grond, baggerspecie en bouwstoffen binnen haar grondgebied. De aanvullende eisen betreffen voortzetting van het voorheen bestaande beleid binnen de gemeente. Een deel van het voormalige vastgestelde beleid komt overeen met de nieuwe algemene regels uit het Bal (zie hiervoor art 4.1249 Bal) en zijn daarom hier niet opnieuw benoemd.
8.3
Beleidsregel Voor de deelnemende gemeenten De onderstaande beleidsregel is uitsluitend van toepassing onder het stelsel van de Wet bodembescherming. Oftewel: de regel vervalt op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt. De gemeente staat toe dat een partij grond die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de gebiedsspecifieke toepassingskaart) op een bepaalde locatie binnen de gemeente mag worden toepast, eveneens, voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk in opslag mogen worden genomen. Deze tijdelijke opslag mag maximaal 6 maanden duren. Voor de gemeente Heusden Bij het ontvangen van de melding voor de milieubelastende activiteit opslaan van grond of baggerspecie houdt de gemeente Heusden zich voor om een maatwerkvoorschrift op te kunnen leggen. In dit maatwerkvoorschrift worden de volgende voorschriften opgelegd: 1. De opslagplaats dient zo dicht mogelijk bij de plaats van ontgraven of eventueel toepassen te worden ingericht. Dit wordt door de initiatiefnemer afgestemd met de gemeente Heusden; 2. De opslagplaats dient voldoende afgeschermd te worden, zodat het niet toegankelijk is voor onbevoegden (hekwerk dat op slot kan) en er geen hinder optreedt voor de omgeving (stofvorming).
Blad 33 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
9
Grondverzet wegen en bermen van doorgaande wegen
9.1
Onderbouwing De bodemkwaliteitskaart wordt in principe niet representatief geacht voor de wegen en wegbermen buiten de bebouwde kom, alsmede spoorbermen c.q. de spoorzone. Vanuit onder meer Rijkswaterstaat is in 2009 het verzoek naar gemeentes uit gegaan om via de bodemfunctiekaarten het mogelijk te maken om rijkswegen, spoorwegen en bijbehorende bermen de functieklasse industrie toe te kennen (consortium Rijkswaterstaat, SBNS en Prorail (kenmerk RWS/DVS-2009/1569, 30 juni 2009). Gezien de onvermijdelijke (verontreinigende) uitstoot naar de directe omgeving is het in veel situaties niet duurzaam om op dergelijke locaties ‘schone’ grond toe te passen. Ook blijkt uit de praktijk dat wegen en wegbermen van doorgaande wegen over het algemeen heterogeen verontreinigd zijn als gevolg van verkeersactiviteiten (o.a. olielekkages) en onderhoud (o.a. teerhoudende kleeflagen). De deelnemende gemeenten delen dit bovenstaande standpunt en bepalen daarom gemeentelijk beleid op dit thema. De deelnemende gemeenten willen duurzaam en efficiënt omgaan met de grondstromen van wegen en wegbermen van grote doorgaande wegen. Immers: de intensiteit van het gebruik van de weg bepaalt de verontreinigende uitstoot naar de directe omgeving. Het lokale beleid betekent in de praktijk dat grondverzet tussen rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen en de bijbehorende bermen wordt vergemakkelijkt.
Voor de begrenzing van de bermen wordt aangesloten bij de volgende figuren. Deze figuren zijn afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009).
Figuur 5: begrenzing wegbermen
Voor overige wegen en wegbermen die niet hierboven zijn genoemd krijgen geen afwijkend beleid toegewezen. Uitgangspunt hierbij is de verwachting dat de kwaliteit van de overige bermen overeenkomen met de kwaliteit van het omringende gebied. Vrijkomende partijen uit overige bermen zijn toepasbaar conform het generieke beleid, op basis van de bodemkwaliteitskaart en in combinatie met de regels zoals zijn opgenomen in deze Nota.
Blad 34 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
Gezien het bovenstaande hebben de deelnemende gemeenten voor de wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen bepaald hoe van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de milieuverklaring bodemkwaliteit gebruik gemaakt kan worden. Met doorgaande wegen wordt bedoeld: wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u. Voor de gemeente Zundert wordt afgeweken van deze regel en worden alleen rijks- en provinciale wegen aangewezen als doorgaande wegen. Dit beleid houdt in dat: De wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen worden apart worden gezoneerd; De wegen en wegbermen doorgaande wegen en spoorwegen krijgen de functie industrie toegewezen; De wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen krijgen voor de bovengrond (traject 0,0-0,5 m -mv.) de ontgravingskwaliteitskwaliteit industrie krijgen toegewezen. Met de bovenstaande uitgangspunten is het mogelijk om grond uit wegen en wegbermen doorgaande wegen en spoorwegen vrijkomt, ook weer binnen dergelijke wegen en wegbermen toe te passen op basis van de bodemkwaliteitskaart. Hieraan worden wel een aantal voorwaarden gesteld, namelijk: De vrijkomende grond (bovengrond (traject 0,0 - 0,5 m -mv.)) kan binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten uitsluitend in dezelfde toepassingszone (industrie) worden toegepast.
In de praktijk betekent dit dat er voornamelijk ter plaatse van andere wegen en bermen van wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u en spoorwegen kan worden toegepast; Uit het vooronderzoek conform de NEN 5725 dan wel de Toets herkomst op basis van de NEN 5725 blijkt geen aanleiding tot verdachtmaking van de partij, anders dan de afspoeling van de weg. Onder de bovenstaande voorwaarden is grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart mogelijk in combinatie met een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725, zie voor bewijsmiddelen hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota. Naast weg- of bermgrond kunnen overige partijen die voldoen aan de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast ter plaatse van wegen en wegbermen van wegen met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u en spoorwegen. Vrijkomende grond kan altijd conform het Besluit bodemkwaliteit worden hergebruikt binnen het project/op locatie. Bij verplaatsing van de vrijgekomen grond uit de berm of de weg binnen de gemeentegrenzen wordt door de gemeente geen verificatieonderzoek vereist. De bovengrond van geasfalteerde wegen en bijbehorende bermen in het buitengebied van de gemeente Zundert krijgen de ontgravingskwaliteit klasse wonen toegewezen.
