Bestemmingsplan woonwagenlocaties - Toelichting 2410527.pdf
Tekst van het document
Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als: a. de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; b. of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie. Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a; b. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en c. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste Lid, onder a. Beoordeling Onderhavig bestemmingsplan maakt nieuwvestiging van drie extra standplaatsen binnen een bestaande woonwagenlocatie in Nieuw-Vossemeer mogelijk. Met deze ontwikkeling vindt tevens versterking plaats van de omgevingskwaliteit door middel van een fysieke tegenprestatie in de vorm van landschappelijke inpassing zoals nader toegelicht in bijlage 2 en gewaarborgd in de regels door middel van een voorwaardelijke verplichting. Deze ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit is passend binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, als bedoeld in artikel 3.77 Iov. Hieraan heeft bovenstaand toetsing plaatsgevonden.
Gelet op de toekomstige huisvesting van woonwagenbewoners, een speciale doelgroep waarvoor vanuit de gemeente een bijzondere taakstelling bestaat, wordt voorzien in een ontwikkeling volhoudbaar naar de toekomst en tevens passend binnen de uitgangspunten, belangen en doelen van de Interim omgevingsverordening. De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit is in onderhavige situatie maatwerk. Voorzien wordt in uitbreiding van een bestaande woonwagenlocatie, gelegen net buiten de kern van Nieuw-Vossemeer. Het sluit echter aan op een klein clustertje van (lint)bebouwing langs de Tolsedijk. De uitbreiding is gepland in de richting van de infra, aansluitend op een reeds bestaande bebouwingsconcentratie. Het vormt daardoor een logische afronding op een aanvaardbare locatie passend binnen de gewenste ontwikkelingsrichting voor deze woonwagenlocatie en het betreffende gebied. Onder lid 4 is aangegeven dat in deze situatie de reguliere kwaliteitsverbetering landschap op basis van het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap niet van toepassing is. Ten aanzien van de toepassing van de kwalitatieve invulling van de fysieke tegenprestatie wordt verwezen naar onderstaande nadere beoordeling in het kader van de ‘Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant’.
De fysieke tegenprestatie, gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, is daarbij juridisch gewaarborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.78 Iov. Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant Toetsingskader De ‘Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant’ d.d. 5 juli 2022 is een regeling om gelijke uitgangspunten te hanteren bij de toepassing van de kwalitatieve invulling van de fysieke tegenprestatie, zoals
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 22/63
genoemd in de artikelen 3.69 en 3.78 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling is daarbij de volgende bepaling relevant: Artikel 6 Omvang tegenprestatie in omgevingskwaliteit per woningtype Gedeputeerde Staten hanteren voor het realiseren van een voldoende fysieke tegenprestatie tot versterken van omgevingskwaliteit bij de hierna opgenomen woningtypen de volgende regels: c.
voor de standplaats van een woonwagen geldt dat: 1°. de bijdrage in het versterken van omgevingskwaliteiten €20.000 bedraagt; 2°. voor een standplaats van een woonwagen binnen een bestaand woonwagencentrum geen tegenprestatie is vereist; 3°. er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling; 4°. als tegenprestatie fysieke maatregelen worden ingezet als bedoeld in artikel 7.
Beoordeling Op de locatie aan de Tolsedijk te Nieuw-Vossemeer wordt het bestemmings- en bouwvlak van de woonbestemming planologisch vergroot, teneinde drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. Gelet op deze nieuwvestiging buiten de contouren van het bestaand stedelijk gebied dient toepassing te worden gegeven aan de ‘Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit’. Op basis hiervan geldt dat als tegenprestatie voor één woonwagenstandplaats de bijdrage voor het versterken van omgevingskwaliteiten € 20.000 euro bedraagt. Dit kan onderbouwd worden met fysieke maatregelen in het gebied of het aanvragen van een maatwerktitel uitgegeven door de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte-voor-ruimte. Voor onderhavige ontwikkeling geldt derhalve een vereiste bijdrage van € 60.000 euro. Met onderhavig bestemmingsplan wordt voorzien in versterking van de omgevingskwaliteit door middel van een fysieke tegenprestatie waarmee de kwaliteit van het landschap wordt verbeterd. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit landschappelijk inpassingsplan is als bijlage gevoegd bij de regels. Het realiseren van de fysieke tegenprestatie is bovendien juridisch gewaarborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels. Een toelichting op de landschappelijke inpassing is opgenomen in bijlage 2 bij onderhavige toelichting.
