Toelichting - bijlage 6 Onderbouwing Steemerstseweg ong incl bijlagen
Tekst van het document
Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied (1% letaal) van de aardgasleiding A-585-KR. Op grond van artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient er een berekening van het groepsrisico te worden gemaakt (QRA) in het rekenprogramma Carola. De rapportage van deze berekening d.d. 4 januari 2021 met rapportnummer 222-LSt-ev-v1 is als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Navolgend is de conclusie uit de rapportage weergegeven:
Crijns Rentmeesters bv
28
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
“Ten aanzien van de ontwikkelingen in het plangebied en de risico’s van de ondergrondse gasleidingen, kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanprocedure uit oogpunt van de externe veiligheid. Ter plaatse van het plangebied liggen de 10-6 contouren op de leidingen zelf. Verantwoording van het groepsrisico is voor het plan niet noodzakelijk.”
5.4.4.3
Hoogspanningslijnen
Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Aan de zuidoostzijde van de gemeente Someren, parallel aan de gemeentegrens met Asten, bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van circa 1 kilometer van het projectgebied en vormt daarmee geen risico voor de beoogde herontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
29
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
5.5
Agrarische bedrijvigheid Inleiding
Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -
Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).
-
Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.
Geurverordening gemeente Someren De Wet geurhinder en veehouderij biedt middels artikel 6 de mogelijkheid aan gemeenten om bij verordening, binnen gestelde marges, afwijkende normen vast te stellen. Door de gemeenteraad van de gemeente Someren is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2010’ vastgesteld. De ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij 2010’ stelt een norm van 14 oue/m³ voor de maximale voorgrondbelasting voor het projectgebied. Tevens heeft de gemeenteraad vastgesteld dat er sprake dient te zijn van een achtergrondbelasting van maximaal 20 oue/m³ voor het buitengebied. Voor een voormalig agrarische bedrijfswoning geldt een maximum achtergrondbelasting van 28 oue/m³.
Veehouderijen in omgeving In de omgeving van het projectgebied zijn vier veehouderijbedrijven gelegen: -
Achterbroek 7 (zeugen)
-
Verhagenstraat 18 (melkrundvee)
-
Verhagenstraat 4 (melkrundvee)
-
Verhagenstraat 2 (zeugen)
Deze vier veehouderijen zijn allen op een afstand van minstens 50 meter tot het projectgebied gelegen. Op de veehouderijen gelegen aan Verhagenstraat 4 en 18 worden dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriele regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Derhalve dient ten aanzien van deze veehouderijbedrijven een vaste afstand aangehouden te worden van ten minste 50 meter tot een geurgevoelig object. De beoogde herontwikkeling is in het kader van de vaste afstanden ten aanzien van de veehouderijen aan Verhagenstraat 4 en 18 derhalve geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
30
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
Woon- en leefklimaat 5.5.4.1
Inleiding
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het projectgebied inzichtelijk gemaakt.
5.5.4.2
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de voorgrondbelasting en het leefklimaat weergeeft. Voorgrondbelasting ≤1
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5
Zeer goed
1,5 - 3
5 - 10
Goed
4-6
10 - 15
Redelijk goed
7-9
15 - 20
Matig
10 - 13
20 - 25
Tamelijk slecht
14 - 18
25 - 30
Slecht
19 - 24
30 - 35
Zeer slecht
≥ 25
35 - 40
Extreem slecht
Aangezien niet op voorhand voldoende duidelijk is welke veehouderij de dominante veehouderij betreft, Achterbroek 7 of Verhagenstraat 2, is met behulp van het programma V-Stacks Vergunning de voorgrondbelasting van beide veehouderijen op het projectgebied berekend. Als emissiepunt van de veehouderijen is de dichtstbijzijnde hoek van de stallen gehanteerd. De depositiepunten betreffen de hoeken van het projectgebied. De resultaten van de berekening zijn navolgend weergegeven:
Crijns Rentmeesters bv
31
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van het projectgebied sprake van een ‘matig’ woon- en leefklimaat, met een voorgrondbelasting van maximaal 9,8 oue/m³.
