Toelichting Nieuwendijk 133 Someren
Tekst van het document
Aard inrichting Agrarisch verwant bedrijf Rundveehouderij Rundveehouderij Houtzagerij Varkenshouderij
Milieu clas.
Richtafstand (m)
2
10
Werkelijke afstand (m) 25
3.2 3.2 3.2 4.1
50 50 50 100
100 130 225 276
Conclusie Bedrijven- en milieuzonering Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan alle minimum richtafstanden tot bedrijven in de omgeving kan worden voldaan. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst. Daarnaast worden bedrijven in de omgeving niet onevenredig in hun uitbreidingsmogelijkheden beperkt. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.
29
5.1.8
Volksgezondheid Nederland is een land waar mensen en vee dicht op elkaar leven. Het RIVM doet op verschillende manieren onderzoek naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid, voor bijvoorbeeld omwonenden van veehouderijen, gezinnen van veehouderijen en mensen die op veehouderijen werken. Pluimvee- en varkenshouderijen In 2016 zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Aan de Groeneweg 23 worden varkens gehouden. Conform de handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 is de benodigde afstand tussen het plangebied en de veehouderijen bepaald. Deze zijn in onderstaande tabel weergegeven. Adres Groeneweg 23
Fijnstof (kg/jaar) 171 kg
Endotoxinecontour 77 m
Werkelijke afstand 364 m
Geitenhouderijen Uit het VGO-2 en VGO-3 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet bij mensen die woonachtig zijn in de directe omgeving van geitenhouderijen. Met onderhavig plan wordt een woning van status gewijzigd (bedrijfswoning naar burgerwoning) en word één nieuwe woning toegevoegd. Gesteld kan worden dat sprake is van een gevoelige functie in het kader van geitenhouderijen en volksgezondheid, waardoor deze onderzoeken relevant zijn voor deze ontwikkeling. Het is daarom van belang om te weten of binnen een straal van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig zijn, en waar deze zijn gelegen ten opzicht van het plangebied. Binnen een staal van 2 kilometer rondom het plangebied is één geitenhouderij gelegen. Dit bedrijf ligt aan de Nieuwendijk 144 op 680 meter afstand tot het plangebied. Aangezien de er tussen de geitenhouderij en de ontwikkeling meerdere woonbestemmingen zijn gelegen vormen deze woningen het toetsingskader. Er kan gesteld worden dat er op het gebied van volksgezondheid ten aanzien van geitehouderijen geen belemmeringen zijn ten aanzien van het planvoornemen. Conclusie Volksgezondheid Op het gebied van volksgezondheid zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen.
5.1.9
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de risicokaart komt naar voren dat er geen leiding aanwezig is binnen het plangebied. Nabij het plangebied zijn twee aardgasleidingen aanwezig.
30
Conclusie Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Voor onderhavige ontwikkeling is verder onderzoek niet noodzakelijk.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichtring en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.
5.2.1
Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 van provincie Noord-Brabant, het Waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Tevens zijn de Keur en de beleidsregels Keur van Waterschap Aa en Maas van belang. Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2022 – 2027 (WBP) Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1.
Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
31
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebodsen verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied.
Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m².
Plangebied Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ is geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Met onderhavige ontwikkeling zal de hoeveelheid verhard oppervlak
32
afnemen. Het hemelwater afkomstig van het afgenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Aangezien de hoeveelheid verhard oppervlak afneemt wordt geen overlast op eigen terrein of bij derden verwacht. Gemeentelijk beleid Op basis van het gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025 geldt voor ver-, her- en nieuwbouw de regel dat tenminste de eerste 30 mm regen (30 liter per m2 afstomende verharding) van een bui binnen het eigen perceel moet worden vastgehouden en lokaal verwerkt moet worden. Deze bergingseis is ook middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig waar een dergelijke voorziening kan worden gerealiseerd. Conclusie Water Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmeringen oplevert voor onderhavige ontwikkeling. Aangezien er een afname is op het gebied van verharding, is er voldoende ruimte aanwezig om het hemelwater te kunnen infiltreren.
