Bestemmingsplan Van Heemskerckstraat - Karel Doormanstraat 2327977.pdf
Tekst van het document
Er zijn onder andere veldbezoeken benodigd in het voorjaar en najaar. Het nader onderzoek naar de hiervoor beschreven soorten is uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen als
38/122
Bijlage 3 bij de toelichting. Uit het nader onderzoek blijkt dat de soorten niet zijn aangetroffen en dat het plan dan ook geen effect heeft op deze beschermde soorten. Conclusie Het beschermingsregime en de noodzakelijke maatregelen worden uitvoerbaar geacht. Hierdoor staat het aspect ecologie, met inachtneming van deze maatregelen, de ontwikkeling niet in de weg.
4.5
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Voor het GR geldt geen norm maar een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting, waarbij wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde voor het GR. Circulaire effectafstanden LPG tankstations Per 29 juni 2016 is de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval' in werking getreden. In deze circulaire wordt het bevoegd gezag voor lpg-tankstations gevraagd om naast het hanteren van de risicoafstanden uit de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna Revi) rekening te houden met de effectafstanden uit deze circulaire. De circulaire maakt deel uit van een pakket aan maatregelen dat bestaat uit drie onderdelen, te weten het verkleinen van de afstanden in de Revi, een effectgerichte benadering in de circulaire en een Safety Deal met betrekking tot de hittewerende bekleding.
De circulaire is niet van toepassing op besluiten die geen of uitsluitend positieve veiligheidsconsequenties hebben in relatie tot bepaalde effecten van ongevalsscenario's. Daarnaast is de circulaire niet van toepassing op
39/122
lpg-tankstations voor zover op basis van het Bevi de risicoafstanden worden bepaald door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), bijvoorbeeld als er sprake is van een combinatie van Bevi-plichtige activiteiten. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maken bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn meerdere risicobronnen gelegen. Rijksweg A4 Over de rijksweg A4 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Hier geldt een invloedsgebied van 880 meter als gevolg van het vervoer van LT2, het plangebied is op een afstand van circa 760 meter gelegen en ligt daarom in het invloedsgebied.
Omdat de afstand groter is dan 200 meter, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Door de grote afstand zal het toevoegen van personen geen wezenlijke invloed hebben op het groepsrisico. Vanwege de ligging in het invloedsgebied is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. In deze situatie kan volstaan worden met de standaardverantwoording groepsrisico van de gemeente Steenbergen. Dit document is opgenomen in de bijlage.
40/122
Buisleiding Z-529-17 In het noordoosten van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding Z-529-17 gelegen. De leiding heeft een werkdruk van 40 bar en een diameter van 6,61 inch, hierbij geldt een invloedsgebied van 70 meter. De nieuwe woningen liggen op een minimale afstand van circa 95 meter, de risicobron is daarom niet van invloed op de veiligheidssituatie ter plaatse van het plangebied. De hoogte van het groepsrisico van deze buisleiding is in 2012 vastgesteld en bedraagt 0,04 * de oriënterende waarde. De QRA van de buisleidingen waarin deze resultaten zijn vastgelegd is opgenomen in Bijlage 8 Kwantitatieve risicoanalyse. LPG-tankstation Autobedrijf Helmons Ten zuidoosten van het plangebied lag tot voor kort een LPG-tankstation. Dit tankstation is recent gesaneerd. Het geldende bestemmmingsplan laat het nog wel toe. De plaatsgebonden risicocontour ligt op een afstand van 25 m vanaf het vulpunt en het ondergrondse reservoir en 15 m vanaf het afleverzuil. Het plangebied ligt buiten deze contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor het plan. Voor (beperkt) kwetsbare objecten die geen zeer kwetsbare objecten zijn, zoals woningen moet rekening worden gehouden met een effectzone van 60 m, de nieuwe woningen in dit plangebied liggen buiten deze zone. Het invloedsgebied is 150 meter rondom het lpg tankstation.
Voor ontwikkelingen binnen deze afstand moet een QRA worden uitgevoerd. In 2018 is door de OMWB al een berekening gemaakt om het effect van het realiseren van het appartementencomplex (fase 2) op het groepsrisico vast te stellen. Vanwege veranderingen in het aantal woningen en de locaties ervan en omdat er een nieuwe versie van het rekenpakket Safeti-NL gebruikt moet worden is er een nieuwe berekening gemaakt. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 9 QRA lpg-tankstation. Hieronder in de figuur is de situatie weergegeven van het aantal woningen wat als uitgangspunt voor de berekening is gebruikt. Hierin is tevens het onderscheid te zien tussen fase 1 en fase 2. Fase 1 betreft de woningen die dit plan mogelijk maakt.
Figuur 4.4
41/122
Verkavelingsplan Van Heemskerckstraat.