5.5.4.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat weergeeft. Achtergrondbelasting
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
≤3
<5
Zeer goed
3–7
5 - 10
Goed
7 – 13
10 - 15
Redelijk goed
13 – 20
15 - 20
Matig
20 – 28
20 - 25
Tamelijk slecht
28 - 38
25 - 30
Slecht
38 -50
30 - 35
Zeer slecht
≥ 50
35 - 40
Extreem slecht
Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum februari 2021) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het projectgebied met een paarse cirkel is aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
32
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
Figuur 9: Uitsnede kaart achtergrondbelasting (ODZOB)
Op basis van de achtergrondbelasting is ter plaatse van het projectgebied in de huidige situatie sprake van een ‘redelijk goed’ tot ‘goed’ woon- en leefklimaat met een achtergrondbelasting van 313 oue/m³.
5.5.4.4
Conclusie
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Gemiddeld genomen zal binnen het projectgebied de voorgrondbelasting bepalend zijn voor de hinder. Op basis van de voorgrondbelasting is ter plaatse van het projectgebied sprake van een ‘redelijk goed’ en daarmee aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Herontwikkeling van de locatie is in het kader van het woon- en leefklimaat geen bezwaar.
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De beoogde ontwikkeling mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Ter plaatse van de omliggende veehouderijen in de omgeving van het projectgebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren 2014’ van kracht. Veehouderijen hebben in dit bestemmingsplan de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’. In de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat voor deze veehouderijen geldt dat: “Ter plaatse van de aanduidingen ‘veehouderij’ en ‘beperkingen veehouderij’ is de bebouwing voor een veehouderij ten hoogste van een zodanige omvang dat deze overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een veehouderij welke op 21 september 2013 aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een voor 21 september 2013 ingediende volledige en ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.”
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
De ontwikkeling van de woningbouwlocatie belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen niet. Deze ontwikkelingsmogelijkheden zijn immers reeds begrenst in het vigerende bestemmingsplan.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
5.6
Gezondheid Endotoxine
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.
Deze
notitie
haakt
in
op
de
lopende
ontwikkeling
van
het
landelijke
endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van endotoxine contouren. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze endotoxinekaart waarop het projectgebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 10: Endotoxinecontouren in de omgeving van Steemertseweg ong. te Lierop
Het
projectgebied
is
niet
gelegen
binnen
de
contouren
van
omliggende
intensieve
veehouderijbedrijven. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van endotoxine dan ook geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
Geitenhouderijen Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Binnen een straal van 2 kilometer rondom het projectgebied zijn geen bedrijven gelegen waar geiten worden gehouden. Herontwikkeling van het projectgebied is in het kader van het aspect ‘geitenhouderijen’ dan ook geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
5.7
Bedrijven en milieuzonering Inleiding
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.
Niet-agrarische bedrijvigheid in omgeving projectgebied In de omgeving van het projectgebied zijn een tweetal niet-agrarische bedrijven gelegen. Dit betreffen de locaties Kerkenhuis 2 en Steemertseweg 12. Navolgende tabel geeft een overzicht van de bedrijvigheid op de betreffende locaties. Adres
Bedrijvigheid
Milieucategorie
Aan te houden
Werkelijke
afstand
afstand
Kerkenhuis 2
Recreatiebedrijf
3.1
50 meter
180 meter
Steemertseweg 12
Autoherstelinrichting
2
30 meter
220 meter
Kerkenhuis 4
Motorcrossterrein
5.1
500 meter
500 meter
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de bedrijvigheid in de omgeving geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Wat betreft het motorcrossterrein is door de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant een geluidrapport d.d. 28 mei 2019 opgesteld. Uit deze rapportage blijkt dat het projectgebied niet binnen de geluidcontour van het motorcrossterrein gelegen is en het aannemelijk is dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het projectgebied.
Niet-agrarische bedrijvigheid binnen projectgebied Er wordt geen bedrijvigheid binnen het projectgebied beoogd. De beoogde ontwikkeling is in het kader van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
5.8
Natuur en ecologie Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
Gebiedsbescherming 5.8.2.1
Inleiding
In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Het meest dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het natuurgebied ‘Strabrechtse Heide en Beuven’. Dit Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 3 kilometer meter ten westen van het projectgebied. De Strabrechtse Heide bestaat grotendeels uit glooiend dekzandlandschap, met daarnaast een deel stuifzandlandschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een afwisseling van droge stukken met heide (deels op voormalig stuifzand), kleine stuifzanden en laagtes met natte heide en vennen. In het oosten van het gebied ligt het Beuven, het grootste ven van Nederland.
