CConstaterende datSteenbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Van Heemskerckstraat - Karel Doormanstraat 2327977.pdf

Besluitvormende Vergadering 28 september 2023, gemeente SteenbergenBij agendapunt: 09.: Bestemmingsplan Van Heemskerkstraat en onttrekking openbaarheid weggedeelte.21.112 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Van Heemskerckstraat/ Karel Doormanstraat Steenbergen

DATUM IMRO IDN

16-08-2023 NL.IMRO.0851.dtlBPhmskrckstr-v001

PROJECT PROJECTLEIDER

20200744 J.A. Van Broekhoven

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

CC Kroon Development 20200744

AUTEUR STATUS

J.A. van Broekhoven vastgesteld

Van Heemskerckstraat/ Karel Doormanstraat

Steenbergen

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0851.dtlBPhmskrckstr-v001

10 december 2021

concept

17 mei 2022 16-08-2023

ontwerp vastgesteld

projectnummer:

20200744 opdrachtleider:

Jeroen van Broekhoven

2/122

Inhoudsopgave Toelichting

7

Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Aanleiding

9

1.2

Leeswijzer

9

Planbeschrijving

11

2.1

Plangebied en directe omgeving

11

2.2

Geldend bestemmingsplan

14

2.3

Beoogde situatie

15

Hoofdstuk 3

Beleidskader

17

3.1

Rijksbeleid

17

3.2

Provinciaal beleid

23

3.3

Gemeentelijk beleid

27

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

29

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

29

4.2

Bedrijven en milieuzonering

31

4.3

Bodemkwaliteit

34

4.4

Ecologie

35

4.5

Externe veiligheid

39

4.6

Kabels en leidingen

42

4.7

Luchtkwaliteit

42

4.8

Wegverkeerslawaai

44

4.9

Verkeer en parkeren

46

4.10

Water

49

4.11

Milieueffectrapportage

52

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

55

5.1

Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP)

55

5.2

Toelichting op de bestemmingsplanregels

55

Uitvoerbaarheid

57

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

57

6.2

Economische uitvoerbaarheid

58

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 6

3/122

Bijlagen toelichting

59

Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek

61

Bijlage 2

Quickscan ecologie

63

Bijlage 3

Nader onderzoek ecologie

65

Bijlage 4

Aerius memo

67

Bijlage 5

Stikstofberekening gebruiksfase

69

Bijlage 6

Stikstofberekening realisatiefase 2023

71

Bijlage 7

Stikstofberekening realisatiefase 2024

73

Bijlage 8

Kwantitatieve risicoanalyse

75

Bijlage 9

QRA lpg-tankstation

77

Bijlage 10

Standaard Verantwoording Groepsrisico

79

Bijlage 11

Onderzoek wegverkeerslawaai

81

Bijlage 12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

83

Bijlage 13

Verslag reacties omwonenden en Bro-overleg

85

Bijlage 14

Akoestische onderzoeken inrichtingslawaai

87

Regels Hoofdstuk 1

89 Inleidende regels

91

Artikel 1

Begrippen

91

Artikel 2

Wijze van meten

95

Bestemmingsregels

97

Artikel 3

Bedrijf

97

Artikel 4

Gemengd

99

Artikel 5

Groen

101

Artikel 6

Tuin

102

Artikel 7

Verkeer

103

Artikel 8

Wonen

104

Artikel 9

Leiding - Gas

107

Hoofdstuk 3

Algemene regels

109

Artikel 10

Anti-dubbeltelregel

109

Artikel 11

Algemene bouwregels

110

Artikel 12

Algemene gebruiksregels

111

Artikel 13

Algemene aanduidingsregels

112

Hoofdstuk 2

4/122

Artikel 14

Algemene afwijkingsregels

113

Artikel 15

Algemene wijzigingsregels

115

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

116

Artikel 16

Overgangsrecht

116

Artikel 17

Slotregel

117

Bijlagen regels Bijlage 1

5/122

119 Staat van Bedrijfsactiviteiten

121

6/122

Toelichting

8/122

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

In het oostelijk deel van Dinteloord wordt het woongebied "De Pinas" ontwikkeld. Op de voormalige sportvelden aan de Oostgroeneweg wordt op dit moment volop gebouwd. Het voornemen is om de woningbouwontwikkeling verder uit te breiden richting de Van Heemskerckstraat en de Karel Doormanstraat aan de oostzijde van de nieuwbouwwijk. De herontwikkelingslocatie heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming Bedrijf. De realisatie van 59 woningen past niet binnen de regeling van het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Kom Dinteloord' van de gemeente Steenbergen. De gemeente Steenbergen wil graag meewerken aan deze woningbouwontwikkeling, daarom is het voorliggend bestemmingsplan opgesteld wat hierin voorziet.

1.2

Leeswijzer

De plantoelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:  In hoofdstuk 2 worden de huidige en de beoogde situatie beschreven.  Hoofdstuk 3 bevat de toetsing van de nieuwe ontwikkelingen aan het relevante beleidskader.  In hoofdstuk 4 worden de sectorale onderzoeken beschreven.  Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de bestemmingsregeling.  In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op uitvoerbaarheid van het plan.