Uit de berekening blijkt dat na realisatie van fase 1 en 2 het groepsrisico toeneemt van 0,29 naar 0,55 * de oriënterende waarde. Hierbij moet opgemerkt worden dat deze toename hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door het appartementencomplex (30 woningen) wat in fase 2 zal worden gerealiseerd. De woningen in fase 1 waarop dit plangebied van toepassing is hebben vanwege de beperkte aantallen en grote afstand weinig tot geen invloed op het groepsrisico. Voor de vaststelling van dit bestemmingsplan kan daarom volstaan worden met de standaardverantwoording groepsrisico van de gemeente Steenbergen. Dit document is opgenomen in Bijlage 10 Standaard Verantwoording Groepsrisico. Voor de uitwerking van fase 2 zal echter een volledige verantwoording van het groepsrisico en een maatwerkadvies van de veiligheidsregio noodzakelijk zijn. Fase 2 is een wensbeeld, maar nog geen zekerheid dat het ontwikkeld gaat worden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.6
Kabels en leidingen
Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. Onderzoek In paragraaf 4.5 is reeds ingegaan op in de omgeving aanwezige risicorelevante leidingen. In het plangebied is een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie aanwezig. Door middel van het opnemen van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' worden de belangen van het Gasunie en de aanwezige leiding beschermd. Er zijn verder geen overige planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Conclusie De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.7
Luchtkwaliteit
Beleid en normstelling Wet Milieubeheer
42/122
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10)
Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
40 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
Tabel 4.5 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
43/122
Besluit niet in betekende mate In dit Besluit niet in betekende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 59 woningen mogelijk. Het aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitseisen en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de rijksweg A4. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.8
Wegverkeerslawaai
Normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van stedelijke- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal.
44/122
Grenswaarden nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavig situatie bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek volgens artikel 110g Wgh Voordat het bevoegd gezag toetst aan de grenswaarden uit de Wet geluid hinder, mag op basis van artikel 110g Wgh een aftrek worden toegepast waarmee wordt geanticipeerd op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst, door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/uur bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/uur of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast.
De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelasting aan de normstellingen uit de Wgh, niet bij het berekenen van de gecumuleerde geluidbelasting of binnenwaarden. 30 km/uur wegen Zoals aangegeven zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur of lager op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Echter dient op basis van jurisprudentie, in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. Omdat voor 30 km/uur-wegen dezelfde benaderingswijze wordt gehanteerd als voor gezoneerde wegen, wordt ook hier een correctie toegepast op basis van artikel 110g Wgh. Deze aftrek is gelijk aan de aftrek bij gezoneerde wegen met een maximum snelheid tot 70 km/uur (5 dB).
Onderzoek De wegen in het plangebied zijn allen niet gezoneerde wegen. De geluidbelasting wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst aan de richtwaarde van 48 dB. Gebleken is dat ten gevolge van het verkeer op de wegen Boeier, De Barkas en de Wipmolen hieraan wordt voldaan, zie bijlage 3 van het Onderzoek wegverkeerslawaai. Alleen ten gevolge van de Van Heemskerckstraat wordt de richtwaarde overschreden. Het gaat om de starterswoningen en de rijenwoningen direct langs deze weg. De hoogst berekende geluidbelasting is 50 dB, zie onderstaand figuur. De maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Als de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012, zal een aanvaardbaar geluidniveau in de woningen worden bereikt.
45/122
Figuur 4.5 Resultaten onderzoek wegverkeerslawaai Van Heemskerckstraat Conclusies De nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt in een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.9
Verkeer en parkeren
Normstelling De verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte zijn gebaseerd op CROW publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" uit 2018. De kencijfers uit deze publicatie worden gespecificeerd op basis van het type functie en de ligging van de functie. Onderzoek Ontsluiting
46/122
Het plangebied is gelegen in de kern Dinteloord en sluit aan op de Van Heemskerckstraat / Karel Doormanstraat. Het wordt ontsloten via meerdere erftoegangswegen naar de centrale as van Dinteloord; de Steenbergseweg en Westvoorstraat. De Steenbergseweg is, als enige weg binnen de bebouwde kom, als gebiedsontsluitingsweg ingericht (50 km/u) en de Westvoorstraat is een erftoegangsweg (30 km/u). Via de Oostgroeneweg en Zuideinde/Oostzijweg wordt direct op deze centrale as aangesloten. Vanaf deze centrale as is de Noordlangeweg, de N268, bereikbaar en daarmee ook de A4. Via de Oostgroeneweg / Van Heemskerkstraat /Wipmolen / Stellingmolen wordt de Molendijk bereikt, welke in oostelijke richting via de Noordzeedijk (60 km/u) aansluit op de rotonde Symbiose / N268 om te ontsluiten richting Stampersgat / Oud Gastel en de A4. De ontsluiting voor het gemotoriseerd verkeer is daarmee goed. De dichtstbijzijnde openbaarvervoerhalte ligt op circa 5 minuten loopafstand van het plangebied hier halteert de bus naar Fijnaart. Aan de Noordlangeweg halteert de Bravo directlijn deze halte ligt op 4 minuten fietsen en 17 minuten lopen van het plangebied. Het fietsverkeer maakt in de hele kern van Dinteloord gebruik van dezelfde rijbaan als het gemotoriseerd verkeer. Dit is gebruikelijk op erftoegangswegen en stimuleert het verblijfskarakter.
