CConstaterende datSon en Breugel
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapportage Onderzoek armoede en inkomensregelingen in Son en Breugel

Commissie Burgerzaken 12 januari 2021, gemeente Son en BreugelBij agendapunt: Rapportage Onderzoek armoede en inkomensregelingen Son en Breugel14.815 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderzoek armoede en inkomensregelingen Son en Breugel

GGD Brabant-Zuidoost Team Onderzoek December 2020 In opdracht van de gemeente Son en Breugel

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding

5

1.1 Aanleiding onderzoek

5

1.2 Doel onderzoek

5

1.3 Leeswijzer

6

2. Methode

7

2.1 Onderzoeksmethoden

7

2.2 Contact projectleider landelijk project Vindplaatsen verborgen armen

9

2.3 Interview CliP

9

3. Son en Breugel in cijfers

10

3.1 Inleiding

10

3.2 Bevolking

10

3.3 Huishoudens in Son en Breugel met een laag inkomen

10

3.4 Aandeel mensen met een laag onderwijsniveau

14

3.5 Verstrekte bijstandsuitkeringen

14

3.6 Ouderen met alleen AOW

14

3.7 Gebruik inkomens en/of minimaregelingen Son en Breugel

15

3.8 Bereik regelingen

15

3.9 Ervaringen met rondkomen

16

3.10 Samenvatting

17

4. Quickscan literatuur armoede en inkomensregelingen

18

4.1 Definitie armoede

18

4.2 Risicogroepen

18

4.3 Quickscan armoedebeleid gemeenten

18

5. Resultaten kwantitatief onderzoek, vragenlijstonderzoek

20

5.1 Inleiding

20

5.2 Algemene kenmerken respondenten

20

5.3 Financiële situatie

21

5.4 Regelingen voor mensen met een laag inkomen

24

5.5 Toegang en tevredenheid aanvraag regelingen

26

5.6 Gewenste regelingen en tips voor de gemeente

29

5.7 Conclusie vragenlijstonderzoek

33

6. Conclusies en aanbevelingen

35

6.1 Algemeen

35

6.2 Het gebruik van inkomensregeling door inwoners die er recht op hebben

35

6.3 De bekendheid van de minimaregelingen

36

6.4 De toegankelijkheid van de minimaregelingen

37

6.5 Doen de regelingen wat ze beogen te doen?

38

6.6 Lokale samenwerking

39

6.7 Maak gebruik van bestaande kennis

40

3

Bronnen

42

Bijlage 1: overzicht benaderde instellingen en organisaties

46

Bijlage 2: quickscan literatuur

47

4

1. Inleiding 1.1 Aanleiding onderzoek De gemeente Son en Breugel heeft een plan van aanpak geschreven om te komen tot een nieuwe nota armoedebeleid 2020. Hierin staan verschillende stappen beschreven om de omvang van het probleem en het bereik van de regelingen in beeld de krijgen. Het gaat om de volgende acties:

➢

Actualiseren en verstevigen van de basis

➢

In gesprek gaan met organisaties en burgers

➢

Checken van de effectiviteit van regelingen en het inventariseren van mogelijkheden

➢

Samenwerking gemeente en particulier initiatief

In Son en Breugel zijn in 2018 ongeveer 300 huishoudens die tenminste een jaar een inkomen tot de lage inkomensgrens hebben en 400 huishoudens die een inkomen tot 110% van het sociaal minimum hebben (CBS, 2020a). Om te voorkomen dat het inkomen van huishoudens onder het sociaal minimum komt en dat inwoners in (langdurige) armoede terecht komen, zijn er in de gemeente verschillende inkomens/minimaregelingen voor huishoudens met een laag inkomen.

Regelingen levensonderhoud en specifieke minimaregelingen in Son en Breugel Participatiewet •

Participatiewet-inkomen (Bijstand)

•

IOAW

•

BBZ (voor startende ondernemers)

Armoedebeleid, regelingen voor minima •

Collectieve zorgverzekering

•

Schuldhulpverlening

•

Bijzondere bijstand

•

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

•

Individuele Inkomenstoeslag

•

Individuele studietoeslag

•

Gemeentelijk Sociaal Fonds

1.2 Doel onderzoek Uit onderzoek blijkt dat niet iedereen die voor een regeling in aanmerking komt, er gebruik van maakt (Inspectie SZW, 2018). De GGD Brabant-Zuidoost is gevraagd om in het kader van het plan van aanpak armoedebeleid onderzoek uit te voeren. De gemeente Son en Breugel wil inzicht in:

5

➢

Of de minimaregelingen doen wat ze beogen te doen?

➢

Zijn de regelingen goed bereikbaar of verstopt?

➢

Waar liggen drempels?

➢

Zijn er regelingen die hun doel voorbij schieten?

➢

En doet de gemeente ook dingen niet die wel zouden helpen?

Onderzoeksvragen Op basis van de vragen van de gemeente zijn onderstaande onderzoeksvragen geformuleerd: -

Wat is het bereik van de inkomens/minimaregelingen in Son en Breugel? o

In hoeverre maakt de doelgroep gebruik van de regelingen waar ze recht op heeft?

o

In hoeverre zijn de verschillende inkomens/minimaregelingen bekend?

o

In hoeverre zijn de inkomens/minimaregelingen toegankelijk?

-

Doen de regelingen wat ze behoren te doen?

-

Wat kan de gemeente aanvullend doen om de doelgroep bereiken?

Daarnaast heeft de gemeente behoefte aan handvatten voor preventie. Het gaat dan om aan wat voor soort initiatieven behoefte is in Son en Breugel en hoe dat georganiseerd zou kunnen worden. Uitgangspunt voor het onderzoek is dat de GGD vooral met de doelgroep zelf praat: met mensen die in armoede verkeren. Daarbij moet ook aandacht zijn voor mensen die (nog) niet in beeld zijn; de zogenaamde verborgen armoede.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt kort de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 zullen een aantal cijfers van Son en Breugel gepresenteerd worden. In hoofdstuk 4 worden enkele bevindingen uit een korte literatuurstudie besproken. In hoofdstuk 5 komen de resultaten van het vragenlijstonderzoek aan bod. In hoofdstuk 6 volgen tot slot de conclusies en aanbevelingen.

6

2. Methode

2.1 Onderzoeksmethoden Voor het GGD onderzoek lag de focus op het achterhalen van wensen en behoeften van mensen die in armoede verkeren en in welke mate de beschikbare regelingen hieraan tegemoetkomen. Voor het beantwoorden van deze vragen werden de volgende methoden ingezet:

Kort literatuuronderzoek Gemeenten in Nederland ondersteunen met minimabeleid hun armste inwoners. Veel gemeenten laten onderzoek uitvoeren naar het effect van hun beleid. Onderzoek kan betrekking hebben op de beleving van armoede, als ook op het gebruik en bereik van inkomensregelingen. Hoewel het effect van minimabeleid per gemeente kan verschillen, kunnen de verschillende onderzoeken een algemeen beeld schetsen van de beleving van armoede of het bereik van inkomensregelingen. Het literatuuronderzoek is niet verdiepend, maar geeft een globaal beeld van wat er binnen verschillende gemeenten speelt rondom het minimabeleid.

Kwantitatief onderzoek: Vragenlijst In 2019 hebben 288 inwoners van Son en Breugel een betaling levensonderhoud of een specifieke inkomensregeling ontvangen. Deze mensen zijn in april 2020 benaderd met de vraag of ze een vragenlijst in willen vullen over de regelingen voor mensen met een laag inkomen. De vragenlijst is voor verzending ter beoordeling voorgelegd aan de Adviesraad Sociaal Domein en aan CliP1. De vragenlijst kon op papier of digitaal worden ingevuld. Bij de uitnodiging is aan de genodigde de optie voorgelegd om in plaats van het invullen van de vragenlijst een persoonlijk gesprek (interview) aan te gaan met de onderzoeker. In mei 2020 is een herinneringsbrief verstuurd. De totale respons na de tweede brief was 56: 47 inwoners hebben de papieren versie ingevuld, 9 digitaal. Dat is een respons van ongeveer 19%. Uit de gegevens van de Dommelvallei blijkt dat de groep respondenten die de vragenlijst heeft beantwoord mogelijk geen representatieve afspiegeling is van de doelgroep. De resultaten zijn daarom niet generaliseerbaar naar de totale groep en moeten gezien worden als indicatief. Desondanks zijn de resultaten relevant, omdat ze inzicht geven in de mening van inwoners over de inkomensondersteuning en informatie opleveren hoe de toegankelijkheid en bereikbaarheid van inkomensregelingen verbeterd kan worden.

Kwalitatief onderzoek Voor het kwalitatief deel werd beoogd 30 inwoners van Son en Breugel met een laag inkomen te interviewen, waaronder een aantal inwoners die, terwijl ze er wel recht op hebben, van geen enkele minimaregeling van de gemeente gebruik maakt (verborgen armoede). In de praktijk bleek dat echter erg moeilijk.

1

CliP Son en Breugel is een cliëntenparticipatie voor de minima en uitkeringsgerechtigden in Son en Breugel. Het is een onafhankelijk orgaan, ingesteld door B&W, en geeft gevraagd en ongevraagd advies over alle onderwerpen die de vorming en uitvoering van het gemeentelijk beleid betreffen ten aanzien van alle inwoners met een minimuminkomen.

