Bijlage 8 BP De Boogerd - Toelichting - Nota van Zienswijzen 2428784 (3).pdf
Tekst van het document
*Cim
yëte
C O
too Ao%5e9!
o
+ Afbeelding: ligging gronden cliënt tegen plangebied
Onder het huidige bestemmingsplan mogen de gronden van cliënt onbelemmerd gebruikt worden voor de teelt van akkerbouwproducten. Meer specifiek gebruikt cliënt de gronden voor de teelt van fruit (met behulp van teeltstellingen). Een drietal (grote) percelen van cliënt, te weten de percelen
kadastraal bekend, gemeente Steenberge, sectie AB, nummers 3115, 837 en 927, liggen direct tegen dan wel op zeer korte afstand van het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan aan. De
belangen van cliënt zijn dan ook rechtstreeks betrokken bij dit ontwerpbestemmingsplan, waarvoor tevens de structuurvisie is aangepast.
2.
Een goede ruimtelijke ordening
Bestemmingen moeten ingevolge artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro)1 in een
bestemmingsplan op basis van een goede ruimtelijke ordening worden aangewezen. De ruimtelijke
ordening heeft als doel zo gunstig mogelijke voorwaarden te creëren voor het gebruik en de ontwikkeling van een gebied. Hierbij moet de vraag worden gesteld in hoeverre bestemmingen naast elkaar kunnen bestaan. Een goede
bestemming gemoeide
belangenafweging van de verschillende
met de
belangen is noodzakelijk. Het bevoegd gezag heeft niet deugdelijk
gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit is in strijd met artikel 3:46 en
3:47 van de Awb.
i
Gelet op het overgangsrecht in artikel 4.6, lid 2, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op dit ontwerpbestemmingsplan.
HOOGLANDER. Op grond van het in artikel 3:2 van de Awb opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit alle nodige kennis omtrent de relevante
feiten en de af te wegen belangen, te vergaren. De voor de belanghebbenden nadelige gevolgen
mogen op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Het bevoegd gezag heeft in het ontwerpbestemmingsplan onvoldoende blijk gegeven van
een deugdelijke belangenafweging. Het bevoegd gezag heeft de belangen van cliënt onvoldoende onderkend en meegewogen
3.
De belangen van cliënt
Cliënt heefteen groot belang bij een ongestoorde voortzetting van zijn bedrijfsvoering. Zoals gezegd zijn er verschillende percelen waar hij zijn producten teelt, die direct tegen en op zeer korte
afstand van het plangebied aan liggen. Op deze gronden wordt beoogd een nieuwe woonwijk met 73 woningen te ontwikkelen.
Als gevolg van het ontwerpplan ontstaat er echte een conflictsituatie tussen de nieuwe woonwijk en het bedrijf van cliënt. De nieuwe woonwijk en het ontwerpplan krijgen de naam De Boogerd
(Kruislands dialect voor de boomgaard) omdat deze is geprojecteerd op een voormalige boomgaard.
Er is echter geen rekening gehouden met de daarnaast gelegen boomgaard/ fruitteelt van cliënt.
4.
