11B. Bijlage ontwikkelperspectief Stedelijk Brabant en Hoofdlijnendocument SRWBW 2323793.pdf
Tekst van het document
De stedelijke regio’s stellen samen met de provincie en waterschappen een
aanpak op voor de groen/blauw ontwikkeling van de betreffende regio. Die bestaat uit:
Eerste uitvoeringsafspraken 1.
•
met het landelijk gebied als input voor locatiekeuzes en uitwerking van de
Rijk, provincie, waterschappen en stedelijke regio’s spreken af om
ontwikkeling van landschap en natuur gelijk op te laten lopen met verstedelijking. Bij het maken van de ruimtelijke plannen voor ontwikkeling van wonen en werken
ontwikkelperspectieven voor de stedelijke regio’s. •
schaalniveaus. Dit betekent de ontwikkeling van een robuust landschappelijk raamwerk op het schaalniveau van Brabant en uitwerking daarvan in de ontwikkelperspectieven voor de stedelijke regio’s. Belangrijk onderdeel daarvan is
biodiversiteit en gezonde groene leefomgeving. •
Rijk, provincie, waterschappen en stedelijke regio’s constateren dat
de versterking van groene en blauwe kwaliteiten van Brabant (het zand/ beekdalenlandschap en het zeekleilandschap en rivierkleilandschap) noodzakelijk is voor verdere verstedelijking. In het kader van de aanpak van het landelijk gebied onderzoeken de Provincie en stedelijke regio’s wat er op het schaalniveau van Stedelijk Brabant nodig is voor versterking van groene en blauwe kwaliteiten van het zand/beekdalenlandschap en het zeekleilandschap en rivierkleilandschap. Vanuit verstedelijking zal een koppeling gelegd worden met het NPLG/BPLG en de provinciale bossenstrategie om de uitwerking van het ontwikkelperspectief en de
Projecten die nodig zijn om bestaande gebieden en verbindingen te versterken en nieuwe gebieden en verbindingen te realiseren.
•
Een fasering en prioritering van deze projecten. Om de prioritering te onderbouwen wordt een data-gedreven aanpak ontwikkeld en vervolgens
een goede aansluiting op het stedelijk groene netwerk. 2.
eisen ten aanzien van klimaatadaptatie, mede aan de hand van de Landelijke maatlat voor een groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving, versterking
– zowel verdichting als nieuwe locaties – zal parallel en integraal worden gewerkt aan het concretiseren van de uitwerking van de groen/blauwe principes op alle
Een systeemanalyse op landschap en ecologie in de stad en in verbinding
toegepast. •
Een financieringsstrategie (incl verkenning mogelijkheden voor verevening).
Als onderdeel van de financieringsstrategie verkennen de provincie en het Rijk (LNV, BZK) hoe zij middelen voor landschapsontwikkeling, natuur, klimaatadaptiviteit en stikstof gebundeld in kunnen zetten voor de groene stad-land verbindingen, gekoppeld aan de voortgang van de stedelijke ontwikkeling op het gebied van wonen en werken. In Beleidskader Natuur en de bijbehorende Uitvoeringsagenda geeft de provincie aan welke mogelijkheden en verwachtingen er zijn over bijdragen
29
INSPIRATIE. Inspiratie voor beleefbaar groen en blauw in en nabij stad en dorp
30
Stads-Aa (Helmond) Terugbrengen van het water in Helmond centrum - Burgemeester Geukerspark.
Philips fruittuin (Eindhoven) Boomgaard, pannenkoekenhuis, bijeenkomsthuis en landwinkel - in Brainport Park.
Waterplein (Oudenbosch) Oud basketbalplein omgevormd tot klimaatadaptief waterplein. Combinatie van waterberging met groen, spelen en ontmoeten.
Park Overbos (Breda) Groene verbinding over de A16 bij Prinsenbeek.
Tiny Forests (’s-Hertogenbosch) Inheems bos midden in de stad, ter grootte van tennisbaan. Voor natuureducatie, luchtzuivering, wateropvang en verkoeling.
Groene Corridor (Oirschot-Eindhoven) Groene verbinding tussen de centra van Eindhoven, Oirschot en Het Groene Woud
Beekherstel (Oude Strijper Aa) Meanderende beek houdt meer water vast en fungeert als buffer. Voor drogere en nattere periodes.
Genneper Hoeve (Eindhoven) Biologisch-dynamische landbouw in Genneperk Parken.
Ecologische verbindingszone (Ekkersrijt) Ecologische verbindingszone van de beek Ekkersrijt op Brainport Industries Campus.
Speelpark Zilvermeeuw (Fijnaart) Wadi als speelelement. Aanpak wateroverlast gecombineerd met verbetering speelplek.
Vergroening Flight Forum (Eindhoven) Verwijderen van verharding om (commercieel) meer aantrekkelijke en koelere werkomgeving te creëren.
Stadsbos013 (Tilburg) Natuurgebied aan de rand van Tilburg, op fietsafstand van het centrum.
aan de opgaven van burgers, bedrijven en andere partijen (niet-overheden) aan
•
groen in de directe leefomgeving. 5. •
het versterken van het groen in en om de stad ondersteunt en het verkennen van de mogelijkheden hiertoe (naar verwachting eind 2023
Biodiversiteit stedelijk gebied: a.
In 2023 heeft de provincie verder verkend op welke wijze de
verstedelijkingsopgave zowel binnen- als buitenstedelijk samen kan gaan met
gereed). •
b.
soortenmanagementplannen (SMP’s). •
c.
In 2023 heeft de provincie een subsidieregeling opengesteld op het gebied
van soortenbescherming. Provincie Noord-Brabant heeft de acties uit pijler 3 van het Beleidskader Natuur uitgevoerd gericht op het verder vergroenen van de directe leefomgeving en het versterken van de beweging van vergroening (doelen pijler 3 Beleidskader Natuur). 6.
Groen in de directe leefomgeving: in 2024 is het Actieplan Vergroening
opgeleverd in samenwerking met de partners van de provincie. In 2027 zijn de provinciale activiteiten uit het Actieplan Vergroening uitgevoerd. 7.
verkenning van de Nationale Aanpak Klimaatadaptieve Gebouwde
In 2023 is op het gebied van soortenbescherming binnen de bebouwde
kom een gebiedsgerichte aanpak doorontwikkeld: in het bijzonder
het in beeld brengen van de financiële consequen¬ties van een grotere inzet op groen in en om de stad in afstemming met de financiële
een noodzakelijke impuls voor groenblauwe versterking. •
het formuleren van een juridisch kader dat een goede inzet op
Omgeving; •
het overleg met de EU over het EU-voorstel voor een EU-verordening Natuurherstel.
•
het nader informeren van de Tweede Kamer in oktober 2023 over de stand van zaken van de ontwikkeling samen met betrokken partijen van de inhoudelijke en juridische kaders voor een grotere inzet op groen in en om de stad en van de andere acties die in dit verband worden opgepakt.
Zodra deze trajecten zijn afgerond, vertalen de gemeenten, waterschappen en provincie de uitkomsten hiervan in de herijking van de uitvoeringsafspraken voor NOVEX gebied Stedelijk Brabant.
Rijk (LNV, BZK), provincie en gemeenten spreken af om binnen het
bestaand bebouwd gebied de doelstellingen voor groenblauw te expliciteren en realisatiekracht te vergroten. Provincie en gemeenten bekijken hoe programma’s en instrumenten binnen de gebiedsontwikkelingen gestroomlijnd kunnen worden en planningen en budgetten zo slim mogelijk te bundelen en in de uitvoering werk met werk te maken. Hierbij worden ook de uitkomsten van de PBL-studie naar een set criteria voor groen in en om de stad meegenomen. 8.
Het Rijk betrekt de gemeenten, waterschappen en de provincie bij de
volgende trajecten: •
het opstellen van een Handreiking Groen in en om de stad (naar verwachting eind 2023 gereed).
31
KAART. Landschap en natuur groeien mee met verstedelijking
32
•
Ruimte maken voor groen in de stad • Op de transformatieplekken richting stedelijk en hoogstedelijk ligt een vergroeningsopgave in het kader van wateroverlast en hittestress
•
Te ontwikkelen landschapsparken • Ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige landschappen als schakel tussen stad en natuurgebieden door landschapsverbtering, duurzaam perspectief voor landbouw, het slechten van barrières van infrastructuur of bebouwing, verbeteren groene dooradering.
•
Te ontwikkelen groene scheggen • Groenblauwe dooradering voor mens, plant en dier tot in de haarvaten van het stedelijk systeem (mede op basis van ‘De casussen van BrabantStad – het volgende landschap’).