7

Er is op twee manieren geprobeerd inwoners te werven voor een interview: a.

Via de informatiebrief die bij de enquête hoorde is de benaderde inwoners de optie geboden om deel te nemen aan een individueel interview, eventueel in plaats van de enquête. Van de 288 inwoners heeft één persoon hierop gereageerd. Deze inwoner gaf aan pas in een later stadium benaderd te willen worden, maar met een ander inhoudelijk doel.

b.

In de periode april 2020 tot en met oktober 2020 zijn verschillende organisaties, instellingen en werkgroepen benaderd die direct of indirect te maken hebben met de doelgroep (zie bijlage 1). Aan de contactpersonen is gevraagd of zij een rol zouden kunnen spelen in het onderzoek en inwoners met een laag inkomen zouden kunnen vragen mee te doen aan het onderzoek. De lijst is niet uitputtend, niet alle mogelijke organisaties zijn (direct) benaderd. Te denken valt aan de woningcorporaties, energiebedrijven en huisarts. Alle contactpersonen waren bereid mee te denken en/of inwoners te stimuleren om mee te doen aan het onderzoek. Niet alle contactpersonen hebben direct contact met de doelgroep. Voor medewerkers die in direct contact staan met de doelgroep is een informatiebrief gemaakt met het doel van het onderzoek en de contactgegevens van de onderzoeker. Anderen hebben een stukje in een nieuwsbrief geplaats, of wilden dit gaan doen. Soms werd doorverwezen naar organisaties die geen direct contact met de doelgroep hebben, die zijn niet meer benaderd.

Helaas is het niet gelukt voldoende mensen te vinden die bereid waren tot een persoonlijk interview. Uiteindelijk was een aantal van vier potentiële deelnemers te klein om steekhoudende conclusies te kunnen trekken. Wel gaven de informele gesprekken van de GGD met de contactpersonen meer inzicht in de doelgroep en het bereik van inkomensregelingen. Mogelijke reden voor lage respons Hoewel van te voren was ingeschat dat het moeilijk zou zijn om voldoende gesprekken te voeren met de doelgroep, waren er, tegen de verwachtingen in, uiteindelijk te weinig inwoners in beeld die bereid waren tot een persoonlijk gesprek. Hiervoor zijn een aantal redenen te bedenken:

➢

Het onderzoek was niet voldoende centraal gecoördineerd: er was geen terugkoppelmoment met de contactpersonen. Daardoor werd niet duidelijk of en hoeveel inwoners/cliënten zijn benaderd. Mogelijk was er sprake van te veel vrijblijvendheid en/of te weinig draagvlak.

➢

Het onderzoek was niet optimaal door privacyoverwegingen: ervaring leert dat het niet persoonlijk kunnen benaderen van de doelgroep de kans op deelname aan onderzoek verkleint. De AVG speelt hierbij een belangrijke rol, voor het onderzoek waren we afhankelijk van intermediairs om de privacy van de groep inwoners zoveel mogelijk te waarborgen.

➢

Het betreft een doelgroep die moeilijk te benaderen is: mensen met een laag inkomen hebben vaak veel zorgen of schamen zich voor de situatie. Ook kan de taalbarrière een rol spelen.

➢

Onbekendheid of onzekerheid bij contactpersonen: de mogelijkheid bestaat dat het voor hulpverleners niet altijd duidelijk is of er bij mensen sprake is van armoede. Soms kan er een vermoeden zijn, maar mogelijk is niet voor iedereen duidelijk wat ze met de signalen kunnen doen of hoe het onderwerp bespreekbaar te maken.

➢

Onderzoek ten tijde van de Covid-19 pandemie: veel overleg met de contactpersonen ging via de telefoon of digitaal. Dat maakt het moeilijker om het onderzoek te laten leven. Ook voor de 8

paar interviews die op stapel stonden was het lastig plannen. Die gepland stonden werden afgelast vanwege mogelijk besmetting. Interviews bij deze doelgroep is via de telefoon lastig, mede omdat non-verbale communicatie erg belangrijk is. 2.2 Contact projectleider landelijk project Vindplaatsen verborgen armen Er is in 2020 een door ZonMW gefinancierd project van start gegaan over vindplaatsen van verborgen armen (ZonMW, 2020). De vraag is waarom sommige mensen met lage inkomens geen gebruik maken van ondersteuning vanuit de gemeente of Rijksoverheid, terwijl ze er wel recht op hebben. Het doel van het project is meer inzicht te krijgen in wie de ‘verborgen armen’ zijn en waarom deze groep geen ondersteuning krijgt. Aan de hand van de resultaten zullen werkwijzen ontwikkeld worden die gemeenten en andere relevante actoren kunnen helpen bij het vinden, bereiken en ondersteunen van deze doelgroep. Het onderzoek richt zich met name op werkende armen. Dit onderzoek zal in Nederland worden uitgevoerd en loopt tot 2023 (ZonMW, 2020). Tussentijds zullen relevante resultaten beschikbaar worden gesteld. Er is contact geweest met de projectleider van het ZonMW project over het onderzoek, tevens lector Armoede Interventies bij het Amsterdams Kenniscentrum voor Maatschappelijke Innovatie (AKMI).

(https://www.hva.nl/akmi/gedeelde-content/lectoraten/lectoraat-armoede-interventies/lectoraatarmoede-interventies.html). De projectleider heeft enkele suggesties gedaan hoe een dergelijk onderzoek aan te pakken. Zijn veronderstelling is dat mensen die geen gebruik maken van een minimaregeling (terwijl ze er wel recht op hebben) en niet in beeld zijn, mensen zijn die nog nooit een beroep op de gemeente hebben gedaan. Het gaat hierbij om arme werkenden, zzp-ers, mensen die geen uitkering hebben en mensen met een laag pensioen. Dit kan getoetst worden door bestanden over inkomen (cijfers CBS) te koppelen aan bestanden met informatie over het gebruik van regelingen (gemeente). Om vervolgens de doelgroep te vinden, moet je ze niet benaderen vanuit armoede, maar vanuit kansen die ze laten liggen. Een mogelijk vindplaats of ingang voor de doelgroep is de basisschool. Naar aanleiding van het gesprek werd duidelijk dat er nog veel voorwerk gedaan moet worden om dit op te pakken. Om een onderzoek via scholen uit te voeren, moet er eerst een schil zijn die weet waar het over gaat.

Wordt er op scholen al iets gedaan met armoede, of moeten leerkrachten hierin eerst getraind worden in het signaleren van armoede en het bespreekbaar maken van het onderwerp? Bovendien speelde naar aanleiding van het overleg de vraag of je mensen niet eerst moet toeleiden naar de relevante ondersteuning, alvorens mensen te vragen naar deelname aan onderzoek. Dat vraagt om een andere benadering dan die in eerste instantie is ingeschat. 2.3 Interview CliP CliP heeft gedurende het traject een belangrijke rol gespeeld. Er heeft een uitgebreid gesprek plaatsgevonden met CliP. Omdat er geen andere interviews hebben plaatsgevonden, kan slechts een deel van de bevindingen uit het gesprek met CliP in de conclusie van het rapport worden opgenomen, in combinatie met de resultaten uit de enquête, literatuuronderzoek en (informele) input van relevante contactpersonen.

9

3. Son en Breugel in cijfers 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de omvang van armoede in Son en Breugel beschreven.

3.2 Bevolking Op 1 januari 2020 telde Son en Breugel: 17.322 inwoners In particuliere huishoudens: 17.073 In institutionele huishoudens: 249 0-17 jaar: 3.552 18 t/m 64 jaar: 9.884 65 jaar en ouder: 3.886 7.264 particuliere huishoudens Eenpersoonshuishoudens: 2.086

Meerpersoonshuishouden zonder kinderen: 2.412

Meerpersoonshuishoudens met kinderen: 2.766

➢

Eenoudergezinnen: 470

Bron: CBS statline (2020b)

3.3 Huishoudens in Son en Breugel met een laag inkomen Het CBS en SCP berekenen de armoedecijfers in Nederland. Zij gebruiken echter verschillende definities, waardoor er door beide op een andere wijze berekend wordt hoeveel mensen in Nederland in armoede leven (loket gezond leven, z.j.). Het CBS berekent de omvang van armoede op basis van de lage inkomensgrens, het SCP door middel van het niet-veel-maar-toereikendbudget. Dit wordt hierna verder toegelicht.