De nieuwe wegen in het plangebied zullen net als de omliggende bestaande wegen voorzien zijn van trottoirs voor voetgangers. De ontsluiting per openbaar vervoer en voor langzaam verkeer is goed. De Van Heemskerckstraat zal worden verlegd om te zorgen voor een goede overgang tussen het woongebied en het aangrenzende gemengde gebied. De straten Boeier en Barkas worden doorgetrokken richting Wipmolen en Van Heemskerckstraat. Hierdoor ontstaat er een nieuw regulier viertakskruispunt tussen Boeier, Van Heemskerckstraat, Wipmolen en de Karel Doormanstraat. Bij het ontwerp is rekening gehouden dat vrachtwagens de bochten kunnen maken. Het huidige vrachtwagenparkeerterrein en een deel van de huidige Van Heemskerckstraat worden aan de openbaarheid onttrokken voor de ontwikkeling. Hiervoor wordt een afzonderlijke procedure gevoerd op grond van de Wegenwet, de gemeenteraad moet hier uiteindelijk een besluit over nemen. Parkeerbehoefte Op basis van het stedenbouwkundigprogramma en de CROW publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren" uit 2018 is de parkeerbehoefte voor het plangebied bepaald. In de Beleidsregels Parkeernormen 2018 Gemeente Steenbergen is aangegeven dat een initiatiefnemer in beginsel de toename van parkeerbehoefte op eigen terrein moet regelen of in afwijking daarvan op een andere wijze een geschikte parkeeroplossing te vinden, passend binnen gemeentelijke richtlijnen.
Bij het bepalen van de uiteindelijke parkeerbehoefte wordt bij de berekening rekening gehouden met onderstaande aspecten: voor de tabellen wordt verwezen naar de meest actuele CROW-kencijfers. Het stedenbouwkundigplan voorziet voor het plangebied in 35 rijwoningen, 4 twee-onder-één-kap woningen en 20 starterswoningen. De parkeerbehoefte per woning is weergegeven in tabel 4.1.
47/122
Tabel 4.1 Parkeerbehoefte Type woningen
Parkeernorm per woning
Parkeerbehoefte
35 rijwoningen
2,0
70
4 twee-onder-één-kap woningen
2,0
8
20 starterswoningen
1,5
30
Totaal
108
In het stedenbouwkundig plan zijn ten behoeve van de woningen in het de openbare ruimte van het plangebied 84 parkeervakken ingetekend. Op het eigen terrein van de starterswoningen zijn 32 parkeervakken voorzien. Het uiteindelijke aantal aan te leggen parkeerplaatsen zal worden afgestemd op het aantal en het type woningen dat daadwerkelijk wordt gebouwd. Bovenop de hiervoor beschreven aantallen parkeerplaatsen worden aan de noordzijde van het plangebied nieuwe langsparkeervakken aangelegd. Dit gebeurt ter hoogte van Van Heemskerckstraat 5 tot en met 13, zie figuur 4.6.
Figuur 4.6 Extra parkeerplaatsen Van Heemskerckstraat Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Op basis van de verkaveling is de verkeersgeneratie van het plangebied berekend. Per rijwoning is de verkeersgeneratie 7,4 mvt/etmaal (motorvoertuigen per etmaal), per twee-onder-één-kap woning 7,8 mvt/etmaal en per starterswoning 5,6 mvt/etmaal. De totale verkeersgeneratie van het plangebied bedraagt 402 mvt/weekdagetmaal. Omrekening naar het werkdaggemiddelde vindt plaats met de factor 1,11. De gemiddelde
48/122
verkeersgeneratie op een werkdag bedraagt 446 mvt/werkdagetmaal. De verkeersafwikkeling zal zich evenredig verdelen over de Van Heemskerckstraat richting Oostgroeneweg en Molendijk. Deze toename is gering, waardoor dit niet zal leiden tot knelpunten op het omliggend wegennet. Conclusie De ontsluiting van het plangebied is voor alle modaliteiten goed. De parkeerbehoefte zal deels op eigen terrein plaatsvinden en wordt deels in de openbare ruimte opgevangen. De ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename, die naar verwachting geen knelpunten oplevert in de verkeersafwikkeling. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.10 Water Beleid en normstelling Waterbeheer De initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits-- en waterkwaliteitsbeheer. Bij onderhavige procedure wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Beleid duurzaam waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Op Europees en landelijk niveau is het overkoepelende waterbeleid vastgelegd in de Kaderichtlijn Water, het Nationaal Waterplan en het Nationaal Bestuursakkoord Water. De doorvertaling van dit beleid is regionaal vastgelegd in het Provinciaal Waterplan en het Waterbeheersplan van het Waterschap. Daarnaast wordt op gemeentelijk niveau het waterbeleid vastgelegd in een waterplan of een (verbreed) rioleringsplan.
Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.
49/122
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen.
Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. de waterbeheerder (Waterschap Brabantse Delta) heeft op 24 maart 2022 een positief advies uitgebracht op het bestemmingsplan. Beschrijving huidige situatie Het plangebied wordt globaal begrensd door de Van Heemskerckstraat aan de noordoostzijde, bestaande bedrijven aan de Stellingmolen aan de oostzijde, de Wipmolen en de Karel Doormanstraat aan de zuidzijde en het woongebied “De Pinas” aan de westzijde. Het gebied is grotendeels verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwin- of grondwaterbeschermingsgebied Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de grond van het plangebied uit lichte klei met homogeen profiel. Met betrekking tot grondwater is er sprake van grondwatertrap VI. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) schommelt tussen 40 en 80 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 0,3 meter +NAP.
Waterkwantiteit en waterkeringen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en bevindt zich hiermee ook niet in een beschermingszone. In figuur 4.7 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie beschikbaar via de Watertoets Viewer van het waterschap Brabantse Delta.
50/122
Figuur 4.7
Uitsnede Watertoets Viewer met plangebied rood omkaderd (Bron: Waterschap Brabantse Delta)
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Beschrijving toekomstige situatie In de toekomstige situatie zullen 59 woningen gerealiseerd worden. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit en compensatie Het totale plangebied bestaat uit circa 20.449 m2 waarvan in de huidige situatie 14.479 m2 verhard is. In de toekomstige situatie neemt de verharding af naar 12.437 m2. Door de afname in verharding is compensatie niet noodzakelijk aangezien hemelwater kan infiltreren in de bodem.
51/122
Waterveiligheid De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Deze vallen ook niet in het plangebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood, zink en zacht PVC) kunnen deze stoffen zich ophopen in het water(bodem)systeem. Hierdoor kan het gebruik hiervan een zeer nadelige invloed hebben op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Gevolgen voor water Door de afname in verharding kan hemelwater beter infilteren in het plangebied. Hierdoor hoeft het water niet afgevoerd te worden waardoor het rioolstelsel minder belast zal worden.
Hierdoor levert deze ontwikkeling een positieve bijdrage aan het Gemeentelijk rioleringsplan 2020-2023. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft een positieve invloed op de waterkwaliteit of waterkwantiteit. Hierdoor vormt het aspect water geen belemmeringen voor de ontwikkeling
4.11 Milieueffectrapportage Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
52/122
Onderzoek en conclusie De omvang van de ontwikkelingen blijft ver onder de drempelwaarde van 2.000 woningen en 200.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte die geldt voor een stedelijk ontwikkelingsproject. Wel dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd als blijkt dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. voor categorie D 11.2), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld (Bijlage 12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling). Op basis van deze m.e.r-beoordelingsnotitie heeft het college van B&W besloten dat geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is. Dit besluit is bijgevoegd in bijlage. De gemeenteraad heeft bij vaststelling van het bestemmingsplan dit besluit bevestigd.
53/122
54/122
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP)
De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012), die voortvloeit uit de Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.
5.2
Toelichting op de bestemmingsplanregels
Voor de bestemmingsregeling is zoveel mogelijk uitgegaan van de bestemmingsmethodiek van de geldende bestemmingsplannen. De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor de geplande woningen. Binnen het plangebied is gedifferentieerd tussen woningtyplogieën. De bestemming 'Tuin' is voor de tuinen bij de woningen opgenomen. De bestemming 'Verkeer' is toegekend aan de wegen, voet- en fietspaden en dergelijke. Het openbaar groen is voorzien van de bestemming 'Groen'. De bestemmingen komen alfabetisch aan bod. Bedrijf (B) In het plangebied is een gasdrukmeet- en regelstation aanwezig, dit is bestemd met de bestemming ‘Bedrijf’. Gemengd (GD) In het plangebied is het bedrijventerrein met de bestemming 'Gemengd' bestemd. Hier zijn bedrijven behorende tot en met ten hoogste milieucategorie 2 zoals genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Daar waar aangeduid is een woning toegestaan. Groen (G) De belangrijke toekomstige groenvoorzieningen zijn bestemd tot 'Groen'. Binnen de bestemming 'Groen' zijn ook fiets- en wandelpaden en water toegestaan. Zoals hiervoor aangegeven zijn ook de gronden aan de oostzijde voorlopig voorzien van een groenbestemming.
