2. toelichting herstel bp Buitengebied; Herziening 2017 nav RvS
Tekst van het document
CroonenBuro5
25
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
Gemeente Son en Breugel
In het bestemmingsplan is daarom een stikstofregeling opgenomen, die in overeenstemming is met de huidige inzichten en actuele jurisprudentie. Voor de regeling is gekozen voor een depositieregeling omdat hiermee effecten op Natura 2000-gebieden volledig kan worden uitgesloten. De opgenomen regeling is als volgt geformuleerd: Het gebruik van gronden en bouwwerken behorend tot de veehouderij waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie (mol/ha/jaar) is niet toegestaan. Er is sprake van een toename van stikstofdepositie wanneer de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) als gevolg van de stikstofemissie van de veehouderij op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied meer bedraagt dan: - de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) ten gevolge van het ten tijde van de vaststelling van het plan aanwezige planologisch legale gebruik van de gronden en bouwwerken behorend tot dat agrarisch bedrijf; dan wel - de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) die in overeenstemming is met: o een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan verleende en onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming respectievelijk artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998, zoals opgenomen in de bij deze regels behorende bijlage 'onherroepelijke Nbw/Wnb-vergunningen' ; dan wel o een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan verleende en
onherroepelijke omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 6.10a van het Besluit omgevingsrecht respectievelijk hoofdstuk IX, titel 2 van de Natuurbeschermingswet 1998, zoals opgenomen in de bij deze regels behorende bijlage 'onherroepelijke omgevingsvergunningen'; dan wel - een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geregistreerde melding als bedoeld in artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming, zoals opgenomen in de bij deze regels behorende bijlage 'geregistreerde meldingen'. Deze regeling betekent onder andere dat voor de referentiesituatie (de situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan) niet mag worden uitgegaan van de situatie zoals vergund in een omgevingsvergunning voor milieu, maar dat moet worden uitgegaan van de feitelijke, legale situatie. Als sprake is van een onherroepelijke vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming/ Natuurbeschermingswet, een omgevingsvergunning met ‘aanhaking’ of van een geaccepteerde PAS-melding mag de emissie zoals vergund/gemeld worden aangehouden als referentieniveau. Door interne saldering (bijvoorbeeld het realiseren van schonere stalsystemen met emissiebeperkende maatregelen) is een beperkte groei mogelijk binnen de stikstofregeling.
Op het moment dat een aanvraag wordt ingediend waarbij de stikstofregeling in het bestemmingsplan moet worden getoetst, wordt op dat moment bepaald hoe groot de stikstofdepositie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan was. Om het feitelijk gebruik te bepalen, wordt aansluiting gezocht bij de dieraantallen en stalsystemen zoals opgenomen in milieuvergunningen en meldingen, waarbij een correctie plaatsvindt voor functionele leegstand. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de landbouwtellingen van het CBS (meitellingen).
5.3
Toetsingsadvies Commissie voor de milieueffectrapportage De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft op 14 augustus 2018 een toetsingsadvies uitgebracht over het MER. De Commissie adviseert het milieueffectrapport aan te vullen op een aantal punten. In een aanvullende notitie zijn de punten uit het toetsingsadvies opgenomen en is voor deze aspecten een aanvullende motivering gegeven. Als gevolg van het toetsingsadvies is zijn de regels van dit bestemmingsplan niet aangepast, wel is de motivering aangevuld. Deze uitgebreide motivering is bijgevoegd als bijlage bij dit bestemmingsplan.
CroonenBuro5
26
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
5.4
Gemeente Son en Breugel
PAS Het Rijksprogramma PAS (Programma Aanpak Stikstof) biedt individuele veehouders mogelijkheden om ook bij toename van stikstofuitstoot uit te breiden. In het kader van een plan, zoals deze herziening, kan geen gebruik worden gemaakt van het PAS en de ontwikkelruimte die er gereserveerd is. Dit kan alleen op projectniveau. De PAS biedt op projectniveau weliswaar ruimte voor projecten met een depositie < 0,05 mol/ha/jaar, maar in een bestemmingsplan kan deze ruimte niet op voorhand worden geclaimd. Er wordt in het bestemmingsplan daarom geen ruimte geboden voor ontwikkelingen met een toename van stikstofdepositie die ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet is vergund. Flexibiliteitsbepalingen (afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden) moeten worden meegenomen bij het bepalen van de maximale effecten van het plan. Aangezien het bestemmingsplan de toename van stikstofdepositie uit moet sluiten, kan deze ook niet via een binnenplanse afwijking of wijzigingsbevoegdheid worden toegestaan. Indien voor een ontwikkeling op basis van de systematiek van de PAS een toename van stikstofdepositie kan worden vergund, kan hier buitenplans, via een afzonderlijke planologische procedure, medewerking aan worden verleend.