•
Te versterken groene buffer tussen de steden • Verbinden van landschappen tussen de stedelijke gebieden om zo aaneengroeien van stedelijk gebied te voorkomen en groen uitloopgebied te behouden.
•
Ontwikkelen icoonprojecten (in kader ambitie proeftuin groenblauwe verstedelijking Van Gogh Nationaal Park) • Projecten: Nieuwe Mark Breda, Verbinding drie groene wiggen Eindhoven, Stads-Aa Helmond, Zuid-Willemspark ’s-Hertogenbosch, vergroening centrum Tilburg en vergroening Veghel Natura 2000 gebieden
Natuur Netwerk Brabant
33
4.3
NIEUWE WONINGEN VERSTERKEN BESTAANDE STEDEN EN DORPEN
mobiliteitstransitie (zie ook 4.4. mobiliteitsstransitie maatwerk voor stad en dorp).
De grote woningbouwopgave zetten we in om de kwaliteit van de steden en
Stedelijke zones (o.a. spoorzones, binnensteden, leer-, werkomgevingen) waar nu
dorpen van Brabant te versterken en de bestaande verouderde woningvoorraad
nog weinig gewoond wordt, worden leuker en aantrekkelijker door het toevoegen
te vernieuwen en te verduurzamen. Dat betekent bouwen waar de mensen zijn,
van woningen en het meer mengen van functies. Het mengen van functies
het werk is, waar de voorzieningen in stand gehouden moeten worden en waar
reduceert mobiliteit en daarmee neemt de druk op alle mobiliteitsnetwerken af.
het bijdraagt aan mobiliteitstransitie en het aantrekkelijker en klimaatbestendiger
Om de bijbehorende stedelijke nabijheid en voedingsbodem voor een hoogstedelijk
maken van de openbare ruimten van onze steden en dorpen. Het is belangrijk
gemengd milieu te creëren, vraagt dit om grote aantallen woningen per stad (tot
om nieuwbouw zo veel mogelijk in te zetten voor de sterk veranderende
2040 20.000 tot 40.000 per stad), stedelijke woonvormen, om het mengen van
bevolkingssamenstelling: we hebben andere en nieuwe woonvormen nodig voor de
stedelijk functies en het herinrichten van de openbare ruimte: meer ruimte voor
sterk vergrijzende bevolking, een- en twee persoonshuishoudens en de opvang van
stedelijk groen, voetganger, fiets en OV, minder ruimte voor de auto.
Verdichten is een drijfveer om te vergroenen en te verduurzamen in de steden.
migranten. Dat vraagt om een andere manier van bouwen en om nieuwe ruimtelijke concepten.
Transformatie naar stedelijk milieu
De strategie is er op gericht om de passende woningen te bouwen op de plekken
In de middelgrote steden is er de kans om een schaalsprong te maken
waar het de meeste meerwaarde oplevert en de dorpen en steden van Brabant
naar een stedelijk milieu en daarmee draagvlak te bieden voor een stedelijk
versterkt.
voorzieningenaanbod en een sterke OV-knoop (treinstation of HOV-knooppunt).
Er is Brabantbreed binnen de bestaande steden en dorpen voldoende ruimte
Ook dit vraagt om een substantiële toevoeging van woningen (2.000 tot 10.000
om meer woningen toe te voegen. De afspraken zijn erop gericht om vanuit het
per stad) in hogere dichtheden en om de realisatie van een gevarieerder
generieke ontwerpprincipe ‘nieuwe woningen versterken bestaande steden en
woningbouwaanbod (het toevoegen van woningen voor een- en twee
dorpen’ tot een concrete en uitvoeringsgerichte aanpak te komen. Deze aanpak
persoonhuishoudens). De grootschalige werkgebieden van de middelgrote steden
richt zich op de grote spoorzone-ontwikkelingen, centrumgebieden en HOV-
willen we beter verbinden met de andere stadsdelen, zodat er interessante nieuwe
knopen van steden en dorpen, nieuwe stedelijke interactie milieus voor wonen,
stedelijke interactie-milieus ontstaan en het draagvlak van de voorzieningen en de
werken en voorzieningen en organische transformaties in naoorlogse wijken en
OV-knoop wordt versterkt.
de dorpen. De inventarisatie die in het kader van de woondeals door de stedelijke regio’s wordt gedaan op het gebied van transformatiemogelijkheden tot 2030
Versterken centrum dorpen
betrekken we hierbij.
Brabant kent een sterrenhemel aan dorpen. Niet in alle kernen zijn alle voorzieningen te handhaven. Voor de leefbaarheid van het landelijk gebied en de
34
Transformatie naar hoogstedelijk milieu
dorpen is het belangrijk om te kiezen voor centrumdorpen zodat er altijd, op korte
In Breda, ’s-Hertogenbosch, Tilburg en Eindhoven liggen kansen voor een
afstand voldoende voorzieningen aanwezig zijn. In de centrumdorpen zetten we
hoogstedelijk woon-, werk- en leefmilieu en de stap naar een hoog-stedelijke
de woningbouwopgave in als hefboom voor het versterken van het draagvlak
•
Om alle meekoppelkansen te verzilveren zouden ongeveer twee keer zoveel woningen gerealiseerd moeten worden als de prognose tot 2040 als behoefte aangeeft.
•
De vraag is daarmee niet ‘waar laten we de woningen?’ maar ‘waar zetten we ze met voorrang in?’.
35
van de voorzieningen, de leefbaarheid van die dorpen en de veranderende
Revitalisering naoorlogse wijken
bevolkingssamenstelling. Ook de dorpen hebben te maken met een sterke
Het grootste gedeelte van de woningvoorraad (ca 90 %) is in de periode na
vergrijzing, voorzieningen die onder druk staan en met arbeidsmigratie. Het is
de oorlog (periode 1950-1990) gebouwd. De kwaliteit van deze wijken is dus
belangrijk om de nieuwbouw zoveel als mogelijk in het hart van de kern in te
essentieel om in zijn totaliteit in 2040 een passende en kwalitatief goede voorraad
zetten, aantrekkelijk voor de eigen (vergrijzende) bevolking, betaalbaar en compact,
te hebben. Deze wijken zijn in de loop der jaren weinig mee veranderd met groei
ook voor de jongeren en arbeidsmigranten in het dorpen. Het vasthouden van
en veranderende woonwensen. In deze wijken moet flink geïnvesteerd worden om
jongeren en het bouwen voor arbeidsmigranten draagt bij aan de vitaliteit en is
vitaal, duurzaam en passend bij de toekomstige demografie te blijven.
goed voor het ondernemersklimaat. Daarnaast is het belangrijk om te investeren
Het inwoneraantal van deze wijken is in de loop der decennia sterk afgenomen
in de verblijfskwaliteit van de dorpen. Dit vraagt om een dorpenstrategie:
(gezinsverdunning), waardoor het draagvlak voor de voorzieningen en het beheer
gebiedsgerichte integrale aanpak om de kwaliteit van de dorpen te versterken.
van de openbare ruime onder druk is komen te staan. In deze wijken liggen grote
Een ontwikkelprogramma waarin gemeenten de kansen voor woningbouw in
opgaven en kansen om te komen tot een gevarieerder woonmilieu, klimaatadaptatie
het bestaand stedelijk gebied van de dorpen in beeld brengen met aandacht
en energietransitie. De opgave is om de naoorlogse wijken (niet alleen in de steden,
voor de lokale identiteit in relatie tot versterking van de voorzieningenstructuur
maar ook in de dorpen) een nieuwe ontwikkeldynamiek te geven met behulp van
en ondernemersklimaat, het verblijfsklimaat, een mobiliteitsstrategie en de
verdichting, transformatie en revitalisering. Hier liggen kansen voor het realiseren
energietransitie en klimaatbestendig maken van de dorpen.
van een groot aantal woningen in groenstedelijke/dorps milieus op korte afstand van voorzieningen en OV (max ca 90.000 woningen in heel Brabant).