Op basis van artikel 7 sub p geldt dat de tegenprestatie in omgevingskwaliteit kan bestaan uit een afdracht in een gemeentelijk fonds dat is gericht op het realiseren van omgevingskwaliteit als de gemeente die middelen inzet voor de fysieke maatregelen, bedoeld in artikel 7 of de bijdrage aan het fonds in het plan wordt gerelateerd aan een concrete fysieke tegenprestatie en een realisatietermijn van vijf jaar. In onderhavige situatie wordt hier toepassing aan gegeven. Op basis van de toelichting op de landschappelijke inpassingsmaatregelen, zie hiervoor bijlagen 1 en 2, bedragen de gezamenlijke kosten voor aanleg en beheer van de concrete fysieke tegenprestaties voor locatie Tolsedijk circa € 38.000 euro en voor locatie De Weel circa € 10.000 euro. In totaal wordt op deze locaties derhalve een bijdrage in het versterken van omgevingskwaliteiten op basis van landschappelijke inpassingsmaatregelen van circa € 48.000 euro geleverd. Op basis van de provinciale vooroverlegreactie geldt echter dat de vereiste landschappelijke inpassing voor de locatie De Weel niet in mindering kan worden gebracht op de, in het kader van de beleidsregel, vereiste versterking van de omgevingskwaliteit voor de locatie Tolsedijk.
Het bedrag van € 60.000 euro (3 maal € 20.000 euro) voor de toevoeging van 3 woonwagenstandplaatsen op de locatie Tolsedijk zal volledig tot doel moeten hebben om de omgevingskwaliteit te versterken en daarmee meerwaarde te genereren.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 23/63
De overige vereiste bijdrage van circa € 22.000 euro (€ 60.000 - € 38.000) zal derhalve worden geïnvesteerd in de realisatie van het project “EVZ Vliet - Ligne”. Dit betreft de ontwikkeling van de ecologische verbinding tussen de Steenbergsche Vliet en de Ligne en is gericht op het realiseren van omgevingskwaliteit binnen de gemeente Steenbergen. Voor dit project is reeds subsidie verleend in het kader van het Investeringsreglement van het Groen Ontwikkelfonds Brabant BV voor activiteiten tot verwerving van de Ecologische Verbindingszone. Deze activiteiten dienen te zijn uitgevoerd voor 28 februari 2025. Afdracht van de vereiste bijdrage aan dit project is gewaarborgd in de regels door middel van een voorwaardelijke verplichting in artikel 6.2.7. De door het GOB afgegeven subsidiebeschikking ziet zowel toe op de bijdrage van het waterschap als van de gemeente. Herijking van het project EVZ heeft uitgewezen dat de in de verleende subsidie opgenomen EVZ trajecten niet allemaal voor 2027 zijn te realiseren. Daarom is bezien welke EVZ trajecten wel voor 2027 kunnen worden gerealiseerd. Voor deze trajecten wordt een nieuwe aanvraag bij het GOB ingediend (en de oude wordt ingetrokken). De verleende (en nieuw aan te vragen) GOB subsidie wordt gebaseerd op normbedragen per (kilo)meter EVZ. De kostenverdeling tussen waterschap en gemeente is 40/60.
Voor haar aandeel kunnen partijen respectievelijk 50% en 75% subsidie krijgen. Dit houdt in dat gemeente en waterschap respectievelijk 20% en 15% van de totale berekende kosten zelf moeten financieren. De gemeente Steenbergen moet voor de tegenprestatie maatwerk omgevingskwaliteit een bedrag van 60.000 euro besteden die niet volledig in de directe omgeving van de ontwikkeling kan worden gerealiseerd. De gemeente heeft besloten het resterende deel in te zetten in de bovengenoemde EVZ ontwikkeling binnen haar grenzen. De gemeente Steenbergen is content dat de provincie in de basis met deze vorm van tegenprestatie in kan stemmen. Op basis van bovenstaande is, naar de mening van de gemeente en het waterschap, geen dubbeling van verleende (danwel nog te verlenen subsidies) aan de orde. Immers, de compensatie wordt volledig voldaan uit eigen middelen, als onderdeel van de totaal financiering van het gemeentelijk aandeel in het project. De gemeente houdt de financieringsstromen gescheiden houdt en zal het bedrag van ongeveer 22.000 euro specifiek labelen, hetgeen als besluitpunt in het raadsbesluit wordt opgenomen. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in de ‘Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant’.
Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: • •
nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 24/63
b. c.
bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering a. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. b. De lagenbenadering omvat de effecten op: • •
c.
de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. • de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Ad c) - Meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Niet van toepassing gelet op artikel 3.78 lid 4 sub a. b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is in paragraaf 3.2.3 getoetst. Het voornemen betreft geen stedelijke ontwikkeling. c. Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van het bouwvlak is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven. Voorwaarden ad b: d. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond.
In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. Aangetoond wordt dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn. e. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 25/63
een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in paragraaf 4.8. f. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Aangetoond wordt dat er geen onaanvaardbare effecten te verwachten zijn. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief door middel van landschappelijke inpassing wordt voorzien in een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage gevoegd bij de regels. Een toelichting op de landschappelijke inpassing is opgenomen in bijlage 2 bij onderhavige toelichting. Artikel 3.9 is overigens, gelet op artikel 3.78 lid 4 sub b, niet van toepassing. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit. 3.3.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader De Omgevingswet verplicht dat de provincie een omgevingsverordening vaststelt. De Brabantse Omgevingsverordening zal gelijk met de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking zal treden. De wijzigingen ten opzichte van de huidige Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de eisen die de aankomende Omgevingswet stelt aan de Omgevingsverordening.
Verder is er een aantal andere inzichten verwerkt. Dit betreft de volgende onderwerpen: • Er zijn regels opgenomen voor een maximale boordiepte voor bodemenergiesystemen; • Er zijn regels opgenomen voor grondverzet in grondwaterbeschermingszones, inclusief de toepassing voor PFAS-houdende grond; • De regels voor het kappen van houtopstanden zijn aangepast aan de Brabantse Bossenstrategie; • Omgevingskwaliteit heeft een centrale plek gekregen bij de instructieregels voor het omgevingsplan aan gemeenten. Hierbij is een bouw-sloop regeling vormgegeven en is een ruime maatwerkregeling opgenomen ter versterking van omgevingskwaliteit; • De mogelijkheden voor collectieve woonvormen in het buitengebied zijn verruimd; • Er zijn wijzigingen doorgevoerd in de gebieden op de kaart die aangeven waar welke regels gelden. Naast actualisaties zijn er ook gebieden vervallen of samengevoegd. Beoordeling en conclusie Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling geldt dat de maatwerkregeling ter versterking van de omgevingskwaliteit van toepassing is. Deze ‘Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant’ d.d. 5 juli 2022 is een regeling om gelijke uitgangspunten te hanteren bij de toepassing van de kwalitatieve invulling van de fysieke tegenprestatie, zoals genoemd in de artikelen 3.69 en 3.78 van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant.
Aan deze artikelen is, in combinatie met de maatwerkregeling, in voorgaande paragraaf reeds getoetst. Voor het overige zijn er in de Omgevingsverordening geen veranderingen voorzien in het beleid ten opzichte van onderhavig voornemen. Ook onder de Omgevingsverordening Noord-Brabant is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met het provinciale beleid. 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie gemeente Steenbergen, 2012 Toetsingskader De Structuurvisie 2012 is door de gemeenteraad vastgesteld op 31 mei 2012 (en partieel geactualiseerd op 26 september 2019) en bevat op hoofdlijnen het ruimtelijk beleid van de gemeente Steenbergen voor de komende
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 26/63
10 tot 15 jaar. De verschillende beleidsdocumenten met ruimtelijke consequenties zijn gebundeld tot een uitvoeringsgericht beleidsinstrument voor het gehele grondgebied van de gemeente Steenbergen. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie geen planologisch relevante wijziging plaats (geen uitbreiding van het bouwvlak en/of het aantal standplaatsen). De Weel, Dinteloord Op basis van de visiekaart zoals opgenomen in de structuurvisie is deze locatie gelegen in het buitengebied en aangeduid als open zeekleipolder. In het buitengebied zijn landschap, natuur, cultuurhistorie en agrarische
Uitsnede visiekaart uit de Structuurvisie gemeente Steenbergen. Onderhavige locatie is aangeduid met een rode cirkel.