9.2
Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij het ontvangen van de melding voor het toepassen van grond ter plaatse van wegbermen van doorgaande wegen in het buitengebied of aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1. De partij voldoet aan één van de volgende eisen: a. De partij is afkomstig uit het beheergebied uit een weg of wegberm van een weg met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u of een spoorweg. Door
Blad 35 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
middel van een verificatieonderzoek van de bovengrond (0,0 - 0,50 m -mv.) (bodemonderzoek conform de NEN 5740 met een gepaste strategie om de bodemkwaliteit aan te tonen dan wel een partijkeuring conform de BRL SIKB protocol 1001) is aangetoond dat de kwaliteit minimaal voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie; b. De partij is afkomstig uit het beheergebied en voldoet op basis van een NEN 5740-onderzoek met passende strategie dan wel een partijkeuring conform de BRL SIKB protocol 1001 aan de kwaliteitsklasse industrie. 2. Deze vrijgekomen grond kan binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten uitsluitend worden toegepast op locaties die zijn aangewezen als toepassingskwaliteit industrie (gebiedsspecifieke toepassingskaart); 3. Uit het vooronderzoek dan wel Toets herkomst conform de NEN 5725 blijkt geen aanleiding tot verdachtmaking van de vrijkomende bermgrond, anders dan de afspoeling van de naastgelegen weg. Voor het gemeentelijk beleid met betrekking tot het vooronderzoek wordt verwezen naar hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota; 4. Voor de definitie van een berm van zowel de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie wordt aangesloten bij de brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009); 5.
Voor wegbermen gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) kan onder wegen en wegbermen van een weg met een snelheidslimiet van minimaal 80 km/u of een spoorweg tevens grond met de kwaliteitsklasse industrie worden toegepast, tot maximaal 1,5 meter vanaf de verharding. 6. Aan de overige voorwaarden die gelden bij een melding van grondverzet moet worden voldaan. Indien aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan, beschouwt de gemeente dat de toepassing in overeenstemming is met de regelgeving. Enkele uitzonderingen op de voorgaande regels zijn: Bij verplaatsing van grond van wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen over gemeentegrenzen heen is het wel verplicht om een verificatieonderzoek te verrichten. De gemeente toetst of dit onderzoek is uitgevoerd; Bij verplaatsing van grond van wegen en wegbermen van doorgaande wegen en spoorwegen binnen de gemeentegrenzen is geen verificatieonderzoek vereist. De bovengrond van geasfalteerde wegen en bijbehorende bermen in het buitengebied van de gemeente Zundert krijgen de ontgravingskwaliteit klasse wonen toegewezen.
Blad 36 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
10
Niet gescheiden ontgraven bij tijdelijke uitname
10.1
Onderbouwing Bij de aanleg, vervanging of reconstructie van kabels en leidingen is sprake van een tijdelijke uitname van de grond. Volgens artikel 36 lid 3 van het Bbk is dit toegestaan indien de uitkomende grond vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Op of nabij dezelfde plaats is in het Besluit niet gedefinieerd als afstand. Aangezien lokale omstandigheden van invloed zijn, beoordeelt de gemeente per geval of sprake is van 'op of nabij'. Formeel betekent dit dat de vrijgekomen grond in dezelfde laag moet worden teruggebracht. Ook de afstand ten opzichte van bijvoorbeeld het grondwater moet voor en na de tijdelijke uitname vergelijkbaar zijn. Reden hiervoor is dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond over het algemeen slechter is dan die van de ondergrond. Door het niet gescheiden houden van beide lagen, worden verschillende kwaliteitsklassen gemengd. Onder de Omgevingswet valt tijdelijke uitname onder de milieubelastende activiteit ‘graven in de bodem’. Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem. In dat geval gelden niet de regels voor het toepassen van grond en baggerspecie, maar alleen de regels voor deze activiteit.
Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal; Er is geen sprake van bodemverontreiniging boven de interventiewaarde; Het terugplaatsen vindt plaats in hetzelfde en onder dezelfde omstandigheden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van terugplaatsen “onder dezelfde omstandigheden” als grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd). Of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag). Uitzonderingssituatie Het gescheiden ontgraven en houden van de boven- en ondergrond is in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (inclusief riolering). De grond die bij dit soort werkzaamheden wordt ontgraven, wordt namelijk vaak in één depot geplaatst. Daarbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit de ondergrond, met als consequentie dat de grond geroerd in de sleuf wordt teruggebracht. Dit is met onderstaande figuur geïllustreerd.
Blad 37 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
Figuur 6: Werkzaamheden bij kabels en leidingen
Gezien de ervaringen uit de praktijk, maar ook om de werkbaarheid te vergroten, is door de deelnemende gemeenten besloten om bij de tijdelijke uitname van grond, specifiek bij werkzaamheden aan kabels en leidingen, het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond niet strikt te handhaven. Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het opmengen van verschillende kwaliteitsklassen. In een aantal zones binnen het beheergebied van de gemeente kan een verslechtering van de bodemkwaliteit in de ondergrond optreden. De risico’s voor het milieu zouden echter verwaarloosbaar klein zijn. Naar verwachting is de grond ter plaatse van de leidingentracés in het verleden al vermengd geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering) of zijn de kabelgoten destijds mogelijk aangevuld met schone grond. De gemeente Goirle zal het generieke beleid van gescheiden ontgraven handhaven. In deze gemeente dient derhalve wel gescheiden ontgraven te worden. Voor de gemeente Breda geldt dat wanneer de ontgraving zich in het wegcunet bevindt gescheiden ontgraven dient te worden. Namelijk bij het graafwerkzaamheden in het wegcunet is voldoende ruimte beschikbaar om grond gescheiden op te slaan. Dit in tegenstelling tot werkzaamheden op het trottoir.