Inzetten op duurzame leefbaarheid kernen Brabant kent een groot aantal kleinere kernen met een aantrekkelijk landelijk
Versnellen woningbouw
en groen woonmilieu, maar vaak met een beperkt aanbod aan dagelijkse
Op korte termijn is het belangrijk de woningbouw te versnellen en daarmee
voorzieningen. Kenmerkend voor deze kernen is veelal een grote onderlinge
het woningtekort te verminderen. Brabant heeft voldoende planaanbod voor
verbondenheid (veel bewoners-initiatieven gericht op vergroten leefbaarheid en
woningbouw in de komende 5-10 jaar. Voor het inlopen van de woningtekorten
zorg voor elkaar), maar er kan ook sprake zijn van vereenzaming, bijvoorbeeld bij
is het dus zaak om bestaande plannen daadwerkelijk en snel(ler) tot uitvoering te
het vergrijzende deel van de inwoners. Een goede en veilige (fiets) bereikbaarheid
brengen. Voor elke stedelijke regio hebben gemeenten, provincie en rijk afspraken
van de voorzieningen in het naburige centrumdorpen of stad is belangrijk, evenals
gemaakt over de minimale woningbouwprogrammering en wat er nodig is om de
alternatieven voor OV (maatwerk, deelmobiliteit en gedeelde mobiliteit) en het
woningen te realiseren (ondertekening woondeals 9 maart 2023). In het kader van
behoud en versterken van de identiteit van groen en landelijk woonmilieu. De
dit ontwikkelperspectief maken we afspraken over de wijze waarop de woningbouw
woningbouwopgave in deze kernen willen we inzetten voor kwaliteitsverbetering
kan bijdragen aan de bestaande steden en dorpen. We brengen in kaart welke
van het dorp, meer betaalbare woningen voor starters en levensloopbestendige
opgaven er liggen in bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen en hoe
woningen voor ouderen.
groot de opgave is voor uitleg in nieuwe, duurzame woongebieden. We komen tot afweging van nieuwe locaties voor de langere termijn op basis van een integrale ruimtelijke strategie voor de stedelijke regio’.
36
INSPIRATIE. Meer ruimte voor groen, fietsers en voetgangers (Vestdijk, Eindhoven) Na twee jaar van werkzaamheden is de Vestdijk stapsgewijs veranderd in een
toch goed bereikbaar blijft. Voor de aanpak van de wateroverlast op de Vestdijk en
groene en aantrekkelijke stadsboulevard. Met meer ruimte voor voetgangers en
directe omgeving is een klimaatadaptieve waterberging aangelegd. Het regenwater
fietsers. En nog maar één rijstrook voor auto’s en één voor bussen. De nieuwe
stroomt nu vertraagd via een grote, ondergrondse berging naar de Dommel. Fietsers
Vestdijk is een belangrijke stap naar een gezond, aantrekkelijk en klimaatbestendig
kunnen over het hele heringerichte traject (Vestdijk-Hertogstraat-Kanaalstraat)
stadscentrum. Om de luchtkwaliteit te verbeteren, is er meer ruimte voor fietsers,
gebruikmaken van het nieuwe, vrijliggende tweerichtingenfietspad. Voor
voetgangers en groen, minder ruimte voor autoverkeer en geldt er een 30km-zone. De
voetgangers is aan beide zijden volop ruimte.
herinrichting draagt zo bij aan de gewenste verkeersreductie, waarbij de binnenstad 2010
2020
Foto’s: Nanda Sluijsmans
37
INSPIRATIE. Groei naar een gevarieerder woningaanbod (Kruiskamp, ‘s-Hertogenbosch) In de Bossche wijk de Kruiskamp wordt gewerkt aan een behoudende aanpassing
de buurt, gebaseerd op chirurgisch ingrijpen. Dat resulteert onder andere in
van binnenuit. De wijk bestaat voor grote delen uit buurten met laagbouw (veelal
onderstaande transformatie. Op de plek van 102 eengezinswoningen is een nieuw
gedateerde systeemwoningen) in een ruime groenstructuur. Er zijn in de buurt
blok verrezen met 58 eengezinswoningen, 17 zorgappartementen (afgenomen door
veel situaties met ‘blinde kopgevels’, die de kwaliteit en sociale veiligheid van
zorgaanbieder Vivent), 72 sociale huurappartementen en een ontmoetingsruimte.
de openbare ruimte onder druk zetten. Daarnaast is er toenemende vraag naar
Dit komt neer op 45% meer programma op dezelfde plot. Maar het zorgt vooral voor
betaalbare woonruimte, onder andere voor mensen die ouder worden en met
een kwaliteitstoevoeging aan de openbare ruimte en aan een woningaanbod dat
zorg thuis willen wonen. Corporatie Zayaz werkt aan een herstructurering van
veel beter past bij de actuele vraag.
2005
Foto’s: KAW 2020
38
INSPIRATIE. Verdichtingsverhalen: ‘het recente verleden bewijst dat het kan’ Sint-Oedenrode 2000
Sint-Oedenrode 2020
Het College van Rijksadviseurs heeft
af. Zwaartepunt heeft tot nu gelegen bij enkele
onderzoek gedaan naar Nederlands recente
stads- en dorpscentra en bij de naoorlogse wijken
verdichtingsverleden. Het onderzoek laat zien dat
in de schil daar direct omheen (uit jaren ‘50 en ‘60).
het inzetten op kwaliteitsverbetering van bestaande
Diverse casussen laten zien dat er zelfs in de plekken
buurten leidt tot meer woningaanbod. Daar profiteren
waar nu al veel bijgebouwd is nog volop ruimte ligt
zowel nieuwe en bestaande inwoners van. Het
voor kwaliteitsverbetering. Tegelijkertijd zijn er veel
permanent aanpassen en vernieuwen van gebouwde
gebieden waar tot nu zeer beperkt tot geen aandacht
buurten, dorpen en steden is een succesvol middel
voor is geweest.
om ze levendig en bij de tijd te houden.
•
Verdichting in stads- en dorpscentra tussen 2005 en 2020: Bergen op Zoom (+25%), Steenbergen (+20%),
Het verhaal van Sint-Oedenrode centrum
Oudenbosch (+30%), Etten-Leur (+70%), Breda (+50%),
In het dorpshart van Sint-Oedenrode zijn tussen 2005
Dongen (+20%), Loon op Zand (+30%), Waalwijk (+25%), Oisterwijk (+50%), Drunen (+120%), Best (+25%), Asten
en 2020 bijna 350 nieuwe woningen toegevoegd
(+40%), Valkenswaard (+25%), Bladel (+60%), Hapert
(+55%). De inbreidingslocaties verschillen sterk
(+30%), Eindhoven (+90%), Geldrop (+30%), Vlijmen (+40%),
van elkaar maar zijn allen op een vanzelfsprekende
Oss (+30%), Berlicum (+25%), Schijndel (+100%), Veghel
manier in de bestaande dorpse sfeer ingepast. Ze sluiten qua functie, maat, oriëntatie en architectuur aan bij het bestaande. Ze voegen naast woningen ook
(+30%), Uden (+35%) en Bernheze (+60%)
•
Verdichting in naoorlogse wijken tussen 2005 en 2020: Kalsdonk Roosendaal (+15%), Ypelaar Breda (+15%),
voorzieningen toe en hebben het mogelijk gemaakt
Heuvel Breda (+20%), Tuinzigt Breda (+35%), Doornbos-
openbare ruimte te verbeteren, onder meer door
Linie Breda (+15%), Schrijversbuurt Loon op Zand (+55%),
het maken van nieuwe voetgangersverbindingen
Naastenbest Best (+17%), Geenhoven Valkenswaard
en het behoud van doorzichten richting het Dommellandschap. Alles bij elkaar opgeteld is met de inbreidingsprojecten een substantiële bijdrage geleverd aan het versterken van de kwaliteit van het dorp.
(+20%), Molenakkers Eersel (+10%), Hapert Noord (+60%), D’Ekker Veldhoven (+35%), Hemelrijken Eindhoven (+35%), Barrier Eindhoven (+20%), Philipsdorp Eindhoven (+75%), Bennekel-Oost Eindhoven (+30%), Tuindorp Eindhoven (+20%), Sintenbuurt Eindhoven (+15%), Gerardusplein Eindhoven (+15%), Vossenberg Helmond (+40%), De Reit
Foto’s: Inbo
Het verhaal van Sint Oedenrode staat niet op zichzelf.
’s-Hertogenbosch (+30%), Molenhoek ’s-Hertogenbosch
In de vijftien jaar tussen 2005 en 2020 zijn op veel
(+20%), Kortfoort Oss (+30%), Oorlogsheldenbuurt Oss
plekken in Brabant woningen bijgebouwd om meer
(+25%) en Hoogeinde Veghel (+35%)
kwaliteit te maken. Deze opgave is nog lang niet
39
Eerste uitvoeringsafspraken 1.
Gemeenten, provincie en Rijk spreken af de woningbouw zoveel als
mogelijk wordt ingezet om bestaand stedelijk gebied van dorpen en steden te 2.
