13A Eindrapport-De casus door de keten-Regioplan-nov2021-DEF
Tekst van het document
De casus door de keten O n d e r zo e k n a a r h u l p b i j h u i s e l i j k g e we l d & k i n d e r m i s h a n d e l i n g i n N o o r d - H o l l a n d N o o r d
1
De casus door de keten O n d e r zo e k n a a r h u l p b i j h u i s e l i j k g e we l d & k i n d e r m i s h a n d e l i n g i n N o o r d - H o l l a n d N o o r d
- Eindrapport Noor Galesloot Kristen Martina Katrien de Vaan
Amsterdam, 27 oktober 2021
Regioplan Jollemanhof 18 1019GW Amsterdam Tel. +31 (0)20 531 53 15 www.regioplan.nl
© 2021 Regioplan, in het kader van het programma Geweld hoort nergens thuis Noord-Holland Noord Het gebruik van cijfers en/of teksten als toelichting of ondersteuning in artikelen, scripties en boeken is toegestaan mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Regioplan. Regioplan aanvaardt geen aansprakelijkheid voor drukfouten en/of andere onvolkomenheden.
Inhoudsopgave 1 De resultaten in één oogopslag
1
2 Inleiding Aanleiding voor het onderzoek Doel en onderzoeksvragen De opzet van het onderzoek
3 3 4 5
3 De keten in beeld De reis van de casus Lokale verschillen
10 10 13
4 De casuïstiek De relaties waarin het geweld plaatsvindt Het geweld Eerdere betrokkenheid Veilig Thuis Kenmerken van meest ernstige casussen
16 16 17 22 22
5 Het doorlopen van de keten Snelheid van handelen Werken aan veiligheid Hulp verlenen Verschillen tussen profielen Hulpverlening bij de meest ernstige casussen
26 26 29 36 44 46
6 Nieuw geweld Nieuwe incidenten en nieuwe zorgen Patronen voor nieuw geweld
51 51 58
7 Conclusies en aanbevelingen Conclusies Aanbevelingen
64 64 70
Bijlage 1 – Begrippenlijst
77
Bijlage 2 – Onderzoeksverantwoording
81
Bijlage 3 – Indicatorenlijst voor dataverzameling bij Veilig Thuis en vervolghulp 86 Bijlage 4 - Literatuurlijst
93
1
De resultaten in één oogopslag
1 De resultaten in één oogopslag 99 casussen
Melding bij VT
Dag 0
Incident
Incident
Dag 7
Overdracht vervolghulp
Dag 16
Dag 30
Afronding veiligheidsbeoordeling VT
Start hulptraject
Dag 66
1e contact vervolghulp
Verloop trajecten 87 aangeboden trajecten
Kenmerken • Minderjarige kinderen betrokken: 90% • Meest voorkomende richting geweld: tegen kinderen (51%), tegen (ex-) partner (48%) • Aard geweld: psychisch (60%), fysiek (40%) • VT al eerder betrokken: 54% • Bij 59% geweldsgeschiedenis van gemiddeld vijf jaar
1
90% van aangeboden trajecten is geaccepteerd 95% van geaccepteerde trajecten is gestart
33% van gestarte trajecten is voldoende doorlopen 26% van gestarte trajecten: risicofactoren weggenomen
Geboden hulpverlening • Hulp met name ingezet op risicofactoren rondom opvoeden/opgroeien, relatie/echtscheiding en psychische problematiek kinderen • Hulp veel minder gericht op geweldsgeschiedenis, psychische/verslavingsproblematiek volwassenen en financiële problemen/werkloosheid
Dag 168
Dag 517
Afronding hulptraject
Recidive tot +/- 2 jaar na melding • Nieuw geweld in 21% van alle casussen • Nieuwe zorgen omtrent/vermoedens van HGKM in 28% van alle casussen • Nieuw geweld/nieuwe zorgen of vermoedens vaak niet bekend bij zowel VT als de hulpverlening, maar slechts bij 1 van deze partijen Aspecten van systeemgericht werken • Meerdere trajecten: dan afstemming in 34% casussen • In 49% van de casussen is sprake van casusregie • 29% alle partijen op de hoogte van veiligheidsplan • 31% alle partijen op de hoogte van hulpverleningsplan • 11% alle partijen op de hoogte van herstelplan
2
Inleiding
2 Inleiding Aanleiding voor het onderzoek Volgens de meest recente cijfers worden in Nederland in een jaar tijd 820.000 mensen, ouder dan 16 jaar, slachtoffer van huiselijk geweld dat meermalig plaatsvindt (Akkermans et al., 2020); en worden 90.000-127.000 kinderen tussen 0-18 jaar jaarlijks slachtoffer van kindermishandeling (Alink et al., 2018). Bij huiselijk geweld en kindermishandeling (HGKM) is er een hoge kans op recidive. Uit onderzoek blijkt dat vijftig procent van de betrokkenen anderhalf jaar na een melding over het geweld nog steeds kampt met ernstig of regelmatig geweld in het gezin (Steketee et al., 2020). HGKM berokkent onder andere fysieke, psychologische, cognitieve en emotionele schade aan het welzijn en de ontwikkeling van zowel kinderen als volwassenen. Het landelijk programma ‘Geweld hoort nergens thuis’ beoogt een structurele verbetering van de aanpak van HGKM. Vanuit dit programma is een projectenpool opgezet ter ondersteuning en facilitering van gemeenten bij de aanpak van knelpunten in de praktijk. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van het programma Geweld hoort nergens thuis. In de regio Noord-Holland Noord zijn er zorgen over de ketenaanpak van HGKM.
Het proces van de aanpak loopt in theorie als volgt: er komt een melding over HGKM bij Veilig Thuis binnen, Veilig Thuis voert de veiligheidsbeoordeling uit en draagt (eventueel na inzet van een vervolgdienst) over aan ketenpartners die passende hulpverlening aan de betrokkenen bieden. In de praktijk is dit echter een complex proces dat niet zonder problemen verloopt. Er zijn signalen dat, na overdracht door Veilig Thuis, niet altijd passende hulp op gang komt en dat er onvoldoende zicht is op wat er in de casussen gebeurt. Om een beter beeld te krijgen van hoe de ketenaanpak van HGKM in de praktijk functioneert, heeft Regioplan in opdracht van het programma Geweld hoort nergens thuis Noord-Holland Noord onderzocht hoe casussen zich bewegen door de keten heen en waar er verbetering mogelijk is. 3
Doel en onderzoeksvragen Het onderzoek heeft als doel het bieden van zicht op de effectiviteit van de ketenaanpak van HGKM in de regio Noord-Holland Noord. Waar relevant, biedt het onderzoek aanknopingspunten voor een verbeterde gezamenlijke ketenaanpak van HGKM in de regio. De subdoelen van het onderzoek zijn: 1. Zicht krijgen op wat goed gaat binnen de keten in Noord-Holland Noord. 2. Zicht krijgen op verbeterpunten binnen de keten in Noord-Holland Noord. 3. Aanzetten tot actie voor verbetering. 4. Zicht krijgen op de wijze waarop de keten handelt op risico- en beschermende factoren. In aansluiting op dit doel luiden de onderzoeksvragen als volgt: 1. Wat zijn de kenmerken van meldingen HGKM die binnenkomen bij Veilig Thuis? Met daarbij aandacht voor kenmerken: van de casuïstiek zelf; van risicofactoren in de betreffende casuïstiek; van het doorlopen traject na melding; van de aangeboden hulpverlening, het verloop en de uitvoering daarvan; van de (mate van systeemgerichte) samenwerking in de specifieke casuïstiek 2. In welke mate is sprake van nieuw HGKM in deze casussen (voor zover bekend bij betrokken instellingen)? 3. Zijn er patronen waar te nemen in verschillen tussen casussen waarin wel recidive bekend is, en casussen waarin dat niet het geval is? 4. Wat zijn mogelijke oorzaken van die patronen en hoe kunnen deze worden weggenomen? 4
De opzet van het onderzoek Om meer inzicht te krijgen in de ketenaanpak en de effectiviteit daarvan in Noord-Holland Noord, is een reconstructie van 991 casussen uit begin 2019 uitgevoerd. Deze reconstructie geeft weer hoe een casus zich door de keten beweegt en in welke mate er sprake is van nieuw geweld, oftewel recidive. Hiervoor werd er a) informatie verzameld over de aard en wijze van opvolging van de meldingen die binnenkomen bij Veilig Thuis, b) de mate van recidive gemeten en c) werd deze gemeten recidive gerelateerd aan de wijze van opvolging door de ketenpartners. Het onderzoek verliep in drie fasen, die hieronder kort worden toegelicht. In de startfase zijn er afspraken gemaakt over de inhoud en opzet van het onderzoek en de omgang met privacygevoelige informatie, en is een deskstudie naar gehanteerde werkprocessen en instrumenten uitgevoerd. Met name het maken van afspraken over hoe om te gaan met de privacywet- en regelgeving vereiste veel tijd. Daardoor is de dataverzameling uiteindelijk anderhalf jaar later gestart dan gepland. In de tweede fase werd de dataverzameling uitgevoerd. Tijdens de dataverzameling werd de steekproef getrokken en werd via een digitaal registratiesysteem de benodigde informatie over de casussen opgehaald bij de betrokken ketenpartners. In de laatste fase werd de data-analyse uitgevoerd en het rapport en bijbehorend advies opgesteld.