Spuitzones
Zoals gezegd teelt cliënt hier akkerbouwproducten. Een wezenlijk onderdeel van de fruitteelt is het
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In het ontwerpplan is er onvoldoende rekening met de spuitzones ten behoeve van het landbouwkundig grondgebruik van cliënt gehouden en hiervoor een onjuiste afstand aangehouden. De agrarische bestemming ter plaatse maakt het zonder meer
mogelijk om gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen zodat met de spuitzones rekening had moeten worden gehouden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand
van 50 meter tussen gevoelige functies, niet onredelijk wordt geacht. Onder gevoelige functies
moeten in dit verband in ieder geval woningen, maar ook andere gevoelige objecten waar mensen
verblijven (zoals bijgebouwen) worden begrepen. Cliënt verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1007) waarin
de Afdeling overwoog dat dergelijke objecten óók als gevoelige objecten moeten worden aangemerkt:
HOOGLANDER. "6.2.3. De raad heeft voor zijn standpunt dat alleen de bedrijfswoning met bijbehorende tuin in het plan als spuitgevoelige functie moet worden aangemerkt en de bedrijfsgebouwen niet, aangesloten
bij de omschrijving van gevoelige functies in milieuregelgeving zoals het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), de Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Deze regelgeving ziet echter op andere vormen van milieuhinder. Voor de bepaling gevoelige
functies
in
verband
met
blootstelling
van
aan
gewasbeschermingsmiddelen kan dan ook niet zonder meer bij deze milieuregelgeving worden aangesloten. Ook uit de door de raad aangehaalde brief van de Staatssecretaris van infrastructuur
en milieu van 18 februari 2014 over het rapport van de Gezondheidsraad inzake de risico's van gewasbeschermingsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de gevoelige functies in het plan
beperkt moeten worden tot de bedrijfswoning. Dat bedrijfsgebouwen, waar mensen langdurig verblijven en daarmee een grotere kans lopen op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen,
als gevoelige objecten kunnen worden aangemerkt lag ook ten grondslag aan de hiervoor onder 6. genoemde uitspraak van de Afdeling van 3 december 2008. Bovendien zijn de gronden van het
bedrijfsperceel mede bestemd voor detailhandel en kantoren ten dienste van het landbouwmechanisatiebedrijf." Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak is de vuistregel van 50 m in het
algemeen niet onredelijk is. In de loop der jaren is door verschillende partijen gezocht naar een algemeen wetenschappelijk aanvaard model om het locatie-toegesneden onderzoek naar een
kleinere aan te houden afstand dan 50 meter te onderbouwen. Verschillende modellen, zoals PRI 2012, PRI 2015 en EFSA-model zijn de revue gepasseerd. Al deze modellen hebben toetsing door
de bestuursrechter niet doorstaan. Dit heeft als gevolg dat er op dit moment geen juridisch geaccepteerd model is waaruit blijkt dat in concrete situaties kan worden afgeweken van de afstandsgrens van 50 meter.
Aangezien er gevoelige functies worden opgericht binnen een afstand van 50 meter, zal in ieder geval onderbouwd moeten worden waarom sprake is van een goed woon- en leefklimaat binnen de afstand van 50 meter dan wel het plan zodanig moeten worden aangepast dat
hiermee rekening wordt gehouden. Dat is in het ontwerpbestemmingsplan niet gebeurd. Weliswaar is gesteld dat sprake is van een indicatieve afstand, maar dat betekent niet dat juist is (of kan
worden) onderbouwd dat van een kortere afstand kan worden uitgegaan. De stelling dat vanwege de feitelijke afstand van de fruitbomen tot aan de meest dichtbij gelegen woon- of tuinbestemming
binnen het plangebied van circa 50 meter is voldaan aan de vereiste afstand is veel te kort door de bocht. Bovendien is deze onjuist. De kortste afstand tussen de meest westelijk gelegen woningen
bedraagt niet meer dan 44 respectievelijk 40 meter tot aan de fruitbomen. Als wordt uitgegaan van
de bestemming tuin (waar mag worden verbleven en bijgebouwen kunnen worden gerealiseerd
waar kan worden verbleven) bedraagt deze nog slechts 38 meter.
HOOGLANDER. Bovendien is ten onrechte uitgegaan van de feitelijke situatie ter plaatse en niet van de maximale
mogelijkheden die de aan de grond toegekende bestemming maximaal toelaat. Zo volgt uit (onder meer) de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2017
(ECLI:NL:RVS:2017:868). Deze agrarische bestemming geldt tot aan de plangrens (tevens perceelsgrens) en kan dus volledig worden ingevuld met teelt van fruitbomen waarvoor gewasbeschermingsmiddelen (mogen) worden gebruikt.
Er moet dus worden gemeten vanaf die grens (tussen agrarische bestemming en plangebied) en die
bedraagt slechts 32 meter tot de grens (bouwvlak voor wonen) van de zuidelijk gelegen woningen in het plangebied respectievelijk 38 meter (in oostelijke richting) en 12 meter (in noordelijke richting)
voor de noordelijk gelegen huizenblokken. Dit aangezien ook het ten noorden daarvan gelegen perceel kan worden gebruikt voor fruitteelt. De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat niet aan de vereiste afstand is voldaan.
5.