9/122

10/122

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Plangebied en directe omgeving

Het plangebied ligt geheel binnen de bebouwde kom van Dinteloord en vormt de oostelijke uitbreiding van het woongebied “De Pinas”. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Van Heemskerckstraat aan de noordoostzijde, bestaande bedrijven aan de Stellingmolen aan de oostzijde, de Wipmolen en de Karel Doormanstraat aan de zuidzijde en het woongebied “De Pinas” aan de westzijde. In figuur 2.1 is globaal de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 2.1 Globale de ligging van het plangebied (bron: Google Earth) De gronden aan de west- en oostzijde van de Van Heemskerckstraat hebben een bedrijfsbestemming en zijn grotendeels bebouwd met bedrijfsopstallen. In twee ontwikkelfases zal woningbouw aan deze zijde van Dinteloord toegevoegd worden. De ligging van het plangebied van beide ontwikkelfases is weergegeven in figuur 2.2. Hierin is ontwikkelfase 1 rood omlijnd en ontwikkelfase 2 blauw omlijnd. Het plangebied voor dit bestemmingsplan betreft alleen ontwikkelfase 1.

11/122

Figuur 2.2 Situering plangebied (rode arcering).

Figuur 2.3 Bovenaanzicht plangebied (bron: Google Earth)

12/122

In figuur 2.4, 2.5 en 2.6 zijn enkele foto's van het plangebied weergegeven.

Figuur 2.4 Foto vanaf kruising Wipmolen, Van Heemskerckstraat en Karel Doormanstraat (bron: Google Earth).

Figuur 2.5 Foto Van Heemskerckstraat richting het noorden (bron: Google Earth).

13/122

Figuur 2.6 Foto Van Heemskerckstraat richting het zuiden (bron: Google Earth).

2.2

Geldend bestemmingsplan

Het plangebied is momenteel juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan 'Kom Dinteloord' vastgesteld op 15 december 2016 en bestemmingsplan 'De pinas' vastgesteld op 28 september 2017. In bestemmingsplan 'Kom Dinteloord' is het plangebied bestemd als 'Bedrijf', 'Verkeer'. De ontwikkeling van de woningen is in strijd met het bestemmingsplan. Een fragment van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 2.7.

Figuur 2.7 Uitsnede geldende bestemmingsplan 'Kom Dinteloord' bestemmingsplan 'Kom Dinteloord' (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

14/122

In het bestemmingsplan 'De pinas' is het plangebied bestemd als 'Verkeer' en 'Groen'. Verder heeft het gebied de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied'. De ontwikkeling van de woningen is in strijd met het bestemmingsplan. Een fragment van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur2.8.

Figuur 2.8 Uitsnede geldende bestemmingsplan 'De pinas' (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

2.3

Beoogde situatie

Het voornemen is om de woningbouwontwikkeling ten oosten van het woongebied "De Pinas" verder uit te breiden richting de Van Heemskerckstraat en de Karel Doormanstraat. In deze eerste fase worden 59 woningen gerealiseerd. Uit het verkavelingsplan is op te maken dat er 4 twee-onder-een-kapwoningen, 35 rijwoningen en 20 starterswoningen worden gerealiseerd, zie figuur 2.9. De Heemskerckstraat zal worden verlegd en de straat Boeier wordt doorgetrokken richting Wipmolen. Hierdoor ontstaat er een nieuw regulier viertakskruispunt tussen Boeier, Van Heemskerckstraat, Wipmolen en de Karel Doormanstraat. Fase 2 is een wensbeeld, maar nog geen zekerheid dat het ontwikkeld gaat worden.

Figuur 2.9 Verkavelingsplan Van Heemskerckstraat.

15/122

Het stuk bedrijventerrein Molenkreek tussen de Stellingmolen, Wipmolen en Van Heemskerckstraat krijgt met het voorliggende bestemmingsplan de bestemming Gemengd. Daarbinnen zijn bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 toegestaan en ter plaatse van de huidige bedrijfswoningen zijn reguliere woningen toegestaan. Het gasdrukmeet- en regelstation blijft de bedrijfsbestemming houden, zie onderstaand figuur. Door het leggen van de bestemming Gemengd wordt de reeds ingezette ontwikkeling bevestigd van relatief lichte bedrijvigheid, in combinatie met wonen.

Figuur 2.10 Bestemming Gemengd aangrenzend bedrijventerrein.

16/122

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:  dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;  met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;  waar het goed wonen en werken is.

Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;  met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;  waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten;  dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;  waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;  dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

17/122

Voor dit project relevante nationale belangen zijn:  Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.  Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.  Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. De belangrijkste keuzes zijn:  Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit  Ruimte voor overgang naar een circulaire economie  Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden  Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fietsen wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.

Doorwerking plangebied Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding. Het mogelijk maken van de nieuwe woningen binnen de bestaande woonbebouwing van de kern Steenbergen past binnen het rijksbeleid. De in de NOVI genoemde nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet geschaad. 3.1.2 Bro en Ladder voor duurzame verstedelijking Ieder plan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Voor projecten binnen bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Toetsing Nieuwe stedelijke ontwikkeling Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) en jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling van minder dan 12 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling.

In dit geval worden 59 woningen rechtstreeks mogelijk gemaakt, dus is sprake van een stedelijke ontwikkeling.

18/122

Het geldende bestemmingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval heeft het gebied een bedrijfsfunctie. Omdat er geen sprake is van rechtstreekse bouwtitels of een uitwerkingsplicht voor woningen, is in dit geval sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bestaand stedelijk gebied In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip bestaand stedelijk gebied vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De locatie wordt omsloten door stedelijke functies en heeft een bedrijfsbestemming. Er is een sprake van bestaand stedelijk gebied. Beschrijving woningbehoefte De relevante regio voor wonen is de gemeente Dinteloord binnen West-Brabant West.

