13A Eindrapport-De casus door de keten-Regioplan-nov2021-DEF
Tekst van het document
Kenmerken van nieuwe incidenten van huiselijk geweld en kindermishandeling In deze paragraaf beschrijven wij de kenmerken van de nieuwe incidenten van HGKM. In totaal zijn er bij de 21 casussen 37 nieuwe incidenten gemeld, waarvan 14 geregistreerd door Veilig Thuis (38%) en 23 (62%) door de vervolghulp. Zoals eerder genoemd hebben Veilig Thuis en de vervolghulp slechts een paar keer op dezelfde casus een recidive-incident geregistreerd. Bij deze casussen lagen bovendien de geregistreerde data van het incident ver uit elkaar, wat waarschijnlijk betekent dat dit verschillende incidenten betreft. Opvallend is dat de incidenten die geregistreerd zijn door Veilig Thuis zich vaak eerder hebben afgespeeld. Wat betreft de incidenten die bekend zijn bij Veilig Thuis is het gemiddeld aantal dagen tussen het incident waarop de melding is gedaan en het (eerste) recidive-incident 30 dagen (N=10). Voor de vervolghulp is dit gemiddeld 434 dagen (N=22). Tussen het eerste en tweede recidive-incident (geregistreerd door Veilig Thuis of de vervolghulp) zitten gemiddeld 208 dagen (N=9). Vervolgens duurt het gemiddeld 209 dagen tot het derde recidive-incident (N=4), en vervolgens 109 dagen tot het vierde recidive-incident (N=3).
55
Zoals in figuur 6.4 te zien is, zijn de meest voorkomende vormen van geweld bij recidive-incidenten fysiek geweld (43%) en psychisch geweld (43%). Bij acht incidenten was er sprake van een andere vorm van geweld, bijvoorbeeld stalking of dat het kind getuige was van huiselijk geweld. Figuur 6.4
Vormen van geweld bij recidive-incidenten (N=37)* 43%
Psychisch geweld
43%
Fysiek geweld (Pedagogische en/of lichamelijke) verwaarlozing van kinderen
16%
5%
Seksueel geweld
3%
Financieel misbruik van oudere (65+)
3%
Verwaarlozing van oudere (65+) 0%
5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45% 50%
* Er kan sprake zijn van meerdere vormen van geweld, dus tellen de percentages niet op tot 100%.
56
In tabel 6.1 is weergegeven bij welke organisaties de recidive-incidenten bekend zijn. Ongeveer de helft van de nieuwe incidenten (46%) is bekend bij het lokaal veld van de verschillende profielen. Relatief veel incidenten zijn bekend bij ‘andere instellingen’ zoals politie, huisarts of een instelling voor ouderenzorg.
57
Tabel 6.1 Organisaties bij wie recidive-incidenten bekend zijn (N=37)* Organisatie Aantal nieuwe incidenten bekend Andere instelling 14 (38%) Profiel 5 7 (19%) Profiel 1 4 (11%) Profiel 2 3 (8%) Profiel 3 3 (8%) Parlan 3 (8%) William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Reclassering 3 (8%) De Jeugd en Gezinsbeschermers 2 (5%) Opvoedpoli 2 (5%) GGZ NHN 1 (3%) Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering 1 (3%) MEE & De Wering 1 (3%) Raad voor de kinderbescherming 1 (3%) Reclassering 1 (3%) Veiligheidshuis 1 (3%) MDA++ 1 (3%) * Incidenten kunnen bekend zijn bij meerdere instellingen, dus de percentages tellen niet op tot 100%.
Patronen voor nieuw geweld In deze paragraaf worden patronen beschreven in de verschillen tussen de casussen met en zonder nieuwe incidenten/nieuwe zorgen. Bij casussen waarbij de hulpverlening een grotere rol speelt lijken vaker nieuwe zorgen of incidenten bekend te zijn, zie tabel 6.2. Zo is bij iets minder dan de helft van de casussen die een traject aangeboden hebben gekregen nieuwe zorgen bekend (44%), in een derde van deze casussen is een nieuw incident bekend (31%). Bij casussen die geen traject aangeboden hebben gekregen zijn minder vaak nieuwe zorgen of incidenten bekend (18% en 15% respectievelijk). Ook wanneer gemonitord wordt bij een casus zijn vaker nieuwe zorgen van huiselijk geweld bekend, vergeleken met casussen waarbij niet gemonitord wordt. Bij casussen waarbij nazorg verleend wordt zijn deze verschillen kleiner. Tabel 6.2 Kenmerken van hulpverlening en de kans op nieuwe zorgen en incidenten Kenmerken Nieuwe zorgen bekend Nieuwe incidenten bekend Hulpverlening Traject aangeboden (N=39) 44% 31% Geen traject aangeboden (N=60) 18% 15% Monitoring Monitoring uitgevoerd (N=35) 51% 34% Geen monitoring uitgevoerd (N=27) 33% 30% Nazorg Nazorg verleend (N=13) 46% 31% Geen nazorg verleend (N=49) 43% 33%
58
Daarnaast is gekeken of casusregie en afstemming van trajecten geassocieerd is met de aanwezigheid van nieuwe zorgen of incidenten, zie tabel 6.3. Zo zijn bij casussen waarin casusregie is uitgevoerd vaker nieuwe zorgen bekend (46%) dan bij casussen waar geen casusregie is uitgevoerd (35%). Ook bij casussen waarin onduidelijk is of casusregie is uitgevoerd (wanneer niet alle partijen aangeven dat dit het geval is, zie paragraaf 5.2) zijn vaker nieuwe zorgen bekend (50%). Ook nieuwe incidenten zijn vaker bekend bij casussen waarin (mogelijk) sprake is van casusregie, vergeleken met casussen waarin geen casusregie is uitgevoerd. Hetzelfde patroon is te zien bij afstemming van trajecten. Dit alles lijkt te suggereren dat de bekendheid van nieuwe zorgen en incidenten vooral aangeeft hoeveel zicht er is op de casus. Wanneer er geen nieuwe zorgen of incidenten bekend zijn bij een casus zou dit dus niet hoeven betekenen dat er geen sprake is van nieuw geweld, maar mogelijk dat er minder zicht is op de casus waardoor nieuwe zorgen en incidenten minder snel bekend worden.
Tabel 6.3 Casusregie en afstemming en de kans op nieuwe zorgen en incidenten (N=62) Kenmerken Nieuwe zorgen bekend Nieuwe incidenten bekend Casusregie -Uitgevoerd (N=24) 46% 33% -Onduidelijk (N=18) 50% 39% -Niet uitgevoerd (N=20) 35% 25% Afstemming trajecten -Uitgevoerd (N=21) 48% 43% -Onduidelijk (N=14) 64% 36% -Niet uitgevoerd (N=27) 30% 22%
59
In lijn met het voorgaande zijn er ook verschillen tussen profielen in het aantal casussen waarbij nieuwe incidenten of nieuwe zorgen bekend zijn, zie tabel 6.4. Het is niet goed mogelijk dit te koppelen aan de profielen, behalve dat profiel 1 zich onderscheidt op zowel de bekendheid van nieuwe zorgen en incidenten als op een grote betrokkenheid van het lokaal veld in vrijwel alle casussen, waardoor er op de casussen in dat profiel waarschijnlijk ook relatief veel zicht is op wat er gebeurt; en omgekeerd dat profiel 4 zich onderscheidt tot relatief weinig betrokkenheid in/zicht op casussen en lage percentages nieuwe zorgen en incidenten. Deze aanname zou echter verder onderzocht moeten worden, omdat het verband bij de andere profielen minder duidelijk is. Tabel 6.4 Percentage van casussen waarbij nieuwe zorgen of incidenten bekend zijn in de profielen (N=97)* Profielen Nieuwe zorgen bekend Nieuwe incidenten bekend Profiel 1 (N=20) 35% 30% Profiel 2 (N=18) 33% 22% Profiel 3 (N=20) 35% 15% Profiel 4 (N=19) 16% 16% Profiel 5 (N=20) 25% 25% * Twee casussen vielen niet onder één van de vijf profielgemeenten en zijn daarom weggelaten uit deze analyse.
