CConstaterende datStede Broec
Koppel je AI →
Document · PDF

P05134 3 BP Middenweg 5 Stede Broec vastgesteld 20221021

Gemeenteraad 22 december 2022, gemeente Stede BroecBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Middenweg 5 Bovenkarspel22.637 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit betekent dat er ter plaatse van de beoogde woningen sprake moet zijn van een goed woon- een leefklimaat en dat de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet gehinderd wordt door de aanwezigheid van de woningen in het plangebied. Om deze reden worden hieronder de richtafstanden van de omliggende inrichtingen nader beschouwd. Middenweg 2 – 18a Aan de overzijde van de Middenweg is bedrijfsbebouwing gevestigd (Middenweg 2-18a). Op de percelen zijn bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2 toegestaan en tevens detailhandel in niet-dagelijkse goederen, een sportcentrum, kantoren en woninginrichting. Deze functies hebben de milieucategorie 2. De grootste richtafstand van deze functies is 30 meter voor het aspect geluid. Gezien de ligging in gemengd gebied worden deze afstanden met één stap verlaagd tot respectievelijk 10 meter. 4

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

29

De werkelijke afstand tussen het bouwvlak in het plangebied en het bedrijfsperceel is ca. 30 meter. Er is daardoor geen sprake van belemmering. Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Station Bovenkarspel-Grootebroek Het NS-station Bovenkarspel-Grootebroek ligt ca. 70 meter ten zuidwesten van het appartementengebouw. Een treinstation is aangemerkt als een categorie 3.2-functie (SBI 2008-code 491, 492). In gemengd gebied behoort hierbij een richtafstand van maximaal 50 meter. Er is daardoor geen sprake van belemmering. Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.5 Kabels en leidingen Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. Het verrichten van werkzaamheden aan of nabij dergelijke kabels en leidingen kan hinder veroorzaken en het functioneren van deze verbindingen mag als gevolg van de ontwikkeling niet onevenredig worden belemmerd. Doorwerking plangebied In het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden

Hoofdstuk 4

30

meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Doorwerking plangebied Met behulp van de Risicokaart Nederland zijn de risicobronnen in de omgeving van het plangebied geinventariseerd. Een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 4.1.

Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (plangebied met blauwe stip aangeduid)

Op grond van de risicokaart is vastgesteld dat de ontwikkeling zich bevindt binnen de invloedzones van een gasleiding. Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid of aanwezigheid van transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de (vaar)weg, risicovolle activiteiten binnen inrichtingen, bovengrondse hoogspanningsmasten en –leidingen, windturbines, luchthavens en achtergebleven explosieven uit WOII. Daarnaast vinden binnen het plangebied zelf geen risicorelevante activiteiten plaats en

Hoofdstuk 4

31

worden deze ook niet geïntroduceerd. Derhalve dient enkel de invloed en het risico van de buisleiding op de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied nader beschouwd te worden. Hiertoe is een nader onderzoek ‘externe veiligheid buisleidingen’ door Kragten uitgevoerd. De gehele rapportage is opgenomen in de bijlagen. Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen opgeschreven. Externe veiligheid buisleidingen Het plangebied is deels gelegen binnen de 1%-letaliteitsafstand voor externe veiligheid van buisleiding W-573-05-deel-1. Op grond van de ligging van het plangebied ten opzichte van deze buisleiding is de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding inzichtelijk gemaakt. Omdat het plangebied is gelegen binnen de 1%-letaliteitsafstand van genoemde buisleiding, is met behulp van het programma CAROLA de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt voor zowel de huidige als toekomstige situatie. Huidige situatie In de huidige situatie is binnen het plangebied een bedrijfsgebouw aanwezig. Op grond van de populatieservice zijn hier 15 personen aanwezig in de dagperiode. Toekomstige situatie Op basis van onderhavig bestemmingsplan worden twee varianten mogelijk gemaakt, zie onderstaand. Variant 1 Op basis van deze variant wordt een appartementengebouw gerealiseerd, bestaande uit 14 woningen en een kantoor met een bvo van 200 m 2.

Voor woningen wordt ook hier uitgegaan van het kental voor wonen en een aanwezigheid van 50% in de dagperiode en 100% in de nachtperiode. Voor het kantoorgedeelte wordt uitgegaan van het kental voor kantoor van 1 persoon per 30 m 2. In het onderhavige geval betekent dit een aanwezigheid van 7 personen in de dagperiode. Als gevolg van het planvoornemen neemt de personendichtheid in de dagperiode toe met 8,8 personen en in de nachtperiode met 33,6 personen. Variant 2 In de toekomstige situatie kan ook een appartementengebouw worden gerealiseerd, bestaande uit 16 woningen. Uitgaande van het kental voor wonen (2,4 personen per woning) en een aanwezigheid van 50% gedurende de dag en 100% gedurende de nachtperiode, zijn binnen het plangebied in de dagperiode 19,2 personen aanwezig en in de nachtperiode 38,4 personen. Als gevolg van het planvoornemen neemt de personendichtheid in de dagperiode toe met 4,2 personen en in de nachtperiode met 38,4 personen. Rekenresultaten Uit de rekenresultaten blijkt dat voor de betreffende buisleiding zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van een groepsrisico dat ruim lager is dan de oriëntatiewaarde. Er vindt bij beide varianten geen rekenkundige toename plaats van de hoogte van het groepsrisico na planvorming. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. Deze is onderstaand uitgewerkt.