De omringende bossen van het gebied bestaan vooral uit grove dennen. Aan de noordwestkant van het gebied ligt het beekdal van de Kleine Dommel, met alluviale bossen, wilgenstruweel, moerasruigten en vochtige schraallanden. Het gebied Strabrechtse Heide & Beuven is primair als Habitatrichtlijngebied begrensd vanwege de aanwezigheid van de navolgende habitattypen: 2310: Psammofiele heide met Struikhei (Calluna) en Stekelbrem (Genista);
3110: Mineraalarme oligotrofe wateren van de Noord-Atlantische zandvlakten met oeverkruidvegetatie (Littorelletalia uniflorae);
3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot de Oeverkruidorde (Littorelletalia uniflorae) en/of Dwergbiezen-klasse (Isoëto-Nanojuncetea).
Daarnaast is het gebied aangemeld voor de volgende habitattypen en -soorten: 2330: Open grasland met Buntgras en Struisgrassoorten (Corynephorusen Agrostis-soorten) op landduinen;
4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei (Erica tetralix);
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
91E0: Alluviale bossen met Zwarte els (Alnus glutinosa) en Es (Fraxinus excelsior) (AlnoPadion, Alnion incanae, Salicion albae);
1831: Drijvende waterweegbree.
Vanuit de Vogelrichtlijn is het gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ voor drie soorten nietbroedvogels aangewezen als beschermd gebied, te weten: A021: Roerdomp;
A022: Woudaap;
A127: Kraanvogel.
Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting.
5.8.2.2
Potentiële externe effecten, niet zijnde stikstof
Gezien de afstand van het projectgebied tot het Natura 2000-gebied zal er geen sprake zijn van oppervlakteverlies,
verontreiniging,
optische
verstoringen,
geluids-
en
lichtverstoring
of
mechanische effecten op het Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’.
5.8.2.3
Stikstof
In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Met Aerius Calculator wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000gebieden als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling berekend. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met Aerius Calculator een Aerius-berekening uitgevoerd. De onderzoeksrapportage d.d. 14 maart 2022 is als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Navolgend zijn de conclusies en advies uit de onderzoeksrapportage weergegeven: “Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende emissie in de gebruiksfase leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar.
Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en is het plan/project geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen bestemmingsplanprocedure
van gelden
Natura vanuit
het
2000-gebieden. aspect
Voor
de
stikstofdepositie
geen
belemmeringen. Een vergunningsplicht Wet natuurbescherming is bovendien niet aan orde.” Uit de onderzoeksrapportage blijkt dat er vanuit het aspect ‘stikstof’ geen belemmeringen bestaan voor de herontwikkeling van de locatie.
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Het projectgebied is thans geheel in gebruik als bouwland en kent daarmee een intensief gebruik. Verwacht wordt dat enkele algemene voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijn, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen binnen het projectgebied.
De kans op het voorkomen van broedende vogels of rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is alleen aanwezig in de omgeving van het projectgebied. Het is mogelijk dat (roof)vogels en vleermuizen op een andere manier gebruik maken van het projectgebied, bijvoorbeeld als foerageergebied. Het eventueel aantasten van het foerageergebied zal gezien de omvang van de ontwikkeling geen negatieve invloeden uitoefenen op het leefgebied van (roof)vogels en vleermuizen en er is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving van het projectgebied. Geconcludeerd kan worden dat de betekenis van het projectgebied voor flora en fauna vanwege het intensieve gebruik en het ontbreken van rust- en verblijfsplaatsen voor vleermuizen en (roof)vogels zeer gering is. Middels de beoogde herontwikkeling worden dan ook geen negatieve effecten verwacht op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en hun leefgebied.
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
5.9
Archeologie Inleiding
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet betreft één integrale wet die betrekking heeft op archeologie (op het land en onder water), museale objecten, musea en monumenten. Het uitgangspunt van de Erfgoedwet is een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed. Voor wat betreft de archeologie staat hierin het verdrag van Malta (Valetta) en de uitwerking hiervan in de voormalige Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) centraal. Met de invoering van de Wamz in 2007 hebben gemeenten veel meer bevoegdheden gekregen inzake beheer en behoud van archeologische (rijks)monumenten en overige archeologische (verwachtings)waarden, deze bevoegdheden zijn in de Erfgoedwet behouden. Om een goede uitvoering te geven aan deze bevoegdheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden hebben de meeste gemeenten archeologiebeleid ontwikkeld.
Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Someren heeft in het kader van de Wamz een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’. In deze nota zijn enerzijds de gemeentelijke ambities en opgaven op het gebied van de economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, infrastructuur en dergelijke, en anderzijds het behoud en beheer van het gemeentelijk bodemarchief toegelicht en uitgewerkt. Onderdeel van de ‘Nota Archeologiebeleid gemeente Someren’ is de ‘Archeologiekaart van Someren’. Hierna is een uitsnede van deze beleidskaart weergegeven waarop de ligging van het projectgebied met een rode cirkel is aangeduid.
Figuur 11: Uitsnede Archeologiekaart gemeente Someren
Het projectgebied is op de ‘Archeologiekaart van Someren’ aangeduid als een locatie in een categorie 7 gebied. Dit zijn gebieden zonder een archeologische verwachting (verstoord, opgegraven, dan wel op andere wijze vrij van archeologie). Op deze gebieden zijn geen ondergrenzen of een omgevingsvergunning van toepassing.
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
5.10
Cultuurhistorie
Het ruimtelijk erfgoed binnen de provincie Noord-Brabant wordt weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Het projectgebied is op de CHW aangeduid als ‘Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang)’, ‘Archeologische landschappen (Provinciaal cultuurhistorisch belang)’ en ‘Cultuurhistorische landschappen (Provinciaal cultuurhistorisch belang)’. De betreffende regio betreft ‘Peelrand’. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Het archeologisch landschap betreft ‘Dekzandeiland Asten-Deurne’. Dit landschap bestaat uit de met oude bouwlanden en stuifduinen bedekte dekzandeilanden van Asten, Deurne, Vlierden en Milheeze. De eilanden worden van elkaar gescheiden door de beken de Astensche Aa, Oude Aa en Kaweische loop. In het noorden wordt de grens gevormd door het beekdal van de Esperloop, in het zuiden door het beekdal van de Aa.
De genoemde beekdalen ontspringen op de oostelijker gelegen Peelhorst. Het cultuurhistorisch landschap betreft ‘Dommeldal’. Dit betreft een samenhangend en relatief gaaf oud zandlandschap met beekdalen, akkercomplexen, landgoederen, woeste gronden en jonge ontginningen. Aan het projectgebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden toegekend. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding.
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
5.11
Water Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het projectgebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.
Beleidskader 5.11.2.1
Waterbeheerplan 2016-2021
In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van 4 programma’s: 1.
Veilig en Bewoonbaar beheergebied: Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen.
2.
Voldoende water en Robuust watersysteem: Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate
en
duurzame
watervoorziening
in
ons
beheergebied
voor
de
diverse
gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3.
Gezond en Natuurlijk water: Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten.
4.
Schoon water: Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen.
5.11.2.2
Keur waterschap Aa en Maas 2021
Voor waterhuishoudkundige ingrepen ter plaatse van het projectgebied is de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2021’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het projectgebied is niet in een Keurgebied gelegen.
5.11.2.3
Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt of er sprake is van afkoppelen. Deze uitgangspunten zijn op 26 maart 2021 geactualiseerd onder de titel ‘Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt staan de waterschappen onderstaande voorkeursvolgorde voor, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1.
hergebruik
2.
vasthouden / infiltreren
3.
bergen en afvoeren
4.
afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect)
5.
afvoeren naar de riolering
De waterschappen vragen aan initiatiefnemers deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Omdat niet alle plannen een door het waterschap goedgekeurd waterparagraaf hebben, ziet het waterschap de noodzaak een grens te benoemen. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen of afgekoppeld verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine
plannen.
Hoewel
er
relatief
veel
kleine
plannen
zijn
veroorzaken
deze
op
deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Het gaat dan om plannen met een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m² tot en met 10.000 m². Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³).