Ontwerpbestemmingsplan biedt geen oplossing
Verder garandeert het ontwerpplan geen enkele vorm van afscheiding tussen het plangebied en zijn
agrarische percelen. Weliswaar voorziet het plan in een bestemming "Groen" aan de buitenrand van het plangebied en geldt daar een voorwaardelijke verplichting tot het realiseren van een
landschappelijke inpassing. Deze dient echter alleen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap
en niet als afscherming tegen de drift van gewasbeschermingsmiddelen. Dit is ook niet in het
ontwerpplan onderbouwd of onderzocht. De voorziene haag is met een breedte van 1,5 meter en een hoogte van 2 meter ook onvoldoende geschikt om als afscherming te dienen. Cliënt heeft dan ook geen andere keuze dan een zienswijze en zo nodig beroep in te dienen tegen het voorliggende ontwerpplan. Gelet op het voorgaande verzetten de belangen van cliënt zich tegen de aanleg van de
woonwijk.
6.
Belemmering bedrijfsvoering: beregening en nevel
Ook in verband met de twee hiervoor genoemde punten moet worden opgemerkt dat het ontwerpplan niet voorkomt dat cliënt wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering en omgekeerd dat
derden daardoor geen overlast ondervinden of schade lijden. Voor zijn bedrijfsvoering (fruitteelt) is
cliënt namelijk aangewezen op het gebruik van beregening. Deze beregening gebeurt (logischerwijze) met grondwater. Door de beregening ontstaat een (lichte) nevel. Deze is onderhevig
aan dezelfde verspreiding door wind (eventueel thermiek). Anders gezegd kan de sproeinevel ook door de wind worden meegenomen en drift veroorzaken. Door het gebruik van grondwater, dat
kalk- en ijzerhoudend is, kan schade ontstaan. Bijvoorbeeld als tijdens het beregenen op een warme
dag de nevel (drift) op geparkeerde auto's neerslaat, brandt deze in in de autolak van auto. Juist op warme dagen moet cliënt op het heetst van de dag het gewas koelen tegen het ontstaan van
zonnebrand op bijvoorbeeld appels die geteeld worden. Verder kan hier ook roestvorming of
HOOGLANDER vervuiling van auto's door optreden. Zoals blijkt uit de stedenbouwkundige opzet van het plan (zie onderstaande afbeelding, met geel omcirkeld) wordt een ruim aantal van de in het plan voorziene (verplichte) parkeerplaatsen aan de oostzijde van het plangebied, dus het dichtst tegen de gronden
van cliënt aan, gerealiseerd. Dat vergroot het hiervoor genoemde risico juist. Cliënt wil niet belemmerd worden in zijn bedrijfsvoering en ook gevrijwaard blijven van schadeclaims. Ook hier
geldt, evenals ten aanzien van het voorgaande, dat de geplande groenvoorziening uitsluitend een landschappelijk doel dient en geen waarborg biedt tegen het optreden van deze negatieve gevolgen.
Hier ligt overigens ook geen onderzoek aan ten grondslag. V
\
\ \ ,\
\
\
*e, gg.e \
)
8 \
N '
X
\
\ \
\
sje ■
(
I In zijn algemeenheid dient hierbij ook te worden gewezen op het uitgangspunt in paragraaf 4.8 van
de toelichting dat voldaan is aan de richtafstanden volgens de VNG brochure bedrijven en milieuzonering. Daarbij is voor de inrichting van cliënt een afstand van 180 meter aangehouden, op
basis van een meting van de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van de dichtstbijzijnde
woonbestemming. Daarbij is echter niet uitgegaan van de grens van het agrarisch bestemmingsvlak maar van het bouwvlak. Dat is echter onjuist, zoals hiervoor ook is uiteengezet, omdat de meest
voorname milieugevolgen van akkerbouw zich niet concentreren binnen het bouwvlak maar het
gehele bestemmingsvlak betreffen. Er kon dan ook niet worden uitgegaan van een afstand van 180
meter en ook de conclusie dat voldaan wordt aan de richtafstand van 30 meter is niet onderbouwd.
HOOGLANDER. Strijd met provinciale regelgeving
7.
De ontwikkeling alsmede het ontbreken van een (afdoende) landschappelijke inpassing is ook in
strijd met de provinciale regelgeving. Volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (art. 3.73) is de vestiging van een niet-agrarische functie alleen mogelijk op een bestaand
bouwperceel. Daarvan is geen sprake. Momenteel is sprake van een agrarische bestemming. Het
gehele plangebied valt volgens de provinciale Interimverordening onder Landelijk gebied.