De volledige verantwoording van de hoogte van het groepsrisico is opgenomen in de bijlagen.

Hoofdstuk 4

32

Uitwerking beperkte verantwoordingsplicht Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. De verantwoording van het groepsrisico heeft betrekking op de beschreven relevante risicobron. Bevb – transport door leidingen In artikel 12 lid 3 van het besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico.

In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht voor de buisleiding, waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: 1) aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken; 2) het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico; 3) de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 4) De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Ad 1) Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied voor externe veiligheid van buisleiding W-57305-deel-1. In de huidige situatie is binnen het plangebied een bedrijfsgebouw aanwezig. Op grond van de populatie service zijn hier 15 personen aanwezig in de dagperiode. In de toekomstige situatie zijn 2 varianten beschouwd. Bij variant 1 is uitgegaan van een appartementengebouw, bestaande uit 14 woningen en een kantoor met een bvo van 200 m 2.

Voor woningen wordt ook hier uitgegaan van het kental voor wonen en een aanwezigheid van 50% in de dagperiode en 100% in de nachtperiode. Voor het kantoorgedeelte wordt uitgegaan van het kental voor kantoor van 1 persoon per 30 m 2. In het onderhavige geval betekent dit een aanwezigheid van 7 personen in de dagperiode. Als gevolg van het planvoornemen neemt de personendichtheid in de dagperiode toe met 8,8 personen en in de nachtperiode met 33,6 personen. De tweede variant betreft de realisatie van een appartementengebouw, bestaande uit 16 woningen. Uitgaande van het kental voor wonen (2,4 personen per woning) en een aanwezigheid van 50% gedurende de dag en 100% gedurende de nachtperiode, zijn binnen het plangebied in de dagperiode 19,2 personen aanwezig en in de nachtperiode 38,4 personen. Als gevolg van het planvoornemen neemt de personendichtheid in de dagperiode toe met 4,2 personen en in de nachtperiode met 38,4 personen. Ad 2) De externe veiligheidsrisico’s van de buisleiding zijn kwantitatief vastgesteld. De berekeningen van de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleiding hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA.

Hoofdstuk 4

33

Uit de CAROLA-berekening blijkt dat de hoogte van het groepsrisico in de toekomstige situatie (beide varianten) niet rekenkundig toeneemt ten opzichte van de huidige situatie en ligt op 10% van de oriëntatiewaarde. Ad 3) Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaats vindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kan het enkele uren duren voor de leiding is leeg gelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid en calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol. Ad 4) Het maatgevende scenario voor ongevallen met aardgastransportleidingen is fakkelbrand. Een fakkelbrand ontstaat door een breuk in een hogedruk aardgastransportleiding.

Het aardgas stroomt onder hoge druk uit en door de statische of kinetische energie ontsteekt het gas direct. Slachtoffers kunnen vallen door de warmtestraling en drukgolf. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken en glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen. De mogelijkheid om zelfredzaamheid te vergroten Het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Een belangrijkste bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegverguningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. Daarnaast is in het vigerende bestemmingsplan reeds opgenomen dat binnen de belemmeringenstrook (4 meter aan weerszijden van de leiding) een bouwverbod geldt. Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heiden, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd. Mogelijkheden voor ontvluchting / schuilen Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat deze zich snel kan ontwikkelen.

Afhankelijk van de afstand van bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario’s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Aangezien het plangebied deels buiten de 100%-letaliteitsafstand valt, zijn er mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid is mogelijk, mits ontvluchting uit gebouwen en omgeving op een juiste manier mogelijk is. Vluchten kan dan alleen via een route buiten het ‘zicht’ van de fakkel. Om de zelfredzaamheid te vergroten is het raadzaam om veilige vluchtroutes te realiseren in de luwte van het gebouw. Hierdoor worden de gevolgen van hittestraling beperkt. Voornemen is om in het kader van een vluchtroute een brug aan de noordkant van het plangebied te realiseren. Deze kan voor een extra van vluchtroute zorgen welke van de buisleiding af is gericht.

Hoofdstuk 4

34

Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden. Bij de inrichting van het plangebied dienen voldoende vluchtwegen aanwezig te zijn om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. De vluchtwegen dienen van de leiding af gericht te zijn. Advies Veiligheidsregio De gemeente Stede Broec heeft in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord. Op 2 juni 2022 heeft de Veiligheidsregio advies uitgebracht (kenmerk: UIT-2022-255443). In het advies wordt het volgende aangegeven. Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding. Het plan beïnvloedt de omvang van een eventuele ramp in geringe mate. De Veiligheidsregio is voorbereid om de gevolgen van een eventuele ramp in het plangebied en de omgeving te bestrijden. Een fakkelbrand is het maatgevende scenario en ontstaat door een breuk in een hogedruk aardgastransportleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit en door de statische of kinetische energie ontsteekt het gas direct. Het plangebied is op meerdere manieren te bereiken voor de hulpdiensten. De bluswatervoorziening in de vorm van ondergrondse brandkranen en open water is voldoende. De opkomsttijden van de brandweer voldoen aan het Besluit Veiligheidsregio’s.