60
Tabel 6.5 laat de verschillen tussen casussen zien wat betreft de ernst van de problematiek en het vóórkomen van recidive. Er blijken vaker nieuwe zorgen of incidenten bekend bij casussen waarin meerdere vormen van geweld spelen of een geweldsgeschiedenis aanwezig is. Bij casussen met een ernstige voorgeschiedenis van geweld (zie paragraaf 4.5) zijn deze verschillen echter minder eenduidig. Tabel 6.5
Percentage casussen waarbij nieuwe zorgen of incidenten bekend zijn, apart voor casussen waarbij sprake is van één of meerdere typen geweld Nieuwe zorgen bekend Nieuwe incidenten bekend Aantal vormen van geweld Eén vorm (N=33) 27% 12% Twee vormen (N=38) 32% 26% Drie vormen (N=6) 50% 50% Geweldsgeschiedenis Eerdere geweldsgeschiedenis (N=58) 36% 24% Geen geweldsgeschiedenis (N=41) 17% 17% Ernstige voorgeschiedenis Ernstige voorgeschiedenis (N=19) 32% 16% Geen (ernstige) voorgeschiedenis (N=80) 28% 23%
61
Tot slot is er gekeken of de aanwezigheid van specifieke risicofactoren geassocieerd is met nieuwe zorgen of incidenten. Bij casussen met een geschiedenis van huiselijk geweld is vaker een nieuw incident bekend, vergeleken met casussen zonder deze risicofactor (38% en 17% respectievelijk). Ook bij casussen waar sprake is van werkloosheid worden meer nieuwe incidenten gemeld (50% vergeleken met 21%). Nieuwe zorgen of vermoedens zijn vaker bekend bij casussen waar sprake is van sociaal isolement (50% versus 35%).
62
7
Conclusies & aanbevelingen
7 Conclusies en aanbevelingen Dit onderzoek had tot doel het krijgen van meer inzicht in de effectiviteit van de aanpak van HGKM en het leveren van concrete aanbevelingen voor verdere verbetering van de ketenaanpak. Dit werd gedaan door het verzamelen van data over de aard en opvolging van meldingen, de recidive te meten en deze recidive vervolgens te relateren aan de wijze van opvolging. In dit hoofdstuk worden in het eerste deel (de conclusies) de onderzoeksvragen beantwoord en in het tweede deel aanbevelingen gedaan.
Conclusies De centrale onderzoeksvragen luiden: 1. Wat zijn de kenmerken van meldingen HGKM die binnenkomen bij Veilig Thuis? 2. In welke mate is sprake van nieuw huiselijk geweld/kindermishandeling in deze casussen (voor zover bekend bij betrokken instellingen)? 3. Zijn er patronen waar te nemen in verschillen tussen casussen waarin wel recidive bekend is, en casussen waarin dat niet het geval is? 4. Wat zijn mogelijke oorzaken van die patronen en hoe kunnen deze worden weggenomen? 7.1.1 De kenmerken van meldingen HGKM De casuïstiek zelf Het geweld dat bij Veilig Thuis gemeld wordt, vindt grotendeels (>88%) plaats bij gezinnen met minderjarige kinderen, met ouders die al dan niet gescheiden zijn. De meest voorkomende vormen van geweld zijn psychisch (60%) en fysiek geweld (40%). Het meeste geweld wordt gepleegd tegen kinderen (51%) en tussen (ex-)partners (48%) en is niet wederzijds. In de meeste casussen (59%) is sprake van een geweldsgeschiedenis van gemiddeld vijf jaar, waarbij Veilig Thuis veelal (92%) betrokken is geweest. 64
Risicofactoren In 45 procent van de casussen is een risicoanalyse uitgevoerd. Opvoed-/ontwikkelingsproblematiek en relatie-/echtscheidingsproblematiek worden door de betrokken hulpverlenende partijen het meest herkend bij deze risicoanalyses, deze zijn in ongeveer driekwart van de casussen geregistreerd. Vergeleken met het onderzoek van Steketee et al., (2020) is interessant dat dit niet geheel aansluit op wat zij zien aan problematiek in de casuïstiek die bij Veilig Thuis wordt gemeld, namelijk traumaklachten bij ouders en kinderen, hechtingsproblematiek en emotionele onveiligheid, naast een cumulatie van risicofactoren die in ongeveer drie kwart van de casussen een rol speelt. Dat traumaklachten relatief weinig gezien worden hangt mogelijk samen met de beperkte mate van traumascreening (aangegeven in ongeveer een derde van de casussen, maar onder vermelding van instrumenten die niet (primair) op trauma gericht zijn). Het doorlopen traject na melding Veilig Thuis krijgt de meldingen gemiddeld zeven dagen na het incident binnen en voert vervolgens een veiligheidsbeoordeling uit. Die veiligheidsbeoordeling duurt gemiddeld negen dagen, twee dagen langer dan de wettelijke termijn van vijf werkdagen. Bij de meeste casussen is er een vervolg door Veilig Thuis zelf (onderzoek, voorwaarden & vervolg). Veilig Thuis draagt ook vaak over aan het lokaal veld (29%).
Als Veilig Thuis direct na de veiligheidsbeoordeling overdraagt, duurt het gemiddeld veertien dagen tot die overdracht plaatsvindt. De gemiddelde duur van het moment van overdracht tot het eerste echte contact, in de zin van een afspraak en een gesprek, dat de vervolghulp met directbetrokkenen heeft is 36 dagen, 66 dagen na het incident. In de tussentijd heeft Veilig Thuis vaak wel directbetrokkenen gesproken en is er contact geweest om de afspraak te maken. 65
Aanbod, verloop en uitvoering van hulpverlening Het grootste deel van de hulpverleningstrajecten is gericht op kinderen; een kleiner deel op de volwassenen. Afgezet tegen de waargenomen risicofactoren blijkt dat psychische/gedragsproblematiek bij kinderen de enige risicofactor is waarbij de hulp bijna net zo vaak wordt verleend als dit risico wordt waargenomen in de casussen. Andere risicofactoren, met name psychische/verslavingsproblematiek bij volwassenen en problematiek rondom werk & inkomen, worden minder vaak opgevolgd met hulp. Als belangrijkste oorzaak hiervoor is genoemd dat het moeilijk is om in het vrijwillig kader ouders te motiveren om hulp voor hun eigen, individuele problematiek te accepteren. Over de duur tussen de verschillende stappen in de hulpverlening valt weinig te zeggen, omdat de registratie van informatie op trajectniveau moeilijk te koppelen is aan de informatie die op casusniveau beschikbaar is. Wat wel duidelijk is, is dat bij elke stap in de hulpverlening mensen uit de hulpverleningstrajecten vallen. Van de 99 casussen zijn in totaal 87 trajecten aangeboden. Van deze aangeboden trajecten zijn er 73 gestart. Van deze gestarte trajecten zijn er 22 voldoende doorlopen en bij 18 trajecten de risicofactoren weggenomen.