Figuur 3.1

19/122

Woonregio's (Bron: Brabantse Agenda Wonen, september 2017)

De woningbehoefte in Dinteloord blijkt uit diverse prognoses, onderzoeken en beleidsstukken. Daarop wordt hierna ingegaan. Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, Actualisering 2020 Doordat het aantal huishoudens de komende jaren nog sterk toeneemt, zijn er ook meer woningen nodig. Naar verwachting is in 2050 ongeveer 43% van alle huishoudens een éénpersoonshuishouden. Vooral het aantal oudere alleenstaanden van 75 jaar en ouder neemt sterk toe. Vergeleken met de vorige prognose uit 2017 ligt de groei van de Brabantse bevolking duidelijk hoger. De indicatie voor de gemeente Steenbergen is 710 woningen in de periode 2020-2030. Onderstaande tabel is richtinggevend voor het maken van nieuwe regionale afspraken. Versnelling van de woningbouw en (vervolgens) vasthouden van het bouwtempo is een belangrijke doelstelling van de Brabantse Agenda Wonen.

Figuur 3.2 Indicatie toename woningvoorraad gemeente, 2020–2040 (ontleend aan bevolkings- en woningbehoefteprognose september 2020) Brabantse Agenda Wonen Voortgangsrapportage 2019/2020 In de Brabantse Agenda Wonen Voortgangsrapportage 2019/2020 staat dat er in de regio West-Brabant in de periode 2019-2028 nog 26.900 woningen nodig zijn en er slechts harde plancapaciteit is voor 14.850 woningen. De woningbehoefte in de tabel is nog gebaseerd op de vorige prognose die lager uitkwam. De eerstkomende tijd zal de feitelijke realisatie van woonruimte in het betaalbare segment extra inspanningen (blijven) vragen. Hierbij zal ook de middenhuur, met huurprijzen net boven de liberalisatiegrens, moeten worden betrokken. Voor de gemeentelijke en (sub)regionale woningbouwplanning en -programmering en de mogelijkheden hier ook daadwerkelijk – bijvoorbeeld via volkshuisvestelijke en/of ruimtelijke instrumenten) op te sturen - zijn dit belangrijke onderwerpen.

Figuur 3.3

20/122

Woningbouwcapaciteit en opgaven

Perspectief op wonen en woningbouw - West-Brabant West Eind 2018 heeft de regio het Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019 vastgesteld. Het document was een doorontwikkeling van de Regionale Agenda Wonen en zet in op vernieuwen en versterken van de regionale samenwerking; het sluit aan bij de actielijnen en richtinggevende principes uit de Brabantse Agenda Wonen van de provincie. Het “Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2021” is een actualisatie en geeft een actueel beeld en visie van de subregio West-Brabant West op de toekomstige ontwikkelingen op de regionale woningmarkt. In het kader van een duurzaam verstedelijkingsbeleid legt de regio prioriteit bij zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik. Daarbij is het van belang om de gemeentelijke woningbouwprogramma’s in te zetten op binnenstedelijke (transformatie)locaties en voor het herbestemmen van leegstaand vastgoed. Daarmee vormt het perspectief ook een zorgvuldige afweging en verantwoording in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Naast specifieke aandacht voor herstructurerings- en transformatieopgaven wil de subregio West- Brabant West meer nadruk blijven leggen op de bestaande woningvoorraad, met verduurzaming van de voorraad en het geschikt maken van woningen en de woonomgeving voor mensen met een zorgvraag.

Voor wat betreft nieuwbouw wil de regio inzetten op vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen. De subregio richt zich op de volgende richtinggevende principes, waarbij speerpunt 2, 3 en 4 relevant zijn voor de beoogde uitbreiding: 1. Focus bestaande woningvoorraad 2. Focus bestaande woonomgeving a. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik wordt primair ingezet op bestaand stedelijk gebied en de kansen voor transformatie en herbestemming; b. Uitgangspunt is geen nieuwe uitleglocaties meer, maar eerst inzetten op bestaand stedelijk gebied; c. Nieuwe uitleglocaties worden subregionaal afgewogen; d. Vanuit duurzame verstedelijking wordt uitbreiding gekoppeld aan de sloop van leegstaand vastgoed of bijdrage aan transformatie opgaven; e. Binnen bestaand stedelijk gebied liggen ook opgaven op gebied van energietransitie en klimaatadaptatie; 3. Vraaggericht bouwen a. Nieuwbouw staat zoveel mogelijk in het teken van een strategische toevoeging op de bestaande woonvoorraad, waarbij bevordering van doorstroming; b. Een toenemende differentiatie van de vraag vraagt om ruimte voor nieuwe woonvormen, waaronder tijdelijke en flexibele woonconcepten, zelfbouw en CPO, geclusterde woningen en combinaties van wonen, werken en zorg; c. Gezamenlijke voorwaarden formuleren t.a.v. nieuwe woningbouwinitiatieven en projecten, w.o. verduurzaming en levensloopbestendigheid. 4.