bedrijvigheid belangrijk. Voor de buitengebieden van de open zeekleipolders wordt gestreefd naar het handhaven en versterken van de openheid van het landschap en wordt ruimte geboden voor de ontwikkeling van onder andere semi-agrarische en niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Bovendien geldt ter plaatse de aanduiding ‘Dinteloord Oost’, een zoekgebied voor nader te bepalen hoogdynamische ontwikkeling (uitbreiding). Gezien enkel uitbreiding van het aantal standplaatsen binnen het bouwvlak van een bestaande woonwagenlocatie plaatsvindt, wordt geen afbreuk gedaan aan de ontwikkelingsmogelijkheden binnen deze zone en is het initiatief daarmee passend binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 27/63
Op basis van de visiekaart zoals opgenomen in de structuurvisie is deze locatie gelegen in het buitengebied en aangeduid als open zeekleipolder. In het buitengebied zijn landschap, natuur, cultuurhistorie en agrarische bedrijvigheid belangrijk. Voor de buitengebieden van de open zeekleipolders wordt gestreefd naar het handhaven en versterken van de openheid van het landschap en wordt ruimte geboden voor de ontwikkeling van onder andere semi-agrarische en niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Het streven in het laagdynamische gebied van de open zeekleipolders is gericht op het handhaven en versterken van de openheid van het landschap. Onderhavig initiatief betreft een beperkte uitbreiding van een reeds bestaande woonwagenlocatie om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. Gelet op de beperkte maximale hoogte van woonwagens en het feit dat geen aanvullende (opgaande) begroeiing wordt gerealiseerd, wordt de openheid van het landschap niet onevenredig aangetast. Het initiatief staat de verdere ontwikkelingsmogelijkheden binnen de open zeekleipolder niet in de weg en wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld binnen de uitgangspunten van de structuurvisie.
Uitsnede visiekaart uit de Structuurvisie gemeente Steenbergen. Onderhavige locatie is aangeduid met een rode cirkel.
Conclusie Het initiatief is passend binnen de structuurvisie van de gemeente Steenbergen. 3.4.2 Kadernota woonwagenbeleid 2023 Toetsingskader Op 22 december 2022 is de ‘Kadernota woonwagenbeleid 2023’ vastgesteld door de raad. Dit beleidskader voor woonwagens en standplaatsen is vastgesteld als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid. De gemeente Steenbergen streeft naar een situatie waarin invulling wordt gegeven aan het landelijke beleidskader ‘Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’ van het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijkrelaties. Concreet houdt dit in dat gewerkt wordt aan schone, hele en veilige woonwagenlocaties waarop bewoners in familieverband kunnen wonen. Met het oog op de kerntaken van de gemeente, stoot zij het eigendom
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 28/63
van de woonwagenstandplaatsen af. Bewoners kunnen tegen een marktconforme prijs eigenaar worden van hun standplaats. (Blijvende) (sociale) huurstandplaatsen worden de verantwoordelijkheid van de woningbouwcorporatie(s). De uitgangspunten van de kadernota luiden: A. De gemeente Steenbergen zorgt voor een adequaat aantal woonwagenstandplaatsen in relatie tot de vraag daarnaar; B. De gemeente Steenbergen beëindigt de verhuur van woonwagenstandplaatsen; C. De gemeente Steenbergen biedt de mogelijkheid om in familieverband op de woonwagenlocaties te wonen; D. De gemeente Steenbergen beschouwt de woonwagenlocaties in de gemeente Steenbergen als reguliere woonwijken; E. De fysieke omstandigheden op de woonwagenlocaties zijn conform geldend beleid en regelgeving. Beoordeling Uit het oogpunt van de volkshuisvestelijke opgave om te voorzien in voldoende standplaatsen heeft de gemeenteraad besloten tot voorbereiding van uitbreiding van twee woonwagenlocaties (Dinteloord en NieuwVossemeer) met in totaal vijf standplaatsen. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een nieuwe juridischplanologische regeling om uniformiteit in regels en verbeeldingswijze aan te brengen voor alle woonwagenlocaties binnen de gemeente Steenbergen en de beoogde uitbreiding van het aantal standplaatsen mogelijk te maken. Hiermee wordt aansluiting gevonden bij de ruimtelijk relevante uitgangspunten van de kadernota.
Het aantal standplaatsen binnen de gemeente wordt hiermee immers op peil gehouden en de fysieke omstandigheden op de woonwagenlocaties zijn conform geldend beleid en regelgeving aangeduid en juridisch-planologisch geborgd. Conclusie Onderhavig bestemmingsplan is passend binnen de ruimtelijk relevante uitgangspunten van de Kadernota woonwagenbeleid 2023 van de gemeente Steenbergen.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 29/63
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 30/63
4
Planologisch relevante (milieu)aspecten
4.1 Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. In dit hoofdstuk wordt per woonwagenlocatie verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. 4.2 Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd.
Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. De bodem is hiervoor reeds geschikt voor de beoogde functie. De Weel, Dinteloord Deze locatie wordt uitgebreid met twee standplaatsen binnen het bestaande bouwvlak. Ter plaatse is reeds een woonbestemming aanwezig.
De bodem is hier derhalve reeds geschikt voor de beoogde functie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater te bepalen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. Om de uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling aan te tonen en daarnaast een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen, is het noodzakelijk een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In april 2023 is derhalve door MILON een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Rapportage hiervan is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting. Het doel van het bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie. Daarnaast is het doel van asbestonderzoek om na te gaan of de verdenking van de puinverharding en de puinhoudende grond met asbest terecht is.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 31/63
Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit. Er zijn in de bovengrond ten hoogste licht verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verhoogde waarden aangetoond. In zowel de puinverharding als in de grond met bodemvreemde bijmengingen onder deze verharding is geen verontreiniging met asbest aangetoond. De bodemkwaliteit geeft derhalve geen belemmeringen voor het huidige gebruik en de voorgenomen herinrichting. Conclusie De bodem geschikt is voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit vormt geen onaanvaardbaar risico voor de gebruikers. 4.3 Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft.
Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Dit beleid is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Behalve dat het RWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Beleid waterschap Brabantse Delta Met het Waterbeheerprogramma 2022–2027 bepaalt Brabantse Delta de doelstellingen en strategie. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer voor Midden- en West-Brabant voor de middellange (2027/2030) en lange termijn (2050).
Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Die kerntaken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. Het plangebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: A. de waterparagraaf schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de maatregelen in de waterparagraaf zijn uitgevoerd, of voor zover;
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 32/63
B. C. D. E.
het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename aan verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel:
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: A. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; B. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; C. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m² of groter is wordt er door het waterschap retentie geëist. Uitbreidingen van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² dienen te voldoen aan de Algemene Regels waterschap Brabantse Delta. Voor uitbreidingen groter dan 10.000 m² geldt sowieso een vergunningplicht. Voor het afkoppelen van verhard oppervlak < 10.000 m² wordt er vanuit het waterschap geen retentie geëist. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied.
Uitsnede van de Keurkaart Beschermde Gebieden van het waterschap Brabantse Delta met de locatie De Weel (links) en Tolsedijk (rechts) aangeduid met een gele ster. Bron: Waterschap Brabantse Delta, 2023. Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta volgt dat de locaties binnen het plangebied niet gelegen zijn binnen een attentiegebied, beschermd gebied waterhuishouding of het invloedsgebied Natura 2000. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Verder is het plangebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 33/63
Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Hierdoor is sprake van een afname aan verharding. Er is daardoor geen sprake van een retentievereiste. De Weel, Dinteloord Het initiatief betreft het planologisch toevoegen van twee standplaatsen voor woonwagens binnen het reeds bestaande bouwvlak. Ten gevolge van het planvoornemen zal sprake zijn van toename aan bebouwing en verharding. Op basis van de beoogde situatietekening zal de verhardingstoename niet meer dan 500 m² bedragen. De woonwagens kennen immers een oppervlak van maximaal 150 m² en de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per woonwagen mag maximaal 50 m² bedragen. Per standplaats geldt daarmee een maximaal oppervlak aan bebouwing van 200 m². De totale toename aan bebouwing blijft daarmee (2 x 200 m² = 400 m²) onder de 500 m2. Op basis van het beleid van het waterschap is daarmee overeenkomstig geen sprake van een retentievereiste. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. Ten gevolge van het planvoornemen zal sprake zijn van toename aan bebouwing en verharding.
Op basis van de beoogde situatietekening zal de verhardingstoename meer dan 500 m² bedragen. De woonwagens kennen een oppervlak van maximaal 150 m² en de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per woonwagen mag maximaal 50 m² bedragen. Per standplaats geldt daarmee een maximaal oppervlak aan bebouwing van 200 m². De maximale totale verhardingstoename is daarmee groter dan 500 m2 (3 x 200 m² = 600 m²), waardoor op basis van het beleid van het waterschap sprake is van een retentievereiste. Volgens de eisen van waterschap Brabantse Delta dient in dat geval te worden voorzien in de aanleg en instandhouding van een retentievoorziening. De waterretentie die volgens het waterschap gerealiseerd dient te worden volgt uit de formule: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) De gevoeligheidsfactor bedraagt op basis van de Keur kaart van het waterschap binnen het plangebied 1. De benodigde retentiecapaciteit bedraagt als rekenvoorbeeld 36 m3, indien de toename van het verhard oppervlak ten gevolge van het realiseren van de extra woonwagenstandplaatsen bijvoorbeeld op 600 m2 uitkomt (600 m2 x 1 x 0,06 m). De uiteindelijke waterbergingscapaciteit en de locatie van de waterberging zal afhankelijk zijn van de uitwerking van de inrichtingsplannen.