Van de trajecten die onvoldoende zijn doorlopen of waar niet alle risicofactoren zijn weggenomen, is er bij een klein deel van de trajecten (16) een vervolgtraject gestart. Het gevonden beeld werd in het onderzoek niet door alle respondenten herkend. Dat komt waarschijnlijk doordat gemeenten en aanbieders deze informatie zelf meestal niet bijhouden, en zeker niet specifiek voor HGKM-casussen. De mate van (systeemgerichte) samenwerking De fases uit de Visie gefaseerd samenwerken voor veiligheid zijn beperkt herkenbaar in de casussen die in dit onderzoek zijn meegenomen, hetgeen niet onverwacht is aangezien de casussen van begin 2019 66
dateren. Destijds bestond de ambitie nog niet om volgens deze visie te werken. Er wordt gewerkt met veiligheids-, hulpverlenings- en herstelplannen, maar zeker nog niet over de hele linie en ook niet integraal: het komt veelvuldig voor (39-55%) dat één van de betrokken partijen aangeeft een dergelijk plan te kennen, maar (een) andere partij(en) niet. Dit terwijl bij de meeste casussen (79%) meerdere hulpverleningsorganisaties betrokken zijn. Hetzelfde geldt voor regie en afstemming: er lijkt sprake van te zijn, maar niet over de hele linie van alle betrokken partijen bij een casus. Een belangrijke oorzaak die daarvoor in het onderzoek is genoemd, is het gebrek aan eenduidige invulling van het begrip ‘regie’. Het is niet duidelijk wat er precies onder dit begrip verstaan moet worden en het is ook lang niet altijd duidelijk waar de regie ligt. Een andere oorzaak voor de geconstateerde beperkingen in de samenwerking ligt in problemen rondom informatie-uitwisseling, waardoor de ene partij het plan van de andere niet kent. Ernstigste casussen Uit een analyse van de verschillen tussen ‘ernstige’ casussen 8 en andere casussen blijkt dat in de ernstigste casussen door Veilig Thuis anders gehandeld wordt: nooit overdracht aan het cliëntsysteem en vaker een vervolg door Veilig Thuis zelf (42% versus 30%). De jeugdbescherming is in deze casussen ook veel vaker betrokken (53% versus 13%).
Dat verklaart mogelijk ook waarom hier vaker casusregie wordt gevoerd. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de hulpverlening niet goed op de hoogte is van de geweldsgeschiedenis in deze casussen en dat er meer uitval uit trajecten is. Oftewel: het gaat hier om hardnekkige casussen waarin het niet eenvoudig blijkt om het patroon van geweld te doorbreken.
8
67
Veilig Thuis was minstens drie keer eerder betrokken, er is een geweldsgeschiedenis en minstens één vorm van geweld. N=19.
7.1.2 De mate van recidive Bij 28 procent van de casussen zijn nieuwe zorgen/vermoedens omtrent HGKM bekend en bij 21 procent van alle casussen zijn één of meer nieuwe HGKM-incidenten bekend. Gemiddeld zijn er 1,8 nieuwe incidenten per recidiverende casus. Van de nieuwe incidenten is slechts 10 procent bekend bij zowel de vervolghulp als Veilig Thuis. Een minderheid (38%) van de casussen waarin nieuw geweld voorkomt is alleen bekend bij Veilig Thuis, de helft (52%) alleen bij de vervolghulp. De vervolghulp meldt nieuw geweld niet altijd bij Veilig Thuis. Als belangrijke verklaring daarvoor komt uit het onderzoek dat de noodzaak om structurele onveiligheid ook bij Veilig Thuis te melden als een hulpverlener zelf verder gaat met de casus (in verband met de ‘radarfunctie’ van Veilig Thuis) niet breed gedeeld wordt, ook nu niet. Specifiek speelt daarnaast dat begin 2019 de aanscherping van de Meldcode nog nieuw was. 7.1.3 Patronen bij nieuw geweld en mogelijke oorzaken Onderzocht is of er interessante patronen bestaan in de verschillen tussen casussen waarin wel nieuw geweld bekend is, en casussen waarin geen nieuw geweld bekend is. Opvallend daarbij is dat in de casussen waarin nieuwe geweldsincidenten (of zorgen/vermoedens omtrent nieuw geweld) bekend zijn, de hulpverlening nauwer betrokken is.
In die casussen is vaker hulp aangeboden en is vaker sprake van monitoring, casusregie en afstemming. Alleen bij nazorg zien we dit patroon niet eenduidig terug. Dat leidt tot het vermoeden dat vooral gemeten is of een casus goed in beeld is bij de hulpverlening; zo ja, dan wordt nieuw geweld vaker gesignaleerd. De reflectiesessies bevestigen dit vermoeden. Om die reden is het weinig zinvol om te zoeken naar de hierboven genoemde patronen; het is immers goed mogelijk dat in de casussen waarin geen recidive is geregistreerd in dit onderzoek, die recidive wel heeft plaatsgevonden. Het Verwey-Jonker Instituut vond immers in landelijk onderzoek dat het geweld in meer dan de helft van de gezinnen 1,5 jaar na melding bij Veilig Thuis nog voortduurt. 68
7.1.4 Gevolgen van keuzes bij de inrichting van het lokaal veld In het onderzoek is nagegaan of verschillen in de keuzes die gemeenten maken bij de inrichting van de lokale (wijk)teams, die de HGKM-casussen op lokaal niveau behandelen, gevolgen hebben voor de manier waarop deze casussen de stappen van de keten doorlopen. Daaruit komt één inrichtingsaspect naar voren dat belangrijke consequenties lijkt te hebben: als een lokaal (wijk)team zelf hulp verleent, neemt dat een aantal belemmeringen in de ketenaanpak weg: regievoering wordt eenvoudiger omdat een deel van de hulp in huis verleend wordt waardoor er makkelijker zicht op bestaat; er is minder afhankelijkheid van wachtlijsten bij externe partijen en er zijn meer mogelijkheden om te sturen op de aansluiting van de hulp op het voorliggend veld (en dus op het netwerk van de directbetrokkenen). Andere aspecten die van invloed zijn op het verloop van de keten, betreffen niet zozeer de inrichting zelf, als wel de manier waarop er binnen die inrichting wordt gestuurd. Zo blijkt een actieve sturing op een systematische werkwijze en gebruik van bijbehorend instrumentarium en op de aanwezigheid van voldoende expertise in het lokaal (wijk)team het systeemgericht werken te bevorderen. De integrale organisatie van de teams doet er minder toe, om twee redenen.