10

Armoede in cijfers CBS Om (inkomens) armoede af te bakenen hanteert het CBS de lage-inkomensgrens. De lageinkomensgrens betreft een vast bedrag dat voor alle typen huishoudens een gelijke koopkracht vertegenwoordigt en wordt jaarlijks alleen aangepast voor de prijsontwikkeling (CBS, 2018, 2019, 2020a). In 2018 lag de grens voor een alleenstaande op 1.060 euro per maand, voor een paar was dat 1.460 euro. Met twee minderjarige kinderen was de grens voor een paar 2.000 euro en voor een éénoudergezin 1.600 euro (CBS, 2019). Het sociaal minimum betreft het wettelijk bestaansminimum en is tot aan de pensioengerechtigde leeftijd gelijk aan de hoogte van de bijstandsuitkering en is vanaf de pensioengerechtigde leeftijd ontleend aan het AOW-pensioen (CBS, 2020a). In tabel 1 en 2 worden het aantal huishoudens en het aantal personen in particuliere huishoudens met een laag en langdurig laag inkomen weergegeven. Hierbij is ook gekeken naar de inkomensbron van de huishoudens en de samenstelling van de huishoudens. Tabel 1: Huishoudens en personen in particuliere huishoudens met laag en langdurig laag inkomen, inkomen tot lage inkomensgrens2, 2018 Son en Breugel

Nederland

Son en Breugel

Nederland

Aantal*

Aantal

Aantal*

Aantal

(%)

(%)

(%)

(%)

Totaal aantal huishoudens Ten minste 1 jaar

4 jaar of langer

Particuliere huishoudens

285-300 (4%)

583.800 (7,9%)

100-120 (1,7%)

231.700 (3,3%)

Personen in particuliere huishoudens

600 (3,5%)

1.032.600 (6,3%)

200 (1,4%)

394.000 (2,5%)

Kinderen onder 18 jaar in particuliere huishoudens

200 (5,2%)

236.500 (8,1%)

100 (2,1%)

103.200 (3.3%)

Voornaamste inkomensbron huishoudens Ten minste 1 jaar

4 jaar of langer

Inkomen als werknemer/zelfstandige

100 (1,5%)

142.000 (3,1%)

<50 (0,3%)

29.200 (0,7%)

Overdrachtsinkomen3

200 (7,6%)

441.800 (15,7%)

100 (3,7%)

202.500 (7,6%)

Samenstelling huishouden Ten minste 1 jaar

4 jaar of langer

Eenpersoonshuishouden

100-150 (7,2%)

368.800 (14,1%)

±70-100 (3,6%)

160.900 (6,9%)

Meerpersoonshuishouden

100-140 (2,7%)

215.100 (4,5%)

0 - ± 50 (1%)

70.800 (1,5%)

± 50 (11,6%)

76.400 (14,7%)

< 25 (4,9%)

23.900 (4,9%)

-

Eenoudergezin

Bron: CBS statline, 2020a

* Cursief zijn schattingen op basis van bevolkingsaantallen 1 januari 2019. CBS rondt aantal met 50 af, waardoor sommige aantallen niet logisch bij elkaar optellen.

2

Laag inkomen: besteedbaar inkomen onder de lage inkomensgrens

3

Huishoudens waarbij uitkering, pensioen of studiefinanciering de voornaamste inkomensbron vormt

11

Tabel 2: Huishoudens en personen in particuliere huishoudens met laag en langdurig laag inkomen, inkomen tot 110% sociaal minimum, 2018 Son en Breugel

Nederland

Son en Breugel

Nederland

Aantal*

Aantal

Aantal*

Aantal

(%)

(%)

(%)

(%)

Totaal aantal huishoudens Ten minste 1 jaar Particuliere huishoudens Personen in particuliere

4 jaar of langer

400

787.800

200-220

411.000

(5,7%)

(10,7%)

(3,1%)

(5,9%)

700

1.258.300

300

613.600

(4,3%)

(7,7%)

(2,0%)

(4,0%)

Kinderen onder 18 jaar in

200

269.300

100

121.100

particuliere huishoudens

(5,3%)

(8,3%)

(2,1%)

(3.9%)

huishoudens

Voornaamste inkomensbron huishoudens Ten minste 1 jaar Inkomen als werknemer/zelfstandige Overdrachtsinkomen

4 jaar of langer

100

129.700

<50

29.200

(1,5%)

(2,8%)

(0,3%)

(0,7%)

300

658.200

200

381.800

(11,7%)

(23,4%)

(7,1%)

(14,2%)

Samenstelling huishouden Ten minste 1 jaar Eenpersoonshuishouden Meerpersoonshuishouden -

Eenoudergezin

4 jaar of langer

200

527.700

100-160

295.000

(12,1%)

(20,2%)

(7,8%)

(12,7%)

200

260.200

70-100

116.000

(3,3%)

(5,4%)

(1,4%)

(2,5%)

60-100

100.700

35

48.100

(14,2%)

(19,3%)

(7,6%)

(9,9%)

Bron: CBS Statline, 2020a

* Cursief zijn schattingen op basis van bevolkingsaantallen 1 januari 2019. CBS rondt aantal met 50 af, waardoor sommige aantallen niet logisch bij elkaar optellen.

In 2018 had 4% van de particuliere huishoudens in Son en Breugel tenminste 1 jaar een inkomen tot de lage inkomensgrens4. Ongeveer 5,7% van de particuliere huishoudens had een inkomen tot 110% van het sociaal minimum (CBS statline, 2020a). Het betreft respectievelijk 300 en 400 huishoudens. Bij een kwart tot een derde van de huishoudens met een laag inkomen is de voornaamste bron van inkomen, inkomen als werknemer of zelfstandige (zie figuur 1). Van de particuliere huishoudens had in 2018 1,7% (ongeveer 100 huishoudens) ten minste 4 jaar of langer een inkomen tot de lage inkomensgrens, 3,1% een inkomen tot 110% van het sociaal minimum (ongeveer 200 huishoudens). Van de huishoudens die ten minstens 4 jaar een laag inkomen hebben, heeft slechts een zeer klein aandeel inkomen uit werk.

4

Laag inkomen: besteedbaar inkomen onder de lage inkomensgrens

12

Figuur 1: aantal huishoudens naar inkomensgrens en bron van inkomen in Son en Breugel (tenminste 1 jaar), 2018

Bron: CBS (2020a)

Armoede in cijfers SCP Het SCP bepaalt de armoedegrens op basis van twee referentiebudgetten (Goderis, van Hulst en Hoff, 2019). Bij een strikte basisbehoeftenbudget gaat het om de minimale uitgaven van een zelfstandig huishouden aan onvermijdbare, basale zaken als voedsel, kleding en wonen. Hierbij zijn ook de uitgaven aan andere moeilijk te vermijden posten, zoals verzekeringen en persoonlijke verzorging, meegeteld. Het niet-veel-maar-toereikendbudget is iets ruimer. Bij dit budget wordt ook rekening gehouden met de minimale kosten van ontspanning en sociale participatie, zoals het lidmaatschap van een sport- of hobbyclub of een jaarlijkse korte vakantie. Luxegoederen, zoals een auto, ontbreken. Het SCP spreekt van langdurige armoede als mensen in ten minste drie aaneengesloten jaren binnen een periode van vijf jaar arm zijn. De armoedecijfers van het SCP in tabel 3 zijn gebaseerd op het nietveel-maar-toereikendbudget.

Tabel 3: Percentage en aantal inwoners in Son en Breugel onder het niet-veel-maartoereikendcriterium, 2017 %

Aantal

3,4

549

Zelfstandigen

6,1

64

Gepensioneerden

2,5

95

Uitkeringsontvangers

16,6

127

Autochtonen

2,5

367

Westerse migranten

4,9

67

Niet-westerse migranten

19,7

117

Minderjarige kinderen

4,5

157

Totaal Specifieke groepen

Bron: van Hulst en Hof (2019)

13

3.4 Aandeel mensen met een laag onderwijsniveau Het percentage laagopgeleiden in 2019 onder de bevolking van 15-75 jaar (potentiële beroepsbevolking) in Son en Breugel is 25%. Het betreft personen van wie basisonderwijs, v(m)bo, mavo, mbo-1 en onderwijs van vergelijkbaar niveau de hoogst voltooide opleiding is (CBS, 2020c; Hulshof, 2020).

3.5 Verstrekte bijstandsuitkeringen In figuren 2 en 3 staan het aantal personen en het percentage huishoudens met een bijstandsuitkering. Het gaat hierbij om personen en huishoudens met een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB, t/m 2014) en de Participatiewet (vanaf 2015). De uitkeringen (leefgeld) aan personen in een instelling, de elders verzorgden, zijn niet inbegrepen. Ook de uitkeringen aan daken thuislozen zijn niet inbegrepen (Waarstaatjegemeente.nl, z.j.; CBS, participatiewet). In 2019 hebben 20,9 per 1000 inwoners van 18 jaar en ouder uit Son en Breugel een bijstandsuitkering ontvangen. Volgens het CBS (2020d) gaat het hierbij om ongeveer 240 personen. Van de huishoudens heeft 2,9% een bijstandsuitkering, dat betreft in 2019 ongeveer 200 huishoudens.