Steden, provincie en Rijk zetten in op het toevoegen van gemengde,
duurzame en aantrekkelijke (hoog)stedelijke en stedelijke woonmilieus in de Brabantse steden in samenhang met mobiliteitstransitie. Dit doen deze partijen door voor deze gebieden gebiedsuitwerkingen te maken in samenhang met het multimodale mobiliteitspakket dat voor de stedelijke regio’s wordt opgesteld. Op basis van deze gebiedsuitwerkingen worden afspraken gemaakt m.b.t. de ontwikkelstrategie voor deze gebieden en de inzet, rol en bijdrage die Rijk en provincie leveren aan de opgaven van deze steden om te komen tot een schaalsprong in stedelijkheid. In een aantal stedelijke zones is al sprake van een samenwerking gericht op deze schaalsprong, namelijk de grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties zoals Eindhoven XL, Spoorzones Breda, Tilburg en ’s-Hertogenbosch en Helmond Centrum inclusief stationskwartier. En er bestaat samenwerking tussen provincie en middelgrote gemeenten als Waalwijk, Roosendaal, Oosterhout, Maashorsten Bergen op Zoom gericht op inzet van het provinciaal (financieel) instrumentarium t.b.v. binnenstedelijke transformatie. 3.
Naast het werken aan grote en complexe binnenstedelijke transformatie
en herontwikkelingsopgaven brengen gemeenten de mogelijkheden voor het realiseren van flexwoningen en woningen op (kleinere) inbreidingsplannen in beeld. Realisering van hiervan draagt bij aan de versnellingsopgave tot 2030. Conform de afspraken in de woondeals inventariseren de stedelijke regio’s hiertoe in 2023 de mogelijkheden en obstakels. 4.
De Brabantse steden erkennen de opgave voor de revitalisering
van verouderde naoorlogse wijken en gaan hier aan werken. De gemeenten brengen de kansen voor het toevoegen van nieuwe woningen in deze gebieden in beeld, in combinatie met het toekomstbestendig en duurzaam maken van
40
deze wijken. Woningbouw wordt hier strategisch ingezet om de opgaven voor water/klimaatadaptatie/vergroening/natuur in de stad/natuurinclusief bouwen, energie, leefbaarheid, verduurzaming, vitaliteit, draagvlak voor voorzieningen, functiemenging en tal van andere opgaven in de bestaande woningvoorraad aan te pakken. De provincie ondersteunt hierbij met capaciteit en kennisdeling in de vorm van best-practices. Parallel hieraan wordt per stedelijke regio gestart met een aantal prioritaire wijken waarvoor een transformatieaanpak ontwikkeld wordt samen met de provincie. Resultaten van de inventarisatie c.q. ontwerpstudie en de ervaringen in de prioritaire wijken vertaald in een Brabantbrede aanpak die de gemeenten in staat stelt de herstructurering op grote schaal ter hand te nemen. Vervolgens wordt bekeken welke wederkerige afspraken vastgelegd kunnen worden in een actualisatie van de woondeals. 5.
Provincie en stedelijke regio’s gaan samen de dorpenstrategie verder
ontwikkelen. Aan de hand van een aantal pilots onderzoeken we hoe we verdichting in de dorpen kunnen inzetten voor versterking van het dorpskarakter, de leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en beter kunnen inspelen op de veranderende bevolkingssamenstelling met een meer gevarieerd woonmilieu. Best practices die in andere provincies worden opgedaan betrekken we hierbij. Het gaat daarbij niet alleen over het in beeld krijgen van de ruimtelijke kansen. We willen ook onderzoeken welke middelen (planologisch, financieel) of governance er nodig is om de kansen in het bestaand bebouwd gebied van de dorpen beter in beeld te krijgen en te benuttenIn 2023 starten we met pilot-projecten (onder andere in de stedelijke regio Breda-Tilburg en ’s-Hertogenbosch-Oss) waarna de opgedane ervaring ook wordt ingezet voor de andere regio’s. 6.
Nieuwe uitlegplannen komen aan de orde als transformatie en
inbreiding onvoldoende mogelijkheden bieden en er sprake van is essentiële meekoppelopgaven voor de betreffende ontwikkeling. Deze locaties worden op regionaal niveau en integraal afgewogen).
7.
De provincie en gemeenten zorgen voor kwalitatief hoogwaardige
9.
Rijk, provincie en gemeenten zetten in op duurzaam en toekomstbestendig
woonmilieus met:
bouwen. De uitgangspunten hiervoor zijn randvoorwaardelijk en worden
•
meegenomen bij het begin van iedere (plan) ontwikkeling:
a.
Voldoende betaalbare en passende woningen. Afspraken hierover worden
gemaakt in de woondeals; •
b.
Locaties van nieuwe ontwikkelingen zo veel mogelijk langs (Hoogwaardig)
•
OV-assen met parkeerbeleid passend bij de mobiliteitstransitie (lagere normen, meer dubbel- en deelgebruik); •
c.
reductie op gebruik van primaire grondstoffen en uitstoot van CO2 ) •
Voldoende en kwalitatief goede werklocaties voor bedrijven met
d.
Klimaat- en energieneutrale nieuwbouwwoningen;
•
e.
Energietransitie bestaande stedelijke omgeving en programma
•
Het stimuleren van duurzame en toekomstbestendige bouw via het manifest ‘Brabantse aanpak circulaire bouw’, kennisdeling en actief stimuleren van de
toegevoegde waarde; •
Dit betreft de uitgangspunten van het Grondstoffenakkoord (voor 2030 t 50%
toepassing van biobased materialen in nieuw te realiseren projecten. •
De inspanning om in 2030 het gebruik van hernieuwbare (biobased) bouwmaterialen en/of het hergebruik van bouwmaterialen te verhogen
aardgasvrije wijken;
naar 25% in 2025 en 50% en om minimaal de helft van het aantal woningen
f.
circulair en industrieel te laten bouwen, zoals ook benoemd in het Programma
Kwalitatief aantrekkelijke groen-blauwe openbare ruimte met integratie van
de groenblauwe opgave in de stedelijke omgeving inclusief toepassing van een
Woningbouw van BZK.
regionale groennorm; •
g.
Beperken van milieugezondheidsbelasting en bevorderen gezonde
leefomgeving. 8.
De provincie verkent waar zij een extra ondersteunende en actieve rol
voor gemeenten kan vervullen bij stedelijke transformaties. Op dit moment is de provincie betrokken bij transformatieopgaven in de spoorzones en de binnensteden van de 5 grote steden in Brabant. Samen stellen we voor die gebieden ontwikkelvisies op en bepalen we hoe die worden gerealiseerd. In lijn met dit Ontwikkelperspectief kan bij de uitwerking van de afspraken daarvan samen met de Brabantse gemeenten worden bepaald waar het accent voor de komende jaren komt te liggen voor deze actieve ondersteunende rol. De uitkomsten van het onderzoek naar de revitaliseringopgaven van de naoorlogse wijken en de dorpenstrategieën leveren daarvoor input.
Energietransitie als randvoorwaarde voor verstedelijking Goede energievoorziening is een randvoorwaarde voor duurzame verstedelijking. Door de groei in wonen, werken en mobiliteit, maar ook door veranderend gebruik (o.a. digitalisering, koeling, meer OV) stijgt de energiebehoefte flink de komende jaren. Parallel hieraan speelt de transitie van fossiele naar hernieuwbare energie (o.a. aardgasloos verwarmen, elektrisch rijden en produceren). Hierdoor loopt het huidige energiesysteem tegen haar grenzen aan met als gevolg een groot vraagstuk rond de warmtevoorziening van de (bestaande) gebouwde omgeving en een jarenlange schaarste in het stroomnet voor heel Brabant. Alleen door de verstedelijkingsstrategie en energietransitie hand in hand te laten verlopen kan worden gezorgd dat zij elkaar versterken in plaats van blokkeren. Dit helpt ons ook om de urgente energie- en klimaatambities te behalen. De belangrijkste ambities voor 2030 zijn om 50% van de energie duurzaam op te
41
wekken (Omgevingsvisie) en een broeikasgasreductie van 55%-60% ten opzichte
koude/energiedragers)
van 1990 (Regeerakkoord). Zeker zo belangrijk in relatie tot verstedelijking is het
•
Draag bij aan een robuust en flexibel energiesysteem: slimme infra voor
nationale doel voor 2050 (Nederlandse Klimaatwet), dat van 95% reductie wordt
opwek, afname, transport, opslag en conversie én slim stedelijk ontwerp
aangescherpt tot de verplichting om de netto-uitstoot van broeikasgassen tot nul te
(oriëntatie en functies daken/gevels/openbare ruimte/ondergrond)
reduceren (Regeerakkoord, Europese Klimaatwet).