De Veiligheidsregio kan de omvang van gevaar van het maatgevende scenario duiden en de mogelijkheden voor brandbestrijding, hulpverlening en gevaarbeperkende maatregelen benoemen. Conclusie Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren van risicobronnen, waar ligt wel binnen het invloedsgebied van een aardgastransportleiding. Uit de CAROLA-berekening blijkt dat de hoogte van het groepsrisico in de toekomstige situatie niet rekenkundig toeneemt ten opzichte van de huidige situatie en ligt op 10% van de oriëntatiewaarde. Het plan beïnvloedt de omvang van het groepsrisico in beperkte mate. Er is, mede op basis van het advies van de Veiligheidsregio, een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Het groepsrisico wordt op basis van deze overwegingen door de gemeente acceptabel geacht.

4.7 Ecologie Wettelijke gebiedsbescherming De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Hoofdstuk 4

35

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:  Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)  Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming)  Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Doorwerking plangebied Er is door Vonk Groenservice een quickscan en ecologisch onderzoek uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste conclusies worden hieronder vermeld. Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Markermeer”, bevindt zich op circa 1,4 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de werkzaamheden zijn negatieve effecten niet te verwachten.

Ter verificatie is onderstaand stikstofdepositie onderzoek omschreven alsmede zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd. Voor het berekenen van de stikstofdepositie op de omliggende Natura-2000 gebieden is gebruikgemaakt van het voorgeschreven rekenpakket AERIUS Calculator. De depositie is berekend op de dichtstbijzijnde natuurgebieden. De bijdrage wordt op alle natuurgebieden bepaald in mol per hectare per jaar. Hierbij wordt vastgesteld wat de emissiewaarde is van stoffen die bijdragen aan de stikstofdepositie. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er vindt geen depositie plaats in één of meerdere Natura 2000-gebieden.

Hoofdstuk 4

36

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 1,36 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Daarnaast zijn BPL-gebieden (onder andere Weidevogelleefgebied) op ruime afstand gelegen. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van boven genoemde gebieden niet worden aangetast. Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Toetsing soortenbescherming Vaatplanten Beschermde soorten zijn niet te verwachten op de projectlocatie. Vogels  Jaarrond beschermde vogels met nesten - Nesten van onder andere de Huismus, Gierzwaluw, roofvogels en uilen zijn jaarrond beschermd. Deze bescherming is er omdat deze soorten het nest niet alleen tijdens de broedperiode gebruikt, maar mogelijk het hele jaar door als rustplaats of omdat bepaalde vogelsoorten nogal honkvast zijn en dus graag wederkeren naar het nest van het vorige jaar (Gierzwaluw). Door het ontbreken van dakpannen en overige geschikte openingen is het gebouw ongeschikt voor de Huismus en Gierzwaluw.

De tuinen zijn door de gevarieerde aanleg geschikt habitat voor onder andere huismussen. Echter is er ter plaatse geen sprake van essentieel functioneel leefgebied gezien er in de omgeving veel leefgebied is voor deze soort in de gevarieerde tuinen in de buurt. Door de beoogde werkzaamheden worden geen (bezette) nesten verwijderd, vernield of beschadigd, zoals bedoeld in artikel 3.1, lid 2 uit de Wet Natuurbescherming. Aanvullend onderzoek naar vogels met een jaarrond beschermd nest is niet nodig.  Alle broedende vogels met nesten - Alle broedende vogels alsmede de nesten en eieren zijn tijdens de broedperiode van de bepaalde soort beschermd. Op de platte daken is het mogelijk dat er genesteld wordt door algemene broedvogels. Ook in de beplanting van de tuin kunnen diverse vogels gaan broeden. Voorafgaand aan werkzaamheden zal een check uitgevoerd moeten worden naar eventuele broedgevallen. Bij een aangetroffen broedgeval dient gewacht te worden totdat het nest verlaten is. Door de beoogde werkzaamheden worden rekening houdend met bovenstaande, geen (bezette) nesten verwijderd, vernield of beschadigd, zoals bedoeld in artikel 3.1, lid 2 uit de Wet Natuurbescherming. Amfibieën, vissen en reptielen Niet van toepassing.