Reële woningbehoefte a. De actuele provinciale behoefteprognose vormt de basis voor de gemeentelijke woningbouwprogrammering; b. Gemeentelijke woningbouwprogramma's gaan uit van een reële woningbehoefte en zetten in op flexibiliteit om in te kunnen spelen op veranderingen en nieuwe kansen. In subregio West als geheel zijn ruim voldoende woningbouwplannen in beeld om voor de woningbehoefte op korte (5 jaar) en middellange termijn (10 jaar) te kunnen bouwen. De subregio West is al volop bezig met de focus te

21/122

leggen op het bestaand stedelijk gebied. Het grootste gedeelte van de woningbehoefte kan ook landen op binnenstedelijke transformatielocaties die momenteel al in beeld zijn. Voor de komende 10 jaar zit circa 2/3 van de woningbouwplannen op binnenstedelijke locaties. Naast de provinciale behoefteramingen zijn er in het verleden 2010 afspraken gemaakt met de provincie voor de bouw van 300 extra woningen in verband met de realisering van het AgroFoodcluster Nieuw-Prinsenland. De gemeente Steenbergen heeft de locatie Van Heemskerckstraat/ Karel Doornmanstraat als inbreidingslocatie opgenomen in de planning, maar de locatie is nog geen onderdeel van de harde plancapaciteit. Woningbouwplanning in relatie tot provinciale woningbehoefteprognoses De woningbouwprognoses van de provincie van 2020 zijn leidend wat betreft de planning. Deze prognoses gaan uit van een binnenlands migratiesaldo van 0. Het buitenlandse migratiesaldo is echter wel positief. Boven op deze prognoses is regionaal afgesproken dat de gemeente Steenbergen rekening dient te houden met de bouw van 210 woningen extra in verband met de aanwezigheid van het bovenregionale bedrijventerrein en glastuinbouwgebied Agro Food cluster Nieuw-Prinsenland.

In het overzicht in figuur 3.4 is de geraamde woningbehoefte weergegeven in relatie tot de harde plancapaciteit (= plancapaciteit waarvan het bestemmingsplan is vastgesteld, maar de woningen nog niet zijn gebouwd) en het streefcijfer tot 1-1-2032. Deze streefcijfers zijn een indicatie. Uit het overzicht blijkt dat er voldoende ruimte is om nieuwe bestemmingsplannen voor woningen in procedure te brengen.

Figuur 3.4 Geraamde woningbehoefte en streefgetallen (Bron: gemeente Steenbergen) Betaalbaar wonen in de gemeente Steenbergen, ook voor nestverlaters Op 25 maart 2021 heeft de gemeenteraad van Steenbergen het initiatiefvoorstel betaalbaar wonen in de gemeente Steenbergen, ook voor nestverlaters vastgesteld. De gemeente Steenbergen bouwt naar ambitie in plaats van naar behoefte, met als doel het behouden en aantrekken van meer jongeren binnen de gemeente Steenbergen aantrekken van meer jongeren binnen de

22/122

gemeente Steenbergen en streeft naar ten minste 25% van de nieuw te bouwen woningen te realiseren voor nestverlaters en zich met deze beschikbaarheid aan woningen te profileren middels publiekscampagnes. De appartementen studio's in voorliggende ontwikkeling zijn specifiek gericht op starters. Daarnaast zijn de rijwoningen ook geschikt voor nestverlaters die voldoende financiële middelen hebben of gesteund worden door hun ouders. De ontwikkeling aan de Van Heemskerckstraat voldoet daarmee aan de doelstelling dat 25% van de nieuw te bouwen woningen geschikt zijn voor nestverlaters. Conclusie De ontwikkeling past binnen de regionale verstedelijkingsafspraken. Daarmee past het bestemmingsplan in de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in het SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden. Dit betekent dat de regels uit het Barro ook geïmplementeerd moeten worden in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Evenals de NOVI wordt het Barro gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Het Barro bevat regels voor bijvoorbeeld de mainport ontwikkeling van Rotterdam, het kustfundament en defensie. Doorwerking plangebied In het Barro zijn geen beperkingen opgelegd ter hoogte van het plangebied.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:  Werken aan de Brabantse energietransitie  Werken aan een klimaatproof Brabant  Werken aan de slimme netwerkstad  Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Doorwerking plangebied De beoogde 59 woningen worden gasloos gebouwd en voldoen aan de meest actuele normen ten aanzien van energieprestatie. Het plangebied maakt onderdeel uit van de bestaande stedelijke structuur van de kern Dinteloord. De ontwikkeling betreft dan ook herstructurering van bestaand stedelijk gebied. De herstructurering draagt bij aan de ruimtelijke samenhang van en kwaliteit in de kern Dinteloord. Een aantrekkelijke openbare ruimte met veel

23/122

groenelementen zal het gebied tot een prettig woongebied maken. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Vanwege de nieuwe Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerst stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood-Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van de omgevingsverordening zijn zogenoemde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. In de Iov N-B zijn regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkingsgebieden (structuren) en aanduidingen.

Het plangebied ligt is op Kaart 3: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed aangemerkt als 'landelijke kern'.

Figuur 3.5 Uitsnede Kaart 3: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed (www.ruimtelijkeplannen.nl)

24/122

De volgende artikelen zijn van belang voor de beoogde ontwikkeling: Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Lid 3. n.v.t. Doorwerking plangebied In paragraaf 3.1.2 wordt de behoefte aan woningbouw in regionaal verband beschouwd. Hierbij past de ambitie van de provincie om zorg te dragen voor een aantrekkelijk leef- en woonklimaat.

Een aantal aspecten die een rol spelen bij duurzame verstedelijking zijn en veilige, gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie. Bij de ontwikkeling wordt aangesloten bij de kracht van de verstedelijking en de kracht van de natuur. Met de waterberging wordt rekening gehouden met de klimaatadaptatie. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In de Interimverordening heeft de provincie basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies geïntroduceerd. Daarmee wordt vooruitgelopen op de stap die de Omgevingswet straks maakt van 'een goede ruimtelijke ordening' naar 'een evenwichtige toedeling van functies'. De basisprincipes zijn:  artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;  artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik;  artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering;  artikel 3.8 meerwaardecreatie;  artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap. Gemeenten moeten deze basisprincipes toepassen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Dat is bij deze ontwikkeling het geval. Voormalige bedrijfslocaties worden getransformeerd naar woningen.

