CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - Bijlage 9 Quickscan flora en fauna, Maassen

Gemeenteraad 13 juni 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Zandstraat 4411.596 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek J.F.G. Maassen

Herontwikkeling Zandstraat 44 te Someren Ecologische quickscan

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

2

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

J.F.G. Maassen

Herontwikkeling Zandstraat 44 te Someren Ecologische quickscan Datum 5-3-2019

3

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

4

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

Maassen ecologisch advies en onderzoek Jan Mosmanslaan 23 5237 BB ’s-Hertogenbosch T 073-6410858 maassen36@ziggo.nl K.v.K 64413152 BTW nr 81276485B02 rek.no NL55 INGB 0003 0208 71

Projectno. Tekst en samenstelling Foto’s Foto op omslag Wijze van citeren Contactpersoon

1902-2 Jan Maassen Jan Maassen Jan Maassen J.F.G. Maassen, Herontwikkeling Zandstraat 44 Someren Dhr. P.Valk (Valk advies & bemiddeling)

Status Datum

Definitief 5-3-2019

© 2019 Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, ‘s-Hertogenbosch

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeklocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere verstrekte gegevens. De opdrachtgever vrijwaart Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

5

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

6

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

Inhoud 1

2

3

4

5

6

7

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Vraagstelling 1.3 Toetsingskader 1.4 Leeswijzer Het plangebied, beoogde ontwikkeling en ingrepen 2.1 Ligging van de planlocatie 2.2 Beschrijving van de planlocatie 2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen Wettelijk kader 3.1 Wet natuurbescherming 3.1.1 Inleiding 3.1.2 Soortenbescherming 3.1.3 Gebiedsbescherming 3.1.4 Bescherming houtopstanden 3.2 Rode Lijst 3.3 Overige provinciale beschermingszones Onderzoeksresultaat en effectenbeoordeling 4.1 Methodiek 4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Beschermd natuurgebied 4.2.2 Overige provinciale beschermingszones. 4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten en bladmossen 4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) 4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) 4.3.4 Vogels 4.3.5 Reptielen 4.3.6 Amfibieën 4.3.7 Vissen 4.3.8 Vlinders en libellen 4.3.9 Overige ongewervelden 4.4 Bescherming houtopstanden Conclusie 5.1 Samenvatting effectenbeoordeling 5.2 Mogelijke effecten en overtredingen 5.3 Vervolgstappen en ontheffing Samenvatting Voorzorgsmaatregelen, mitigatie en aanbeveling 6.1 Algemene voorzorgsmaatregelen 6.2 Bijzondere voorzorgsmaatregelen 6.3 Voorgenomen mitigatie Bronnen Bijlage1 - Wet Natuurbescherming Bijlage2 - Beschermde soorten en verblijfplekken Bijlage3 - Soorten met een vrijstelling

7

9 9 9 9 10 11 11 11 12 15 15 15 15 16 17 17 18 19 19 20 20 21 22 22 22 24 26 28 28 30 30 30 31 33 33 34 34 34 35 35 35 35 37 39 40 43

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

8

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemers hebben het voornemen tot herontwikkeling van een grondgebied dat in gebruik is als erf van het woonadres Zandstraat 44 binnen de gemeente Someren. De herontwikkeling betreft de splitsing van de woning, een langgevelboerderij, in twee wooneenheden en de agrarische bestemming van het erf met zijn opstallen te wijzigen in uitsluitend een woonbestemming. Het toekennen van een dubbele woonbestemming aan de langgevelboerderij is in feite een formalisering van de huidige praktijk waarbij een deel van de boerderij in gebruik is als aanleunwoning. Aan de gewenste ontwikkeling is de eis verbonden dat overtollig bebouwing gesloopt wordt en dat een kleiner deel van het grondgebied dat momenteel als erf in gebruik is, een agrarische bestemming behoud. Het laatste eist dat de formele erfbegrenzing verlegd wordt en dat het vrijkomen grondgebied en inrichting krijgt die aan de agrarische eis voldoet. De sloop van de overtollige bedrijfsbebouwing is de directe aanleiding tot deze quickscan. De bebouwing kan jaarrond beschermde verblijfplekken van vogels en zoogdieren bevatten. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is aangezocht om deze quickscan uit te voeren.

1.2 Vraagstelling De beoogde ontwikkeling kan gevolgen hebben voor de aanwezige (beschermde) flora en fauna die ter plekke aanwezig is en van invloed zijn op de nabijgelegen beschermde natuurgebieden. Op basis van een veldonderzoek en een aanvullend literatuuronderzoek stelt deze quickscan zich tot doel het vaststellen of uitsluiten van beschermde soorten die vermeld staan in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Op basis van het onderzoeksresultaat wordt bepaald welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op het (mogelijk) voorkomen van deze beschermde soorten en hun leefgebied. Aanvullend wordt bepaald of de ontwikkelingen tot effecten kunnen leiden op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden die vallen onder de Habitatrichtlijn (Natura 2000) en de ecologische hoofdstructuur (NNN-gebied). Als de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten en hun leefgebied, of van negatief effect kan zijn op beschermd natuurgebied worden aanbevelingen en voorzorgsmaatregelen gegeven om te voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. Aangegeven wordt welke vervolgstappen gewenst zijn. Deze vervolgstappen kunnen, afhankelijk van de aard van de mogelijke overtreding, betrekking hebben op de volgende zaken. • • •

Aanvullend onderzoek. Opstellen van mitigatie en/of compensatieplan. Indienen van een ontheffingsaanvraag.

1.3 Toetsingskader Deze quickscan toets aan • Wet natuurbescherming op de onderdelen o Wnb soortenbescherming: hoofdstuk o Wnb gebiedsbescherming o Wnb houtopstanden

9

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

•

Provinciale regelgeving Groenblauwe mantel. De Groenblauwe mantel is binnen de provincie Noord-Brabant ingesteld als bufferzone tussen beschermd natuurgebied en landelijk/stedelijk gebied en ter bescherming van watersystemen.