Door het uitvoeren van de werkzaamheden worden geen dieren gedood of verstoord en worden vaste voortplantings- of rustplaatsen niet vernield of beschadigd zoals bedoeld in artikel 3.5, lid 1, 2 en 4 en artikel 3.10 lid 1 uit de Wet Natuurbescherming Zoogdieren  Vleermuizen - Alle in Nederland voorkomende vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Omdat de diverse open stootvoegen in de gevel ruim genoeg zijn om in- en uit te kunnen vliegen door vleermuizen, is het niet uit te sluiten dat er verblijfplaatsen aanwezig zijn. Om de aan- of afwezigheid van vleermuizen onder de (kant) pannen aan te tonen, is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Uit dit nader onderzoek, dat eveneens is opgenomen in de bijlagen, blijkt dat er

Hoofdstuk 4

37

in of rond het complex geen voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Functionele vliegroutes en foerageergebied ontbreken op de projectlocatie. Daarom zijn er in dit opzicht blijkens het nader onderzoek geen belemmeringen. Grondgebonden zoogdieren – Gezien de terreinomstandigheden op de locatie zijn beschermde soorten niet te verwachten. Door het uitvoeren van de werkzaamheden worden geen dieren gedood of verstoord en worden vaste voortplantings- of rustplaatsen niet vernield of beschadigd zoals bedoeld in artikel 3.5, lid 1, 2 en 4 en artikel 3.10 lid 1 uit de Wet Natuurbescherming.

Conclusie soortenbescherming Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat uit nader onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen voor het plan aanwezig zijn. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.8 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Doorwerking plangebied Er is door Landview in 1990 een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen beschreven. Voor het gehele onderzoek wordt naar de bijlagen verwezen. Uit het rapport uit 1990 blijkt dat de concentraties van alle onderzochte parameters in de grondmengmonsters onder of rond de A-waarde liggen. De concentraties van alle onderzochte parameters in de grondwatermonsters liggen ook onder of rond de A-waarde.

Ook uit recenter bodemonderzoek (periode 2016-2019) op het naastgelegen perceel Middenweg 7 blijkt dat er op voorhand geen ernstige verontreinigingen verwacht worden; uit de betreffende onderzoeken is gebleken dat er maximaal licht verhoogde concentraties zijn aangetoond op de naastgelegen locatie. Zie nader het bestemmingsplan ‘Middenweg 7, Bovenkarspel’. Op basis van de voorgaande bevindingen kan gesteld worden dat het plan niet onuitvoerbaar is. Een geüpdatet verkennend bodemonderzoek zal na de sloop van de bebouwing worden uitgevoerd. Deze sloop is in het voorjaar van 2022 voorzien, ruimschoots voor de vaststelling van het plan.

Hoofdstuk 4

38

4.9 Water Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands-Noorderkwartier, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal  Provinciaal Waterplan 2010-2015 Waterschapsbeleid In het waterprogramma 2016 - 2021 presenteert het hoogheemraadschap Hollands-Noorderkwartier het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die in deze periode worden uitgevoerd. Met dit Waterprogramma geeft het hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021.

Hierin wordt antwoord gegeven op de vragen: Hoe zorgt het hoogheemraadschap in de toekomst voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands-Noorderkwartier? Welke benadering worden daarvoor gekozen? En welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard? De klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van keuzes in het waterbeleid. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen van het hoogheemraadschap grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Doorwerking plangebied Algemeen Het plangebied ligt in het peilgebied 700-10 van de polder Het Grootslag, met een streefpeil van NAP -2,40 meter. Het gebied watert af middels een stelsel van secundaire en primaire waterlopen naar het gemaal Het Grootslag. Daar wordt het water via dit gemaal op het IJsselmeer uitgeslagen. Bodem en grondwater In de omgeving van het plangebied bestaat de bodem uit zware zavel met homogeen profiel. Ter plaatse van de nabije omgeving is sprake van grondwatertrap IV. Grondwatertrap IV wil zeggen dat de

Hoofdstuk 4

39

gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,4 m en 0,8 m beneden het maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt. Waterkwantiteit Het plangebied grenst aan een secundaire watergang, die aan de noordzijde van het plangebied loopt. In het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. Veiligheid en waterkeringen In en nabij het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is deels aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Uit 'Samen houden we droge voeten, maatwerk bij het bergen van overtollig regenwater': Bij een toename in verharding van meer dan 800 m² bestaat er een verantwoordelijkheid voor het bergen van regenwater. Voor bebouwing of bestrating van 800 m² of meer onverharde grond is een watervergunning nodig. In de huidige situatie is het plangebied, met uitzondering van een strook langs de noord- en westzijde, geheel verhard. Het verhard oppervlakte bedraagt ca. 2.146 m2, bestaande uit erfverharding (ca. 1199 m2) en bebouwd oppervlak (ca. 947 m2). De toekomstige verharding (appartementencomplex en parkeerplaatsen) beslaan een oppervlakte van ca. 1.802 m2, bestaande uit erfverharding (ca. 1.057 m2, inclusief optionele verharding) en bebouwd oppervlak (ca. 745 m2). Het verhard oppervlakte neemt af met ca. 344 m2.