55/122
Tuin (T) De gronden die niet tot het bouwvlak behoren en aan de straatzijde liggen, zijn bestemd als 'Tuin'. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan. Hierdoor zijn erfafscheidingen mogelijk binnen de bestemming. Via een omgevingsvergunning is het mogelijk aan de voorzijde van woningen serres en erkers te plaatsen. Verkeer (V) De bestemming 'Verkeer' heeft betrekking op wegen, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, sloten en watergangen, maar maakt ook pleinen, terrassen, jongerenontmoetingsplekken en afvalverzamelvoorzieningen mogelijk. Hiermee is ondergeschikte herinrichting van de openbare ruimte mogelijk zonder dat, onnodig gedetailleerde bepalingen van het bestemmingsplan dergelijke ontwikkelingen in de weg staan en planherziening nodig zou zijn. Op gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn niet voor bewoning bestemde gebouwen toegestaan. Wonen (W) Om flexibiliteit in woningtypen toe te laten, is conform het geldende plan gekozen voor één bestemming 'Wonen' met de aanduidingen 'twee-aaneen' en 'aaneengebouwd'. Ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn zowel vrijstaande als twee-onder-één-kapwoningen mogelijk. Deze aanduiding is ook opgenomen voor de twee woningen die conform het stedenbouwkundig plan vrijstaand worden gebouwd, om ook daar enige flexibiliteit in het woningtype te bieden.
Ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen zowel aaneen gebouwde, twee-aaneen gebouwde als vrijstaande woningen worden gebouwd. De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor in totaal maximaal 66 woningen en bijbehorende erven, toegangs- en achterpaden. Door middel van het bouwvlak is aangegeven waar hoofdgebouwen zijn toegestaan. Aan-, uit- en bijgebouwen zijn op het achtererf toegestaan, in ten hoogste één zijdelingse perceelgrens. De goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 7 meter en 11 meter. Leiding - Gas (L-G) De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor een gasleiding. Vanaf de hartlijn van de leiding is een beschermingszone van 4 meter aangehouden waarbinnen niet zondermeer gebouwen mogen worden opgericht Algemene wijzigingsregels De Algemene wijzigingsregels omvatten wijzigingsbevoegdheden welke het mogelijk maken de bestemmingen 'Verkeer', 'Groen' onderling te wijzigen en bijvoorbeeld de aanduiding ‘garage’ toe te voegen teneinde garages en bergplaatsen, van percelen behorende bij woningen te kunnen vergroten in het kader van uitgifte van openbare ruimte en / of ten behoeve van het optimaliseren van een zo efficiënt en doelmatig mogelijk ruimtegebruik.
Veiligheidszonde - Bedrijven Op de verbeelding is een veiligheidszone - Bedrijven opgenomen in verband met de aanwezigheid van een gasdrukmeet- en regelstation in het noorden van het plangebied.
56/122
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen.
Inspraak en overleg Door de initiatiefnemer is het concept van het bestemmingsplan voorgelegd aan bewoners in de directe omgeving. Naar aanleiding daarvan zijn verschillende vragen gesteld. de vragen en de antwoorden daarop zijn opgenomen in een verslag, dat als bijlage 13 is opgenomen bij deze toelichting. Mede naar aanleiding van de gestelde vragen worden aan de noordzijde van het plangebied extra parkeerplaatsen aangelegd. Daarnaast heeft de gemeente Steenbergen het bestemmingsplan in het kader van het Bro overleg voorgelegd aan de provincie en aan het Waterschap. De provincie heeft aangegeven geen aanleiding te zien voor een reactie. Het waterschap heeft een positief wateradvies gegeven (zie ook de waterparagraaf). Verder is door de gemeente de Adviesraad verkeer Steenbergen geraadpleegd. De adviesraad heeft op 17 maart 2022 een positief advies uitgebracht. Zienswijze Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven. De gemeente heeft de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan via de gebruikelijke kanalen gecommuniceerd (huis-aan-huis krant en via de website van de gemeente).
Ook is er tijdens de periode dat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage lag, door de initiatiefnemer een informatieavond voor omwonenden en belanghebbenden georganiseerd. Er zijn zienswijzen ingediend, deze zijn samengevat en beantwoord in een nota zienswijzen. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
57/122
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van nieuwe woningen mogelijk. Het bestemmingsplan maakt hiermee aangewezen bouwplannen mogelijk, op gronden die niet in eigendom zijn van de gemeente. In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is daarom een koop realisatie tussen de ontwikkelaar en de gemeente gesloten. Daarmee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan op te stellen.
Voor de aankoop, planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.