Het PAS draagt echter wel bij aan motivatie van de uitvoerbaarheid, omdat het individuele veehouders mogelijkheden biedt om ook bij toename van stikstofdepositie uit te breiden.
5.5
Gezondheid De ontwikkelingsmogelijkheden in de herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ kunnen negatieve effecten hebben op gezondheidsaspecten voor omwonenden. De voorliggende herziening maakt echter geen grote nieuwe ontwikkelingen met gezondheidsrisico’s mogelijk. Wel biedt deze herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uitbreidingsmogelijkheden aan bestaande veehouderijen. Echter, deze herziening voorziet ook in extra maatregelen die de negatieve effecten van uitbreiding van veehouderijen op gezondheid verder beperken (nog los van mogelijke toekomstige maatregelen die kunnen volgen uit de lopende onderzoeken naar volksgezondheid en veehouderijen): De uitbreiding van veehouderijen is beperkt tot de (resterende) vigerende planologische ruimte binnen het bouwvlak De uitbreiding van veehouderijen is gebonden aan voorwaarden uit de Verordening ruimte, die (mede) gericht zijn op het voorkomen van een negatief effect op gezondheid (o.a. bovenwettelijke normen voor geur en fijnstof); De stikstofmaatregel ten behoeve van Natura 2000 leidt tot beperking van de uitstoot van ammoniak (belangrijkste bron van stikstof) en heeft daarmee een gunstig effect op het negatieve effect van ammoniak op de longfunctie. Daarnaast gelden waarborgen uit sectorale wetgeving (geur, geluid, luchtkwaliteit).
5.6
Externe veiligheid De ODZOB heeft op 10 december 2015 een Memo opgesteld ten aanzien van het onderzoek in verband met het Interbestuurlijk toezicht. Wat betreft het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is ingezoomd op de volgende locaties. In het kader van de herziening wordt hier als volgt mee omgegaan: Brouwerskampweg 17 Als sprake is van tanks kleiner of gelijk aan 13 m3 is geen sprake van een Bevi-inrichting, maar gelden de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.28 regelt afstanden die moeten worden aangehouden tot buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De afstanden variëren, afhankelijk van de grootte van de tank (groter of
CroonenBuro5
27
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
Gemeente Son en Breugel
kleiner dan 5 m3) en de bevoorradingsfrequentie (meer of minder dan 5x/jaar) van 10 tot 25 meter, gemeten vanaf opstelplaats tank, vulpunt van de tank en opstelplaats van de tankwagen. Voor bepaalde kwetsbare objecten (scholen, kinderdagverblijven, grote kantoorpanden, winkelcentra) gelden afstanden van 25 respectievelijk 50 meter. In principe worden propaantanks die onder het Activiteitenbesluit vallen, niet gereguleerd via het bestemmingsplan. Voor het oprichten van dergelijke kleine propaantanks of het verplaatsen van de tanks binnen de inrichting is geen omgevingsvergunning voor milieu nodig: de houder van de inrichting is er dus zelf verantwoordelijk voor dat hij voldoet/blijft voldoen aan de afstanden tot (beperkt)kwetsbare objecten. Veelal kunnen de risico-afstanden eenvoudig binnen de grens van de inrichting worden gehouden. Omdat het Bevi niet van toepassing is, geldt geen verantwoordingsplicht. De veiligheidszone is daarom op basis van deze herziening vervallen. Ockhuizenweg 22 Blijkens de risicokaart er er op de locatie een propaangastank aanwezig van 15 m3. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) is op 1 juli 2015 aangepast. Vanaf die datum zijn voor propaantanks met een inhoud > 13 m3 tot 50 m3 standaard afstanden opgenomen. De doorzet speelt hierbij wel een rol. De volgende afstanden zijn hierin opgenomen:
Aangezien de Revi is gewijzigd, geldt voor een tank van 15 m3 een vaste veiligheidsafstand van 25 of 35 of 45 meter (zie tabel hierboven). Omdat de doorzet niet bekend is, wordt geadviseerd om voorlopig 45 meter te hanteren (veilige kant, worst case benadering). Er moet worden uitgesloten dat binnen veiligheidszones van Bevi-inrichtingen kwetsbare objecten gebouwd kunnen worden. In de regels is daarom opgenomen dat binnen veiligheidszones van Beviinrichtingen geen kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Het begrip aanduiding kan in dit geval vervallen (deze locatie heeft geen aanduiding).