Door de afname van het verhard oppervlakte leidt de ontwikkeling niet tot ongewenste peilstijgingen en een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie. Hierdoor is het plan in lijn met het principe ‘klimaat adaptief bouwen’. Ook wordt het hemelwater niet afgevoerd op het riool en zoveel mogelijk rechtstreeks afgevoerd naar open water. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-)filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Hoofdstuk 4

40

In dit geval wordt gekozen voor afvoer naar de watergang noordelijk van het plangebied. Hemelwater wordt in eerste instantie binnen het plangebied opgevangen. Conclusie Door de afname van het verhard oppervlakte in het plangebied zijn geen nadere watercompenserende maatregelen noodzakelijk. Regenwater wordt in het plangebied zelf verwerkt. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

4.10 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de nog in werking te treden Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Doorwerking plangebied De gemeente Stede Broec heeft haar archeologiebeleid verwerkt in het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum Stede Broec’. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Hierin is opgenomen dat voor bodemverstoringen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 40 cm-mv een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Archeologie West-Friesland heeft voor de gemeente Stede Broec een archeologische beleidskaart ontwikkeld.

De beleidskaart archeologie met toelichting is op 9 december 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Op de beleidskaart archeologie is aangegeven waar de bekende archeologische waarden zich bevinden en welke archeologische verwachtingen er zijn. De waarden en verwachtingen zijn gecombineerd met een beleidsadvies per zone. Voor de beleidskaart zijn onder andere bodemkaarten gebruikt om de archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie nader te specificeren. Volgens de beleidskaart ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting voor de Bronstijd. Hier is een vrijstellingsgrens van 1.000 m 2 aan verbonden. De eventueel aanwezige archeologische resten bevinden zich direct onder de bouwvoor. Bij ontwikkeling dient in eerste instantie een archeologische quickscan te worden vervaardigd. Deze archeologische quickscan is door de gemeente Stede Broec opgesteld. Voor de volledige quickscan wordt naar de bijlagen verwezen. Onderstaand zijn enkele conclusies beschreven. Op basis van de huidige (recente) bebouwing kan gesteld worden dat de eventueel aanwezige archeologische waarden zijn aangetast. Op basis van de verstoring kan de hoge archeologische verwachting voor de Bronstijd, binnen het plangebied, naar beneden worden bijgesteld.

Hoofdstuk 4

41

Nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg is niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. De huidige dubbelbestemming Waarde-Archeologie kan komen te vervallen voor het gehele plangebied. Deze is dus niet opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect ‘archeologie’ voor onderhavig planvoornemen.

4.11 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Doorwerking plangebied Voor Stede Broec is vooral de landschappelijke ondergrond bepalend geweest in de historie van het gebied. Het huidige landschap van de gemeente Stede Broec herbergt elementen uit de periode van de veenontginningen en daarna en is van hoge historisch-geografische waarde.

De verkaveling heeft een grote samenhang met de ontginnings- en bewoningsassen, de afwateringskanalen, de achter- en zijkaden en de dijken. Door moderne bebouwing is weinig meer zichtbaar van de originele verkaveling. Wel zijn een aantal perceelsloten aanwezig die nog de originele verkavelingslijnen volgen. Deze sloten vormen onderdeel van een enorm systeem dat vanaf de Middeleeuwen is aangelegd om Westfriesland systematisch te ontwateren en geschikt te maken voor bewoning. Behoud van deze verkavelingssloten is gewenst. De sloten liggen echter niet in het plangebied zodat negatieve effecten op de originele verkaveling worden uitgesloten. De geplande ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.12 Trillingshinder Bij ruimtelijke planvorming moet trillingshinder of -schade aan gebouwen zoveel mogelijk worden voorkomen. Hinder of zelfs schade door trillingen kan ontstaan door:  Verkeer over de weg of het spoor (bijvoorbeeld van vrachtwagens, trein of tram) machines bij industrie (stansen, draaiende motoren, etc.)

Hoofdstuk 4

42

Deze trillingen bewegen zich door de bodem. Trillingen nemen af als de afstand tot de bron groter wordt.

De ‘Beleidsregel trillingshinder spoor’ heeft tot doel vast te stellen hoe omgegaan wordt met enkele aspecten van trillingshinder. De beleidsregel richt zich op de vaststelling van een tracébesluit tot aanleg, wijziging of hernieuwde ingebruikneming van een landelijke spoorweg, als bedoeld in de Tracéwet. Het uitgangspunt van deze beleidsregel is dat het beschermingsniveau van de leefomgeving vergelijkbaar is met die van de SBR Richtlijn B. De normen van de beleidsregel en de SBR-richtlijn sluiten op elkaar aan. Indien trillingsniveaus groter zijn dan de na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) dan kan bij nieuwbouw van woningen (of andere gevoelige functies) maatregelen worden getroffen aan:  de te realiseren nieuwbouw;  de bron van de trillingen;  de trillingsoverdracht door de bodem. Doorwerking plangebied Circa 80 meter ten zuiden van het plangebied ligt het spoortraject Hoorn-Enkhuizen. Derhalve kán er sprake zijn van trillingshinder in het plangebied. Doorgaans wordt een afstand van 100 meter gehanteerd als mogelijke effectafstand voor trillingen. De ‘Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen’ geeft aan dat inzicht moet worden verkregen in de mate waarin trillingshinder kan optreden in toekomstige nieuwbouw.