Voor de gemeente Steenbergen geldt evenals voor gemeente Breda dat er niet gescheiden ontgraven hoeft te worden indien er onvoldoende ruimte is voor opslag. Wanneer er wel ruimte is, zoals bij werkzaamheden in het wegcunet, moet er wel gescheiden worden gewerkt. Indien de grond voorheen reeds is geroerd mag de grond wel geroerd opgeslagen en teruggeplaatst worden. Gemeente Heusden wenst bij graafwerkzaamheden de mogelijkheid te hebben om het vrijgekomen zand uit de ondergrond als bovengrond te kunnen gebruiken als cunetzand.
10.2
Beleidsregel De deelnemende gemeenten, met uitzondering van de gemeente Goirle, Steenbergen en Breda, zullen niet strikt handhaven op het gescheiden en separaat terugplaatsen van de boven- en ondergrond bij tijdelijk uitname binnen de bebouwde kom. De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst hiervoor of bij de melding voor het graven in de bodem is voldaan aan de volgende voorwaarden:
Blad 38 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
1. 2. 3. 4. 5.
De werkzaamheden worden verricht in het kader van werkzaamheden aan kabels- en/of leidingen. Hieronder valt tevens werkzaamheden aan het riool; De werkzaamheden bevinden zich op een locatie die op de bodemfunctiekaart is aangeduid als functie wonen of functie industrie; In het gehele verticale dieptetraject is er reeds sprake van geroerde grond. Indien er (deels) sprake is van ongeroerde grond, dient deze ongeroerde grond gescheiden te worden ontgraven, opgeslagen en teruggeplaatst in het originele dieptetraject. Uitsluitend grond uit het traject maaiveld tot onderzijde van het onderste dieptetraject zoals op de ontgravingskaart in de bodemkwaliteitskaart is aangegeven, mag geroerd worden teruggeplaatst in de sleuf; Bij het terugplaatsen van uitgekomen grond, dient altijd de zorgplicht in acht te worden genomen.
De gemeente Heusden houdt zich voor om in bovenstaande situaties wel het vrijgekomen zand uit de ondergrond als bovengrond te kunnen gebruiken als cunetzand. De gemeente Breda hanteert de volgende werkwijze: Wanneer de ontgraving zich in het wegcunet bevindt, dient conform de algemene regels gescheiden ontgraven te worden. Uitsluitend in het geval er onvoldoende ruimte is om grond gescheiden op te slaan, zal de gemeente niet strikt handhaven op gescheiden en separaat terugplaatsen van de boven- en ondergrond bij tijdelijk uitname binnen de bebouwde kom. In het geval van werkzaamheden onder een wegverharding houdt de gemeente zich voor in het kader van de draagkracht van de bodem te eisen dat de bodemopbouw in stand wordt gehouden. De gemeente Steenbergen hanteert de volgende werkwijze: wanneer er voldoende ruimte is om vrijkomende grond gescheiden op te slaan, dient conform de algemene regels gescheiden ontgraven te worden. Uitsluitend in het geval er onvoldoende ruimte is om grond gescheiden op te slaan, zal de gemeente niet strikt handhaven op gescheiden en separaat terugplaatsen van de boven- en ondergrond bij tijdelijk uitname binnen de bebouwde kom.
Blad 39 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
11
Toepassen van thermisch gereinigde grond
11.1
Onderbouwing De deelnemende gemeenten hebben zich tot doel gesteld hergebruik van grond zoveel mogelijk te stimuleren zonder daarmee de duurzame eigenschappen van de bodem te belemmeren. Het toepassen van gereinigde grond past in beginsel binnen dit kader. Door bij toepassing van thermisch gereinigde grond (TGG), aanvullend op de Rijksregels maatregelen mee te geven waarbij wordt voldaan aan de zorgplicht, kan op een duurzame en verantwoorde manier worden omgegaan met grondstromen. Op dit moment speelt er een landelijke discussie en zijn er onderzoeken gaande betreffende de bijzondere eigenschappen van TGG. In het recente verleden zijn milieuproblemen ontstaan bij toepassing van TGG. Voorbeelden van voorgaande grootschalige toepassingen waar de toepassing van TGG tot ophef heeft geleid zijn, de A4 in Steenbergen, de Westdijk in Bunschoten en een zeedijk in de Perkpolder in Zeeland. Er zijn dan ook aanwijzingen dat in het huidige wettelijke kader voor het toepassen van grond, onvoldoende rekening wordt gehouden met deze eigenschappen van TGG, bijvoorbeeld het uitlooggedrag. Met het verhitten van verontreinigde grond zouden de verontreinigingen verwijderd worden en zou de grond veilig en duurzaam kunnen worden toegepast.