Alvorens te komen tot de definitieve rapportage zijn er reflectiesessies met gemeenten en uitvoerders gehouden. Op de volgende pagina is een schematisch overzicht van de onderzoeksopzet opgenomen.
5
1 Er is een steekproef van 100 casussen getrokken, maar bij analyse bleek daar 1 casus dubbel in te zitten.
Figuur 2.1
Onderzoeksopzet
Deelnemers: Veilig Thuis en ketenpartners hulpverlening
Start: willekeurige steekproef van 300 casussen van begin 2019 door Veilig Thuis
Invoer in Data Registratie Systeem (DRS)
6
Informatiebrief met bezwaaroptie tegen deelname in onderzoek uitgestuurd naar betrokkenen bij de casussen
Selectie van 100 casussen voor opname in onderzoek: 20 per profiel
Data-analyses en rapportage Regioplan
Invoeren data door Veilig Thuis over 99 casussen
Kwantitatieve analyse van ingevoerde data (99 casussen)
Opstellen conceptbevindingen onderzoek
Invoeren data door ketenpartners hulpverlening over casussen waarin zij hulp hebben verleend
Gesprekken met gemeenten en reflectiesessie met ketenpartners
Definitieve rapportage
In de regio Noord-Holland Noord zijn er in totaal achttien gemeenten. Deze hebben ieder de lokale infrastructuur, die toegang geeft tot zorg en ondersteuning bij onder andere HGKM, op hun eigen manier ingericht. Om aan de hand van de reconstructie van de casussen conclusies te kunnen trekken over de relatie tussen de keuzes die gemeenten daarbij maken en de wijze waarop casussen HGKM door de keten gaan, zijn de verschillende keuzes in de lokale infrastructuur gevat in vijf profielen, die model staan voor de verschillende manieren waarop het lokaal veld is ingericht (zie hoofdstuk 3.2). De genomen steekproef is een willekeurige steekproef van alle meldingen bij Veilig Thuis in de eerste maanden van 2019. Dat betekent dat de uitkomsten van het onderzoek een representatief beeld schetsen van de meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen. Dat is iets anders dan een representatief beeld van alle huiselijk-geweldcasuïstiek: uit onderzoek weten we namelijk dat niet elke vorm van HGKM in gelijke mate bij Veilig Thuis wordt gemeld. Daarnaast maakt de relatief beperkte omvang van de steekproef dat bepaalde, minder voorkomende soorten meldingen niet of ondervertegenwoordigd zijn in het onderzoek. Een uitleg over de gemaakte keuzes en het proces met betrekking tot de dataverzameling en analyse is opgenomen in de onderzoeksverantwoording (zie bijlagen).
7
Leeswijzer In hoofdstuk 3 van dit rapport wordt de lokale keten van Noord-Holland Noord in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de casuïstiek, met aandacht voor de kenmerken die hierbij belangrijk zijn. In hoofdstuk 5 wordt het verloop van de reis van een casus door de keten beschreven: hoe gaan de casussen door de keten van analyse, onderzoek en hulpverlening? Hierna is er in hoofdstuk 6 een weergave van de prevalentie van nieuw geweld. Vervolgens wordt het rapport afgesloten met een antwoord op de onderzoeksvragen, de conclusie en aanbevelingen in hoofdstuk 7.
8
3
De keten in beeld
3 De keten in beeld Dit hoofdstuk geeft inzicht in hoe de ketenaanpak van HGKM is vorm gegeven. Dat gebeurt door middel van een visuele weergave van de reis van de casus door de keten. Vervolgens wordt apart ingegaan op de inrichting van de lokale infrastructuur in relatie tot de aanpak van HGKM.
De reis van de casus Signalen van HGKM komen via een melding binnen bij Veilig Thuis. Veilig Thuis kent drie manieren van afdoening (directe overdracht, onderzoek, voorwaarden & vervolg). Daarnaast kan Veilig Thuis besluiten om geen verder vervolg aan een casus te geven/over te dragen aan het cliëntsysteem zelf. In geval van overdracht door Veilig Thuis gaat een casus, al dan niet via de lokale wijkteams, vaak door naar specialistische hulp waarvan vier clusters worden onderscheiden: jeugdbescherming & jeugdreclassering, jeugdhulp, hulp aan volwassenen en crisishulp/noodopvang. In figuur 3.1 wordt het proces vanaf een melding tot hulpverlening weergeven.
10
Figuur 3.1
Overzicht ketenaanpak Noord-Holland Noord Signaleren en melden Professionals: Zorg/Welzijn, Onderwijs, Vrijwilligers, sleutelpersonen, Kinderopvang, Huisartsen, werkgevers, sportverenigingen etc. Ziekenhuizen, Gebiedsteams, Politie, Openbaar Ministerie, reclassering Jeugdhulp, CJG, (J)GGZ etc. Burgers
•
Incident/ acute of structurele onveiligheid
Veiligheidsbeoordeling Veilig Thuis NHN
Mogelijke acties VT •
Onderzoek
•
Voorwaarden & vervolg
•
Overdracht aan cliëntsysteem
•
Overdracht aan betrokken hulpverlening
•
Overdracht aan nieuw in te zetten hulpverlening (lokaal veld of regionale partners)
11
In geval van acute crises: Werkinstructie ‘Spoed en Gevaar’ Hulpverlening Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Jeugdhulp Volwassen hulpverlening Crisishulp en noodopvang
In figuur 3.1 worden vier verschillende categorieën hulpverlening genoemd waar Veilig Thuis aan overdraagt. Hieronder koppelen we die aan de belangrijkste aanbieders in de regio Noord-Holland Noord (voor zover betrokken bij dit onderzoek): Jeugdbescherming en Jeugdreclassering: Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), De Jeugd- en Gezinsbeschermers (DJGB), William Schrikker groep (WSG) en Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (LJ&R). Jeugdhulp (waaronder Jeugd-GGZ, opvoedondersteuning, hulp bij echtscheidingen en hulp voor kinderen met een beperking): Parlan, de Opvoedpoli, GGZ NHN, Esdégé-Reigersdaal, ‘s Heerenloo. Hulp aan volwassenen (van licht tot specialistisch, door het lokaal veld, Algemeen Maatschappelijk Werk, begeleid wonen, dagbesteding en GGZ): gemeenten/wijkteams, MEE & De Wering, EsdégéReigersdaal, DNO Doen, ’s Heerenloo, GGZ NHN. Crisishulp en noodopvang: met name Blijf Groep en Blijf van mijn lijf Kop van Noord-Holland. Zij bieden vanuit hun specialistisch aanbod ook ambulante ondersteuning buiten crises. Na overdracht ziet het beoogde proces van de hulpverlening er grofweg als volgt uit: Intake, veiligheidsplan
Risicoanalyse, traumascreening, hulpverleningsplan
Trajecten: aanbod, acceptatie, start, afronding, herstelplan
Monitoring
Nazorg
Bovenstaande schets betreft het proces, zoals dat in theorie verloopt. In het onderzoek is nagegaan in hoeverre dit terug te zien is in de wijze waarop casussen zich door de keten heen bewegen. 12
Lokale verschillen De organisatie van het lokaal veld is relevant voor hoe een casus door de keten gaat. Keuzes in de inrichting van het lokaal veld hebben naar verwachting onder andere gevolgen voor: de snelheid waarmee een casus kan worden opgepakt; de mate van outreachend handelen; de expertise die direct na overdracht door Veilig Thuis wordt ingezet; de instrumenten die worden gebruikt; de snelheid waarmee specialistische hulp kan starten; de mate van systeemgerichtheid van de hulp. Dit zijn allemaal elementen waarvan bekend is dat ze effect hebben op het resultaat van de aanpak. Elke gemeente in de regio heeft eigen keuzes gemaakt in de organisatie van het lokaal veld. Binnen die keuzes zijn voor dit onderzoek vijf varianten onderscheiden, die relevant zijn als het om bovenstaande kenmerken gaat. Deze varianten zijn gevat in vijf profielen, die in dit onderzoek worden gebruikt om onderzoek te doen naar de relatie tussen de keuzes die gemeenten maken bij de inrichting en de wijze waarop casussen HGKM door de keten bewegen.