58/122
Bijlagen toelichting
60/122
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek
61/122
62/122
Verkennend bodemonderzoek Conform NEN 5740
Auteur:
Dhr. Ing. T.M.W. van Breugel
Controle:
Dhr. J.P.G.M. van Rozendaal Dhr. B. Brouwer
Veldwerk:
Dhr. B. Brouwer Dhr. R. Uittenbogaard
Opdrachtgever:
NLVO Advies Arbo en Milieu BV Meester Prinsenstraat 19 5254 JB Haarsteeg
Verkennend bodemonderzoek Locatie:
Van Heemskerckstraat, Dinteloord
Projectnummer:
21-195
Datum:
14-7-2021
Samenvatting Ter plaatse van Van Heemskerckstraat te Dinteloord is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Voor de uitvoer van het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoeksstrategie bepaald. De locatie heeft een oppervlakte van circa 19.800 m2 en is in gebruik voor bedrijfsdoeleinden. Naar aanleiding van de geplande herontwikkeling van de locatie is plangebied onderzocht. Het doel van het onderzoek is om aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bovengrond ter plaatse van het vulpunt verhogingen van minerale olie ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. Deze verhoging is vermoedelijk te wijten aan het gebruik van de ondergrondse opslagtank. Ter plaatse van deze tank zijn geen eerder uitgevoerde onderzoeken bekend waardoor het onduidelijk is wanneer deze lichte verhoging in de bovengrond is veroorzaakt. In het kader van de Wet bodembescherming is er mogelijk sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging en sprake van een zorgplicht geval. Op basis van de aangetroffen concentratie wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Op het overige terrein worden ter plaatse van zowel de boven- als de ondergrond geen verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. In het grondwater worden verhogingen van barium, kobalt en nikkel ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. Tevens wordt ter plaatse van peilbuis 03 barium verhoogd ten opzichte van de tussenwaarde aangetroffen. Deze matige verontreiniging met barium in het grondwater is vermoedelijk van natuurlijke afkomst, dergelijke concentraties zijn bekend in Nederland en behoeven geen aanvullend onderzoek gezien het ontbreken van een bron. Er bestaan volgens Terra Milieu met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, met inachtneming van bovenstaande én de eerder aangetroffen verontreinigingen, geen belemmeringen voor de toekomstige ontwikkelingen op de locatie.
Inhoud 1.
Inleiding .................................................................................................................................................1
2.
Vooronderzoek ......................................................................................................................................2
3.
Veldwerkzaamheden ...........................................................................................................................6
4.
5.
3.1
Onderzoeksstrategie ...................................................................................................................6
3.2
Veldwerk ten behoeve van de grond.........................................................................................6
3.3
Veldwerk ten behoeve van het grondwater .............................................................................8
Analyseresultaten ................................................................................................................................9 4.1
Toetsing analyseresultaten ........................................................................................................9
4.2
Interpretatie analyseresultaten .................................................................................................9
Conclusie en aanbevelingen............................................................................................................ 10
Bijlage 1. Ligging onderzoekslocatie Bijlage 2. Situatie uitgevoerde bodemonderzoek Bijlage 3. Vooronderzoek conform NEN 5725 Bijlage 4. Veldwerkverslag Bijlage 5. Boorprofielbeschrijvingen (conform NEN 5104) Bijlage 6. Analysecertificaten Bijlage 7. Getoetste analyseresultaten Bijlage 8. Foto’s onderzoekslocatie Bijlage 9. Certificaat
Alle rechten zijn uitdrukkelijk voorbehouden aan Terra milieu BV. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/ of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van Terra milieu BV. Terra Milieu BV werkt als onafhankelijk adviesbureau samen met het veldwerkbureau Bodemflex BV. Bodemflex BV voert onafhankelijk veldwerk uit onder de certificaten BRL SIKB 1000, 2000 en 6000. Bodemflex BV heeft verder geen connecties met de opdrachtgever. Het veldwerk en de analyseresultaten worden onafhankelijk gerapporteerd.
1.
Inleiding
In uw opdracht heeft Terra Milieu een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd op de locatie Van Heemskerckstraat te Dinteloord. De locatie is momenteel in gebruik voor bedrijfsdoeleinden. De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1. De situatie van het uitgevoerde bodemonderzoek is weergegeven in bijlage 2. Het bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de geplande ontwikkelingen van de locatie. Het doel van het bodemonderzoek is om aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden.
Onderzoekslocatie: Van Heemskerckstraat, Dinteloord Projectnummer: 21-195
1
2.
Vooronderzoek
Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van de NEN 5725, het vooronderzoek is verder uitgewerkt in bijlage 3. Het vooronderzoek bestaat o.a. uit het opvragen van bodeminformatie bij het bodeminformatiesysteem van de gezamenlijke omgevingsdiensten van Noord-Brabant. Onderzoekslocatie De locatie is in het verleden in gebruik geweest voor bedrijfsdoeleinden als zijnde een conservenfabriek. De locatie zal in de toekomst worden gebruikt voor bedrijfs- of mogelijk woondoeleinden. Ter plaatse van Heemskerckstraat 31 te Dinteloord is reeds een grootschalig verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door AGEL (kenmerk rapport: 20100112-01, d.d. 13-06-2013. Dit onder betreft een wat groter gebied dan de huidige onderzoekslocatie. Ter plaatse van de deellocaties Werkplaats, F/G en H zijn geen noemenswaardige verontreinigingen aangetoond die te relateren zijn aan de uitgevoerde activiteiten. Wel is ter plaatse van deellocatie H een in eerder bodemonderzoek verhoogd gehalte aan arseen in het grondwater bevestigd. Daar een bronlocatie niet bekend is betreft dit mogelijk een van nature verhoogd gehalte. Deze genoemde deellocaties vallen buiten onderhavige onderzoekslocatie.