Ten eerste blijkt integraliteit in de praktijk lastig te realiseren, zelfs als verschillende wettelijke kaders in één team zijn ondergebracht. Ten tweede blijkt integraliteit zich vaak te beperken tot het integreren van hulp in het kader van de Jeugdwet en de Wmo, terwijl ook aansluiting op Werk & Inkomen belangrijk is voor een effectieve aanpak van HGKM. Integraliteit is dus wel belangrijk, maar krijgt in de praktijk onvoldoende vorm om er de effecten van te kunnen zien.
69
Aanbevelingen Op basis van het voorgaande wordt hieronder een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn gericht op de gemeenten in de regio Noord-Holland Noord; op de keuzes die zij maken bij de inrichting van hun lokaal veld en op de wijze waarop zij het opdrachtgeverschap richting aanbieders invullen. De aanbevelingen zijn opgehangen aan de visie Gefaseerd samenwerken voor veiligheid. Deze visie stelt veiligheid centraal. Veiligheid vereist dat er zicht is op een casus. Zicht is er alleen als er wordt samengewerkt: als er daadwerkelijk met dat ene plan gewerkt wordt voor het hele systeem van directbetrokkenen. Veiligheid vereist ook doen wat op dat moment nodig is en past. Dat betekent dat eerst de directe onveiligheid moet worden weggenomen; daarna gewerkt wordt aan het wegnemen van risicofactoren; en vervolgens aan het herstel van de schade die het geweld veroorzaakt heeft. Dat alles kan niet zonder regie: als er niet één persoon of partij is die het zicht over de hele casus creëert en houdt, die daarin de problemen van alle directbetrokkenen in relatie tot elkaar beschouwt en daar met hen en met de hulpverlening een passende aanpak op formuleert, wordt het onmogelijk om zicht op veiligheid te houden, om gefaseerd te werk te gaan, om daadwerkelijk samen te werken aan veiligheid.
We zien dat ook terug in het onderzoek: daar waar het meest zicht op een casus bestaat, wordt ook de meeste onveiligheid gesignaleerd.
70
Aanbeveling 1: zorg voor een goede en eenduidige invulling van regie Op dit moment is de invulling van regie in de regio gefragmenteerd. Dat werkt belemmerend op de ketensamenwerking en daarmee uiteindelijk ook op de effectiviteit van de aanpak. Het is belangrijk dat iedereen in de regio hetzelfde onder regie verstaat en dat ook altijd duidelijk is waar de regie ligt. Pas bij het maken van onderscheid tussen proces- en casusregie op het organiseren van schijnregie: een procesregisseur die op te grote afstand van de casus staat om alles waar daarin gebeurt goed te kunnen volgen, en een casusregisseur die niet over juiste instrumenten en mandaten beschikt om alle lijnen binnen een casus bij elkaar te laten komen en op elkaar af te stemmen. Proces- en casusregie kunnen in één hand liggen; worden ze uit elkaar gehaald, dan is het belangrijk dat ze samen een eenheid zijn. Gebruik de visie Gefaseerd samenwerken aan veiligheid als basis voor het eenduidig uitwerken van het begrip regie: de regisseur is degene die het werken volgens deze visie aanstuurt; Verwerk de invulling van het begrip regie in de opdrachten aan aanbieders; Stel het werkproces zo op dat er altijd, bij elke casus, een regisseur is en iedereen weet wie dat is; Stuur actief op het volgen van dat werkproces.
Aanbeveling 2: stel werken aan veiligheid centraal in de aanpak van HGKM Het onderzoek laat zien dat geweld en onveiligheid lang niet altijd geadresseerd worden in de hulpverlening. Er wordt te veel hulp ingezet die niet effectief is omdat die het patroon van geweld en onveiligheid niet aanpakt, en er wordt te weinig hulp ingezet die wel effectief is. Dat moet echt anders. Werken volgens de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid betekent dat veiligheid centraal staat in de aanpak. Dat betekent dus ook dat geweldsdynamiek en onveiligheid integraal onderdeel moeten zijn van de ingezette hulpverleningstrajecten. 71
Aanbeveling 3: overbrug de scheiding tussen hulp aan kinderen en hulp aan volwassenen De meeste casussen HGKM die gemeld worden bij Veilig Thuis betreffen casussen met minderjarige kinderen. De focus op kinderen in de aanpak is begrijpelijk vanuit de urgentie die daarbij wordt gevoeld, maar niet terecht om twee redenen: de problematiek van kinderen hangt veelal samen met die van hun ouders; en niet alle HGKM-problematiek betreft gezinnen met minderjarige kinderen. Het is belangrijk de focus in de aanpak naar het hele systeem te verschuiven en ook voor de casussen waarin geen kinderen betrokken zijn een passende aanpak te hebben. Dat betekent dat de scheidingen die er bestaan tussen de domeinen die zich bezig houden met jeugd en volwassenen overbrugd moeten worden. Zorg voor een nauwe samenwerking tussen hulpverleners met expertise op het gebied van jeugd, hulpverleners met expertise op het gebied van volwassenproblematiek en Werk & Inkomen. Stuur actief op de aanwezigheid van expertise op het gebied van HGKM in de lokale (wijk)teams. Het gaat dan in ieder geval om kennis van geweldsdynamiek, relatiesystemen, patronen die geweld veroorzaken en in stand houden, en gespreks- en motiveringsvaardigheden.
Werk voor het motiveren van ouders voor het erkennen van hun eigen problemen en accepteren van hulp daarvoor samen met aanbieders die in volwassenproblematiek gespecialiseerd zijn. Aanbeveling 4: verbeter informatiedeling tussen samenwerkende partijen Een effectieve aanpak van HGKM kan niet zonder een goede informatiedeling. Zonder informatiedeling zijn systeemgericht werken en het voeren van regie immers onmogelijk. In dit onderzoek is meerdere malen naar voren gekomen dat informatiedeling geen vanzelfsprekendheid is. Werk daarom aan duidelijke afspraken over wie welke informatie wanneer en waarover met wie kan, mag en moet delen. Koppel daar een escalatieprocedure aan voor wanneer die afspraken niet worden nagekomen. 72
Aanbeveling 5: versterk het zicht op veiligheid Een goede invulling van regie bevordert het zicht op veiligheid. De verantwoordelijkheid voor het zicht op veiligheid ligt niet alleen bij de regisseur en hulpverleners; de wetgever heeft die verantwoordelijkheid ook expliciet bij Veilig Thuis belegd in de vorm van de radarfunctie. Situaties van structurele onveiligheid behoren bij Veilig Thuis gemeld te worden, ongeacht de vraag of de hulpverlener die de situatie signaleert zelf met de casus verder kan. Ga met Veilig Thuis en aanbieders in gesprek over de vraag waarom structurele onveiligheid nu niet altijd bij Veilig Thuis wordt gemeld. Werk vervolgens samen aan het wegnemen van de belemmeringen die deze partijen hier nu voor ervaren. Daarnaast is het belangrijk dat Veilig Thuis altijd waar relevant informatie over onveiligheid in casussen deelt met bij de casus betrokken hulpverleners. Stel daarom duidelijke afspraken op over wat Veilig Thuis en ketenpartners in dit kader op welk moment met elkaar delen. Aanbeveling 6: monitor de aanpak Bij het sturen op een effectieve aanpak van HGKM hoort het hebben van zicht op de resultaten van de aanpak. Zet daarvoor een monitor op die voortbouwt op de methodiek die in dit onderzoek is gebruikt om het functioneren van de keten inzichtelijk te maken, koppel daar KPI’s aan en verbind dit aan het contractmanagement.