CroonenBuro5
28
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
Gemeente Son en Breugel
Stad van Gerwen De woning aan Stad van Gerwen 18 staat binnen de belemmeringenzone van 5 meter van de DPOleiding, die in het bestemmingsplan is bestemd als ‘Leiding – Brandstof’. In het bestemmingsplan is tevens de aanduiding ‘veiligheidszone – leiding’ opgenomen voor de gronden binnen de (destijds aanwezige) PR 10-6 contour. De PR 10-6 contour is niet meer aanwezig. Het Bevb staat niet toe dat binnen de belemmeringenstrook nieuwe bestemmingen worden opgenomen, die het oprichten van bouwwerken toestaan. In een conserverend plan mogen bestaande bestemmingen worden gerespecteerd. Sanering is pas nodig in gevallen waarin (bestaande) kwetsbare objecten binnen een PR 10-6 contour staan. De leidingexploitant diende ervoor zorg te dragen dat deze situaties binnen drie jaar na inwerkingtreding van het Bevb waren opgelost. In dit geval is daar sprake van, omdat de PR 10-6 contour is teruggebracht naar 0 meter. Er is daarmee geen sprake meer van een saneringssituatie. De ‘veiligheidszone – leiding’ mag vervallen, omdat PR 10-6 contour is teruggebracht naar 0 meter. Dit is aangepast middels deze herziening.
CroonenBuro5
29
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
Gemeente Son en Breugel
CroonenBuro5
30
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
6
Gemeente Son en Breugel
Haalbaarheid In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Het planvoornemen moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast een inschatting gemaakt van de maatschappelijke haalbaarheid.
6.1
Uitvoerbaarheid De kosten die met voorliggend bestemmingsplan gemoeid zijn, zijn volledig voor rekening van de gemeente. Het bestemmingsplan is hiermee financieel uitvoerbaar. Het plan voorziet verder niet in uitvoeringsacties of ontwikkelingen door de gemeente zelf.
6.2
Kostenverhaal Wanneer met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld om gemeentelijke kosten te kunnen verhalen. Voorliggend bestemmingsplan heeft een beheerkarakter en maakt geen nieuwe bouwplannen, zoals opgenomen in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk. De vaststelling van een exploitatieplan kan daarom achterwege blijven.
6.3
Maatschappelijk Het betreft in hoofdzaak een formele aanpassing van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ naar aanleiding van de gewijzigde regels uit de Verordening Ruimte. Dit heeft vooral betrekking op de agrarische sector. Het maatschappelijke debat hierover heeft uitvoerig en meermaals plaatsgevonden in het kader van de Verordening Ruimte. Hiermee is er sprake van een breed maatschappelijk draagvlak. Voor het overige zitten er enkele kleine aanpassing in het plan die voortkomen uit veranderde situaties op perceelniveau en correcties op regels waarvan gebleken is dat deze juridisch niet helemaal sluitend waren. Hierbij is geen maatschappelijke weerstand te verwachten.
CroonenBuro5
31
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
Gemeente Son en Breugel
CroonenBuro5
32
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
7
Gemeente Son en Breugel
Procedure In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de gevoerde procedure en de resultaten van het vooroverleg, inspraak en de zienswijzen. Aangezien voorliggende herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ hoofdzakelijk betrekking heeft op het overnemen van de regels uit de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant, en slechts zeer beperkt betrekking heeft op specifieke locaties of aanpassing van het beleid, is bij de voorbereiding afgezien van de mogelijkheid om het plan ter inzage te leggen voor inspraak. Wel is vooroverleg gevoerd.
7.1
Vooroverleg De Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het bestemmingsplan ‘Buitengebied; Herziening 2017’ en bijbehorend concept plan-MER hebben in het kader van de inspraakprocedure in 2017 gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode van terinzagelegging zijn enkele reacties ingediend. Deze reacties zijn benoemd en verwerkt in het voorliggende plan-MER. Het concept ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied; Herziening 2017’ (versie oktober 2017) is toegezonden aan de provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel en de veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Deze hebben allen gereageerd op het plan en eventuele aanpassingen als gevolg daarvan zijn doorgevoerd in het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied; Herziening 2017’ (de reacties zijn in de bijlagen opgenomen). Gezien de omvang en inhoud van de reacties is er geen Nota van vooroverleg opgesteld. Op hoofdlijnen zijn de volgende reacties gegeven door desbetreffende partijen: a.
Veiligheidsregio De veiligheidsregio heeft geconcludeerd dat voor het plan het standaard advies van toepassing is. Dit advies is van toepassing bij bouwaanvragen en co0ncrete planontwikkelingen. Hiervan is in het voorliggende plan geen sprake. Er wordt dus ingestemd met het plan.
b.