Figuur 2 en 3: aantal personen met bijstandsuitkeringen in 2019; percentage huishouden met een bijstandsuitkering, 2016-2020 Personen met bijstandsuitkeringen

Huishoudens met bijstandsuitkering

Per 1000 inwoners van 18 jaar en ouder

% t.o.v. totaal huishoudens

Bron: https://www.waarstaatjegemeente.nl/dashboard/Werk-en-inkomen (cijfers CBS)

3.6 Ouderen met alleen AOW Uit de Ouderenmonitor van GGD Brabant-Zuidoost (2017) blijkt dat in 2016 in Son en Breugel 12% van de ouderen alleen AOW ontvangt. Het gaat om ongeveer 440 ouderen. Volgens het CBS hebben ongeveer 100 personen die een uitkering uit pensioen of uit vermogen5 hebben, ten minste een jaar een inkomen tot de lage inkomensgrens of 101% van het sociaal minimum. Dat komt overeen met het aantal van het SCP (van Hulst en Hof, 2019). Dat houdt mogelijk in dat van de naar schatting 440

5

Rente over spaartegoeden, dividenden en opbrengsten uit onroerend goed (waaronder de eigen woning). Tot inkomsten uit financieel vermogen behoren ontvangen rente van banktegoeden, inkomsten uit obligaties en dividenden. Bij onroerend goed gaat het om inkomsten uit eigen woning en overige inkomsten uit onroerend goed. Betaalde rente (waaronder de hypotheekrente) is in mindering gebracht. Bron: CBS (2020a)

14

ouderen die alleen AOW hebben, een deel vermogen heeft (waaronder spaargeld) en niet tot de lage inkomens/sociaal minimum wordt gerekend. Uit de regionale cijfers blijkt dat 25% van de ouderen in regio Zuidoost-Brabant die alleen AOW hebben, enige tot grote moeite heeft met rondkomen. Extrapoleren we dit naar Son en Breugel, dan zou het naar schatting om 110 ouderen gaan.

3.7 Gebruik inkomens en/of minimaregelingen Son en Breugel Ten behoeve van het onderzoek zijn er 288 adressen in Son en Breugel aangeschreven die in 2019 een betaling levensonderhoud en/of een specifieke regeling hebben ontvangen. Het ging hierbij om de volgende aantallen: Participatiewet •

Participatiewet-inkomen (Bijstand) Gemiddeld aantal (actieve) uitkeringen over 2019: 182

•

IOAW Gemiddeld aantal (actieve) uitkeringen over 2019: 13

•

BBZ (voor startende ondernemers) Gemiddeld aantal actieve uitkeringen over 2019: 0

Armoedebeleid, regelingen voor minima 1. Collectieve zorgverzekering: Gemiddeld 178 personen per maand 2. Schuldhulpverlening6: 3. Bijzondere bijstand: 82 personen, een of meerdere keren gedurende het jaar. 4. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen: In 2019 hebben 198 mensen kwijtschelding gekregen. 5. Individuele Inkomenstoeslag: 100 personen: 69 alleenstaanden of alleenstaande ouders, 31 gehuwd/samenwonend

6. Individuele studietoeslag: < 10 personen 7. Gemeentelijk Sociaal Fonds: 139 huishoudens (bron: Dienst Dommelvallei, 2020)

3.8 Bereik regelingen In Son en Breugel worden per regeling andere voorwaarden gesteld om in aanmerking te komen voor een minimaregeling. Of iemand in aanmerking komt hangt af van het inkomen, de gezinssituatie en het vermogen. Dat maakt het lastig om op grond van het inkomen het bereik van de regelingen te schatten. Het aantal huishoudens en personen dat een laag inkomen heeft enerzijds en de gegevens

6

Het is niet bekend hoeveel van de aangeschreven inwoners gebruik hebben gemaakt van schuldhulpverlening. Deze ondersteuning gebeurt via een andere organisatie.

15

van mensen die gebruik maken van een minimaregeling anderzijds, suggereren dat er in Son en Breugel huishoudens zijn die mogelijk geen gebruik maken van een regeling waar ze recht op hebben.

3.9 Ervaringen met rondkomen In 2016 heeft ongeveer 10% van de 19-plussers in Son en Breugel enige tot grote moeite om van het inkomen rond te komen; 11% van de 19-64 jarigen en 7% van de 65-plussers (GGD BrabantZuidoost, 2017). Het betreft naar schatting 1030 19-64 jarigen en ongeveer 270 65-plussers. Bij een aantal volwassenen is sprake van materiële deprivatie (zie figuur 4). Figuur 4: Aantal volwassenen (19 t/m 64 jaar) in Son en Breugel dat te weinig geld heeft voor:

Bron: GGD Brabant-Zuidoost Volwassenenmonitor 19 t/m 64 jaar (2016-2017)

Bij 8% van de 0-11 jarigen in Son en Breugel hebben ouders enige tot grote moeite met rondkomen. Het gaat om ouders van ongeveer 180 jonge kinderen. Bij 0,5% van de kinderen hebben de ouders grote moeite met rondkomen, het gaat om ouders van ongeveer 10 kinderen (zie figuur 5). Bij 1-2% van de kinderen van 0 t/m 11 jaar in Son en Breugel heeft geldgebrek bij de ouders gevolgen op verschillende terreinen (zie figuur 6). Figuur 5: percentage 0-11 jarigen in Son en Breugel waarvan ouders moeite hebben met rondkomen; Figuur 6: aantal kinderen (0 t/m 11 jaar) in Son en Breugel waarvan de ouders te weinig geld hebben voor:

Bron: GGD Brabant-Zuidoost Jeugdmonitor 0 t/m 11 jarigen (2017-2018)

16

3.10 Samenvatting In 2017-2018 leven in Son en Breugel ongeveer 300 huishoudens en naar schatting 550 tot 600 personen in armoede (CBS statline, 2020a; van Hulst en Hof, 2019). Armoede wordt vaak gerelateerd aan werkeloosheid. Dat een betaalde baan geen garantie biedt om niet in armoede te leven blijkt uit het gegeven dat bij een derde van de huishoudens met tenminste 1 jaar een inkomen tot de lage inkomensgrens, de voornaamste bron van inkomen inkomen als werknemer of zelfstandige is (CBS statline, 2020a). In 2019 hebben in Son en Breugel ongeveer 220 huishoudens en naar schatting 240 inwoners van 18 jaar en ouder een bijstandsuitkering (waarstaatjegemeente.nl; CBS, 2020d). Ongeveer één op de tien 19-plussers in Son en Breugel heeft in 2016 enige tot grote moeite om van het inkomen rond te komen (GGD Brabant-Zuidoost, 2017). Het betreft naar schatting 1030 19-64 jarigen en ongeveer 270 65-plussers. Ongeveer 440 ouderen (12%) ontvangen in 2016 alleen AOW (GGD Brabant-Zuidoost, 2017). Niet alle ouderen met alleen AOW leven in armoede. Volgens het CBS en SCP (CBS statline, 2020a; van Hulst en Hof, 2019) leven in Son en Breugel ongeveer 100 gepensioneerden of personen die een uitkering uit pensioen of uit vermogen hebben, in armoede. Van de 440 ouderen met alleen AOW heeft naar schatting een kwart enige tot grote moeite met rondkomen (GGD Brabant-Zuidoost, 2017).

Het aantal huishoudens en personen dat een laag inkomen heeft enerzijds en de gegevens van mensen die gebruik maken van een minimaregeling anderzijds, suggereren dat er in Son en Breugel huishoudens zijn die mogelijk geen gebruik maken van een regeling waar ze recht op hebben.

17

4. Quickscan literatuur Armoede en inkomensregelingen 4.1 Definitie armoede Voor het begrip armoede worden verschillende definities gehanteerd. Armoede is meer dan alleen een gebrek aan inkomen. Armoede heeft ook te maken met belemmeringen om volwaardig deel te nemen aan het maatschappelijk leven (Roest et al.; Rots-de Vries; Beijers, in Jeeninga, 2011). De definitie die het SCP (Hoff en van Hulst, 2019) hanteert is dat mensen arm zijn wanneer ze gedurende langere tijd niet de middelen hebben voor de goederen en voorzieningen die in hun samenleving als minimaal noodzakelijk gelden. Movisie hanteert als definitie dat armoede betrekking heeft op situaties waarin mensen onvoldoende materiële, culturele en sociale middelen hebben, waardoor zij zijn uitgesloten van een levensstandaard die in de samenleving waarin zij leven als minimaal wordt gezien (CBS; Van Hulst & Hoff, in Movisie 2020a).