Besteed in ieder geval aandacht aan: uitval: organiseer als gemeenten zicht op het verloop van de trajecten die worden ingezet bij HGKM; koppel dat aan de regie, zodat de regisseur in kan grijpen als trajecten niet lopen zoals beoogd; verwerk dat zicht in registraties, zodat over de langere termijn gevolgd kan worden of het lukt om de uitval in de keten te verminderen; besteed daarbij ook aandacht aan aspecten die inzicht geven in het werken volgens de visie Gefaseerd werken aan veiligheid. 73
Aanbeveling 7: vereenvoudig processen zodanig dat echte snelheid mogelijk wordt Het proces dat een casus HGKM doorloopt is ingewikkeld georganiseerd. Dat belemmert de snelheid van handelen, in casuïstiek waarin die snelheid er juist toe doet; vertragingen, herhaaldelijk moeten vertellen van het verhaal en wachtlijsten werken immers demotiverend, weten we uit onderzoek. Veilig Thuis, lokale (wijk)teams en zorgaanbieders voeren ieder een stukje van het proces uit, waarbij de processen per gemeente sterk kunnen verschillen. Snelheid is gebaat bij versimpeling van het proces. Maak per gemeente een klantreis voor casussen HGKM en identificeer daarbij voor elke stap die genomen moet worden het belang van die stap vanuit het perspectief van de cliënten maar ook vanuit het perspectief van gemeenten als opdrachtgever en van gemeenten en aanbieders als hulpverleners. Kijk daarbij in ieder geval naar: overdrachtsmomenten en discussies rondom overdrachten; het delen van informatie; werkprocessen voor indicatiestelling en betalingen; wachtlijsten; en verschillen tussen gemeenten in werkprocessen, afspraken met en eisen aan aanbieders die efficiënt werken door aanbieders belemmeren. Ga als gemeenten in gesprek met elkaar, met Veilig Thuis en met aanbieders na welke mogelijkheden er zijn om het proces te vereenvoudigen en daarmee ook te versnellen.
Aanbeveling 8: stem tussen gemeenten af over de opdracht aan regionale ketenpartners De aanpak wordt belemmerd doordat gemeenten verschillende opdrachten en eisen aan regionale ketenpartners geven en stellen. Stem als gemeenten met elkaar af over wat in het kader van de aanpak van HGKM van regionale ketenpartners wordt verwacht, wat de verdeling van rollen en verantwoordelijkheden tussen gemeenten en ketenpartners is, en hoe e.e.a. vorm krijgt in inkoopafspraken en verantwoordingseisen. Dit faciliteert ook de monitoring van de aanpak (aanbeveling 4). 74
Aanbeveling 9: reflecteer op de inrichting van het lokaal veld Hoe een lokaal team is ingericht doet ertoe. Gemeenten kunnen de effectiviteit van de aanpak van HGKM verhogen door binnen hun lokale teams de randvoorwaarden daarvoor te realiseren. Het onderzoek laat zien dat in dat kader in ieder geval het volgende ertoe doet: de mate waarin een lokaal team zelf hulp verleent; en in het verlengde daarvan: regie voert; het actief sturen op een systematische werkwijze bij HGKM en het gebruik van een bijpassend instrumentarium; het realiseren van voldoende expertise op het vlak van HGKM: kennis van geweldsdynamiek, relatiesystemen, patronen die geweld veroorzaken en in stand houden, de deskundigheid om met directbetrokkenen het gesprek te voeren over geweld en om volwassenen te motiveren voor hulp; het realiseren van enige mate van uniformiteit in hoe gemeenten de aanpak van HGKM in hun lokaal team inrichten. Ketenpartners werken veelal regionaal en hebben met veel verschillende gemeenten te maken. Een zekere mate van uniformiteit vereenvoudigt hun samenwerking met gemeenten en vermindert fragmentatie en inefficiëntie in de aanpak. Uiteraard is HGKM niet de enige problematiek waar de lokale teams op ingericht moeten zijn. Deze problematiek vereist echter specialistische inzet en daar moet ruimte voor zijn in de gekozen organisatiestructuur.
75
B
BIJLAGEN
Bijlage 1 – Begrippenlijst
77
Casus
Het gehele gezin waarin HGKM heeft plaatsgevonden en een melding over is gedaan bij Veilig Thuis.
Casusnummer
Het (registratie)nummer dat gegeven is aan de 100 casussen in dit onderzoek.
Casusregie
De verantwoordelijkheid voor: het zicht op veiligheid; het (doen) uitvoeren van het veiligheidsplan, hulpverlenings- en het herstelplan; de coördinatie van de hulpverlening aan de leden van het gezin of huishouden (de directbetrokkenen) het onderhouden van het contact met de directbetrokkenen over het verloop van de hulpverlening en over het behalen van de doelen van het veiligheidsplan en het hulpverlenings- en het herstelplan.
Clientsysteem
Het geheel van directbetrokkenen in een casus waar hulpverlening aan geboden wordt.
Crisishulp
Acute hulpverlening dat in crisissituaties aangeboden wordt door hulpverleningsorganisaties.
78
Direct betrokkenen
Diegenen die huiselijk geweld en/of kindermishandeling begaan of ondergaan. Alsmede degene die tot hun huishouden of gezin behoren, voor zover Veilig Thuis directe bemoeienis met hen heeft gehad.
Directe veiligheid
De aanwezigheid van veiligheid op korte termijn.
Geweldsgeschiedenis
Het eerder voorkomen van geweld in het cliëntsysteem, voorafgaand aan de Veilig Thuismelding die in dit onderzoek is meegenomen.
Herstelplan
Een beschrijving van de wijze waarop gewerkt wordt aan herstel van de (ontwikkelings-)schade die directbetrokkenen hebben geleden als gevolg van het huiselijk geweld of de kindermishandeling.
Huiselijk Geweld
Lichamelijk, geestelijk of seksueel misbruik of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring (definitie artikel 1 Wmo 2015). Met ‘huiselijke kring’ worden (ex-)partners, familieleden en huisvrienden bedoeld. Het woord huiselijk verwijst niet naar de plaats van het delict (het kan zowel binnenshuis als buitenshuis plaatsvinden) maar naar de relatie tussen pleger en slachtoffer. Bij huiselijk geweld kan het gaan om lichamelijk, psychisch of seksueel misbruik. Het kan de vorm aannemen van (ex-)partnergeweld, eergerelateerd geweld, huwelijksdwang, kindermishandeling, geweld tegen of verwaarlozing van ouderen of geweld tegen ouders.
79
Hulpverleningsplan
Een beschrijving van de wijze waarop gewerkt wordt aan risicofactoren die bijdragen aan het ontstaan en het in stand houden van de onveiligheid.
Ketenpartners
Organisaties die hulpverlening bieden op het gebied van HGKM in regio Noord-Holland Noord, die niet vallen onder de gemeenten in deze regio.