Waterschap De Dommel Het waterschap heeft ingestemd met het bestemmingsplan. De wijze waarop omgegaan wordt met water is ongewijzigd gebleven. Er zijn daarnaast enkele opmerkingen geplaatst om (bestaande) teksten en terminologie in het bestemmingsplan aan te passen om deze meer in overeenstemming met het actuele (waterschaps)beleid te brengen. Dit is overgenomen en aangepast in de betreffende artikelen.
c.
Provincie Noord-Brabant De provincie heeft op 16 januari 2018 een uitvoerige vooroverlegreactie gegeven. Op hoofdlijnen zijn deze opmerkingen doorgevoerd in het ontwerpbestemmingsplan. Mits relevant voor deze herziening. De provincie heeft ook opmerkingen gemaakt over planonderdelen die niet in deze herziening worden aangepast. Die opmerkingen zijn ter kennisgeving aangenomen aangezien ze geen onderdeel van het plan uitmaken.
CroonenBuro5
33
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
Gemeente Son en Breugel
De volgende opmerkingen hebben wij afgewogen en niet (in zijn geheel) overgenomen in het ontwerpbestemmingsplan: o Paardenhouderij aan Wolfswinkel 6. Zie paragraaf 4.2 van de toelichting; o In de regelingen voor wijziging naar ‘wonen’ met inpandige statische opslag is meer bebouwing toegestaan dan bij een reguliere burgerwoning. De Verordening schrijft hier geen oppervlakte maat voor. De gemeente acht meer oppervlak aan bijgebouwen en een beperkt gebruik daarvan op VAB-locaties aanvaardbaar; o De provincie koppelt bestaand oppervlak gebouwen voor veehouderij aan de data relevant voor de Verordening Ruimte. Omdat dit ruimtelijk instrument buiten de bevoegdheid van de gemeente ligt, kan en wil de gemeente niet anders dan bestaand oppervlak te koppelen aan zijn eigen bevoegdheid, namelijk de omgevingsvergunning. o Voor het scoutingterrein hebben wij aansluiting gezocht bij de bestaande plansystematiek van bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Niet het plan ‘Buitengebied – Bosgebied west’. Dit houdt dus ook een andere regeling in, welke inhoudelijk volledig overeenkomst met de bestaande mogelijkheden uit bestemmingsplan ‘Buitengebied - Bosgebied west’; Voor het overige wordt verwezen naar het ontwerpbestemmingsplan zelf.
7.2
Ter visie legging ontwerpbestemmingsplan In de periode 7 juni tot en met 18 juli 2018 heeft het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied; herziening 2017” in het kader van de Wet ruimtelijke ordening voor een ieder ter inzage gelegen. In deze periode zijn 23 zienswijzen ontvangen. Deze zijn samengevat en van een reactie voorzien. Een aantal zienswijzen heeft tot aanpassing van het plan geleid, deze zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Tevens zijn nog een aantal ambtshalve aanpassingen verwerkt. De zienswijzennotitie en het bestemmingsplan zijn ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Met de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan heeft tevens het uitgevoerde plan-MER ter visie gelegen. Eventuele reacties hierop zijn ook verwerkt in de Zienswijzennotitie. Tevens heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage advies uitgebracht. Zie hiervoor paragraaf 5.3.
7.3
Vaststelling Het bestemmingsplan is vastgesteld op 10 januari 2019.
7.4
Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak van Raad van State Uitspraak: einduitspraak Op 19 mei 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van Raad van State uitspraak (ECLI:NL: RVS:2021) gedaan over de ingestelde beroepen. De dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde concentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 microgram per m3, in de planregels is vernietigd. Deze bepaling is opgenomen in: artikel 3.3.6, onder e, artikel 3.5.8, onder f, artikel 4.3.8, onder e, artikel 4.5.8, onder f, artikel 5.3.6, onder e en artikel 5.5.5, onder f. De raad van de gemeente Son en Breugel is opgedragen om dit binnen vier weken na verzending van deze uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan. Dit is verwerkt en als zodanig gepubliceerd. Uitspraak: bestuurlijke lus De raad van de gemeente Son en Breugel is tevens opgedragen om binnen 20 weken een nieuw besluit te nemen over: het ingestelde beroep ten aanzien van de ligging van een bouwvlak aan de Brouwerskampweg ong. (tegenover 8 en 12);
CroonenBuro5
34
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
-
Gemeente Son en Breugel
het herstellen van de bepaling in de artikelen 3.3.6, 4.3.8 en 5.3.6 van de planregels en deze in overeenstemming te brengen met artikel 25.1, eerste lid, van de Verordening.