Het RIVM erkent echter dat er in de praktijk problemen ontstaan waarbij zware metalen en zouten in het grond- en oppervlaktewater terecht kunnen komen die op hun beurt weer het ecosysteem verstoren8. In TGG zijn (ondanks de hoge verbrandingstemperatuur) bepaalde organische verontreinigingen in verhoogde concentraties aangetroffen en was er sprake van uitloging van zware metalen en zouten naar het grondwater en het naastgelegen oppervlaktewater. TGG heeft andere eigenschappen dan ’natuurlijke’ grond die bij ontgravingen vrijkomt vanwege het reinigingsproces die de grond heeft ondergaan. Zo heeft TGG een hoge pH (pH ≈9-11,5) en zijn organische stof en bodemorganismen afwezig. Het toepassen van TGG blijkt door deze eigenschappen niet onder alle omstandigheden probleemloos en duurzaam te kunnen verlopen, aldus het RIVM in haar rapport over de toepassing van thermisch gereinigde grond8. Het RIVM concludeert onder meer dat het huidige toetsingskader niet of onvoldoende toereikend is voor het bepalen van de uitloging van metalen en zouten in TGG. De staatssecretaris geeft aan de wetgeving op dit punt aan te gaan passen. Tevens is onlangs gestart met de herziening van de beoordelingsrichtlijn voor het bewerken en reinigen van grond8.
Het RIVM geeft verder aan dat voor zouten (chloride, sulfaat en bromide) in de regelgeving voor grootschalige bodemtoepassingen (GBT) geen nadere eisen worden gesteld waardoor deze stoffen niet worden getoetst. In gebieden met zoet grond- en oppervlaktewater kunnen hierdoor schadelijke effecten optreden voor plant en dier omdat deze van nature niet gewend zijn aan de hoge zoutgehaltes. Daarom heeft het Ministerie van IenW inmiddels besloten dat oude partijen TGG vanwege de uitloging van zouten alleen nog in gebieden met brak grondwater mogen worden toegepast9. De grondreinigers leveren hierover nu op grond van de zorgplicht de benodigde informatie aan bij afnemers. Tevens geven de reinigers aan dat de nieuw geproduceerde TGG aan hogere kwaliteitseisen voldoet. In hoeverre deze nieuw geproduceerde Kamerbrief 4-11-2021 (IenW/BSK-2021/287238) en Rapport RIVM (2021): Toepassing van thermisch gereinigde grond. Een evaluatie en opties voor een toepassingskader (rivm.nl) 9 Kamerbrief 14-04-2020 (RWS-2020/24717) 8
Blad 40 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
TGG ook zonder schadelijke effecten in gebieden met zoet grond- en oppervlaktewater toepasbaar is, is vooralsnog onvoldoende duidelijk. Over het algemeen kan gereinigde grond nuttig worden toegepast in werken zoals geluidswallen, wegenbouw, verwerking in de beton- en asfaltindustrie of als afdeklaag op stortplaatsen. Om hergebruik van gereinigde grond verder te bevorderen mag gereinigde grond met de maximale kwaliteitsklasse industrie worden toegepast. In 2020 hebben sessies plaatsgevonden met de gemeenten in de OMWB-regio om na te gaan wat de mogelijkheden zijn om TGG toe te passen in deze regio. Uit de sessies en reacties per mail zijn o.a. de volgende bijzonderheden naar voren gekomen: De deelnemende gemeenten willen de kwaliteit van de bodem binnen hun beheergebied beschermen en wensen daarom voorafgaande aan de toepassing van TGG aanvullend bewijs voor de kwaliteit. Verder wensen de gemeente een beperking van de mogelijkheden voor toepassing van TGG tot locaties waarvan verwacht wordt dat deze weinig tot geen risico’s voor het milieu kunnen opleveren; Toepassing van TGG in gemeente-eigen werken wordt beperkt tot grootschalige bodemtoepassingen (GBT), om de herkenbaarheid te garanderen.
Bij toepassing in een GBT geldt altijd een minimale hoeveelheid van 5.000 m3 en is sprake van een afdeklaag; Het bevoegd gezag moet de toepassingen van TGG registreren, om te garanderen dat deze werken in beeld zijn en blijven. Verder zag men niet veel mogelijkheden. Toepassing in provinciale wegen wordt lastig geacht omdat die vaak langs natuurgebieden lopen (geen toepassing in een gevoelig gebied). Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond de wettelijke zorgplicht bodem (art. 13 Wbb) en de zorgplicht oppervlaktewater (art. 7 Bbk) in acht worden genomen. In de Kamerbrief en het rapport van het RIVM8 wordt aangegeven dat het bestaande normeringskader voor TGG niet voldoet en ook dat aanpassingen in het toepassingskader en kwaliteitsverbetering van het product noodzakelijk zijn. Hiermee valt de toepassing van TGG onder de zorgplicht. Dit betekent dat toepassing van TGG niet mag leiden tot kwaliteitsvermindering van onderliggende bodem, grondwater en oppervlaktewater. Gemeenten zijn bevoegd voor handhaving van de zorgplicht oppervlaktewater en voor handhaving van de zorgplicht bodem bij toepassing van TGG binnen hun beheergebied.
In afwachting van aanpassingen binnen het bestaande normeringskader, aanpassingen in het toepassingskader en kwaliteitsverbetering van TGG, stellen de deelnemende gemeenten vanuit bovengenoemde zorgplicht een beleidsregel vast waarin zij aangeven onder welke voorwaarden zij toepassing van TGG in lijn met de zorgplicht achten. Het omgaan met en dus invulling van de zorgplicht bij toepassing van TGG is in de eerste plaats primair de verantwoordelijkheid van de toepasser – i.c. degene die de activiteit uitvoert, dus de opdrachtgever/initiatiefnemer c.q. de uitvoerend aannemer - en is maatwerk waarbij afstemming tussen de initiatiefnemer, bevoegd gezag landbodem en in voorkomende gevallen waterkwaliteitsbeheerder een belangrijk element is. Zo is van belang dat het grond- en oppervlaktewater in het beheergebied van de deelnemende gemeenten zoet is. In de beheerfase van een toepassing kunnen naast de toepasser ook de eigenaar en beheerder worden aangesproken op het voldoen aan de toepassingsbeperkingen en -voorwaarden, voor zover degene die de TGG heeft toegepast de eigenaar/beheerder hierover heeft geïnformeerd en die zijn akkoord heeft gegeven. Voor de gemeenten Altena, Oosterhout, Breda, Zundert, Steenbergen, Woensdrecht en Rucphen geldt dat TGG in het geheel niet mag worden toegepast in gemeente-eigen werken die binnen
Blad 41 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
het beheergebied van de gemeente worden gerealiseerd. Dit is een privaatrechtelijke aangelegenheid. Daarom leggen deze gemeenten dit aanvullend contractueel vast bij gemeenteeigen werken.