De profielen zijn gebaseerd op variaties in: of er wel of geen integraal team is voor de lokale toegang tot zorg en ondersteuning; of er in de lokale (wijk)teams expertise op HGKM aanwezig is; of er door de lokale (wijk)teams outreachend dan wel vraaggericht wordt gewerkt; of de lokale (wijk)teams zelf hulp verlenen of dit (gedeeltelijk/geheel) extern is belegd;
13
Figuur 3.2 bevat een weergave van de profielen en bijbehorende variabelen. Figuur 3.2
De gebruikte profielen van het lokaal veld
1 •
• • •
Eén integraal team Veel expertise m.b.t. HGKM Kan intern opschalen Volledig extern belegd
2 •
• •
Eén integraal team Expertise m.b.t. HGKM Werkt zowel outreachend als vraaggericht
3 •
• •
Verschillende teams voor Jeugd, Wmo en Participatie Expertise m.b.t. HGKM Werkt zowel outreachend als vraaggericht
4 •
• •
Verschillende teams voor Jeugd, Wmo en Participatie Expertise op het gebied van regievoering Werkt vraaggericht
5 •
• •
•
14
Verschillende teams voor Jeugd, Wmo en Participatie Expertise m.b.t. HGKM Na indicatie doorverwijzen naar externe partners Werkt vraaggericht
4
De casuïstiek
4 De casuïstiek Dit hoofdstuk bevat informatie over de aard van de casuïstiek die wordt gemeld bij Veilig Thuis NoordHolland Noord, op basis van de 99 casussen die in dit onderzoek zijn meegenomen. Er wordt ingegaan op de richting, aard en voorgeschiedenis van het geweld en de veiligheidsbeoordeling door Veilig Thuis.
De relaties waarin het geweld plaatsvindt In figuur 4.1 is weergegeven wie betrokken waren bij het incident waarover de melding bij Veilig Thuis is gedaan. In de meeste gevallen is de moeder (95%) of kind(eren) (93%) betrokken. Ook is de vader in de meerderheid van de gevallen (80%) betrokken bij het incident. Stiefvaders en stiefmoeders zijn in weinig casussen betrokken. In geen van de casussen waren overige familieleden betrokken. Figuur 4.1
Directbetrokkenen bij het incident (N=99)*
Moeder Kind(eren) Vader Stiefvader Stiefmoeder
95% 93%
80% 4% 2% 0%
20%
40%
60%
80%
100%
* Bij een incident kunnen meerdere personen betrokken zijn, dus de percentages tellen niet op tot 100%.
16
Bij verreweg de meeste casussen (88%) zijn minderjarige kinderen betrokken. Gemiddeld betreft het 1,7 kinderen met een gemiddelde leeftijd van 8,4 jaar. Van de cliëntsystemen waarin meerdere volwassenen aanwezig zijn, zijn deze volwassenen meestal partners (57%) of ex-partners (41%).
Het geweld Figuur 4.2 geeft de vormen van geweld waarvan sprake is weer. Figuur 4.2
Typen geweld waar sprake van was bij het incident (N=99)* Psychisch geweld
60%
Zorgen rondom pedagogische verwaarlozing/ontwikkeling van kinderen
42%
Fysiek geweld
40%
(Pedagogische en/of lichamelijke) verwaarlozing van kinderen
24%
Ander type geweld
12%
Verwaarlozing van oudere (65+)
2%
Financieel misbruik van oudere (65+)
1%
Seksueel geweld
1% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
* Er kan sprake zijn van meerdere vormen van geweld, dus de percentages tellen niet op tot 100%.
Psychisch geweld komt in de meldingen het vaakst voor (60%), gevolgd door fysiek geweld (40%). Onder ‘andere type geweld’ wordt het meest genoemd dat er sprake is van licht onveilige gebeurtenissen die een symptoom kunnen zijn van ernstige overbelasting van het cliëntsysteem. 17
70%
In meer dan de helft van de casussen (51%) is er sprake van geweld tegen kind(eren), in meer dan een kwart (27%) is er sprake van geweld tegen een partner, zie figuur 4.3. Bij ‘andere richting van geweld’ worden verschillende antwoorden gegeven, bijvoorbeeld zelfverwonding of geweld tegen een klasgenoot. Figuur 4.3
Richting van het geweld bij het incident (N=99)*
Tegen kind(eren)
51%
Partner tegen partner
27%
Ex-partner tegen ex-partner
21%
Andere richting van geweld
12%
Kind tegen kind
5%
Kind tegen ouder(s)
5% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
* Er kan sprake zijn van meerdere richtingen van geweld, dus de percentages tellen niet op tot 100%.
In een kleine minderheid van de casussen (9%) is het geweld wederzijds, in het overgrote merendeel niet (84%). Bij de overige casussen (7%) is niet bekend of het geweld wederzijds is.
18
Geweldsgeschiedenis Bij ruim de helft van de casussen (59%) zijn er één of meerdere incidenten van HGKM uit voorgaande jaren bekend bij Veilig Thuis. Hoeveel incidenten het precies betreft is niet bekend. Wel blijkt uit de registratie van Veilig Thuis dat de geweldsgeschiedenis in deze casussen gemiddeld vijf jaar betreft: meldingen gaan gemiddeld dus vijf jaar terug. Bij de overige 41 procent van de casussen is geen geweldsgeschiedenis bekend bij Veilig Thuis. In tabel 4.1 wordt het geweld in de geweldsgeschiedenis van de casussen waarin daar sprake van is, vergeleken met het geweld van het ene incident dat is gemeld in de casussen zonder geweldsgeschiedenis. Hieruit blijkt dat in casussen met een geweldsgeschiedenis niet alleen sprake is van vaker geweld, maar ook meer vormen van geweld. Tabel 4.1 Typen geweld bij de geweldsgeschiedenis vergeleken met het type geweld bij 1 incident Geweldsvorm Geweld in de geweldsGeweld in casussen zonder geschiedenis (N=58) geweldsgeschiedenis ( N=41) Psychisch geweld 50 (86%) 21 (51%) Fysiek geweld 46 (79%) 16 (39%) Zorgen omtrent pedagogische verwaarlozing/ 39 (67%) 18 (44%) ontwikkeling kinderen Verwaarlozing van kinderen 18 (31%) 7 (17%) Verwaarlozing van oudere 1 (2%) 1 (2%) Ander type geweld 1 (2%) 6 (15%) Seksueel geweld 0 1 (2%) * Er kan sprake zijn van meerdere vormen van geweld, dus de percentages tellen niet op tot 100%
19
In de middelste kolom van tabel 4.2 is weergegeven van welke richting(en) van geweld sprake is bij de geweldsgeschiedenis, in de rechterkolom is dit weergeven voor het incident bij casussen zonder een geweldsgeschiedenis. Geweld tegen kinderen of tussen (ex-)partners komt vaker voor bij de geweldsgeschiedenis dan bij het incident. Tabel 4.2
Richting(en) van geweld in de geweldsgeschiedenis vergeleken met de richting(en) van geweld bij het incident bij casussen zonder een geweldsgeschiedenis* Richting geweld Richting geweld bij geweldsRichting geweld in geval van geen geschiedenis (N=58) geweldsgeschiedenis (N=41) Tegen kind(eren) 40 (69%) 20 (49%) Ex-partner tegen ex-partner 23 (40%) 6 (15%) Partner tegen partner 18 (31%) 10 (24%) Kind tegen ouder(s) 3 (5%) 2 (5%) Andere richting van geweld 1 (3%) 8 (20%) * Er kan sprake zijn van meerdere richtingen van geweld, dus de percentages tellen niet op tot 100%.
20
Uitkomst van de veiligheidsbeoordeling door Veilig Thuis De meest voorkomende uitkomst van de veiligheidsbeoordeling is dat Veilig Thuis zelf vervolg aan de casus geeft (32%).2 Ook komt het relatief vaak voor dat wordt overgedragen aan het lokaal veld (29%). Figuur 4.4
Uitkomst van de veiligheidsbeoordeling door Veilig Thuis (N=99)
17% 32% 21%
29%
Vervolg door Veilig Thuis zelf Overdracht aan het lokaal veld Overdracht aan het cliëntsysteem Overdracht aan reeds betrokken instelling/professional
Wanneer het vervolg door Veilig Thuis wordt uitgevoerd, gebeurt dat veelal in de vorm van onderzoek (59%) en voorwaarden & vervolg (44%). 2 Ook in die gevallen draag Veilig Thuis uiteindelijk vaak over, maar aan welke partij is niet uitgevraagd in dit onderzoek.