Kindermishandeling
Vorm van – voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige – interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. Het gaat hierbij om: seksuele mishandeling, fysieke mishandeling, emotionele/psychische mishandeling, fysieke verwaarlozing, emotionele/psychische verwaarlozing en getuige zijn van partnergeweld (Definitie artikel 1 Jeugdwet).
Lokaal veld
Het totaal aan lokale organisaties dat gebiedsgerichte hulpverlening en ondersteuning biedt op het gebied van HGKM in regio Noord-Holland Noord.
Melding
Een formele melding bij Veilig Thuis van een HGKM-incident.
Monitoring
Nagaan of aan de veiligheidsvoorwaarden wordt voldaan, of directe en stabiele veiligheid wordt hersteld en of gewerkt wordt aan herstel van schade als gevolg van huiselijk geweld of kindermishandeling.
80
Nazorg
Wanneer de hulpverlening na afronding van een casus nog actie onderneemt om cliënten bij kleine vragen te helpen.
Participatie
Verwijzing naar ondersteuning van inwoners op het gebied van Werk & Inkomen.
Stabiele veiligheid
De aanwezigheid van veiligheid op de lange termijn.
Systeemgerichte hulpverlening
Hulpverlening waarbij de problematiek of de hulpvraag van het individu wordt beschouwd en behandeld in samenhang met problemen van alle andere leden van het gezin of huishouden.
Traject
Een hulpverleningsaanbod dat aan één of meerdere directbetrokkenen in een casus geboden wordt door een hulpverleningsorganisatie.
Veiligheidsbeoordeling
Werkwijze van Veilig Thuis, gericht op het beoordelen van de veiligheid in een situatie die bij Veilig Thuis is gemeld.
Veiligheidsplan
Een beschrijving van de wijze waarop gewerkt wordt aan risicofactoren, die bijdragen aan het ontstaan en het in stand houden van de onveiligheid.
Veilig Thuis
Veilig Thuis Noord-Holland Noord: het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld, kindermishandeling en ouderenmishandeling.
Bijlage 2 – Onderzoeksverantwoording Deze bijlage bevat de onderzoeksverantwoording. Hierin wordt uitleg gegeven over de keuzes en het proces met betrekking tot de startfase, dataverzameling en eindfase. Startfase Tijdens de startfase van het onderzoek zijn er afspraken tussen Regioplan en de regionaal projectleiders van gemeenten Alkmaar en Den Helder, vanuit het programma Geweld Hoort Nergens Thuis gemaakt. Dit waren afspraken omtrent planning, opzet van het onderzoek, verdeling van taken en de verantwoordelijkheden. In deze fase is er door Regioplan een deskstudie gedaan om inzicht te bieden in gehanteerde werkprocessen door Veilig Thuis en het lokaal veld op casuïstiek HGKM, gehanteerde instrumenten en gebruikte registraties. De betrokken regionaal projectleiders hebben de vijf profielen, met ondersteuning van Regioplan opgesteld. Verder heeft Regioplan een concept indicatorenlijst opgesteld op basis van de beschreven werkprocessen, samenwerkingsafspraken en instrumenten die casussen HGKM in theorie doorlopen. Met behulp van betrokken ambtenaren en uitvoerders zijn de profielen en de indicatorenlijst verder aangescherpt, ter gebruik in het onderzoek. Steekproef en informatiebrief betrokkenen Om te komen tot een reconstructie van 100 casussen is er eerst een steekproef van 300 meldingen uit begin 2019 bij Veilig Thuis gedaan.
Deze waren verdeeld naar de vijf profielen van inrichting van het lokaal veld. Voor elk profiel zijn de eerste 60 meldingen uit 2019 geselecteerd resulterend in een totaal van 300 meldingen. De betrokkenen uit deze 300 meldingen ontvingen een brief van Veilig Thuis, waarin werd uitgelegd dat hun casus geselecteerd was voor het onderzoek. Via deze weg kregen zij de gelegenheid om bezwaar te maken tegen opname in het onderzoek. De bezwaarperiode betrof 22 februari tot 81
15 maart 2021. Na afloop van de bezwaartermijn zijn de bezwaren verwerkt en is een definitieve steekproef vastgesteld van 100 meldingen voor de reconstructie en de analyse in het kader van het onderzoek. Dat waren in principe de eerste 20 meldingen per profiel, tenzij daar meldingen tussen zaten waarover bezwaar gemaakt was tegen opname in het onderzoek; in dat geval zijn de direct daarop volgende melding(en) tot het totaal van 20 per profiel was bereikt meegenomen. De steekproef is getrokken door Veilig Thuis, met instructie en begeleiding vanuit Regioplan. Uiteindelijk bleek één casus dubbel in de steekproef te zitten, hetgeen pas bleek na de eerste fase van dataverzameling. Daarom wordt in dit rapport over 99 casussen gerapporteerd. Dataverzameling De dataverzameling bestond uit twee fasen, eerst bij Veilig Thuis en vervolgens bij de ketenpartners. De dataverzameling bij Veilig Thuis verliep van 17 tot 28 mei. In deze periode heeft Veilig Thuis informatie over de 100 casussen die in de steekproef zijn geselecteerd geleverd. De dataverzameling bij de ketenpartners verliep van 1 tot 21 juni 2021. Vooraf aan de dataverzameling bij de ketenpartners is er een informatiebijeenkomst gehouden voor alle betrokken ketenpartners ter toelichting van het onderzoek en de verwachte bijdrage.
De basis voor de dataverzameling betrof de indicatorenlijst die in fase 1 (de startfase) is vastgesteld. Op basis van deze indicatoren ontvingen zij per casus, waarbij zij betrokken zijn (geweest) een digitale vragenlijst in een Data Registratie Systeem (DRS) waarin zij de gevraagde gegevens per casus in konden vullen. De medewerkers die informatie aanleverden, ontvingen een schriftelijke instructie met informatie over de dataverzameling, de indicatorenlijst en de privacy.
82
Bij de dataverzameling is gebruikgemaakt van een koppelbestand. Het koppelbestand bestond uit een overzicht met casusnummers, de datum waarop de casus was overgedragen door Veilig Thuis en persoonsgegevens van de betrokkenen bij deze casussen (naam en geboortedatum). Dit bestand was vertrouwelijk en alleen toegankelijk voor de regionaal projectleider van de gemeente Den Helder, die de relevante casussen eruit selecteerde en in aparte koppelbestanden aan elke ketenpartner deed toekomen. Het koppelbestand bevatte geen inhoudelijke informatie over de casus en werd apart naar de ketenpartners gestuurd door de regionaal projectleider van Den Helder. Privacy In het kader van de privacywet- en regelgeving zijn er afspraken voor dit onderzoek gemaakt en vastgelegd in een convenant tussen de gemeente Den Helder, de gemeente Alkmaar, Regioplan en de GGD Hollands Noorden. Aan het convenant is een verwerkersovereenkomst gehecht. Op basis hiervan hebben andere ketenpartners op bestuurlijk niveau ingestemd met deelname aan het onderzoek. Ketenpartners In totaal hebben 21 ketenpartners ingestemd met deelname aan dit onderzoek. Van deze partijen hebben uiteindelijk 16 partijen informatie aangeleverd over de ingezette hulpverlening bij de casussen.