In het verleden is in de Noordwaardpolder in de gemeente Altena grootschalig thermisch gereinigde grond toegepast. Wegens de ervaringen met het materiaal en zorgen bij bewoners en de gemeente wordt er hier gekozen om thermisch gereinigde grond niet verder toe te passen in gemeente-eigen werken binnen het grondgebied.
De gemeente Oosterhout hanteert tot op heden het beleid dat zij TGG in de beoordeling gelijkstellen aan avi-bodemassen. Avi-bodemassen zijn als IBC-bouwstoffen uitgefaseerd tussen juli 2021 en januari 202210. De mogelijkheid van toepassen van IBC-bouwstoffen wordt beëindigd. Om deze reden wordt het toepassen van TGG niet toegestaan in gemeente-eigen werken binnen de gemeentegrenzen van Oosterhout.
Het bestaande bodembeleid van de gemeente Breda (Nota Bodembeheer Gemeente Breda, kenmerk 0412322.00, revisie 03, d.d. 22 mei 2017) laat uitsluitend de toepassing van extractief gereinigde grond toe. Toepassing van thermisch gereinigde grond in gemeente-eigen werken is niet toegestaan. De gemeente Breda zet dit beleid voort. Derhalve wordt de toepassing van TGG niet toegestaan in gemeente-eigen werken binnen het grondgebied van de gemeente Breda. Verder stelt Breda net als Oosterhout, TGG in de beoordeling gelijk aan het gebruik van AVI-bodemassen. Daarmee zijn in het verleden (HSL lijn) en recent (Rijksweg A16) veel negatieve ervaringen opgedaan, zorgen van bewoners geuit en raadsvragen gesteld. Om die reden is Breda extra kritisch op toepassing van TGG binnen Bredaas grondgebied.
De gemeente Zundert staat het gebruik van thermisch gereinigde grond in gemeenteeigen werken binnen zijn gemeentegrenzen niet toe, omdat de bedoeling van grondreiniging is de grond juist geschikt maken voor gebruik zonder nazorgverplichtingen. Met het toepassen van thermisch gereinigde grond worden nieuwe, versnipperde plekken gecreëerd die eeuwigdurende nazorg behoeven.
De gemeente Steenbergen staat het gebruik van thermisch gereinigde grond in gemeente-eigen werken binnen zijn gemeentegrenzen niet toe, omdat de bedoeling van grondreiniging is de grond juist geschikt maken voor gebruik zonder nazorgverplichtingen. Met het toepassen van thermisch gereinigde grond worden nieuwe, versnipperde plekken gecreëerd die eeuwigdurende nazorg behoeven.
De gemeente Woensdrecht heeft bijna alle grond op ‘schoon’ staan. Hierdoor staat de gemeente het gebruik van thermisch gereinigde grond in gemeente-eigen werken binnen haar gemeentegrenzen niet toe. Ook zijn er binnen de gemeentegrenzen twee grote waterwingebieden die de gemeente kosten wat kost wil beschermen en is de Brabantse Wal aardkundig waardevol met zijn bijbehorende waterhuishouding. Het risico op uitloog naar de ondergrond door gebruik van TGG is daarbij te groot.
De gemeente Rucphen staat het gebruik van thermisch gereinigde grond in gemeenteeigen werken binnen het grondgebied van de gemeente Rucphen niet toe. Over de
10
https://www.bodemplus.nl/actueel/nieuwsberichten/2021/einde-toepassing-avi-bodemassenibc-bouwstof/
Blad 42 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
gehele gemeente wordt de bodem schoon geacht en dit zou de gemeente Rucphen graag zo houden. NB: Voor grond van grondbanken en extractief gereinigde grond van grondreinigers moet de kwaliteit van grond, waarvan de herkomst buiten het bodembeheergebied gelegen is, voldoen aan de generieke toepassingseisen die gelden op de locatie waar de grond wordt toegepast.
11.2
Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, veronderstelt dat in beginsel in overeenstemming met de zorgplicht bodem (art. 13 Wbb) en de zorgplicht oppervlaktewater (art. 7 Bbk) wordt gehandeld indien bij toepassing van thermisch gereinigde grond (TGG) binnen haar grondgebied tenminste onderstaande maatregelen in acht worden genomen: Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met de OMWB over de voorgenomen toepassing. De OMWB zal de toepasser vragen om de uitwerking van de voorgenomen toepassing vast te leggen in een plan van aanpak dat aan de OMWB wordt voorgelegd. Daarbij zal er afstemming tussen toepasser en de OMWB en tussen OMWB en gemeente – en afhankelijk van de toepassingslocatie: het waterschap – plaatsvinden. Dat zal dan met name gaan om toestemming van de eigenaar en eventueel de toekomstige eigenaar voor de toepassing, vastlegging van het eigenaarschap in de beheerfase, nadere uitwerking van de zorgplicht-aspecten, borging van de drooglegging (zetting). Het plan van aanpak met een advies van de OMWB zal worden voorgelegd aan de gemeente. De gemeente heeft daarbij altijd de mogelijkheid om handhavend op te treden als aantoonbaar niet aan zorgplicht wordt voldaan; De toepassing voldoet aan de zorgplicht.