Het is zeer onwenselijk huishoudelijk afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam. De huidige woonwagens hebben reeds infrastructurele voorzieningen om het huishoudelijk afvalwater via de aanwezige riolering af te voeren. Voor de nieuwe woonwagens wordt een gescheiden systeem aangebracht. Op dit gescheiden systeem zal zoveel mogelijk hemelwater op de HWA riolering geloosd worden, dus ook van de verharding, kolken en goten. De nieuwe opstallen worden op het vuilwaterriool aangesloten. Dit water gaat naar de zuivering. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens toekomstige bouwwerkzaamheden rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt in verband met de waterkwaliteit geadviseerd gebruik te
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 34/63
maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en uitlogende bouwmaterialen, zoals zink, koper, lood en zacht PVC, achterwege te laten, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Deze stoffen kunnen zich immers ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
In 2010 is door de gemeente Steenbergen de Erfgoednota Steenbergen en haar kansrijke verleden 2010-2020 vastgesteld. Vanwege diverse ontwikkelingen en veranderingen in het (nationale) erfgoedveld is de beleidsnota geactualiseerd. In de raadsvergadering van 21 december 2017 zijn de uitgangspunten voor de nieuwe Erfgoednota vastgesteld door de gemeenteraad. De nota ‘Van gemeentelijk erfgoedbeleid naar gemeenschappelijk erfgoed’ is een inhoudelijke uitwerking van deze uitgangspunten. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat deze locatie is gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Brabantse Wal’. De voornaamste ontwikkelstrategie betreft het behoud en de accentuering van de aanwezige variatie aan landschapstypen. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt betreffen dit polders, veenrelicten, landgoederen, kreken en vestingwerken. Gezien op deze locatie ten opzichte van de huidige situatie geen planologisch relevante wijzigingen plaatsvinden wordt geen inbreuk gemaakt op de cultuurhistorische waarden gelegen binnen het landschap de ‘Brabantse Wal’. De Weel, Dinteloord Deze locatie is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘Zeekleigebied’. Het zeekleigebied maakt deel uit van het Zuidwest-Nederlandse deltagebied.
De regio bestaat uit een rijk geschakeerd open polderlandschap waarin de omgang met het water en de strijd met de zee nog duidelijk af te lezen zijn. Dit komt tot uiting in het patroon van de dijken, de (voormalige) kreken en de verschillen tussen de polders en de onbedijkte gorzen. Gezien de aard en omvang van onderhavig planvoornemen wordt geen afbreuk gedaan aan de bestaande waarden binnen deze regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. Ook kent het initiatief niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld, behouden of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van regionale ambities. Daarnaast valt deze locatie gedeeltelijk binnen het historisch stedenbouwkundig waardevolle gebied ‘havenbuurt, voorstraatnederzetting, wederopbouwbuurt Dinteloord’. Gelet echter op de ligging buiten de karakteristieke
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 35/63
stedenbouwkundige opzet en het feit dat enkel uitbreiding met twee standplaatsen plaatsvindt binnen het bestaande bouwvlak, wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarde hiervan. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Deze locatie is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘Zeekleigebied’. Het zeekleigebied maakt deel uit van het Zuidwest-Nederlandse deltagebied. De regio bestaat uit een rijk geschakeerd open polderlandschap waarin de omgang met het water en de strijd met de zee nog duidelijk af te lezen zijn. Dit komt tot uiting in het patroon van de dijken, de (voormalige) kreken en de verschillen tussen de polders en de onbedijkte gorzen. Gezien de aard en omvang van onderhavig planvoornemen wordt geen afbreuk gedaan aan de bestaande waarden binnen deze regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. Ook kent het initiatief niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld, behouden of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van regionale ambities. Overigens is de Tolsedijk in het kader van historische geografie aangeduid als lijnelement van hoge waarde. Onderhavig voornemen leidt echter niet tot een wijziging van deze weg en doet derhalve geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde ervan. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.