Op onderstaande afbeelding is dit weergegeven.
wag""
cge"g"
l 1 G“
+
1
% gevonden op deze locatie sbsnt
o o
Landelijk gebied
Basiskaart Stedelijk gebied Landelijk gebied. Natuur Netwerk Brabant
Landelijk gebied - Ambtsgebied - alle regels en locaties op alfabetische volgorde
Het ontwerpplan voorziet echter ook in herbegrenzing van de zone 'verstedelijking afweegbaar' van
de Interim omgevingsverordening. Daartoe is een gebiedsaanduiding voorzien in het ontwerpplan.
Deze heeft echter enkel betrekking op het zuidelijke gedeelte (ruwweg het derde deel) van het plangebied, zoals op onderstaande afbeelding weergegeven. Dat betekent dat in ieder geval voor het grootste (noordelijke) deel van het plangebied, niet is voorzien in een aanpassing van de Interim
omgevingsverordening. Dit deel blijft hoe dan ook onder 'Landelijk gebied' vallen waar de nieuwvestiging van een woonwijk/ woonpercelen niet is toegestaan; hier is geen sprake van een
zone 'verstedelijking afweegbaar'. (
O
o
bestemmingsplan ontwerp (2023-12-08)
PLEKINFO
#
□
DOCUME
87425.597975.5
Enkelbestemming
Gebiedsaanduiding
E3
L 9
Ao '
-
— 02
0
Gebiedsaanduiding
HOOGLANDER.
Bovendien geldt, zelfs als het voorgaande anders was, bij de vestiging van een niet-agrarische functie in landelijk gebied, de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (van art. 3.5 - 3.9),
waaronder een goede landschappelijke inpassing valt. Zoals uit het voorgaande volgt, is daarvan
geen sprake. Daarom is de ontwikkeling in strijd met de Interim omgevingsverordening. In het ontwerpplan is weliswaar gesteld dat er een verzoek tot herbegrenzing van de verordening
wordt gedaan. Hiermee is echter niet onderbouwd dat het initiatief past binnen het provinciaal beleid. Sterker nog: met zoveel woorden wordt in het ontwerpplan erkend dat het niet past binnen het zoekgebied voor verstedelijking zoals aangeduid in de Interimverordening ruimte.
8. Aanpassing structuurvisie Zoals blijkt uit het ontwerpplan (Partiële herziening Structuurvisie Steenbergen, De Boogerd) is het
plangebied niet aangewezen voor ontwikkelingen als uitbreiding van de bebouwde kom of wonen.
Daarom voorziet de herziening in een uitbreiding van de harde plancapaciteit voor De Boogerd. Op
onderstaande afbeeldingen van de ontwerp herziening structuurvisie en de bestaande structuurvisie is deze aanpassing weergeven.
ggo $,,mwwuw
gw
6® )) KERN KRUISLAND
3
1
15
1 -.Ü KERN KRUISLAND
I• Marde plannen
maexhapca ozo-nnanan bw’eningcüyece
E
I
a Ee MMXMMlUN
< ow-u •cuo*-
tcologwchm webindinguone
Structuurvisie 2012 Ontwerp partiële herziening structuurvisie Hieruit volgt dat ten bate van voorliggend ontwerpplan naar de beoogde herziening van de structuurvisie toe is geredeneerd. De onderbouwing daarvoor is ook ondeugdelijk. Er wordt
uitgegaan van een 'hard plan' als: 1.
Het bestemmingsplan is vastgesteld - hieraan is niet voldaan.
2.
Het bestemmingsplan nog niet is vastgesteld en de gemeente geen eigenaar is van de grond, maar al wel contractvorming heeft plaatsgevonden op het gebied van de verrekening van
kosten in de anterieure fase - hieraan is niet voldaan.
3.
Het bestemmingsplan nog niet is vastgesteld, maar de gemeente eigenaar is van de grond en
al duidelijk het voornemen heeft geuit om bepaalde grond voor een bepaald doel te ontwikkelen - hierbij wordt aangesloten.
HOOGLANDER. Daaruit volgt dus dat ook hier de privaatrechtelijke positie van de gemeente (als grondeigenaar)
maatgevend is voor de overweging om woningbouw op deze gronden mogelijk te willen maken.