Vijf partijen hebben geen informatie aangeleverd, onder andere omdat de partij geen hulp had verleend in de geselecteerde casussen of omdat casussen waarin de partij als betrokkene genoemd waren, daar toch niet bekend waren.
83
Tabel B1.1 Overzicht ketenpartners Overzicht partijen ingestemd onderzoek Informatie aangeleverd over hulpverlening
Geen informatie aangeleverd over hulpverlening
*
84
Blijf Groep De Jeugd en Gezinsbeschermers (DJGB) Esdégé-Reigersdaal GGZ-NHN MEE & de Wering Opvoedpoli Parlan Jeugdhulp Raad voor de kinderbescherming (RVDK) Veiligheidshuis Vrouwenopvang Kop van Noord Holland Wijkteam gemeente Alkmaar Wijkteam gemeente BUCH Wijkteam gemeente Den Helder Wijkteam gemeente Hollands Kroon Wijkteam gemeente Hoorn William Schrikker Groep jeugdbescherming en reclassering ’s Heeren Loo DNO Doen Leger des heils jeugdbescherming en reclassering GGD*
De GGD heeft een grote bijdrage geleverd aan dit onderzoek via de data die verkregen is via Veilig Thuis. Op een laat moment in het onderzoek werd bekend dat er ook informatie nodig was vanuit de diensten van de GGD Vangnet en Advies en de OGGZ, het is niet gelukt om deze informatie voor het einde van de dataverzameling te verkrijgen. Dit betrof een zeer klein aantal casussen.
Eindfase Tijdens de eindfase van het onderzoek heeft Regioplan de ontvangen informatie over de casussen geanalyseerd: van elke casus werden de (mogelijk meerdere) trajecten per directbetrokkene (pleger, volwassen slachtoffer(s), kind(eren)) samengevoegd en naast elkaar gelegd. De data is nagelopen op discrepanties (data uit verschillende bronnen die niet overeenkomen) en fouten (variabelen die naar blijkt uit andere informatie verkeerd zijn ingevuld). Het resultaat daarvan is beschreven in deze rapportage. Vervolgens zijn er reflectiesessies uitgevoerd met gemeenten en uitvoerders, zes in totaal. Deze sessies dienden ter duiding van de uitkomsten van de analyse en het krijgen van kwalitatief zicht op oorzaken voor gevonden succesfactoren en knelpunten. De input uit deze sessies is gebruikt om te komen tot zo bruikbaar mogelijke aanbevelingen. Hierna is het definitieve rapport compleet gemaakt met de aanbevelingen, waarbij de uitkomsten van de analyses en gevonden verbanden duidelijk worden weergegeven.
85
Bijlage 3 – I n d i c a t o r e n l i j s t vo o r d a t a ve r z a m e l i n g b i j V e i l i g T h u i s e n ve r vo l g h u l p Vragenlijst Veilig Thuis 1. Casusnummer 2. Datum incident 3. Datum ontvangst melding bij VT 4. Melder 5. Vanuit welke sector is deze melding gedaan? 6. Welke directbetrokkenen waren betrokken bij dit incident? Diegenen die huiselijk geweld en/of kindermishandeling begaan of ondergaan. Alsmede degenen die tot hun huishouden of gezin behoren, voor zover Veilig Thuis directe bemoeienis met hen heeft gehad. 7. Aantal kinderen in het cliëntsysteem? Met cliëntsysteem wordt de direct bij deze melding betrokken volwassenen en kinderen bedoeld. 8. Minderjarige kinderen aanwezig in huishouden? Zo ja: • Hoeveelheid minderjarige kinderen • Leeftijd(en) 9. Hoeveel volwassenen zijn er aanwezig in het cliëntsysteem? 10. Relatie tussen volwassenen 11. Type geweld • Toelichting type geweld 12. Wat was de richting van het geweld bij dit incident? 13. Was het geweld wederzijds?
86
14. Is er sprake van een geweldsgeschiedenis bij deze casus? Met geweldsgeschiedenis wordt bedoeld het eerder voorkomen van geweld in dit cliëntsysteem. • Van hoeveel jaren geweldsgeschiedenis is er sprake bij deze casus? • Welk type geweld kwam in de eerdere geweldsgeschiedenis voor? • Relatie tussen plegers, slachtoffers en getuigen in de geweldsgeschiedenis • Wederzijds geweld in de geweldsgeschiedenis ? • Is er ooit in de geweldsgeschiedenis sprake geweest van een tijdelijk huisverbod? 15. Eerdere betrokkenheid Veilig Thuis? • Indien ja: Hoe vaak is VT eerder betrokken geweest? • Indien ja: Wanneer is VT eerder betrokken geweest? • Indien ja: Op welke wijze is VT betrokken? 16. Is er in de huidige situatie sprake van een tijdelijk huisverbod in deze casus? 17. Datum afronding veiligheidsbeoordeling (binnen 5 dagen na binnenkomst melding?) 18. Geraadpleegde professionals/organisaties bij veiligheidsbeoordeling door VT. Met geraadpleegde organisaties worden partijen bedoeld die actief worden benaderd met vragen en de partijen waarbij al standaard informatie wordt opgehaald, maar geen registraties die bij de politie bekend zijn. 19. Heeft VT contact gehad met directbetrokkenen tijdens de veiligheidsbeoordeling? 20. Wat was de uitkomst van de veiligheidsbeoordeling door Veilig Thuis behorende bij deze casus? 21. Activiteiten Veilig Thuis na veiligheidsbeoordeling 22.
Datum overdracht door VT 23. Manier van overdracht 24. Heeft Veilig Thuis bij overdracht veiligheidsvoorwaarden gesteld? • Kunt u toelichten welke veiligheidsvoorwaarden zijn gesteld? 87
25. Aan welke organisatie(s)/professional(s) wordt overgedragen? (meerdere antwoorden mogelijk) 26. Zijn er nog andere partijen betrokken? Met andere betrokken partijen bedoelen we alleen partijen die de hulpverlening betreffen. 27. Zijn er nieuwe incidenten van HG/KM/seksueel geweld in het cliëntsysteem bekend? 28. Zijn er nieuwe zorgen/vermoedens van HG/KM/seksueel geweld in het cliëntsysteem bekend? Zorgen omtrent de ontwikkeling van kinderen in het gezin die samen kunnen hangen met HGKM, niet bevestigde vermoedens van HGKM. • Toelichting zorgen/vermoedens (beschrijving) 29. Zijn er nieuwe incidenten HG/KM/seksueel geweld in het cliëntsysteem bekend? Met nieuwe incidenten wordt bedoeld: alle incidenten van nieuw geweld door of tegen de directbetrokkenen in deze casus die zich voor hebben gedaan nadat de vervolghulp is gestart, voor zover bekend bij de betrokken ketenpartners. Per nieuw incident noteren: • datum incident, zoals geregistreerd; • bij welke professional/organisatie is het incident bekend; • aard van het nieuwe incident; • opmerking/toelichting (open antwoord).