21
Eerdere betrokkenheid Veilig Thuis In meer dan de helft van de casussen (54%) is Veilig Thuis eerder betrokken geweest. Gemiddeld is Veilig Thuis 2,7 keer eerder betrokken geweest in deze casussen. Voor al deze casussen is ook aangegeven dat er sprake is van een geweldsgeschiedenis. Bij vijf casussen met een geweldsgeschiedenis is Veilig Thuis echter niet eerder betrokken geweest. Het is niet bekend hoe Veilig Thuis bij deze vijf casussen op de hoogte is geraakt van de geweldsgeschiedenis.
Kenmerken van meest ernstige casussen In deze paragraaf trekken wij een vergelijking tussen casussen op basis van de ernst van de problematiek. In lijn met eerder onderzoek (Buimer et al., 2020) kijken wij hiervoor naar casussen met een ernstige voorgeschiedenis van huiselijk geweld, wat gedefinieerd is als dat Veilig Thuis minstens drie keer eerder betrokken is geweest, er sprake is van een geweldsgeschiedenis en minstens één vorm van geweld (N=19). In tabel 4.3 op de volgende pagina zijn de verschillen weergegeven tussen casussen met en zonder een ernstige voorgeschiedenis van huiselijk geweld. Opvallend is dat in alle casussen met een ernstige voorgeschiedenis minderjarige kinderen aanwezig zijn. Daarnaast zijn volwassenen vaker ex-partners dan partners in deze casussen. Bij deze casussen is niet overgedragen naar het cliëntsysteem, in plaats daarvan wordt overgedragen aan een instelling of wordt ingezet op vervolg door Veilig Thuis.
22
Tabel 4.3 Verschillen tussen casussen met en zonder een ernstige voorgeschiedenis van geweld Kenmerken* Ernstige voorgeschiedenis Geen (ernstige) voorgeschiedenis (N=19) (N=80) Directbetrokkenen Vader 90% 78% Moeder 95% 95% Kind(eren) 100% 91% Stiefvader 0% 5% Stiefmoeder 5% 1% Kinderen Minderjarige kinderen aanwezig 100% 85% Gemiddeld aantal kinderen 1,7 1,7 Gemiddelde leeftijd kinderen 7,6 7,8 Relatie volwassenen Partners 19% 66% Ex-partners 75% 33% Type geweld Fysiek geweld 42% 40% Psychisch geweld 68% 58% Seksueel geweld 0% 1% Verwaarlozing van kinderen 47% 19% Verwaarlozing van oudere 0% 3% Financieel misbruik van oudere 0% 1% Zorgmeldingen 42% 43%
23
Vervolg tabel 4.3 Kenmerken* Richting geweld Partner tegen partner Ex-partner tegen ex-partner Tegen kind(eren) Kind tegen ouder(s) Kind tegen kind Wederzijds geweld Uitkomst veiligheidsbeoordeling Vervolg door Veilig Thuis Overdracht aan lokaal veld Overdracht aan instelling Overdracht aan cliëntsysteem
24
Ernstige voorgeschiedenis (N=19)
Geen (ernstige) voorgeschiedenis (N=80)
16% 42% 53% 0% 11% 5%
30% 16% 50% 6% 4% 10%
42% 26% 32% 0%
30% 30% 14% 24%
5
Het doorlopen van de keten
5 Het doorlopen van de keten Snelheid van handelen In figuur 5.1 is weergegeven hoeveel dagen gemiddeld zitten tussen de verschillende tijdsmomenten in de keten, vanaf het incident waarop de melding is gedaan bij Veilig Thuis tot aan de afronding van het hulpverleningstraject. Bij het berekenen van het gemiddeld aantal dagen tussen de handelingen bij Veilig Thuis zijn casussen weggelaten wanneer er sprake leek te zijn van een invulfout. Zo zijn casussen weggelaten wanneer was ingevuld dat de melding heeft plaatsgevonden voor het incident of dat de veiligheidsbeoordeling pas een jaar na de melding is afgerond. Bij het gemiddeld aantal dagen tot aan de overdracht zijn daarnaast casussen weggelaten wanneer Veilig Thuis eerst zelf vervolg aan de casus heeft gegeven, aangezien in deze gevallen de overdracht pas later zal plaatsvinden. Alle partijen die betrokken zijn bij de casus hebben ingevuld op welke datum zij voor het eerst contact hadden met de directbetrokkenen. Deze informatie is alleen meegenomen bij het berekenen van het gemiddeld aantal dagen tot het eerste contact wanneer deze partij pas na de overdracht betrokken was bij de casus. Bij het gemiddeld aantal dagen tot de start van het (eerste) traject is alle informatie meegenomen van partijen, behalve wanneer is aangegeven dat het traject is gestart voorafgaand aan het eerste contact.
Ditzelfde criterium is gehanteerd voor de afronding van het traject, echter is deze datum niet bij alle trajecten bekend. Bovenstaande betekent dat het aantal trajecten waarover informatie bekend is na overdracht door Veilig Thuis beperkt is ten opzichte van het totaal aantal trajecten waarvan we weten dat ze in deze casussen gelopen hebben (87) en wisselt per stap in de keten. 26
Figuur 5.1
Gemiddeld aantal dagen tussen de verschillende tijdsmomenten in de keten
Overdracht naar vervolghulp (N=62)
Melding incident bij VT (N=97)
Dag 0
Incident (N=99)
Dag 7
Dag 16
Afronding veiligheidsbeoordeling door VT (N=94)
Dag 30
Start hulpverleningstraject (N=28)
Dag 66
Eerste contact bij vervolghulp (N=13)
Dag 168
Dag 517
Afronding hulpverleningstraject (N=22)
De figuur laat zien dat het, in de casussen waarin dit betrouwbaar berekend kon worden, gemiddeld 66 dagen duurt totdat na het incident het eerste contact met vervolghulp plaatsvindt. Tussentijds is dan contact met Veilig Thuis geweest en soms ook contact met de vervolghulp tijdens de overdracht. 27
De tijd tot overdracht door Veilig Thuis wordt zowel door factoren bij Veilig Thuis als factoren bij de vervolghulp bepaald. Mogelijk speelde begin 2019 aan de kant van Veilig Thuis mee dat het erg druk was, de aangescherpte Meldcode geïmplementeerd werd en met een nieuw handelingsprotocol moest worden gewerkt. Dat zou inmiddels verbeterd zijn. Aan de kant van de vervolghulp speelde mee dat er iemand beschikbaar moest zijn voor de overdracht indien die door middel van een gesprek plaatsvond en ook dat er discussie kon ontstaan over de vraag of overdracht naar die partij wel passend was. De duur tot het eerste contact met de directbetrokkenen door de vervolghulp is door partijen in de reflectiesessies verklaard met: de mogelijkheid dat bij de ontvangende partij (ook bij lokale (wijk)teams) sprake is van wachtlijsten/werkvoorraden of piekbelasting waardoor tijdelijk krapte in de capaciteit ontstaat; de tijd die nodig is om directbetrokkenen te benaderen en een afspraak met hen te maken, in de (in aantal beperkte) situaties waarin overdracht met cliënten aan tafel plaatsvindt. De figuur laat ook zien dat hulpverleningstrajecten lang niet altijd direct starten.
Redenen die hiervoor in de reflectiesessies zijn aangedragen, zijn: de tijd die het kost om goed in te schatten wat nodig is; wachttijden bij verschillende aanbieders (onder andere samenhangend met krapte in personeel); het te doorlopen proces om hulp te kunnen inzetten, met name afspraken over indicatiestelling en betaling; het feit dat trajecten elkaar in casussen soms opvolgen, waardoor het ene traject een vervolg is op een ander traject en er dus in de casus zelf wel gewerkt wordt met directbetrokkenen. 28
Uitvoerende partijen hebben in de reflectiesessie aangegeven dat zij een belangrijke oorzaak voor het trager dan gewenst verlopende proces ook zien in de hoge mate van fragmentatie in de regio. Dat gemeenten verschillende afspraken maken met aanbieders, zelf verschillende werkprocessen hanteren en ook verschillende eisen aan aanbieders stellen, belemmert volgens hen de snelheid waarmee gehandeld kan worden en maakt het soms nodig stappen dubbel te doorlopen (rondom beschikkingen bijvoorbeeld). In dit onderzoek is het niet mogelijk geweest om de precieze details hiervan te achterhalen.