Factoren die daarbij worden beschouwd zijn: bodemgesteldheid en –opbouw in en nabij het plangebied, aanwezigheid en ligging van waterpartijen, treinbeeld (frequentie van gebruik van het spoor) incl. eventuele toekomstige wijzigingen, wissels/overgangsconstructies e.d. In dit verband zijn in ieder geval de volgende omstandigheden relevant:  Hoewel de Handreiking appartementencomplexen als trillingsgevoelig omschrijft, is dat bij traditionele bouwwijzen en voor complexen op een paalfundering maar beperkt het geval.  De afstand van de nieuwe bebouwing tot het spoor is circa 80 meter en tussenliggend is zowel bebouwing, een weg als oppervlaktewater gelegen.  Het betreffende spoortraject Hoorn – Enkhuizen wordt relatief beperkt gebruikt, namelijk enkel door treinen op dit specifieke traject. Dit betreft 2 treinen per uur in elke richting, totaal 4 treinen per uur.  Alle treinen stoppen op station Bovenkarspel-Grootebroek, dat nagenoeg ter hoogte van het plangebied gelegen is. Ter hoogte van het plangebied hebben deze dus een lage rijsnelheid, waardoor het trillingsrisico op voorhand erg laag is. Er zou sporadisch een trein kunnen passeren die niet stopt en op hogere snelheid rijdt, maar dit is geen maatgevende situatie.

Voor het naastgelegen perceel, Middenweg 7, is in het kader van een recente transformatie van bedrijfsgronden naar een appartementengebouw een trillingsonderzoek uitgevoerd (d.d. 22 april 2020). Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Middels het onderzoek wordt geconcludeerd dat de trillingsprognose, gebaseerd op trillingsmetingen op het bouwkavel Middenweg 7 en het daarop destijds aanwezige bedrijfspand, laat zien dat er voor het voorziene appartementencomplex op dit perceel geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de SBR-B richtlijn. Met een draagconstructie uitgevoerd in beton en met betonnen vloeren worden geen voelbare trillingen verwacht.

Hoofdstuk 4

43

De verwachting is dat bovenstaande conclusie voor naastgelegen perceel Middenweg 7 ook overgenomen kan worden in het kader van de ontwikkeling op het perceel Middenweg 5. Het te realiseren wooncomplex met kantoor is namelijk op eenzelfde afstand van het spoor gelegen en de tussenliggende gronden zijn op vrijwel identieke wijze ingericht. Zodoende is op voorhand voldoende aannemelijk dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ten gevolge van trillingen. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee wordt gewaarborgd dat wordt voldaan aan de richtlijnen (streefwaarden voor 'Wonen nieuwe situatie', zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch).

4.13 Duurzaam bouwen Het begrip ‘duurzaamheid’ heeft betrekking op verschillende aspecten: levensduur, vormgeving, materialisering, efficiënte benutting van de ruimte, de omgang met water en energie, aansluitend bij het gemeentelijk klimaatbeleid. Door het toepassen van intelligente gebouwen installatieconcepten kan energie en water bespaard worden. Bij de materialisering van nieuwbouw kan gekozen worden voor duurzame materialen, zoals bijvoorbeeld FSC-hout, die op verantwoorde wijze zijn gemaakt of gewonnen en geen negatieve invloed hebben op het milieu. 'Stede Broec is een gemeente die steeds duurzamer denkt en doet en die streeft naar energieneutraliteit'. Deze visie beschouwt de gemeente als rode draad voor haar klimaatbeleid. Bij een duurzame ontwikkeling gaat het om een evenwichtige ontwikkeling waarbij rekening gehouden wordt met de mens (People), met het milieu (Planet, ecologie en natuurlijke hulpbronnen) en de economie (Profit). Duurzaamheid betekent aandacht voor de eindigheid van grondstoffen, zorgvuldig omgaan met ruimte en groen, een zo breed mogelijk scala aan planten en diersoorten behouden en voorkomen dat milieuproblemen afgewenteld worden naar andere gebieden en volgende generaties. Dus niet alleen aandacht voor de behoeften van nu, maar ook voor de leefbaarheid in de toekomst.

Bij het streven naar energieneutraliteit wil de gemeente enerzijds de energievraag verminderen/energie besparen en anderzijds zoveel mogelijk gebruik maken van duurzame energie. Duurzame energie betekent het gebruik van energiebronnen die ons onuitputtelijk ter beschikking staan zoals zonne-energie, windenergie, bodemenergie, waterkracht en biomassa. Een energieneutraal Stede Broec is een gemeente waarin alle energie die wordt gebruikt op een schone en duurzame wijze wordt opgewekt. Welke ambities heeft de gemeente Stede Broec? Als gemeente het goede voorbeeld (blijven) geven Daarmee bedoelt de gemeente dat zij actief wil (blijven) inzetten op haar voorbeeldfunctie en maatregelen nemen die leiden tot energiebesparing in de eigen organisatie en het effect van deze maatregelen actief naar buiten communiceren. De gemeente moet haar voorbeeldrol uitstralen en uitdragen. En de gemeente moet bij resultaten zowel de winst voor het milieu als ook de financiële voordelen laten zien. De gemeente burgers, instellingen en bedrijven bewustmaken, stimuleren en faciliteren om energiebesparende maatregelen te treffen, over te gaan naar duurzame energie en duurzaam te handelen Burgers, instellingen en bedrijven moeten zich bewust zijn van gedrag en keuzes. Daarbij wil de gemeente zich in ieder geval richten op de nieuwbouw en bestaande bouw.