In hoofdstuk 3 wordt dit wettelijk kader nader omschreven en toegelicht.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de inrichting van het plangebied, de ligging van het plangebied in de omgeving en de voorgenomen ingrepen en herontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader geschetst dat de Wet natuurbescherming en de provinciale regelgeving biedt. Hoofdstuk 4 beschrijft in het eerste onderdeel de uitvoering van het onderzoek en de methoden die hierbij gehanteerd worden. In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Per gebied en soortgroep wordt behandeld welk effect de ingrepen op beschermde soorten en gebieden kunnen hebben. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten die tot een overtreding van de Wet natuurbeschrijving kunnen leiden op beschermde gebieden en soorten kort samengevat en aangegeven wordt welke overtredingen van wetsartikelen mogelijk zijn en voor welke ingrepen vervolgonderzoek en/of ontheffing nodig zijn. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven welk voorzorg- en mitigatiemaatregelen gewenst zijn om overtredingen te voorkomen

10

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

2 HET PLANGEBIED, BEOOGDE ONTWIKKELING EN INGREPEN. 2.1 Ligging van de planlocatie Het plangebied is gelegen binnen het buitengebied van de gemeente Someren op de zeer korte afstand van 0,5 km zuidelijk van de bebouwde kom van Someren. Dit buitengebied wordt gekenmerkt door grootschalige agrarische percelen en verspreidstaande bebouwing van vooral agrarische bedrijven. Rijen wegbomen en de erfbegroeiingen binnen de bebouwde linten van het wegstelsel vormen door het open landschap een samenhangende groenstructuur die van belang geacht kan worden als ecologische verplaatsingsstructuur, voor o.a. vleermuizen en vogels, en verbindingstructuur binnen het agrarisch landschap tussen natuurgebieden. De agrarische activiteit binnen deze omgeving kan als intensief beoordeeld worden, waarbij grootschalige kassentuinbouw een hoofdactiviteit is.

Fig.1. Ligging van het plangebied (rode stip) in de omgeving. Luchtfoto: Google Earth

Binnen de directe droge omgeving met leemhoudende zandbodems ontbreekt buiten kunstmatige vijvers elke vorm van open water. Alle watergangen zijn van het soort dat het grootste deel van het jaar geheel droog staan.

2.2. Beschrijving van de planlocatie en directe omgeving Het plangebied betreft het huidige erf van adres Zandstraat 44. Dit erf is omgeven door grootschalige percelen landbouwgrond; het plangebied contrasteert door zijn inrichting met elementen van een veel kleinschaliger agrarisch landschap dan de omgeving biedt, sterk met dit omringend open grondgebied waar elk beschuttend element ontbreekt. De hoofdbebouwing op het erf is de langgevelboerderij en een stenen bijgebouw van dezelfde architectuur. Deze bebouwing vertegenwoordigt enige monumentale en landschappelijke waarde en verkeert in goede bouwkundige staat. De daken van beide gebouwen zijn recent, na de hagelbuien die in 2017 Someren troffen, geheel vernieuwd. De langgevelboerderij is geheel in gebruik voor bewoning en het bijgebouw fungeert als hobby/werkruimte. Andere bebouwing is een stenen aanbouw aan de westelijke kopgevel van het bijgebouw. Deze aanbouw is opgetrokken uit betonelementen en bevat een dakbekleding van stalen golfplaten. De overige bebouwing betreft de overtollige bebouwing die

11

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

voor sloop in aanmerking komt en bestaat uit 2 kleinere opstallen. De grootste van deze opstallen is een lage langwerpige houten schuur. Deze schuur is in gebruik is voor de opslag van bouwmaterialen en kachelhout. Aan weerszijden van de lange buitengevels is een afdak aanwezig waaronder kachelhout en bouwmaterialen zijn opgeslagen. De dakbekleding bestaat geheel uit dakpannen die grotendeels gelegd zijn op een ondergrond van op hardboard gelijkende platen. Het andere gebouw is een kleine stenen schuur die geheel buiten gebruik is en waarvan de bodem is ondergraven door konijnen. Het dak bevat grote gaten en onder de dakpannen is geen dakbeschot aanwezig. De buitenmuren zijn enkelsteens; binnenmuren en spouwen ontbreken. Het terrein rond deze bebouwing biedt een positief beeld om soorten te verwachten die een sterke binding hebben met het kleinschalig agrarisch landschap. De begroeiing bevat een mix van siergroen en meer natuurlijk groen dat harmonieert met de landschappelijke omgeving. De tuin wordt niet strak onderhouden, maar maakt zeker geen verwaarloosde indruk. Naast bestrating en sieraanplant zijn er kleine graslandjes aanwezig die deels begraasd worden door hobbyvee. Verspreid op het terrein staan bomen van gemiddelde omvang en leeftijd, waaronder veel beuken. Langs de zuidelijk terreingrens staat een rijtje imposante populieren.

Houtwallen en hagen zijn als terreinafscheiding aangeplant. Op verschillende plekken zijn hout(takken)rillen aangelegd en holle boomstammen neergelegd; zaken die schuilgelegenheid bieden aan kleine zoogdieren en amfibieën. Andere elementen op het terrein zijn een kleine tuinvijver met een aantrekkelijke inrichting voor amfibieën. Als meest exotisch element kan een hoog uitgegroeid bamboebosje aangemerkt worden. Fig.2.Het plangebied is rood omkaderd; de rode stippellijn geeft de opdeling in twee woonéénheden weer en bijbehorende perceelgrens. De te slopen bebouwing is blauw omkaderd; het grondgebied dat zijn agrarische bestemming behoudt en een daarop afgestemde inrichting verkrijgt is geel gekleurd. (Luchtfoto Google Earth)

2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen. De beoogde ontwikkelingen betreffen de volgende. -Het splitsen van de huidige woning in 2 wooneenheden; wat in feite de formalisering van de huidige situatie betreft. -Het wijzigen van de bestemming van het grondgebied dat aangemerkt wordt als het erf van beide woningen van agrarisch naar wonen.

12

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

-Het resterend grondgebied dat momenteel fungeert als tuin behoud zijn agrarisch bestemming en dient als dusdanig ingericht te worden. Het beoordelingskader van deze quickscan betreft de volgende ingrepen. -De effecten van de sloop van de twee bijgebouwen. De sloop van het kleinste bijgebouw, de kleine stenen schuur, is optioneel: de initiatiefnemer heeft het voornemen om toestemming te verkrijgen om dit gebouw als schuilruimte voor vee te handhaven. -Voor de herinrichting van het omringend terrein zijn nog geen concrete plannen gemaakt; de effecten daarvan kunnen daarom nog niet beoordeeld worden. -Wel wordt binnen deze rapportage verslag gedaan van beschermde soorten die binnen het gehele plangebied zijn waargenomen en verwacht kunnen worden. Tevens worden met het oog van de toekomstige inrichting suggesties gedaan om deze soorten en hun leefgebied te beschermen en te versterken.

Fig.3 Schuur die gesloopt wordt

Fig.4 Binnenruimte van de schuur

Fig.5 Stenen schuur voor sloop

Fig.6 Binnenruimte van schuur

13

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

Fig.7 Bijgebouw (wordt niet gesloopt)

Fig.8 Aanbouw van bijgebouw

Fig.9 Impressie van tuin

Fig.10 Verspreid staande bomen

Fig.11 Konijnenburcht

Fig.12 Aangrenzend grondgebied

14

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

3 Wettelijk kader 3.1 Wet natuurbescherming 3.1.1 Inleiding Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van soorten (soortbescherming) en bescherming van gebieden (gebiedsbescherming).