Bij de keuring van de TGG wordt de onderzoeksopzet en het uitgebreidere stoffenpakket gehanteerd uit de ‘Algemene onderzoeksrichtlijn thermisch gereinigde grond in het kader van de zorgplicht’ die is opgesteld door de DCMR Milieudienst Rijnmond. Het verplicht bepalen van de maximale emissie zoals vermeld in de Kamerbrief8 maakt onderdeel uit van deze richtlijn. De gemeente of de daartoe aangewezen instantie registreert de toepassingen van TGG om te garanderen dat deze werken in beeld zijn en blijven en registreert tevens de datum van productie van de toegepaste TGG, i.v.m. de herleidbaarheid van de toegepaste partijen.
Blad 43 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
12
Gebruik Toets herkomst NEN 5725
12.1
Onderbouwing Teneinde uit te sluiten dat de locatie van herkomst als 'verdacht' ten aanzien van bodemverontreiniging moet worden bestempeld, dient voorafgaand aan grondverzet altijd een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725, zoals beschreven in de Regeling bodemkwaliteit paragraaf 4.3. Dit kan de vorm hebben van een vooronderzoek conform de NEN 5725 dat door een bodemadviesbureau is opgesteld, dan wel een compleet ingevuld formulier Toets herkomst waarin alle onderzoeksvragen zoals in de NEN 5725 zijn opgenomen zijn verwerkt. In de bijlage 5 is een formulier voor de Toets herkomst conform de NEN 5725 opgenomen. Om gebruik te kunnen maken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel dient dit volledig ingevulde formulier bij de melding te worden gevoegd. Tevens moet uit de beantwoording van de vragen blijken dat op de ontgravingslocatie geen activiteiten hebben plaatsgevonden die de bodemkwaliteit mogelijkerwijs negatief hebben beïnvloed. Het formulier dient ingevuld en ondertekend te worden door de initiatiefnemer. Het Toets herkomst formulier conform de NEN 5725 is alleen geldig indien dit ondertekend is door de initiatiefnemer en alle vragen zijn beantwoord. Door een volledig ingevuld formulier Toets herkomst conform NEN 5725 gecombineerd met de bodemkwaliteitskaart is vrij grondverzet binnen de kaders van het lokale bodembeleid en binnen het beheergebied mogelijk.
Er hoeft hierdoor niet altijd een bodemadviesbureau ingeschakeld te worden. Het toets herkomst formulier wordt als onderdeel van de melding getoetst. Indien de melding op basis van de gegevens van de gemeenten (dan wel OMWB) discrepanties blijkt te bevatten, kan grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart niet plaatsvinden. De bodemkwaliteitskaart kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt als: a. De toe te passen partij grond afkomstig is van een verdachte locatie; b. Sprake is van bijzondere omstandigheden of c. De grond zintuiglijk opvallende afwijkingen vertoont (onverwachte situaties). d. Formulier Toets herkomst NEN 5725 niet volledig en correct is ingevuld en/of niet ondertekend door initiatiefnemer en/of de gemeente Zie voor meer informatie over het gebruik van de Toets herkomst NEN 5725 in combinatie met de bodemkwaliteitskaart en over de bovengenoemde uitzonderingssituaties hoofdstuk 20 in deel 3 van deze Nota. Volgt uit de historische toets dat sprake is van een situatie als hierboven beschreven, dan kan de betreffende bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond (en/of de ontvangende bodem). In dat geval dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van één van de bewijsmiddelen zoals beschreven in deel 3, hoofdstuk 20.
12.2
Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij de melding toepassen van grond of baggerspecie op basis van de kwaliteitskaart of het bijgevoegde NEN 5725-vooronderzoek dan wel de Toets herkomst op basis van de NEN 5725 correct en compleet is. Het onderzoek/de toets
Blad 44 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
is bijgevoegd als onderdeel van de melding. In het geval de toets is aangeleverd als zijnde vooronderzoek, controleert de gemeente: 1. Het formulier is door de initiatiefnemer correct en volledig ingevuld; 2. Het formulier is door de initiatiefnemer ondertekend; 3. Aan de overige voorwaarden voor het toepassen op grond van de bodemkwaliteitskaart wordt voldaan. Als aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan kan worden ingestemd met de toepassing. Het formulier Toets herkomst NEN 5725 is tezamen met de bodemkwaliteitskaart te gebruiken als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen partij en de ontvangende bodem.
Blad 45 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
13
Terugsaneerbeleid
13.1
Onderbouwing Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was in de Circulaire bodemsanering (2013) vastgelegd dat de bodemfunctieklasse (of de vastgestelde Lokale Maximale Waarde) leidend is bij het bepalen van de terugsaneerwaarde in geval van verwijderen, herschikken en/of bewerken (zoals zeven) op de saneringslocatie. Op het gebied van terugsaneerwaarden geldt er in de huidige situatie (situatie vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) binnen de regio Midden- en West-Brabant gebiedsspecifiek beleid. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de saneringsregels opgenomen als algemene regels in het Bal (onder meer artikel 4.1242). Bij de milieubelastende activiteit saneren van de bodem bepaalt in principe de bodemfunctieklasse die hoort bij het gebied waar de saneringslocatie is gelegen de terugsaneerwaarde. Dit komt overeen met het huidige saneringsbeleid voor immobiele verontreinigingen in de Circulaire bodemsanering en de Regeling uniforme saneringen (stelsel Wet bodembescherming). De gemeente heeft ook onder de Omgevingswet de ruimte om (lokaal afwijkende) waarden die voor het toepassen van grond of baggerspecie, ook als terugsaneerwaarden te laten gelden. De deelnemende gemeenten willen na inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestaande beleid voortzetten.