5.11.2.4
VGRP Someren 2021-2025
In het ‘verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025’ (vGRP 2021-2025) is voor een periode van vijf jaar het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Someren vastgelegd. Het vGRP 2018-2022 is vastgesteld door de raad op 20 december 2017. Algemeen uitgangspunt qua waterbeleid is dat de verbeteringen en optimalisaties die de afgelopen jaren in de riolerings- en waterbergingszorg zijn ingezet, worden doorgezet in de komende planperiode. De gemeente Someren wil daarbij op de meest doelmatige manier invulling geven aan het beheer en onderhoud. Ook in Someren is de landelijke trend zichtbaar dat bewoners en bedrijven voor- en achtertuinen (steeds meer) verharden. Hierdoor wordt extra verhard oppervlak op de riolering aangesloten, waardoor afkoppelinspanningen van de gemeente deels te niet worden gedaan. De gemeente heeft dan ook de ambitie om bewoners en bedrijven te stimuleren het regenwater zoveel mogelijk op eigen perceel vast te houden. Naast dat dit het hydraulisch functioneren van de riolering ten goede komt draagt het o.a. bij aan het bestrijden van verdroging, ondersteunen van biodiversiteit en het tegengaan van hittestress.
Hemelwaterafvoer na herontwikkeling 5.11.3.1
Bodem en grondwater
Het projectgebied bestaat uit eerdgronden; voedselrijk en vochtig tot droog. De maaiveldhoogte ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa NAP +22 meter. De GHG ter plaatse van het projectgebied bedraagt 100-140 cm-mv.
5.11.3.2
Benodigde infiltratiecapaciteit
Binnen het projectgebied wordt één Ruimte voor Ruimte woning beoogd. Deze woning heeft een toename van verhard oppervlak van circa 400 m² tot gevolg, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding rondom de woning. Voor het projectgebied dient bij een verwachte toename van het verhard oppervlak van 400 m² zorggedragen te worden voor (400 x 0,06) = 24 m³ aan berging ten behoeve van regenwater.
5.11.3.3
Hemelwaterafvoer
In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woning en bijgebouw(en) worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratie transportriool. Dit infiltratieriool dient boven de GHG te worden aangelegd. Vanuit dit transportriool zal het hemelwater worden afgevoerd naar een bergingsvoorziening. Hierbij kan gedacht worden aan een infiltratieveld, een zaksloot of een grindkoffer. Ook de bergingsvoorziening zal boven de GHG worden gerealiseerd.
5.11.3.4
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden
Crijns Rentmeesters bv
45
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het projectgebied wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Indien het rioolstelsel ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient te worden aangepast, dan worden deze kosten verhaald op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt eveneens zorg voor de aansluitingskosten.
Crijns Rentmeesters bv
46
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
5.12
Besluit milieueffectrapportage Inleiding
De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een mer moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een mer te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarden dient een mer te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een mer nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarden uit lijst D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit mer dient een vormvrije mer-beoordeling plaats te vinden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit mer in werking getreden. In dit besluit is de vormvrije merbeoordeling voor activiteiten uit lijst D, ook beneden de grenswaarden, vervangen door de merbeoordelingsplicht.
Toets beoogde ontwikkeling Het toevoegen van woningen is opgenomen op de lijst D onder 11.2 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (201807060/1/R1) blijkt dat de ontwikkeling van twee woningen niet aangemerkt wordt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte woning is dan ook niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt dan ook niet voor op lijst D van het Besluit mer. In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een vormvrije merbeoordeling dan ook niet aan de orde.
Crijns Rentmeesters bv
47
Ruimtelijke onderbouwing - Steemertseweg ong. - gemeente Someren
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Someren zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg
In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt deze ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van het bestemmingsplan aangeboden aan de vooroverlegpartners.
Zienswijzen In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt deze ruimtelijke onderbouwing als onderdeel van het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd vast te stellen.
Crijns Rentmeesters bv
48
VERBEELDING BEHORENDE BIJ RUIMTELIJKE ONDERBOUWING - 'STEEMERTSEWEG ONG' - GEMEENTE SOMEREN
LEGENDA !
!
!
!
!
!
!
BESTEMMINGEN
129 9
AW-LW Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
V
! ! !
!
!
!
!
!
!V !V ! V ! V!
! V
!
V (sg-li) V
! V
V
V
V
V
V
!V !V ! V ! V!
V
V
! V
V
V
!V
!
!
!
V
V
! V!
V
!
!
!
kadastrale ondergrond
!
129 8
V
VERKLARINGEN
!
AW-LW
V
V V (sg-li) specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing
!
W
Wonen
AANDUIDINGEN
V
! V
!
! V!
!V
! V
! V!
!
V
V! ! V !(sg-li) !V ! V
!V ! V
!
!