Uit het veldwerk is gebleken dat op diverse locaties een olie-waterreactie in de grond is aangetoond, enkel ter plaatse van het overig terrein is plaatselijk (ter plaatse van B6) een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie in het grondwater aangetoond. De locatie (ter plaatse van de ondergrondse dieseltank) waar in 2013 een sterke verontreiniging met minerale olie is aangetroffen is door Agel in 2019 (20100112-04, 22-02-2019) middels een nader onderzoek aanvullend onderzocht. Op basis van dit onderzoek zijn geen bijzonderheden aangetroffen en blijkt de locatie voldoende onderzocht. Omgeving onderzoekslocatie De omgeving van de locatie is in gebruik voor bedrijfs- en woondoeleinden. Op het westelijk deel (voormalige sportvelden) van de onderzoekslocatie zijn onderstaande bodemonderzoeken uitgevoerd: Verkennend bodemonderzoek, 2007 Door DHV BV is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het Sportpark gelegen aan de Oostgroeneweg te Dinteloord (rapport met kenmerk A788950-002, registratienummer WA/HD/PVD/LV/NH/V-2082, versie 1, d.d. november
Onderzoekslocatie: Van Heemskerckstraat, Dinteloord Projectnummer: 21-195
2
2007). Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de bestemmingsplanwijziging. Zintuiglijk zijn bijmengingen met schelpen aangetroffen. In de bovengrond op het zuidwestelijk terreindeel wordt de streefwaarde voor PAK en minerale olie overschreden. In de overige grondmengmonsters liggen alle gehaltes beneden de betreffende streefwaarden. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat in het grondwater op het zuidwestelijk terreindeel (PB 23) de concentratie nikkel de streefwaarde overschrijdt. In de overige grondwatermonsters zijn geen concentraties boven de betreffende streefwaarden aangetoond. De vooraf opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ dient op grond van de onderzoeksresultaten licht verhoogde gehalten PAK en minerale olie in de bovengrond en nikkel in het grondwater te worden verworpen. Actualiserend bodemonderzoek 2014 Door MILON bv is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het voormalige sportpark (projectnummer 20141431, d.d. 17 juli 2014). De onderzoekslocatie is braakliggend en er zijn verschillende depots aanwezig. De herkomst van de depots is onbekend. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt er op de onderzoekslocatie geen noemenswaardige bodemverontreiniging verwacht. Daarom is conform NEN 5740 uitgegaan van een zogenaamde onverdachte locatie.
Opgemerkt wordt dat, omdat het een actualiserend bodemonderzoek betreft, alleen de bovengrond is onderzocht. Analytisch zijn licht verhoogde gehalten aan lood en PAK aangetroffen. Door de licht verhoogde concentraties in de grond dient de opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen te worden. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmering is voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Verkennend bodemonderzoek 2018 Door Milon is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Oostgroeneweg ong. te Dinteloord. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond geen bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan welke kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Specifiek wordt vermeld dat er geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Analytisch zijn in de bovengrond plaatselijk licht verhoogde gehalten PCB, zink, kwik en lood aangetroffen en in eerste instantie een sterk verhoogd gehalte PAK. Na aanvullend onderzoek (waarbij de individuele monsters van het mengmonster zijn geanalyseerd op PAK) is slecht in een van de vijf grondmonsters een licht verhoogd gehalte PAK aangetroffen en in de overige grondmonsters is geen verhoogd gehalte PAK aangetroffen. Hiermee is voldoende onderzoek gedaan naar het in eerste instantie aangetroffen sterk verhoogde gehalte PAK.
De onderzoeksresultaten komen overeen
Onderzoekslocatie: Van Heemskerckstraat, Dinteloord Projectnummer: 21-195
3
met de resultaten van de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken waarbij eveneens licht verhoogde gehalten in de grond zijn aangetroffen. Voor de licht verhoogde gehalten zware metalen (zink, kwik en lood), PCB en PAK is geen eenduidige verklaring voorhanden. Mogelijke verklaringen zijn het gebruik van de locatie als sportpark, de opslag van grond of een ophoging van het terrein in het verleden. De hier aangetroffen gehalten zijn gering en geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Ter plaatse van de omliggende bedrijfspanden zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: Indicatief bodemonderzoek Van Heemskerkstraat, Afdeling milieu Bergen op Zoom, (kenmerk: S88-8a/b, 15 december 1988) In dit onderzoek is een matig verhoogd gehalte (boven de destijds geldende B waarde) minerale olie aangetoond en licht verhoogde gehalten aan aromaten. In het rapport wordt vermeld dat gezien de ouderdom van de tank het gewenst is dat deze verwijderd wordt, en dat tegelijkertijd de verontreiniging verwijderd kan worden. Het is niet bekend of dit is gebeurd. Aanvullend bodemonderzoek transportbedrijf DARVI Van Heemskerkstraat Dinteloord, SGS Ecocare B.V, (kenmerk: EF 800.502, 7 september 1990) Dit onderzoek betreft een aanvullend onderzoek op het in 1988 uitgevoerde onderzoek. Ter plaatse van het vulpunt is zowel in de grond als in het grondwater een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond.