Werken aan veiligheid In figuur 5.2 is weergegeven welke partijen betrokken zijn in de verschillende fasen van de keten. In de ruime meerderheid van de casussen wordt gemeld door de politie (59%). In een kwart van de gevallen (27%) is de melder een professional. De meeste casussen die Veilig Thuis overdraagt aan andere organisaties (en niet aan het cliëntsysteem zelf), worden overgedragen aan de lokale wijkteams van gemeenten. Aan het wijkteam van Profiel 4 is echter slechts één casus overgedragen (2%).
29
Figuur 5.2
Partijen die betrokken zijn in de verschillende fasen van de keten
Wie melden bij VT (N=99): - Politie (59%) - Professional (27%) - Omstander (16%)
Aan wie draagt VT over (N=46): - Andere organisaties (22%) - Profiel 1 (20%) •- Profiel 3 (15%) •- Gecertificeerde instelling (15%) •- Profiel 5 (13%) •- Profiel 2 (7%) •- MEE & De Wering (4%) •- Blijf Groep (4%) •- Profiel 4 (2%) •- Esdégé-Reigersdaal (2%) •- Blijf van mijn lijf (2%) •- GGZ-NHN (2%)
Wie verleent de hulp (N=39): - GGZ NHN (33%) - Profiel 1 (28%) - Parlan (26%) - Profiel 3 (18%) - MEE & De Wering (10%) - Gecertificeerde instelling (10%) - Blijf Groep (8%) - Profiel 2 (5%) - Opvoedpoli (5%) - Blijf van mijn lijf (3%) - Esdégé-Reigersdaal (3%)
Bij één op de acht casussen (12%) is sprake van inzet van jeugdbescherming door middel van betrokkenheid van één van de drie gecertificeerde instellingen. Bij één op de negen casussen (11%) is de Raad voor de Kinderbescherming betrokken voor onderzoek naar de noodzaak van het inzetten van een jeugdbeschermingsmaatregel. In de meeste casussen (90%) heeft Veilig Thuis naast de schriftelijke vorm van overdracht, de overdracht gedaan via mondelinge overdracht per telefoon of video met de partij waaraan wordt overgedragen. In 30
een paar gevallen was dit via een gezamenlijk face-to-face-gesprek met directbetrokkenen (5%) of alleen via een schriftelijke overdracht van de melding (3%). In de overige gevallen (2%) is dit onbekend. Van onveiligheid via veiligheid naar herstel Voor het herstellen van de directe veiligheid heeft Veilig Thuis in het grootste deel van de casussen (85%) veiligheidsvoorwaarden gesteld. In deze voorwaarden wordt vastgelegd waaraan tenminste moet worden voldaan om te komen tot directe en stabiele veiligheid. De veiligheidsvoorwaarden zijn géén veiligheidsplan; dat wordt in principe opgesteld door de partij waaraan Veilig Thuis overdraagt. 3 Aan alle instellingen en wijkteams die betrokken zijn bij de casussen is gevraagd of er een integraal veiligheids-, hulpverlenings- en herstelplan is opgesteld. In de linker kolom van tabel 5.1 is af te lezen bij welk percentage van de casussen een dergelijk plan is opgesteld, waarbij minstens één partij aangaf dat dit het geval is. Zo is bij ongeveer de helft van de casussen een veiligheidsplan (47%) of hulpverleningsplan (52%) opgesteld, in de andere helft is dit niet het geval. Een herstelplan is slechts bij een kwart (24%) van de casussen opgesteld.
In de middelste kolom is weergegeven bij welk percentage van de casussen een veiligheids-, hulpverlenings- en herstelplan is opgesteld waar alle betrokken partijen van op de hoogte zijn, oftewel waarbij alle betrokken partijen invulden dat dit plan is opgesteld. In de rechterkolom is te zien bij welk percentage van de casussen een plan is opgesteld waar alle betrokken partijen van op de hoogte zijn en waarbij 3
31
Handelingsprotocol Veilig Thuis 2019.
allen dezelfde verantwoordelijke partij(en) in hebben gevuld. Deze verantwoordelijke partij(en) hebben het plan opgesteld. Veelal zijn verantwoordelijke partijen het wijkteam of een gecertificeerde instelling. Tabel 5.1
Percentage van casussen waarbij een integraal veiligheidsplan, hulpverleningsplan en herstelplan is opgesteld (N=62)* Opgesteld Alle betrokken partijen Alle partijen noemen dezelfde zijn op de hoogte verantwoordelijke(n) Veiligheidsplan 47% 29% 23% Hulpverleningsplan 52% 31% 23% Herstelplan 24% 11% 11%
* Bij 62 casussen is informatie ingevuld door betrokken partijen.
Tabel 5.1 laat zien dat voor de casussen uit begin 2019 nog lang niet altijd een veiligheids- en hulpverleningsplan werd opgesteld, terwijl ook destijds al de afspraak was dat wel te doen. Herstelplannen waren er aanzienlijk minder, maar dat kan samenhangen met het feit dat het spreken over herstel als derde fase in het gefaseerd samenwerken aan veiligheid relatief nieuw is in de regio. De tabel laat ook zien dat als er een dergelijk plan was, dat niet altijd bekend was bij alle betrokken partijen. Naast beperkingen in de regievoering, waarover hieronder meer, werden in de reflectiesessies als mogelijke verklaring de moeilijkheden genoemd die ervaren worden met het uitwisselen van informatie tussen betrokken partijen. Deze moeilijkheden zouden met name spelen daar waar ouders geen toestemming geven om informatie over hun eigen trajecten te delen met andere hulpverleners. Ook komt het voor dat ouders toestemming weigeren om het veiligheidsplan op te nemen in het dossier. 32
Samenwerking In figuur 5.3 is weergegeven welke partijen door Veilig Thuis geraadpleegd zijn bij de veiligheidsbeoordeling. Bij alle casussen raadpleegt Veilig Thuis het wijkteam, het Veilig Thuis-register en de gemeentelijke basisadministratie. In vrijwel alle gevallen wordt de Verwijsindex (99%), Raad voor de Kinderbescherming (90%) en het Centraal Gezagsregister (89%) betrokken bij de veiligheidsbeoordeling. Figuur 5.3
Partijen die betrokken zijn worden bij de veiligheidsbeoordeling (N=99)
Wijkteam
100%
VT register
100%
Gemeentelijke basisadministratie (GBA)
100%
Verwijsindex (VIN)
99%
Raad voor de Kinderbescherming
90%
Centraal Gezagsregister
89%
Politie/OM
19%
GGZ
1%
Voogd/curator
1%
0%
33
20%
40%
60%
80%
100%
120%
In de meerderheid van de casussen (79%) zijn meerdere hulpverleners betrokken. In de linker kolom van tabel 5.2 is weergegeven bij welk percentage van deze casussen sprake is van casusregie. Daarbij is ook weergegeven bij welk percentage het onduidelijk is of casusregie wordt gevoerd, omdat niet alle partijen aangeven dat dit het geval is of verschillende partijen als casusregisseur worden genoemd. Casusregie wordt veelal uitgevoerd door een wijkteam (67%). Daarnaast worden gecertificeerde instellingen meerdere keren genoemd als casusregisseur (17%). De regisseur heeft in driekwart van de casussen waarin casusregie wordt gevoerd (75%) zicht op het verloop van de trajecten. In tabel 5.2 is ook af te lezen bij welke casussen sprake is van afstemming van meerdere trajecten. Ook hierbij is een onderscheid gemaakt tussen casussen waarbij afstemming duidelijk is uitgevoerd, en casussen waarbij dat onduidelijk is omdat betrokken partijen verschillende antwoorden geven. Bij het grootste deel van de casussen waarin meerdere trajecten op elkaar afgestemd worden, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor bij een wijkteam (71%) of een gecertificeerde instelling (14%).4 De afstemming vindt veelal plaats via periodiek casusoverleg (76%), telefonisch overleg (76%) en/of e-mail (67%). Tabel 5.2
Percentage van casussen waarbij sprake is van casusregie en afstemming van meerdere trajecten Uitgevoerd Onduidelijk Niet uitgevoerd Casusregie (N=50)* 49% 37% 14% Afstemming trajecten (N=62)** 34% 23% 44%
* Bij 50 casussen zijn meerdere hulpverleners betrokken en is uitgevraagd of er sprake is van casusregie. ** Bij 62 casussen (waarin VT direct na veiligheidsbeoordeling overdroeg) is informatie ingevuld door betrokken partijen over de afstemming van meerdere partijen. 4
34
In de overige casussen ligt deze verantwoordelijkheid bij een van de andere mogelijk betrokken hulpverleningsinstellingen.