•
Denk en acteer meerschalig, zodat gebieden en ontwikkelingen elkaar versterken
Vanuit dit ontwikkelperspectief wordt daarom de stap gezet de energietransitie via
•
Voor de verstedelijking geldt aanvullend nog:
twee lijnen te verbinden met de brede verstedelijkingsopgave. In de eerste plaats
•
Verstedelijk zoveel mogelijk nabij het regionale hoofdenergienetwerk;
door op lokaal en regionaal niveau vraag en aanbod van energie op elkaar af te
•
Maak het energiesysteem boven- en ondergronds onderdeel van het
stemmen, de energievraag zo laag mogelijk te maken en slimme oplossingen en ruimtelijke keuzes te maken die het bestaande energienetwerk ontzien. Hiervoor
ontwerp; •
is het nodig dat duurzame energie, inclusief het (extra) ruimtebeslag, een integraal onderdeel gaat vormen van de diverse verstedelijkingsopgaven. In de tweede
Ontwerp stedelijk gebied met minimale energievraag en maximale energieopwekking;
•
Realiseer energieopwekking zoveel mogelijk nabij stedelijke gebieden.
plaats is het belangrijk dat stedelijke ontwikkelingen tijdig worden voorzien van een
42
aansluiting op een energienetwerk of – bron. Hiervoor is afstemming nodig tussen
Het is belangrijk dat de verstedelijkingsstrategie en de energietransitie elkaar
onder andere stedelijke ontwikkelingen en investeringen in het energienetwerk: het
tijdens de strategiebepaling en planvorming blijven vasthouden. Op gemeentelijk
programmeren en prioriteren. Een instrument voor het programmeren en prioriteren
en regionaal niveau maken partners bijvoorbeeld keuzes in het kader van de
van uitbreidingen van het energienetwerk is het provinciaal Meerjarenprogramma
warmtetransitie (Transitievisies warmte), grootschalige opwek (Regionale
Infrastructuur Energie en Klimaat (PMIEK). PMIEK is een nieuw instrument
Energiestrategieën en gemeentelijke omgevingsvisies), de verduurzaming van de
waarmee netuitbreidingen worden geprioriteerd op basis van de mate waarin zij
industrie (Cluster Energiestrategieën) en de uitrol van laadinfra (RAL Zuidwest
van provinciaal belang zijn. Voor het PMIEK ligt een belangrijke regiefunctie bij de
NL). Keuzes die niet los te zien zijn van de ontwikkelruimte voor wonen/werken/
provincie.
mobiliteit/verstedelijking.
Om de verstedelijkingsstrategie en energietransitie elkaar te laten versterken zijn
Om te oefenen met het samenwerken aan een toekomstbestendig energiesysteem
op niveau van een ontwikkeling en op het niveau van de verstedelijking de volgende
tegen de complexe achtergrond van verstedelijking en verduurzaming zijn diverse
principes opgesteld.
pilots gestart. In Noord-Brabant zijn in 2022 twee pilots gestart: De pilot Integraal
•
Voor iedere ontwikkeling geldt:
programmeren West-Brabant (PNB, focus op ontwikkeling van vraag naar en
•
Minimaliseer de energievraag
aanbod van energie en de strategische keuzes die daarin gemaakt moeten worden
•
Maximaliseer duurzame energieproductie door middel van een optimale
in West-Brabant) en de pilot MIEK regio Moerdijk (PNB, Havenbedrijf, gemeente
mix van de (potentieel) beschikbare bronnen (zon/wind/(rest)warmte/
en ministerie van EZK, focus op complexe energie-infrastructuuropgave in het
gebied Moerdijk-Drimmelen-Geertruidenberg). De pilot Integraal programmeren
4.
In het volledige energiesysteem van Stedelijk Brabant zijn keuzes
West-Brabant is begin 2023 afgerond met lessons learned voor het opstellen van
nodig op zowel systeemniveau als op verstedelijkingsniveau. Op het moment
provinciale MIEK’s voor alle 4 de RES-regio’s. Deze pMIEK’s moeten in het voorjaar
van schrijven is het nog onduidelijk hoe het energiesysteem zich op deze twee
van 2023 in concept zijn opgeleverd. De pilot MIEK regio Moerdijk heeft een langere
niveaus zal ontwikkelen. Daarom moeten overheden, in samenspraak met
doorlooptijd en onderzoekt de integrale energie-infrastructuuropgave in relatie tot
netbeheerders, duidelijkheid scheppen over het energiesysteem van de toekomst
de industrie in dit gebied, de beperkt beschikbare ruimte (die eveneens nodig is
voor de verschillende gebieden binnen Brabant. Dit betreft keuzes maken over
voor de grondstoffentransitie) én meerwaardecreatie voor de lokale en regionale
energiedragers, het elektriciteitsnetwerk, de warmtevoorziening, en eventuele
energietransitie.
andere oplossingen in relatie tot de beschikbare ruimte. Hiermee creëren wij duidelijkheid richting netbeheerders, woningeigenaren, en industrie. Zodat deze
Eerste uitvoeringsafspraken 1.
De uitkomsten van de pilot Integraal Programmeren in West-Brabant
partijen op hun beurt kunnen bepalen wat zij moeten doen om hun opgaven te realiseren, denk hierbij aan nieuwe ontwikkelingen en verduurzaming van bestaande activiteiten. Om de eerdergenoemde duidelijkheid te kunnen verschaffen zullen
en pilot MIEK-regio Moerdijk zullen, tezamen met de hierboven geformuleerde
de provincie en gemeenten in de verdere uitwerking van het ontwikkelperspectief
principes voor energie door de provincie en gemeenten meegenomen worden in
onderzoeken op welke wijze de netcongestieproblematiek verminderd kan
de verdere uitwerking van dit ontwikkelperspectief richting concrete afspraken en
worden door naast het programmeren en prioriteren (in ruimte en tijd) te kijken
ruimtelijke (principe)keuzes in 2023. Om te komen tot ruimtelijke principe keuzes
naar technische oplossingen (zoals waterstof en electrolysers, energieopslag,
is een integrale gebiedsgerichte aanpak voor de Powerport Moerdijk nodig, waarbij
decentraal/lokaal energiemanagement en het beter inpassen van duurzame
de kansen, opgaven en impact van de energietransitie en grondstoffentransitie op
energieproductie projecten) en niet-technische oplossingen die zorgen dat het
de verstedelijkingsstrategie Stedelijk Brabant en Zuid-Nederland in beeld wordt
energieverbruik wordt teruggedrongen (zoals gedragsverandering, preventie van
gebracht (lopend traject).
energieverbruik, energiebesparing en het slimmer gebruiken van energie in de
2.
Om de informatie-uitwisseling tussen netbeheerders enerzijds en provincie
en gemeenten anderzijds te verbeteren zal BZK in 2023 komen met een standaard vragenlijst om de uitwisseling van informatie te standaardiseren. 3.
Om de informatie-uitwisseling tussen netbeheerders enerzijds en provincie
en gemeenten anderzijds te verbeteren werkt de Provincie met de netbeheerder, gemeenten, en het Rijk (BZK, EZK) via het provinciaal MIEK het eerste beeld uit van effecten van de verstedelijking op de energieopgave richting 2040. Dit eerste beeld zal in 2023 besproken worden met Rijk en regio in het BOL, MIEK of BO-MIRT.”
totale keten). Hierbij worden ook de nog op te stellen transitievisies warmte van de gemeenten meegenomen. 5.
Rijk en regio beseffen zich dat ook andere nutsvoorzieningen zoals de
beschikbaarheid van drinkwater (mede in relatie tot opgaven om te komen tot een meer circulair watergebruik, het te scheiden van watersystemen) belangrijke randvoordwaarden zijn voor een duurzame verstedelijking. Bij de verdere uitwerking van dit Ontwikkelperspectief onderzoeken partijen op welke wijze dit effecten heeft op de verstedelijkingsopgave.