Verder hoort bij zorgvuldig ruimtegebruik dat bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Aangezien dit een wettelijke verplichting is, is deze toets opgenomen in paragraaf 3.1.2.

25/122

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar. De lagenbenadering omvat de effecten op:  de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;  de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer;  de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Al deze waarden zijn in voorliggend bestemmingsplan in kaart gebracht en gewaardeerd. Het heeft ertoe geleid dat het stedenbouwkundig ontwerp een goede aanhechting heeft aan de structuur van het dorp. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Op dit project is dat echter niet van toepassing, omdat het gaat om herstructurering van bestaand stedelijk gebied.

3.2.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant Door de komst van de nieuwe Omgevingswet heeft de provincie straks één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. Het ontwerp omgevingsverordening Noord-Brabant ligt momenteel ter inzage en bevat enkele wijzigingen ten opzichte van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Hoofdstuk 2 bevat rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Ter plaatse van het plangebied gelden regels ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bodemenergie, grondwateronttrekking, landelijk gebied, stiltegebied, waterberging, beperkingen veehouderijen. Hoofdstuk 3 bevat zogenoemde instructieregels voor het verlenen van omgevingsvergunningen. Hoofdstuk 4 omvat instructieregels voor omgevingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens is een aantal algemene basisprincipes opgenomen.

Doorwerking plangebied Het ontwerp omgevingsverordening Noord-Brabant bevat geen belangrijke wijzigingen voor het plangebied ten opzichte van de Interim omgevingsverordening die in de vorige subparagraaf is behandeld.

26/122

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie gemeente Steenbergen (inclusief partiële actualisatie) De gemeente heeft op 31 mei 2012 conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een nieuwe structuurvisie voor het gehele gemeentelijke grondgebied vastgesteld. De nieuwe visie bevat geen ingrijpend nieuw beleid, maar vervangt de StructuurvisiePlus uit 2002 en integreert de beleidsuitgangspunten uit de Gebiedsvisie 2007, de IDOP’s, de Nota van uitgangspunten voor het buitengebied, het Economisch beleidsplan en de recreatievisies tot een uitvoeringsgericht beleidsinstrument. De uitgangspunten van genoemde beleidsdocumenten zijn in deze paragraaf per document nader uiteengezet. Daarnaast zijn in de visie de provinciale gebiedsontwikkelingen Brabantse Wal en Waterpoort met bijbehorende deelprojecten opgenomen c.q. vertaald. In 2019 is de structuurvisie geactualiseerd. De plancapaciteit is in 2022 geactualiseerd. De meest recente gegevens zijn opgenomen in 3.1.2 in de toelichting. De toekomstige woningbouw zal zich de komende jaren concentreren in de twee grootste kernen Steenbergen en Dinteloord. Dit is enerzijds het gevolg van de behoefte, de kernen met de meeste voorzieningen zijn het meest populair om te wonen. Anderzijds door de grotere hoeveelheid geschikte bouwlocaties op inbreidings- en herstructureringslocaties in deze kernen.

Voor de kern Dinteloord zijn volgende de potentiële woningbouwlocaties aangeduid op de kernenkaarten als transformatie afweegbaar woningbouw:  Karel Doormanstraat/Van Heemskerckstraat (nu bedrijfsgebouwen)  Nieuwe Haven (zorglocatie)  Molendijk (nu bedrijfsgebouw)  Kade (bedrijfsgebouw en achtergebied)  Ontwikkelingszone inbreiding centrum Dinteloord (div. locaties)  Dorus Rijkersstraat De inschatting is dat het in Dinteloord gaat om een potentiële extra woningbouwcapaciteit van rond de 190 woningen.

Figuur 3.6 Uitsnede Kernenkaart Structuurvisie.

27/122

Doorwerking plangebied De beoogde woningbouwlocatie wordt concreet benoemd in de structuurvisie als afweegbaar transformatiegebied. De ontwikkeling van 59 woningen past ook binnen de potentiële extra woningbouwcapaciteit van rond de 190 woningen voor de kern Dinteloord. De ontwikkeling is hierdoor in overeenstemming met de 'Structuurvisie gemeente Steenbergen'.

28/122

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Archeologie en cultuurhistorie

Beleid en normstelling Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.

Onderzoek Archeologie Voor de gehele kern Dinteloord geldt een lage verwachtingswaarde voor archeologische vondsten (zie figuur 4.1). In het plangebied liggen geen archeologische monumenten en zijn geen vondstmeldingen of waarnemingen bekend. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Mochten er ondanks de lage verwachtingswaarde tijdens de uitvoering toch archeologische vondsten worden gedaan dan is er sprake van een meldingsplicht.