W
! V
Plangebied
!V
589
650
0
15
30
60 Meters 1:1.000
±
LANDSCHAPPELIJKE INPASSING BEHORENDE BIJ RUIMTELIJKE ONDERBOUWING - 'STEEMERTSEWEG ONG' - GEMEENTE SOMEREN
BEPLANTING
gW gW gW g Vrijgroeiende haag W 1
Breedte: 3,5 meter Lengte: 80 meter Aantal: 1 stuks per 2 meter Plantverband: enkele rij of kruisverband Soort: Meidoorn (Crataegus) Maat: 60-80
gW gW gW g Vrijgroeiende haag W
g gW gW gW gW W g W g W g W g W g W g gW gW gW g1W W g W g W g W g W g W g gW gW gW gW gW W
2
Breedte: 3,5 meter Lengte: 80 meter Aantal: 1 stuks per 2 meter Plantverband: enkele rij of kruisverband Soort: Meidoorn (Crataegus) Maat: 60-80
g gW gW gW gW g g W W g W g W 2W g W g g W W g W g W g g W g W g g W W g W g W g gWW gW gW gW W
0 Esri Nederland, beeldmateriaal.nl
15
30
60 Meters 1:1.000
±
ACTUALISEREND BODEMONDERZOEK (INCL. ASBEST) STEEMERTSEWEG ONG. (PERCEEL O, NR. 1203) TE LIEROP
Rapportage actualiserend bodemonderzoek (incl. asbest) Steemertseweg ong. (perceel O, nr. 1203) te Lierop Opdrachtgever
Gemeente Someren Postbus 290 5710 AG Someren
Rapportnummer Versienummer
4383.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
29 juni 2017
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
ing. J.C.J. Linders
Paraaf
Kwaliteitscontrole
dr. ir. P.J.M. Middeldorp
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadviesen -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteitssysteem, zoals beschreven in het kwaliteitshandboek. Ons kwaliteitssysteem is gecertificeerd volgens de kwaliteitsborgingsnormen van de NEN-EN-ISO 9001:2008. Betrouwbaarheid Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast betreft het bodemonderzoek een momentopname. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt.
In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
VOORONDERZOEK................................................................................................................... 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11
Geraadpleegde bronnen ................................................................................................... 1 Afbakening onderzoekslocatie vooronderzoek ................................................................. 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................... 2 Calamiteiten ...................................................................................................................... 3 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ........................................ 3 Belendende percelen/terreindelen.................................................................................... 3 Terreininspectie ................................................................................................................ 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ......................................................... 4 Bodemopbouw .................................................................................................................. 4 Geohydrologie .................................................................................................................. 4
3
CONCLUSIES VOORONDERZOEK (ONDERZOEKSOPZET) ................................................. 5
4
VELDWERK ................................................................................................................................ 6 4.1 4.2
5
LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................................ 8 5.1 5.2 5.3 5.4
6
Uitgevoerde werkzaamheden ........................................................................................... 6 Zintuiglijke waarnemingen ................................................................................................ 6 4.2.1 Algemene bodemopbouw................................................................................... 6 4.2.2 Visuele inspectie toplaag/maaiveld .................................................................... 7
Uitvoering analyses .......................................................................................................... 8 Toetsingskader ................................................................................................................. 9 Resultaten verkennend bodemonderzoek (NEN 5740).................................................. 10 Resultaten verkennend onderzoek asbest in bodem (NEN 5707) ................................. 11
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES ........................................................................ 12 6.1 6.2 6.3
Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) ................................................................... 12 Verkennend onderzoek asbest in bodem (NEN 5707) ................................................... 12 Conclusies en advies ...................................................................................................... 13
BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 2c. 3. 4a. 4b. 4c. 5. 6. 7. 8.
- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto’s onderzoekslocatie - Foto’s asbestinspectiegaten - Boorprofielen - Analysecertificaten verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) - Getoetste analyseresultaten verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) - Analysecertificaten verkennend onderzoek asbest in bodem (NEN 5707) - Toetsingskader Circulaire bodemsanering - Geraadpleegde bronnen - Eerder uitgevoerd bodemonderzoek - Gegevens asbestinventarisatie en -sanering
4383.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van de gemeente Someren opdracht gekregen voor het uitvoeren van een (actualiserend) verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek asbest in bodem aan de Steemertseweg ong. (perceel O, nr. 1203) te Lierop. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen verkoop van de onderzoekslocatie. In 2008 is door HMB reeds een volledig verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk: 08213801A, d.d. 9 april 2008) waarbij het gehele perceel is onderzocht. Het actualiserend verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen in de bovengrond van de onderzoekslocatie een grondverontreiniging aanwezig is (ontstaan na 2008), teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de verkoop van de onderzoekslocatie. Het verkennend onderzoek asbest in bodem (NEN 5707) heeft tot doel om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest (op het noordelijk deel van de locatie) terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem alhier. Het vooronderzoek is verricht conform de NEN 5725:2009 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek".