De gemeente moet duidelijk maken dat duurzame alternatieven minimaal dezelfde kwaliteit hebben en veelal leiden tot een toename van het wooncomfort.

Hoofdstuk 4

44

De gemeente duurzaamheid gaat inbrengen in gemeentelijk beleid en handelen Duurzaamheid wordt integraal en structureel onderdeel van het gemeentelijk beleid en handelen; duurzaamheid speelt in een vroegtijdig stadium een belangrijke rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of herontwikkeling van gebieden. Duurzaamheid is niet een éénmalige afweging in een proces, maar vraagt continu aandacht op verschillende momenten en op verschillende niveaus. Doorwerking plangebied Toekomstige bouwaanvragen binnen het plangebied worden mede getoetst op basismaatregelen uit het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid. Tevens wordt duurzaam bouwen gestimuleerd op basis van de gemeentelijke ambitie. Zo wordt gebruik gemaakt van een duurzame materiaalkeuze zoals baksteen gevels en FSC-hout. De te realiseren appartementen zullen voldoen aan de geldende duurzaamheidseisen en eisen in kader van energiezuinigheid. De doelstelling is dat de woningen zullen voldoen aan een duurzame energieklasse.

Er wordt gedacht aan de volgende maatregelen om de doelstelling te behalen:  Isolatiewaarden(Rc) voor dichte uitwendige scheidingsconstructies, per onderdeel van de schil – 4.7m2K/W voor gevel, 6.3m2K/W voor het dak en 5.0m2K/W voor de vloer;  U-waarde voor ramen (glas + kozijn) 1,65W/m2K;  U-waarde voor deuren 1,65W/m2K;  Lucht/water warmtepomp of elektrische combi-warmtepomp;  Natuurlijke luchttoe- en mechanische luchtafvoer. Luchttoevoer door zelfregulerende roosters, en mechanische luchtafvoer. Vraagsturing d.m.v. CO2 en vochtsensoren;  Verwarming d.m.v. vloerverwarming;  Dubbele kierdichting;  PV-panelen op het platte dak ;  Gescheiden riolering waarbij hemelwater rechtstreeks op het oppervlaktewater wordt geloosd  Duurzaamheid wordt ook bereikt in de levensloopbestendigheid van de woning. Er worden ruim opgezette appartementen ontwikkeld voorzien van een lift. Uitgangspunt van de ontwikkeling is daarnaast het behalen van een maximale BENG-waarde die wordt bepaald middels NTA 8800. De isolatiewaarden zijn geoptimaliseerd op basis van de BENG en investeringskosten. Het verder isoleren van de woning geeft een beperkte energiebesparing ten opzichte van relatief hoge kosten. Om te voldoen aan bovengenoemde punten zal er bij de aanvraag omgevingsvergunning een BENG-berekening worden aangeleverd waarin aangetoond wordt dat voldaan wordt aan de gestelde normen.

Tevens zal een MPG-berekening worden aangeleverd. Geconcludeerd wordt dat met de voorgenomen nieuwbouw van het plan wordt aangesloten op de duurzaamheidsambitie van de gemeente Stede Broec en hierdoor een positieve bijdrage levert aan het bereiken van deze ambitie.

4.14 Bezonning Er bestaan in Nederland geen wettelijke normen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing, maar dit aspect dient te worden afgewogen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Er zijn wel normen (richtlijnen) van TNO ten aanzien van deze afweging. Deze zijn verdeeld in de lichte en strenge vorm. Een gebouw voldoet aan de lichte norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning

Hoofdstuk 4

45

mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. Een gebouw voldoet aan de strenge norm indien in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonningmogelijk is gedurende drie uren per etmaal. Het is hierbij geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. Doorwerking plangebied De initiatiefnemer heeft een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Uit de bezonningsstudie blijkt dat de effecten van het initiatief op de bezonning van de omliggende percelen en gevels minimaal zijn. Het plan leidt in die zin niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.

4.15 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt een bestaande bedrijfs- en kantoorlocatie gesaneerd en worden maximaal 14 extra wooneenheden mogelijk gemaakt. De kantoorfunctie blijft gedeeltelijk behouden. Deze wijziging kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden op basis van de vraag of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt.

Doorwerking plangebied Voor onderhavig initiatief is een vormvrije m.e.r.-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie opgesteld. In deze aanmeldnotitie is aanbevolen om - na nadere kennisname van deze beoordeling - een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van voorliggend initiatief geen milieueffectrapportage wordt vereist. Dit in verband met de aard en omvang van het project, de te verwachten beperkte (potentiële) milieugevolgen en de plaats van het project. Dit besluit is separaat genomen. De volledige m.e.r.-beoordeling is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.

Hoofdstuk 4

46

5.