4.2 Risicogroepen Armoede kent vele gezichten. Verschillende groepen mensen kunnen om uiteenlopende redenen in een situatie van armoede terecht zijn gekomen. Vaak gaat het om een complexe combinatie van persoonlijke, sociale, maatschappelijk en economische factoren (Movisie, 2020b). Ingrijpende gebeurtenissen zoals echtscheiding, verlies van baan, ziekte of overlijden kunnen er toe bijdragen dat mensen onder het bestaansminimum terecht komen (Gemeente Haarlemmermeer, 2014, Movisie, z.j.) Binnen de groep ‘armen’ worden verschillende groepen onderscheiden waar armoede (afhankelijk van definitie) relatief vaak voorkomt (Beijers; SCP, in Jeeninga, 2011; Movisie, 2020a): ➢

Eenoudergezinnen met minderjarige kinderen

➢

Huishoudens met een uitkering, vooral wanneer het bijstand betreft

➢

Werkende armen, waaronder ZZP-ers

➢

Gezinnen met studerende kinderen

➢

65-plussers met alleen AOW of een onvolledige AOW

➢

Huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond

➢

Chronisch zieken en mensen met een beperking

4.3 Quickscan armoedebeleid gemeenten In bijlage 2 staat een overzicht van onderzoek naar de bekendheid en het gebruik van inkomensregelingen. Het overzicht betreft een kleine selectie van onderzoek die gemeenten in het kader van hun Armoedenota hebben uit laten voeren. Ook zijn enkele onderzoeken en artikelen over armoede in het algemeen opgenomen. Van een aantal gemeenten zijn de bevindingen niet opgenomen, vanwege strenge auteursrechten van het betreffende onderzoeksbureau. Uit de quickscan blijkt dat bij de meeste gemeenten ongeveer dezelfde onderzoeksmethoden worden gebruikt. Om inzicht te krijgen in de bekendheid en ervaringen van inwoners met minimaregelingen, wordt in de meeste gevallen een (telefonische) enquête onder de doelgroep (minima met of zonder regelingen, inwoners die regeling ontvangen) uitgevoerd. Interviews worden met name gehouden met

18

ketenpartners, experts of professionals. Interviews onder minima zijn beperkt, deze groep blijkt in de praktijk moeilijk te bereiken voor onderzoek. De gemeenten verschillen in aanbod van minimaregelingen. De bevindingen van de doelgroep over de bekendheid en ervaringen met de regelingen komen voor een groot deel overeen. Veel respondenten zijn niet of onvoldoende bekend met (bepaalde) minimaregelingen van gemeenten. Er worden verschillende redenen genoemd voor het niet gebruik van minimaregelingen, zoals:

➢

Het aanvragen van een regeling is complex en tijdrovend.

➢

Vooral voor inwoners die minder zelfredzaam zijn is het aanvragen van een regeling een zware belasting.

➢

De voorwaarden schrikken af.

➢

Stress en schaamte.

➢

De communicatiestijl slaat niet aan bij sommige doelgroepen: voor ouderen, niet-westerse groepen en laaggeletterden werken de digitale kanalen minder goed.

Een aantal van deze redenen worden ook door Diaconale organisaties (Bolwijn, 2019) als bestaande problemen genoemd van personen en huishoudens aan wie zij vanuit hun organisaties hulp bieden.

19

5. Kwantitatief onderzoek, vragenlijstonderzoek 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de resultaten beschreven van de enquête onder huishoudens in Son en Breugels die in 2019 een betaling levensonderhoud of specifieke regeling hebben ontvangen. Op basis van de in 2019 verstrekte uitkeringen blijkt dat de groep respondenten mogelijk niet representatief is voor de totale groep. Desondanks zijn de resultaten relevant, omdat ze inzicht geven in de mening van inwoners over de inkomensondersteuning en informatie opleveren hoe de toegankelijkheid en bereikbaarheid van inkomensregelingen verbeterd kan worden. Eerst worden de algemene kenmerken van de respondenten en de financiële situatie weergegeven. Vervolgens komen de regelingen voor mensen met een laag inkomen aan bod.

5.2 Algemene kenmerken respondenten Geslacht en leeftijd Van de 55 respondenten die de vraag beantwoord hebben, is 47% man, 53% vrouw. De gemiddelde leeftijd van de respondenten is 50 jaar, met een range van 21-85 jaar. Ruim 1 op de 5 (22%) is 65 jaar of ouder. Twee-derde van hen woont alleen. Huishouden Iets meer dan de helft van de respondenten woont alleen. Binnen deze groep is ongeveer een kwart 65 jaar of ouder. Ongeveer 1 op de 10 van de respondenten woont met kinderen jonger dan 18 jaar. Verondersteld wordt dat het hier om alleenstaande ouders gaat. Figuur 7: Huishouden respondenten (N=55)

Huishouden (%)

Met partner/echtgenoot of echtgenote Met partner/echtgenoot of echtgenote en kinderen jonger dan 18 jaar Met kind(eren) jonger dan 18 jaar

9 9

Met kind(eren) van 18 jaar en ouder 11

Bij ouders

53 9

Niet samen met partner/maar duurzame relatie Alleen wonend

7 2

Hoogst afgeronde opleiding Bijna 2 op de 5 respondenten hebben een MBO opleiding, ruim 1 op de 5 HAVO/VWO/HBO of Universiteit. Bijna 10% heeft geen afgerond basisonderwijs.

20

Figuur 8: Hoogst afgeronde opleiding (N=55)

Hoogst afgeronde opleiding (%) 4 9

Geen afgerond basisonderwijs

9

22

Basisonderwijs

18

VMBO/Praktijkonderwijs MBO 38

HAVO/VWO/HBO/Universiteit Ander soort onderwijs

5.3 Financiële situatie Inkomensbron Bij deze vraag konden respondenten meerdere antwoorden geven. Ruim de helft van de respondenten geeft aan een bijstandsuitkering te ontvangen (figuur 9). Ongeveer 24% van de respondenten heeft betaald werk. Vijf procent heeft werk in combinatie met bijstand. Figuur 9 : Verdeling naar inkomensbron (N=55)

Inkomensbron (%) % 0 BETAALD WERK, 32 UUR OF MEER PER WEEK BETAALD WERK, 20 UUR OF MEER MAAR MINDER DAN 32 UUR PER WEEK BETAALD WERK, 12 UUR OF MEER MAAR MINDER DAN 20 UUR PER WEEK BETAALD WERK, 1 UUR OF MEER MAAR MINDER DAN 12 UUR PER WEEK WERK ALS ZELFSTANDIGE

10

20

30

40

50

60

4 9 6 2 4

(VERVROEGD) PENSIOEN (AOW, VUT, FPU)

15

WERKLOOS/WERKZOEKEND

9

ARBEIDSONGESCHIKT (WAO, WAZ, WIA, WAJONG)

7

BIJSTANDSUITKERING

56

HUISVROUW/HUISMAN

14

ONDERWIJS/STUDEREN

9

VRIJWILLIGERSWERK, MEER DAN 4 UUR PER WEEK

16

21

Moeite met rondkomen en zorgen over geldzaken Ruim 60% van de respondenten geeft aan de afgelopen maand enige tot grote moeite te hebben gehad om van het inkomen van het huishouden rond te komen (figuur 10). Vier op de vijf respondenten maakt zich zorgen over de geldzaken (figuur 11). Ongeveer 1 op de 7 praat vaak met familie of anderen over geldzorgen, 59% soms (figuur 12). Ruim een derde van de respondenten krijgt nooit hulp van anderen bij problemen met geldzaken, een derde soms (figuur 13). Figuur 10: Moeite met rondkomen inkomen huishouden, afgelopen maand (N=54).

Moeite met rondkomen (%) Nee, geen enkele moeite

22

9 28

Nee, geen moeite, maar moet wel opletten Ja, enige moeite

41

Ja, grote moeite

Figuur 11: Respondenten die zich zorgen maken over hun geldzaken (N=54)

Zorgen maken over geldzaken (%) 7

13

80

Nee

Ja

Nvt

22

Figuren 12 en 13: Praten over en hulp krijgen van anderen wat betreft geldzaken (N=56)

Met familie/anderen praten over zorgen over geld (%) 11

Hulp van anderen krijgen bij problemen met geldzaken (%)

14

11

20

16 32 37

59

Vaak

Soms

Nooit

Nvt

Vaak

Soms

Nooit

Nvt

Stellingen over geldzaken Ruim 60% van de respondenten heeft voldoende geld om het huis te verwarmen, voor 21% geldt dat soms (figuur 14). Drie op de vijf respondenten kan niet maandelijks geld opzij zetten voor onverwachte kosten en heeft onvoldoende geld voor een nieuwe wasmachine. Ongeveer 70% moet in de supermarkt op de kleintjes letten. Iets minder dan de helft van de respondenten heeft onvoldoende geld om een lidmaatschap van een (sport)vereniging te betalen. Figuur 14: Stellingen over geldzaken (N=54-56)

Stellingen geldzaken (%) % IK HEB VOLDOENDE GELD OM HET HUIS TE VERWARMEN

64

IK HEB VOLDOENDE GELD OM LIDMAATSCHAP VAN EEN (SPORT)VERENIGING TE BETALEN IK HEB VOLDOENDE GELD OM NAAR VRIENDEN OF FAMILIE TE GAAN IK HEB VOLDOENDE GELD OM EEN NIEUWE WASMACHINE TE KOPEN ALS DEZE KAPOT GAAT IK KAN ELKE MAAND VOLDOENDE GELD OPZIJ ZETTEN VOOR ONVERWACHTE KOSTEN

16

16

11

12

11

21

59

9

9

24

60

7

21

IK MOET IN DE SUPERMARKT ECHT OP DE KLEINTJES LETTEN

36

23

70

IK HEB VOLDOENDE GELD OM ACTIVITEITEN VOOR MIJN 4 7 KINDEREN TE BETALEN (SCHOOLGELD, VERVOER SCHOOL, … IK HEB VOLDOENDE GELD VOOR NIEUWE 18 KLEREN/SCHOENEN