Tabel 5.2 laat ziet dat regie en afstemming niet vanzelfsprekend zijn. Hier is in de reflectiesessies met gemeenten en uitvoerende partijen over doorgepraat. Daaruit komt naar voren dat de invulling van het begrip regie sterk verschilt in de regio, zowel tussen gemeenten onderling als tussen gemeenten en uitvoerende partijen. Soms wordt regie heel beperkt ingevuld door lokale (wijk)teams: bijvoorbeeld tot er directe veiligheid is of zelfs alleen tot er een indicatie is gesteld. Op de verschillen tussen gemeenten wordt verderop in dit hoofdstuk nader ingegaan. Gemeenten geven aan dat ze merken dat na overdracht de regie door aanbieders niet wordt ingevuld zoals beoogd, of dat er nieuwe trajecten worden ingezet die buiten het zicht van de gemeentelijke procesregisseurs blijven. Aanbieders geven aan dat het vaak onduidelijk is wie regie voert en wat een gemeente precies verwacht in het kader van regie. Regie zou vaker worden gevoerd als er sprake is van betrokken minderjarige kinderen en in het gedwongen kader. Directbetrokkenen Directbetrokkenen worden in de ruime meerderheid van de casussen (76%) betrokken bij de veiligheidsbeoordeling door Veilig Thuis. Bij het veiligheidsplan worden in minder dan de helft (42%) van de gevallen directbetrokkenen betrokken, bij het hulpverleningsplan gebeurt dit in de helft van de casussen (50%).
Bij het herstelplan worden directbetrokkenen relatief weinig betrokken (26%). Op de vraag met welke directbetrokkenen is gesproken bij het eerste contact, geeft de meerderheid van de instellingen aan dat er is gesproken met de moeder (86%). In meer dan de helft gevallen is (ook) met de vader gesproken (57%) en bij de helft met de kinderen (49%). Contact met een ander familielid (10%), stiefvader (8%) of stiefmoeder (1%) komt minder voor. Daarnaast worden andere directbetrokkenen genoemd (16%), zoals een pleegmoeder of hulpverlener die eerder betrokken was. 35
Hulp verlenen De problematiek in beeld In een derde van de casussen (34%) waarbij is overgedragen aan een hulpverleningsinstantie of een instelling op een andere wijze betrokken was bij de casus is er een traumascreening gedaan. Bij de vraag welk trauma screeninginstrument is gebruikt worden verschillende antwoorden gegeven. Het meest gegeven antwoord is dat er gebruik is gemaakt van psychologisch of psychiatrisch onderzoek (14%), gesprekken (14%), het Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid (LIRIK) (14%) of het Wegingsinstrument Kindveiligheid (WIK; 10%).5 Bij iets minder dan de helft van de casussen waarbij is overgedragen of een andere partij betrokken was (45%) is een risicoanalyse uitgevoerd. Bij vrijwel alle casussen waarbij een risicoanalyse is uitgevoerd is er sprake van meerdere risicofactoren (98%) en problematiek op meerdere leefdomeinen (98%). In tabel 5.3 is weergegeven welke risicofactoren aanwezig zijn bij de casussen waarbij een risicoanalyse is uitgevoerd (N=28). Daarnaast is af te lezen welk percentage van de casussen waarbij een risicoanalyse is uitgevoerd een hulpverleningstraject aangeboden krijgt met aandacht voor deze risicofactor. De meest voorkomende risicofactoren zijn opvoed- en/of ontwikkelingsproblematiek (75%) en relatieen/of echtscheidingsproblematiek (71%).
Aan deze risicofactoren wordt ook het meeste aandacht besteed in hulpverleningstrajecten (64% en 54% respectievelijk).
5 De LIRIK en de WIK zijn niet primair bedoeld voor het screenen op trauma maar op risicofactoren.
36
Tabel 5.3
Percentage van casussen waar risicofactoren aanwezig zijn en die hulpverlening aangeboden krijgen gericht op deze risicofactor (N=28)* Risicofactor Risicoanalyse Hulpverlening Opvoed/ontwikkelingsproblematiek Relatie/echtscheidingsproblematiek Geschiedenis van huiselijk geweld Psychische problematiek bij volwassene(n) Psychische/gedragsproblematiek bij kinderen Verslavingsproblematiek/excessief middelengebruik Financiële problemen Werkloosheid Sociaal isolement
75% 71% 57% 50% 39% 29% 18% 14% 14%
64% 54% 29% 32% 36% 14% 4% 4% 4%
* Bij 28 casussen is een risicoanalyse uitgevoerd en is informatie bekend over risicofactoren.
In tabel 5.4 op de volgende pagina is weergegeven op welke leefdomeinen problematiek bestaat bij casussen waarbij een risicoanalyse is uitgevoerd en welk percentage van de casussen hulpverlening krijgt gericht op dit leefdomein. Voor het grootste deel wordt in de hulpverlening relatief meer aandacht besteed aan leefdomeinen waar vaker problematiek bestaat. Echter op het domein ‘relaties in huis’ bestaat er bij het grootste deel van de casussen problematiek, terwijl slechts de helft van de casussen hulpverlening aangeboden krijgt gericht op dit domein.
37
Tabel 5.4
Percentage van casussen met problematiek op de verschillende leefdomeinen en het percentage dat hulpverlening aangeboden krijgen gericht op dit domein (N=28)*6 Leefdomein RisicoHulpverlening Leefdomein RisicoHulpverlening analyse analyse Emotionele 54% 54% Middelengebruik 29% 14% ondersteuning7 Financiën 18% 7% Opvang van kinderen 4% 18% Geestelijke 50% 39% Organisatie van huis11% 11% gezondheid houden Gezinsstructuur 50% 39% Relaties in huis 86% 57% Huisvesting 21% 11% Scholing 25% 14% Justitie 18% 11% Sociale omgeving 29% 21% Lichamelijke 7% 4% Socialisering 11% 11% gezondheid Lichamelijke 7% 4% Tijdsbesteding 7% 0% verzorging Maatschappelijke 11% 7% participatie * Bij 28 casussen is een risicoanalyse uitgevoerd en is informatie bekend over leefdomeinen.
6
De leefdomeinen van de Zelfredzaamheidsmatrix Huishoudens 2020 zijn gehanteerd.
7 Onder emotionele ondersteuning wordt verstaan de wijze waarop ouders een positieve voorbeeldfunctie hebben, grenzen stel-
len, sensitief en responsief zijn jegens hun kinderen.
38
In de reflectiesessies is de aansluiting van hulp op risicofactoren met gemeenten en uitvoerende partijen besproken. Er is met name gesproken over de grotere inzet op jeugd- en opvoedproblematiek en minder grote inzet op volwassenproblematiek en stressfactoren als financiële problemen. Ten eerste geven alle respondenten in de reflectiesessies aan dat de inzet altijd is om naar het hele systeem te kijken en het hele systeem te helpen. Tegelijkertijd wordt erkend dat problematiek van kinderen mogelijk wat vaker gezien wordt dan individuele problematiek van volwassenen door de achtergrond en expertise van de betrokken professionals; en dat het makkelijker is om cliënten te motiveren voor hulp aan kinderen en bij opvoeden, dan voor hulp bij de eigen problemen van volwassenen (vaak: ouders). Het motiveren van ouders wordt in het vrijwillig kader als zeer moeilijk ervaren, zeker door gemeenten maar in mindere mate ook door aanbieders. Via de inzet van gezinsgerichte (opvoed)ondersteuning wordt dan gehoopt toch een ingang te creëren om het met ouders te blijven hebben over het effect van hun eigen problematiek op de situatie. Ook blijven er op die manier ‘ogen in het systeem’.
Aanbieders wijzen er echter op dat inzet op met name armoede/financiële problemen en verslaving noodzakelijk is om bij HGKM te kunnen komen tot effectieve hulp, omdat dit factoren zijn die maken dat cliënten onvoldoende in staat zijn om goed te kunnen participeren in andere hulptrajecten. Ook geven zij aan dat het bieden van heel praktische hulp een goede manier kan zijn om volwassenen uiteindelijk te motiveren voor hulp die gericht is op zwaardere, onderliggende problematiek.