Figuur 4.1 Archeologische waarden voor Dinteloord volgens IKAW

29/122

Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische WaardenKaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat een gedeelte van het plangebied binnen historische stedenbouw ligt (zie figuur 4.2). In structuur gaaf bewaard gebleven, in samenhang met Oude Prinslandsche Polder en Willemspolder planmatig opgebouwd dorp van Flakkeese type, met karakteristieke stedenbouwkundige opzet met voorstraat (Westervoorstraat, Oostervoorstraat) en markant centraal, op de kop van deze voorstraten gesitueerd raadhuis met asymmetrisch gelegen kerkgebouw, alsmede een tweetal achterstraten (Westerstraat, Oosterstraat). Het geheel is haaks op de oude polderdijk (Stoofdijk, Molendijk) gesitueerd, alwaar aan de voormalige buitendijkse zijde een kleine haven die het dorp met de Dintel verbindt. Rond de haven met sluis enige sporen van oude bedrijvigheid. Incidenteel gaaf bewaard gebleven historisch bebouwingsbeeld (één- en tweelaags bebouwing, direct aan de straat, gescheiden door stegen, kern 1600-1955), met aan noordzijde van de dijk gesloten gevelwand met kenmerkende wederopbouw-architectuur. Ook hier is op basis van de oude structuur in de periode 1945-1955 in traditionele architectonische stijl een nieuwe invulling gemaakt met tweelaags woonhuizen en winkel-woonhuizen. Aan de zuidwestelijke zijde enkele straten met bebouwing uit de periode 1900-1930.

De historische stedenbouw ligt in het noorden van het plangebied waar geen bebouwing wordt gesloopt. In het plangebied liggen verder geen cultuurhistorisch waardevolle elementen waar rekening mee gehouden hoeft te worden.

Figuur 4.2 Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie zal de uitvoering van de ontwikkeling niet belemmeren.

30/122

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek - algemeen De ontwikkeling betreft een milieugevoelige functie. In het plangebied zijn in de beoogde situatie een appartementengebouw en grondgebonden woningen voorzien. Rondom het plangebied zijn woningen en bedrijven (bedrijventerrein Molenkreek) aanwezig.

De eerstelijnsbebouwing gezien vanaf het bedrijventerrein wordt dan ook getypeerd als 'gemengd gebied'. De rest van het plangebied wordt dan ook getypeerd als 'rustige woonwijk'. In de bestaande situatie is het bedrijvengebied bestemd voor bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie 2, ook zijn bedrijfswoningen toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 m ten opzichte van een gemengd gebied en 30 m tot een rustige woonwijk. Met het voorliggende bestemmingsplan krijgt dit gebied de bestemming Gemengd. Daarbinnen zijn net als in hetgeldende bestemmingsplan bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 toegestaan en ter plaatse van de huidige bedrijfswoningen zijn reguliere woningen toegestaan. De nieuw te bouwen woningen liggen op meer dan 10 m afstand er wordt dus voldaan aan de richtafstand tot gemengd gebied (met uitzondering van twee woningen aan de zuidzijde van de Boeier). Ten oosten van het plangebied zijn op meer dan 200 m afstand bedrijven uit milieucategorie 3.1 toegestaan waarvoor een richtafstand van 30 m geldt ten opzichte van een gemengd gebied. Autobedrijf Helmons (Karel Doormanstraat 8-A) Aan de zuidoostkant van het plangebied is Autobedrijf Helmons gelegen. Hier was tot voor kort een lpg-tankstation aanwezig. Het lpg-tankstation is gesaneerd. Het geldende bestemmingsplan laat het echter nog wel toe.

Een lpg-tankstation is een inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. De beoogde woningen liggen buiten de plaatsgebonden risicocontour van het lpg-tankstation. Hierbij is de jaarlijkse lpg-doorzet bepalend. De doorzet van dit tankstation is vergund tot 500 m 3 per jaar. In het Bevi/Revi zijn veiligheidsafstanden voor het plaatsgevonden risico vastgelegd. Op basis van de Circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstation (vastgesteld op 28 juni 2016) zijn de vaste veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico in het Revi verkleind. Hierbij is rekening gehouden met hittewerende bekleding. De plaatsgebonden risicocontour ligt op een afstand van 25 m vanaf het vulpunt en het ondergrondse reservoir en 15 m vanaf het afleverzuil.

31/122

Voor (beperkt) kwetsbare objecten die geen zeer kwetsbare objecten zijn, zoals woningen moet rekening worden gehouden met een effectzone van 60 m. Deze afstand is gebaseerd op het ongevalscenario dat het meest bijdraagt aan het plaatsgebonden risico (slangbreuk gevolgd door een fakkelbrand) en wordt gemeten vanaf het vulpunt. Zelfredzame personen worden vanaf 60 m afstand voldoende beschermd tegen de effecten van dit scenario. Begraafplaats Aan de noordwestkant van het plangebied is een begraafplaats gelegen. Op basis van de VNG-publicatie geldt hiervoor een richtafstand van 10 m ten opzichte van een rustige woonwijk. Tussen de beoogde woonwijk en de begraafplaats ligt een groenstrook van circa 10 meter en is tevens een weg voorzien. Er wordt dan ook ruimschoots aan de richtafstand tot de woningen voldaan. Gasdrukmeet- en regelstation Hiervoor geldt vanuit de VNG een maatgevende afstand van 15 m in gemengd gebied. Ten opzichte van de beoogde woningen wordt hieraan voldaan. Naast het gasdrukmeet- en regelstation is een aardgasleiding gelegen. De aardgasleiding heeft een diameter van 6 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het invloedsgebied van de gasleiding bedraagt 70 m. De beoogde woningen zijn op een grotere afstand dan 70 m gelegen. Fitnesscentrum Dinteloord (Van Heemskerckstraat 13) Hiervoor geldt vanuit de VNG een maatgevende afstand van 10 m in gemengd gebied.