43
KAART. Nieuwe woningen versterken bestaande steden en dorpen
44
•
Transformatie naar hoogstedelijk milieu • Op basis van uitkomsten nabijheidsindex Dashboard Verstedelijking, grootschalige woningbouwlocaties en afspraken SGE
•
Revitalisering van naoorlogse wijken • ‘Ruimte zat’ verdichtingsaanpak. Selectie grote aaneengesloten stedelijke buurten uit jaren 1960-1985 (op basis van BAG bouwjarenkaart)
•
Transformatie naar stedelijk milieu • Op basis van nabijheidsindex Dashboard Verstedelijking en potentie vanuit Bike Train Accessibility Level (BTAL)
•
Afmaken van uitleglocaties • Op basis van afspraken Verstedelijkingsakkoord SGE
•
Bestaand stedelijk gebied • Vooralsnog geen afspraken
•
Versterken van de centrumdorpen • Kernen met een toekomstbestendige centrumpositie voorzieningen (op basis van expert judgement)
•
Inzet op duurzame leefbaarheid van de kernen • Behoud van leefbaarheid en basisvoorzieningen (op basis van expert judgement)
•
Revitalisering aandachtswijken (in kader Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid) • Langjarige inzet om leefbaarheid en veiligheid op orde te brengen en bewoners perspectief te bieden (Breda Noord, Tilburg-Noordwest, Eindhoven Woensel-Zuid, Roosendaal-stad)
*
Voor de regio Zuidoost Brabant de ruimtelijke strategie nog niet is vastgesteld en dat uit dat proces nog voorstellen voor aanpassing kaart naar voren kunnen komen.
45
Nabijheid
Nabijheidsindex 2018 Bron: Dashboard Verstedelijking Hoogstedelijk Stedelijk Semi-stedelijk Suburbaan Dorps Landelijk
Relatie tussen nabijheid en generatie van mobiliteitstrips en reizigerskilometers. Langjarige analyse van het CBS-OViN (Onderzoek Verplaatsingen in Nederland) laat zien dat de mate van nabijheid (van inwoners en banen) correleert met het verplaatsingsgedrag van de inwoners in deze gebieden. Bijvoorbeeld: Inwoners in (hoog)stedelijke gebieden kiezen vaker voor de fiets, lopen of het OV. In suburbane milieus is het aandeel autotrips fors groter. In Brabant zijn de verschillen tussen stad en land nu relatief klein als we kijken naar dichtheden en nabijheid. Het ontwerpend onderzoek leert echter dat de B5 en M7 in veel gevallen een sprong in stedelijke nabijheid kunnen maken. Zeker voor de B5 (en daarbinnen Eindhoven en Tilburg) is er dus ruimtelijke voedingsmodem voor een mobiliteitstransitie gekoppeld aan de stedelijke tranformatie en verdichting.
46
4.4
MOBILITEITSTRANSITIE MAATWERK VOOR STAD EN DORP
•
Het creëren van een grotere nabijheid van wonen, werken en voorzieningen
In Stedelijk Brabant wordt ingezet op een mobiliteitstransitie voor personen- en
zodat zo veel mogelijk verplaatsingen lopend of fietsend kunnen worden
goederenvervoer die ervoor zorgt dat de toenemende behoefte aan uitwisseling en
afgelegd.
verplaatsing samen kan gaan met veiligheid, duurzaam ontwikkelen en schaarste
•
Het voorrang geven aan binnenstedelijke ontwikkeling en aan het concentreren
aan ruimte. Een samenhangende ontwikkeling van verstedelijking en mobiliteit
van verstedelijking rond openbaar vervoer knooppunten, zodat voor langere
met maatwerk voor stad en dorp biedt daarvoor de basis. Dit leidt tot de volgende
verplaatsingen zoveel mogelijk van het openbaar vervoer gebruik kan worden
strategische keuzes om de mobiliteitstransitie voor stad en dorp te doen slagen:
gemaakt. •
Het inzetten op een mobiliteitstransitie in het stedelijk gebied (met name in de B5 en grotere kernen met stedelijke nabijheid en sterke OV-knopen). Hierbij wordt voor de groei van stedelijke mobiliteit vooral ingezet op schoner en
De figuur geeft voor de stedelijke regio ’s-Hertogenbosch het verschil tussen een compact stedelijk ontwikkelperspectief en een gespreid ontwikkelperspectief. Compact stedelijk neemt het autoverkeer af ten opzichte van de 2040 basisprognose. Bij gespreid ontwikkelen neemt het autoverkeer juist toe. Op de A59 en A50 is dit het verschil tussen wel of niet een extra rijstrook nodig.
efficiënter verplaatsen door het stimuleren van ruimte-efficiënte en duurzame vervoerswijzen (lopen, fietsen, deelmobiliteit en collectief vervoer), het autoluwer maken van stadcentra, het concentreren van verkeer op hoofdassen, het verduurzamen van mobiliteit (zero-emissie) en het verbeteren van de verkeersveiligheid. •
Het benutten van kansen voor slimme mobiliteit en het inzetten op een structurele gedragsverandering via werkgeversbenadering, onderwijsbenadering, etc.
•
Buiten het stedelijk gebied is de auto voor verplaatsingen buiten de kern het hoofdvervoermiddel met inzet op OV en slimme mobiliteit (deelmobiliteit, hubs) om voor alle doelgroepen bereikbaarheid te organiseren en de uitwisseling tussen stad en land te faciliteren.
•
Het inzetten op een schaalsprong van het OV-systeem door het beter verbinden binnen en tussen de Brabantse stedelijke regio’s en omliggende stedelijke regio’s en het verbeteren van de nationale en internationale bereikbaarheid om zo de groei op te vangen van het aantal verplaatsingen als gevolg van de verstedelijkingsstrategie (gericht op een concentratie van wonen, werken en voorzieningen op de stedelijke hoofdknopen). Het Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (bidbook Hink-Stap-Sprong van landsdeel Zuid) zijn bouwstenen voor deze beoogde schaalsprong.
47
SCHEMATISCHE WEERGAVE. Mobiliteitstransitie maatwerk voor stad en dorp In het stedelijk gebied is een keur aan dagelijkse en niet-dagelijkse voorzieningen nabij. Lopen en fietsen zijn dragend. Extern is dat de fiets-trein combinatie. In het stedelijk gebied zelf is het aandeel OV beperkt maar duidelijk groter dan nu, toegespitst op gebieden met stedelijke massa die buiten de directe fietscontour liggen. Die fietscontour wordt met snelfietsroutes groter voor de gebruiker die wat verder fietsen prima vindt. Dat biedt keuzeruimte aan bewoner en bezoeker. Stedelijk HOV en snelfietsroutes leggen ook de verbinding naar grotere werklocaties aan de stadsrand. De auto heeft een relatief kleine rol in het stedelijk gebied. Parkeren in wijkhubs, deelauto’s, gereguleerd parkeren, 30 km/uur en afwikkelen buitenom zijn de standaard. In de M7 is een compleet aanbod van dagelijkse voorzieningen binnen 10 minuten lopen of fietsen, geconcentreerd in aantrekkelijke gemengde centrumgebieden. Voor ruimere keuze in banen en hoogstedelijke voorzieningen wordt vaker dan in de B5 een beroep gedaan op de stedelijk regio. Extern is de auto het belangrijkste vervoersmiddel. Via trein of HOV is de M7 wel stevig aangetakt op het stedelijk netwerk. Via snelfietsroutes zijn omliggende kernen en stedelijke centra bereikbaar per e-bike.
OV en fiets blijven in de M7 duidelijk ondergeschikt aan de auto maar bieden wel de kwaliteit van multimodale bereikbaarheid en een lichte reductie van het huidige auto-aandeel. In de centrumgebieden zal gereguleerd parkeren op afstand ingezet worden, daarbuiten start de autorit meestal voor de deur. De kleinere kernen zijn een zeer diverse groep. Het voorzieningenaanbod dat in de eigen Schematische weergave resultaat mobiliteitstransitie voor B5, M7 en kleinere kernen. De figuur geeft typologisch en orde van grootte de rol en samenhang van de vervoerswijzen. Uit te werken per stad en dorp.
kern lopend of fietsend bereikbaar is, verschilt van beperkt tot compleet voor dagelijkse activiteiten. Maar meestal is voor een (steeds groter deel) van de dagelijkse en nietdagelijkse activiteiten is een externe verplaatsing in de stedelijke regio nodig. De auto vervult daarin een zeer belangrijke rol. De opgave is om met (snel)fietsroutes en maatwerk wel basisbereikbaarheid zonder auto te bieden. Zo blijft het dorp een prettige plek voor iedereen zonder auto (inclusief oudere kinderen) en blijft de dorpstad relatie twee kanten op stevig.