39
Hulpverleningstrajecten Van alle casussen waarbij is overgedragen aan vervolghulp of waarbij een partij op een andere manier betrokken is (N=62), heeft de meerderheid (63%) minstens één hulpverleningstraject aangeboden gekregen. Gemiddeld worden in een casus twee trajecten aangeboden (N=39). In totaal is er in de steekproef sprake van 87 trajecten. In figuur 5.4 is het verloop van de aangeboden trajecten weergegeven. Van de aangeboden trajecten wordt het grootste deel geaccepteerd en vrijwel alle geaccepteerde trajecten worden ook gestart. Het is niet bekend waarom trajecten niet geaccepteerd worden of starten. Of het traject voldoende doorlopen is naar de mening van de hulpverlener en of alle risicofactoren zijn weggenomen is niet voor alle gestarte trajecten ingevuld, mogelijk omdat dit traject nog niet is afgerond of omdat dit onbekend is. Van de trajecten waarvan dit bekend is, is een derde (33%) van trajecten voldoende doorlopen en bij een kwart (26%) zijn alle risicofactoren weggenomen. Van de trajecten die onvoldoende zijn doorlopen of waar niet alle risicofactoren zijn weggenomen, is in een klein deel een vervolgtraject gestart (27%). Figuur 5.4 87 trajecten zijn aangeboden
Verloop van aangeboden trajecten (N=87)* 78 trajecten zijn geaccepteerd (90% van aangeboden trajecten)
73 trajecten zijn gestart (95% van geaccepteerde trajecten)
* In totaal is er over 87 trajecten informatie ingevuld.
40
22 trajecten zijn voldoende doorlopen (33%) en bij 18 zijn risicofactoren weggenomen (26%)
Bij 16 trajecten is een vervolgtraject gestart (27%)
In de reflectiesessies is gesproken over de gevonden uitval uit hulpverleningstrajecten. Veel respondenten herkenden het beeld niet. Ze zijn zich wel bewust van de moeite die het kost om betrokkenen te motiveren voor hulp, maar eenmaal in een traject wordt dit naar hun beleving vaak afgerond. Tegelijkertijd is aangegeven dat noch gemeentelijke (wijk)teams, noch aanbieders dit bijhouden in het kader van managementinformatie. Gemeenten hebben vaak geen zicht op de uitval als die plaatsvindt na overdracht. In de reflectiesessies is benadrukt dat als een traject voortijdig wordt gestopt, dat altijd aanleiding is om te kijken of een ander traject mogelijk is, al dan niet in het gedwongen kader als er kinderen betrokken zijn. Ook komt het voor dat wordt afgesloten zonder dat alle risicofactoren zijn weggenomen, maar er wel voldoende beschermende factoren zijn om dit met een gerust hart te kunnen doen. In figuur 5.5 is weergeven wat de aard is van deze trajecten. Met name (jeugd-)GGZ, crisishulp en jeugdhulp komen relatief vaak voor.
41
Figuur 5.5
Aard van aangeboden trajecten (N=86)* GGZ
20%
Crisishulp
20%
Jeugdhulp
16%
Ondersteuning door wijkteam
14%
Opvoedondersteuning
7%
Algemeen maatschappelijk werk
7%
Ouderschapstraject bij echtscheiding
5%
Jeugd GGZ
3%
Ambulante, specialistische hulp
3%
Ambulante gezinsondersteuning
2%
Dagbesteding
1%
Begeleid wonen
1% 0%
5%
10%
15%
20%
* Van 86 trajecten is de aard bekend. Onder ‘crisishulp’ worden alle vormen van hulp bedoeld die direct in/na de crisis worden ingezet, zoals spoedhulp en opvang.
42
25%
Hulpverleningstrajecten kunnen gericht zijn op meerdere directbetrokkenen. In het grootste deel zijn trajecten gericht op kinderen (77%). Daarnaast zijn veel trajecten gericht op de moeder (56%) en/of vader (45%). In minder mate zijn trajecten gericht op de stiefvader (7%), stiefmoeder (1%) of een ander familielid (2%). Een relatief groot deel van de trajecten is gericht op meerdere directbetrokkenen: zo is bijna een derde van de trajecten (29%) gericht op zowel de vader, moeder als kind(eren). Daarnaast is een kwart van de trajecten (25%) gericht op de moeder en kind(eren). Monitoring en nazorg Iets meer dan de helft van de casussen (57%) monitoren betrokken instellingen op de veiligheid na afronding van de hulpverlening. Van de instellingen die deze monitoring uitvoeren (N=39), geeft het grootste deel aan dat dit bij het cliëntsysteem gebeurt (82%) en ongeveer de helft bij de hulpverlener (51%). Gemiddeld monitoren instellingen 3,2 keer (N=39) om zicht te houden op de veiligheid. De meest genoemde partijen die de monitoring uitvoeren zijn het lokaal veld van Profiel 5 (21%), Profiel 3 (18%), Profiel 1 (10%) en Profiel 2 (8%). Een minderheid van de casussen (21%) ontvangt nazorg na hulpverlening. Daaronder wordt verstaan dat de hulpverlening aanvullende, incidentele zorg verleent na afronding van een traject.
Bij de meerderheid van de instellingen die nazorg verlenen wordt dit gedaan via telefonisch contact (64%). Daarnaast voert een kwart (29%) huisbezoeken uit.
43
Verschillen tussen profielen In tabel 5.5 zijn de kenmerken van de aanpak van HGKM weergegeven voor de vijf profielen die zijn opgesteld voor de organisatie van het lokaal veld. De aantallen waarop de tabel is gebaseerd verschillen per profiel. In de steekproef voor het onderzoek is elke casus aan een profiel gekoppeld. Van die 20 casussen per profiel is een deel door Veilig Thuis overgedragen aan vervolghulp (al dan niet het lokaal veld); Bij die vervolghulp zijn onderstaande gegevens verzameld. Per profiel betreft het tussen de 8 en 15 casussen waarvoor dit is gebeurd. De tabel laat duidelijke verschillen tussen de profielen zien.
Tabel 5.5 Verschillen tussen de vijf profielen in kenmerken van de aanpak van huiselijk geweld Kenmerken Profiel 1 Profiel 2 Profiel 3 Profiel 4 Profiel 5 (N=15) (N=12) (N=11) (N=8) (N=15) Veiligheidsplan opgesteld 67% 8% 73% 25% 47% Hulpverleningsplan opgesteld 73% 25% 55% 38% 53% Herstelplan opgesteld 40% 8% 46% 13% 13% Gescreend op trauma 60% 25% 27% 50% 7% Risico analyse uitgevoerd 73% 33% 9% 25% 60% Monitoring na hulpverlening 33% 50% 73% 38% 80% Nazorg na hulpverlening 13% 8% 36% 25% 20% Afstemming van meerdere trajecten 67% 33% 36% 0% 20% Coördinatie/casusregie 67% 42% 27% 13% 27% Casusregisseur heeft zicht op verloop 100% 60% 100% 0% 50% van trajecten* (N=10) (N=5) (N=3) (N=1) (N=4) * Deze vraag is alleen gesteld wanneer er sprake is van casusregie in de casus. De aantallen waarop deze percentages gebaseerd zijn verschillen daarom per profiel.
44
Tijdens het onderzoek is met gemeenten gesproken om de gevonden verschillen tussen de profielen te kunnen duiden. Daarbij zijn de verschillen tussen de profielen, zoals weergeven in hoofdstuk 3, nader ingekleurd. Op basis van deze gesprekken kan voorzichtig duiding gegeven worden aan tabel 5.5 en blijken de volgende aspecten relevant: Daar waar binnen het lokale veld heel actief gestuurd wordt op uitvoering conform een systematische werkwijze met bijbehorende instrumenten, lukt het beter om systeemgericht te werken (zoals gemeten in dit onderzoek). We zien die sturing heel nadrukkelijk aanwezig bij profiel 1 en (in 2019) in mindere mate bij profiel 3. Hetzelfde geldt voor het bevorderen van expertise: onder het ene profiel wordt hier meer op geïnvesteerd dan onder het andere profiel, en expertise lijkt duidelijk het werken volgens de genoemde kenmerken te bevorderen. De mate van integraliteit van de teams lijkt er minder toe te doen, ook omdat echte integraliteit in de praktijk moeilijk te realiseren blijkt. Daarnaast blijkt integraliteit vaak beperkt tot jeugd en Wmo, terwijl ook samenwerking met werk & inkomen (incl. schuldhulpverlening) van groot belang is. Tot slot blijkt dat als een lokaal team zelf hulp verleent, dat de regievoering aanzienlijk vereenvoudigt: het probleem dat er geen zicht is op wat gecontracteerde aanbieders doen, speelt dan veel minder.
Bovendien zijn er dan meer mogelijkheden om snel te handelen (geen wachtlijsten bij externe partijen) en meer te sturen op de aansluiting op het voorliggend veld (en dus op het netwerk van de directbetrokkenen).