Ten opzichte van de beoogde woningen wordt hieraan voldaan. Akoestisch onderzoek Door middel van bedrijfsbezoeken zijn de feitelijke activiteiten van de bedrijven rondom het plangebied in kaart gebracht. Daaruit blijkt dat de bedrijven te typeren zijn als milieucategorie 2, in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Bij alle bedrijven is geluid maatgevend voor de effecten op de omgeving. Daarom is aan de hand van de door de bedrijven genoemde activiteiten akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn opgenomen in bijlage 14. Bij alle onderzochte bedrijven is vrachtverkeer bepalend voor de geluidbelasting. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat bij een deel van de nieuwe woningen een overschrijding van de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en van de maximale geluidniveaus optreed, als gevolg van de activiteiten van de bedrijven. Het gaat om de volgende situaties. Karel Doormanstraat 2 Het bedrijf aan de Karel Doormansraat wordt bevoorraad met vrachtwagens. In de dagperiode gebeurt dat aan de zuidzijde. In de avondperiode word ook de toegang aan de noordzijde gebruikt voor laden en lossen. Door deze activiteiten wordt de richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau overschreden op de nieuwe woningen aan de Boeier.

De hooste overschrijding vindt plaats in de avondperiode, bij de woningen die het dichtst bij het bedrijfsgebouw zijn geprojecteerd (maximaal 9 dB). Zowel in de dag- als in de avondperiode zijn het stationair draaien van de vrachtwagen aan de noordzijde, het achteruitrijden van de vrachtwagen aan de noordzijde en de heftruck handelingen aan de noordzijde bepalend voor de grootte van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. Ook de maximale geluidniveaus liggen boven de richtwaarde. Het afblazen van remlucht van de vrachtwagen is bepalend voor de grootte van de maximale geluidniveaus.

32/122

Van Heemskerckstraat 29 b en c De bedrijven aan de Van Heemskerckstraat 29 b en 29c worden enkele keren per week bevoorraad met een vrachtwagen. Dit gebeurt zowel overdag als in de nachtperiode (tussen 6.00u en 7.00u). Zowel de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus al de maximale geluidsniveaus op de geprojecteerde woningen aan de overzijde van de Van Heemskerckstraat zijn hoger dan de richtwaarden. De richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde in een gemengd gebied wordt met maximaal 5 dB in de nachtperiode overschreden. De overschrijding wordt veroorzaakt door het laden/lossen met behulp van een "kooiaap". De richtwaarde voor de maximale geluidniveaus wordt overschreden door het afblazen van remlucht van de vrachtwagen en het sluiten van autoportieren. Oostgroeneweg 1 Op dit perceel wordt materieel voor grondwerken gestald. Dit materiaal wordt met een vrachtwagen aan- en afgevoerd. Zowel de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus al de maximale geluidsniveaus op de geprojecteerde woningen aan de overzijde van de Van Heemskerckstraat zijn hoger dan de richtwaarden. In elke periode van de dag is het achteruitrijden van vrachtwagens maatgevend voor de grootte van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus.

Ter plaatse van de geprojecteerde woningen is zowel in de dag- als in de avondperiode het afblazen van remlucht van een vrachtwagen bepalend is voor de grootte van de maximale geluidniveaus. In de nachtperiode is het achteruitrijden van een vrachtwagen bepalend voor de grootte van het maximale geluidniveau. Wipmolen 3 De maximale geluidniveaus zijn ter plaatse van de geprojecteerde woningen hoger dan de richtwaarden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Dit geldt voor de meest zuidoostelijke nieuww woning aan de Boeier. De overschrijding wordt in de dag- en avondperiode veroorzaakt door het afblazen van remlucht van een vrachtwagen en in de nachtperiode door het achteruitrijden met een vrachtwagen. Maatregelen De overschrijding van de richtwaarde van het maximale geluidniveau in de dagperiode kan, mede op grond van het feit dat maximale geluidniveaus vanwege laden en lossen in de dagperiode in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer uitgesloten zijn van toetsing aan de grenswaarde, toelaatbaar geacht worden. Vanwege de hiervoor vermelde overschrijding van de richtwaarden voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de overschrijding van de richtwaarden voor de maximale geluidniveaus in de avond- en nachtperiode zijn maatregelen nodig.

Deze maatregelen moeten zorgen voor een aanvaardbaar akoestisch klimaat in de woningen en voor het kunnen voortzetten van de bedrijfsactiviteiten. De maatregelen bestaan uit twee onderdelen: een eis aan de mate van geluidwering van de gevel van de woningen en een eis tot het plaatsen van een geluidscherm. Een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 35 dB(A) in de woning kan als aanvaardbaar worden beschouwd. Deze waarde sluit aan bij de eis die in het Bouwbesluit wordt gesteld in relatie tot een hogere waarde voor industrielawaai. Omdat de maximale geluidniveuas een belangrijk aandeel hebben in de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus worden ook daar grenzen gesteld aan de waarden die binnen de woning optreden. Deze waarden worde geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Dat gebeurt In samenhang met het vastleggen van een maatwerkvoorschrift voor de betrokken bedrijven, zodat voor hen bij de woningen een hogere geluidbelasting

33/122

toegelaten wordt dan de norm in het Activiteitenbesluit. Voor de nieuwe woningen aan de Zuidzijde van de Boeier die direct grenzen aan het bedrijf Karel Doormanstraat 2 wordt in de regels van het bestemmingsplan verplicht tot het plaatsen van een geluidscherm op de erfgrens met een hoogte van 2,5 meter en een lengte van 12,5 meter. Ook is het in de regels verplicht de zuidoostgevel van de woning als dove gevel uit te voeren. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt, met in achtneming van de beschreven maatregelen voor geluid, geen belemmering voor het project.