Dit blijkt ook uit de nadere afweging. Daarin wordt wederom verwezen naar de mogelijkheid om
deze gronden te verwerven en het mislukken van pogingen om gronden aan de noordkant van
Kruisland te verwerven. Er is wel gesteld dat er geen alternatieve locaties zouden zijn, maar dit is niet onderbouwd. Bovendien is daarbij belang gehecht aan de schaal van de voorgenomen
ontwikkeling. Ten onrechte is niet overwogen deze op te knippen zodat ook met twee of meer minder grote locaties in plaats van een grote locatie zou kunnen worden volstaan. De onderbouwing
is in die zin onvoldoende. Er is volgens de vermelde afweging rekening gehouden met de bestaande
structuren van de omgeving en het landschap. Dat is echter niet terug te leiden tot het voorgaande.
In de huidige structuurvisie is het plangebied namelijk aangewezen als 'Kreken in het zand' met als
kenmerk open krekenlandschap. Deze openheid gaat volledig verloren als gevolg van het woningbouwplan. Daarbij komt dat ook wordt voorzien in verdere opvulling van het gebied met de aanduiding 'zoekgebied hoogdynamische ontwikkeling, uitbreiding'. Daarmee ligt in het verschiet
dat de teeltgronden van cliënt nog verder worden omgeven door woningbouw en zijn bedrijfsvoering nog verder wordt belemmerd.
9.
Onvoldoende onderbouwing nut en noodzaak
Uit het ontwerpplan blijkt geen deugdelijke onderbouwing van het nut en de noodzaak van het
voorgenomen plan. In de ontwerptoelichting is gemotiveerd dat voldaan is aan de ladder voor
duurzame verstedelijking omdat er (mede gelet op de woondeal) een behoefte aan nieuwe
woningen bestaat. Verder is (met juistheid) gesteld dat de locatie van het plangebied buiten stedelijk gebied is gelegen. Dit staat ook haaks op het hiervoor besproken punt. Vervolgens wordt echter gesteld dat binnen het bestaand stedelijk gebied geen geschikte (inbreidings)locaties waren, gelet op
de schaal van onderhavig planvoornemen, zodat het noodzakelijk was uit te breiden buiten bestaand stedelijk gebied. Daarbij is ook overwogen dat de betrokken gronden 'op reële wijze aan te kopen
waren door de gemeente. Wat daar ook mee bedoeld wordt, een dergelijk privaatrechtelijk aspect kan geen grondslag bieden voor de onderbouwing van het ontwerpplan, nu dit geen betrekking
heeft op een goede ruimtelijke ordening, en te minder op de noodzaak om buiten bestaand stedelijk
gebied uit te breiden. Uit het ontwerpplan c.q. de toelichting blijkt niet dat er enig onderzoek is
gedaan naar alternatieve locaties. Een gelijkwaardig alternatief met aanzienlijk minder bezwaren zou
bijvoorbeeld kunnen worden gevonden in het inbreiden ter plaatse van de tennis- en voetbalvelden, binnen bestaand stedelijk gebied of uitbreiden aan de westzijde van de kern, waar in ieder geval
geen sprake is van de problematiek met betrekking tot spuitzones. Nu, zoals gezegd, de
omstandigheden rondom de aankoop van gronden geen rol kunnen spelen, zou uitbreiding aan de noordzijde eveneens een beter alternatief kunnen bieden. Dat pogingen om aan de noordkant gronden te verwerven, zijn mislukt, is dan ook niet relevant. Er kan immers ook tot onteigening
HOOGLANDERworden overgegaan. Het heeft er de schijn van dat privaatrechtelijke belangen van de gemeente een
rol hebben gespeeld in de onderbouwing van de noodzaak in de toelichting. Dat is echter een onvoldoende grondslag voor het vaststellen van een bestemmingsplan voor uitbreiding van een niet-
agrarische functie in het buitengebied. Conclusie
Samengevat is het ontwerpbestemmingsplan op verschillende onderdelen niet deugdelijk onderbouwd. Dat betreft in het bijzonder de belemmering van de bedrijfsvoering van cliënt in
verband met de spuitzone en beregening. Met de negatieve gevolgen voor de belangen van cliënt daardoor is ook geen rekening gehouden.
Ik verzoek u bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening te houden met de zienswijzen van
cliënt. Cliënt verzoekt u dan ook om het bestemmingsplan niet vast te stellen c.q. zodanig gewijzigd vast te stellen dat er met alle vorenstaande zienswijzen rekening wordt gehouden.