23

13

22

59

20

Soms

2

46

18

IK HEB SCHULDEN DIE IK VERVELEND VIND

Meestal

21

Nooit

15

18

6

9

71 48 NvT

29

5

5.4 Regelingen voor mensen met een laag inkomen Gebruik en bekendheid regelingen De meeste respondenten zijn bekend met de collectieve zorgverzekering (86%) en kwijtschelding gemeentelijke belasting (75%). Ongeveer 40% van de respondenten maakt op het moment gebruik van de kwijtschelding, ruim een derde maakt gebruik van de collectieve zorgverzekering. De meeste respondenten gebruiken of hebben gebruik gemaakt van het gemeentelijk sociaal fonds (resp. 44% en 20%). Toch geeft een kwart van de respondenten aan de regeling niet te kennen, maar deze wel te willen gebruiken. Binnen de groep die bijstand ontvangt is dat 37%. Bijna de helft van de respondenten geeft aan de Individuele inkomenstoeslag niet te kennen, maar wel te willen gebruiken. Voor de bijzondere bijstand geldt dat voor 31% van de respondenten. De percentages liggen iets hoger binnen de groep die bijstand ontvangt (resp. 52% en 36%). Eén op de vijf respondenten heeft aangegeven meestal schulden te hebben die ze vervelend vinden (zie figuur 14). Zes procent van de respondenten maakt op het moment gebruik van schuldhulpverlening. Figuur 15: Gebruik en bekendheid regeling (N=54-56)

Gebruik inkomensregelingen (%) GEMEENTELIJK SOCIAAL FONDS

44

COLLECTIEVE ZORGVERZEKERING

36

KWIJTSCHELDING GEMEENTELIJKE BELASTING 23

BIJZONDERE BIJSTAND 6

INDIVIDUELE STUDIETOESLAG 2 4

STICHTING LEERGELD

9

7

18 4 17

9 2 11

34 51

49

3

14 31

20

BIJSTAND, UITKERING

UITKERING VOOR OUDERE EN GEDEELTIJK…

45

44 20

BIJSTAND VOOR ZELFSTANDIGEN (BBZ) 2 2

16

31

7

7 11

29

12

13

24

39

5 4

14

5

11

41

INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG

SCHULDHULPVERLENING

20

16

18

3 4

11

2

11

63

4

11

59

6

13 9

13

4

52

Gebruik ik

Gebruik van gemaakt, maar nu niet meer

Ken ik wel, gebruik ik niet

Ken ik niet, maar wil ik wel gebruiken

Ken ik niet en wil ik ook niet gebruiken

nvt

5

Reden geen gebruik regelingen Respondenten konden hier meerdere antwoorden geven. De voornaamste reden die de respondenten aangeven voor het niet gebruiken van een regeling is het niet weten of hij/zij in aanmerking komt voor de regeling en het moeilijk vinden om dat uit te zoeken, gevolgd door niet weten hoe de regeling aan

24

te vragen of geen recht te hebben op de regeling. Ook is een kwart van de respondenten bang later alsnog iets terug te moeten betalen. Binnen de groep die op het moment van geen enkele regeling voor minima gebruikt maakt (N=14), is de voornaamste reden ‘geen recht te hebben op de regeling’ en ‘niet weten of hij/zij voor de regeling in aanmerking komt en het moeilijk vinden dat uit te zoeken’ (beiden 50%).

Figuur 16: Reden geen gebruik regelingen (N=45)

Reden geen gebruik regelingen (%) % 0

5

10

15

20

25

30

IK WEET NIET OF IK IN AANMERKING KOM EN VIND HET MOEILIJK OM DAT UIT TE ZOEKEN IK WEET NIET HOE IK DEZE REGELING(EN) MOET AANVRAGEN

35

40 41

37

IK HEB GEEN RECHT OP DE REGELING(EN)

37

IK BEN BANG DAT IK LATER TOCH IETS TERUG MOET BETALEN

26

IK KEN DE GENOEMDE REGELING(EN) NIET

20

IK VIND HET AANVRAGEN VAN EEN REGELING ERG MOEILIJK

20

IK WIL MIJN GELDZAKEN LIEVER VOOR MEZELF HOUDEN

9

IK WIL LIEVER GEEN GEBRUIK MAKEN VAN EEN REGELING

4

IK HEB DE REGELING(EN) NIET NODIG

2

EEN ANDERE REDEN, NAMELIJK….

30

Andere redenen die worden genoemd voor het niet gebruiken van een regeling zijn: •

Vernederend om nog een keer heleboel bewijsstukken te leveren om hulp te krijgen.

•

Naast internetvergoeding is er naar mijn idee niet meer in S&B, kan niet eens sporten.

•

Samenstelling zorgverzekering vul ik zelf in, heb elders korting. Wil graag regie over geldbesteding in eigen hand houden.

•

Wel geprobeerd met een studie, maar is afgewezen.

•

Ik vraag wel een iets maar antwoord is altijd nee.

•

Auto is te duur om in aanmerking te komen voor kwijtschelding.

•

De diverse regelingen die ik ken, b.v. bijzondere bijstand, zijn daar niet voor bestemd.

•

Zit in schuldsanering, regel niets zelf meer.

•

Waarschijnlijk binnenkort vast contract.

25

45

Bekendheid regelingen Respondenten konden meerdere antwoorden geven op de vraag over hoe ze bekend zijn met de regelingen. De meeste respondenten kennen de regelingen via de website van gemeente Son en Breugel, het CMD en/of via een contactpersoon van de gemeente. Ongeveer één op de zes kent de regelingen via familie of bekenden. Bij de categorie ‘anders’ geven respondenten verschillende antwoorden: algemene kennis, zelf uitgezocht, googelen/internet, arbeidsbureau, bewindvoerder, ambulant begeleider, van horen zeggen, vrijwilligerswerk, overheid, psycholoog, en voedselbank. Figuur 17: Bekendheid van de regelingen (N=53).

Bekendheid regelingen door..(%) 0

5

10

% 15

20

25

WEBSITE VAN DE GEMEENTE SON EN BREUGEL

23

CMD

23

CONTACTPERSOON GEMEENTE

30

21

FAMILIE, VRIENDEN, BEKENDEN

17

VLUCHTELINGENWERK

11

LEV GROEP

6

WEBSITE LEERGELD.NL

4

FOLDERS

2

DEMOOISONENBREUGELKRANT

2

CONTACTPERSOON LUMENSWERKT

2

SCHOOL, KINDERDAGVERBLIJF, GASTOUDER

2

WEBSITE LUMENSWERKT

0

(SPORT)VERENIGING

0

NIET VAN TOEPASSING/ IK KEN DE GENOEMDE…

9

ANDERS, NAMELIJK….

28

5.5 Toegang en tevredenheid aanvraag regelingen

Aanvragen regelingen De helft van de respondenten weet waar hij/zij moet zijn voor het aanvragen van een inkomensregeling, 17% weet dat niet (figuur 18). Tevens vindt de helft van de respondenten het aanvragen van een regeling niet eenvoudig. Bijna de helft van de respondenten heeft hulp nodig bij het aanvragen van een regeling. Slechts een klein percentage heeft een mening over Lumenswerkt. Dat is waarschijnlijk toe te schrijven aan het gegeven dat slechts een klein percentage van de respondenten in de schuldhulpverlening zit.

26

Figuur 18: Mening over aanvragen regelingen (N= 51-53)

Toegankelijkheid regelingen (%) IK WEET WAAR IK MOET ZIJN VOOR DE AANVRAAG VAN EEN INKOMENSREGELING

51

HET AANVRAGEN VAN EEN INKOMENSREGELING IS EENVOUDIG

17

51

DE UITLEG OP DE WEBSITE VAN GEMEENTE SON EN BREUGEL OVER INKOMENSREGELINGEN IS DUIDELIJK

23

DE UITLEG OP DE WEBSITE LUMENSWERKT OVER INKOMENSREGELINGEN IS DUIDELIJK

4 10

26

36

DE UITLEG DOOR EEN MEDEWERKER VAN LUMENSWERKT WAS DUIDELIJK

4 6

DE INFORMATIE OP DE WEBSITE VAN CMD IS DUIDELIJK

12

Mee eens

Oneens

6

26

6

43

8

8

17 32

24

57

33

6

IK HEB HULP NODIG BIJ HET AANVRAGEN VAN EEN INKOMENSREGELING

IK KREEG DE INKOMENSREGELING UITEINDELIJK SNEL

26

69

DE UITLEG DOOR EEN MEDEWERKER VAN DE GEMEENTE WAS DUIDELIJK

IK KREEG SNEL EEN EERSTE BERICHT OVER DE AANVRAAG VOOR EEN INKOMENSREGELING

17

61 48

26

17 26

33

Weet ik niet, geen mening

21

22

16

19

30

18

25

20

Niet van toepassing

Een kwart van de respondenten heeft nog een aanvullende mening over het aanvragen van een inkomensregelingen. Hieronder worden de opmerkingen weergegeven.

“Soms tegenstrijdige antwoorden van verschillende ambtenaren bij aanvraag. Dit omdat men regels omtrent IOAW niet kent.” “Als je de naam of het bestaan van de regeling niet kent is het moeilijk om iets aan te vragen. Is een doolhof!” “Collectieve verzekering: dit is niet de beste verzekering. Hoge kosten, slechte dekking. Lijkt dat dit eenmalig is besloten en er maar bij blijven omdat dit makkelijk is. Niet opnieuw ieder jaar de beste keuze gemaakt.” “Digitaal is het er niet makkelijker op geworden.” “Duidelijk aangeven welke en wanneer en waar aanvragen.” “Inkomensgrens leeftijden (regelingen) treffen.”