4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaald dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
In 2010 is door de gemeente Steenbergen de Erfgoednota Steenbergen en haar kansrijke verleden 2010-2020 vastgesteld. Gezien diverse ontwikkelingen en veranderingen in het (nationale) erfgoedveld is deze beleidsnota geactualiseerd in de vorm van de nota ‘Van gemeentelijk erfgoedbeleid naar gemeenschappelijk erfgoed’ (vastgesteld op 19 april 2018). Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Een nadere beoordeling ten aanzien van het aspect archeologie wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 36/63
De Weel, Dinteloord Op basis van de ‘Archeologische waarden- en verwachtingenkaart’ van de gemeente Steenbergen is deze locatie gelegen binnen het gebied aangeduid als ‘Geen archeologische verwachting’. Bij bodemverstorende activiteiten is dan ook geen nader archeologisch onderzoek vereist. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op basis van de ‘Archeologische waarden- en verwachtingenkaart’ van de gemeente Steenbergen is op deze locatie sprake van een ‘Lage archeologische verwachting’. Voor gebieden met een lage verwachting geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemverstoringen vanaf 1 ha en dieper dan 50 cm -mv. Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. Als gevolg van onderhavige bestemmingswijziging vinden geen relevante bodemroerende activiteiten plaats. Conform art. 5.10 van de Erfgoedwet geldt evenwel een meldplicht bij het aantreffen van toevalsvondsten. Indien bij de werkzaamheden archeologische zaken worden aangetroffen, dient contact te worden opgenomen met de gemeente Steenbergen. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.6 Ecologie 4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur.
De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Een nadere beoordeling ten aanzien van het aspect ecologie wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Weel, Dinteloord Deze locatie wordt uitgebreid met twee standplaatsen binnen het bouwvlak van de bestaande woonbestemming.
Ten aanzien van onderhavig bestemmingsplan is in het kader van de Wet natuurbescherming derhalve een nadere beoordeling niet noodzakelijk. Bovendien is het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied, ‘Krammer-Volkerak’, gelegen op een afstand van circa 1,9 kilometer. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade ook geen sprake. Op het aspect stikstofdepositie wordt in navolgende paragraaf ingegaan. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de ‘Oosterschelde’, welke is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging,
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 37/63
oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van de omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming om zodoende drie extra woonwagenstandplaatsen te kunnen realiseren. De grenzen van deze locatie vallen buiten de grenzen van de Natura 2000-gebieden. Op basis hiervan zijn verlies aan oppervlakte of versnippering uitgesloten. Effecten zoals trillingen, licht, geluid en optische effecten kunnen wel op grotere afstanden optreden. Omdat de afstand van het plangebied tot de grenzen van de Natura 2000-gebieden meer dan 500 meter bedraagt kunnen deze overige effecten worden uitgesloten. Op nog grotere afstanden van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen negatieve effecten plaatsvinden door stikstofdepositie. In de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Volkerak bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. Als er bij de ingreep stikstof wordt uitgestoten zijn de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden mogelijk in het geding. Bij de voorgenomen ingreep vindt naar verwachting stikstofuitstoot plaats. Hierdoor zijn negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Op het aspect stikstofdepositie wordt in navolgende paragraaf ingegaan.
Op circa 70 meter afstand ligt een planologisch beschermd gebied binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNBgebieden). Dit betreft een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Dit netwerk van verbindingszones mag niet door een ingreep worden aangetast. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant ter plaatse, zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Gezien de aard en omvang van onderhavig initiatief en de ligging van het plangebied buiten het Natuurnetwerk Brabant valt redelijkerwijs uit te sluiten dat het planvoornemen enige invloed kan hebben op de kwaliteit van het beschermde natuurgebied. Binnen het plangebied bevinden zich tot slot geen houtopstanden die betrekking hebben tot artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming. De effecten van de ingreep op houtopstanden hoeft om deze reden niet getoetst te worden aan de Wnb. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde natuurgebieden. 4.6.2 Stikstof Toetsingskader De bescherming van Natura 2000-gebieden is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling.
Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Een nadere beoordeling ten aanzien van het aspect stikstof wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Weel, Dinteloord Deze locatie wordt uitgebreid met twee standplaatsen binnen het bestaande bouwvlak. Derhalve is in april 2023 door De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (en geactualiseerd in januari 2024).
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 38/63
Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Uit de berekening volgt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden kunnen worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. Derhalve is in april 2023 door De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (en geactualiseerd in januari 2024). Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Uit de berekening volgt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden kunnen worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 4.6.3 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb.