Het gebiedsspecifieke beleid leidt ertoe dat er teruggesaneerd dient te worden tot de gebiedsspecifieke toepassingswaarde, zie ook hoofdstuk 5 in deel 1 van deze Nota. Voor gebieden waar geen gebiedsspecifiek beleid voor is opgesteld, is de kwaliteitsklasse die volgt uit de bodemfunctieklassekaart van toepassing als terugsaneerwaarde. Dit is tevens aangegeven op de gebiedsspecifieke toepassingskaart opgenomen in bijlage 3. Er dient ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de terugsaneerwaarden te worden uitgegaan van de gebiedsspecifieke toepassingswaarden zoals die voor het betreffende gebied vastgesteld zijn (zie hoofdstuk 5).
13.2
Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij het ontvangen van de melding voor de milieubelastende activiteit saneren van de bodem met de standaardaanpak verwijderen binnen haar grondgebied of er sprake is van een situatie waarin niet de generieke maar de gebiedsspecifieke toepassingskaart gevolgd dient te worden voor de terugsaneerwaarden. De gemeente houdt zich voor om in deze gevallen een maatwerkvoorschrift op te kunnen leggen. In dit maatwerkvoorschrift worden de volgende voorschriften opgelegd: Er wordt teruggesaneerd tot minimaal de maximale waarden behorende tot de bodemkwaliteitsklasse zoals aangegeven op de gebiedsspecifieke toepassingskaart (bijlage 3).
Blad 46 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
14
Bescherming van natuurgebieden
14.1
Onderbouwing In het beheergebied van de deelnemende gemeenten bevinden zich een aantal gebieden met de functie natuur. In deze gebieden worden andere doelen nagestreefd. Deze gebieden zijn vanwege hun gevoeligheid voor bodemverontreiniging/ vermesting ingedeeld onder de bodemfunctieklasse natuur, zie hiervoor de bodemfunctieklassenkaart in bijlage 2. Alvorens een partij grond of baggerspecie kan worden toegepast binnen een gebied met de functie natuur van een deelnemende gemeente dient voor de toepassing in deze gebieden afstemming te zijn gezocht met de terreineigenaar door de gemeente over de toe te passen kwaliteit. Voor het verspreiden van onderhoudsbagger op naastgelegen percelen of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie is vrijgekomen, worden volgens artikel 4.1278 van het Bal geen aanvullende eisen gesteld.
14.2
Beperking grondverzet Natte Natuurparel van Waalwijk Een natte natuurparel (NNP) is een belangrijk nat natuurgebied met bijzondere natuur die afhankelijk is van voldoende grondwater en een goede waterkwaliteit. Deze natuur kent verschillende kleine ecosystemen, ook wel verschillende habitattypen genoemd. Met een aantal daarvan gaat het niet goed. De meeste gebieden hebben last van verdroging. Het herstel van een goede waterhuishouding door méér en langer water vast te houden, is een belangrijke voorwaarde om de gewenste natuur te behouden of terug te laten keren. De provincie heeft natte natuurparels aangewezen als gebieden met bijzondere natuurwaarden. Natte natuurparels moeten op grond van de Europese regelgeving zodanig worden hersteld dat de oorspronkelijke vegetatie zich optimaal kan ontwikkelen. Binnen de gemeente Waalwijk ligt een Natte natuurparel, namelijk De Westelijke Langstraat. Aan het in dit gebied toepassen van grond worden specifieke eisen gesteld (zowel milieuhygiënisch als civieltechnisch). Voorafgaand aan de toepassing dient daarom in overleg te worden getreden met de gemeente Waalwijk.
14.3
Beleidsregel Voor de deelnemende gemeenten De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, zal bij het ontvangen van de melding voor het toepassen van grond of baggerspecie in natuurgebieden binnen haar grondgebied (zie hiervoor de bodemfunctieklassenkaart) toetsen of de eigenaar toestemming geeft voor de voorgenomen toepassing. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het aanleveren van het bewijs van de instemming tot toepassen en voegt bewijs hiervan bij de melding. De gemeente of de daartoe aangewezen instantie vraagt de eigenaar om instemming met de kwaliteit van de toe te passen partij. Voor de gemeente Waalwijk De gemeente Waalwijk houdt zich voor om bij het ontvangen van de melding van het toepassen van grond of baggerspecie binnen de Natte Natuurparel van Waalwijk de toepasser een maatwerkvoorschrift op te leggen. In het maatwerkvoorschrift worden de volgende voorwaarden aan de toepassing gesteld:
Blad 47 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
1. 2.
Er heeft overleg plaatsgevonden met de gemeente Waalwijk over het toepassen van grond of baggerspecie binnen de Natte Natuurparel; De toepassing mag geen negatief effect hebben op de waterhuishouding binnen het gebied. Er wordt voldaan aan de door de gemeente specifieke gestelde eisen (zowel milieuhygiënisch als civieltechnisch) waarbij de waterhuishouding niet negatief beïnvloed wordt.
Blad 48 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
15
Volkstuincomplexen van Waalwijk
15.1
Onderbouwing In de bestaande bodemkwaliteitskaart van Waalwijk en in de PFAS-bodemkwaliteitskaart van Waalwijk is geen onderscheid gemaakt in de bodemfunctie/ -kwaliteit of toepassingseis tussen bestaande volkstuincomplexen ten opzichte van het omringende gebied. De gemeente Waalwijk wenst de bodemkwaliteit van volkstuincomplexen wegens het gevoelig gebruik aanvullend te beschermen. Om deze reden is de keuze gemaakt geen grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart plaats te laten vinden. Volkstuinencomplexen binnen het beheergebied van de gemeente Waalwijk worden uitgesloten van de bodemfunctieklassenkaart. Dit betekent dat deze volkstuincomplexen worden uitgesloten van de ontgravingskaarten en toepassingskaarten voor het reguliere stoffenpakket én de kaarten die voor de stofgroep PFAS zijn opgesteld. Het betreft de volgende volkstuincomplexen: Weteringweg, Waalwijk; Besoyensestraat (binnenterrein), Waalwijk; Bevrijdingsweg, Sprang Capelle; Schrevelstraat, Sprang Capelle; Oudestraat, Waspik. In de aangepaste bodemfunctieklassenkaart (20220106 ODMWB-FK) zijn de volkstuincomplexen uitgesloten.