Voor beide zaken betekent het dat de uitspraak van 19 mei een tussenuitspraak is en dat met toepassing van de ‘bestuurlijke lus’, het plan kan worden hersteld. Dat wordt gedaan als volgt: Bouwvlak Brouwerskampweg Het betreffende bouwvlak is als volgt aangepast: de rode lijn is het herstelde bouwvlak.
Uitsnede bouwvlak bestaand en nieuw op BGT ondergrond
Uitsnede bouwvlak bestaand en nieuw op luchtfoto ondergrond Dit voorstel is voorgelegd aan de eigenaar/ initiatiefnemer en deze heeft daar mee ingestemd. Het aangepaste bouwvlak is als zodanig verwerkt in het bestemmingsplan.
CroonenBuro5
35
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
Gemeente Son en Breugel
De bepaling in de artikelen 3.3.6, 4.3.8 en 5.3.6 De in artikelen 3.3.6, 4.3.8 en 5.3.6 van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheden zijn onbedoeld in strijd met artikel 25.1, eerste lid, van de Verordening. Ze kunnen onbedoeld ook worden toegepast voor de niet-grondgebonden veehouderijen binnen de aanduiding "overige zone - beperkingen veehouderij". Het bouwen en het vergroten van dierenverblijven waarbij de gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven zal toenemen is echter alleen toegestaan voor grondgebonden veehouderijen. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan in 2019 niet de intentie gehad om voor het bouwen van dierenverblijven bij veehouderijen een ruimere regeling op te nemen dan de Verordening ruimte Noord-Brabant toestaat. De intentie was om de afwijkingsbevoegdheid voor de bouw van dierenverblijven uitsluitend van toepassing te verklaren op de veehouderijen die zijn opgenomen in lid 3.2.2, onder a, onder 1, onder de eerste bullit: dus op alle veehouderijen buiten de aanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ en op (uitsluitend) de grondgebonden veehouderijen binnen de aanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’.
Als gevolg van de toegepaste lay-out en nummering van artikel 3.2.2 en de in artikel 3.3.6 opgenomen verwijzing naar artikel 3.2.2 onder a is een onbedoelde verruiming ontstaan, waardoor de afwijkingsbevoegdheid ook kan worden toegepast voor niet-grondgebonden veehouderijen binnen de aanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ (zoals genoemd onder de tweede bullit). Het betreft een omissie in het plan, deze wordt hersteld. Dit kan plaatsvinden door de nummering van artikel 3.2.2 aan te passen en de verwijzing zoals opgenomen in de afwijkingsmogelijkheid te corrigeren. De aanpassingen worden ook doorgevoerd voor de gelijkluidende artikelen in artikel 4 (4.2.2 onder 2 en 4.3.8) en artikel 5 (5.2.2 onder 2 en 5.3.6). De regelingen moeten als volgt luiden (aanpassingen in lichtblauw renvooi weergegeven): 3.2.2 Bebouwing binnen bouwvlak Ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" mogen uitsluitend worden opgericht: a. agrarische bedrijfsgebouwen; met dien verstande dat: 1. voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van veehouderijen tevens de volgende bepalingen gelden: I.
voor veehouderijen buiten de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' en voor grondgebonden veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' mag de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven niet meer bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven die: op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of in uitvoering zijn; dan wel gebouwd mogen worden krachtens een vóór de vaststelling van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning. II. voor niet-grondgebonden veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen niet meer bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen die: op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of in uitvoering zijn; dan wel gebouwd mogen worden krachtens een vóór de vaststelling van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning. er is sprake van een grondgebonden veehouderij indien wordt voldaan aan de criteria voor grondgebondenheid zoals opgenomen in nadere regels die hieromtrent op basis van de Verordening ruimte door Gedeputeerde Staten zijn gesteld, zoals die regels gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag.
CroonenBuro5
36
Bestemmingsplan Buitengebied: Herziening 2017
Gemeente Son en Breugel
3.3.6 Omgevingsvergunning bouw dierenverblijven Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a, onder 1, onder I voor het bouwen of vergroten van een dierenverblijf voor veehouderijen waarbij de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven toeneemt, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: Door deze aanpassing worden geen belangen van derden geschaad, aangezien de rechtstreeks werkende regels van artikel 35 van de Verordening ruimte Noord-Brabant (en ook in de inmiddels van toepassing zijnde Interim Omgevingsverordening) toepassing van de afwijkingsbevoegdheid voor niet-grondgebonden veehouderijen binnen de aanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ al onmogelijk maken.
CroonenBuro5
37