In totaal is circa 100 m3 bodem verontreinigd. Aanbevolen wordt om de verontreiniging te ontgraven tot een diepte van circa 2,0 m –mv. De noodzaak tot een grondwatersanering dient in het saneringsonderzoek bepaald te worden. Verkennend bodemonderzoek op het bedrijfsterrein van Radings Vleeswarenindustrie te Dinteloord, Grontmij, (kenmerk 99-7700-15, maart 1992) In het grondwater is een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. In de grond zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat een nader onderzoek noodzakelijk is om de verontreiniging in beeld te brengen. Verkennend onderzoek Van Heemskerckstraat 25 te Dinteloord, de Bodemonderzoeker, (kenmerk ZLD1466, 4 mei 2001) Dit onderzoek is uitgevoerd op het buitenterrein bij nummer 25. In de grond en het grondwater zijn maximaal licht verhoogd gehalten aangetoond.
Onderzoekslocatie: Van Heemskerckstraat, Dinteloord Projectnummer: 21-195
4
Verkennend bodemonderzoek locatie Van Heemskerckstraat 31 te Dinteloord, UDM adviesbureau B.V., kenmerk 0402748, 4 mei 2005 Dit verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van het BSB Bodemcluster. Doel van het bodemonderzoek is het vastleggen van de bodemkwaliteit ter plaatse van voor bodemverontreiniging verdachte locaties. In dit onderzoek zijn de volgende locaties onderzocht: A: Ondergrondse dieseltank; B: Ondergrondse dieseltank; C: Ondergrondse dieseltank; D: Bovengrondse dieseltank; E: Afleverzuil dieseltank; F: Olie opslag werkplaats; G: Ontvettingsbak werkplaats; H: Chemicaliënopslag werkplaats. Destijds zjin alle voor bodemverontreiniging bekende deellocaties onderzocht. Ter plaatse van deellocatie A, B, C, D, F. en G is destijds geen verontreiniging aangetroffen. Ter plaatse van deellocatie E (aangrenzend aan de huidige onderzoekslocatie) is een verontreiniging met minerale olie aangetroffen. Voor deze locatie is volgens het eerder uitgevoerde onderzoek van Agel, een aansprakelijkheidsverzekering aanwezig, en valt derhalve buiten de scope van onderhavig onderzoek. Ter plaatse van deellocatie H is een matig verhoogd gehalte aan arseen in het grondwater aangetroffen. Deellocatie H valt buiten de huidige onderzoekslocatie. Conclusie vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek is binnen de onderzoekslocatie een ondergrondse tank aanwezig.
Deze deellocatie is echter in 2019 voldoende onderzocht en behoeft geen aanvullend onderzoek. De aangetroffen olie verontreiniging uit het onderzoek van UDM in 2005 grenst aan de huidige onderzoekslocatie. Deze verontreiniging is destijds voldoende in kaart gebracht en is uitgesloten van onderhavig onderzoek. Het overige terrein wordt als een heterogeen verdachte locatie onderzocht. Al de overige verdachte deellocaties zoals beschreven in het vooronderzoek vallen buiten de huidige onderzoekslocatie. Ter plaatse van het westelijk deel van de onderzoekslocatie worden momenteel woningen gebouwd. De opslag ten behoeve van de bouwwerkzaamheden vindt plaats op de onderzoekslocatie waardoor dit deel is uitgesloten van onderhavig onderzoek, zie hiervoor de tekening.
Onderzoekslocatie: Van Heemskerckstraat, Dinteloord Projectnummer: 21-195
5
3.
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door dhr. B. Brouwer geregistreerd als erkend monsternemer(s) van Bodemflex BV. Bodemflex is een onafhankelijk veldwerkbureau. Het certificaat is opgenomen in bijlage 9. De veldwerkgegevens zijn opgenomen in bijlage 4, foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 8. 3.1 Onderzoeksstrategie Op basis van het vooronderzoek kan de locatie als onverdacht worden beschouwd. Tijdens het verkennend bodemonderzoek is de volgende onderzoeksstrategie gehanteerd; Strategie voor een verdachte locatie (VED-HE-NL). Naar aanleiding van de oppervlakte van de onderzoekslocatie zijn de volgende boringen en analyses verricht. Opper-vlakte <20.000m2