5.3
Natuur Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) Ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht.
5.3.1
Gebiedsbescherming Voor het aspect gebiedsbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Natura-2000 gebieden. Voor beide gebieden geldt dat ook de externe werking van de voorziene ontwikkeling van belang is. Dat wil zeggen dat ook wanneer een ontwikkeling buiten de begrenzing van een natuurgebied plaatsvindt, deze kan leiden tot aantasting van de ecologische waarden. Binnen NNBgebieden worden externe effecten die optreden door verspreiding via water of lucht niet meegenomen. Deze zijn wel relevant voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. Een aantal gronden rondom het plangebied behoren wel tot NNB. Door de kleinschalige aard van onderhavige ontwikkeling wordt echter niet verwacht dat deze negatief effect heeft op de ecologische
33
waarden binnen deze gebieden. Onderhavige ontwikkeling zorgt immers niet voor een significante toename van bijvoorbeeld geluid, licht of betreding van het gebied. In de conclusie in onderscheid gemaakt in het Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de Weerter- en Budelerbergen & Ringselven en is met circa 2,8 kilometer op relatief grote afstand gelegen. Daarnaast liggen de Grote Peel en de Strabrechtse Heide & Beuven op respectievelijk 5,0 en 5,8 kilometer afstand van het plangebied. Bij Natura 2000-gebieden moet de verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd. Om vast te stellen of onderhavige ontwikkeling een negatief effect heeft op een Natura 2000-gebied is een berekening met AERIUS Calculator uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage IV bij deze toelichting. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de realisatie en het gebruik van het plan aan de Nieuwendijk 133 te Someren.
Conclusie Stikstofonderzoek Met behulp van de vigerende Aerius Calculator 2022, is de stikstofdepositie bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden, door de sloop- en nieuwbouw aan de Nieuwendijk 133 in Someren. Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de natuurgebieden 0,00 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2023. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van de plannen. Conclusie gebiedsbescherming Het aspect gebiedsbescherming planvoornemen.
5.3.2
levert
geen
belemmeringen
op
voor
het
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Om te beoordelen of er sprake is van verstoring van flora en fauna is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies van de quickscan weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage V bij deze toelichting Conclusie Flora & Fauna onderzoek Door het literatuuronderzoek van de inventarisatie is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket).
34
In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek in mei 2023 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder jaarrond beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld Huismussen, (nesten van) Gierzwaluwen, uilen en vleermuissoorten. De veldonderzoeken, uitgevoerd in de dag- en avondperioden op 16 mei 2023, zijn binnen het broedvogelseizoen uitgevoerd. Desondanks is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten, achtergebleven nestmaterialen en vraatsporen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd. Bij de inventarisaties is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en -mogelijkheden in het gebied. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. De te slopen bebouwing is voor het grootste gedeelte hermetisch afgesloten voor fauna vanwege de ongediertebestrijding van het varkensbedrijf. Alleen de koeienstal is aan een aantal zijden open. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna.
De afstanden tot de ecologische verbindingszones zijn voldoende groot om te kunnen stellen dat de ontwikkelingen in het plangebied een positieve invloed zullen hebben op de beschermde natuurgebieden. Door de bestemmingsplanwijziging naar ‘Wonen’, de sloop van een aantal gebouwen op de locatie en de hierop volgende (toekomstige) nieuwbouw van een nieuwe woning ten westen van de huidige woning, wordt het karakter van het gebied nauwelijks beïnvloed. Er verdwijnen echter geen verblijfs- of broedmogelijkheden, gezien de resultaten van de veldonderzoeken. Door het wegvallen van de stikstofdepositie van de sanering van het vleesvee, wordt zelfs een positief effect op de natuur bewerkstelligd. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Conclusie Soortenbescherming Voor het aspect soortenbescherming worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het planvoornemen.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
35
In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Het plangebied kent volgens de archeologische beleidskaart een lage archeologische verwachting in de categorie 6 ‘gebieden met een lage archeologische verwachting. Geen onderzoeksplicht’ (figuur 15). Voor deze gebieden geldt geen archeologische onderzoeksverplichting bij bodemverstoringen mits dat het projectgebied Mer- of Tracewet-plichtig is. Het planvoornemen is niet Mer- of Tracewet-plichtig. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet vereist.
Figuur 15: Uitsnede archeologische verwachtingskaart plangebied rood omcirkeld (Gemeente Someren
Conclusie Archeologie Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Mochten er derhalve bij werkzaamheden archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dan zal dit – in overeenstemming met de wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10, lid 1 van de Erfgoedwet 2016 – per direct worden gemeld aan de gemeente Someren.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en
36
structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform het bestemmingsplan is het plangebied niet aangeduid als zijnde een grond met cultuurhistorische waarde. Derhalve is het niet nodig om een onderzoek uit te voeren. Het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Ook op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is te zien dat binnen of direct aangrenzend aan het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn (figuur 16).
Figuur 16: Uitsnede CHW-kaart provincie Noord-Brabant
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit Het herontwikkelen van deze locatie heeft gevolgen voor het aantal verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen behorende bij de agrarische bedrijfsactiviteiten komen te vervallen. Volgens de kencijfers van het CROW (‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’, publicatie 381) geldt voor een arbeidsextensief/bezoekersextensief met een bvo van circa 1.700 m2 dat er maximaal 97 verkeersbewegingen plaatsvinden. Daarnaast zijn er nog 8,6 (afgerond 9) verkeersbewegingen afkomstig van de bestaande bedrijfswoning. In totaal vinden er in de huidige situatie circa 105 verkeersbewegingen plaats. In de nieuwe situatie zullen de verkeersbewegingen gerelateerd aan de agrarische bedrijfsvoering komen te vervallen. In de nieuwe situatie zullen enkel verkeersbewegingen plaatsvinden die gerelateerd zijn aan de nieuwe en bestaande woning. In totaal is er in de nieuwe situatie sprake van (afgerond) 17 verkeersbewegingen.
37
Netto vindt er een afname plaats van 80 verkeersbewegingen per etmaal. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het aspect mobiliteit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
5.6.2
Parkeren Bij het bouwen, uitbreiden of wijzigen van de gebruiksfuncties in het plangebied dient altijd voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd te zijn. Het beleid van de gemeente Someren luidt dat parkeren dient te geschieden op eigen terrein. Voor één woning in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. Dit betekent dat binnen het plangebied minimaal 6 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. De kavels behorende bij de ontwikkelingen zijn voldoende groot om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.
38
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met ruimtelijk plan of omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Kostenverhaal wordt geregeld in een tussen de gemeente Someren en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst, waarin naast verhaal van de ambtelijke kosten en eventuele bijdragen bovenwijks en ruimtelijke ontwikkeling, ook het planschadeverhaal wordt opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Someren komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer maakt de in dit bestemmingsplan opgenomen plannen kenbaar aan de direct omwonenden en eventuele andere belanghebbenden. In het kader van de omgevingsdialoog is een verslag/weergave, dat als bijlage VI aan deze plantoelichting is toegevoegd, opgesteld. Hieruit blijkt uit de reacties dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de gevoerde omgevingsdialoog. Daarnaast heeft, voor zover er sprake is van hun belangen, vooroverleg plaatsgevonden met het Waterschap Aa en Maas en de provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit vooroverleg is het plan op punten aangepast. Het ontwerp bestemmingsplan heeft conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze inzagetermijn heeft iedere belanghebbende de mogelijkheid om zijn of haar zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan kenbaar te maken. Tijdens de inzagetermijn zijn geen zienswijzen ingediend.
39