27

“Ik wacht al bijna 3 maanden met 0 euro inkomen.” “Maak een folder waar precies in staat wat iemand naast de uitkering kan krijgen.” “Ten tijde van de eerste aanvraag zou je door de gemeente veel beter en proactief hierover geïnformeerd moeten worden.” “Zou fijn zijn als verschillende afdelingen van de gemeente beter zouden samenwerken. Vooral m.b.t. papierwerk dat beide bv aangaat.” “Gemeente wil niet meebetalen aan studie die ik volg. Nu snap ik dat ze niet iedereen meteen kunnen helpen. Ik heb een gegronde reden waarom ik die cursus wil volgen, ben gemotiveerd, al heel lang in de bijstand en schuldsanering. Nu wil en kan ik weer gaan studeren en zeggen ze keihard NEE zoek het zelf maar uit. Volgend jaar komt er wel een regeling maar dat is volgend jaar pas! Waarom nu niet mij al helpen i.p.v. volgend jaar als ik klaar ben met mijn studie en werk!?”

Bijna de helft van de respondenten geeft aan niet meer leuke dingen te kunnen doen, ondanks het gebruik van inkomensregelingen (figuur 19). Slechts 13% geeft aan wel meer leuke dingen te kunnen doen.

Figuur 19: Kan meer leuke dingen doen door gebruik inkomensregelingen (N=53)

kan door gebruik inkomensregelingen meer leuke dingen doen (%) 13 38

49

Ja

Nee

nvt

28

5.6 Gewenste regelingen en tips voor de gemeente Tevredenheid aanbod regelingen Bijna een derde van de respondenten is niet tevreden over het aanbod van de inkomensregelingen van de gemeente (figuur 20). Zij noemen verschillende verbeterpunten, die onder te verdelen zijn in drie categorieën: financiën, sport/ontspanning en maatwerk (zie tabel 4). Figuur 20: Tevredenheid over aanbod inkomensregelingen (N=54)

Tevreden over inkomensregelingen (%) 30

37

33

Ja

Nvt

Nee, verbeterpunten

Tabel 4: Verbeterpunten aanbod inkomensregelingen: Financiën: Bijna alles. Bijstand verhogen. Bijdragen zijn krap. Schuldenvrij, maar moeten veel laten. Minimale inkomensgrens is erg laag. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen moet makkelijker kunnen. Je wordt gepakt als je overwaarde op je huis hebt.

Sport/ontspanning: Geld voor sport, sauna, massage t.b.v. gezondheid. Sportvergoeding voor volwassenen, juist als je ouder wordt is rugfit/gym nodig om gezond te blijven. Gratis sporten. Geld voor workshops, retraites etc. Wanneer er steun voor studie aangeboden wordt. Niet alles afwijzen.

Maatwerk: Gemeente is oké, UWV weigert keuring op maat. Meer persoonlijk uitleg i.v.m. mijn Nederlands. In gesprek gaan met cliënten. Meedenken met mensen en ze helpen als ze daarom vragen. Meer info verstrekken welke regelingen er zijn. Er was opeens een uitkering niet meer, over een ander moest vergaderd worden.

29

Regelingen die gemist worden Aan de respondenten is gevraagd of er regelingen zijn die ze missen. Ongeveer 40% geeft aan één of meerdere regelingen te missen. De vraag is waarschijnlijk niet door iedereen begrepen. Mensen geven hier ook regelingen waarvan ze eerder hebben aangegeven deze niet te kennen, maar wel te willen gebruiken. De antwoorden van de respondenten zijn onder te verdelen in zes categorieën (zie tabel 5).

Tabel 5: Regelingen die gemist worden Studie

Mensen helpen studeren voor werk en een diploma te halen waarna ze aan het werk gaan. Mensen die willen studeren en kans op werk hebben daardoor. Vergoeding cursusgeld laaggeletterden.

Ontspanning

Ontspanning, sauna, massage, vervoer naar familie/vrienden. Retraites, vakantie. Workshops/cursussen. Voor cultuur. Vrij openbaar vervoer zoals Eindhoven.

Vergoedingen

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen, gemeentelijk sociaal fonds, stichting leergeld zwemles. Bijzondere bijstand voor acute nood hoge kosten tandarts. Meedoen regelingen. Tweede toilet boven omdat ik duizelingen heb en 's nachts niet van de trap durf. Woonkosten toeslag.

Sport

Sport (voor volwassenen) (3 respondenten). Sportbijdrage 60+. Stichting leergeld is alleen voor zwemmen. Zou graag ook gebruik willen maken voor dansles.

Witgoed/

Duurzame goederen/witgoed zoals wasmachine, koelkast etc. (3 respondenten).

Kleding

Internet. Kleding ed. voor ouders buiten de kledingbank om. Voor kinderen is wel alles geregeld.

Regels

Mensen die op randje van betalen zitten, die het net kunnen betalen, kans geven. Dat mensen die een paar uur per week werken toch iets over mogen houden. Nu ga ik echt voor niks werken. Medische keuring afgestemd op feitelijke situatie i.p.v. kort door de bocht regeltjes. Hulp blijft uit.

Aanvullende tips over inkomensregelingen Ongeveer een kwart van de respondenten gaf nog aanvullende tips over de inkomensregelingen. De tips waren onder te verdelen in 2 categorieën: “communicatie en toegankelijkheid” en “geldzaken/inkomen” (tabel 6).

30

Tabel 6: Aanvullend tips over inkomensregelingen Communicatie en toegankelijkheid • •

Geldzaken/inkomen

Adviseer waar men recht op heeft.

•

Bij een inkomenstoets i.v.m.

Spreekuur beter toegankelijk maken.

beslaglegging wel rekening houden

Beter communiceren en als het nodig

met de beslagvrijevoet.

is ook uitleg geven.

•

Deel van inkomen uit werk vrijlaten

•

Contact opnemen met cliënt.

voor vast, om uit de armoede te

•

Mensen met een laag inkomen

komen.

tippen. •

•

Van alles, ik heb 2 maanden gedaan

per week werken en door ziekte niet

over het aanvragen van een

meer uren kunnen werken.

bijstandsuitkering en kreeg toen te

•

horen dat ik recht heb op 3 maanden •

Vraag aan mensen wat ze nodig

Vergoeding lidmaatschap zoals KBO en het Hoi-huis.

hebben voor hun gezondheid. Maak

•

Tegemoetkoming voor leeftijden inkomstgrensregelingen.

ww. •

Mensen iets gunnen die een paar uur

•

Zij zou een beter onderscheid tussen

onderscheid in waarom iemand in de

een bijstands- en een IOAW-uitkering

bijstand zit.

moeten maken. Deze twee regelingen

Ik zou graag een gesprek willen over

worden eigenlijk op één hoop

regelingen.

gegooid, terwijl ze toch echt grote verschillen kennen.

Gebruik voedselbank Best Zes procent van de respondenten maakt gebruik van de voedselbank in Best, 25% zou dat graag willen. Figuur 21: Gebruik van de voedselbank in Best (N=55)

Gebruik voedselbank Best (%) 6 25

69

Ja

Nee, maar zou ik wel willen

Nee, geen behoefte aan

31

Aanvullende ondersteuning Aan de respondenten is gevraagd of de gemeente Son en Breugel naast de inkomensregelingen nog iets aanvullend zou kunnen doen om inwoners met een laag inkomen te helpen. Ongeveer 40% gaf aan dat de gemeente dat kan doen (figuur 22). De suggesties van de respondenten hebben met name betrekking op “informeren en persoonlijke ondersteuning” en “vergoeding en financiële ondersteuning”. In tabel 7 worden alle suggesties weergegeven. Figuur 22: Kan gemeente naast inkomensregelingen nog iets aanvullends doen? (N=49)

Kan gemeente naast inkomensreglingen nog iets aanvullends doen (%) 41 59

Nee

Ja

Tabel 7: Suggesties van respondenten wat gemeente aanvullend zou kunnen doen •

De mensen die in de bijstand zitten er op wijzen dat er regelingen zijn waar ze gebruik van kunnen maken. En als er regelingen bij komen of verdwijnen de mensen actief op de hoogte brengen. Die mededeling kan in een envelop samen met de uitkeringsspecificatie.

•

(juridische)hulp en hulp bij procedure om een eerlijke keuring te krijgen.

•

Daadwerkelijk hulp bieden bij vinden van een dienstverband.

•

Meer informeren.

•

Mensen helpen met belastingformulieren zodat ze niet naar Eindhoven moeten maar wel gratis.

•

Luisteren naar hun problemen en daar daadwerkelijk iets aan doen.

•

Mensen als mensen beschouwen.

•

Opleiding/cursus vergoeden om meer kans op arbeidsmarkt te maken voor 55+.

•

Per persoon verschillend. Vrijkaartjes enz. Bonussen, gratis fiets, treinkaartjes of OV, benzinegeld.