3.1.2 Soortenbescherming Bij de Wet Natuurbescherming gelden een aantal verbodsbepaling ter bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage). De wet kent 2 beschermingsniveaus waarbij drie categorieën beschermde soorten worden onderscheiden. • Europees beschermde soorten volgens de Vogelrichtlijn • Europees beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn. • Nationaal beschermde soorten. De Europees beschermde soorten worden hier als “strikt beschermd” aangeduid. De nationaal beschermde soorten worden veelal als “andere soorten” aangeduid. Europees beschermde soorten Het zwaarst beschermingsniveau gelden de Europees beschermde soorten. De bescherming van vogels is op Europees niveau geformaliseerd doormiddel van de Vogelrichtlijn en die van de overige soortgroepen doormiddel van de Habitatrichtlijn. De beschermde soorten van de Habitatrichtlijn betreffen uitsluitend soorten die op bijlage IV vermeld staan. Dit betreffen o.a. alle vleermuissoorten die in Nederland en Europa inheems zijn. Voor soorten van bijlage II is de bescherming bij ingang van de Wet Natuurbescherming opgeheven of deze vallen onder het beschermingsregiem van nationaal beschermde soorten. Ook verblijfplaatsen van soorten uit deze categorie die als “vast” kunnen worden aangemerkt vallen onder het zware beschermingsniveau en worden aangeduid als jaarrond beschermde verblijfplekken.

Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts éénmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor soorten die onder de Vogelrichtlijn vallen zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek. In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Nationaal beschermde soorten Voor nationaal beschermde soorten geldt een zwakker beschermingsregiem en er kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Voor alle inheemse diersoorten, beschermt of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Ontheffingsplicht Alle beschermde soorten zijn in principe ontheffing plichtig. Als men kan garanderen dat de voorgenomen plannen geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg hebben geldt een vrijstelling.

Een mogelijkheid om een dergelijke garantie te geven is onder meer door het werken met een door de bevoegde instantie goedgekeurde gedragscode. Vrijstelling doormiddel van een goedgekeurde gedragscode geldt voor alle beschermde soorten en zowel voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud als

15

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (een verschil met voorgaande wetgeving). Als dergelijke garanties niet kunnen worden gegeven moet men afhankelijk van de soort en ingreep ontheffing aanvragen van artikelen geformuleerd in de Vogelrichtlijn (§3.1 Wn), of Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wn) of het beschermingsregiem andere soorten (nationaal beschermde soorten) (§3.3 Wn). Voor jaarrond beschermde verblijfplekken en functionele leefomgeving van soorten die onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnen vallen is respectievelijk artikel 3.5 lid 4 en artikel 3.1 lid2 van toepassing en geldt een verbod om de verblijfplekken en functioneel leefgebied te verstoren. De wet beschermt jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde soorten volgens artikel 3.10 lid 1b. Bij deze categorie is een verbod tot opzettelijke verstoring niet van toepassing, noch de bescherming van de functionele leefomgeving. Verstoring van vogels is alleen toegestaan als daardoor de staat van instandhouding niet in gevaar komt. Onder de term “opzettelijk” moet men ook de zgn. “voorwaardelijke” opzet verstaan; dat betekent dat de initiatiefnemer zich bewust moet zijn van de effecten van zijn handelingen. Beschermingsregime soorten vogelrichtlijn §3.1Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn §3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten §3.3 Wn

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art3.5 lid 1 Het is verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Art 3.5 lid 4 Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Art 3.5 lid 3 Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen en te rapen.

Niet van toepassing

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toetsing In tegenstelling met de voorgaande Flora en Faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van instandhouding van de gehele populatie meer in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt beoordeeld op de volgende drie criteria: -aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden; -aanwezigheid van een wettelijk belang; -de staat van instandhouding van de soort. En in het geval er jaarrond beschermde verblijfplaatsen in het geding zijn: -behoud van functionaliteit van de verblijfplaats. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming flora en fauna. In het geval van nationaal beschermde soorten worden de genoemde criteria soepeler toegepast en zijn er extra vrijstellingsmogelijkheden.

16

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

3.1.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden •

•

De gebieden die op Europees niveau een bescherming genieten en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands). Deze gebieden vallen onder de noemer van Natura 2000 en betreffen gebieden van grote ecologische waarde. Natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze natuurgebieden en hun onderlinge verbindingen vormen een samenhangend ecologisch netwerk. De NNN is de opvolging van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) waarvan de naam de EHS nog in de wetgeving verankerd is.

Natura 2000-gebied Ook hier genieten de gebieden die onder een Europees beschermingsregime vallen de meest striktste bescherming. Voor beide categorieën van beschermde gebieden geldt dat activiteiten die een negatief effect hebben op de kwaliteit van de gebieden in het algemeen verboden zijn. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000 gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000 doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend als er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen. De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Bij Natura 2000 gebied wordt doormiddel van een voortoets beoordeeld of er negatieve effecten verwacht kunnen worden en in hoeverre deze als significant beoordeeld kunnen worden. Bij niet-significante negatieve effecten volgt een “lichte “beoordeling doormiddel van een Verslechteringtoets. Bij significante negatieve effecten wordt de “zware” route gevolgd doormiddel van een Passende beoordeling en ADC-toets.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het uitgangspunt voor de bescherming van gebieden die vallen onder Natuurnetwerk Nederland is de eis dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet door een ingreep worden aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied geldt het ‘Nee, tenzij’ principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. 3.1.3 Bescherming houtopstanden De Wet natuurbescherming § 4.1 Houtopstanden vervangt de voormalige Boswet, waarbij dezelfde voorwaarden grotendeels gelden. Evenals de Boswet betreft de bescherming in het algemeen houtopstanden buiten de bebouwde kom zover deze een groter oppervlak van 10 are hebben of een rij van meer dan 20 bomen betreffen, geen deel uitmaken van begroeiingen op erven of in tuinen en geen aanplant voor cultuurdoeleinden en houtwinning betreffen. Er geldt een meld- en heraanplant plicht.

3.2 Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terrein beherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.

17

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

3.3 Bijzondere provinciale beschermingszones 3.3.1 Attentiegebied ecologische hoofdstructuur Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Deze activiteiten kunnen een negatief effect hebben op de (grond)waterstand in kwetsbare natte natuurgebieden (natte natuurparels). Artikel 12 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant verbiedt daarom binnen de aangewezen attentiegebieden alle ingrepen die van negatieve invloed kunnen zijn op de waterkwaliteit en waterstromen binnen de Ecologische hoofdstructuur.

3.3.2 Groenblauwe mantel De provincie Noord-Brabant heeft in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (2010) een keuze gemaakt voor behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Voor dit doel zijn 2 robuuste structuren ingesteld; de agrarische structuur en de groenblauwe structuur. De groenblauwe structuur bestaat uit de Groenblauwe mantel en het kerngebied Groenblauw. De Groenblauwe mantel is een buffer tussen het kerngebied Groenblauw met het agrarisch en verstedelijkt gebied. Het kerngebied Groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur (NNN) inclusief de ecologische verbindingszones en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen. De Groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap; Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen. In Artikel 6 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant worden de doelstellingen van de Groenblauwe mantel geformuleerd en de verbodsbepalingen die gelden voor de Groenblauwe mantel.

Deze verbodsbepalingen verbieden activiteiten die in strijd zijn met de hiervoor aangegeven doelstellingen met betrekking tot natuurbescherming, behoudt van landschappelijke kwaliteiten, bescherming van watersystemen en behoudt van bufferfunctie met het groenblauwe kerngebied.

18

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

4. Onderzoeksresultaat 4.1 Methodiek Literatuuronderzoek In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van diverse websites, o.a. van de nationale databank (NDFF), en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de ligging van het plangebied ten opzichte van relevante natuurterreinen in de omgeving, de ligging ten opzichte van Natuurbeschermingswet-gebieden als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN), en bijzonder provinciale beschermingszones (Groenblauwe mantel). Veldonderzoek Het veldbezoek werd op 28-2-2018 tussen 10.00 en 11.00 uur uitgevoerd door dhr. J. Maassen. Tijdens het veldbezoek was het rond de 18 graden C, windstil, droog en zonnig (weinig bewolkt). Een weertype dat als bijzonder zomers voor de tijd van het jaar getypeerd kan worden. Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld. Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen.

Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in onderstaande notitie.

19

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Beschermd natuurgebied Ligging ten opzichte van beschermde natuurgebieden -De dichtstbijzijnde gebied dat onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) valt ligt op een afstand van slechts ongeveer westelijk 0,25km hemelsbreed van het plangebied en betreft het de beekloop van de Kleine Aa die als Ecologische Hoofdstructuur is aangemerkt. Binnen de afstand van 1 km liggen nog enkele kleine snippers NNN-gebied. De overige NNN-gebieden liggen op een grotere afstand van meer dan 1 km. - Rond Someren ligt een ring van Natura 2000-gebieden. In de richting van de wijzers van de klok zijn dat respectievelijk Deurnsche Peel & Mariapeel, Groote Peel, Weerter- en Budelerbergen & Ringselven, Leenderbos en Groote Heide & De Plateaux en Strabrechtse Heide & Beuven (zie figuur). De dichtst bijzijnde Natuur 2000-gebieden zijn Strabrechtse Heide & Beuven, Groote Peel en Weerteren Budelerbergen & Ringselven, op respectievelijk 5 km noordwestelijk, op 7 km oostelijk en 8 km zuidwestelijk hemelsbreed van het plangebied. Deze gebieden betreffen voornamelijk bos-, heide en moerasgebieden die bijzonder gevoelig zijn voor de negatieve effecten van stikstofuitstoot.

Fig.13 Ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de NNN-structuren (helder gekleurde oppervlakken). Het gestippeld oppervlak tussen de rode lijnen is een ecologische verbindingsstructuur. Bron: Provincie Noord-Brabant

Fig.14 Ligging van het plangebied (rodestip) ten opzichte van Natura 2000 gebied (gearceerd). Bron: Provincie NoordBrabant

Effectenbeoordeling Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNN/EHS of Natura 2000gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake. De Wet natuurbescherming onderscheid naast een directe aantasting ook een indirecte aantasting door factoren die op afstand van invloed zijn, de zgn. externe werking. Deze externe werking geldt uitsluitend voor Natura 2000-gebied en is niet van toepassing op NNN-gebied zover er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van NNN-gebied zoals die middels de toegekende beheertypen zijn vastgelegd. De nabijgelegen NNN-gebieden liggen op een dusdanige geruime afstand dat effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van deze gebieden kunnen aantasten geheel uitgesloten kunnen worden. De Natura 2000-gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn op Natura 2000-

20

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

gebied is de factor stikstofdepositie. De voorgenomen ingrepen en ontwikkeling kan als dusdanig kleinschalig beoordeeld worden dat enige significante bijdrage levert aan de bestaande achtergronddepositie of leidt tot een overschrijding van grenswaarden zoals die gesteld zijn voor de omgevende Natura 2000- gebieden geheel uitgesloten kunnen worden. Conclusie Er worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/EHS significant aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. -Negatieve effecten op Natura 2000 gebied die kwaliteitsverlies tot gevolg kunnen hebben en overschrijding van de gestelde drempelwaarden die voor deze gebieden gesteld zijn kunnen eveneens geheel uitgesloten worden gelet op de afstand, schaal en aard van de voorgenomen ontwikkelingen. Een toetsing aan de Natura 2000 wetgeving wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

4.2.2 Overige provinciale beschermingszones. Ligging Op de Themakaart ‘natuur en landschap’ uit de Verordening ruimte 2014 is het plangebied aangeduid als gelegen buiten de landschappelijke structuren de Groenblauwe mantel en het Attentiegebied ecologische hoofdstructuur. Effectenbeoordeling Het plangebied ligt buiten het Attentiegebied ecologische hoofdstructuur en de Groenblauwe mantel. Verbodsbepalingen uit Artikel 6 en 12 van de Verordening ruimte 2014 zijn daarom niet van toepassing op het plangebied. De voorgenomen ingrepen en ontwikkeling betekenen daarom geen overtreding van de regels die gesteld zijn voor het Attentiegebied ecologische hoofdstructuur en Groenblauwe mantel.

Fig.18 Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van het Attentiegebied ecologische hoofdstructuur en Groenblauwe mantel (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

21

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

4.3 Soortenbescherming Voor gegevens waarvan het NDFF als bron staat vermeldt geldt het copyright '© NDFF - quickscanhulp.nl 27-022019 15:16:54'

4.3.1 Vaatplanten en bladmossen Algemeen Europees beschermde soorten (habitatrichtlijn) De Habitatrichtlijn beschermt een viertal inheemse plantensoorten (Drijvende waterweegbree, Kruipend moerasscherm, Groenknolorchis en Zomerschroeforchis) en twee soorten bladmos (Geel schorpioenmos en Tonghaarmuts). Deze soorten zijn grotendeels te strikt gebonden aan een hoogwaardig natuurlijk milieu van water, moerassen en vochtige heide en blauwgraslanden om binnen de directe omgeving van het plangebied te verwachten. Alleen de Drijvende waterweegbree komt op de relatief korte afstand van 1 tot 5 km van het plangebied voor (NDFF-gegevens)

Toelichting De waterplant Drijvende waterweegbree is als habitatrichtlijnsoort landelijk het minst zeldzaam en komt tamelijk wijdverspreid in de provincie Noord-Brabant voor, waar deze in enige mate een beekbegeleidend verspreidingsbeeld toont. Kruipend moerasscherm is een moerasplant die eveneens vaak binnen een beekmilieu aangetroffen wordt. Zeker in Brabant is deze soort aanzienlijk zeldzamer dan voorgaande soort en geldt landelijk in hogere mate als een bedreigde soort. Het zwaartepunt van zijn huidige verspreiding ligt in het kustgebied (in het bijzonder Zeeland) en in het oosten van Overijssel. De overige soorten betreffen beide orchideesoorten. De Zomerschroeforchis is landelijk een vrijwel uitgestorven soort van kalkmoerassen en natte heide waarvan de laatste vindplaatsen in het zuidoosten van Brabant en aangrenzend Limburg lagen. Groenknolorchis is een soort uit sterk het sterk bedreigd milieu van trilvenen en duinvalleien en kent momenteel een kust gebonden (inclusief de kusten van de voormalig Zuiderzee) verspreiding. Binnen zijn binnenlands verspreidingsgebied, waaronder het zuidoosten van Brabant, is de soort vrijwel uitgestorven. Van de twee soorten bladmossen is Geel schorpioenmos een soort van kalkarm en ijzerrijk moeras, waarvan het huidige verspreidingsgebied bestaat uit enkele verspreid liggende vindplaatsen boven de grote rivieren.

De Tonghaarmuts is een soort die vooral aangetroffen wordt op jong wilgenhout binnen rivier begeleidend vloedbos en vooral bekend uit de Biesbosch. Het huidige verspreidingsbeeld en standplaatsvoorkeuren zijn nog niet goed in kaart gebracht

Nationaal beschermde soorten (geen vrijstelling) Onder de nationale bescherming vallen 76 soorten vaatplanten waarvan de meeste uiterst zeldzaam zijn. Onder deze beschermingscategorie een hoog aandeel zeldzame akkeronkruiden die als gevolg van de intensivering van de akkerbouw vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen zijn. Een aantal zeer zeldzame soorten uit onderhavige beschermingscategorie groeit op stenige standplaatsen en kan op oude muren aangetroffen worden. In tegenstelling tot de voormalige Flora- en Faunawet zijn door de Wet natuurbescherming niet alle orchideeënsoorten meer beschermd. Onder de nationale bescherming vallen zo’n 8 soorten die allen in de provincie Noord-Brabant uiterst zeldzaam of uitgestorven zijn. Voor de 1 km -straal rond het plangebied vermelden de NDFF-gegevens geen soorten. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van beschermde plantensoorten gedaan. Het plangebied biedt niet de condities om deze te verwachten. De begroeiing is van een te algemeen en te gecultiveerd soort om bijzondere botanische waarden te verwachten. Effectenbeoordeling Negatieve effecten op beschermde plantensoorten kunnen geheel uitgesloten worden. De condities ontbreken om deze te verwachten.

22

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) Algemeen Onder de Europese bescherming van de Habitatrichtlijn vallen een aantal zeezoogdieren, die vanzelfsprekend binnenlands uitgesloten kunnen worden. Binnenlands kunnen als Europees beschermde zoogdieren wel Bever, Otter, Noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen verwacht worden. Uitgezonderd van vleermuizen (die hier in een apart hoofdstukje behandeld worden) ligt het plangebied te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van deze soorten om deze in de nabije omgeving te verwachten. Buiten vleermuizen melden de NDFF-verspreidingsgegevens binnen een zeer ruime straal rond het plangebied geen soorten die middels de habitatrichtlijn beschermd zijn. Binnen de straal van 1 km worden wel een aantal soorten uit het middelzware beschermingsregiem van nationale beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt vermeldt. Dit betreffen Eekhoorn, Wezel, Bunzing en Steenmarter. De bescherming zonder vrijstelling van kleine marterachtigen (Wezel, Bunzing en Hermelijn) geldt alleen de provincies Noord-Brabant en Noord-Holland. Deze soorten komen vrij algemeen voor en zijn moeilijk vast te stellen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen als houtwallen of greppels en vinden daar ook hun voedsel.

Landschapselementen binnen een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de Hermelijn is water in de nabijheid van belang. De Steenmarter laat gewoonlijk duidelijke sporen na als uitwerpselen, prooiresten, stank en krabsporen. Geografisch ligt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van de Das, echter de directe grootschalige agrarische omgeving van het plangebied is niet op maat van de Das. De NDFFgegevens melden daarom de dichtst nabije waarneming op 1 tot 5 km afstand van het plangebied. Een nationale bescherming met vrijstelling geldt voor een aantal algemene zoogdieren soorten die in het algemeen als uitgesproken cultuurvolger gelden. Uit deze beschermingscategorie kunnen in het bijzonder binnen of nabij het plangebied, en binnen de bebouwde omgeving in het algemeen, kleine zoogdiersoorten als Gewone bosspitsmuis, Bosmuis, Veldmuis en Egel verwacht worden. Deze zullen zich voornamelijk op terreindelen waar voldoende dekking door begroeiing is ophouden. Grotere soorten als Ree, Haas en Vos zullen kunnen dicht bij het plangebied verwacht worden, maar zullen de directe nabijheid van bebouwing mijden indien er geen duidelijke voedselbron is. Voor al deze soorten is slechts de zorgplicht van toepassing, d.w.z.

dat onnodig doden of verwonden vermeden dient te worden.

Veldbezoek Waarneming van zoogdieren betroffen voornamelijk konijnen. Binnen de omgeving werd een opvallende hoge konijnenstand vastgesteld. Langs de terreinranden zijn konijnenburchten aanwezig en binnen de kleine stenen schuur die op de nominatie staat voor de sloop werden veel graafsporen van konijnen vastgesteld. De bebouwing die voor sloop is bestemd is in het bijzonder grondig gecontroleerd op sporen en verblijfplekken van marterachtigen. Hoewel de houten schuur volgestouwd is met bouwhout, brandhout en ander materialen kon deze goed onderzocht worden daar de materialen ordelijk en compact gestapeld waren. Tijdens dit onderzoek werden geen verblijfplekken of sporen die daarop wijzen van kleine marterachtigen en Steenmarter vastgesteld. Een aanwijzing dat er geen Steenmarter op het erf verblijft is het feit dat de kippen die er gehouden worden ongedeerd blijven. Buiten de bebouwing in het groen zijn geen sporen of andere waarnemingen gedaan die wijzen op aanwezigheid van strikt beschermde soorten (b.v. Eekhoorn). Echter het erf biedt wel een inrichting die zeer geschikt is om kleine marterachtigen en kleine zoogdieren in het algemeen te verwachten. Er is veel schuilgelegenheid in dichte vegetatie, onder

23

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

takkenrillen en in dicht struikgewas. Tevens zijn er veel prooidieren aanwezig ten gevolge van de hoge konijnenstand. Zeker mag niet uitgesloten worden dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van marterachtigen.

Effectenbeoordeling •

• •

• •

Verlies of beschadiging van verblijfplekken van marterachtigen kan uitgesloten worden zover het de sloop van de bebouwing betreft. Wel dient zorgvuldig te werk gegaan worden bij verwijderen van materialen en sloopwerkzaamheden, daar nooit geheel uitgesloten kan worden dat kleine marterachtigen tijdelijk schuilen of jagen binnen de bebouwing. Gelet op de betrekkelijke zeldzaamheid van de Steenmarter in de omgeving en het ontbreken van duidelijke sporen ligt het niet in de verwachting dat de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten op de soort en zijn verblijfplekken tot gevolg kan hebben Bij herinrichting van het plangebied zoals dit op langer termijn is voorgenomen is het voornemen de aanwezige natuurlijke begroeiingen zoveel mogelijk te integreren en zaken (takkenrillen) die schuilgelegenheid aan kleine marterachtigen en andere kleine zoogdieren bieden zoveel te handhaven en mogelijk uit te breiden. De nieuwe inrichting zal niet radicaal verschillen van de huidige inrichting en stelt zich tot doel om het kleinschalig agrarisch karakter van het plangebied te versterken overeenkomstig de eisen die de bestemmingsplanwijziging stelt. Indien deze doelstellingen aangehouden worden wordt geen schade aan verblijfplekken en leefgebied van kleine marterachtigen verwacht.

Voor uitvoering van alle ingrepen dienen daarbij de richtlijnen die de uitgave “Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming” (S. Bouwens, uitgave Provincie Noord-Brabant 2017) geeft in aanmerking worden genomen. Mogelijke aanwezigheid van overige strikt beschermde zoogdieren wordt van een te incidentele aard geacht (Eekhoorn) om enig negatief effect als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en ingrepen op hun verblijfplekken en leefgebied te verwachten. Uit de groep van beschermde soorten waarvoor een vrijstelling geldt is de hoge stand aan konijnen van bijzonder belang. De omstandigheden zijn gunstig om kleine zoogdieren als Egel en meerdere soorten woelmuizen en spitsmuizen te verwachten. Deze kunnen schade ondervinden door verwijdering van groen en afval en als gevolg van grondwerkzaamheden. Indien onvoldoende de zorgplicht in acht wordt genomen, waardoor onnodige verwonding en doden van een aantal soorten kleine zoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt plaats kan vinden, is dit een overtreding van artikel Wnb 1.11. inzake de zorgplicht. Voorzorgsmaatregelen dienen vooral genomen worden met het oog op de hoge konijnenstand.

4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) Algemeen De enige soorten zoogdieren die doormiddel van de habitatrichtlijn beschermd zijn en met grote zekerheid verwacht kunnen worden binnen de bebouwde omgeving zijn vleermuizen. Buiten de dieren zelf, zijn ook de verblijfplaatsen en de structuren die noodzakelijk zijn om deze in stand te houden beschermd. De bescherming geldt de verblijfplekken die jaarrond in gebruik zijn; d.w.z. vaste verblijfplekken waarnaar vleermuizen periodiek terugkeren om bepaalde levensfunctie te vervullen. Ook bij afwezigheid van vleermuizen zijn deze beschermd (zie verder onderstaand kader).

Op basis van omgevingskenmerken worden binnen de directe omgeving vooral soorten van het open en half besloten landschap die in enige mate als cultuurvolger gelden verwacht. De betreft in de

24

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

eerste instantie de Gewone dwergvleermuis; de meest algemene vleermuis in Nederland is die vrijwel overal binnen de bebouwde omgeving voorkomt. De Laatvlieger komt ook algemeen in de bouwde omgeving voor, maar minder talrijk dan de Gewone dwergvleermuis. Meer dan vorige soort foerageert deze ook boven open terrein. De NDFF vermelden geen vleermuiswaarnemingen binnen een straal van 1 km van het plangebied. Binnen de straal van 1 km-5 km vermelden de NDFF gegevens de Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis en de Gewone grootoorvleermuis. Deze soorten kunnen ook binnen of dicht bij het plangebied verwacht worden. De Gewone dwergvleermuis wordt vrijwel zeker binnen het plangebied verwacht, ondanks het feit dat de NDFF-gegevens deze niet vermelden.

Toelichting Wettelijke bescherming en levenswijze Alle in Nederland voorkomende vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese habitatrichtlijn en zijn daardoor op Europees niveau beschermd. Deze bescherming betreft tevens de vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan:” het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Vleermuizen onderhouden verschillende type verblijfplekken als paarverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en zomerverblijven. Voor de staat van instandhouding van de lokale populatie van de soort zijn de kraamverblijven en de grote winterverblijven van het grootst belang. In gebruik van paarverblijven zijn vleermuizen het meest flexibel. In de loop van het seizoen wisselen vleermuizen regelmatig van verblijfplaats waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste routes tussen de verblijfplekken. Eveneens tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen onderhouden vleermuizen vaste routes. Bij het gebruik van deze routes oriënteren vleermuizen zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen en houtwallen. Dit gehele systeem van verbindingsroutes en foerageergebieden die het functioneren van de verblijfplaatsen voor hun specifieke functies mogelijk maakt wordt de functionele leefomgeving genoemd.

Ingrepen binnen de functionele leefomgeving die het functioneren van de verblijfplaatsen aantasten worden door de wetgever gelijkgesteld aan de aantasting van verblijfplekken zelf. In deze zin is de functionele leefomgeving even strikt beschermd als de verblijfplekken.

Veldbezoek De bebouwing die gesloopt wordt is tijdens het bezoek gecontroleerd op verblijfssporen en verblijfsmogelijkheden van vleermuizen. Verblijf en verblijfssporen werden niet geconstateerd. Beide gebouwen werden als van een minimale geschiktheid beoordeeld om verblijfplekken van vleermuizen te verwachten. Verblijfplekken van vleermuizen binnen of aan het stenen gebouw kunnen geheel uitgesloten worden. Er ontbreekt elke verblijfsmogelijkheid en de binnenruimte biedt geen geschikt verblijf door te veel inval van daglicht en tocht wegens het kapotte dak. De houten schuur is in het algemeen van het type waar zelden verblijfplekken aangetroffen worden. Een belangrijke factor kan de geringe hoogte van het bouwwerk geacht worden: de vleermuizen kunnen niet verblijven buiten het bereik van predatoren en ongedierte dat de rustende vleermuizen aanknaagt. De platte dakpannen zijn ter hoogte van de binnenruimte rechtstreeks op een op hardboard lijkend plaatwerk gelegd (en niet op een ondersteunend latwerk), zodat onder de dakpannen geen verblijfsruimten zijn. Ook worden de dakranden dusdanig afgeschermd door de aangebouwde afdaken (waar onder de dakpannen geen ondersteunend materiaal aanwezig is) dat er geen aanvliegmogelijkheden zijn. De binnenruimte biedt te veel inval van daglicht en de toegangen zijn in het algemeen te laag gelegen ten opzichte van aanvliegroutes.

Verblijf tussen het tamelijk compact opgeslagen kachelhout is mogelijk maar niet waarschijnlijk. Het verwijderen en verplaatsen van dit materiaal valt in feite buiten de ingrepen daar deze een gebruiksfunctie hebben en daarvoor dienen te kunnen rouleren. Buiten de bebouwing ontbreken bomen die holten die verblijf aan b.v. de Rosse vleermuis kunnen bieden. Verwacht wordt dat het plangebied van een gemiddelde betekenis is al foerageergebied; er ontbreken groenstructuren die van bijzondere betekenis kunnen zijn als belangrijke trek- en foerageerroutes.

Effectenbeoordeling

25

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

•

•

Tijdens het veldbezoek werden geen vaste verblijfplekken of sporen die daarop wijzen geconstateerd. Verblijfplekken van vleermuizen binnen of aan de te slopen bebouwing worden niet verwacht en daarmee geen negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfsplaatsen van vleermuizen. Als gevolge van de voorgenomen ontwikkeling zoals die op langer termijn plaats zal vinden, kan aantasting van groenstructuren die als foerageergebied en verplaatsingsstructuur van betekenis geacht kunnen worden voor de staat van instandhouding van lokale populaties, geheel uitgesloten worden.

4.3.4 Vogels Alle vogels zijn Europees beschermd middels de Vogelrichtlijn en geldt een aantal beschermingscategorieën die hieronder besproken worden en binnen onderstaand kader worden toegelicht).

Toelichting In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. Als nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De volgende groepen (aflopend in beschermde status) worden onderscheiden: Soorten uit categorieën 1,2,3 en 4 (zie bijlage1), waarvoor een ontheffingsaanvraag altijd noodzakelijk is. Nesten jaarrond beschermd, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Soorten: Boomvalk, Buizerd, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart, Havik, Huismus, Kerkuil, Oehoe, Ooievaar, Ransuil, Roek, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Wespendief en Zwarte wouw.

Soorten uit de categorie 5 (zie Bijlage 1), ontheffingsaanvraag mogelijk noodzakelijk Deze soorten vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Echter ze zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of “als ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen”. Soorten: Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Bosuil, Brilduiker, Draaihals, Eidereend, Ekster, Gekraagde roodstaart, Glanskop, Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Grote bonte specht, Hop, Huiszwaluw, IJsvogel, Kleine bonte specht, Kleine vliegenvanger, Koolmees, Kortsnavelboomkruiper, Oeverzwaluw, Pimpelmees, Raaf, Ruigpootuil, Spreeuw, Tapuit, Torenvalk, Zeearend, Zwarte kraai, Zwarte mees, Zwarte roodstaart en Zwarte specht. Overige soorten: Ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk Soorten: Overige soorten

Algemeen Categorie 1,2,3 en 4: Ontheffingsaanvraag altijd noodzakelijk

De NDFF-gegevens melden voor een straal van 1 km rond het plangebied Buizerd, Havik, Wespendief, Boomvalk en Sperwer als roofvogels uit deze zware beschermingscategorie die aan bossen en bosranden gebonden zijn en voor hun nestgelegenheid afhankelijk van bomen zijn. In het kader van de voorgenomen ingrepen, zover die de sloop van de bebouwing betreft, zijn deze soorten weinig relevant. Dit geldt eveneens op basis van het habitatgebruik voor Ooievaar, Roek, Slechtvalk en Grote gele kwikstaart, soorten die ook in de directe omgeving waargenomen zijn. Wel als relevant uit deze beschermingscategorie worden een aantal soorten verwacht worden die als uitgesproken cultuurvolgers gelden en voor hun verblijfsmogelijkheden geheel afhankelijk van

26

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

bebouwing zijn. Binnen een straal van 1 km melden de NDFF-gegevens uit deze categorie Huismus, Gierzwaluw, Kerkuil en Steenuil. Uitgezonderd van de Gierzwaluw zullen deze soorten het grote oppervlak aan landbouwgronden vermijden en zich verplaatsen en voedsel zoeken binnen de bebouwde linten en langs groenstructuren. Categorie 5 (ontheffingsaanvraag mogelijk nodig)

Minder strikt beschermd zijn de nestelplekken van soorten uit de tweede categorie die slechts deels vaste nestplekken onderhouden. Voor deze soorten geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer die van het type nestgelegenheid. Veel van deze soorten zoeken nestgelegenheid op beschutte plekken in holten, holen en kieren. De bescherming houdt verband met de schaarste van het type nestgelegenheid. De jaarronde bescherming geldt alleen als de populatie sterk onder druk staat. Boerenzwaluw en Huiszwaluw worden vaak als koloniebroeders aangetroffen op boerenerven en onderhouden vaste verblijfplekken waar ze jaarlijks weer naar terugkeren. De meeste soorten uit deze middelzware beschermingscategorie onderhoudt in principe geen vaste nestelplekken, zoals een aantal algemene tuin en stadsvogels, maar keren wel vaak tot dezelfde plek of locatie terug. Overige soorten: Ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk Voor de groep uit de laagste beschermingscategorie geldt de bescherming van de nesten en broedplekken in alle gevallen uitsluitend als daadwerkelijk sprake is van een broedgeval. Hiervoor is artikel Wnb artikel 3.1 lid 2 van toepassing Verbod van opzettelijke verstoring is bij ingang Wet natuurbescherming niet (meer) van toepassing voor deze categorie. De omgeving van het plangebied kan van bijzonder belang zijn voor grondbroeders van akkers en akkerranden.

Een soort als de Patrijs kan binnen dichte begroeiingen aan terreinranden broedgelegenheid vinden.

Veldbezoek Waarneming betroffen een aantal algemene tuin- en stadsvogels. In de schuur die gesloopt wordt werd een oud nest van een merel gevonden. Naar informatie van bewoner zijn er rustplekken van spreeuwen in het groen rond het plangebied. Het plangebied biedt door zijn inrichting een zeer geschikte entourage om Huismussen, Kerkuil en in het bijzonder Steenuil en te verwachten. In het bijzonder is gelet op sporen van deze soorten als mestsporen, braakballen en veren. Ook de bebouwing die niet gesloopt wordt is geïnspecteerd op verblijf van deze soorten. Op basis van dit onderzoek kunnen vaste verblijfplekken van deze soorten uitgesloten worden binnen het plangebied; ook werden geen aanwijzingen gevonden dat het plangebied deel uitmaakt van het territorium van uilen. Tijdens het veldbezoek werd eveneens geen aanwezigheid van huismussen of sporen daarvan vastgesteld ondanks geschikte omgevingskenmerken. De bebouwing die gesloopt wordt is door zijn hoogte en gebrek aan geschikte verblijfsmogelijkheden geheel ongeschikt als rustplek en nestelplek van gierzwaluwen. Effectenbeoordeling • Binnen en aan de gebouwen waar de ingrepen aan plaats aan plaats gaan vinden zijn geen verblijfplekken van vogels geconstateerd die als jaarrond beschermd kunnen worden aangemerkt; deze worden ook niet verwacht.

Negatieve effecten op deze verblijfplekken kunnen daarom ook uitgesloten worden al gevolg van de voorgenomen sloopwerkzaamheden. • Tijdens het veldbezoek werden geen sporen gevonden die erop wijzen dat het plangebied deel uit maakt van het territorium van uilen. Gelet op het feit dat zowel Kerkuil als Steenuil binnen een straal van 1 km rond het plangebied voorkomen kan op basis van een kort veldbezoek niet uitgesloten worden dat dit wel het geval is, mede gelet op de gunstig voorwaarden die het plangebied biedt wat betreft habitat en foerageermogelijkheden.

27

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

•

•

Echter gelet op het gegeven dat de voorgenomen herinrichtingsplannen geen aantasting van dit habitatgebied betekent, worden als gevolg van de herontwikkeling zoals die op langer termijn zal plaats vinden, geen negatieve effecten op het leefgebied van uilen verwacht. Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van vogels die als jaarrond beschermd kunnen worden aangemerkt in bomen en overige begroeiingen binnen het plangebied geconstateerd. Negatieve effecten op deze verblijfplekken ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling kunnen daarom uitgesloten worden. Daar de kap van hoge bomen niet aan de orde is blijven de nestelmogelijkheden die de hoge bomen bieden voor vogels intact. Om elke schade aan broedvogels uit te sluiten dient wel het broedseizoen in acht genomen te worden; d.w.z. dat men de gebouwen inspecteert op broedgevallen indien de ingrepen binnen het broedseizoen plaats vinden. Ook dient het broedseizoen in acht worden genomen bij het ruimen van afval en ingrepen in het groen.

4.3.5 Reptielen Algemeen Het plangebied ligt te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied van de meeste reptielen die doormiddel van de habitatrichtlijn beschermd zijn om deze in de nabijheid te verwachten. Zover deze in de wijdere omgeving voorkomen (Gladde slang op de Groote Peel) eisen deze tevens te specifieke biotoopeisen om nabij het plangebied te verwachten. De enige reptielen die in Brabant met enige frequentie voorkomen zijn de Hazelworm en Levendbarende hagedis. Deze soorten vallen onder de nationale bescherming en geldt geen vrijstelling. De Levendbarende hagedis is een tamelijk algemene soort van heide en heideachtig terrein. De Hazelworm is binnen Brabant een zeldzame soort en komt binnen een zeer beperkt verspreidingsbeeld voor. De soort is gebonden aan heideterrein en bosgebied met een structuurrijke onderbegroeiing. De NDFF-gegevens vermelden deze soorten op een afstand van 1 tot 5 km van het plangebied. Waarneming van genoemde soorten binnen de provincie Noord-Brabant op agrarisch terrein zijn van een uiterste incidentele aard. Op basis van het huidige verspreidingsbeeld en landschapskenmerken kunnen beide soorten voor het plangebied en onmiddellijke omgeving geheel uitgesloten worden.

Effectenbeoordeling Negatieve effecten op beschermde reptielsoorten kunnen geheel uitgesloten worden, daar het plangebied te ver buiten de geschikte habitatgebieden van deze soorten ligt.

4.3.6 Amfibieën Algemeen Het plangebied ligt in een directe omgeving die weinig geschikt is voor amfibieën door het ontbreken van stabiele watermilieus. De NDFF-gegevens melden geen soorten binnen een straal van 1 km rond het plangebied die onder de Europese bescherming middels de Habitatrichtlijn vallen. Op een iets grotere afstand van 1 tot 5 km vanaf het plangebied worden waarnemingen van de Heikikker, Rugstreeppad en Poelkikker vermeldt. Deze soorten zijn binnen Noord-Brabant te specifiek gebonden aan een hoogwaardig stabiel watermilieu en een landbiotoop van heide, heideachtig terrein, stuifzanden en schraal grasland om binnen of nabij het plangebied te verwachten. Het plangebied ligt binnen het grootschalig agrarisch landschap te geïsoleerd van de meest nabije habitatgebieden om deze soorten te verwachten. Theoretisch gezien geldt deze isolatie minder voor de Rugstreeppad. De Rugstreeppad is een meer mobiele soort van minder stabiele watermilieus die landelijk op veel

28

Quickscan – Zandstraat 4 Someren

plekken in agrarisch gebied en tot binnen stedelijk gebied voorkomt. Binnen Brabant is de soort betrekkelijk zeldzaam en wordt de buiten de optimale biotoop van heide en stuifzanden veel minder vaak aangetroffen dan elders in het land. De soort is in het algemeen een kolonisator op allerlei braakliggend terrein en plant zich daar veelal voort in ondiepe tijdelijke plassen. De dichts nabij populatiekern bevindt zich op de Strabrechtse Heide. Waarnemingen buiten de Strabrechtse heide zijn zeldzaam en zover daar sprake van is worden deze binnen de periferie van dit heide- en Natura 2000-gebied gedaan (het meest recent op een bouwterrein nabij Lierop). Er werden geen aanwijzingen gevonden dat de soort buiten de natuurgebieden recent dieper binnen agrarisch gebied is waargenomen. Gelet op het lokale verspreidingsbeeld en zeldzaamheid van de soort kan deze voor het plangebied en directe omgeving vrijwel uitgesloten worden. De enige strikt beschermde soorten nationaal beschermde amfibieën die binnen de provincie NoordBrabant vrij algemeen voorkomen zijn de Vinpootsalamander en Alpenwatersalamander. De Vinpootsalamander is te specifiek gebonden aan heidevennen om binnen de omgeving van het plangebied te verwachten. De Alpenwatersalamander is minder kieskeurig en is in de eerste instantie een soort van bosvijvers.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14148070/1