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740:2009 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond" en de NEN 5707:2015 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond". De visuele inspectie is uitgevoerd door medewerkers die gekwalificeerd zijn voor het protocol 2018 van de BRL SIKB 2000. Het veldwerk en de bemonstering zijn verricht onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2018. De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van VROM (Circulaire bodemsanering 2013), de helft van de interventiewaarde voor asbest en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1), VROM, 2007. Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001 en 2018 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.
2 2.1
VOORONDERZOEK Geraadpleegde bronnen
De informatie over de onderzoekslocatie is gebaseerd op de bij de gemeente Someren aanwezige informatie (contactpersoon de heer W. Boom) en informatie verkregen uit de op 12 juni 2017 uitgevoerde terreininspectie.
Rapport 4383.001 versie D1
Pagina 1 van 13
Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over:
het historische, huidige en toekomstige gebruik; eventuele calamiteiten; eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken; de bodemopbouw en geohydrologie; verhardingen, kabels en leidingen.
Bijlage 6 geeft een overzicht van de geraadpleegde bronnen. 2.2
Afbakening onderzoekslocatie vooronderzoek
Het vooronderzoek omvat de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende percelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie (± 10.050 m²) ligt aan de Steemertseweg ong., circa 1 kilometer ten noorden van de kern van Lierop (zie bijlage 1). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend gemeente Someren, sectie O, nummer 1203. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (www.ahn.nl), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 22,5 m +NAP en zijn de coördinaten van de onderzoekslocatie X = 175.638, Y = 382.066. 2.3
Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie
Volgens historisch kaartmateriaal uit de periode 1850-1900 was de locatie, alsmede de omgeving ervan, destijds in agrarisch gebruik (bouwland) en werd extensief bewoond. Dit gebruik van de onderzoekslocatie is sinds deze tijd niet wezenlijk veranderd. De onderzoekslocatie is momenteel geheel in gebruik als akker en heeft voor zover bekend altijd een agrarische bestemming gehad. Tussen 1984 en 2016 heeft er op het noordelijk deel van de locatie een (varkens)stal gestaan met een dak van asbesthoudende golfplaten. De dakranden waren destijds niet voorzien van een regengoot. Voorafgaand aan de sloop van de stal is een asbestinventarisatie uitgevoerd (GSAudits, projectnummer: GS-A-1498, d.d. 21 januari 2014). Voorafgaand aan de sloop is het asbesthoudend materiaal verwijderd door van der Heijden sloopwerken en asbestverwijdering b.v., waarna een “certificaat eindcontrole na asbestverwijdering” is afgegeven op 18 april 2015 (inpandige sanering) en 24 april 2015 (uitpandige sanering). De gegevens omtrent deze asbestsanering en sloop zijn bijgevoegd in bijlage 8. De onderzoekslocatie is inmiddels geheel onbebouwd en onverhard. Uit het in 2008 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek blijkt dat de toerit tot de (voormalige) varkensstal bestond uit gebroken puin. Deze puinverharding is na de sloop van de stal mee verwijderd.
Verder zijn er geen andere (voormalige) ophogingen, stortingen of slootdempingen op de locatie bekend. Voor zover bij de aanvrager bekend heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. In bijlage 2a is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven. Bijlage 2b bevat enkele foto's van de onderzoekslocatie.