Met vriendelijke groet, Hooglander B.V.
ZIENSWIJZE 7 d.
Waterschap
^^Brabontse Delta Gemeentehuis Steenbergen De 5.1.2.e Buiten de Veste 1 4652 GA Steenbergen
Onderwerp:
Uw schrijven van Uw kenmerk Zaaknummer Ons Kenmerk Behandeld door Doorkiesnummer Datum Verzenddatum
20 december 2023
De Boogerd 718383 719270 27 december 2023
zienswijze ontwerp bestemmingsplan De Boogerd te Kruisland
Geachte 5.1.2.e Op 20 december 2023 heeft u ons op de hoogte gebracht van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan De Boogerd te Kruisland. Naar aanleiding van het ontwerp bestemmingsplan hebben wij de volgende op- en aanmerkingen. In ons systeem kunnen we niet achterhalen dat we in een eerdere voorontwerp dan wel conceptfase een wateradvies hebben gegeven. Daarom willen we van deze gelegenheid alsnog gebruik maken van de mogelijkheid tot het geven van een reactie. Toelichting/Watertoets We kunnen ons vinden in de uitgangspunten t.a.v de wateropgave en hebben er ook vertrouwen in dat de benodigde bergingsruimte binnen het plangebied gerealiseerd kan worden. Er is echter nog geen enkele nadere uitwerking in het ontwerp opgenomen betreffende de waterhuishouding en hoe de benodigde retentie binnen het plangebied gerealiseerd gaat worden. Een goede beoordeling is derhalve niet mogelijk. We verzoeken u de voorwaarde op te nemen tot het opstellen van een waterhuishoudkundig plan en dit ten behoeve van de noodzakelijke vergunningverlening ter beoordeling aan ons voor te leggen.
Wateradvies Op basis van het ontwerp bestemmingsplan geven wij onder voorbehoud een positief wateradvies. Het voorbehoud heeft betrekking op een nadere uitwerking van de waterhuishouding in een waterhuishoudkundig plan. Overige opmerkingen In Nederland leidt klimaatverandering tot hogere temperaturen, meer (extreme) neerslag, drogere zomers en een stijgende zeespiegel. Het gaat daarbij niet alleen om geleidelijke veranderingen. Extreem weer, zoals hittegolven en forse regen- en hagelbuien, zal steeds vaker voorkomen en tot meer schade en slachtoffers leiden. Klimaat adaptief bouwen en inrichten biedt een kans om van gebieden een aantrekkelijk leef- en vestigingslocatie te maken met meer groen en ruimte voor water in de bebouwde omgeving en voor meer innovatieve bouwvormen. Hiermee worden ook andere doelen dan klimaatadaptie gediend, zoals een gezonde en veilige leefomgeving, biodiversiteit en het verhogen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Verschillende decentrale overheden en regio's werken actief aan klimaat adaptief bouwen en inrichten. Voorbeelden van concrete maatregelen zijn te vinden op de site van Rijksoverheid www.riiksoverheid.nl/documenten/brochures/2020/04/30/handreikinq-reqelqevinq-klimaat-adaptiefbouwen-en-inrichten .
Tot slot wijzen u erop dat er voor het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen en voor het onttrekken/infiltreren van grondwater, gebods- of verbodsbepalingen kunnen gelden op basis van de Keur. Veelal is voor werkzaamheden die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer een vergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen kan een werkzaamheid onder een Algemene regel vallen, waardoor er onder voorwaarden sprake kan zijn van een vrijstelling van de vergunningplicht. De Keur en de Algemene regels zijn onder andere te raadplegen op de website van het waterschap fwww.brabantsedelta.nl'). Waterschap Brabantse Delta Postbus 5520, 4801 DZ Breda T 076 564 10 00 F 076 564 10 11 E info@brabantsedelta.nl I www.brabantsedelta.nl K.v.K.nr: 51 181 584 IBAN NL88 NWAB 0636 7592 02 BIC NWABNL2GXXX BTW.nr: NL812566762B01
Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met de afdeling vergunningen via telefoonnummer 076 564 10 00.
Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met de de heer• waterschap via telefoonnummer m. Hoogachtend, Namens het dagelijks bestuur, Teammanager vergunningen,
-2-
van het