88
Vragenlijst Vervolghulp 1. Casusnummer 2. Datum eerste contact vervolghulp met directbetrokkenen na overdracht VT 3. Met welke directbetrokkene(n) is gesproken? Met direct betrokkenen worden alleen de mensen bedoeld aan wie direct hulp is geboden en die betrokken zijn geweest bij hulpverleningstrajecten. 4. Is er een integraal veiligheidsplan opgesteld voor het hele systeem? Het veiligheidsplan is een integraal onderdeel van 1Gezin1Plan1Regisseur. Het veiligheidsplan is gemaakt samen met het gezin, sociaal netwerk en betrokken instanties. Daarin staat naast veiligheidsvoorwaarden, -afspraken en -doelen, ook beschreven wie wat uitvoert. Het is gericht op het stoppen van het geweld en het creëren van een veilige situatie op korte termijn. • Door wie is het plan opgesteld? • Zijn betrokkenen erbij betrokken? 5. Is er gescreend op trauma? • Zo ja, met welk instrument? 6. Is er een integraal hulpverleningsplan opgesteld voor het hele systeem? Een hulpverleningsplan is een beschrijving van de wijze waarop gewerkt wordt aan risicofactoren die bijdragen aan het ontstaan en het in stand houden van de onveiligheid. • Door wie is het plan opgesteld? • Zijn betrokkenen erbij betrokken?
89
7.
Is er een integraal herstelplan opgesteld? Een herstelplan is een beschrijving van de wijze waarop gewerkt wordt aan herstel van de (ontwikkelings-)schade die directbetrokkenen hebben geleden als gevolg van het huiselijk geweld of de kindermishandeling. • Door wie is het plan opgesteld? • Zijn betrokkenen erbij betrokken? 8. Is een risicoanalyse uitgevoerd gericht op alle directbetrokkenen? • Zo ja, met welk instrument/welke methodiek? • Welke risicofactoren komen uit deze analyse naar voren? • Op welke leefdomeinen komen uit deze analyse risico's naar voren? 9. Selectievraag: "heeft uw organisatie de feitelijke hulpverlening in deze casus verzorgd?" 10. Hoeveel hulpverleningstrajecten zijn er door uw organisatie aangeboden? 11.
Vervolgens per traject de volgende vragen: • Wat is de aard van het aangeboden hulpverleningstraject? (beschrijf het soort hulp dat geboden wordt; open antwoord) • Op welke directbetrokkene(n) is het hulpverleningstraject gericht? • Wat is de (primaire) rol van de directbetrokkenen op wie het hulpverleningstraject zich richt in het geweld? • Op welke risicofactoren is het hulpverleningstraject gericht? (zie risicofactoren rij 16) • Op welke leefdomeinen is het hulpverleningstraject gericht? (zie leefdomeinen rij 14) • Is het aanbod geaccepteerd? • Is het hulpverleningstraject gestart? • Startdatum hulpverleningstraject • Datum afsluiting hulpverleningstraject 90
12.
13. 14.
15.
16.
91
• Is het traject bij afsluiting geheel dan wel naar de mening van de hulpverlener voldoende doorlopen (geen verdere hulp nodig)? • Zijn bij afsluiting alle risicofactoren weggenomen? (zo niet: welke risicofactoren zijn niet weggenomen?) Wordt de casus na hulpverlening gemonitord op veiligheid? Zo ja: • Hoe vaak is gemonitord op veiligheid? • Door wie is gemonitord op veiligheid? (VT of andere hulporganisatie) • Waar is gemonitord op veiligheid? Is na afsluiting van de hulp aan de directbetrokkenen nazorg verleend? • Zo ja: hoe is nazorg verleend? Zijn bij de uitvoering van de hulp verschillende hulpverleners/organisaties betrokken? Zo ja: • Is bij de uitvoering sprake van coördinatie/casusregie? • Wie voert deze uit? • Heeft deze persoon zicht op het verloop van alle trajecten in deze casus bij alle directbetrokkenen? Worden tijdens de hulpverlening afzonderlijke hulpverleningstrajecten (voor daders, slachtoffers en kinderen) op elkaar afgestemd? Zo ja: • Wie is daarvoor verantwoordelijk? • Op welke manier vindt afstemming plaats? Zijn er nieuwe incidenten van HG/KM/seksueel geweld in het cliëntsysteem bekend? Met nieuwe incidenten wordt bedoeld: alle incidenten van nieuw geweld door of tegen de directbetrokkenen in deze casus die zich voor hebben gedaan nadat de vervolghulp is gestart, voor zover bekend bij de betrokken ketenpartners.
17. Zijn er nieuwe zorgen/vermoedens van HG/KM/seksueel geweld in het cliëntsysteem bekend? Zorgen omtrent de ontwikkeling van kinderen in het gezin die samen kunnen hangen met HGKM, niet bevestigde vermoedens van HGKM. • Toelichting zorgen/vermoedens (beschrijving) 18. Is er meer dan één maal sprake van nieuwe incidenten HG/KM/seksueel geweld geweest? Per nieuw incident noteren: • datum incident, zoals geregistreerd; • bij welke professional/organisatie is het incident bekend; • aard van het nieuwe incident; • opmerking/toelichting (open antwoord).
92
Bijlage 4 - Literatuurlijst Akkermans, M., Gielen, W., Kloosterman, R., Moons, E., Reep, C. en Wingen, M. (2020) Prevalentiemontor Huiselijk en Seksueel Geweld. Den Haag: WODC en CBS. Alink, L., Prevoo, M., Van Berkel, S., Linting, M., Klein Velderman, M. en Pannebakker, F. (2018) NPM2017: Nationale Prevalentiestudie mishandeling van kinderen en jeugdigen. Leiden University en TNO. Buimer, L., Kuin, M., de Vaan, K., Verbeek, E., & Born, M. (2020). Een hardnekkig probleem: Onderzoek n.a.v. de relatief hoge caseload van Veilig Thuis Flevoland. Amsterdam: Regioplan. Kiesel, L.R., Piescher, K.N., & Edleson, J.L. (2016). The Relationship Between Child Maltreatment, Intimate Partner Violence Exposure, and Academic Performance. Journal of Public Child Welfare, 10(4). 434-456. Romano, E., Babchishin, L., Marquis, R., & Frechette, S. (2015). Childhood Maltreatment and Educational Outcomes. Trauma Violence Abuse, 16(4), 418-437. Steketee, M., Tierolf, B., Lünnemann, K. & Lünnemann, M. (2020). Kwestie van een lange adem: kan huiselijk geweld en kindermishandeling echt stoppen? Utrecht: Verwey-Yonker Instituut. Ten Boom, A., & Wittebrood, K. (2019). De prevalentie van huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland. Den Haag: WODC. Vogtländer, L. & S. van Arum (2016). Eerst samenwerken voor veiligheid, dan samenwerken voor risicogestuurde zorg.
Van Eijkern, L., Downes, R., & Veenstra, R. (2018). Slachtofferschap van huiselijk geweld: Prevalentieonderzoek naar de omvang, aard, relaties en gevolgen van slachtoffer- en plegerschap. Den Haag: WODC, Ministerie van Veiligheid en Justitie. Wegman, H., & Stetler, C.A. (2009). Child abuse and medical outcomes in adulthood: A meta-analysis. Psychosomatic Medicine, 71, 805-812. 93