UITVOERBAARHEID 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Participatie Initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure, die verderop in deze paragraaf wordt beschreven, de buurt over het planvoornemen geïnformeerd. Op 28 september 2021 is een nieuwsbrief in de buurt afgegeven, waarbij de eerste ontwerpschetsen van het beoogde nieuwe complex zijn toegevoegd. De nieuwsbrief is afgegeven op de adressen Zonnedauw 1 t/m 101 (Stede Borgh), Zonnedauw 2 t/m 24, Stationslaan 23 t/m 43 en Middenweg 2. Hierbij is de gelegenheid gegeven om een reactie te geven of vragen te stellen aan initiatiefnemer De Woonschakel. Er is geen reactie ontvangen. Hierna is een start gemaakt met de voorbereiding van het bestemmingsplan, is het ontwerp van de nieuwbouw verder uitgewerkt en op onderdelen aangepast (onder meer na consultatie van welstand) en is het landschapsontwerp opgesteld. Op 13 april 2022 is de buurt wederom geïnformeerd over het plan en is een inloopmoment georganiseerd, waarop mensen vragen konden stellen over het plan. Bestemmingsplanprocedure De wettelijke bestemmingsplanprocedure start met de publicatie van een ontwerpbestemmingsplan.

Het ontwerpbestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Zie over deze procedure nader hoofdstuk 7.

5.2 Economische uitvoerbaarheid Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is (zie paragraaf 3.1). De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de woningen. Er zijn geen hoge kosten te voorzien. De financiële haalbaarheid van het plan is vanuit diverse opzichte, zoals bodem, archeologie en flora en fauna, in kaart gebracht. Hiermee kan het op te stellen bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Grondexploitatie en kostenverhaal Een gemeente is conform de grondexploitatiewet verplicht om haar kosten op de grondeigenaar te verhalen, wanneer deze grondeigenaar een zogenaamd ‘bouwplan’ (zoals aangeduid in art. 3.2.1 Besluit ruimtelijke ordening) wil realiseren en wanneer voor de goedkeuring van dit bouwplan een wijziging van een ‘ruimtelijke besluit’ (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) nodig is. Dit bestemmingsplan is een op uitvoering gericht bouwplan waardoor het nodig is een exploitatieplan vast te stellen of de betaling van de kosten op een andere manier te verzekeren.

Hoofdstuk 5

47

Tussen initiatiefnemer en de gemeente Stede Broec is een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarmee zijn de kosten anderszins verzekerd.

Hoofdstuk 5

48

6.

PLANSTUKKEN 6.1 Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en de voorliggende toelichting.

6.2 Toelichting op de analoge verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond (BGT juli 2018), schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de kadastrale ondergrond geen juridische status heeft.

6.3 Toelichting op de regels Voor de regels bij het bestemmingsplan is overwegend aangesloten bij de SVBP 2012 en overige recente bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van ruimte voor ruimte woningen in het buitengebied van Stede-Broec. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3:

Hoofdstuk 4:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. Algemene regels, waaronder onder andere zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in intepretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor de eenduidigheid zijn enkele begrippen uit het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum StedeBroec’ overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP 2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012.

Hoofdstuk 6

49

Bestemmingsregels Bestemmingen De regels van een bestemming worden in beginsel als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 9. Wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Onderstaand zijn de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en dergelijke.

Binnen de planregels voor ‘Groen’ is het mogelijk een pad naar de beoogde voetgangersbrug over het water aan de noordzijde van het plangebied te realiseren. Gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van nutsvoorzieningen met een maximale goot- en nokhoogte van respectievelijk 3 en 4,5 meter en een maximum oppervlakte van 15 m2. Verkeer Het voorterrein en het parkeerterrein aan de achterzijde van de appartementen is bestemd als ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, staten en paden, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en dergelijke. Het gaat om functies, die hoofdzakelijk gericht zijn op een verblijfsfunctie. Gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van nutsvoorzieningen. De bouwregels voor nutsvoorzieningen zijn gelijk aan de regels in de bestemming ‘Groen’. Water Aan de noordoostkant van het plangebied is de bestemming ‘Water’ opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige doeleinden (zoals infiltratie, waterberging), groenvoorzieningen en kruisingen en overbruggingen. Binnen deze bestemming is het dus mogelijk om de beoogde brugverbinding in noordelijke richting te maken. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Hoofdstuk 6

50

Wonen Ter plaatse van het appartementengebouw (incl. kantoorgedeelte) zijn de gronden bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bedoeld voor wonen en bijbehorende voorzieningen. Binnen de aanduiding ‘kantoor’ zijn ook kantoren toegestaan. De bouwvorm, bouwhoogte en het maximum aantal wooneenheden zijn op de verbeelding aangegeven. Voor het realiseren van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde, is een specifieke regeling opgenomen. Tevens is in de bouwregels een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het voorkomen van trillingshinder opgenomen (zie nader par. 4.12). De planregels bevatten een afwijkingsbevoegdheid om binnen de aanduiding ‘kantoor’ twee extra wooneenheden toe te staan. Hiertoe zijn nadere voorwaarden opgenomen. Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen voor ondergeschikte bouwdelen. In de algemene gebruiksregels is een regeling met betrekking tot het parkeren opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12093473/1