15.2
Beleidsregel De gemeente Waalwijk toetst bij de melding van toepassen van grond of baggerspecie vanuit of naar de bovengenoemde volkstuincomplexen in haar beheergebied of aan de volgende eisen is voldaan: 1. Voor het toepassen van grond binnen een van de bovengenoemde volkstuincomplexen wordt een dubbele onderzoeksinspanning verlangd: a. Van zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem moet met een onderzoek de kwaliteit worden vastgesteld, zie ook het hoofdstuk betreffende bewijsmiddelen (deel 3) van dit document. De reguliere bodemkwaliteitskaart en de bodemkwaliteitskaart voor de stofgroep PFAS is niet een erkend bewijsmiddel voor de milieuverklaring bodemkwaliteit. b. De milieuverklaring bodemkwaliteit dient naast reguliere parameters minimaal aangevuld te zijn met analyses op de stofgroep PFAS; In het geval er sprake is van verplaatsing van grond binnen hetzelfde volkstuincomplex, kan de grond zonder aanvullende eisen worden hergebruikt. De gemeente handhaaft niet bij hergebruik van grond binnen hetzelfde volkstuincomplex indien er geen verdachtmaking is.
Blad 49 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
Deel 3: Toelichting en uitleg In de volgende hoofdstukken worden onderwerpen beschreven die wel bij het thema bodem horen, maar geen directe impact hebben op het lokale beleid. Het gaat hierbij om een uitleg of beschrijving van het generieke beleid, begrippen en procedures die geen plaats hebben in het omgevingsplan, maar bijvoorbeeld wel in een Omgevingsprogramma. Naast deze toelichting op het generieke beleid (Wbb, Bbk) van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is er ook een uitwerking opgenomen over het generieke beleid onder de Omgevingswet (Bal, Bkl, Bbk).
Blad 50 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
16
Het wettelijk kader
16.1
Huidige generieke kader
16.1.1
Wet bodembescherming Hoe in Nederland de bodem en het grondwater beschermd wordt, is beschreven in de Wet bodembescherming (Wbb). Zo is in de Wbb beschreven wanneer en hoe sanering van (ernstig) verontreinigde bodem en grondwater dient te worden verricht of wanneer bijvoorbeeld voor beheer van de verontreiniging moet worden gekozen. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet. Essentieel onderdeel van de bodembescherming in Nederland is de zorgplicht, welke is beschreven in artikel 13 van de Wbb. Deze bepaling verplicht ieder die handelingen uitvoert die effect kunnen hebben op de bodem, om ervoor te zorgen dat door die handelingen de bodem niet verontreinigd raakt. Indien er een verontreiniging is ontstaan, dient de veroorzaker op grond van deze zorgplicht de verontreiniging voor zo ver als redelijkerwijs mogelijk is, ongedaan te maken. Gedeputeerde Staten zijn conform de Wbb bevoegd gezag voor alle nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. In het geval de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, is het bevoegd gezag afhankelijk van de omvang van de verontreiniging. Tot 25 m3 grond/100 m3 grondwater niet-ernstige bodemverontreiniging is de betreffende gemeente het bevoegd gezag.
Bij verontreinigingen met een grotere omvang, is de provincie het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bij nieuwe bodemverontreinigingen binnen een inrichting is vaak het bevoegd gezag Wet milieubeheer. Zie voor meer informatie Bodemplus.nl11 De noodzaak voor sanering en de aard van de te nemen saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. Of een verontreiniging als spoedeisend wordt beschouwd, is afhankelijk van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. De Wet bodembescherming is daarnaast de grondslag voor een aantal besluiten en bepalingen die inhaken op het gebruik van de bodem. Voorbeeld hiervan is het voorgenoemde Besluit Uniform Saneren in het geval er sprake is van verontreinigingen in de bodem. Voor het hergebruik van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie en voor hergebruik van bouwstoffen is het Besluit bodemkwaliteit in 2008 in werking getreden. Dit besluit wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht.
11
https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/wbb/vragen/wbb-algemeen/faq/bevoegdgezag/
Blad 51 van 92
Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
16.1.2
Besluit bodemkwaliteit In juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Uitgangspunt bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie is dat deze definitief onderdeel gaan uitmaken van de bodem (een zogenoemde bodemtoepassing). Er wordt ook wel gesproken over het 'beheer van grondstromen', oftewel het op die plaats toepassen van grond (of baggerspecie) waar dit geen risico's oplevert voor enerzijds de actuele bodemkwaliteit ter plaatse (standstill-principe) en anderzijds de functie die de bodem heeft. Met de actuele bodemkwaliteit wordt de diffuse bodemkwaliteit bedoeld, ook wel achtergrondkwaliteit. Deze diffuse bodemkwaliteit is kenmerkend voor een bepaald gebied en is niet gerelateerd aan een specifieke en herkenbare bron zoals in het geval van puntverontreinigingen. Voor deze laatste vorm van verontreinigingen is het saneringsbeleid van kracht (Wet bodembescherming voor de landbodem en de Waterwet voor de waterbodem) tot het inwerking treden van de Omgevingswet. Bij het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen is het Bbk met name gericht op het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging. In figuur 7 is de positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid aangegeven.