48
•
Het benutten van het bestaande wegennet voor verplaatsingen waarvoor geen
met het Rijk, wordt overleg gevoerd met het Rijk. Indien Rijk en regio het nodig
goed alternatief voor de auto is.
vinden kunnen tijdens het BO MIRT 2023 afspraken over de pakketten worden geagendeerd.
Eerste uitvoeringsafspraken 1.
Gemeenten en provincie zetten in op een mobiliteitstransitie in het
personen- en goederenvervoer. Dit is een samenhangende aanpak die direct is gekoppeld aan de stedelijke transformatie, verdichting en functiemenging en die is gericht op minder, schoner en efficiënter verplaatsen (lopen, fietsen, deelmobiliteit en collectief vervoer). Ingezet wordt op het creëren van meer stedelijke nabijheid, het bij voorkeur binnenstedelijk bouwen en op met OV goed bereikbare locaties, het autoluwer maken van stadscentra, het verduurzamen van mobiliteit (zero-emissie) en het verbeteren van de verkeersveiligheid. Zo wordt ervoor gezorgd dat het gebruik van duurzame mobiliteit voor zoveel mogelijk mensen aantrekkelijk wordt. 2.
Om de groei van het aantal inwoners en arbeidsplaatsen per stedelijke
regio te kunnen accommoderen wordt voor elke stedelijke regio een meerjarig en samenhangend pakket aan mobiliteitsmaatregelen opgesteld (inclusief kosten, financiering en fasering). Deze pakketten faciliteren de gewenste mobiliteitstransitie en de beoogde schaalsprong in het OV-systeem. Hierin worden de uitgangspunten van nabijheid en duurzame mobiliteit vertaald in concrete doelstellingen en maatregelen en worden onder andere de volgende aspecten meegenomen: bereikbaarheid van werklocaties, een sturende parkeeraanpak, een passende OV-exploitatie, mobiliteit voor iedereen, stadslogistiek, herinrichting/herroutering stedelijke hoofdstructuur auto en de relatie met goederennetwerken. Provincie
3.
Regio en Rijk beogen een schaalsprong in het OV. Het Toekomstbeeld
OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong) zijn hiervoor bouwstenen. Voor de fiets is de Brabantse uitwerking van het Nationaal Toekomstbeeld Fiets het vertrekpunt. Provincie en Rijk onderzoeken wat het effect is van de strategische hoofdkeuzes in termen van stedelijke ontwikkeling en mobiliteitstransitie op de verwachte vervoersvraag van het openbaar vervoer en fietsverkeer tot 2030 en daarna. Afhankelijk van het onderzoeksresultaat en de mogelijkheden van betrokken partijen wordt gekeken of er aanvullende afspraken nodig zijn voor spoor- en busnetwerk, stallingen en fietsmaatregelen boven op lopende studies naar het Toekomstvast spoor Zuidoost-Nederland, de multimodale knoop EIK XL en de verkenning spoorknoop ‘s-Hertogenbosch. 4.
Gemeenten en provincie koppelen plannen voor het OV-netwerk in de vorm
van de realisatie van BRT (Bus Rapid Transit) en uitkomsten van het onderzoek Toekomstvast spoor aan het concentreren van ruimtelijke ontwikkelingen nabij OV-knooppunten. Betrokken gemeenten en provincie maken per corridor of knoop wederkerige afspraken. Daar waar het mogelijk ook Rijksinvesteringen betreft zal het Rijk aansluiten bij de gesprekken. 5.
Provincie en stedelijke regio’s gaan de mogelijkheden voor HOV-ontsluiting
met Bus Rapid Transit in combinatie met stedelijke knooppuntontwikkeling verkennen voor de toplocaties Brainport, belangrijkste assen in de B5-steden en de
en betrokken gemeenten werken de genoemde mobiliteitspakketten in 2023
middelgrote plaatsen zonder station; Waalwijk, Oosterhout, Veghel, Uden.
verder uit, waarbij het Rijk regelmatig wordt bijgepraat over de vorderingen. Indien
6.
Rijk en regio het nodig vinden kunnen tijdens het BO MIRT 2023 afspraken over
met de verstedelijkingsstrategie en de mobiliteitstransitie. Gekozen wordt voor
de pakketten worden geagendeerd. Als in de pakketten onderdelen zitten die
een optimale benutting van het hoofdwegennet tot 2040 door onder meer
betrekking hebben op de nationale infrastructuur, die de financiële draagkracht
slimme oplossingen, gedrag en Betalen naar Gebruik. Enige vertraging op het
Rijk, provincie en stedelijke regio’s beperken de groei van het autoverkeer
van de regio’s overstijgen of onderdeel (kunnen) uitmaken van andere afspraken
49
50
wegennetwerk tijdens piekmomenten wordt geaccepteerd zolang er sprake is van
10.
voorspelbare en betrouwbare reistijden. Bij deze afspraak zijn afspraken binnen het
monitoring en uitwisseling van data over de ontwikkeling van de mobiliteitstransitie
BO MIRT over de A58 en over de A2 Deil – Vught kaderstellend.
in het personen- en goederenvervoer in Brabant.
7.
De provincie organiseert samen met de B5-steden kennisdeling,
Provincie en B5-steden zetten een ontwikkelprogramma voor stedelijke
logistiek op voor het bundelen, afstemmen en versterken van initiatieven (goederenhubs, zero-emissie voertuigen en bundeling van stromen). 8.
Rijk, provincies en stedelijke regio’s erkennen de spanning tussen de
opgave van binnenstedelijk bouwen en wonen in de spoorzones en het gebruik van het spoor voor goederenvervoer en specifiek voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Rijk en regio constateren dat het van gezamenlijk belang is om met elkaar in gesprek te blijven over een robuust Basisnet en verstedelijking langs het spoor. De Stuurgroep Basisnet is daarvoor het meest aangewezen overleg omdat dit in meer regio’s speelt. In de Stuurgroep kan worden afgesproken om punten in andere bestuurlijke overleggen te agenderen; zoals in het BO Leefomgeving Zuid 2023. Begin 2023 worden in de Stuurgroep de verschillende perspectieven en kaders besproken voor goederenvervoer en op het terrein van ruimtelijke ordening. Op basis daarvan worden de mogelijkheden besproken om tot een gezamenlijk handelingsperspectief te komen. 9.
Rijk en provincie voeren op basis van de opgaven uit de IMA (integrale
mobiliteitsanalyse) en de nieuwe programmering van werklocaties (zie 5.4) een quickscan uit naar de multimodale goederennetwerken (inclusief buis). De quickscan richt zich op de vraag of alle opgaven nog steeds goed belegd zijn in bestaande projecten en programma’s en doet waar nodig aanbevelingen hierin te actualiseren.
51
KAART. Mobiliteitstransitie maatwerk voor stad en dorp
•
Hoogstedelijke mobiliteitstransitie • Locaties waar de sprong naar hoogstedelijke nabijheid gemaakt wordt. Op basis van uitkomsten nabijheidsindex Dashboard Verstedelijking.
•
Quick scan naar multimodale goederennetwerken • Op basis van de opgaven uit de IMA (integrale mobiliteitsanalyse) en de nieuwe programmering van werklocaties.
•
Stedelijke mobiliteitstransitie • Locaties waar de sprong naar stedelijke nabijheid gemaakt wordt en plekken met goede OV-bereikbaarheid. Op basis van uitkomsten nabijheidsindex Dashboard Verstedelijking en Bike Train Accessibility Level (BTAL).
•
Opwaarderen snelfietspadennetwerk • Voor de Fiets is de Brabantse uitwerking van het Nationaal Toekomstbeeld Fiets het vertrekpunt.
•
Opwaardering / verbetering stations • Op basis van Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong).
•
Afmaken verbetering bestaande hoofd- en regionaal autowegennet • Op basis van afspraken binnen het BO MIRT over de A58 en over de A2 Deil – Vught kaderstellend.
•
Ontwikkeling / verbetering internationale verbindingen • Op basis van Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong).
•
•
•
52
Mobiliteitstransitie • Aanpak gericht op deelmobiliteit, fiets en lopen en goede aansluiting op de mobiliteitshubs in de regio, verdichting in stationsomgevingen/HOV knooppunten. Hoogwaardig Openbaar Vervoer en/of Bus Rapid Transit • Regio en Rijk beogen een schaalsprong in het OV. Het Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong) zijn hiervoor bouwstenen. Frequentieverhoging spoor (IC en sprinter) • Op basis van Toekomstbeeld OV 2040 en de regionale uitwerking daarvan (hink-stap-sprong).