•

Meer vergoeding voor omscholing of studie.

•

Iedereen met laag inkomen geen gemeentelijke belasting laten betalen.

•

Vergoeding b.v. OV.

•

Inkomensgrens regelingen.

•

Hulp bij eigen risico zorgkosten. Bij begin van schooljaar toelage om schoolspullen te kopen.

•

Meer activiteiten zodat mensen elkaar leren kennen.

•

Kleding ed. voor ouders buiten de kledingbank om. Voor kinderen is wel alles geregeld.

•

Bezoeken van sportaccommodatie b.v. zwembad. Nodig voor gezondheidstherapie. Dagelijks bewegen.

32

5.7 Conclusie vragenlijstonderzoek Uit de gegevens van de Dommelvallei blijkt dat de groep respondenten die de vragenlijst heeft beantwoord mogelijk geen representatieve afspiegeling is van de doelgroep. De resultaten zijn daarom niet generaliseerbaar naar de totale groep en moeten gezien worden als indicatief. De resultaten zijn wel relevant in die zin dat ze inzicht geven in de mening van inwoners over de inkomensondersteuning en informatie opleveren hoe de toegankelijkheid en bereikbaarheid van inkomensregelingen verbeterd kan worden.

De meeste respondenten hebben moeite met rondkomen De meerderheid van de respondenten heeft moeite met rondkomen en maakt zich zorgen over geldzaken. De meeste respondenten hebben onvoldoende geld om te sparen of voor onverwachte kosten. Ruim twee derde moet in de supermarkt op de kleintjes letten, bijna de helft van de respondenten geeft aan onvoldoende geld te hebben om een lidmaatschap van een (sport)vereniging te betalen. De respondenten zijn bekend met veel (inkomens)regelingen De meeste respondenten zijn bekend met de collectieve zorgverzekering en kwijtschelding gemeentelijke belastingen (resp. 86% en 75%). Respectievelijk 36% en 41% maakt gebruik van deze regelingen. De meeste respondenten maken gebruik van of hebben gebruik gemaakt van het gemeentelijk sociaal fonds. Een kwart van de respondenten kent deze regeling niet, maar wil het wel gebruiken. Bijna de helft van de respondenten kent de individuele inkomenstoeslag niet, maar wil deze wel gebruiken. Voor de bijzonder bijstand geld dit bij ongeveer een derde van de respondenten. De voornaamste redenen waarom er geen gebruik wordt gemaakt van de regelingen is het niet weten of men ervoor in aanmerking komt en het moeilijk vinden om het uit te zoeken; niet weten hoe een regeling aan te vragen; en geen recht hebben op een regeling.

Respondenten kennen de regelingen met name via de website van de gemeente, via het CMD en/of via een contactpersoon van de gemeente. Bijna de helft van de respondenten heeft hulp nodig bij de aanvraag van een regeling De helft van de respondenten weet waar hij/zij moet zijn voor het aanvragen van een inkomensregelingen. Maar ook de helft van de respondenten vindt het aanvragen van een regeling niet eenvoudig. Bijna de helft van de respondenten heeft hulp nodig bij het aanvragen van een inkomensregeling. Bij de aanvullende opmerkingen wordt door een aantal respondenten “beter informeren” genoemd. Bijna een derde van de respondenten heeft verbeterpunten voor de inkomensregelingen Bijna de helft van de respondenten kan ondanks het gebruik van de inkomensregelingen niet meer leuke dingen doen. Ruim één-derde is tevreden over de regelingen, bijna één-derde heeft verbeterpunten op het gebied van financiën/geldzaken, sport/ontspanning en maatwerk. Respondenten noemen o.a. dat de bijdragen te laag zijn, ze een sportvergoeding willen, dat er meer informatie verstrekt moet worden over de regelingen en men met mensen in gesprek moet gaan.

33

Veel respondenten missen een regeling, een kwart heeft nog aanvullende tips Twee op de vijf respondenten geven aan een regeling te missen. Regelingen die gemist worden zijn op het gebied van studie, ontspanning, vergoedingen, sport, en witgoed. Ook worden er enkele opmerkingen gemaakt over de regels rondom regelingen, die in de ogen van de respondenten te strak gehandhaafd worden. Een kwart van de respondenten heeft aanvullende tips voor de gemeente over de inkomensregelingen. Hierbij komen twee thema’s naar voren: communicatie/toegankelijkheid en geldzaken/inkomen. Betere communicatie, meer uitleg en advies, alsmede het krijgen van vergoedingen of het behoud van een deel van inkomen uit werk, zijn een paar tips die zijn genoemd. Beter informeren en vergoedingen zijn terugkerende thema’s Ongeveer 40% van de respondenten geeft aan dat de gemeente naast de inkomensregelingen nog iets aanvullends kan doen om mensen met een laag inkomen te helpen. De antwoorden liggen in het verlengde van eerdere opmerkingen van de respondenten, en zijn terug te brengen naar ‘informeren en persoonlijke ondersteuning’ en ‘vergoedingen en financiële ondersteuning’. Mensen als mensen beschouwen, ze beter informeren, vergoedingen geven voor bijvoorbeeld het openbaar vervoer zijn een paar tips die door de respondenten worden genoemd.

34

6. Conclusie en aanbevelingen 6.1 Algemeen Son en Breugel is een gemeente met relatief weinig mensen met een zeer laag inkomen. Onderzoek doen naar armoede en het gebruik van minimaregelingen is derhalve erg moeilijk. De doelgroep is moeilijk vindbaar en benaderbaar. Veel mensen schamen zich voor hun situatie. We hebben verschillende onderzoeksmethoden ingezet om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden; een kort literatuuronderzoek en een enquête onder mensen die in 2019 een betaling levensonderhoud of specifieke regeling hebben ontvangen. Het was voor de GGD belangrijk om inwoners te spreken die in armoede leven. Omdat het niet gelukt is voldoende mensen te vinden die bereid waren voor een persoonlijk interview, heeft het kwalitatief onderzoek geen doorgang gevonden.

Ondanks het ontbreken van het kwalitatieve deel, heeft het onderzoek relevante informatie opgeleverd. Belangrijke conclusie is dat door een combinatie van verschillende factoren, in Son en Breugel niet alle inwoners met een laag inkomen bereikt en (voldoende) ondersteund worden.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de onderzoeksvragen en worden aanbevelingen gegeven. De onderzoeksvragen worden beantwoord in paragraaf 6.2 t/m 6.5. 6.2 Het gebruik van inkomensregeling door inwoners die er recht op hebben Gebruik regelingen Het is onduidelijk hoeveel inwoners in Son en Breugel vanwege hun inkomen recht hebben op een minimaregeling en hier wel/geen gebruik van maken. Als we kijken naar het aantal huishoudens en personen dat een laag inkomen heeft, en de gegevens van mensen die gebruik maken van een minimaregeling, dan lijkt het dat er huishoudens zijn die mogelijk geen gebruik maken van regeling waar ze recht op hebben. Uit de enquête is gebleken dat één op de vijf respondenten geen gebruik maakt van een regeling omdat ze deze niet kennen (bekendheid regelingen). Kijken we naar de specifieke regelingen, dan blijkt dat bijna de helft van de respondenten de individuele inkomenstoeslag niet kent, een kwart het gemeentelijk sociaal fonds niet kent en ongeveer een derde de bijzondere bijstand niet kent, maar deze regeling(en) wel wil(len) gebruiken. Drempels Zowel uit de literatuur als uit de gesprekken met de contactpersonen blijkt dat er verschillende redenen zijn waarom mensen met een laag inkomen mogelijk geen gebruik maken van bepaalde minimaregelingen.

Drempels voor het bereik van regelingen zijn schaamte, niet digitaal vaardig zijn, de taalvaardigheid, vanwege migratieachtergrond geen ervaring met de werkwijze van de overheid hebben, de bureaucratie en de complexiteit van een aanvraag. Uit de enquête kwam naar voren dat veel respondenten geen gebruik maken van één of meerdere regelingen omdat ze niet weten of ze hiervoor in aanmerking komen en dit moeilijk vinden om uit te zoeken. Ook gaf ruim een derde van de respondenten aan niet te weten hoe ze een regeling aan moeten vragen (toegankelijkheid regelingen).

35

De veronderstelling is dat mensen die geen gebruik maken van een minimaregeling (waar ze wel recht op hebben) en niet in beeld zijn, mensen zijn die nog nooit een beroep op de gemeente hebben gedaan. Het gaat hierbij om arme werkenden (o.a. zzp-ers, deeltijders), mensen die geen uitkering hebben en mensen met een laag pensioen. Omdat deze groepen niet goed in beeld zijn, worden ze ook niet goed bereikt. Aanbeveling Van belang is om eerst in beeld te krijgen hoeveel inwoners met een laag inkomen in aanmerking komen voor ondersteuning, en hoeveel hier ook daadwerkelijk gebruik van maken. Het is onduidelijk hoeveel inwoners in Son en Breugel vanwege hun inkomen recht hebben op een minimaregeling en hier wel/geen gebruik van maken. Het CBS zou met de Armoedemonitor hier inzicht in kunnen geven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9589337/1