45
Hulpverlening bij de meest ernstige casussen In paragraaf 4.5 is gekeken naar de kenmerken van de meest ernstige casussen, waarbij sprake is van een geweldsgeschiedenis, minstens één vorm van geweld en waarbij Veilig Thuis minstens drie keer eerder betrokken is geweest. In deze paragraaf worden verschillen in de hulpverlening tussen casussen met een ernstige voorgeschiedenis van geweld en casussen zonder een (ernstige) voorgeschiedenis beschreven. Een opvallend verschil is dat in de helft van casussen met een ernstige voorgeschiedenis jeugdbescherming wordt ingezet (53%), terwijl dit slechts bij een klein deel van casussen zonder een (ernstige) voorgeschiedenis wordt ingezet (13%). Zoals in tabel 5.6 te zien is, wordt bij casussen met een ernstige voorgeschiedenis vaker casusregie uitgevoerd, vergeleken met casussen zonder een (ernstige) voorgeschiedenis. Tabel 5.6 Kenmerken van de hulpverlening voor casussen met en zonder een ernstige voorgeschiedenis Casusregie uitgevoerd Ernstige voorgeschiedenis Geen (ernstige) voorgeschiedenis (N=15) (N=47) Alle betrokken partijen geven dit aan 60% 32% Niet alle partijen geven dit aan 20% 32% Geen casusregie uitgevoerd 20% 36%
46
In tabel 5.7 is weergegeven van welke risicofactoren volgens de betrokken hulpverleners sprake is bij casussen met en zonder een ernstige voorgeschiedenis van geweld en welk percentage van de casussen hulpverlening heeft gekregen, gericht op deze risicofactor. Opvallend is dat er bij casussen waarvan we uit de Veilig Thuis-registratie weten dat er sprake is van een ernstige voorgeschiedenis vaak wordt aangegeven dat er geen sprake is van een geschiedenis van huiselijk geweld; de voorgeschiedenis is dus niet bekend bij de hulpverlening, die er dan ook weinig hulp op aanbiedt. Tabel 5.7 Risicofactoren bij casussen met en zonder een ernstige voorgeschiedenis van geweld* Leefdomeinen Ernstige voorgeschiedenis Geen (ernstige) voorgeschiedenis (N=6) (N=22) Aanwezig Hulpverlening Aanwezig Hulpverlening Geschiedenis van huiselijk geweld 17% 17% 68% 32% Opvoed- en ontwikkelings83% 83% 73% 59% problematiek Psychische problematiek 67% 50% 50% 27% bij volwassenen * Alleen risicofactoren waarbij een verschil te zien is tussen casussen met en zonder een ernstige voorgeschiedenis zijn opgenomen in deze tabel.
47
In tabel 5.8 is weergegeven op welke leefdomeinen problematiek bestaat bij casussen met en zonder een voorgeschiedenis van geweld. Met name problematiek op het gebied van emotionele ondersteuning speelt vaker bij casussen met een ernstige voorgeschiedenis, terwijl minder vaak hulpverlening op dit domein wordt aangeboden. Daarnaast krijgen casussen met een ernstige voorgeschiedenis weinig hulpverlening op het gebied van lichamelijke gezondheid en middelengebruik. Tabel 5.8 Leefdomeinen met problematiek bij casussen met en zonder ernstige voorgeschiedenis geweld* Leefdomeinen Ernstige voorgeschiedenis Geen (ernstige) voorgeschiedenis (N=6) (N=22) Aanwezig Hulpverlening Aanwezig Hulpverlening Organisatie van huishouden 33% 33% 5% 5% Relaties in huis 0% 33% 82% 64% Sociale omgeving 17% 33% 32% 18% Lichamelijke verzorging 17% 17% 5% 0% Emotionele ondersteuning 67% 33% 50% 59% Socialisering 17% 17% 9% 9% Scholing 17% 17% 27% 14% Lichamelijke gezondheid 17% 0% 5% 5% Middelengebruik 17% 0% 32% 18% Maatschappelijke participatie 33% 17% 5% 5% Justitie 0% 17% 23% 9% * Alleen leefdomeinen waarbij een verschil te zien is tussen casussen met en zonder een ernstige voorgeschiedenis zijn opgenomen in deze tabel.
48
In tabel 5.9 is het verloop van de trajecten weergegeven voor trajecten met en zonder een ernstige voorgeschiedenis van geweld. Tabel 5.9
Verloop van trajecten bij casussen met en zonder een ernstige voorgeschiedenis van geweld Ernstige voorgeschiedenis Geen (ernstige) voorgeschiedenis Aangeboden 24 63 Geaccepteerd 22 (92%) 56 (89%) Gestart 19 (86%) 54 (96%) Voldoende doorlopen 4 (21%) 18 (33%) Risicofactoren weggenomen 3 (16%) 15 (28%) Vervolgtraject 5 (29%) 11 (26%)
Verloop trajecten
Bij casussen met een ernstige voorgeschiedenis worden trajecten iets minder vaak gestart dan bij trajecten zonder een voorgeschiedenis. Daarnaast zijn deze trajecten bij afsluiting minder vaak voldoende doorlopen naar de mening van de hulpverlener en zijn minder vaak alle risicofactoren weggenomen.
49
6
Nieuw geweld
6 Nieuw geweld Nieuwe incidenten en nieuwe zorgen In deze paragraaf wordt beschreven hoe vaak na de melding (mogelijk) sprake is van nieuw geweld. Dat gebeurt op basis van informatie van zowel Veilig Thuis als de vervolghulp. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘nieuwe incidenten’ en ‘nieuwe zorgen’. Nieuwe incidenten: incidenten van nieuw geweld door of tegen de directbetrokkenen in een casus, die zich voor hebben gedaan nadat de vervolghulp is gestart, voor zover bekend bij de betrokken ketenpartners. Nieuwe zorgen: (nog) niet bevestigde zorgen of vermoedens van huiselijk geweld en/of kindermishandeling in het cliëntsysteem, waaronder ook zorgen omtrent de ontwikkeling van kinderen in het die samen kunnen hangen met HGKM. Incidenten en zorgen zijn dus apart uitgevraagd; het is niet zo dat als er een nieuw incident is, ervan uitgegaan wordt dat er ook een nieuwe zorg onder ligt. Nieuw geweld is gemeten over de hele periode vanaf de incidenten die zijn opgenomen in de steekproef tot het moment van registratie door Veilig Thuis en vervolghulp voor dit onderzoek. Aangezien de incidenten uit begin 2019 dateren en de dataverzameling grotendeels in de eerste vijf maanden van 2021 heeft plaatsgevonden, betreft het grofweg een periode van twee jaar.
51
Bij ruim een kwart van de casussen (28%) zijn nieuwe zorgen bekend, bij ruim een vijfde (21%) één of meer nieuwe incidenten. Zoals in figuur 6.1 te zien is, zijn er relatief vaak zowel nieuwe zorgen als nieuwe incidenten bekend. Figuur 6.1
Percentage van casussen waarbij nieuwe zorgen of incidenten bekend zijn (N=99)
4%
11%
17% 68%
52
Geen nieuwe zorgen of incidenten bekend
Zowel nieuwe zorgen als incidenten bekend
Alleen nieuwe incidenten bekend
Alleen nieuwe zorgen bekend
In figuur 6.2 is weergegeven welk percentage van de nieuwe zorgen bekend is bij Veilig Thuis (21%), welk percentage bij de vervolghulp (64), en welk percentage van de nieuwe zorgen bij beide bekend is (14%). Figuur 6.2
Percentage van zorgen/vermoedens die bekend zijn bij Veilig Thuis en de vervolghulp
21% van zorgen is 14% alleen bekend bij VT
53
64% van zorgen is alleen bekend bij vervolghulp
In figuur 6.3 is weergegeven welk deel van de nieuwe incidenten bekend is bij Veilig Thuis (38%), bij de vervolghulp (52%) en welk deel bij beide bekend is (10%). De percentages zijn weergegeven op casusniveau. Gemiddeld zijn er 1,8 nieuwe incidenten per recidiverende casus. Figuur 6.3
Percentage van recidiverende casussen die bekend zijn bij Veilig Thuis en de vervolghulp
38% van reciverende casussen is alleen bekend bij VT
54
10% 0%
52% van recidiverende casussen is alleen bekend bij vervolghulp
In de reflectiesessies is ingegaan op mogelijke oorzaken voor het niet bekend zijn van nieuwe incidenten bij zowel de vervolghulp als Veilig Thuis. De belangrijkste oorzaak die daarbij genoemd is, betreft de aanscherping van de Meldcode, die vereist dat ook als hulpverleners zelf verder gaan met een casus, zij structurele onveiligheid toch moeten melden bij Veilig Thuis. Deze aanscherping was begin 2019 nieuw en daarmee waarschijnlijk nog onvoldoende bekend. Tegelijkertijd valt op dat de noodzaak hiervoor ook onvoldoende wordt gezien bij betrokken organisaties, terwijl Veilig Thuis zonder deze meldingen de radarfunctie niet waar kan maken.