4.3

Bodemkwaliteit

Beleid en normstelling Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Vanwege de functiewijziging naar wonen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 1. Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bovengrond ter plaatse van het vulpunt verhogingen van minerale olie ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen.

Deze verhoging is vermoedelijk te wijten aan het gebruik van de ondergrondse opslagtank. Ter plaatse van deze tank zijn geen eerder uitgevoerde onderzoeken bekend waardoor het onduidelijk is wanneer deze lichte verhoging in de bovengrond is veroorzaakt. In het kader van de Wet bodembescherming is er mogelijk sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging en sprake van een zorgplicht geval. Op basis van de aangetroffen concentratie wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Op het overige terrein worden ter plaatse van zowel de boven- als de ondergrond geen verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen.

34/122

In het grondwater worden verhogingen van barium, kobalt en nikkel ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. Tevens wordt ter plaatse van peilbuis 03 barium verhoogd ten opzichte van de tussenwaarde aangetroffen. Deze matige verontreiniging met barium in het grondwater is vermoedelijk van natuurlijke afkomst, dergelijke concentraties zijn bekend in Nederland en behoeven geen aanvullend onderzoek gezien het ontbreken van een bron. Uit het onderzoek blijkt dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik (wonen). Conclusie Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat het onderzochte deel van het plangebied geschikt is voor de beoogde bestemming.

4.4

Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Beleid en normstelling Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natuurnetwerk Nederland (NNN);  Natura-2000 gebieden. Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.

Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of

35/122

economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a.

soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden.

Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

36/122

Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied (Vogel- of Habitatrichtlijngebieden). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak bevindt zich op circa 2,2 kilometer. Het natura 2000-gebied Hollands-Diep bevindt zich op circa 6,6 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 320 meter.

Figuur 4.3 Ligging plangebied (rode arcering in rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland (PDOK, 2021; provincie Noord-Brabant, 2021). Effectentoetsing Natura 2000-gebieden In de effectenindicator Natura 2000-gebieden (Ministerie van Economische Zaken, 2017) is gekozen voor de activiteit ’woningbouw’, omdat deze activiteit het best vergelijkbaar is met de ontwikkeling. De effectenindicator geeft aan dat mogelijke effecten van ’woningbouw’ op Natura 2000-gebieden ‘Krammer- Volkerak’ en 'Hollands Diep' worden veroorzaakt door:  oppervlakteverlies;  versnippering; verontreiniging;  verdroging;  verstoring door geluid, licht en trilling; optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Van deze effecten is in het huidige project geen sprake, aangezien de effecten zeker niet tot het Natura 2000-gebied zullen reiken. De Natura 2000-gebieden liggen daarvoor op een te grote afstand met daarnaast tussenliggende demping van landschap en bebouwing. Vanwege de afwezigheid van geschikt biotoop worden in het plangebied ook geen habitatsoorten of (niet-)broedvogelsoorten verwacht. Effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied zijn niet aan de orde.

37/122

Effecttoetsing (stikstof)depositie Voor de berekening van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden wordt onderscheidt gemaakt in de gebruiksfase en in de realisatiefase. Voor de gebruiks- en realisatiefase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd om negatieve effecten op Natura 2000 uit te sluiten. Zie bijlage 4 voor de memo, bijlages 5, 6 en 7 voor de berekening van de gebruiks- en realiteitsfase. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de gebruiks- en realiteitsfase van de ontwikkeling. Effecttoetsing NNB Het dichtstbijzijnde NNB-gebied ligt op 320 meter. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een NNB-gebied. De werkzaamheden zullen niet leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Er vindt geen externe werking plaats op het NNB-gebied of op kwalificerende soorten vanwege de afstand en de demping van het tussengelegen landschap. Negatieve effecten worden daarom uitgesloten. Soortenbescherming De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 59 woningen. Hiervoor worden de volgende werkzaamheden, die mogelijk soorten kunnen verstoren, uitgevoerd:  Verwijderen van bomen en begroeiing;  Slopen van bebouwing;  Bouwen van woningen. Om te achterhalen welke beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn, is een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Habitus.

Het ecologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Uit de quickscan blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling naar verwachting in strijd is met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. Er kunnen namelijk nesten van huismus, gierzwaluw en 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' op de planlocatie aanwezig zijn. Daarnaast kan het plangebied deel uitmaken van de functionele leefomgeving van de huismus. Ook kunnen diverse vleermuissoorten verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling is daarnaast mogelijk ook in strijd met het onderdeel gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming. Verder zijn de plannen niet in strijd met provinciale gebiedsbescherming. Voor iedere soort waarvoor de Wet Natuurbescherming en/of het natuurbeleid van de provincie (mogelijk) wordt overtreden, wordt hieronder de vervolgstap beschreven.  Huismus: nesten en functionele leefomgeving. Dit onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden door het uitvoeren van minimaal twee veldbezoeken in de periode april t/m 20 juni.  Gierzwaluw: nesten. Dit onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden door het uitvoeren van minimaal drie veldbezoeken in de periode juni t/m half juli.  Vleermuizen: verblijfplaatsen en essentiële vliegroute. Dit onderzoek dient globaal plaats te vinden tussen half mei en half oktober volgens het Vleermuisprotocol 2021.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.gemeente-steenbergen.nl/api/v1/meetings/1650/documents/18870