De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Een nadere beoordeling ten aanzien van het aspect ecologie wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Weel, Dinteloord Deze locatie wordt uitgebreid met twee standplaatsen binnen het bouwvlak van de bestaande woonbestemming.
Beschermde soorten kunnen verstoord worden door de sloop van bebouwing en/of de kap van bomen en struiken. In onderhavige situatie is van deze werkzaamheden geen sprake. Het uitvoeren van ecologisch onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. In het kader van deze voorgenomen ontwikkeling is in april 2023 door De Roever Omgevingsadvies een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan Wet natuurbescherming heeft tot doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Rapportage van de quickscan Wet natuurbescherming is als bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 39/63
Uit de quickscan volgt dat er geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna verwacht worden. De conclusies uit de quickscan worden navolgend per soortgroep belicht. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Flora Van het plan worden geen negatieve effecten op beschermde flora verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Zoogdieren Vleermuizen Van het plan zijn geen negatieve effecten op beschermde vleermuissoorten te verwachten. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Overige zoogdieren Negatieve effecten op strikt beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten mits buiten de voortplantingsperiode van wezel wordt gewerkt (15 maart tot 1 september). Het plangebied is geschikt als foerageerplaats of nestplaats voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren die provinciaal zijn vrijgesteld op artikel 3.10 lid 1 van de Wnb. Voor deze soorten is de zorgplicht van toepassing. In dit kader is het nodig om de werkzaamheden, bestaande uit het afgraven van de vegetatielaag, in een rustig tempo, werkend met tegelijktijdig één machine en vanuit enkel de oostelijke richting uit te voeren.
Zodat mogelijk aanwezige grondgebonden zoogdieren de mogelijkheid hebben om te vluchten schade van machines op te lopen of de aangrenzende weg moeten oversteken. Vogels Broedvogels Binnen de Soortenbescherming zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd. In het plangebied bevinden zich mogelijke nestplaatsen. Het is noodzakelijk om te werken buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg 15 maart -15 juli), of te werken op een manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. Op deze manier kan zonder nader onderzoek, mitigatie of compensatie worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden voor wat betreft algemene vogelsoorten. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Zo’n werkprotocol dient te worden opgesteld door een ter zake deskundige, en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Ook zijn werkzaamheden binnen het broedseizoen mogelijk zonder werkprotocol, indien ter plaatse door een deskundige wordt vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten aanwezig zijn. Een ontheffing is dan niet noodzakelijk. Jaarrond beschermde vogels Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vogelsoorten uitgesloten.
Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vissen Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op vissen uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Reptielen en amfibieën Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op reptielen en amfibieën uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van de zorgplicht is het nodig de graafwerkzaamheden in een rustig tempo, werkend met tegelijktijdig één machine en vanuit enkel de oostelijke richting uit te voeren om zo
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 40/63
mogelijk aanwezige amfibieën de kans hebben te vluchten zonder schade van machines op te lopen of de aangrenzende weg moeten oversteken. Ongewervelden Gelet op de in het plangebied aanwezige biotopen zijn negatieve effecten op ongewervelden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Soortenbescherming is niet noodzakelijk. Algemeen Nader onderzoek of een ontheffing van de Soortenbescherming is niet noodzakelijk gebleken. Binnen het plangebied is enkel de wezel als strikt beschermde soort te verwachten. Wegens gebrek aan voldoende geïsoleerde overwinteringsplaatsen en de kleine oppervlakte aan verloren leefgebied is het voor deze soort voldoende om de beoogde ingreep buiten de voortplantingsperiode (15 maart tot 1 september) uit te voeren. Artikel 1.11, de zorgplicht is onverminderd van toepassing: Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Voor een aantal soorten is het daardoor nodig om de werkzaamheden vanuit in een rustig tempo, werkend met tegelijktijdig één machine en vanuit enkel de oostelijke richting uit te voeren. Zodat soorten de kans hebben te vluchten zonder hierbij schade op te lopen. In de nabijheid waargenomen beschermde soorten, zijn bij het terreinbezoek niet waargenomen binnen het plangebied.
De aangetroffen biotopen zijn bovendien niet geschikt als leefgebied voor beschermde soorten. Hiermee is aangetoond dat de Wet natuurbescherming niet zal worden overtreden met de voorgenomen ingreep en bestemmingsplanwijziging. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming. 4.7 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen.