CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bijlage 7 - Quickscan flora en fauna 200678400

Gemeenteraad 30 januari 2025, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Beliënberkdijk 42 Someren16.918 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek J.F.G. Maassen

Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Ecologische quickscan

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

2

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

J.F.G. Maassen

Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren Ecologische quickscan Datum 23-10-2023

3

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

4

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Maassen ecologisch advies en onderzoek Jan Mosmanslaan 23 5237 BB ’s-Hertogenbosch 06-12571130 maassen36@ziggo.nl K.v.K 64413152 btw-id NL001289728826 rek.no NL55 INGB 0003 0208 71

Projectno. Tekst en samenstelling Foto’s Foto op omslag In opdracht van Wijze van citeren

2310-1 J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen, Herontwikkeling Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Contactpersoon

Dhr. G. Bosmans (Crijns Rentmeesters)

Status Datum

Definitief 23-10-23

© 2023 Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, ‘s-Hertogenbosch

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeklocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere verstrekte gegevens. De opdrachtgever vrijwaart Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

5

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

6

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Inhoud 1

2

3

4

5

6

7

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Toetsingskader 1.4 Leeswijzer 1.5 Samenvatting onderzoeksresultaat Het plangebied, beoogde ontwikkeling en ingrepen 2.1 Ligging van het plangebied 2.2 Huidig gebruik, inrichting en beoogde ontwikkeling Wettelijk kader 3.1 Inleiding 3.2 Soortenbescherming 3.3 Gebiedsbescherming 3.4 Beschermde houtopstanden Onderzoeksresultaat 4.1 Methodiek 4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 4.2.2 Provinciale beschermingszones. 4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten 4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) 4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) 4.3.4 Vogels 4.3.5 Reptielen, amfibieën en vissen 4.3.6 Ongewervelden 4.4 Bescherming houtopstanden Conclusie 5.1 Toetsing aan de Wet natuurbescherming en provinciale regelgeving 5.2 Samenvatting en vervolgstappen Voorzorgsmaatregelen, mitigatie en aanbeveling 6.1 Algemene voorzorgsmaatregelen 6.2 Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen 6.2 Aanbeveling en advies Bronnen Bijlage 1 - Toelichting soortenbescherming Bijlage 2 - Soorten van de Vogelrichtlijn Bijlage 3 - Soorten van de Habitatrichtlijn Bijlage 4 - Nationaal beschermde soorten (‘andere soorten’) Bijlage 5 - Soorten met een vrijstelling Bijlage 6 – Werken met een gedragscode

7

9 9 9 10 10 10 11 11 12 15 15 15 17 18 19 19 20 20 21 23 23 23 25 26 39 30 31 32 32 33 34 34 34 35 36 37 38 39 41 45 46

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

8

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer heeft het voornemen tot een verdere ontwikkeling van een recreatiebedrijf op een perceel dat kadastraal geregistreerd staat als Someren G 3513 (oppervlak 101390 m2) en waarop tot voor kort een melkveehouderij was gevestigd. De veehouderij wordt op een veel kleinschaliger wijze voortgezet voor het houden van rundvee dat ingezet wordt voor natuurbeheer en productie van natuurlijk rundvlees. In het kader van deze ontwikkeling is de landbouwgrond rond het erf ondertussen in gebruik genomen voor agrarische natuurbeheer en vindt een herinrichting plaats met kleinschalige landschappelijke elementen als een poel en houtwallen. In het kader van een verdere herontwikkeling zijn er voornemens tot ingrepen op en rond het erf die betrekking hebben op sloop van voormalige bedrijfsgebouwen en, met het oog op een efficiëntere bedrijfsvoering, aanpassing en verbetering van de faciliteiten voor recreatieve doeleinden. Binnen de wettelijke kaders waarbinnen deze verdere ontwikkeling plaats gaat vinden is ook een ecologisch onderzoek in de vorm van een quickscan flora en fauna vereist om vast te stellen of de voorgenomen ingrepen tot overtredingen van de Wet natuurbescherming of provinciale regelgeving ter bescherming van natuur en landschap kunnen betekenen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is aangezocht om deze quickscan uit te voeren.

Fig.1 Het plangebied ligt binnen de rode omkadering. Bron: Kadasteronline

1.2 Doelstelling Doormiddel van deze quickscan worden aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld gebracht en de mogelijke effecten daarop als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden en gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming en gemeentelijke regelgeving beschermd zijn. Als de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten die een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming tot gevolg kunnen hebben, wordt de noodzaak voor een ontheffingsaanvraag

9

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

beoordeeld en/of doet deze quickscan aanbeveling voor vervolgstappen om overtreding van deze verbodsbepalingen te voorkomen.

1.3 Toetsingskader Deze quickscan toets aan • Wet natuurbescherming op de onderdelen o Wnb soortenbescherming o Wnb gebiedsbescherming o Wnb houtopstanden •

Provinciale regelgeving op de onderdelen o Natuur Netwerk Brabant

•

Gemeentelijke regelgeving op het onderdeel o APV-bomenkap

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de inrichting van het plangebied, de ligging van het plangebied in de omgeving en de voorgenomen ingrepen en herontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader geschetst dat de Wet natuurbescherming en de provinciale regelgeving biedt. Hoofdstuk 4 beschrijft in het eerste onderdeel de uitvoering van het onderzoek en de methoden die hierbij gehanteerd worden. In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Per gebied en soortgroep wordt behandeld welk effect de ingrepen op beschermde soorten en gebieden kunnen hebben. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten die tot een overtreding van de Wet natuurbescherming kunnen leiden op beschermde gebieden en soorten kort samengevat. Aangegeven wordt welke overtredingen van

wetsartikelen mogelijk zijn en voor welke ingrepen vervolgonderzoek en/of ontheffing nodig zijn. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven welk voorzorg- en mitigatiemaatregelen gewenst zijn om overtredingen te voorkomen.

1.5 Samenvatting onderzoeksresultaat -Overtredingen van de regelgeving van de Interim omgevingsverordening NB en Wet natuurbescherming met betrekking tot de gebiedsbescherming zijn niet aan de orde. -Met het oog op aanwezigheid van jaarrond beschermde verblijfplekken van huismussen dient de sloop van de bebouwing buiten het broedseizoen van huismussen plaats te vinden om verstoring van deze verblijfplekken en daarmee een overtreding van Wnb Art 3.1 lid 4 te voorkomen. -Verblijfplekken van vleermuizen binnen het plangebied en invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling worden niet direct verwacht. Wel bevinden zich binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden potentiële zomerverblijfmogelijkheden. Om verstoring van vleermuizen en een overtreding van Wnb Art 3.2 lid 2 geheel uit te sluiten, dient de sloop buiten de actieve periode van vleermuizen plaats te vinden. -Als verder de voorzorgsmaatregelen die het volgende hoofdstuk (6) vermelden in acht worden genomen, wordt geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht.

10

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

2 HET PLANGEBIED, BEOOGDE ONTWIKKELING EN INGREPEN. 2.1 Ligging van het plangebied Fig.2 Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van de bebouwde kommem van Someren en Someren-Eind. Luchtfoto: Google Earth

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Someren op ongeveer 6 km zuidelijk van de aaneensluitende bebouwde kommen van Someren en Somereneind. Dit buitengebied betreft een open en tamelijk grootschalig agrarisch landschap met verspreid staande houtbegroeiingen in de vorm van laanbomenstructuren, erfbegroeiingen en kleine beboste percelen. De bebouwingdichtheid is binnen deze omgeving tamelijk dun; vanuit het plangebied in zuidelijke richting kijkend is een wijds landschap met nog een geheel onbebouwde horizon zichtbaar. Het plangebied grenst aan de zuidkant aan de Dertiensedijk, een zandpad dat de provinciegrens van NoordBrabant met Limburg markeert en aan de zuidkant langs de oever van een beek voert. De Beliënberkdijk loopt ter hoogte van het plangebied dood op dit zandpad. Het zandpad ligt nog op het grondgebied van NoordBrabant; de stroom van de aangrenzende beek met zijn oevertaluds ligt geheel in Limburg. De gekanaliseerde beek wordt intensief onderhouden en toonde ten tijde van het veldbezoek geen enkele begroeiing onder de waterspiegel. De stroom van de beek is tevens het enige open water binnen deze omgeving. Binnen en rond het plangebied zijn uitsluitend kleine sloten aanwezig die geen permanent waterpeil voeren, maar ook niet geheel uitdrogen.

Dertiensedijk en beek

Zicht op grazend vee binnen het plangebied.

11

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

2.2. Huidig gebruik, inrichting en beoogde ontwikkeling Het plangebied bestaat uit een erf met bedrijfsbebouwing omgeven door een oppervlak landbouwgrond. Deze landbouwgronden betreffen graslanden die momenteel extensief begraasd worden door langhoornrunderen en ontwikkeld worden als agrarische natuurgebied en weidevogelgebied. Een deel van de nieuwe inrichting is reeds gerealiseerd zoals de kruidenrijke voedselakker aan de zuidkant van het erf, aanplant van fruitbomen en houtwallen. Op de nominatie staat het graven van een poel en een verdere uitbreiding van de houtaanplanten. De inrichting zoals die voorzien is biedt veel beschermde soorten van het kleinschalig agrarisch landschap een geschikt leefomgeving en draagt bij aan de noodzakelijke compensatie voor het toenemend verlies van dit leefgebied zoals dit landelijk de trend. Deze beoordeling heeft echter voornamelijk betrekking op ingrepen op het erf of die verband houden met de voorgenomen ontwikkelingen op het erf. Fig.3 Verbeelding van het erf en de voorgenomen ontwikkelingen

Het erf bevat een tamelijk onoverzichtelijk complex van bebouwing; daarom worden de verschillend delen daarvan aangeduid met behulp van de nummering op bovenstaande figuur (fig.3). De hoofdbebouwing bestaat uit 2 rundveestallen. De daken van deze stallen zijn voorzien van golfplaten; dakbeschot of isolatieplaten ontbreken onder deze dakbekleding. De gebouwen 2 en 3 vormen samen een stalruimte, waarvan het blauwe gekleurde deel (no.2) gesloopt wordt. Het overblijvende deel (no.3) wordt verbouwd en krijgt en functie voor opslag en als werkplaats. De stal is momenteel grotendeels in gebruik voor opslag en bood ten tijde van het veldbezoek een rommelige entourage. Voor en kleine deel is de stal nog in gebruik voor de stalling van vee.

Links gebouw 5 (opslag); rechts gebouw 2 (veestal)

Gebouw 10 (veestal)

12

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

De tweede en grootse stal (no.10) neemt het grootse deel van de achterste helft van het erf in beslag en blijft gehandhaafd. Deze betreft een grote veestal met grotendeels open zijgevels. Deze grote stal functioneert als winterstalling van de Langhoornrunderen die op het bedrijf gehouden worden. Aan de achterzijde van de stal staat een mestsilo (no.9) en is een kleine ruimte met gevels en dak van versleten ijzeren golfplaten aangebouwd. Deze ruimte had oorspronkelijk de functie van afkalfhok; ten tijde van het veldbezoek was de bodem bedekt met en dikke laag ruwe mest. Dit deel van de bebouwing en de mestsilo staan op de nominatie voor sloop. Nummer 7 is ook een stalruimte die waarschijnlijk later aangebouwd is aan noordelijke kopgevel van de grote stal (no.10). Deze stal heeft momenteel de aard van een kleine inloopstal en is vrij toegankelijk voor het vee vanaf het aangrenzende weiland. De buitengevels bevatten een stenen ondermuur met een bovendeel van enkelplanks houtwerk. Dit onderdeel blijft gehandhaafd.

Binnenruimte stal no.10

Stalruimte no.7

De overige bedrijfsbebouwing bestaat uit schuren die in gebruik zijn voor de recreatieve tak van het bedrijf. Deze blijven intact en hun functies behouden. Gebouw genummerd 5 is in gebruik als receptie, ontvangstruimte, kantoor en voor opslag. Gebouw 5 maakte oorspronkelijk deel uit van de aangrenzende stal (no.2) een deelt daarmee nog de zuidelijke kopgevel van bakstenen (zie foto linksonder vorige bldz.12). Het gebouw is in een recent stadium met een nieuwe buitenmuur afgescheiden van de stal en herbouwd met daken van stalen damwandprofielen en een voorgevel die geheel in beslag genomen wordt door kantelbare garagedeuren. Dit gebouw is hermetisch afgesloten van de buitenwereld en gebouwd voor de opslag en beveiliging van kostbare en diefstalgevoelige bedrijfsinventaris. Verder bevat het erf nog een klein bakstenen gebouw (no.6) dat eveneens goed afgesloten is van buiten.

Toegang tot receptiegebouw(no.4)

Bedrijfswoning

De enige andere bebouwing is de vrijstaande bedrijfswoning (no 1. op fig.2) aan de voorkant van het erf. Deze valt met omringende siertuin geheel buiten de voorgenomen ingrepen. Rond en achter genoemde bebouwing is verharding aanwezig. Aan de voorzijde betreft dit een ruime bestrating van klinkers die ruimte biedt voor een klein parkeerplaats; op de achterste helft van het erf betreft dit verschillende soorten verhardingen van beton.

13

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Achter de stallen is een groot oppervlak (op fig. 3 aangeduid met no.11) aan verharding van beton aanwezig voor de opslag van veevoer en stalling van machines. Ook zijn hier 2 betonnen voederkuilen aanwezig. Het voornemen is om de verharding van dit terreindeel op te breken en vervangen voor een nieuwe groene inrichting die plaats moet bieden aan een klein recreatiegebouw (grondoppervlak 200 m 2), vuurplaats en een locatie (grondoppervlak 200 m2) voor een tent.

Traject oprit parkeerplaats

Verhard terrein (no.11 op fig.2)

De wens van de initiatiefnemer is dat de achterste voederkuil (no.12 op fig.3) behouden blijft voor de functie van opslag van hooibalen. De rest van de verharding wordt opgebroken en maakt grotendeels plaats voor groen. Ook een klein deel van het achterliggend grasland (no.13 op fig.3) wordt bij de herontwikkeling betrokken voor de aanleg van een verhard parkeerterrein met ruimte voor 42 parkeerplekken. Ter ontsluiting van dit parkeerterrein is het voornemen om een verharde toerit (fig.3 no.14) aan te leggen die deze parkeerplek rechtstreeks ontsluit vanaf de openbare weg. Deze toerit loopt langs de noordrand van de aanliggend weilandpercelen aan de noordkant van het erf en maakt ter hoogte van het parkeerterrein een haakse bocht richting parkeerterrein. De houtaanplant die tussen pad en perceelsloot is voorgenomen is al deels aangeplant. De toerit dient 2 sloten die geen permanent waterpeil voeren te overbruggen.

De enige boom op het erf

Zicht op siertuin

Binnen het plangebied ontbreekt substantieel groen waarvan verwacht kan worden dat in het kader van de ontwikkeling moet wijken. Het enige substantiële groen betreft de siertuin rond de woning en de volgroeide boom, een robinia pseudoaccacia, bij de toegang tot het erf. De siertuin wordt intensief onderhouden en is vakkundig aangelegd met een veel aandacht voor detail en compositie. De beplanting van dicht en hoog groen van hagen en wintergroen struiken is in het bijzonder van belang voor de huismussenpopulatie op het erf en ook voor andere tuinvogels een belangrijk omgevingselement.

14

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

3. WETTELIJK KADER 3.1. Inleiding Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van soorten (soortbescherming) en bescherming van gebieden (gebiedsbescherming).

3.2 Soortenbescherming Bij de Wet Natuurbescherming gelden een aantal verbodsbepaling ter bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage). De wet kent twee beschermingsniveaus waarbij drie categorieën beschermde soorten worden onderscheiden. • Europees beschermde soorten volgens de Vogelrichtlijn • Europees beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn. • Nationaal beschermde soorten. Europees beschermde soorten Het zwaarst beschermingsniveau gelden de Europees beschermde soorten. De bescherming van vogels is op Europees niveau geformaliseerd doormiddel van de Vogelrichtlijn en die van de overige soortgroepen doormiddel van de Habitatrichtlijn. De Europese bescherming middels de Habitatrichtlijn beschermt voornamelijk soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV. Dit betreffen o.a. alle vleermuissoorten die in Nederland en Europa inheems zijn. Op deze soorten is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Nationaal beschermde soorten (“andere soorten”) Op deze soorten (zie bijlage 4) is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Voor nationaal beschermde soorten geldt een zwakker beschermingsregiem en er kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud.

Voor alle inheemse diersoorten, beschermt of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Bescherming verblijfplekken Ook verblijfplaatsen van soorten uit beide categorieën die als “vast” kunnen worden aangemerkt zijn beschermd en worden aangeduid als jaarrond beschermde verblijfplekken. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts éénmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor soorten die onder de Vogelrichtlijn vallen zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek (zie hoofdstuk 3.3). In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Voor jaarrond beschermde verblijfplekken en functionele leefomgeving van soorten die onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnen vallen is respectievelijk artikel 3.5 lid 4 en artikel 3.1 lid 2 van toepassing en geldt een verbod om de verblijfplekken en functioneel leefgebied te verstoren.

De wet beschermt jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde soorten volgens artikel 3.10 lid 1b. Bij deze categorie is, evenals bij vogels waarvan de nestelplekken niet jaarrond beschermd zijn, het verbod tot opzettelijke verstoring, en daarmee de bescherming van de functionele leefomgeving, niet van toepassing.

15

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn §3.1Wnb

Beschermingsregiem soorten Habitatrichtlijn §3.2 Wnb

Beschermingsregiem andere soorten §3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art3.5 lid 1 Het is verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Art 3.5 lid 4 Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Art 3.5 lid 3 Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen en te rapen.

Niet van toepassing

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ontheffingsplicht Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen. Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. Vrijstelling doormiddel van een goedgekeurde gedragscode geldt voor alle vogelsoorten en nationaal beschermde soorten, zowel voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud als voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (een verschil met voorgaande wetgeving van de Flora- en faunawet). Als dergelijke garanties niet kunnen worden gegeven moet men afhankelijk van de soort en ingreep ontheffing aanvragen van artikelen geformuleerd in de Vogelrichtlijn (§3.1 Wnb), of Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb) of het beschermingsregiem “Andere soorten” (nationaal beschermde soorten) (§3.3 Wnb).

In tegenstelling met de voorgaande Flora en Faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient bij de ontheffingsaanvraag de staat van instandhouding van de gehele populatie meer in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a. beoordeeld op de volgende punten: • aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek. Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna.

16

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een zorgplicht opgenomen: Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat eenieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.

3.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden •

•

Europees beschermde gebieden (Wet natuurbescherming §2.1 t/m §2.5.) De gebieden die op Europees niveau een bescherming genieten en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands). Deze gebieden vallen onder de noemer van Natura 2000 en betreffen gebieden van grote ecologische waarde. Deze gebieden zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming §2.1 t/m §2.5. Nationaal/provinciaal beschermde gebieden (provinciale omgevingsverordening). Dit zijn natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vallen. Deze natuurgebieden en hun onderlinge verbindingen vormen een samenhangend ecologisch netwerk. De bescherming van deze gebieden is op provinciaal niveau geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen.

Europees beschermd gebied (Natura 2000-gebied) Ook hier genieten de gebieden die onder een Europees beschermingsregime vallen de meest strikte bescherming. Voor beide categorieën van beschermde gebieden geldt dat activiteiten die een negatief effect hebben op de kwaliteit van de gebieden in het algemeen verboden zijn. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000 gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000 doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend als er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen. De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Bij Natura 2000 gebied wordt doormiddel van een voortoets beoordeeld of er negatieve effecten verwacht kunnen worden en in hoeverre deze als significant beoordeeld kunnen worden. Bij niet-significante negatieve effecten volgt een “lichte “beoordeling doormiddel van een Verslechteringtoets. Bij significante negatieve effecten wordt de “zware” route gevolgd doormiddel van een Passende beoordeling en ADC-toets.

Nationaal en provinciaal beschermd gebied (NNN-gebied) Het uitgangspunt voor de bescherming van gebieden die vallen onder Natuurnetwerk Nederland is de eis dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet door een ingreep worden aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn in principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten zoals die in het beheerplan zijn vastgelegd. In de Interim omgevingsverordeningen van de provincie 2020 van de provincie is de doelstelling en regelgeving met betrekking tot NNN/NNB-gebied vastgelegd. Overige provinciale beschermingszones

17

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Voor behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied zijn door de provincie Noord-Brabant de agrarische structuur en de groenblauwe structuur ingesteld. De groenblauwe structuur bestaat uit de Groenblauwe mantel en het kerngebied Groenblauw. De Groenblauwe mantel is een buffer tussen het kerngebied Groenblauw met het agrarisch en verstedelijkt gebied. Het kerngebied Groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur (NNN) inclusief de ecologische verbindingszones en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen.

3.4 Bescherming houtopstanden De Wet natuurbescherming § 4.1. Houtopstanden vervangt de voormalige Boswet, waarbij dezelfde voorwaarden grotendeels gelden. Evenals de Boswet betreft de bescherming in het algemeen houtopstanden buiten de bebouwde kom zover deze een groter oppervlak van 10 are hebben of een rij van meer dan 20 bomen betreffen, geen deel uitmaken van begroeiingen op erven of in tuinen en geen aanplant voor cultuurdoeleinden en houtwinning betreffen. Er geldt een meld- en heraanplant plicht.

18

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

4. ONDERZOEKSRESULTAAT 4.1 Methodiek De quickscan bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek, een effectenbeoordeling en een toetsing aan de natuurwetgeving en provinciale regelgeving. Op basis van de effectenbeoordeling en toetsing wordt de noodzaak tot vervolgstappen beoordeeld. Bronnenonderzoek In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van diverse websites, o.a. van de nationale databank (NDFF), kennisdocumenten en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de ligging van het Natuurbeschermingswet-gebieden als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Bron van de NDFF-gegevens die in het verslag vermeld worden is: NDFF - quickscanhulp.nl; d.d.10-10-2023.

Veldonderzoek Het veldbezoek werd op 10-10-2023 tussen 11.00 en 12.30 uur en uitgevoerd door dhr. J. Maassen. Tijdens het veldbezoek was het rond de graden 20C en half bewolkt. Er was weinig wind (wk 1) en droog. Een weertype dat als zacht en rustig najaarsweer getypeerd kan worden. Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld. Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in onderstaande notitie.

Opmerking De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de plangebied en directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

19

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 Ligging Fig. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000 gebied (rood gearceerd). Bron: Bron: Natuurbeheerplan Provincie NoordBrabant

Het dichtst nabije Natura 2000-gebieden zijn Weerter- en Budelerbergen & Ringeselven is op 2 kmhemelsbreed zuidwestelijk van het plangebied en op 3,7 km-hemelsbreed de Groote Peel Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstanden. Noordelijk van het plangebied en rond Someren ligt een ring van Natura 2000-gebieden die van west naar oost Leenderbos en Groote Heide & De Plateaux, Strabrechtse Heide & Beuven en Deurnsche Peel & Mariapeel betreffen. De afstanden tot deze gebieden varieert tussen de 8 en 13 km-hemelsbreed. Alle genoemde Natura 2000-gebieden bevatten kwetsbare en stikstofgevoelige natuur van bos, vochtige graslanden, droge en natte heide, hoogveen en zwak gebufferde waters. Toelichting wettelijk kader Externe werking De Wet natuurbescherming onderscheid naast een directe aantasting, de interne werking, ook een indirecte aantasting door factoren die op afstand van invloed zijn, de zgn. externe werking. Effecten-beoordeling Oppervlak Het plangebied en omliggende gebied maakt geen deel uit van Natura 2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake.

Externe werking op korte afstand Alle Natura 2000 gebieden liggen op voldoende ruime afstand om geen negatieve invloeden verwacht worden van factoren met een externe werking die met een korte reikwijdte op afstand werken, als bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. Stikstof De factor stikstofuitstoot is in dit geval de enige mogelijke factor die een externe werking op grotere afstand kan genereren. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van de factor stikstofdepositie plaats vinden ten gevolge de uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden gebruikt worden. Na de uitvoerende fase staat de nieuwe vergunning geen uitbreiding van het aantal bezoekers toe, waardoor geen sprake is van uitbreiding van de recreatieve bedrijfstak. Daar de aard van de bedrijfsfuncties ook onveranderd blijft, wordt er geen verhoging van de stikstofuitstoot in de gebruiksfase verwacht. Indien de periode waarin de voormalige melkveehouderij nog onderdeel van de bedrijfsvoering was

20

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

als referentiepunt wordt genomen, kan verwacht worden dat het nettosaldo van de gehele ontwikkeling een forse afname van de stikstofdepositie van de bedrijfsvoering betekent. Negatieve effecten ten gevolge van de projectontwikkeling op Natura 2000-gebied die een verslechtering of meer significante negatieve effecten van meer permanente aard opleveren worden daarom en mede op basis van schaal, aard en ligging van de projectontwikkeling niet verwacht, waardoor nader onderzoek en toetsing niet noodzakelijk geacht wordt. Een Aeriusberekening dient deze conclusie te onderbouwen en, gelet op de recente verscherping van de Natura 2000-wetgeving, aan te tonen dat drempelwaarden van 0,00 mol per ha/per jaar op Natura 2000-gebied in de uitvoerende niet overschreden wordt. Conclusie Negatieve effecten ten gevolge van de projectontwikkeling op Natura 2000-gebied die een verslechtering of meer significante negatieve effecten van meer permanente aard opleveren worden op basis van schaal, aard en ligging van de projectontwikkeling niet verwacht, waardoor nader onderzoek en toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Een Aeriusberekening dient deze conclusie te onderbouwen en om vast te stellen of de gestelde drempelwaarden van 0,00mol per ha/per jaar op Natura 2000-gebied niet overschreden wordt. 4.2.2 Provinciale beschermingszones.

Ligging NNN-gebied Het dichtst nabije NNB-gebied ligt op een korte afstand van 0,3 km zuidelijk van het plangebied. Echter dit NNN-gebied is gelegen aan de Limburgse kant van de provinciegrens waardoor voor dit NNN-gebied niet de regelgeving van de Interim Omgevingsverordening NB geldt. Dit NNN-gebied is grotendeels van het beheertype

N12.02 Kruiden-en faunarijk grasland De dichtst nabije NNB-structuur betreft de stroom en oevers van de Zuid-Willemsvaart. Aan dit NNB-gebied is het beheertype van N3.02 Zoete plas toegekend. Kleinere oppervlakken liggen op een afstand van rond 2 kmhemelsbreed oost en west van het plangebied. Aan deze NNB-gebieden zijn de beheertypen N0,01 Nog om te vormen landbouwgronden (west) en N15.03 Dennen-, eiken- en beukenbos (oost) toegekend. Het westelijk gelegen gebiedje bevat voor een zeer klein oppervlak de beheertypen van N 04.02 Dynamisch moeras en N 04.02 Zoete plas. Groter oppervlakken NNB-gebied liggen op grotere afstand van meer dan 2,5 kmhemelsbreed van het plangebied. Fig. Ligging ten opzichte van het meest nabije NNN-gebied. Het plangebied ligt binnen de rode cirkel. Groen: NNB-gebied provinciaal deel Oranje: NNB-gebied rijksdeel Bron: Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant

Beleidskader Interim omgevingsverordening NB §3.2.3 artikel 3.15 en 3.16 De Interim omgevingsverordening NB stelt in §3.23 artikel 3.16 lid 1 en 3, dat als een bestemmingsplan gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant leidt tot een aantasting van de wezenlijke ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water,

21

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant zijn vastgelegd in de beheertypenkaart en de ambitiekaart die de kern vormen van het Provinciaal Natuurbeheerplan. De ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van een gebied in het kader van natuurdoelen en -kwaliteit kunnen als volgt omschreven worden: areaal en processen, de waterhuishouding en waterkwaliteit, bodem, landschapsstructuren (b.v. openheid en beslotenheid) en kwaliteit van zaken als rust, stilte en donkerte.

Effectenbeoordeling NNN-gebied Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNN/EHS -gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan NNN-gebied is daarom geen sprake. De dichtstbijzijnde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Brabant (NNB) liggen op voldoende afstand om negatieve effecten met een korte reikwijdte als licht- en geluidsbelasting geheel uit te sluiten. Daar de nieuwe vergunning geen uitbreiding van het aantal bezoekers toestaat wordt geen verhoging van de publieksdruk op NNB-gebied verwacht ten opzichte van de huidige situatie. Conclusie Negatieve effecten zowel van tijdelijke aard in de uitvoerende fase als van meer permanent aard in de gebruiksfase kunnen op basis van aard, ligging en reikwijdte van de ontwikkeling uitgesloten worden. Aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken is niet aan de orde en daarmee geen noodzaak tot vervolgonderzoek.

22

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten Bronnenonderzoek en veldwaarnemingen Binnen de 1 km-straal vermelden de NDFF-gegevens geen beschermde vaatplanten. Binnen 1 tot 5 km-straal wordt de drijvende water weegbree vermeld. Tijden het veldbezoek werden binnen het plangebied uitsluitend verwilderde tuinplanten, algemene graslandplanten, onkruiden en ruigtekruiden waargenomen die men verwachten kan. Effectenbeoordeling Bescherming en voorkomen Een viertal inheemse plantensoorten zijn strikt beschermd middels bijlage 4 van de Habitatrichtlijn. Deze vaatplanten betreffen de drijvende waterweegbree, kruipend moerasscherm, groenknolorchis en zomerschroeforchis. De drijvende waterweegbree is als habitatrichtlijnsoort landelijk de minst zeldzame vaatplant en komt tamelijk wijdverspreid in de provincie Noord-Brabant voor. De soort is gebonden aan een hoogwaardige zachte waterkwaliteit van vennen en stromend water van kleine beken. Onder de nationale bescherming vallen 76 soorten vaatplanten waarvan de meeste uiterst zeldzaam zijn. Onder deze beschermingscategorie een hoog aandeel van zeldzame akkeronkruiden die als gevolg van de intensivering van de akkerbouw vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen zijn. In tegenstelling tot de voormalige Flora- en Faunawet zijn door de Wet natuurbescherming niet alle orchideeënsoorten meer beschermd.

Onder de nationale bescherming vallen zo’n 8 soorten die allen in de provincie Noord-Brabant uiterst zeldzaam of uitgestorven zijn. Effecten Het plangebied biedt niet de specifieke habitatvereisten als b.v. een hoogwaardig watermilieu, botanisch waardevol grasland, moeras en traditioneel graanakkerbeheer om beschermde soorten verwachten. De begroeiing is van een te algemeen soort om bijzondere botanische waarden te verwachten. Natuurlijke en duurzame standplaatsen van beschermde plantensoorten en van andere soorten die enige bijzondere botanische waarden vertegenwoordigen, kunnen ten gevolge van ligging en inrichting van het plangebied geheel uitgesloten worden. De nabijgelegen beek wordt op deze hoogte dusdanig intensief onderhouden dat de drijvende waterweegbree andere kwetsbare waterplanten weinig kans krijgen. Conclusie Negatieve effecten op beschermde plantensoorten en groeiplekken ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen uitgesloten worden.

4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) Bronnenonderzoek en waarnemingen Bronnenonderzoek De NDFF-gegeven vermelden binnen de 0-1 km-straal buiten vleermuizen de wolf als enige Habitatrichtlijnsoort. Binnen de 1-5 km-straal wordt de bever als habitatrichtlijn soort vermeld. Uit het middelzware beschermingsregiem van andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt vermelden de NDFF-gegevens binnen de 1 km-straal geen soorten. Binnen de 1-5 km-straal worden das, wezel en bunzing hermelijn en steenmarter als relevant soorten voor het plangebied vermeld. Waarnemingen Er werden tijdens het veldbezoek buiten molshopen geen waarnemingen van zoogdieren of sporen daarvan gedaan. Bescherming en voorkomen Onder de strikte Europese bescherming van de Habitatrichtlijn Wnb (§3.2) zijn niet alleen de verblijf- en voortplantingsplekken van een aantal zoogdieren beschermd maar ook de functionele leefomgeving voor het in stand houden daarvan. Onder deze bescherming vallen een aantal zeezoogdieren, die vanzelfsprekend binnenlands uitgesloten kunnen worden. Binnenlands kunnen als Europees beschermde zoogdieren wel bever, otter, noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen verwacht worden. De groep van vleermuizen wordt in een apart hoofdstuk behandeld.

23

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Voor soorten die onder de nationale bescherming vallen gelden ruimere mogelijkheden voor ontheffing en vrijstelling dan voorgaande categorie van strikt beschermde soorten. Een verbod tot verstoring, zoals dit vastgelegd is in §3.2 art.3.5 lid 4 voor zoogdiersoorten die vallen onder de Habitatrichtlijn is voor deze beschermingsgroep niet van toepassing. Dit impliceert daar de verblijfplekken alleen beschermd zijn tegen een directe fysieke aantasting en voor het functioneel leefgebied voor de instandhouding van de verblijfplekken, geen strikte bescherming geldt. Voor een aantal zeer algemene soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling en is alleen de zorgplicht van toepassing. Deze vrijstelling geldt o.a. kleine zoogdieren als bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel en grotere dieren als ree, vos, haas en konijn. Effectenbeoordeling Habitatrichtlijn Wnb §3.2 Uitgezonderd van vleermuizen ligt het plangebied in het algemeen te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van zoogdiersoorten waarvoor het strikte beschermingsregime van de Habitatrichtlijn geldt om deze te verwachten. De waarneming van de wolf binnen de directe omgeving kan als incidenteel beschouwd worden. Het plangebied ligt buiten het meer optimaal habitatgebied van deze soort die een zeer uitgestrekt landschapsgebruik kent.

Het plangebied bevat geen elementen die van belang kunnen zijn voor de bever. De aangrenzende beek toont en inrichting en beheer die de bever geen vestigingsmogelijkheden biedt. Hooguit zal deze beek als doortrekroute fungeren. Andere soorten Wnb §3.3 Op basis van de verspreidingsgegevens, habitatgebruik en landschapskenmerken kunnen met enige kans binnen de omgeving van het plangebied das, steenmarter en kleine marterachtigen als bunzing en wezel verwacht worden uit de middelzware beschermingscategorie van ‘Andere soorten’ waarvoor geen vrijstelling geldt. Het open landschap toont een inrichting waardoor vaste verblijfplekken van soorten van bos als eekhoorn en boommarter uitgesloten kunnen worden, hooguit kunnen waarnemingen zwervende en doortrekkende exemplaren betreffen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. De steenmarter laat gewoonlijk duidelijke sporen na als uitwerpselen, prooiresten, stank en krabsporen. Een bescherming zonder vrijstelling van kleine marterachtigen, als wezel, bunzing en hermelijn geldt sinds 2017 (bij ingang Wet natuurbescherming) binnen de provincies Noord-Brabant en Noord-Holland en wordt sindsdien steeds meer nagevolgd door andere provincies.

Kleine marterachtigen leiden een meer verborgen leven en zijn daarom moeilijker op te sporen tijdens een éénmalig veldbezoek. De bebouwing, inclusief de mestsilo, en andere zaken zover deze voldoende schuilgelegenheid bieden zijn intensief onderzocht op verblijf van marterachtigen. Op basis van het onderzoek kan de steenmarter uitgesloten worden. Kleine marterachtigen, in het bijzonder wezel en bunzing, kunnen minder direct uitgesloten worden. De veestallen bieden de beste de mogelijkheden; de overige bebouwing is te gecontroleerd in gebruik om verblijfplekken met enige kans te verwachten. Binnen de te slopen bebouwing (no 8 en 9) achter de grote stal (no.10) kunnen deze geheel uitgesloten worden. Deze bevatten geen inventaris en hoekjes die schuilgelegenheid bieden. De stal zelf (no.10) en een aanbouw (no.7) blijven intact. De andere stal (no.2) die grotendeels gesloopt wordt is te intensief in gebruik voor verschillende doeleinden om onverstoorde en onopgemerkte verblijfsmogelijkheden te bieden. Het terrein rond de bebouwing bevat buiten de siertuin rond woning weinig zaken als dichte begroeiing, puinbergen en houtstapel waar marters onverstoord langdurig kunnen blijven. De siertuin valt buiten de ingrepen.

Tijdens het veldbezoek werd onvoldoende aanleiding gevonden om vervolgonderzoek te adviseren; ook voldoet het plangebied niet aan de afmeting van minimaal 1 ha aan functioneel leefgebied die de overheidsuitgave ‘Handreiking kleine marterachtigen’ (uitgave Bij 12) stelt om nader onderzoek naar kleine marterachtigen te verantwoorden. Echter in een omgeving als onderhavige kan nooit helemaal uitgesloten worden dat kleine marterachtige foeragerend of schuilend op het erf aangetroffen kunnen worden. Mocht dit het geval zijn dan dient de zorgplicht in acht worden genomen om de dieren niet te verwonden en veilige vluchtwegen bieden. Verblijfplekken van das kunnen op basis van hun zichtbaarheid geheel uitgesloten worden voor het gehele plangebied.

24

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

Een nationale bescherming met vrijstelling geldt voor een aantal algemene zoogdieren die in de meeste gevallen als uitgesproken cultuurvolger gelden. Uit deze beschermingscategorie kunnen in het bijzonder binnen de bebouwde omgeving in het algemeen een aantal kleine zoogdiersoorten als gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel verwacht worden. Deze zullen zich voornamelijk ophouden op terreindelen waar voldoende schuilgelegenheid is in bebouwing en beschutting door groen. Voor alle genoemde soorten dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen bij het aantreffen daarvan. Voor de bosmuis, veldmuis en huisspitsmuis geldt deze zorgplicht niet bij het aantreffen van in bebouwing. Conclusie Negatieve effecten op verblijfplekken van overige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt worden binnen de invloedsfeer van de ingrepen niet verwacht, noch aantasting van beschermd functioneel leefgebied voor de instandhouding van jaarrond beschermde verblijfplekken Kleine beschermde zoogdieren waarvoor een vrijstelling en alleen de zorgplicht geldt, als huisspitsmuis, egel, veldmuis en bosmuis, kunnen nooit geheel uitgesloten worden. Voor deze soorten en dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen. .

4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) Bronnenonderzoek en waarneming Bronnenonderzoek De NDFF-gegevens melden binnen de 1 km-straal laatvlieger, gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis vermeldt. Binnen de 1-5 km worden meerdere vleermuissoorten vermeld waaronder rosse vleermuis, bosvleermuis, franjestaart en baardvleermuis. Waarneming Het onderzoek vond plaats op een tijd van de dag en een tijd van het jaar waarop vleermuizen niet actief zijn. Tijdens het veldbezoek kon daarom alleen onderzoek gedaan naar verblijvende vleermuizen, verblijfssporen, verblijfsmogelijkheden en naar de algehele gebiedsgeschiktheid voor vleermuizen. Er werden geen verblijvende vleermuizen geconstateerd, noch verblijfssporen. Tijdens de veldbezoeken wordt onderzoek gedaan naar verblijfplekken, verblijfssporen en verblijfsmogelijkheden in en aan bebouwing en bomen. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen in het algemeen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. In bomen kan verblijf gevonden in holtes, gaten en diepe spleten en achter loshangende schors. Tijdens inspecties op zicht worden zelden verblijvende vleermuizen aangetroffen. Ook sporen die wijzen op vleermuizenverblijf zijn meestal schaars.

De verblijfplekken worden meestal ontdekt op basis van het gedrag van vleermuizen na het verlaten van de verblijfplek. Hiervoor is uitgebreider onderzoek nodig tijdens de uren dat vleermuizen actief zijn

Bescherming Alle in Nederland voorkomende vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese habitatrichtlijn en zijn daardoor op Europees niveau beschermd. Deze bescherming betreft ook de vaste rusten verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan:” het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Vleermuizen onderhouden verschillende type verblijfplekken als paarverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en zomerverblijven. Voor de staat van instandhouding van de lokale populatie van de soort zijn de kraamverblijven en de grote winterverblijven van het grootst belang. In gebruik van paarverblijven zijn vleermuizen het meest flexibel. In de loop van het seizoen wisselen vleermuizen regelmatig van verblijfplaats waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste routes tussen de verblijfplekken. Eveneens tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen onderhouden vleermuizen vaste routes. Bij het gebruik van deze routes oriënteren vleermuizen zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen en houtwallen. Dit gehele systeem van verbindingsroutes en foerageergebieden die het functioneren van de verblijfplaatsen voor hun specifieke functies mogelijk maakt wordt de functionele leefomgeving genoemd.

Ingrepen binnen de functionele leefomgeving die het functioneren van de verblijfplaatsen aantasten worden door de wetgever gelijkgesteld aan de aantasting van verblijfplekken zelf. In deze zin is de functionele leefomgeving even strikt beschermd als de verblijfplekken.

Effectenbeoordeling Verwachtingskans

25

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuis in Nederland die vrijwel overal binnen de bebouwde omgeving voorkomt en vrijwel zeker ook binnen of nabij het plangebied zal foerageren. De meeste waarnemingen hebben betrekking op deze soort. De omgeving is minder geschikt voor soorten van het besloten landschap als de gewone en grijze grootoorvleermuis. Verwacht kan worden dat de laanbomen van de Beliënberkdijk een belangrijke functie als trek- en foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Naast de gewone dwergvleermuis kan hier ook de rosse vleermuis verwacht worden, een specifiek bewoner van holten in bomen en daardoor voor zijn verblijfplekken afhankelijk van oude bomen van lanen, bossen en stadsparken. De beek die aan de zuidkant van het plangebied stroomt kan en functie vervullen als trek- foerageerroute voor watervleermuis en ruige dwergvleermuis. Verblijfplekken De beste verblijfsmogelijkheden op het erf is te vinden aan de noordelijk kopgevel van de grote stal (no.10) ter hoogte van de aanbouw (no.7) aldaar. De betreft een houten bekisting langs de dakranden van de kopgevel van de grote stal. De kopgevel met bekisting ligt grotendeels onder de beschutting van de kap van de aangebouwde open stalruimte (no.7).

Ook door meerdere vogelsoorten (huismus) is deze ruimte in gebruik, waarbij de vraag gesteld kan worden in hoeverre deze verstorend kunnen werken op verblijvende vleermuizen. Het dak van de woning bevat aanvliegbare dakpannen; echter de dakkap is recent vernieuwd en mogelijk nog niet in gebruik genomen door vleermuizen. Deze onderdelen van de bebouwing vallen buiten de voorgenomen ingrepen. De bebouwing die voor sloop in aanmerking komt werd als weinig geschikt voor verblijf beoordeeld. De mestsilo (no.8) en de aanliggende uitbouw (no.7) van de grote stal werd als geheel ongeschikt beoordeeld. Onder de dakbekleding van golfplaten van de zowel de stal die gesloopt wordt en de stal die in gebruik blijft, ontbreken onderliggende afgesloten beschutting biedende verblijfsruimten door afwezigheid van dakbeschot of isolatiebekleding. Het materiaal van de golfplaten waarmee de daken bekleed zijn biedt tevens te weinig buffering tegen temperatuurextremen om vleermuizen geschikt verblijf direct onder de golfplaten te bieden. Binnenpands ontbreken bij beide stallen weinig geschikte donkere verblijfplekken tussen balken e.d. en is de lichtinval over het algemeen groot. Aan de buitengevels ontbreekt geschikt betimmering en andere gevelbekleding die enige bijzondere geschiktheid voor verblijf biedt. Er ontbreken spouwruimten die toegankelijk zijn.

De algemene ervaring is dat in veestallen vrijwel zelden vleermuizen verblijven, wat te maken kan hebben dat stallen veelal een verhoogde stand aan ongedierte bevatten en geen veilige buiten het bereik van ongedierte hooggelegen verblijfmogelijkheden bieden. Ongedierte, maar ook roofdieren (marters, huiskatten), kunnen vleermuizen aanknagen of predateren. Leefgebied Het plangebied bevat schaars groen en ligt binnen een open landschap dat arm is aan hoog opgaande en beschutting biedende groenstructuren. Van de laanbomen van de Beliënberkdijk kan verwacht worden dat deze binnen deze omgeving de belangrijkste trek en foerageerroute voor vleermuizen is. Voor soorten die boven of langs waters trekken kan de beek van belang zijn. Verwacht kan worden dat soorten die langs de laanbomen trekken ook op het erf foerageren, daar het vee de nodige insecten waarop vleermuizen predateren aantrekken. De achterliggende graslanden worden van weinig tot geen belang als foerageergebied geacht wegens gebrek aan beschuttende elementen. De nieuwe groene inrichting zoals die voorgenomen is zal al snel een verbetering van dit leefgebied betekenen, in het bijzonder door de aanplant van houtstructuren. De ingrepen hebben geen betrekking op de laanbomen van de Beliënberkdijk waardoor aantasting van groenstructuren die van essentieel belang zijn als trek en foerageerroute uitgesloten kan worden.

Conclusie Verblijfplekken van vleermuizen binnen of aan de bebouwing die gesloopt wordt, worden niet verwacht. Elders zijn er wel beperkte verblijfsmoglijkheden, waarvoor mitigatie tijdens de uitvoerende werkzaamheden dient worden geboden voor het geval dat deze benut worden. Het foerageergebied binnen het plangebied is hooguit van een zeer matige kwaliteit. Aantasting van essentieel foerageergebied of van structuren die van belang zijn als trek en foerageerroute kan uitgesloten worden. De voorgenomen nieuwe groene inrichting kan al snel een verbetering van het leefgebied van vleermuizen betekenen ten opzichte van de huidige situatie.

4.3.4 Vogels Bescherming algemeen Alle vogels zijn Europees beschermd door middel van de Vogelrichtlijn. In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat

26

Ecologische quickscan – Herontwikkeling Beliënberkdijk 42 te Someren

erom of er een broedgeval aanwezig is. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen strikt beschermd (zie overzicht hieronder). Voor een verdere toelichting zie ook bijlage2.

Bescherming categorieën Soorten uit categorieën 1, 2, 3 en 4, verblijfplekken altijd jaarrond beschermd). Nesten jaarrond beschermd, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Soorten: Boomvalk, Buizerd, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart, Havik, Huismus, Kerkuil, Oehoe, Ooievaar, Ransuil, Roek, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Wespendief en Zwarte wouw Soorten uit de categorie 5, jaarrond bescherming verblijfplekken optioneel Soorten: Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Bosuil, Brilduiker, Draaihals, Eidereend, Ekster, Gekraagde roodstaart, Glanskop, Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Grote bonte specht, Hop, Huiszwaluw, IJsvogel, Kleine bonte specht, Kleine vliegenvanger, Koolmees, Kortsnavelboomkruiper, Oeverzwaluw, Pimpelmees, Raaf, Ruigpootuil, Spreeuw, Tapuit, Torenvalk, Zeearend, Zwarte kraai, Zwarte mees, Zwarte roodstaart en Zwarte specht. Overige soorten: verblijfplekken alleen beschermd indien sprake is van een daadwerkelijk broedgeval Soorten: overige soorten

Bronnenonderzoek en waarnemingen Bronnenonderzoek De NDFF-gegevens melden uit de strikte beschermingscategorie binnen de 1 km-straal torenvalk, kerkuil en huismus als soorten die verblijf in bebouwing onderhouden (of in het geval van de torenvalk kunnen onderhouden). Als soorten uit de strikte beschermingscategorie die in bomen broeden worden binnen de 1 km-straal rond het plangebied buizerd, sperwer, havik en boomvalk vermeld. Waarnemingen Waarnemingen betroffen veel huismussen in het groen op en rond het erf en een aantal algemene tuinvogels als merel, koolmees, ekster en roodborst. In de verschillende stalruimte werden nesten boerenzwaluw, rots(stads)duif en huismus vastgesteld. De witte kwikstaart mogelijk als broedvogel in de stallen. Effectenbeoordeling Voor soorten uit de beschermingscategorie 1,2,3 en 4 zijn niet alleen de nesten, maar ook de rust en andersoortige verblijfplekken als rust- en winterverblijven jaarrond beschermd. Ook bij tijdelijke afwezigheid geldt deze bescherming. Deze bescherming geldt niet alleen tegen de directe fysieke aantasting van de verblijfplekken maar ook tegen de verstoring daarvan. De bescherming geldt tevens het functionele leefgebied voor de instandhouding van de verblijfplekken, zoals essentieel foerageergebied en trek- en verplaatsingsroutes.

Voor categorie 5 is deze bescherming optioneel indien de instandhouding van de soort bedreigd wordt, b.v. door gebrek aan nestgelegenheid. Voor de categorie overige vogels geldt de bescherming alleen als er daadwerkelijk sprak is van een broedgeval. Verblijfplekken in bebouwing (categorie 1,2,3 en 4) Uit deze zwaarste (strikte) beschermingscategorie vallen een aantal soorten die als uitgesproken cultuurvolgers gelden en voor hun verblijfsmogelijkheden geheel afhankelijk van bebouwing zijn. Binnen een landelijke omgeving met kleinschalige bebouwing betreffen dit huismus, kerkuil en steenuil. Deze soorten zullen het grote oppervlak aan landbouwgronden vermijden en zich verplaatsen en voedsel zoeken binnen de beschutting van de bebouwde linten en langs groenstructuren. Gierzwaluw en slechtvalk kennen een breder landschappelijk gebruik en prefereren een meer stedelijk gebied voor vestiging van hun verblijfplekken. -Huismus Tijdens het veldbezoek werden in de scheerhagen rond de woning en in de boom naast de woning en aansluitend in de wegbomen van Beliënberkdijk een hoge activiteit van huismussen waargenomen. Ook binnen de stallen (10, 7, 8) werden enkele waarnemingen gedaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14966269/1