Rapport 4383.001 versie D1
Pagina 2 van 13
2.4
Calamiteiten
Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan. Ook uit informatie van de gemeente Someren blijkt niet dat er zich in het verleden bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan. 2.5
Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie
In 2008 is door HMB reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk: 08213801A, d.d. 9 april 2008, zie bijlage 7) waarbij het gehele perceel is onderzocht. De bovengrond van het noordelijk deel van de locatie bleek destijds licht verontreinigd met zink, echter overschreed het aangetoonde zinkgehalte niet de door de gemeente Someren voor dit gebied vastgestelde achtergrondwaarde voor zink (120 mg/kg d.s.). In de overige mengmonsters van de bovengrond, alsook in de ondergrond werden destijds geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater bleek (plaatselijk) licht verontreinigd met kwik en zink. 2.6
Belendende percelen/terreindelen
In bijlage 6 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de belendende percelen opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende percelen is als volgt:
aan de noordzijde bevindt zich een (voormalig) agrarisch bedrijf met woning en tuin (Steemertseweg 24); aan de oost- en zuidzijde bevinden zich agrarische percelen (akkers); aan de westzijde bevindt zich de Steemertseweg, met aan de overzijde agrarische percelen.
Van de aangrenzende percelen zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend. Bij de gemeente Someren is niets bekend omtrent potentieel bodembedreigende activiteiten op aangrenzende percelen. Er vinden geen industriële activiteiten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie plaats. Uit de verzamelde informatie blijkt niet dat er vanuit de omliggende percelen grensoverschrijdende verontreinigingen zijn te verwachten. 2.7
Terreininspectie
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 2.3. Op de onderzoekslocatie zijn geen mogelijke bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging aangetroffen. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. 2.8
Toekomstige situatie
De gemeente Someren is voornemens de locatie te verkopen. Vooralsnog zijn er geen toekomstige ontwikkelingen voor de locatie bekend.
Rapport 4383.001 versie D1
Pagina 3 van 13
2.9
Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten
Op 11 januari 2012 is de Bodemkwaliteitskaart Someren opgesteld. Op de bodemkwaliteitskaart is de gemeente Someren opgedeeld in homogene deelgebieden die met betrekking tot bodemgebruik, bodemopbouw en bodembelasting overeenkomstige kenmerken vertonen en waarin een vergelijkbare bodemkwaliteit verondersteld mag worden. Verdachte en gesaneerde locaties zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. De onderzoekslocatie is gelegen binnen het gebied met de bodemfunctieklasse "buitengebied". Binnen dit gebied komen in de bovengrond licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen (met name koper en zink), PCB’s en minerale olie voor. In de ondergrond komen licht tot matig verhoogde gehalten voor aan kobalt, nikkel, PCB’s en minerale olie. Rekening houdend met de toetsingsregel voor overschrijding van klassengrenzen kan de “overall” kwaliteit van zowel de bovengrond als de ondergrond in deze zone worden aangemerkt als “AW-2000”. Als gevolg van onder meer de uitloging van metalen uit zinkassen is het grondwater in de regio De Kempen verontreinigd geraakt met zware metalen. Regelmatig worden in het grondwater, met name voor zink en cadmium, hoge overschrijdingen van de interventiewaarde gemeten. Voor een zestal zware metalen zijn statistische kengetallen afgeleid. Er is geen onderscheid gemaakt in zones, maar er is één waarde afgeleid voor de hele gemeente Someren.
In tabel I zijn de resultaten van de grondwaterkwaliteit weergegeven, waarbij de 95-percentiel (P95) als lokale achtergrondwaarde kan worden gehanteerd. In de Nota bodembeleid Someren (d.d. 25 mei 2012) is onder andere specifiek beleid opgesteld ten aanzien van verhoogde gehalten van zware metalen in het grondwater. Tabel I.
Statistische kengetallen van het grondwater voor zware metalen (gehalten in μg/l)
2.10 Bodemopbouw De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een hoge zwarte enkeerdgrond, die voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. 2.11 Geohydrologie Tektonisch gezien ligt de onderzoekslocatie in de Roerdalslenk. Deze slenk wordt aan de zuidwestzijde begrensd door de Feldbiss en aan de noordoostzijde door de Peelrandbreuk. Beide breuken zijn noordwest-zuidoost gericht. Het eerste watervoerend pakket heeft een dikte van ± 53 m en wordt gevormd door de grove en grindrijke zanden van de Formaties van Beegden en Sterksel. Op deze fluviatiele en glaciofluviatiele formaties liggen de fijnzandige, matig goed doorlatende dekzandafzettingen, behorende tot de Formatie van Boxtel, met een dikte van ± 20 m. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door kleiafzettingen van de Formatie van Stramproy.
Rapport 4383.001 versie D1
Pagina 4 van 13
De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 20,5 m +NAP, waardoor het grondwater zich naar verwachting bevindt op ± 2 m -mv. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO, in noordnoordwestelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.