Zoekgebied nieuw sprinterstation Electrificatie spoorlijn
53
4.5
KWALITATIEVE WERKGEBIEDEN ALS RANDVOORWAARDE VOOR CIRCULAIRE ECONOMIE
Vitale en toekomstbestendige werklocaties zijn een belangrijke randvoorwaarde
terreinen. In tegenstelling tot eerdere prognoses wordt ook een uitbreidingsvraag verwacht na 2030. De prognoses gaan er van uit dat een deel van de vraag, ook na 2030, gevonden kan worden op bestaande locaties.
voor de ontwikkeling van een toekomstbestendige economie in Brabant. Zo wordt 45% van het Bruto Regionaal Product gerealiseerd op bedrijventerreinen. Ook
Het vinden van ruimte voor nieuwe werklocaties wordt steeds ingewikkelder
vinden we daar 38% van de werkgelegenheid. Bedrijventerreinen en bedrijven
omdat de voor de hand liggende locaties vrijwel op zijn en de druk op de ruimte,
spelen bovendien een cruciale rol in de grote transities op het gebied van energie,
het milieu, het infrastructuurnetwerk, het energienetwerk en de arbeidsmarkt
klimaat en circulaire economie.
toeneemt. Voor de transitie naar een meer circulaire economie en ruimte voor een toekomstbestendige economie is een integrale ruimtelijke aanpak nodig.
Hiervoor is het belangrijk dat de kwaliteit van de Brabantse bedrijventerreinen
Bij deze integrale aanpak gaat het om het integraal afwegen van locaties én het
zo optimaal mogelijk aansluit bij de vestigingseisen van bedrijven. Er is vanuit
kijken vanuit een ruimtelijk economische visie op Brabant, in samenhang met de
bedrijven steeds meer behoefte aan aantrekkelijke werkmilieus op goed
toekomststrategie en vestigingsvoorwaarden van bedrijven. Onderdeel van die
bereikbare plekken, vooral met het oog op het vinden van geschikt personeel.
integrale afweging is ook het verder aanscherpen van (sub)regionale profilering
Om dit te bereiken is samenwerking en uitwisseling op allerlei niveaus steeds
en het gebruik maken van de knooppunten in infrastructuur, energie, kennis en
belangrijker, bijvoorbeeld in de triple helix verbanden in Brabant. Maatschappelijke
stedelijkheid die Brabant biedt. Door de toenemende druk is het van belang dat
en economische trends hebben daarnaast impact op de aard en omvang van
er scherpe keuzes gemaakt worden. Vaker dan voorheen bestaat de mogelijkheid
de ruimtevraag van bedrijven. De meest relevante trends hierbij zijn energie en
dat er geen plek geboden kan worden aan bepaalde ontwikkelingen of dat die
klimaat, circulaire economie en digitalisering. De verwachting is dat meer ruimte
ontwikkeling een andere vorm moet krijgen.
nodig is door investeringen in robotisering en automatisering (digitalisering). Ook is meer ruimte nodig voor opslag, scheiding en bewerking door de ontwikkeling
De intensivering, verduurzaming en herstructurering van bestaande
naar een circulaire economie. Daarnaast is de circulaire economie ook een systeem
bedrijventerreinen is een belangrijk middel om een deel van de ruimtebehoefte
dat geïntegreerd moet worden in het stedelijk netwerk, bijvoorbeeld: bouwhubs,
te accommoderen en tal van opgaven op bestaande terreinen aan te pakken.
retourlogistiek, aan- en afvoer van grondstoffen over water.
Het mengen van functies of de herstructurering van terreinen is geen makkelijke opgave en stelt ook voorwaarden. Denk aan de noodzaak van schuifruimte om
54
De opgave om te komen tot passende werkmilieus is zowel kwalitatief als
de herprofilering en intensivering vorm te kunnen geven. Met het project ‘Grote
kwantitatief van aard. Het huidige harde planaanbod is onvoldoende om te voorzien
Oogst’ versnelt de provincie samen met gemeenten en andere lokale partners de
in de verwachte ruimtevraag tot en met 2030. Daarnaast sluit de kwaliteit van
vergroening en verduurzaming van bedrijventerreinen. Enerzijds omdat duurzame
het harde planaanbod niet (altijd) aan op de vraag van bedrijven. Voor de periode
bedrijventerreinen een belangrijke voorwaarde zijn voor een toekomstbestendige
tot en met 2030 ligt er vooral een zoekopdracht voor nieuwe werklocaties in de
economie. Anderzijds omdat bedrijventerreinen een substantiële bijdrage kunnen
segmenten grootschalige logistiek, grootschalige productie en reguliere MKB-
leveren aan de beleidsdoelstellingen op het gebied van energie, circulariteit,
•
Om richting de toekomst concurrerend te blijven is er in alle sectoren vernieuwing nodig in typologie voor gebouw en werkgebied.
55
klimaatadaptatie, biodiversiteit en stikstof. Ook willen we inzetten op meervoudig
vernieuwingen die ook nodig is om over 10 of 15 jaar niet vast te lopen in het vinden
ruimtegebruik op bestaande en nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen. Dit willen
van ruimte (fysiek, mobiliteit, natuurlijke systemen) voor economische ontwikkeling.
we integraal bekijken, ook vanuit het oogpunt van aan- en afvoer van goederen en de bereikbaarheid in algemene zin. Denk hierbij bijvoorbeeld aan combinaties met
Een andere strategie gericht op zorgvuldiger ruimtegebruik en een hogere
energieproductie, wateropvang, vergroten biodiversiteit/groene dooradering en
economische waarde richt zich op ontwikkelingen op bestaande bedrijventerreinen.
sport.
De provincie heeft in samenwerking met alle regio’s onderzoek uitgevoerd naar de vestigings- en herontwikkelingsmogelijkheden voor grootschalige logistiek (> 3 ha). Uit dit onderzoek blijkt dat op veel bestaande bedrijventerreinen in Brabant vestigings- en/of herontwikkelingsmogelijkheden zijn voor grootschalige logistiek. De provincie en gemeenten vinden dit ongewenst omdat niet alle terreinen geschikt zijn vanuit ruimtelijk en/of infrastructureel oogpunt, onbeperkte grootschalige logistieke ontwikkeling zorgt voor verdringing van andere ruimtevragers (zoals het lokaal MKB, (andere) regionale speerpuntbedrijven, maatschappelijke transities en transformaties) en het selectieve clusteringsbeleid en de aanpak gericht op regionale meerwaarde doorkruist. Provincie en gemeenten hebben daarom een centrale aanpak afgesproken. Zo kunnen we effectief sturen op de vestigingsmogelijkheden van grootschalige logistiek op zowel green- als brownfields. De basis voor deze aanpak zijn regionale afspraken over de locaties waar ontwikkelingen van grootschalige logistiek zijn toegestaan en waar niet. Voor de doorwerking van dit beleid zet de provincie in samenspraak met de regio’s haar juridische instrumentarium in, zoals de omgevingsverordening en een voorbereidingsbesluit.
Daarnaast kunnen concepten die inzetten op een vernieuwende manier van ruimtegebruik (voor bedrijven) leiden tot een win-win situatie; meer ruimtelijke kwaliteit, een hogere economische waarde, meervoudig ruimtegebruik en minder
Om de behoefte aan voldoende, aantrekkelijke en goed bereikbare werklocaties te accommoderen kiezen we voor: •
bedrijventerreinen. Bijvoorbeeld door meervoudig ruimtegebruik, het
ruimtebeslag. Denk bijvoorbeeld aan de Brainport Industries Campus (Eindhoven)
project Grote Oogst en concepten die inzetten op vernieuwende manier van
of gestapelde logistieke concepten. Het ontwikkelen en meer inzetten op dit soort concepten voor de economie van Brabant is een van de economische
56
Inzetten op verduurzaming, intensivering en herstructurering van
ruimtegebruik (voor bedrijven). •
Het zorgvuldig benutten van de huidige harde plannen en reeds
INSPIRATIE. Fabriek van de Toekomst (Brainport Industries Campus, Eindhoven) De Brainport Industries Campus is het toonbeeld van typologische vernieuwing.
er optimaal gebruik gemaakt van kennis en kunde om tot innovatieve oplossingen
In een unieke parkachtige setting in de Brainport regio zijn verschillende bedrijven
en vernieuwing te komen. Behalve kennis en ervaring worden hier ook faciliteiten
in de hightech maakindustrie, onderwijs- en kennisinstellingen samen gevestigd.
gedeeld om te produceren en te innoveren. Door de kop en de staart van de complete
Smart Industry komt hier letterlijk en figuurlijk van de grond, in de geheel circulair